|
Vastgesteld door Provinciale Staten op 25 juni 2014
Gewijzigd op:
Leeswijzer:
De Verordening Romte Fryslân 2014 is op 25 juni 2014 vastgesteld. Vervolgens is op 18 februari 2015, tegelijk met de vaststelling van de Beleidsnotitie Romte foar Sinne, de 1e partiële herziening van de verordening vastgesteld. Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' vastgesteld. In 2020 zijn nieuwe regels m.b.t. zon en wind opgenomen in de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) en de Wijziging Verordening Romte Fryslân (wind). Tot slot is op 23 maart 2021 een aanpassing in de nummering van artikel 10.1.1, eerste lid (algemene ontheffing) doorgevoerd. In deze geconsolideerde versie van de Verordening Romte Fryslân 2014 zijn ook de meest recente wijzigingsverordeningen meegenomen. Daarnaast zijn een aantal tekstkaders opgenomen met een toelichting op de wijzigingen. Omdat de regels voor opstellingen voor zonne-energie met de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) in zijn geheel zijn vervangen door nieuwe regels is de oude toelichting verwijderd en vervangen door de toelichting uit de Verordening Romte Fryslân 2014 (zon). De geconsolideerde versie is opgesteld ter bevordering van de leesbaarheid. Deze heeft echter geen juridische status. Voor de juridisch bindende stukken wordt verwezen naar de hierboven genoemde verordening, partiële herziening en wijzigingsverordeningen. Deze zijn gepubliceerd op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. |
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in werking getreden op 1 juli 2008, zijn instrumenten opgenomen passend bij het stelsel van verantwoordelijkheden voor de drie bestuurslagen rijk, provincies en gemeenten. Doel van de wet is een slagvaardiger doorwerking en uitvoering van het ruimtelijke beleid. De Wro maakt een onderscheid tussen strategische visie en juridisch bindend beleid. De strategische visie staat in de structuurvisies van de verschillende overheidslagen. Voor de formulering van het provinciale ruimtelijke beleid is de provinciale structuurvisie in de plaats gekomen van het streekplan. Op basis van het overgangsrecht van de Wro, heeft het geldende Streekplan Fryslân 2007 (hierna: Streekplan) de status van provinciale structuurvisie. Bij de totstandkoming van het Streekplan is hiermee rekening gehouden. De juridisch bindende elementen ter uitvoering van beleid staan voor wat betreft de gemeenten in bestemmingsplannen en voor wat betreft rijk en provincies in algemene regels in AMvB's en verordeningen.
Binnen dat wettelijke kader hebben Provinciale Staten op 15 juni 2011 de Verordening
Romte Fryslân vastgesteld. Deze is per 1 augustus 2011 in werking getreden. Op grond
van een aantal ontwikkelingen is aanpassing van die verordening noodzakelijk.
Zo is sinds medio 2011 door Provinciale Staten nieuw beleid geformuleerd inzake de veehouderij, intensieve veehouderij, landschap en cultuurhistorie (Grutsk op `e Romte) en weidevogels. In de 'Tuskentiidske evaluaasje Streekplan Fryslân', van 23 januari 2013, heeft ook een eerste evaluatie van de toepassing van de verordening plaatsgevonden. Daarin is een aantal onderwerpen benoemd waarvan aanpassing in de verordening gewenst werd geacht. Ook op grond van de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is aanpassing van de verordening vereist.
Eerste partiële herziening Verordening Romte 2014 ’Romte foar Sinne’
De eerste partiële herziening van de verordening is op 18 februari 2015 vastgesteld. In de herziening is het beleid ‘Romte foar Sinne’ verwerkt in de verordening. Wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ De verordening is laatstelijk op 21 februari 2018 aangepast. Met de wijzigingsverordening zijn de bepalingen uit bijlage II, artikel 4 van het Bor onder de werking van de verordening komen te vallen. Daarnaast zijn tevens enkele andere aanpassingen in de wijzigingsverordening meegenomen. Het betreft kleine verruimingen in de regels en enkele correcties. Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) De verordening is op 1 juli 2020 aangepast. In de wijzigingsverordening is het nieuwe beleid t.a.v. windturbines uit het bestuursakkoord 2019- 2023 'Geluk op 1' verwerkt. Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) De verordening is op 25 november 2020 aangepast. In de wijzigingsverordening is het nieuwe beleid t.a.v. zonne-energie uit het bestuursakkoord 2019 - 2023 'Geluk op 1' en de Omgevingsvisie 'De Romte Diele' 2020 verwerkt. Aanpassing nummering Verordening Romte Fryslân 2014 (algemene ontheffing) De verordering is op 23 maart 2021 aangepast. De nummering in artikel 10.1.1, eerste lid is aangepast n.a.v. de vaststelling van de regels in de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon). |
Decentraal wat kan, centraal wat moet
Uitgangspunt in de Wro is dat ruimtelijke normstelling geschiedt door het meest geschikte overheidsorgaan. Dat is in beginsel het gemeentelijke niveau omdat op dit niveau het beste rekening kan worden gehouden met de lokale omstandigheden. De aard van de ruimtelijke problematiek of het schaalniveau waarop een aangelegenheid moet worden geregeld, kan echter met zich meebrengen dat provincie of rijk tot normstelling overgaan. In het Streekplan is als provinciale variant het principe gehanteerd: 'lokaal wat kan, provinciaal wat moet'.
Politieke, sociaaleconomische of maatschappelijke opvattingen bepalen of de behartiging van een bepaald belang op het gemeentelijke, provinciale of rijksniveau dient te geschieden. Deze opvattingen kunnen in de loop van de tijd wijzigen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen.
Vervallen goedkeuringsvereiste bestemmingsplannen
Onder de Wro is voor vastgestelde bestemmingsplannen geen provinciale goedkeuring meer vereist.
Voor de doorwerking van provinciale (en nationale) belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen zijn andere instrumenten beschikbaar. Zo kunnen een provinciale verordening en een algemene maatregel van bestuur (AMvB), algemene regels stellen over de inhoud en plantoelichting van bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten een zienswijze indienen met betrekking tot een ontwerpbestemmingsplan. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten een reactieve aanwijzing geven met betrekking tot een vastgesteld bestemmingsplan indien onvoldoende aan de zienswijze is tegemoetgekomen.
Provinciale Staten van Fryslân hebben in 2008 besloten een provinciale verordening ruimte op te stellen. Enerzijds om de provinciale belangen te borgen. Anderzijds om vooraf duidelijkheid richting gemeenten te geven over de provinciale belangen en de wijze waarop deze doorwerken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.
Inwerkingtreding Barro
Ten behoeve van de doorwerking van het rijksbeleid is in twee tranches het Barro in werking getreden, waarvan de 2e tranche op 1 oktober 2012. In het Barro worden de nationale belangen op twee verschillende manieren geborgd: allereerst werken normen t.a.v. de nationale belangen direct door. Gemeenten dienen bij het vaststellen van de bestemmingsplannen rekening te houden met deze belangen. Waar directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte, 'getrapte' doorwerking: ten aanzien van die belangen wordt provinciaal medebewind gevorderd. Voor Fryslân is daarvan de EHS relevant.
Provinciaal belang
In artikel 4, eerste lid van de Wro staat het aldus: 'indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld…'.
Provinciale Staten hebben in juni 2008 ingestemd met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde notitie 'Gedragslijn invoering nieuwe Wro provincie Fryslân' en tevens besloten:
De provinciale ruimtelijke belangen zijn na een uitgebreid interactief proces met de Friese samenleving vastgelegd in het Streekplan. Daarnaast staan provinciale ruimtelijke belangen in andere documenten die door Provinciale Staten zijn vastgesteld, zowel in het spoor van de ruimtelijke ordening, als in de andere provinciale omgevingsplannen zoals het provinciaal waterhuishoudingsplan, het provinciaal milieubeleidsplan en het provinciaal verkeers- en vervoersplan. Zoals gezegd is na medio 2011 aanvullend provinciaal beleid geformuleerd inzake de veehouderij, intensieve veehouderij, landschap en cultuurhistorie (Grutsk op `e Romte) en weidevogels.
De verordening regelt slechts die zaken die expliciet als provinciaal belang zijn te duiden.
De sturingsfilosofie van het Streekplan is gebaseerd op een tweesporenbenadering, met als uitgangspunt het beginsel van de Wro; lokaal wat kan, centraal wat moet. Deze twee sporen zijn:
Ad1
Gemeenten kunnen lokale belangen naar eigen inzicht regelen, binnen de context van provinciale belangen. Wat deze provinciale belangen zijn, is in het Streekplan ca. aangegeven. Deze vormen voor ons dan ook leidraad voor het opstellen van de verordening. Uitgangspunt daarbij is de gezamenlijke inzet. Deze inzet laat echter onverlet dat er een onderscheid is tussen lokale en provinciale belangen. De Verordening Romte Fryslân regelt de provinciale belangen die op voorhand door moeten werken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat dan om belangen die niet doelmatig of doeltreffend op gemeentelijk niveau kunnen worden afgewogen en behartigd, omdat de effecten het lokale niveau overstijgen.
Uitgangspunt is dat niet meer geregeld wordt dan noodzakelijk is. Dubbele regelgeving
wordt vermeden. Wat elders al goed geregeld is (zoals in het Barro of in sectorale wet- en regelgeving) doen we niet over in de verordening. Verder
is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten.
Binnen kwantitatieve en kwalitatieve randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk.
Ad2
Voorop staat dat ruimtelijke ontwikkelingen niet bepaald worden door één partij. Gezamenlijk bepalen overheden, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven hoe Fryslân zich ruimtelijk ontwikkelt. Provincie en gemeenten onderkennen dat zij gezamenlijke belangen hebben, maar ook naar aard en schaal onderscheiden belangen. Wij vinden het gewenst dat gemeenten en provincie heldere afspraken maken over ruimtelijke onderwerpen waarin zowel het gemeentelijke belang als het provinciale belang aanwezig is.
Hiervoor is in de opmaat naar de verordening van 2011 samen met gemeenten een planologische samenwerkingsagenda opgesteld, waarin onderwerpen zijn benoemd die zich goed lenen voor bestuurlijke afspraken. Voorbeelden zijn de beleidsafspraken die tussen provincie en gemeenten gemaakt zijn over de regionale programmering van woningbouw en bedrijventerreinen. In de planologische samenwerkingsagenda is ook benoemd dat het nuttig kan zijn om afspraken te maken over onderwerpen die naar hun aard moeilijk in de verordening te borgen zijn. Voorbeelden daarvan zijn kwaliteitsonderwerpen zoals landschap en cultuurhistorie.
De planologische samenwerkingsagenda en de provinciale Verordening Romte vullen elkaar aan. Het doel is een evenwicht tussen juridische borging voor zover dat nodig is, en bestuurlijke borging voor zover dat mogelijk is.
In het ontwikkelingsgerichte spoor wil de provincie actief haar bijdrage blijven leveren
met kennis en inzichten, investeringen, provinciale programma's en projecten, organisatie-
en regiekracht. Voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid steken wij veel energie
in vooroverleg met gemeenten en afstemming tussen gemeenten. Wij zullen deze manier
van werken voortzetten en intensiveren, omdat dit zeer effectief is. Door te agenderen,
mee te denken, te ondersteunen met kennis en inzichten, onderling af te stemmen en
afspraken te maken, kan veel kwaliteitswinst worden bereikt. Na overlegrondes met
gemeenten hebben Gedeputeerde Staten in de brief van 31 januari 2012 de afspraken
neergelegd met betrekking tot de communicatie tussen gemeenten en provincie over gemeentelijke
plannen en voornemens. Daaruit blijkt onder meer over welke plannen en voornemens
tijdig overleg tussen gemeente en provincie gewenst is, in afstemming tot de bepalingen
in de verordening. Met de vaststelling van de aangepaste verordening zal die brief
worden geactualiseerd.
Voorafgaand aan de verordening van 2011 hebben wij in een Realisatieparagraaf schematisch voor alle beleidsuitspraken uit het Streekplan – de provinciale belangen – aangegeven op welke manieren deze gerealiseerd worden. De provinciale belangen die door moeten werken in gemeentelijke ruimtelijke plannen komen in potentie in aanmerking voor regeling in de verordening.
Vervolgens hebben wij voor de belangen die door moeten werken in gemeentelijke ruimtelijke belangen, nader afgewogen of het ook nodig en uitvoerbaar is om deze belangen in de verordening te borgen. We willen bijvoorbeeld niet meer regelen dan noodzakelijk is en dubbele regelgeving voorkomen. Ook op de doelmatigheid en handhaafbaarheid hebben we gelet.
Ook bij het formuleren van nieuw beleid volgen wij deze systematiek. Zo hebben wij
in de opmaat naar nieuw beleid inzake de veehouderij en intensieve veehouderij gecommuniceerd
met betrokken partijen en gemeenten over de meest optimale wijze waarop ons beleid
zou kunnen doorwerken. Ook in de voorbereiding van 'Grutsk op 'e Romte', hebben wij
met gemeenten en andere betrokken partijen specifiek gekeken naar de wijze waarop
ons beleid, en daarmee onze provinciale belangen het best kunnen doorwerken.
In deze aanpassing van de verordening hebben wij, mede op basis van de inzichten opgedaan bij de toepassing vanaf 2011, opnieuw gekeken naar de noodzaak en doelmatigheid van bepalingen.
De wijziging van de verordening vloeit voort uit het volgende.
In de verordening die op 15 juni 2011 is vastgesteld kwamen de onderwerpen voort uit het bestaande provinciaal beleid en daarnaast uit de te verwachten inzet van de toenmalige ontwerp-AMvB Ruimte. Veel onderwerpen van het rijks- en provinciaal beleid overlapten elkaar. Op grond van het Barro mag de verordening nog slechts 'getrapte' regels bevatten over de ecologische hoofdstructuur. Dat vraagt wel om aanpassing van de bestaande regels. Daarnaast zijn in het Barro bepalingen opgenomen ('Ladder voor duurzame verstedelijking'; kustfundament) die overlappen met de huidige regeling in de verordening). Dat vraagt ook om aanpassing van de verordening.
Bij de evaluatie van het Streekplan heeft ook een eerste evaluatie van de werking van de verordening plaatsgevonden. Op grond daarvan zijn onderwerpen benoemd die in aanmerking komen voor wijziging van de verordening.
Daarnaast is de 'Spoedwet reparatie Wro', net als de 2e tranche van het Barro per 1 oktober 2012 in werking getreden. Daarin is de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen alsnog expliciet wettelijk geregeld. Daarbij is echter bepaald dat het instrument van ontheffing slechts als ultimum remedium kan worden ingezet, voor onvoorzienbare situaties. Daar waar sprake is van voorzienbaarheid van ontwikkelingen moet de verordening ter zake directe regels stellen. Bij vaststelling van de eerste verordening was al op die wettelijke regeling geanticipeerd en het aantal ontheffingsbepalingen beperkt. In deze wijziging worden specifieke ontheffingsbepalingen geschrapt en wordt volstaan met een algemene ontheffingsbepaling voor niet voorzienbare ontwikkelingen.
De wijziging die nu voorligt is niet meer, zoals het geval was bij de eerste verordening, 'beleidsneutraal' verbonden aan het Streekplan Fryslân 2007. In de wijziging wordt nieuw tussentijds vastgesteld beleid van Provinciale Staten (grondgebonden veehouderij; 'Grutsk op 'e Romte) vertaald in regels in de verordening. Tegelijk met de verordening wordt nieuw beleid inzake intensieve veehouderij vastgesteld, alsmede de Nota Weidevogels. De aanpassing van de bepalingen inzake de recreatie leiden impliciet tot een nuancering van dat beleidsonderdeel van het streekplan. Ook zijn, anticiperend op het definitie-ve beleid inzake windturbines, enkele aanvullende bepalingen opgenomen inzake het opschalen van bestaande turbines.
De verordening blijft wel binnen de denkrichting en concepten van het streekplan. Een integrale heroverweging van het ruimtelijk beleid, als onderdeel van het provinciaal omgevingsbeleid is later aan de orde en kan dan ook leiden tot een integrale heroverweging van de verordening.
De wijziging, voortvloeiend uit bovenstaande, heeft al met al met name betrekking
op:
Eerste partiële herziening Verordening Romte 2014 ’Romte foar Sinne’
In deze herziening hebben wij de notitie Romte foar Sinne, met daarin nieuw beleid met betrekking tot het plaatsen van opstellingen voor zonne-energie op de grond, vertaald in de regels van de verordening. Om misverstand te vermijden is van de gelegenheid gebruik gemaakt om tevens de begripsbepaling van ‘stedelijke functie’ aan te passen zodat duidelijk is dat opstellingen voor zonne-energie en windturbines niet als stedelijke functie kunnen worden aangemerkt. Wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ Met de wijzigingsverordening zijn de bepalingen uit bijlage II, artikel 4 van het Bor onder de werking van de verordening komen te vallen. Daarnaast zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: - het schrappen van de begripsbepaling Ladder duurzame verstedelijking; - het aanpassen van de begripsbepalingen Opstelling voor zonne-energie en Ruimtelijk plan; - een kleine verruiming in de bepalingen inzake verbetering bebouwingslinten en – clusters en saldoregeling wonen; - een kleine verruiming in de bepalingen inzake niet-agrarische bedrijven in het landelijk gebied; - een correctie in de bepaling inzake de permanente bewoning van recreatiewoningen; een kleine verruiming in de bepalingen inzake kleine windturbines en opstellingen voor zonne-energie; - het opnemen van een algemene ontheffingsmogelijkheid voor functies die bijdragen aan het opwekken van duurzame energie, m.u.v. windturbines. Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd: - het realiseren van maximaal 3 windturbines met een ashoogte van 15 meter bij agrarische bedrijven; - het opschalen van bestaande dorpsmolens tot een tiphoogte van 100 meter; - het plaatsen van een nieuwe solitaire turbine met een tiphoogte van 100 meter na sanering van minimaal 100 meter aan oude windturbines. Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd: - zonneladder met prioritering; - regels m.b.t. participatie, locatiekeuze d.m.v. Sinnetafel, benutten koppelkansen opgenomen; - er is een normering gekoppeld aan de kernenstructuur opgenomen in de regels; - aanvullende regels voor opstellingen voor zonne-energie in natuur; - aanpassing van de volgorde van de regels; - rechtstreeks werkende regels opgenomen. Aanpassing nummering Verordening Romte Fryslân 2014 (algemene ontheffing) De volgende wijziging is doorgevoerd: - in de algemene ontheffing is de nummering gecorrigeerd |
De verordening bevat instructies ingevolge artikel 4.1, eerste lid Wro, over de inhoud van gemeentelijke ruimtelijke plannen en over de onderbouwing en motivering in de plantoelichting. Deze instructies zijn gericht aan het gemeentebestuur en binden de burgers niet rechtstreeks.
Wij gaan er, zoals ook eerder in de verordening van 2011, van uit dat geldende ruimtelijke plannen in het algemeen in voldoende mate zijn afgestemd op het provinciale beleid, zodat er geen directe aanleiding is voor aanpassing van deze plannen aan de verordening. Artikel 11.2.2 van de verordening bepaalt daarom dat - behoudens de regeling van de EHS - de verordening niet van toepassing is op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht en via een ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid uit de WRO) in een geldend ruimtelijk plan staan. Wij kiezen mede voor deze lijn om de bestuurlijke lasten voor gemeenten te beperken. De verordening verplicht de gemeenten ook niet om bestaande rechten te beperken. Van planschade kan dan ook geen sprake zijn.
Bij de toepassing van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsbepalingen in een geldend bestemmingsplan, is het gebruikelijk om met nieuwe inzichten en ontwikkelingen rekening te houden. Daarom is de verordening wel van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die in een nieuw wijzigings- of een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, sub a en b van de Wro worden opgenomen.
Bij de actualisatie van bestemmingsplannen, die volgens artikel 3.1, lid 2 van de Wro elke 10 jaar na de laatste vaststelling dient plaats te vinden, dienen de bepalingen van de verordening wel in acht te worden genomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom is volgens artikel 11.2.1 van de verordening de hoofdregel, dat het tijdstip waarop een bestemmingsplan in overeenstemming met deze verordening moet zijn vastgesteld, gelijk aan het tijdstip in artikel 3.1, lid 2 van de Wro. Dit tijdstip is 10 jaar na laatste vaststelling.
De inhoudelijke bepalingen van de verordening zijn onderverdeeld in:
De algemene bepalingen zijn op de meeste gemeentelijke ruimtelijke plannen van toepassing. Aanvullend zijn, indien een thema in een ruimtelijk plan speelt, de thematische bepalingen van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij het toepassen van bepalingen in de hoofdstukken over wonen, werken en recreatie ook rekening moet worden gehouden met de bepalingen over ruimtelijke kwaliteit.
Uit de formulering van de bepalingen blijkt, dat in de verordening voor veel onderwerpen de provinciale 'bovenruimte' wordt aangegeven. Dan gaat het om de ontwikkelingsruimte die door gemeenten kan worden toegestaan. Dit betekent dat indien lokale omstandigheden en afwegingen daartoe aanleiding geven, gemeenten die ruimte niet hoeven op te vullen. In hun ruimtelijke plannen kunnen gemeenten nadere beperkingen opnemen.
Waar in de verordening over 'provinciale structuurvisie' wordt gesproken, wordt het Streekplan bedoeld tenzij dit anders is aangegeven.
Ruimtelijk plan
Onder 'ruimtelijk plan' wordt in deze verordening verstaan: een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet, een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de wet, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid juncto artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet, tenzij de aard van de bepaling zich daartegen verzet.
Onder 'plantoelichting bij een ruimtelijk plan' wordt in deze verordening verstaan de toelichting of ruimtelijke onderbouwing bij een ruimtelijk plan als hiervoor bedoeld.
Met de wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid juncto artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de begripsbepaling van ‘ruimtelijk plan’ toegevoegd. |
De verordening bevat basisbepalingen omtrent hetgeen in een ruimtelijk plan wel (toestemming) of niet (verbod) is toegestaan. Als sprake is van een verbodsbepaling bevat de verordening veelal een daarop aansluitende afwijkingsbepaling. Daaruit blijkt dat een ontwikkeling in afwijking van de verbodsbepaling wel kan, onder voorwaarden ('ja, mits'). De gemeente zal bij de toepassing van die afwijkingsbepaling afdoende moeten motiveren dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Dat is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Bij het vooroverleg over ruimtelijke plannen kunnen gemeenten tijdig met de provincie afstemmen over invulling van die voorwaarden.
Ten behoeve van de nodige flexibiliteit bevatte de eerste verordening specifieke ontheffingsbepalingen. Daarmee konden Gedeputeerde Staten toch medewerking verlenen aan ontwikkelingen die in eerste instantie in strijd zijn met de basisbepalingen en waarvoor ook de afwijkingsbepalingen geen ruimte boden. Die vorm van flexibiliteit is vanwege de wettelijke aanpassing verminderd. In de gewijzigde verordening is op diverse onderdelen meer ruimte opgenomen binnen de afwijkingsbepalingen. Voor niet voorzienbare situaties, waarvan toch, na overleg tussen gemeente en provincie, door Gedeputeerde Staten kan worden geoordeeld dat deze niet wezenlijk in strijd zijn met provinciale belangen, is een algemene ontheffingsbepaling opgenomen. Daaronder kunnen bijvoorbeeld innovatieve projecten worden gerekend, zoals die rond KH 2018 kunnen gaan spelen. Gedeputeerde Staten doen jaarlijks achteraf verslag van de toepassing van die ontheffingsbepaling aan Provinciale Staten.
Werkingsgebied verordening; positie Waddenzee en Waddeneilanden
De verordening heeft betrekking op het hele grondgebied van de provincie Fryslân, dus inclusief de Waddeneilanden, de Waddenzee en het IJsselmeer.
Voor de Waddenzee (excl. de havenkom bij Harlingen) en het Waddengebied (Waddenzee en het grondgebied van aangrenzende gemeenten) staan in het Barro bouw- en gebruiksbepalingen die direct doorwerken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Deze bepalingen regelen o.a. buitendijkse ontwikkelingen bij de Waddeneilanden (waaronder de zeewaartse uitbreiding van jachthavens) en nabij Harlingen. De bepalingen zijn gebaseerd op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de PKB Waddenzee van het rijk, en zijn afgestemd op het provinciale beleid. De artikelen van de verordening over nieuwe buitendijkse ontwikkelingen (8.2), hebben daarom alleen betrekking op het IJsselmeer en de bestaande havenkom van Harlingen. De artikelen die betrekking hebben op de reserveringszones langs de primaire waterkeringen (8.1), zijn wel op de Waddenzee van toepassing.
Vanwege de specifieke situatie op de Waddeneilanden, zijn voor de Waddeneilanden enkele afwijkende bepalingen opgenomen. De thematische toelichting gaat hier afzonderlijk op in.
Kaarten
Daar waar de regels van deze verordening verwijzen naar kaarten, zijn deze opgenomen in een afzonderlijke Kaartenbijlage die onderdeel uitmaakt van deze verordening.
Het voorontwerp van de verordening van 2011 is tot stand gekomen met de inbreng van een externe klankbordgroep bestaande uit een vertegenwoordiging van Friese gemeenten en de VFG. Verder heeft over het voorontwerp een bestuurlijk overleg met de portefeuillehouders ruimtelijke ordening van de Friese gemeenten plaatsgevonden. Daarna heeft de formele consultatie over het ontwerp plaatsgevonden.
De procedure voor de Verordening Romte 2014 is beperkt tot de formele consultatie
over het ontwerp. Een bredere consultatie over een voorontwerp is gelet op de aard
van de aanpassingen achterwege gelaten. In de voorbereiding van nieuw beleid inzake
de veehouderij, weidevogels en Grutsk zijn diverse betrokken partijen en gemeenten
geraadpleegd. Bovendien zijn in de evaluatie van het streekplan, op basis waarvan
de verordening ook aanpassing ondergaat, diverse stakeholders uit de mienskip betrokken.
Daarbij is ook de wijze van doorwerking aan de orde geweest.
Eerste partiële herziening Verordening Romte 2014 ’Romte foar Sinne’
De partiële herziening van de verordening vloeit voort uit de beleidsnotitie Romte foar Sinne. De notitie is het resultaat van een snel beleidsproces, waarin de ervaringen vanuit de uitvoering van Sinnestroom bij concreet lopende en voorgenomen projecten zijn verwerkt, alsmede input is gekregen vanuit een workshop waarin vertegenwoordigers van enkele betrokken stakeholders en gemeenten. De ontwerp-notitie met daarin opgenomen de eerste partiële herziening heeft zes weken ter inzage gelegen. Wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ De procedure voor de wijzigingsverordening is beperkt tot de formele consultatie over het ontwerp. Een bredere consultatie over een voorontwerp is gelet op de aard van de aanpassingen achterwege gelaten. Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) De wijziging vloeit voort uit het gewijzigde beleid in het bestuursakkoord 'Geluk op 1'. Het ontwerp heeft vier weken ter inzage gelegen. Er zijn tijdens deze periode ook gesprekken gevoerd met stakeholders (LTO-Noord, Fryske Feriening foar Doarpsmûnen, Vereniging Windturbine Eigenaren en Energiecoöperatie Garyp). Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) Vooruitlopend op de totstandkoming van de wijziging van de verordening is op 27 mei 2020 een voorbereidingsbesluit genomen. Vervolgens is een ontwerpwijzigingsverordening opgesteld die zes weken ter inzage heeft gelegen. Er zijn tijdens deze periode ook gesprekken gevoerd met enkele gemeenten, de provincie Groningen, Vattenval, stakeholders (Us Koöperaasje, Friese Milieufederatie). Aanpassing nummering Verordening Romte Fryslân 2014 (algemene ontheffing) Er is geen procedure gevoerd. Het betrof een kleine correctie in de nummering. Aanpassing is mogelijk op grond van artikel 11.1.1, eerste lid van de Verordening Romte Fryslân 2014. |
Provinciale Staten van Fryslân;
Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 15 april 2014, nr. 01121823, inzake het vaststellen van de Verordening Romte Fryslân;
Gelet op artikel 4.1 en artikel 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening juncto de artikelen 145 en 152 van de Provinciewet;
Overwegende dat het wenselijk is ter uitvoering en doorwerking van het provinciale
ruimtelijke beleid in het gemeentelijk ruimtelijk beleid algemene regels vast te stellen als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
Besluiten vast te stellen de Verordening Romte Fryslân 2014.
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of door middel van het fokken of houden van dieren.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegelaten.
een bedrijf dat c.q. een activiteit die goederen of diensten levert overwegend aan agrarische bedrijven, of overwegend agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), grondverzetbedrijven, het houden of (medisch) verzorgen van dieren, grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven, met uitzondering van landbouwmechanisatiebedrijven.
een cluster van agrarische bedrijven, of agrarische hulpbedrijven, met bijbehorende voorzieningen.
een vlakvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, bij een kruispunt van (vaar-)wegen in het landelijk gebied.
een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het landelijk gebied met geringe afstanden tussen de bouwkavels.
inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of nijverheid, waaronder niet begrepen een horeca-inrichting of maatschappelijke voorziening.
een bedrijfsconcentratiekern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Dronrijp, Heeg, Marrum, Stiens, Veenwouden en Winsum.
een reclamemast voor de diensten of producten van een of enkele bedrijven die op of aangrenzend aan het perceel waarop de reclamemast staat, aanwezig zijn.
een perceel of een cluster van aaneengesloten percelen ten behoeve van een of meer bedrijven en dienstverlenende functies en de daarbij behorende voorzieningen.
een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg en invulling van bedrijventerreinen voor een bepaalde periode binnen een of meerdere gemeenten is aangegeven, inclusief de relatie met herstructurering en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen en dat tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in een regio.
bebouwing die door de staat waarin ze verkeert of door de verschijningsvorm, een negatieve invloed heeft op de landschappelijke waarden in de omgeving.
het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur van een kern bevat, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied, of zoals sinds 1 januari 2010 opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies, met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.
bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is of waarvoor een bouwvergunning is verleend dan wel een aanvraag om bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend.
Een bestaande dorpsmolen als bedoeld in de Omgevingsvisie De Romte Diele, te weten de dorpsmolens:
gebruik dat, respectievelijk functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is respectievelijk zijn of waarvoor een bouwvergunning of ontheffing is verleend dan wel een aanvraag om bouwvergunning of ontheffing is ingediend die kan worden verleend.
de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die de regionale behoefte overstijgt.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
het gebied dat niet tegen buitenwater wordt beschermd door de primaire waterkering.
een clustering van winkels die geheel of nagenoeg geheel de bewoners van een buurt of wijk waar de winkels zijn gevestigd, primair voorzien van dagelijkse behoeften en in beperkte mate van niet-dagelijkse behoeften.
de classificatie van vaarwegen volgens de provinciale vaarwegenverordening.
een terrein van enige omvang, blijkens de inrichting bestemd om meerdere recreatiewoningen in samenhang te plaatsen of geplaatst te houden, inclusief bijbehorende gemeenschappelijke faciliteiten.
het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen, waaruit de historie van een gebied te herleiden is.
een inrichting, anders dan een verblijfsrecreatieve inrichting of een jachthaven, waar de mogelijkheid wordt geboden om te recreëren; hieronder worden mede begrepen van de inrichting deel uitmakende sportvelden en sporthallen, culturele voorzieningen, alsmede ondergeschikt winkels en horeca-inrichtingen, alle in de vorm van een niet-zelfstandige voorziening.
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verlenen van commerciële en niet-commerciële diensten.
het op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur begrensde, samenhangende stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;
de Friese archeologische monumentenkaart extra, zoals deze laatstelijk door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.
een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend, niet zijnde een productiegerichte paardenhouderij, en waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone/menner inclusief de bijbehorende huisvesting van paarden; hiermee ligt de nadruk op het recreatieve en sportieve aspect van paardrijden.
een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van gewassen, waarbij de productie in kassen plaatsvindt.
een groepsverblijf met meer dan tien slaapplaatsen, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden.
agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegronds-tuinbouw, fruitteelt en boomteelt, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven.
een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering.
het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht en waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft.
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.
haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen.
een terrein met standplaatsen voor kampeermiddelen inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, niet zijnde een kleinschalig kampeerterrein.
een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg en invulling van kantoorruimte voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven, inclusief de relatie met herstructurering en revitalisering van bestaande kantoorruimte; het kantorenplan kan als onderdeel worden opgenomen in een bedrijventerreinenplan.
een perceel of een cluster van aaneengesloten percelen ten behoeve van een of meer kantoren en de daarbij behorende voorzieningen.
een gebouw met zodanige kenmerken of een zodanige verschijningsvorm, dat het een positieve invloed heeft op de landschappelijke waarden in de omgeving, of typerend en gezichtsbepalend is voor een zekere historische tijdsperiode. Het betreft in ieder geval gebouwen die zijn opgenomen op de monumentenlijst van rijk of gemeente, en gebouwen die in een bestemmingsplan buitengebied zijn opgenomen in een inventarisatie van aanwezige karakteristieke gebouwen.
elementen in of fysieke of functionele kenmerken van de omgeving van een functie of van een gebouw, die medebepalend zijn voor de fysieke, esthetische of functionele kwaliteit van het gebied.
een overige kern, een regionaal centrum, een stedelijk centrum of een bedrijfsconcentratiekern.
het aaneengesloten gebied in een kern dat als het belangrijkste winkelcentrum van de kern kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment.
een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind,
een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal standplaatsen voor kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, welk terrein uitsluitend in het toeristische seizoen opengesteld is en op welk terrein de kampeermiddelen ook alleen in het toeristische seizoen aanwezig zijn.
het gebied op een Waddeneiland dat de primaire waterkering en het bijbehorende duingebied omvat, zoals bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
gronden met een agrarische bestemming waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van een bouwperceel, en met uitzondering van gronden die voorheen in gebruik en bestemd zijn geweest als vuilstortplaats.
het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied.
een cluster van ongeveer 20 tot 50 woningen met een eigen, attractieve woonsfeer en een hoge beeldkwaliteit, met eventueel daarbij passende kleinschalige en milieuvriendelijke vormen van werken aan en bij huis, evenals zorgvoorzieningen en recreatieve voorzieningen.
een aaneengesloten bosof natuurgebied, al dan niet met overige gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke bebouwing, dat als een samenhangende ruimtelijke en functionele eenheid kan worden aangemerkt en waarvan een groot deel openbaar toegankelijk is voor het publiek.
aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.
de gebiedsoverschrijdende en per deelgebied onderscheiden landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van de bijbehorende adviezen, zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte en zijn weergegeven op de daarbij behorende kaarten.
de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die hoofdzakelijk voortkomt uit de aanwezige bevolking, bedrijvigheid en voorzieningen in één of enkele dorpsgebieden.
hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
de behandeling van dierlijke mest zonder veranderingen aan de samenstelling van het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren, verhitting of het verwijderen van vreemde objecten.
toepassing van (proces)technieken gericht op het opwekken van energie uit mest of andere organische stoffen.
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting of indamping van mest.
een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting.
een werkwijze waarbij alle partijen die een belang vertegenwoordigen rondom de ontwikkeling van een zonneveld, voorafgaand met elkaar om tafel gaan om:
de onderverdeling van bedrijven in milieucategorieën als genoemd in lijst 1, Bijlage 1 van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering van 2009.
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapenhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderijen.
het veranderen van gebruik van grond of bebouwing, anders dan het vervangen van bestaand gebruik door gebruik van gelijke aard, omvang en karakter.
het oprichten van bebouwing, anders dan het vervangen van bestaande bebouwing door bebouwing van gelijke aard, omvang en karakter.
het veranderen van een functie, anders dan het vervangen van een functie door een functie van gelijke aard, omvang en karakter.
Een samengesteld geheel van zonnepanelen of zonnecollectoren op maaiveld of op water, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon.
een overige bestaande kern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, geen stedelijk of regionaal centrum zijnde, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen.
detailhandel die wat betreft volumineuze aard van de goederen, gevaar en hinder of dagelijkse bevoorrading niet meer goed inpasbaar is in de bestaande winkelcentra, waaronder uitsluitend worden begrepen:
de toelichting bij een ruimtelijk plan.
een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend en waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden.
het provinciaal Werkplan weidevogels in Fryslân zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 28 september 2010.
het Streekplan Fryslân 2007 zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2006, zijnde een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de wet.
een stedelijk of regionaal centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, een recreatiekern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Appelscha, Akkrum, Bakkeveen, Earnewâld, Echtenerbrug/Delfstrahuizen, Heeg, Hindeloopen, Holwerd, Idskenhuizen, Koudum, Langweer, Noordwolde, Oldeberkoop, Oosterzee, Oostmahorn, Oudega (gemeente Súdwest Fryslân), Oudemirdum, Sloten, Stavoren, Terherne, Wergea, Woudsend, alsmede de kernen Birdaard, Oudega (gemeente Smallingerland) en Witmarsum.
een dagrecreatieve inrichting, een verblijfsrecreatieve inrichting, of een jachthaven.
een gebouw of deel van een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor verblijfsrecreatieve bewoning door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft.
een regionaal centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Balk, Bolsward, Buitenpost, Burgum, Franeker, Gorredijk, Grou, Joure, Kollum, Lemmer, Makkum, Oosterwolde, St. Annaparochie, Surhuisterveen, Wolvega, Workum.
de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die hoofdzakelijk voortkomt uit de aanwezige bevolking, bedrijvigheid en voorzieningen in een samenhangende regio die uit enkele gemeenten bestaat.
een gebouw of bouwwerk dat noodzakelijk is voor het schuilen van dieren in verband met het welzijn van de dieren.
een plaats bestemd voor het plaatsen van een tent, een tentwagen, een camper, een caravan, een stacaravan, of een tenthuisje geen recreatiewoning zijnde.
het stedelijk bundelingsgebied rond een stedelijk centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, zoals begrensd op de van deze verordening deeluitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen.
een stedelijk centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Leeuwarden, Drachten, Heerenveen, Sneek, Harlingen, Dokkum.
functies die gekoppeld zijn aan het functioneren van kernen (dorpen en steden), waaronder worden verstaan woningen, functioneel niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, zakelijke en commerciële dienstverlening, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen en sportvoorzieningen, met bijbehorend stedelijk water en groen en bijbehorende infrastructuur en nutsvoorzieningen, daaronder niet begrepen windturbines of opstellingen voor zonne-energie.
structuurvisie zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 26 maart 2014, met bijbehorende kaarten.
het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie.
een gebouw in de vorm van een lichte constructie voor recreatief verblijf, met een maximum oppervlakte van 40m² en maximum hoogte van 3.80m, met beperkt sanitaire voorzieningen.
een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van een kern ten behoeve van nieuwe stedelijke functies.
detailhandel buiten of aansluitend op bestaande winkelcentra met een aanbod van niet-dagelijkse goederen waaronder worden verstaan de hoofdbranches huishoudelijke en luxe artikelen, sport en spel, hobby, media, tuincentra, plant- en dierbenodigdheden, wit- en bruingoed doe-het-zelf, wonen alsmede overige detailhandel met uitzondering van de hoofdbranches warenhuizen, kleding en mode, schoenen en lederwaren, juwelier en optiek.
een private of publieke functie die voorziet in een maatschappelijke behoefte - niet zijnde bedrijf, winkel, horeca of kantoor - zoals een school, zorginstelling, theater, bibliotheek, stadion, sport(veld)complex, ziekenhuis, instelling van openbaar bestuur.
aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een bestemming natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn, overeenkomstig de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan.
een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind, niet zijnde een kleine windturbine.
een aaneengesloten en samenhangend gebied in een bestaande kern met overwegend een winkelfunctie, dat zich manifesteert als wijkwinkelcentrum of kernwinkelgebied.
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of daarmee gelijk te stellen woonvormen.
een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg, aantallen woningen en kwaliteit van woningen van woningbouwlocaties voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven inclusief de relatie met herstructurering van de bestaande woningvoorraad, dat - met uitzondering van de Waddeneilanden - tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in de woningbouwregio.
In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe stedelijke functie in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid en artikel 3.1.1 kan een nieuw landgoed worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan maximaal één nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan op een bestaand solitair bouwperceel , mits:
In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan op een bestaand solitair bouwperceel ten behoeve van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf, mits:
Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.
binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b.
In afwijking van artikel 3.1.1 kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet past in een woonplan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 4.1.1, eerste lid kan in een ruimtelijk plan voor gronden in of aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van een kern een landelijke wooncluster worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In een ruimtelijk plan voor een regionaal centrum zijn niet toegestaan:
In een ruimtelijk plan voor een bedrijfsconcentratiekern zijn niet toegestaan:
In een ruimtelijk plan voor een overige kern zijn niet toegestaan:
Van de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.3 kan ten behoeve van een incidenteel kantoor, bedrijf, of voorziening worden afgeweken, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat aard en schaal van de functie aansluiten bij aard en schaal van de overige kern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum.
In afwijking van artikel 4.4.1, eerste lid kan in een ruimtelijk plan nieuwe detailhandel worden toegestaan:
In afwijking van artikel 5.1.2 kan een ruimtelijk plan op een bestaand kampeerterrein recreatiewoningen toestaan ter vervanging van standplaatsen.
In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaand kampeerterrein worden toegestaan, waarbij het aantal standplaatsen mag toenemen tot 200, dan wel het bestaande aantal standplaatsen met 100 mag toenemen, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat de uitbreiding bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van het kampeerterrein.
In een ruimtelijk plan kan een nieuw kampeerterrein uitsluitend worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximum aantal van 200 standplaatsen.
In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaande jachthaven worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, waarbij het aantal ligplaatsen mag toenemen tot 250, dan wel het bestaande aantal ligplaatsen met 100 mag toenemen.
In een ruimtelijk plan kan een nieuwe jachthaven uitsluitend worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximum aantal van 250 ligplaatsen.
mits de gemeente het aantal kleinschalige kampeerterreinen met 16 tot maximaal 25 standplaatsen beperkt, of zones of gebieden aanwijst waar deze terreinen zijn toegestaan.
In afwijking van de artikelen 5.3.1 en 5.3.2 kan in een ruimtelijk plan de uitbreiding van een bestaande jachthaven of een nieuwe jachthaven worden toegestaan buiten een recreatiekern tot een maximum van 50 ligplaatsen per jachthaven in of aansluitend aan een kern en tot een maximum van 25 ligplaatsen daarbuiten.
In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening of de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling:
In de toelichting op een ruimtelijk plan waarin een nieuwe of een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening op of bij een Waddeneiland is opgenomen, wordt onderbouwd op welke wijze is gezorgd voor stabilisatie van de totale recreatiedruk per eiland en rekening is gehouden met de landschappelijke en natuurlijke waarden.
In een ruimtelijk plan kan de bestemming voor verblijfsrecreatief gebruik van recreatiewoningen die buiten het bestaand stedelijk gebied liggen en die oorspronkelijk als recreatiewoningen zijn gebouwd, niet worden omgezet in een regeling die permanente bewoning toestaat.
In afwijking van artikel 5.8.1 kan een ruimtelijk plan voorzien in de omzetting van de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Een ruimtelijk plan kan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwperceel bevatten indien:
met dien verstande dat met betrekking tot de oppervlakte van het bouwperceel voor
grondgebonden agrarische bedrijven artikel 6.1.2, eerste en tweede lid, en voor niet grondgebonden veehouderijen artikel 6.1.3, eerste lid van toepassing is.
of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten.
of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten.
In afwijking van artikel 1.1.1 en artikel 6.2.1, eerste lid kunnen in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied de in artikel 6.2.1, eerste lid genoemde bedrijfsactiviteiten worden toegestaan die niet in hoofdzaak bedrijfseigen zijn, alsmede agrarische hulpbedrijven, indien:
In afwijking van artikel 6.4.1, tweede lid kan een grotere uitbreiding worden toegestaan tot een maximum van 50%, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied kan een nieuw bouwperceel bevatten voor een gebruiksgerichte paardenhouderij indien in de plantoelichting is gemotiveerd dat:
In afwijking van artikel 7.1.1, eerste lid, is voortzetting van het bestaande gebruik inclusief de bijbehorende bestemmingsregeling mogelijk, voor zover gronden binnen de ecologische hoofdstructuur nog niet zijn verworven voor natuurontwikkeling.
Wanneer het ruimtelijk plan, waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in artikel 7.1.3 of waarvoor areaalcompensatie is toegepast zoals bedoeld in artikel 7.1.4, onherroepelijk is geworden, doen Burgemeester en Wethouders hiervan melding aan Gedeputeerde Staten.
Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden.
Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.
In de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden.
Van artikel 7.2.1 en artikel 7.2.2 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op buitendijks gebied in het IJsselmeer, of in de bestaande havenkom van Harlingen zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Havenkom Harlingen, worden geen bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen voor nieuwe recreatieve voorzieningen, nieuwe stedelijke functies of voor nieuwe bedrijven.
In een ruimtelijk plan kunnen in afwijking van artikel 8.2.1 bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor:
met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 1.1.1 en artikel 8.2.1 kan een ruimtelijk plan bouw- en gebruiksmogelijkheden bieden voor nieuwe bijzondere stedelijke en recreatieve functies op en bij de Afsluitdijk, met inachtneming van de voorwaarden in artikel 8.2.2, mits de betrokken gemeente en Gedeputeerde Staten daarover overeenstemming hebben bereikt en deze functies passen binnen een beleidskader waarmee Provinciale Staten hebben ingestemd.
mits het innovatieve karakter van de pilot middels een rapportage aannemelijk wordt
gemaakt en de kleine windturbines zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
in die gevallen waarin de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens
bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die
regels te dienen provinciale belangen.
Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:
Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien:
In afwijking van artikel 5.1.2 kan een ruimtelijk plan een complex recreatiewoningen toestaan binnen de gebieden Driesum en Westergeest, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Bijzondere afwijkingen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 1.1.1 kan een ruimtelijk plan een stedelijke ontwikkeling toestaan binnen het gebied Woonzone Peinder Mieden, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Bijzondere afwijkingen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Bij toepassing van de bepalingen in artikel 10.6.1 en 10.6.2 gelden, onverminderd het daar bepaalde, de volgende voorwaarden:
In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de wet wordt het tijdstip waarop een bestemmingsplan in elk geval in overeenstemming met deze verordening moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de wet.
In het eerste hoofdstuk staan bepalingen over bundeling van verstedelijking. Het concentreren van nieuwe stedelijke functies bij kernen bevordert een doelmatig gebruik van de ruimte, draagt bij aan sterke steden en vitale dorpen, en voorkomt onnodige verrommeling en versnippering van het landelijk gebied. In het rijksbeleid is bundeling verwerkt in de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het rijk laat de verdere uitwerking van het bundelingsbeleid over aan de provincies.
Belangrijk voor de toepassing van de regels en de effectiviteit van het bundelingsbeleid, is het onderscheid tussen landelijk gebied en bestaand stedelijk gebied. Om hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan, hebben wij de grens van het bestaand stedelijk gebied voor iedere kern geometrisch op kaart bepaald. Tot het bestaand stedelijk gebied van een kern rekenen wij het (aaneengesloten) gebied met stedelijke functies (woonbebouwing, bedrijfsbebouwing in brede zin en maatschappelijke functies), waaronder mede begrepen de daarbij behorende voorzieningen (inclusief groenvoorzieningen) en verkeersinfrastructuur. Naast bestaande bebouwing gaat het ook om de mogelijkheden voor nieuwe bebouwing en functies en mogelijkheden voor uitbreiding die in onherroepelijke bestemmingsplannen zijn opgenomen. Daaronder vallen ook de mogelijkheden die besloten liggen in uit te werken bestemmingen. Mogelijkheden voor uitbreiding via planwijziging zijn niet als bestaand stedelijk gebied opgenomen. Evenmin de zoekgebieden voor nieuwe uitbreidingslocaties die (nog) niet in bestemmingsplannen zijn opgenomen (maar bijvoorbeeld al wel in structuurvisies).
Aan de hand van deze definitie en van een aantal criteria, hebben wij op de kaarten 'Begrenzing bestaand stedelijk gebied' voor de Friese kernen de grenzen van het bestaand stedelijk gebied aangegeven (bij de kaarten is een toelichting op de gehanteerde methodiek opgenomen). Deze grenzen zijn in 2011 in nauwe samenspraak met de gemeenten bepaald. Het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied vormt het landelijk gebied. Wij zijn voornemens de begrenzing periodiek aan te passen. Gelet op de beperkte ruimtelijke ontwikkelingen tussen 2011 en 2014 hebben wij er voor gekozen om dat in de verordening 2014 nog niet te doen. Wel is de begripsbepaling aangepast: tot bestaand stedelijk gebied wordt ook gerekend de gebieden die daaraan grenzen en sinds 1 januari 2010 zijn opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies. Dit opnieuw met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.
Voor 48 'overige kernen' uit het Streekplan bleek het niet mogelijk om een aaneengesloten
stedelijk gebied te begrenzen. Dit zijn kleine kernen die slechts uit enkele, niet
geclusterde woningen en (agrarische) bedrijven bestaan, nabij een kerk of bijvoorbeeld
een klokkenstoel. Binnenstedelijk bouwen is hier niet mogelijk, en het zou vanuit
ruimtelijk oogpunt ook niet gewenst zijn om een aaneengesloten bebouwde kom te creëren.
Voor deze kernen is - in overleg met de betreffende gemeente - geen bestaand stedelijk gebied begrensd. Dit betreft overwegend kernen die ook in het gemeentelijk planologisch
beleid tot het landelijk gebied worden gerekend. De aanleg van een nieuwe woningbouwlocatie of een nieuw bedrijventerrein
wordt hier eveneens niet beoogd. Onder de noemer van bebouwingslint of bebouwingscluster
(zie hierna) kan in deze kernen wel een beperkte ontwikkeling worden toegestaan, zoals
de toevoeging van een woning of een klein bedrijf.
Artikel 1.1.1, eerste lid, kan worden beschouwd als het basisartikel van de verordening. Op grond van dat artikel zijn nieuwe stedelijke functies - zoals omschreven in de begripsbepalingen - in het landelijk gebied in principe niet toegestaan, tenzij op grond van artikel 1.1.1, tweede lid sprake is van een uitbreidingslocatie bij een kern. Onder 'uitbreidingslocatie' valt ook een enkele bouwkavel voor een woning of een bedrijf waarmee het bestaand stedelijk gebied van een kern wordt uitgebreid.
In artikel 1.1.1, tweede lid staat dat een uitbreidingslocatie aansluit op het bestaand van een kern. Van aansluiting kan in dit verband ook worden gesproken indien een
uitbreidingslocatie infrastructuur (zoals een ontsluitingsweg) die een kern omsluit
overschrijdt, maar verder wel op de kern aansluit. Op de overschrijding van grootschalige
infrastructuur is echter artikel 2.4.1 van toepassing (zie hierna).
Van aansluiting is dus, zie hiervoor, volgens de nieuwe begripsbepaling van bestaand
stedelijk gebied, eveneens sprake indien een nieuwe uitbreidingslocatie direct grenst
aan een uitbreidingslocatie die is opgenomen in een ruimtelijk plan dat na 1-1-2010 onherroepelijk is geworden, maar op de kaart van de verordening die
nog niet binnen de grens van bestaand stedelijk gebied is getrokken.
De gemeente weegt de noodzaak, locatie en inpassing van de uitbreidingslocatie af
en onderbouwt dat in de plantoelichting. Hierbij houdt de gemeente rekening met de
voorwaarden voor nieuwe stedelijke functies in de overige artikelen, waaronder de
criteria voor ruimtelijke kwaliteit, inclusief zorgvuldig ruimtegebruik in hoofdstuk
2, alsmede de afstemming met het woonplan, bedrijventerreinenplan en kantorenplan volgens
de hoofdstukken 3 en 4.
Onder 'aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven', die op grond van artikel 1.1.1 wel in het landelijk gebied kunnen worden toegestaan, zijn begrepen:
Recreatiebedrijven en horecabedrijven vallen hier niet onder. Voor recreatiebedrijven
zijn bijzondere bepalingen opgenomen in hoofdstuk 5. Voor horecabedrijven zijn eveneens bijzondere bepalingen opgenomen in artikel 4.3.2.
Op het basisartikel 1.1.1, eerste lid staan de artikelen 1.2.1 tot en met 1.8.1, alsmede artikel 4.3.2 (zie hierna) vervolgens uitzonderingen toe. Dit zijn de 'kwaliteitsarrangementen' volgens hoofdstuk 2.2 in het Streekplan. Een kwaliteitsarrangement is een concreet project in het landelijk gebied waarin nieuwe passende vormen van wonen, werken, recreëren, verzorging, cultuur, educatie of de wijziging van bestaande functies, gelijktijdig worden gecombineerd met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Omdat het Streekplan onder voorwaarden meerdere uitzonderingen mogelijk maakt - en daarmee ook ontwikkelingsruimte met het oog op een mooi en vitaal landelijk gebied -, zijn hiervoor meerdere artikelen opgenomen.
De voorwaarden zijn beperkt tot de voorwaarden die op provinciaal niveau noodzakelijk
zijn om gewenste ontwikkelingen te bevorderen en ongewenste situaties te voorkomen.
Hieraan wordt door de gemeente nader invulling gegeven om lokale belangen te kunnen
borgen.
Een belangrijke categorie is het hergebruik van voormalige (agrarische) gebouwen. Passend hergebruik draagt bij aan het behoud van karakteristieke bebouwing en zorgt voor nieuwe sociale en economische dragers in het landelijk gebied waarmee kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Artikel 1.2.1 regelt dit hergebruik. Het artikel biedt ruimte voor een vervangende woon- of zorgfunctie. De woonfunctie blijft beperkt tot het voormalige hoofdgebouw, omdat het streekplan niet beoogt ruimte te bieden voor woonclusters in het landelijk gebied. De woonzorgfunctie vinden we belangrijk en kansrijk als nieuwe drager voor de plattelandseconomie en kan ook ruimte krijgen in daartoe geschikte bijgebouwen. Niet-industriële bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3 zijn als hergebruik toegestaan, mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de omgeving. Dit betekent dat een omgeving waar bijvoorbeeld al meerdere bedrijven aanwezig zijn, geschikt kan zijn voor een bedrijf in milieucategorie 3. Bij een vervangende functie kan volgens het Streekplan enige aanvullende nieuwbouw worden toegestaan, indien deze qua omvang duidelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw (in de meeste gevallen de oorspronkelijk boerderij) en ingepast is in het landschap.
Aan het gebruik, de verbouw en vervanging van bebouwing, en aan aanvullende nieuwbouw,
stelt de gemeente op basis van lokaal maatwerk nadere regels om ongewenste situaties
te voorkomen. Bij het stellen van nadere regels moeten enkele kwalitatieve criteria
in acht worden genomen. Deze criteria zijn gebaseerd op par. 2.2.4 van het Streekplan.
Centraal staat de silhouet van een erf (de compositie van meerdere gebouwen) die in
belangrijke mate de waarden van het erf voor het landschap bepaalt. Behoud van de
(boeren)maat van het erf is hiervoor van belang. Onder de karakteristiek van de omgeving
verstaan wij ook de bebouwingskarakteristiek.
Bij een aantal bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het landelijk gebied is sprake van een slechte tot matige (beeld)kwaliteit en dreigt fysiek en functioneel verval. Het Streekplan biedt de mogelijkheid om door het toevoegen van passende, streekeigen woon- en werkfuncties, verval te voorkomen. Artikel 1.3.1 regelt deze mogelijkheid met bijbehorende criteria.
In de begripsbepalingen is omschreven wat wij onder bebouwingslint en bebouwingscluster verstaan. Gemeenten vullen dit nader in op basis van lokaal maatwerk.
Tot de landschappelijke karakteristiek van een bebouwingslint of bebouwingscluster
behoren onder andere voldoende doorzichten en het ritme in massa en ruimte.
Dit artikel biedt ook de mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe woning of enkele
nieuwe woningen in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande
bebouwingscluster. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een gemeente een eigen
ruimte voor ruimte regeling toepast, maar kan ook in een incidenteel geval, binnen
de onder a van artikel 1.3.1 genoemde kwalitatieve randvoorwaarden. Voorwaarde is dat incidentele woningbouw leidt
tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van het bebouwingslint
of de bebouwingscluster. Daarnaast is het gewenst dat kan worden aangetoond dat de
ruimtelijke kwaliteit verbetert. In ieder geval mag geen afbreuk worden gedaan aan
de landschappelijke karakteristiek.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Om de bouwmogelijkheden voor woningen in het landelijk gebied op elkaar af te stemmen is in artikel 1.3.1 van de verordening aanvullend geregeld dat de maat, die in het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel wordt gehanteerd voor bestaande burgerwoningen, als maximale maat mag worden aangehouden. |
In het onderdeel 'Fryslân als woonprovincie' van het Streekplan (par. 2.1.4) wordt ingezet op het benutten van de woonkwaliteiten van Fryslân als sociaaleconomische impuls. Met de ontwikkeling van bijzondere woonprojecten (pilots landelijk wonen) willen we stimuleren, dat mensen uit andere provincies naar Fryslân verhuizen. Een bijkomende doelstelling is om nieuwe (landelijke) woonvormen optimaal in te zetten voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering op het gebied van landschap, natuur, water en recreatie. De mogelijkheid om nieuwe landgoederen op te richten vormt een onderdeel hiervan. Nieuwe landgoederen dienen in de stedelijke bundelingsgebieden te liggen. Daardoor dragen landgoederen bij aan de ontwikkeling van aantrekkelijke stedelijke uitloopgebieden. Binnen een stedelijk bundelingsgebied mag de woningbouw op een nieuw landgoed echter in landelijk gebied worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de voorwaarden voor een nieuw landgoed (waaronder de belangrijke voorwaarde van een minimale oppervlakte met nieuwe natuur- en landschapselementen).
Ten behoeve van de selectie van de nieuwe landgoederen in de stedelijke bundelingsgebieden
hebben wij de procedure gevolgd die in het Streekplan staat. De selectie is inmiddels
afgerond.
Artikel 1.4.1 sluit hierop aan. Voor de bouw van woningen op een nieuw landgoed, kiezen wij voor
een iets ruimere insteek dan het Streekplan. Het realiseren van de woningen in één
hoofdgebouw blijkt voor een aantal initiatieven te beperkend. Zonder afbreuk te doen
aan concentratie en allure van de bebouwing, kunnen woningen ook worden gerealiseerd
in een aaneengesloten complex of samenstel van gebouwen dat als een eenheid oogt.
Op grond van artikel 1.5.1 kan van artikel 1.1.1 worden afgeweken indien een bestaande woning wordt verplaatst of vervangen en per saldo het aantal woningen in het landelijk gebied niet toeneemt. Dit biedt flexibiliteit voor bijvoorbeeld gewenste woningverplaatsingen in verband met milieuproblemen of andere knelpunten. Hoewel deze mogelijkheid niet expliciet in het Streekplan staat, sluit dit wel aan bij de doelstelling van het Streekplan: geen toename van stedelijke functies in landelijk gebied, tenzij onder specifieke condities.
We willen echter voorkomen dat een kleine woning wordt gesloopt en dat daarvoor in
de plaats een veel grotere woning wordt gebouwd die qua omvang en uitstraling niet
past in het landschap. Daarom mag het oppervlak van de nieuwe woning inclusief de
bijgebouwen niet meer bedragen dan 300 m². Indien de oorspronkelijke bebouwing ruimer
is, mag tot aan de maatvoering van die oorspronkelijke bebouwing worden vervangen.
Aanvullend is een algemeen landschappelijk toetsingscriterium opgenomen. Gemeenten
betrekken dit criterium bij de lokale afweging.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Om de bouwmogelijkheden voor woningen in het landelijk gebied op elkaar af te stemmen is in artikel 1.5.1 van de verordening aanvullend geregeld dat de maat, die in het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel wordt gehanteerd voor bestaande burgerwoningen, als maximale maat mag worden aangehouden. |
Om de sloop van overtollige, beeldverstorende bebouwing in het landelijk gebied te stimuleren, is in het Streekplan een ruimte voor ruimte regeling opgenomen. Met deze regeling is het mogelijk om - onder specifieke voorwaarden - nieuwe woningbouw in het landelijk gebied te realiseren ter compensatie van de sloop van beeldverstorende bebouwing van voormalige agrarische bedrijven. De voorwaarden van deze ruimte voor ruimte regeling staan in artikel 1.6.1.
Ten opzichte van het streekplan is de regeling vereenvoudigd en versoepeld. Hoewel
uitgangspunt blijft dat de compensatiewoning bij voorkeur wordt gebouwd in een bestaand
bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster in het landelijk gebied, laten we
die afweging aan de gemeente. Voor plaatsing in een lint of cluster geeft de verordening
geen sloopnormen meer. In een lint of cluster kunnen, onder de kwaliteitsvoorwaarden
van artikel 1.3.1, zie hiervoor, een of enkele woningen worden gebouwd. De regeling in artikel 1.6.1 biedt de ruimte om maximaal één compenserende woning op het voormalige, solitaire
bouwperceel te plaatsen. In dat geval dient de gemeente te motiveren, dat de ruimtelijke
kwaliteit op en rond het perceel met de sloop van beeldverstorende bebouwing en de
bouw van de compensatiewoning per saldo aanzienlijk zal verbeteren. De woning dient
in ieder geval goed aan te sluiten bij het ruimtelijke bebouwingspatroon en de landschappelijke
kwaliteit van de omgeving. De sloopnormen zijn, op verzoek van enkele gemeenten in
het kader van de streekplanevaluatie, versoepeld tot 1.000m² aan beeldverstorende
bebouwing of 3.000m² aan kassen. Saldering van sloop met andere locaties in het landelijk
gebied is mogelijk. Onder sloop van bebouwing vallen ook andere bouwwerken waarvan
de sloopkosten aanzienlijk zijn, zoals grote (sleuf)silo's.
Ter financiering van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf kan op grond van artikel 1.7.1 eveneens een compensatiewoning worden gebouwd. Het dient in dat geval te gaan om
een bedrijf dat een wezenlijke belemmering vormt voor de realisering van een groot
openbaar belang. Bij een groot openbaar belang gaat het om de realisering van een
ontwikkeling die maatschappelijk zeer gewenst is en waarvan de positieve effecten
het lokale schaalniveau overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn de verplaatsing van
een agrarisch bedrijf om:
Op het vrijkomende bouwperceel van het te verplaatsen agrarische bedrijf zijn ook
de hergebruikmogelijkheden van artikel 1.2.1 van toepassing. In sommige situaties zal men echter - met het oog op de gewenste
eindsituatie waarvoor het agrarische bedrijf wordt verplaatst - streven naar het geheel
of gedeeltelijk verwijderen van het bouwperceel en de bebouwing.
De verordening bevat geen bepalingen met betrekking tot schuilstallen die behoren bij agrarische bedrijven. Dat is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De laatste jaren neemt echter de discussie over de noodzaak van schuilstallen voor het hobbymatig houden van dieren in het landelijk gebied toe. Wij zien schuilstallen voor hobbymatig gehouden dieren als onderdeel van de niet agrarische woonfunctie en daarmee als stedelijk functie die valt onder artikel 1.1.1. Voor zover die stallen staan op of aansluiten op de kavel van een al in het landelijk gebied wonende hobbyboer voorzien de meeste bestemmingsplannen in bouwmogelijkheden via de bijgebouwenregeling. Daarvoor laat de verordening ruimte. De landschappelijke invloed van schuilstallen voor hobbymatig gehouden dieren wordt echter groter als sprake is van stallen op solitaire, niet aan de woonkavel van hobbydierhouders aansluitende percelen. Ook komt het voor dat de hobbydierhouder in stad of dorp woont en dieren houdt op een solitaire kavel in het landelijk gebied. Dat kan leiden tot versnippering van kavels en ‘verrommeling’ van het landschap. Het tegengaan daarvan zien we als provinciaal belang.
In de brochure 'Schuilstallen in het buitengebied'voetnoot: Stichting levende Have, januari 2009 wordt er op gewezen dat weidegang voor dieren goed is uit een oogpunt van dierwelzijn
en ook vanuit het oogpunt van diergezondheid.
Op grond hiervan vinden wij een absoluut verbod op schuilstallen te ver gaan; de verordening
biedt ruimte voor een gemeentelijke regeling binnen aanvaardbare grenzen. Artikel
1.8.1, eerste lid regelt dat een ruimtelijk plan een algemene regeling kan bevatten voor het toestaan van schuilstallen op solitaire
percelen. Bepaald is dat een schuilstal niet groter mag zijn dan 30m², niet meer dan
één stal per dierhouder is toegestaan en niet meer dan één stal per kavel met een
kaveloppervlakte van 5.000m². We onderkennen echter dat behoefte kan bestaan aan een
afwijkende regeling. Dit vanwege de landschappelijke structuur, de mate waarin sprake
is van het houden van hobbydieren alsmede het soort hobbydieren. Het tweede lid voorziet
erin dat de gemeente niet kiest voor de algemene regeling, maar in de plaats daarvan
voor een meer specifieke, locatiegerichte regeling. In dat geval kan van normen in
het eerste lid worden afgeweken, maar dan met een maximum van het aantal locaties
per gemeente. Daarbij denken wij aan 10-20, mede afhankelijk van de omvang van de
gemeente. Daarmee blijft het landschappelijk effect beperkt. Gedacht worden aan het
realiseren van enkele grotere (verzamel)locaties.
Ruimtelijke kwaliteit staat in het Streekplan centraal (paragraaf 1.2.1 en 2.7.2). Met ruimtelijke kwaliteit bedoelen wij dat ruimtelijke plannen expliciet gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaardevoetnoot: Gebruikswaarde: functionele geschiktheid, doelmatig gebruik, aanleg en beheer, samenhang en bereikbaar-heid; Belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid, beleving en zingeving; Toekomstwaarde: doelmatigheid in tijd, flexibiliteit, robuustheid, duurzame structuur aan de omgeving toevoegen. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Een goede manier om aan ruimtelijke kwaliteit invulling te geven, is door de samenhang van de ondergrond, de netwerken en het nederzettingspatroon als basis voor ruimtelijke planvorming op de lange termijn te nemen. Het tot stand brengen van ruimtelijke kwaliteit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, marktpartijen, belangengroeperingen en burgers. Het is vooral een manier van werken, waarbij niet enkel naar de ruimtelijke ontwikkeling sec wordt gekeken, maar waarbij de ruimtelijke ontwikkeling in de bredere context van z'n omgeving en in de tijd wordt geplaatst.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen passen binnen het generieke ruimtelijke beleid, komt ruimtelijke kwaliteit vervolgens tot stand in een gebied of op locatie. Dit gebeurt op basis van goede ontwerpen die optimaal rekening houden met omgevingsfactoren. Gemeenten leveren dit maatwerk.
Volgens het Streekplan (paragraaf 2.7.2) wordt in de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor landelijk gebied, een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen. In artikel 2.1.1, eerste lid is dit procesvereiste opgenomen. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf geeft
een verantwoording over de wijze waarop het plan rekening houdt met respectievelijk
invulling geeft aan de genoemde aspecten van ruimtelijke kwaliteit. Hierbij kan ook
worden verwezen naar andere instrumenten en plannen, zoals de gemeentelijke welstandsnota.
De inhoud van een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf kan worden afgestemd op de inhoud van het plan. Bij een weinig ingrijpend plan of een plan voor een of enkele percelen, kan de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf zich beperken tot de aspecten die direct relevant zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Daarom is in het artikel de zinsnede 'voor zover noodzakelijk' opgenomen.
De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf kan goed gebruikt worden als brede onderbouwing van het plan. Daarin kunnen meerdere zaken worden opgenomen, zoals de omgang met landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten (zie hierna), ecologische aspecten, water en bodem.
Een belangrijk inhoudelijk uitgangspunt van het Streekplan is dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in Fryslân herkenbaar blijven. In de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte (hierna: Grutsk) is, als nadere uitwerking van het streekplan, een verdiepingsslag gemaakt waarin de landschappelijke kernkwaliteiten zijn verbonden aan cultuurhistorische kwaliteiten. In Grutsk zijn op basis daarvan ‘gebiedsoverschrijdende’ en ‘per deelgebied onderscheiden’ ‘landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang’ benoemd. Ook is elke structuur van provinciaal belang van een richtinggevend advies voorzien. De verordening werkt met het begrip ‘landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten’. Dat begrip is in artikel 2.1.1, eerste lid en in de begripsbepaling verbonden aan de ‘gebiedsoverschrijdende en per deelgebied onderscheiden landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang’, inclusief de daarbij behorende adviezen, zoals in Grutsk opgenomen. Daarmee is de verordening nu afgestemd op de beschrijvingen in Grutsk en de daarbij behorende kaarten. Het eerste lid van artikel 2.1.1 bepaalt dat het plan rekening houdt met de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang. Dat is een procesvereiste. Dat houdt in dat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse heeft plaatsgevonden van de aanwezige waarden. Dat geldt in het bijzonder voor genoemde landschappelijke en cultuurhistorische structuren. De gemeente weegt af en dient te motiveren op welke wijze in het plan rekening is gehouden met die waarden en structuren. De verordening stuurt dus niet zelf op basis van normering en objectieve instructies. Kwaliteit vergt naar zijn aard lokaal maatwerk. Dat past ook in ons uitgangspunt van samenwerking met gemeenten. Grutsk moet bij voorkeur inspirerend en stimulerend werken. De verordening is echter op dit punt niet vrijblijvend: van de gemeente verwachten wij een zorgvuldige analyse en motivering.
Het tweede lid bepaalt dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied, zo nodig ook regels worden opgenomen die ertoe strekken
dat die kernkwaliteiten/structuren van provinciaal belang herkenbaar blijven. Het
‘zo nodig stellen van regels’ wil niet zeggen dat iedere omschreven kwaliteit door
middel van een voorschrift (zoals een omgevingsvergunningvereiste) moet worden beschermd.
Het gaat er om dat met het geheel van bestemmingen, bouw-, gebruik- en aanlegvoorschriften
voor een gebied, voldoende kan worden gegarandeerd dat de kwaliteiten van dat gebied
herkenbaar blijven. Gemeenten zijn naar onze mening goed in staat om dat maatwerk
op gebiedsniveau in te vullen.
Grutsk is mede gebaseerd op de Cultuurhistorische kaart (CHK) en op de kaart/analyse
Landschapstypen. Die gegevens zijn als achtergronddocumenten raadpleegbaar ten behoeve
van de analyse in het ruimtelijke plan van de gemeente. Hoe CHK, landschapstypenkaart
en FAMKE gebruikt moeten worden in relatie tot Grutsk staat vermeld in het stappenplan
in hoofdstuk 2 “opbouw en gebruik” van Grutsk.
Nationale Landschappen (NL) waren in het rijksbeleid aangewezen als gebieden met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke aard. Doel was deze kernkwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. Hierbij was het uitgangspunt ‘behoud door ontwikkeling’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Het recreatief benutten en beleven van deze kernkwaliteiten, is mede een belangrijke doelstelling van de NL. In Fryslân liggen twee NL: de Noardlike Fryske Wâlden en Zuidwest Fryslân. Beide zijn begrensd op perceelsniveau. Als basis daarvoor is de planologische begrenzing uit het Streekplan gehanteerd. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden de NL genoemd, maar niet meer gezien als rijksbelang met planologische doorwerking. Het Barro bevat terzake geen bepalingen. Het rijk had overigens ook binnen het oude beleidskader ingestemd met de benadering in het streekplan: geen onderscheid in beleid tussen de NL en de overige landschappen. Het generieke beleid uit het Streekplan en de vertaling daarvan in de verordening, boden voldoende waarborgen voor een verantwoord ruimtelijk beleid.
De provincie blijft de NL zien als provinciaal belang, zowel landschappelijk als recreatief. Met de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte is de waardering van alle landschappen, en daarmee ook de NL, nog explicieter benoemd. De kernkwaliteiten van de NL zijn vooral gebaat bij het stimuleren en ondersteunen van goede initiatieven en van organisaties voor landschapsbeheer. Dit kan ook nieuwe impulsen geven aan passend recreatief medegebruik. Binnen de begrensde NL wordt deze proactieve lijn door middel van subsidiëring en ondersteuning ingevuld. Omdat er geen relatie (meer) ligt met de planologische regelingen maken de kaarten NL geen deel meer uit van de verordening.
Het Streekplan hecht specifiek belang aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing van uitbreidingslocaties, infrastructuur, recreatieve voorzieningen, agrarische bedrijven en overige, niet aan het landelijk gebied gebonden functies. Artikel 2.1.1, derde lid regelt deze inhoudelijke voorwaarde. Het ruimtelijk plan dient een zorgvuldige inpassing binnen de 'landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende kernkwaliteiten (de structuren zoals Grutsk die benoemt) te borgen.
Borging van de inpassing is relevant. Dat kan, zoals voorheen, door het opnemen van
bestemmings- en bebouwingsbepalingen. Voor het realiseren van beoogde ruimtelijke
kwaliteit kan het beeldkwaliteitsplan ondersteunend werken. Effectief is de borging
van de aanleg van benodigde landschappelijke inpassing door middel van een zogenaamde
‘voorwaardelijke bepaling’. Nieuwe jurisprudentie biedt daartoe expliciet de ruimte.
Als voor de planologische aanvaardbaarheid van een ontwikkeling de landschappelijke
inpassing een vereiste is, dient zelfs een voorwaardelijke bepaling in de planregels
te worden opgenomen. De verordening schrijft zo’n bepaling niet voor, maar de gemeente
zal moeten overwegen of zo’n bepaling wenselijk is. Het overleg tussen provincie en
gemeente kan daarop betrekking hebben.
Het Streekplan streeft naar het in stand houden en waar mogelijk verder ontwikkelen van de belangrijke cultuurhistorische kwaliteiten en waarden in de provincie. Deze vormen een wezenlijk onderdeel van de identiteit, de leefbaarheid, en de toeristische aantrekkelijkheid van de provincie. Cultuurhistorische waarden vormen volgens ons geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar kunnen juist als inspiratiebron dienen om de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te versterken. Het is daarom belangrijk, dat in een vroegtijdig stadium van de planvorming bekend is welke waarden in een gebied aanwezig zijn zodat hiermee rekening kan worden gehouden. Cultuurhistorische waarden maken nu deel uit van de hiervoor genoemde 'landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren' in Grutsk en vallen onder het toepassingsbereik van artikel 2.1.1.
Artikel 2.2.1 bevat de aanvullende bepalingen met betrekking tot archeologie. Wij verzoeken gemeenten
om de Friese archeologische monumentenkaart extra (Famke) te gebruiken als informatiebron,
en rekening te houden met de daarop aangegeven elementen en structuren. Dit betekent
dat voor een ruimtelijk plan een analyse van de archeologische gegevens heeft plaatsgevonden. De gemeente weegt
vervolgens af en dient te motiveren op welke manier rekening is gehouden met archeologische
waarden en verwachtingswaarden. Gemeenten zijn op basis van de Wet op de archeologische
monumentenzorg (Wamz) verplicht om archeologische waarden zoveel mogelijk ter plekke
(in situ) te behouden en daarvoor beheermaatregelen te treffen. Volgens de Wamz geven
gemeenten invulling aan archeologiebeleid. Om gemeenten daarin te ondersteunen heeft
de provincie de Famke als informatiebron opgesteld. De Famke is dynamisch. De bestaande
Famke is vastgesteld door Provinciale Staten op 15 juni 2011. Gedeputeerde Staten
hebben de bevoegdheid tot bijstelling van de Famke. De actuele Famke is te raadplegen
op de provinciale website (www.fryslan.nl).
Op grond van artikel 11.1.1, vierde lid kunnen Gedeputeerde Staten de grenzen en aanduidingen op enkele kaarten
die deel uitmaken van de verordening, waaronder de kaarten van de Famke, aanpassen
op basis van nieuwe inzichten. Op deze manier is flexibiliteit ingebouwd. In de Famke
staat per gebied en tijdsperiode (advieskaart steentijd-bronstijd; advieskaart ijzertijd-middel-eeuwen)
informatie over de kans op het aantreffen van archeologische waarden (archeologische
verwachtingswaarden) en over archeologische waarden en monumenten die al bekend zijn
(archeologische waarden). Daarbij wordt een geschikte wijze van onderzoek naar en
behoud van archeologische (verwachtings-)waarden aangegeven. Hiervan kan worden afgeweken
indien in een vergelijkbare bescherming wordt voorzien. De gemeente onderbouwt dit
in de plantoelichting.
Over de ontwikkeling en afstemming van het gemeentelijke en provinciale archeologisch
beleid willen wij afspraken maken in het samenwerkingsspoor, inclusief de doorontwikkeling
van de Famke. Op basis van de invulling van gemeentelijk archeologiebeleid, willen
we bekijken of er reden is om provinciale attentiegebieden op grond van de Wamz aan
te wijzen.
Vanwege het feit dat de zogenaamde “Ladder voor duurzame verstedelijking” nu in het Besluit ruimtelijke ordening is geregeld (artikel 3.1.6 Bro), is de regeling in het voormalige hoofdstuk 2 van de verordening 2011 komen te vervallen. Genoemd artikel in het Bro heeft als strekking dat een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro, dienen overheden – indien zij een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk willen maken – standaard een aantal stappen te zetten op de ladder, die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Deze stappen zijn geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen. Dat zou voorbij gaan aan de specifieke lokale omstandigheden die van invloed zijn op de inpassing van ruimte vragende functies en het regionale maatwerk dat de overheden moeten kunnen leveren. De stappen die worden gevraagd, bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, en voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Overeenkomstig het streekplan blijft ook de provincie de toepassing van dit principe van zorgvuldig ruimtegebruik zien als provinciaal belang, als basis voor een goede ruimtelijke kwaliteit. Daarom is in artikel 2.3.1 geregeld dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording bevat waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, en waaruit in ieder geval blijkt dat die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Daarnaast is ook relevant dat de gemeente vanuit ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik een verantwoording geeft van de bebouwingsdichtheid.
In de Friese situatie maken we met gemeenten afspraken over de programmering van de
stedelijke functies wonen, bedrijventerreinen en kantoren. Zie hierna onder hoofdstuk
3 en 4. In die afspraken ligt besloten dat de betreffende programma’s mogen worden aangemerkt
als regionale behoefte, conform de eerste trede van de Ladder. In de gemeentelijke
woonplannen en in de gemeentelijke of regionale bedrijventerreinenplannen en kantoorplannen
kan een vervolgstap worden gezet door na te gaan welke binnenstedelijke locaties beschikbaar
zijn voor nieuwe woningen, bedrijven en kantoren, alvorens wordt besloten tot nieuwe
stedelijke uitbreiding.
De laatste trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking bepaalt dat de gemeente aandacht besteed aan de bereikbaarheid en mobiliteitseffecten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee kan de voorheen in de verordening opgenomen ‘mobiliteitstoets’ nu vervallen als provinciale regel.
De redenen voor deze mobiliteitstoets staan in par. 2.4.3 van het Streekplan. Onder
'verkeersbewegingen die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via
bestaande infrastructuur' verstaan wij een zodanige toename van de verkeersintensiteit
en/of wijziging van de verkeerssamenstelling op bestaande verkeer- en vervoervoorzieningen,
dat zonder extra maatregelen of voorzieningen problemen kunnen optreden met betrekking
tot de doorstroming, de (verkeers)veiligheid of de milieusituatie (luchtkwaliteit,
geluidhinder). Het gaat dus om aanzienlijke veranderingen en niet om veranderingen
die zonder problemen in de reguliere stroom van verkeersafwikkeling kunnen worden
opgenomen.
Wij gaan ervan uit dat gemeenten bij de uitvoering van de mobiliteitstoets rekening
houden met de vier werkmilieus in par. 2.3.4 van het Streekplan en hun geschiktheid
voor verschillende werkfuncties. Voor de invulling van deze werkmilieus op het niveau
van een kern, zijn primair de gemeenten verantwoordelijk.
Vanuit landschappelijke overwegingen is volgens het Streekplan overschrijding van grootschalige infrastructuur door stads- en dorpsuitbreidingen in principe niet gewenst. Artikel 2.4.1, eerste lid regelt dit. Onder voorwaarden kan hiervan, zowel bij stedelijke als regionale centra, gemotiveerd worden afgeweken. Het criterium dat schaal en omvang van de uitbreidingslocatie in dat geval passen bij de overschrijding, houdt in dat de uitbreidingslocatie voldoende massa zal moeten hebben waardoor de overschrijding een aanvaardbaar en overtuigend ruimtelijk beeld oplevert en de uitbreidingslocatie landschappelijk zorgvuldig kan worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
In het Streekplan staat dat reclame-uitingen in zones langs autosnelwegen beperkt blijven en niet grootschalig zijn. De basis hiervoor vormt een amendement dat Provinciale Staten bij de vaststelling van het Streekplan hebben aangenomen. Gelet op de strekking van dit amendement, bepaalt artikel 2.5.1 dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied en voor gronden binnen bestaand stedelijk gebied in een zone van 400 meter vanaf autosnelwegen, geen bouwmogelijkheden mag bevatten voor nieuwe grootschalige reclamemasten. Dit is ook voor autowegen bepaald, gelet op de status van autoweg die aan delen van rijksweg 31 en 32 is en wordt toegekend. Ook andere autowegen hebben, als het gaat om de beleving van zichtzones, het karakter van autosnelweg. Binnen een afstand van 400 meter oefenen grotere objecten nog invloed uit op de visuele beleving vanaf auto(snel)wegen, ook rekening houdend met kruisingen en kunstwerken. Als grootschalig worden aangemerkt masten hoger dan 6 m. Die maat was opgenomen in het ontwerp streekplan, waarop het amendement betrekking had.
De regeling voor reclame-uitingen is aangescherpt ten opzichte van de regeling zoals die was opgenomen in artikel 3.5.1 van de verordening van 2011. Voorheen waren reclamemasten via een afwijkingsmogelijkheid toegestaan tot een maximale hoogte van 20 meter, indien de reclamemast bedrijfsgebonden was en geen onevenredige afbreuk werd gedaan aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Die mogelijkheid is nu vervallen.
Wij maken met de woningbouwregio’s bestuurlijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma’s. De afspraken die liepen tot 2016 zijn op ons voorstel met instemming van de regio’s afgelopen jaar verlengd tot 2020. De regionale woningbouwafspraken worden door de gemeenten vertaald in gemeentelijke woonplannen.
In de regionale woningbouwafspraken en de doorvertaling daarvan in de gemeentelijke woonplannen, worden de ruimtelijke doelstellingen in het Streekplan voor de woningbouw verwerkt:
De systematiek is dat Gedeputeerde Staten, na vooroverleg over het (voor)ontwerp woonplan, een bestuurlijk standpunt innemen over het vastgestelde woonplan.
De systematiek van werken met woonplannen is een effectieve manier om de gemeentelijke woningbouwplannen in te passen in het provinciaal beleid en in de regionale behoefte. Door voldoende flexibiliteit in woonplannen in te bouwen, kunnen gemeenten inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Wij gaan er vanuit dat gemeenten ook de afspraken over plafondloos bouwen in bestaand stedelijk gebied, verwerken in hun woonplannen (zie ook hierna, 'Plafondloos bouwen en begrenzing bestaand stedelijk gebied').
Een woonplan bevat in principe de volgende onderdelen:
Artikel 3.1.1 sluit aan op de systematiek van woningbouwafspraken en woonplannen. In principe moeten
alle woningbouwmogelijkheden in een ruimtelijk
plan passen in een woonplan. Dit geldt ook voor het realiseren van nieuwe woningen in
het kader van bijvoorbeeld hergebruik van vrijkomende boerderijen en toepassing van
de ruimte voor ruimte regeling. Wij gaan ervan uit, dat gemeenten voor dit soort verspreide
ontwikkelingen een algemene reservering binnen hun woningbouwprogramma opnemen. Een
uitzondering wordt gemaakt voor pilots landelijke woonclusters (zie hierna) en pilots
landgoederen (artikel 1.4.1; zie hiervoor), omdat deze specifiek gericht zijn op het aantrekken van nieuwe inwoners
van buiten Fryslân.
Ten behoeve van programmatische flexibiliteit is een bijzondere regeling getroffen
voor een kleinschalig woningbouwproject dat niet in een woonplan is opgenomen (artikel
3.1.1, tweede lid). In dat geval moet de gemeente aantonen dat via uitwisseling of fasering
van projecten, de woningbouwcapaciteit van het project in het woonplan kan worden
ingepast. Voor het bestaand bebouwd gebied hanteren wij hiervoor een wat ruimer maximum
dan voor het daarop aansluitende landelijke gebied. Het maximum van 11 woningen voor
een project in het bestaand bebouwd gebied, is gebaseerd op de ondergrens in de Crisis-
en Herstelwet.
Artikel 3.1.2 biedt een algemene afwijkingsmogelijkheid voor een woningbouwproject dat niet past
in een woonplan. Dit is ook het geval indien een (actueel) woonplan ontbreekt. Uitgangspunt
is dat geen inbreuk wordt gemaakt op de regionale woningbouwprogramma's en op de kernenstructuur:
aantallen en kwaliteit van de woningbouw dienen aan te sluiten bij de aard en schaal
van de kern. Dit laatste betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte en taakstelling van een stedelijk centrum kan opvangen. Bij een voorgenomen afwijking zal de gemeente voorafgaand aan het wettelijk
overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, met ons moeten overleggen over de noodzaak
om het project aan het gemeentelijk woningaanbod toe te voegen.
Op grond van artikel 3.2.1 kan voor een pilot landelijke wooncluster worden afgeweken van artikel 3.1.1, lid 1. De landelijke woonclusters zijn opgenomen in het onderdeel Fryslân woonprovincie
van het Streekplan (par. 2.1.4), zoals hiervoor bij 'nieuwe landgoederen' omschreven.
Evenals de nieuwe landgoederen zijn ze gericht op het aantrekken van nieuwe inwoners
van buiten Fryslân. Voor de selectie van de woonclusters hebben Gedeputeerde Staten
een procedure gevolgd op basis van het Streekplan. De selectie is inmiddels afgerond.
Met de regio's Noordwest en Noordoost, de Stadsregio en met de meeste gemeenten in de regio's Zuidoost en Zuidwest hebben wij in de periode 2008-heden in het kader van de regionale woningbouwafspraken de afspraak gemaakt dat maximaal 70% (stedelijke centra) respectievelijk 60% (overige kernen) van het afgesproken woningbouwprogramma buiten de grenzen van stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Daar staat tegenover dat die gemeenten binnen de grenzen van het stedelijke gebied 'plafondloos' kunnen bouwen. Dit houdt in dat de binnenstedelijke plannen niet zijn gebonden aan een maximum capaciteit. Met deze afspraak stimuleren we het binnenstedelijke bouwen.
Uitgangspunt was en is dat het gaat om transformatie en herstructurering. Wij beogen uiteraard niet dat dit gepaard gaat met het opofferen van elk stuk stedelijk groen. De verantwoordelijkheid daarvoor leggen wij bij de gemeenten neer. Omdat in het kader van de verordening het bestaand stedelijk gebied is begrensd (zie hiervoor, onder 1. Bundeling algemeen, Begrenzing bestaand stedelijk gebied), is daaraan ook de afspraak over ‘plafondloos bouwen’ gekoppeld. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke plannen binnen het op de kaarten aangegeven bestaand stedelijk gebied die het mogelijk maken dat door herstructurering en/of transformatie extra woningen kunnen worden gebouwd, vallen onder de afspraak ‘plafondloos bouwen’. Daarbij gelden echter twee randvoorwaarden:
Een belangrijk uitgangspunt in het Streekplan is dat bedrijfsontwikkelingen en kantoorontwikkelingen aansluiten bij het type kern, in casu een stedelijk centrum, een regionaal, een bedrijfsconcentratiekern of een overige kern. Hierdoor komt een ruimtelijke verdeling tot stand die bijdraagt aan sterke steden en een vitaal platteland. Dit uitgangspunt wordt geregeld in hoofdstuk 4. Onderscheid is gemaakt tussen de programmering van bedrijventerreinen en kantorenterreinen, en de vestigingsvoorwaarden voor afzonderlijke bedrijven, kantoren en voorzieningen.
Over de programmering van bedrijventerreinen hebben wij bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeenten. Dit is gebeurd op regionaal niveau en gaf uitvoering aan het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 dat tussen het rijk, IPO en VNG is afgesloten over de herstructurering en regionale afstemming van bedrijventerreinen. In een situatie van afnemende behoeften aan nieuwe bedrijventerreinen en hogere eisen die bedrijven en de samenleving stellen aan de kwaliteit en de ruimtelijke inpassing van bedrijventerreinen, wordt regionale afstemming steeds belangrijker. Op deze wijze wordt onnodig ruimtegebruik voorkomen en kunnen bestaande bedrijventerreinen beter benut en eerder gerevitaliseerd/geherstructureerd worden. De afspraken zijn onder andere gebaseerd op het provinciale onderzoek 'Herstructureringsopgave Fryslân in beeld' en de provinciale Behoefteraming Bedrijventerreinen. Op grond van het herstructureringsonderzoek is een provinciaal herstructureringsprogramma opgesteld.De regionale afspraken hebben betrekking op:
Deze afspraken zijn voor alle regio's op het vaste land (regio's conform indeling plattelânsprojecten) in de periode 2010-2012 neergelegd in intergemeentelijke bedrijventerreinenplannen. Daarin is de behoefte aan en invulling van nieuwe bedrijventerreinen afgezet tegen de regionale vervangings- en uitbreidingsvraag en de herstructurering en revitalisering van bestaande terreinen.
Met betrekking tot kantoor: zijn nog geen intergemeentelijke afspraken gemaakt. Een enkele gemeente beschikt
wel over een eigen kantorenplan. Met de vier grotere gemeenten (F4) worden intergemeentelijke
afspraken gemaakt. Basis daarvan zal onder meer zijn de behoefteberekening die in
2012 door het Economisch Instituut voor de Bouw heeft plaatsgevonden.
De verordening sluit aan op deze gemaakte en te maken bestuurlijke afspraken. Uitgangspunt
van de regeling in het eerste lid van artikelen 4.1.1 en 4.1.2 is dat de programmering van bedrijventerreinen en kantorenterreinen verloopt via
een structurele, planmatige, bij voorkeur intergemeentelijke of regionale aanpak.
Ruimtelijke plannen met ontwikkelingen die passen in een bedrijventerreinenplan of
kantorenplan, waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd, voldoen in programmatisch
opzicht aan de verordening.
Het tweede lid van de artikelen 4.1.1 en 4.1.2 geeft de mogelijkheid om incidenteel af te wijken van een bedrijventerreinenplan
of kantorenplan, en/of voor de situatie dat een gemeente niet beschikt over een bedrijventerreinenplan
of kantorenplan. Die afwijkingsmogelijkheid beperkt zich tot één of enkele bedrijven/
kantoren: immers, grotere ontwikkelingen ‘op voorraad’ moeten zijn verantwoord in
het bedrijventerreinen- of kantoren plan. Voor wat betreft kantoren blijven grotere
ontwikkelingen in feite beperkt tot de F4-gemeenten. In de andere gemeenten zal dan
ook minder behoefte bestaan aan een kantorenplan en zal in voorkomend geval de afwijkingsbepaling
kunnen worden toegepast.
Die afwijkingsruimte is gebonden aan voorwaarden en begrensd:
Ten eerste moet het gaan om de behoefte van concrete bedrijven. Dat maakt het mogelijk om in te spelen op een zich plotseling voordoende vraag, waar in het regionale bedrijventerreinenplan geen rekening mee is gehouden. Het moet daarbij gaan om de behoefte van bedrijven en kantoren die passen bij de overige kernen en bedrijfsconcentratiekernen (lokale vraag), regionale centra (regionale vraag) en stedelijke centra.
Tweede voorwaarde is dat het totale ruimtebeslag van de bedrijven in een redelijke
verhouding staat tot de schaal van de kern. In artikel 4.2 zijn maximum kaveloppervlaktes per bedrijf geregeld. Dat beperkt daarmee ook het
totale ruimtebeslag, uitgaande van één of enkele bedrijven. Van belang is verder dat
aangetoond wordt dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand
of in ontwikkeling zijnd terrein in de regio. Dat is in feite een specificatie van
de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’, zoals die is opgenomen in het Besluit ruimtelijke
ordening en in artikel 2.3.1 onder zorgvuldig ruimtegebruik is vertaald in deze verordening. Dit zal in voorkomend
geval vroegtijdig overleg noodzakelijk maken met regiogemeenten en met Gedeputeerde
Staten. Tenslotte moet in het ruimtelijk plan gewaarborgd zijn dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting
en landschap (artikel 2.1.1, lid 3 is mede van toepassing).
In de artikelen 4.2.1 t/m 4.2.3 staan de vestigingsvoorwaarden voor afzonderlijke bedrijven, kantoren en voorzieningen per type kern. Deze voorwaarden zijn zowel van toepassing op het bestaand stedelijk gebied van een kern als op een uitbreidingslocatie bij een kern, en zijn gebaseerd op het hoofdstuk Werken van het Streekplan. Hiervan kunnen gemeenten op grond van artikel 4.2.4 gemotiveerd afwijken. In dat geval moet de gemeente aantonen dat aard en schaal van de functie in het concrete geval aansluiten bij aard en schaal van de kern. Zo mag men bij een agrarisch dienstverlenend bedrijf - waarvan de oppervlakte/schaal en milieucategorie groter kunnen zijn dan bij een vergelijkbaar bedrijf - rekening houden met het feit dat een dergelijk type bedrijf vaak plaatsgebonden is (vanwege de binding met de landbouw) en daardoor bij de aard van een kleine kern kan passen. En bij overige kernen die momenteel al een aanzienlijke concentratie van bedrijfsvestigingen kennen, mogen 'aard en schaal' meebewegen met de omvang van de bestaande kern. Deze kernen zijn met name genoemd in de gebiedsgerichte uitwerkingen van hoofdstuk 3 van het Streekplan. Deze maatwerkbenadering sluit aan op paragraaf 2.3.3 van het Streekplan. Uitgangspunt is dat geen inbreuk wordt gemaakt op de kernenstructuur. Dit betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte van een stedelijk kan opvangen.
De vestigingsvoorwaarden hebben geen betrekking op bestaande vestigingen. Artikel
11.2.2 bepaalt namelijk dat de verordening niet van toepassing is op bestaande bouw- en
gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid
uit de WRO) in een geldend bestemmingsplan zijn opgenomen. De vestigingsvoorwaarden
hebben wel betrekking op de verplaatsing van een bedrijf in een kern (bijvoorbeeld
om milieuhygiënische redenen) of op de uitbreiding van een bestaand bedrijf die niet
meer past in een geldend ruimtelijk plan. Bij invulling van het aard- en schaalprincipe mag rekening worden gehouden met het
feit, dat sprake is van een bestaand bedrijf en van een historisch gegroeide situatie.
Bestaande bedrijven in het landelijke gebied die daaraan functioneel niet gebonden zijn, hebben op grond van artikel 4.3.1 een gelimiteerde uitbreidingsruimte tot een maximum van 50%, mits het bedrijf inclusief de uitbreiding ruimtelijk inpasbaar is. De eerder in de verordening 2011 opgenomen tussenmaat van 15% is geschrapt, om reden van eenvoud. We gaan er vanuit dat gemeenten tot verantwoorde keuzes komen. Ook hier telt het vereiste van landschappelijke inpassing (zie ook artikel 2.1.1, lid 3) en de borging daarvan in het ruimtelijk plan zwaar.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Om de mogelijkheden van bestaande bedrijven en nieuwe bedrijven in bebouwingslinten en -clusters gelijk te trekken wordt in artikel 4.3.2 lid 2 Verordening Romte 2014 geregeld dat ten behoeve van bestaande bedrijven in milieucategorie 1 en 2 in bebouwingslinten en -clusters van het toegestane uitbreidingspercentage van 50% kan worden afgeweken. |
Horeca is enerzijds een stedelijke functie, maar voorziet tegelijk in het toeristisch-recreatieve aanbod. Daarom zijn voor horecabedrijven specifieke, afwijkende bepalingen opgenomen. Ten eerste kan op grond van artikel 4.3.2, eerste lid een nieuw horecabedrijf ook gevestigd worden nabij een recreatiekern. Dat is een ruimere formulering dan ‘aansluitend aan’, waartoe artikel 1.1.1 in zijn algemeenheid verplicht bij stedelijke functies. In die zin is een horecabedrijf qua mogelijkheden gelijkgesteld aan andere recreatiebedrijven, waarvoor ook geregeld is dat deze niet alleen aansluitend, maar ook nabij een recreatiekern kunnen worden gevestigd. Zie hoofdstuk 5. Het tweede lid van artikel 4.3.2 geeft bovendien de mogelijkheid dat een horecabedrijf meer dan 50% kan uitbreiden, mits uiteraard met een goede landschappelijke inpassing.
Ook ‘Maatschappelijke voorzieningen’ vallen niet onder de begripsbepaling van ‘bedrijven’.
De verordening biedt daarmee ruimte voor uitbreiding van bestaande voorzieningen,
zonder vooraf bepaalde limiet.
Om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van bestaande kernwinkelgebieden te behouden, staan in het Streekplan beperkingen voor winkels buiten de kernwinkelgebieden. Deze beperkingen worden geregeld in de artikelen 4.4.1 tot en met 4.4.3.
De begripsomschrijving van 'kernwinkelgebied' spreekt van een aaneengesloten winkelgebied.
In de verordening zijn echter geen grenzen van de kernwinkelgebieden van kernen opgenomen.
Gemeenten bepalen de omvang van het kernwinkelgebied op basis van lokaal maatwerk.
De bepaling moet zo worden gelezen dat een perceel of een pand dat aansluit op het
bestaande kernwinkelgebied en waarin een winkelfunctie komt, tot het kernwinkelgebied
kan worden gerekend.
Buiten bestaande kernwinkelgebieden kan de gemeente op grond van artikel 4.4.1 perifere detailhandel (zoals omschreven in de begripsomschrijving) toestaan die niet
in bestaande kernwinkelgebieden inpasbaar is. Daarbij moet de schaal van detailhandel
aansluiten bij aard en schaal van de kern. Dit betekent bijvoorbeeld dat in overige kernen geen of beperkte mogelijkheden zijn voor perifere detailhandel met een (boven)regionaal
marktbereik, zoals detailhandel in keukens en woninginrichting. Wij vragen van gemeenten
ook om branchevervaging te voorkomen
Daarnaast zijn uitzonderingen opgenomen voor:
De plantoelichting dient te motiveren, dat detailhandel buiten het bestaande kernwinkelgebied
geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied.
Dit betekent niet dat iedere winkel in het kernwinkelgebied beschermd moet worden.
Wel zal onderbouwd moeten worden dat de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het
kernwinkelgebied als geheel in stand blijft. Bij een verruiming van perifere detailhandel
in Leeuwarden en bij winkels in een buurt- of wijkwinkelcentrum, zal in dat verband
ook de recreatieve winkelfunctie van het kernwinkelgebied betrokken worden.
Sinds de vaststelling van het streekplan is de positie van de detailhandel onder invloed
van marktontwikkelingen nog kwetsbaarder geworden. Toevoegingen aan het winkelareaal
betekenen veelal verdringing elders. Wij gaan er vanuit dat gemeenten de lokale afweging
zorgvuldig invullen. Het is immers juist ook een gemeentelijk belang dat de bestaande
winkelgebieden aantrekkelijk blijven. Daarnaast gaan wij ervan uit dat gemeenten onderling
afspraken maken c.q. in goed overleg met elkaar afstemmen indien detailhandelsontwikkelingen
consequenties kunnen hebben voor kernwinkelgebieden in buurgemeenten. Waar nodig zal
onderzoek naar de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en aanbodsituatie noodzakelijk
zijn om te kunnen bepalen in hoeverre verruiming van winkelareaal – en dus extra ruimtebeslag
- nog aanvaardbaar is. Daarbij dient zo nodig ook over de grenzen van de eigen gemeente
te worden gekeken. Het winkelaanbod zal in een regionaal perspectief dienen te worden
geplaatst.
Om het vervoer over water te stimuleren, gaat het Streekplan in par. 2.4.3 (stimuleren goederenvervoer over water en spoor) uit van een optimale benutting van natte bedrijventerreinen door watergebonden bedrijvigheid. Op deze manier kan tevens worden voorkomen dat relatief schaarse terreinen die specifiek voor een categorie van bedrijven met de bijbehorende voorzieningen zijn aangelegd, door andere bedrijven in beslag worden genomen.
Artikel 4.5.1, eerste lid regelt het gebruik van deze natte bedrijventerreinen. Vaarweggebonden
bedrijven zijn bedrijven die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van een ligging
aan vaarwater. Onder bedrijven met omvangrijke goederenstromen die over water getransporteerd
kunnen worden, vallen bedrijven die zich bij uitstek (op termijn) lenen voor aan-
en afvoer van goederen per schip.
Van het eerste lid kan de gemeente op grond van het tweede lid gemotiveerd afwijken
indien zij onderbouwt:
Een belangrijk principe in het Streekplan is dat de meer grootschalige en intensieve recreatieve voorzieningen worden geconcentreerd bij de stedelijke centra, de regionale centra en de recreatiekernen. Concentratie bevordert de synergie tussen recreatieve functies, biedt schaalvoordelen en draagt daarmee bij aan de aantrekkingskracht en herkenbaarheid van een kern c.q. van een gebied voor toeristen. Daarnaast voorkomt het versnippering van recreatief aanbod en de bijbehorende nadelige landschappelijke consequenties. Dat concentratieprincipe is in de verordening overeind gebleven, maar de bepalingen in het hoofdstuk ‘recreatie’ zijn aangepast, op grond van een aantal ontwikkelingen. Zo is in de streekplanevaluatie geconcludeerd dat enige verruiming gewenst is waarmee kleine verblijfsrecreatieve bedrijfsuitbreidingen mogelijk zijn, zonder dat daarvoor telkens een ontheffing nodig is. Uit de aanpassing van de Wro vloeit bovendien voort dat de procedure van ontheffing, voorheen opgenomen onder (vml.) artikel 6.3, alleen kan worden opgenomen voor niet voorzienbare situaties. Daarnaast hebben wij onderzoek laten doen naar de 'Verblijfsrecreatie in Fryslân'voetnoot: 'Verblijfsrecreatie in Fryslân', Bureau voor Ruimte en Vrije Tijd, april 2013, Onderzoek en advies ten behoeve van ruimtelijk en toeristisch beleid. (hierna: het onderzoek). Dat onderzoek doet enkele aanbevelingen die in de verordening zijn vertaald. We blijven daarbij binnen de denkrichting van het streekplan, overeenkomstig hetgeen bij de streekplanevaluatie is afgesproken.
Belangrijk is de in het onderzoek beschreven notie van de ‘verblijfsrecreatieve paradox’: het accent zou moeten liggen op kwaliteitsverbetering. Groei van het aanbod is in principe niet nodig. Die kwalitatieve ontwikkeling kan echter niet zonder enige ruimte voor nieuwe initiatieven. Dat leidt dan toch tot verruiming van het aanbod. Dat zou gepaard moeten gaan met sanering van het bestaande aanbod. ‘Koude’ sanering kan immers negatieve gevolgen hebben voor de recreatieve en ruimtelijke kwaliteit. Wij willen op dit moment als provincie niet zo ver gaan om aan initiatiefnemers de verplichting op te leggen dat bedrijfsuitbreiding gepaard gaat met het saneren van recreatie-eenheden elders. Op gemeentelijk niveau kan dat wellicht wel gestalte krijgen. Met de verordening blijven wij ruimte bieden voor ‘beheerste’ groei.
In het algemeen is de constructie dat met ontheffing kon worden meegewerkt, vervangen
door een iets ruimere regeling in de verordening, op grond waarvan gemeenten ‘bij
recht’ kunnen meewerken aan plannen. Dat betekent enerzijds minder formele betrokkenheid
van provinciale kant. Dat legt anderzijds een zwaardere verantwoordelijkheid voor
de afweging en motivering van de recreatieve kwaliteitsverbetering en regionale meerwaarde
bij de gemeente.
We vragen daarom in artikel 5.6.1, eerste lid bij alle nieuwe recreatieve ontwikkelingen om een goede ruimtelijke, waaronder landschappelijke inpassing. Voor de niet kleinschalige ontwikkelingen, zoals bedoeld in de artikelen 5.1 t/m 5.4 vragen wij daarbij in artikel 5.6.1, tweede lid om toepassing van de methodiek Nije Pleats.
In artikel 5.6.2 is bepaald dat in de plantoelichting moet worden onderbouwd hoe de recreatieve ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van de recreatieve voorziening en/of de kwaliteit van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio.
Wij gaan, vanwege de vrijwel altijd spelende belangen inzake landschap, natuur en water, bij de meer ingrijpende plannen uit van gezamenlijke betrokkenheid van gemeente en provincie in dat Nije Pleats-proces. Wij voelen namelijk niet voor het op voorhand vastleggen van kwaliteiten in normen omtrent bebouwingsdichtheid e.d., zoals het onderzoek aanbeveelt, maar willen samen met de gemeente en de ontwikkelende partij kwaliteiten afspreken.
De methodiek ‘Nije Pleats’ is in de begripsbepalingen omschreven. Van belang is dat alle relevante ruimtelijke inpassingsaspecten (landschap, water, natuur en ontsluiting/verkeer) aandacht krijgen, door een analyse door deskundigen. De gemeente is er voor verantwoordelijk dat de benodigde deskundigheid wordt ingeschakeld.
De vraag is telkens welke ruimte de provincie op voorhand wil bieden. Daarop wordt hierna, per onderdeel ingegaan. Zonder nieuwe grenzen zijn de provinciale belangen niet te borgen. Dilemma is dat met het trekken van nieuwe grenzen de ruimte voor kansrijke uitzonderingen, waaraan nu met ontheffing kan worden meegewerkt, wordt beperkt. Wij nemen in de verordening een algemene ontheffingsbepaling op waarmee Gedeputeerde Staten niet voorziene, kansrijke en aanvaardbare projecten, toch bij uitzondering kunnen faciliteren, met provinciale betrokkenheid. Mogelijk is ook om een kansrijk project dat buiten de beleidskaders gaat, te faciliteren door middel van een provinciaal inpassingsplan, waarvoor de bevoegdheid bij Provinciale Staten ligt. Daarmee kan de ‘belemmering’ van de verordening worden doorbroken.
Het voorstel uit het onderzoek voor ruimer beleid voor nieuwe recreatieve inrichtingen
buiten de ‘recreatiekernen’ (hieronder ook te verstaan de stedelijke en regionale centra) nemen wij, juist
gegeven genoemde verblijfsrecreatieve paradox, in zijn algemeenheid niet over. Wij
zijn van mening dat ons beleid, gericht op fysieke bundeling en synergie zijn waarde
bewijst. Voor kleinschaliger voorzieningen buiten recreatiekernen is en blijft wel
ruimte. En daarvoor verruimen we de mogelijkheden iets. In die lijn past het ook om
de vestigingsmogelijkheden bij ‘recreatiekernen’ te verruimen: een recreatieve ontwikkeling
behoeft niet meer ‘direct aan te sluiten’ aan het bestaand stedelijk gebied van de
recreatiekern, zoals voorheen verordend. In de artikelen 5.1 t/m 5.4 wordt nu gesproken over ‘in, aansluitend aan of nabij’. Een locatie ‘nabij’ een recreatiekern
dient een te motiveren functionele en fysieke samenhang met die kern te hebben (vgl.
bijv. It Soal-Workum, De Potten-Sneek, Hildenberg-Appelscha en Groene Ster Leeuwarden).
De stedelijke centra, regionale centra en recreatiekernen uit het streekplan zijn in deze gewijzigde verordening kortheidshalve samen gedefinieerd als ‘recreatiekernen’. Wij hebben als uitvloeisel van recente ontwikkelingen en bestuurlijke afspraken de kernen Oudega (Smallingerland), Witmarsum en Birdaard toegevoegd aan de lijst van recreatiekernen.
Aan bestaande complexen van recreatiewoningen, binnen en buiten de recreatiekernen, is in artikel 5.1.1 als basis een uitbreidingsruimte toegekend, met 50%, dan wel tot maximaal 75 eenheden. Dat biedt enige groeiruimte, met als voorwaarden een goede landschappelijke inpassing en een motivering van de recreatieve kwaliteit.
Een verdere groei, voorheen vervat in een ontheffing, is nu op grond van 5.1.1, tweede lid zonder ontheffing mogelijk, onder voorwaarden. Fundamenteel, aanbevolen in het onderzoek, is de voorwaarde dat de toevoeging overwegend in het huursegment plaatsvindt. Dat geeft de grootste economische meerwaarde. In voorkomende gevallen hebben wij en vaak ook de gemeente, die inzet op het huursegment al ingebracht. Die inzet krijgt nu een juridische basis.
Wij kiezen hierbij voor een bovengrens van maximaal 200 recreatie-eenheden. De ontheffing bevatte voorheen geen bovengrens, maar in de praktijk van het overleg over projecten richtte zich onze inzet, en meestal ook die van gemeenten, op die schaal. Bij die schaal kan blijkens het onderzoek, sprake zijn een volwaardig recreatiepark met voorzieningen.
Voor bestaande complexen buiten de recreatiekernen gaan we bovendien uit van een groeimodel: een complex kan in eerste instantie groeien tot 50 eenheden. Bij gebleken bedrijfsmatige kwaliteit is een latere uitbreiding naar 200 eenheden mogelijk. Uiteraard is voorwaarde dat een complex wat betreft schaal en verschijningsvorm inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Zo zal ook beoordeeld moeten worden of de schaal van een dorp de schaal van het complex redelijkerwijs toelaat.
Ook initiatieven voor nieuwe complex van recreatiewoningen: willen wij, zoals voorheen, blijven faciliteren, maar dan alleen bij recreatiekernen. Als basis tot 50 eenheden, eventueel tot max. 200 woningen in een verhuurformule. Artikel 5.1.2 voorziet hier in.
Wij voorzien ook op grond van de ervaringen in de afgelopen jaren en op grond van het onderzoek geen nieuwe recreatieve woonprojecten buiten de nabijheid van recreatiekernen. Voor het unieke geval dat zich toch een grootschalig initiatief aandient dat wel als kansrijk en aanvaardbaar kan worden aangemerkt vanwege de regionale meerwaarde, behouden wij de mogelijkheid tot ontheffing, op grond van de algemene ontheffingsclausule, of een provinciaal inpassingsplan.
Uitzondering op voorhand maken wij voor projecten bij Driesum en Westergeest, waarover eerder bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Artikel 10.6 voorziet in een Bijzondere afwijkingsbepaling voor die projecten.
Vanwege de gewijzigde opzet van het recreatiehoofdstuk is nu in artikel 5.1.3 expliciet geregeld dat op een bestaand kampeerterrein recreatiewoningen zijn toegestaan
ter vervanging van standplaatsen. Het streekplan verbindt daaraan de voorwaarde dat
de gemeente die omzetting motiveert in het licht van het totale regionale aanbod in
de verschillende segmenten. Die voorwaarde is, net als voorheen, niet in de verordening
opgenomen.
Blijkens het onderzoek is met name in het segment kampeerterreinen per saldo geen behoefte aan groei. Wij willen daarom vooral ruimte bieden voor kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven, die gepaard kan gaan met beperkte groei.
Er is ruimte voor areaaluitbreiding met behoud van het aantal standplaatsen, ten behoeve van kwaliteitsverbetering (ruimere standplaatsen). Daarnaast blijven we ruimte bieden voor enige groei van het aantal standplaatsen, om daarmee extra voorzieningen te kunnen financieren. Zoals voorheen kunnen alle bestaande recreatiebedrijven in ieder geval doorgroeien naar 200 standplaatsen, de omvang waarbij voldoende massa en draagvlak ontstaat voor kwalitatieve voorzieningen op het kampeerterrein. Wij vervangen de mogelijkheid om uit te breiden boven de 200 standplaatsen, voorheen alleen mogelijk via ontheffing van ons college, door de mogelijkheid (artikel 5.2.1) voor elk bestaand bedrijf om bij recht uit te breiden met 100 standplaatsen. Dat biedt ook de grotere bestaande bedrijven mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering.
Hoewel de behoefte, per saldo, aan nieuwe kampeerterreinen en standplaatsen dus in het algemeen gering is, willen wij vooralsnog, binnen de kaders van het huidige beleid toch ruimte blijven bieden voor nieuwe terreinen, maar dan alleen bij recreatiekernen, tot maximaal 200 standplaatsen. Wij gaan er vanuit dat de markt die ruimte benut voor kwalitatief hoogwaardige(r) concepten, zoals 'Glamping'.
Voorheen konden wij ook ontheffing verlenen voor nieuwe kampeerterreinen, boven 200 standplaatsen, zonder vooraf bepaald maximum aantal standplaatsen. Gelet op het onderzoek en onze ervaringen in de afgelopen jaren menen wij dat de nu te geven ruimte met uitbreidingsmarge voldoende is.
Ook konden wij voorheen ontheffing verlenen voor nieuwe kampeerterreinen buiten recreatiekernen. Wij voorzien gelet op het onderzoek en op de ervaringen in de afgelopen jaren geen grootschalige initiatieven buiten de nabijheid van recreatiekernen.
Voorheen konden wij ook via die ontheffing meewerken aan een nieuw kampeerterrein buiten een recreatiekern, in de vorm van omzetting van een 'kleinschalig kampeerterrein' (vml. 'kamperen bij de boer') naar een reguliere camping. Met het schrappen van de ontheffingsmogelijkheid vervalt ook die ruimte. Dat past bij de onderzoekaanbevelingen en bij ons streven om het contrast tussen reguliere, professionele campings en het kleinschalig kamperen duidelijker zichtbaar te houden.
Blijkens het onderzoek is ook in het segment jachthavens per saldo vrijwel geen behoefte aan groei. Wij willen daarom ook voor dit segment vooral ruimte bieden voor kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijf:, die gepaard kan gaan met beperkte groei.
Er is ruimte voor areaaluitbreiding met behoud van het aantal ligplaatsen, als dat leidt tot kwaliteitsverbetering. Daarnaast blijven we ruimte bieden voor enige groei van het aantal ligplaatsen, om daarmee extra voorzieningen te kunnen financieren. Zoals voorheen kunnen alle bestaande bedrijven bij recreatiekernen doorgroeien naar 250 ligplaatsen, de omvang waarbij voldoende massa en draagvlak ontstaat voor kwalitatieve voorzieningen. Wij vervangen de mogelijkheid om uit te breiden boven de 250 ligplaatsen, voorheen via ontheffing van ons college, door de mogelijkheid (artikel 5.3.1) om bij recht uit te breiden met 100 ligplaatsen. Dat biedt ook bestaande grotere bedrijven mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering.
Hoewel, blijkens het onderzoek, de behoefte aan nieuwe jachthaven:s/ligplaatsen in het algemeen gering is, willen wij binnen de kaders van het huidige beleid toch ruimte blijven bieden voor nieuwe jachthavens bij 'recreatiekernen', tot maximaal 250 standplaatsen (artikel 5.3.2). Wij gaan er vanuit dat de markt die ruimte benut voor kwalitatief hoogwaardige(r) concepten.
Buiten recreatiekernen handhaven we ook de mogelijkheid voor kleinere jachthavens (uitbreiding/nieuw) tot maximaal 50 ligplaatsen bij kernen of 25 ligplaatsen buiten kernen. Dit is nu geregeld onder 'Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie', in artikel 5.5.2. Dat kan bijdragen aan het pakket van kleinschaliger ontwikkelingen buiten de recreatiekernen, ook als onderdeel van recreatieve, natte netwerken en routes.
Voorheen konden wij ontheffing verlenen voor verdere uitbreiding en voor nieuwe jachthavens, boven 250 standplaatsen, zonder vooraf bepaald maximum aantal ligplaatsen. Ook konden wij voorheen ontheffing verlenen voor nieuwe jachthavens buiten recreatiekernen. Gelet op het onderzoek en onze ervaringen in de afgelopen jaren menen wij dat de nu te geven ruimte met uitbreidingsmarge voldoende is. Wij voorzien geen grootschalige initiatieven buiten de nabijheid van recreatiekernen.
Voorheen bood de verordening alleen bij ‘recreatiekernen’ ruimte voor uitbreiding of nieuwe vestiging van dagrecreatieve voorzieningen, tot 100.000 bezoekers per jaar. Aan grootschaliger dagrecreatieve voorzieningen (uitbreiding van bestaande of nieuwe) bij ‘recreatiekernen’, aan uitbreiding van bestaande voorzieningen buiten de recreatiekernen of aan nieuwe voorzieningen buiten die recreatiekernen kon slechts via ontheffing door ons college medewerking worden verleend (streekplan: grootschalig recreatief kwaliteitsarrangement). Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen voorzieningen beneden en boven de 250.000 bezoekers: die laatste zouden bij voorkeur in/bij de stedelijke centra moeten worden gesitueerd.
Met de noodzaak om het principe van ontheffing te schrappen hebben we de regeling vereenvoudigd. Uitbreiding van alle bestaande voorzieningen, zowel bij (in, aansluitend aan en nabij) recreatiekernen, als daarbuiten, kan nu op grond van artikel 5.4.1, eerste lid ‘bij recht’, tot een iets verhoogde maximum omvang, uitgedrukt in bezoekersaantallen, van 150.000 per jaar. Ook maakt artikel 5.4.1, tweede lid ‘bij recht’ nieuwe dagrecreatieve voorzieningen bij ‘recreatiekernen’ mogelijk tot dezelfde, iets verruimde omvang. Artikel 5.4.1, derde lid laat bij stedelijke centra dagrecreatieve voorzieningen toe met een omvang boven de 150.000 bezoekers per jaar.
Wij voorzien, gelet op onze ervaring in de afgelopen decennia, geen initiatieven voor
dagrecreatieve voorzieningen die buiten deze bandbreedte treden wat betreft locatie
en omvang. Mochten zich buiten die verwachting toch initiatieven voordoen die provinciale
of regionale meerwaarde zouden kunnen hebben, dan behouden wij de mogelijkheid tot
ontheffing, op grond van de algemene ontheffingsclausule, of door het maken van een
provinciaal inpassingsplan.
Het streekplan bevatte geen expliciet beleid voor bedrijven die kiezen voor een mix van voorzieningen (huisjes, standplaatsen, ligplaatsen, dagrecreatieve voorzieningen). De verordening 2011 liet die mix niet toe, terwijl bedrijven die toch soms willen kunnen aanbieden. Met de nieuwe opzet zijn combinatiebedrijven wel mogelijk bij recreatiekernen, als optelsom van de afzonderlijke bepalingen ten aanzien van recreatiewoningen, kampeerterreinen en jachthavens.
Buiten recreatiekernen is die combinatiemogelijkheid beperkter. Een bestaand kampeerterrein kan (art. 5.1.3) standplaatsen vervangen door woningen en eventueel nadien, bij gebleken bedrijfsmatige kwaliteit, op grond van artikel 5.1.1 doorgroeien. Onder de noemer ‘kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie zijn kleinschaliger combinaties mogelijk, ook buiten recreatiekernen. Zie hierna.
Buiten de recreatiekernen blijft de ontwikkelruimte beperkter. De desbetreffende mogelijkheden zijn in de verordening bij elkaar gebracht en iets verruimd ten opzichte van de verordening 2011.
Allereerst blijven (artikel 5.5.1, eerste lid), gekoppeld aan bestaande bebouwing van agrarische bedrijven, bedrijven of woningen, kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen mogelijk, op of bij het erf: kleinschalig kamperen, logies, recreatiewoningen binnen bestaande bebouwing, trekkershutten op het erf en groepsaccommodatie in of aansluitend op bestaande bebouwing op het erf.
Toegevoegd (artikel 5.5.1, eerste lid, onder d) is de mogelijkheid om, expliciet verbonden aan herbestemming/hergebruik van bestaande, lege en/of vervallen bebouwing in/bij een 'overige kern', enkele (maximaal 15) nieuwe recreatie-eenheden te realiseren. Dat kan, zeker ook in de 'anticipatiegebieden krimp', enige ruimte geven voor financiering van de noodzakelijke herbestemming. Juist in de tijd van krimpende groei en toenemende leegstand is het de uitdaging om nieuwe initiatieven te realiseren binnen bestaande bebouwing en leegstaande panden en terreinen binnen bestaand stedelijk gebied. Voorwaarde is dat het gaat om één, fysiek samenhangend project.
Daarnaast laat artikel 5.5.1, tweede lid, ruimte voor het enige groei van het kleinschalige kamperen (voorheen: kamperen bij de boer) van 15 naar 25 standplaatsen, onder voorwaarde dat de gemeente op dat vlak een selectief beleid voert om wildgroei en 'verrommeling' van het landschap te voorkomen. Expliciet is bepaald in de begripsomschrijving dat stacaravans niet toegestaan zijn opdat het landschap 's winters weer schoon is. Zoals gezegd is doorgroei naar een groter kampeerterrein niet meer mogelijk.
De ruimte voor kleine jachthavens buiten 'recreatiekernen' is gehandhaafd (artikel 5.5.2). Dat maakt het ook mogelijk dat bij een bestaand recreatiewoningen- of kampeerterrein 25 dan wel 50 ligplaatsen worden gevoegd als recreatieve combinatie.
Artikel 5.5.3 voorziet ook in een mogelijkheid van een kleinschalige recreatieve combinatie: bij een verblijfsrecreatief terrein of jachthaven buiten een recreatiekern kunnen dagrecreatieve voorzieningen worden gevoegd, mits daaraan ondergeschikt en naar aard en schaal passend. Die bepaling is niet afgebakend wat betreft aantal bezoekers. Afbakening van de omvang is primair een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Duidelijk moet zijn dat het niet kan gaan om grootschaliger dagrecreatieve voorzieningen met een grote bezoekersstroom.
Artikel 5.5.3, lid 2 tenslotte voorziet in de mogelijkheid om, los van bestaande recreatievoorzieningen, een kleinschalige dagrecreatieve voorziening of inrichting te realiseren. Met als limiet een terreinoppervlakte van 1 ha. Gedacht wordt aan kleinschalige voorzieningen die een functie hebben, als 'stepping stone' in een toeristisch netwerk of toeristische route. Veelal zullen dit soort voorzieningen behoren bij bestaande bebouwingsfuncties.
Artikel 5.7.1, eerste lid regelt dat de situering van nieuwe recreatieve voorzieningen op de Waddeneilanden niet is gekoppeld aan recreatiekernen. Immers op de eilanden zijn geen recreatiekernen aangewezen. Het gehele eiland is in principe aan te merken als recreatieve zone. We gaan er vanuit dat de gemeenten bij de locatiekeuze van een nieuwe voorziening zorgvuldigheid betrachten. Bovendien is de natuurwetgeving van kracht. Dat geeft voldoende sturing aan de ruimtelijke keuzes en inpassing.
Artikel 5.7.1, tweede lid regelt dat artikel 5.3 met betrekking tot jachthavens geen betrekking heeft op de jachthavens op de eilanden. Het Barro stelt daarvoor regels.
Artikel 5.7.2 geeft een bijzondere bepaling voor recreatie op de Waddeneilanden, waarin het streekplanprincipe van 'stabilisatie recreatiedruk is neergelegd. In de praktijk wordt daartoe als hulpmiddel de 'beddenboekhouding' toegepast. Overeenkomstig het streekplan is een andere onderbouwing van het stabilisatieprincipe mogelijk. Hierover zijn de samenwerkende eilandgemeenten met de provincie in gesprek.
Buiten bestaand stedelijk gebied is omzetting van de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning, op grond van artikel 5.8.1 niet toegestaan. Dat artikel heeft geen betrekking op recreatiewoningen in voormalige boerderijen of in voormalige woningen; deze recreatiewoningen zijn namelijk niet primair als recreatiewoningen gebouwd. Daarvan is omzetting naar de woonfunctie wel aanvaardbaar.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Het artikel is redactioneel aangepast om te verduidelijken dat een ruimtelijk plan geen mogelijkheden mag bieden om permanente bewoning toe te staan binnen de bestemming voor recreatiewoningen die buiten het bestaand stedelijk gebied liggen en die oorspronkelijk als recreatiewoningen zijn gebouwd. |
Bij uitzondering kan door de gemeente van artikel 5.8.1 worden afgeweken. Het Streekplan formuleert criteria voor de omzetting van de bestemming van recreatiewoningen in een woonbestemming voor permanente bewoning (par. 2.5.2). Voorkomen moet worden dat door omzetting teveel verblijfsrecreatieve capaciteit verdwijnt, en dat aan de recreatieve aantrekkelijkheid van verblijfsrecreatieterreinen afbreuk wordt gedaan. Extra ruimtebeslag op het landelijk gebied als gevolg van compensatie met nieuwe recreatieterreinen, vinden wij eveneens ongewenst. Daarnaast hebben de meeste recreatieparken geen geschikte ontsluiting en ligging voor permanente bewoning. De voorwaarden voor afwijking zijn overgenomen uit het streekplan en opgenomen in artikel 5.8.2 Het moet gaan om woningen aansluitend aan bestaand stedelijk gebied en niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur. Het criterium dat de recreatiewoningen voldoen aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen, heeft met name betrekking op het Bouwbesluit. Daarin staan bouwtechnische eisen, gebruikseisen, veiligheidseisen en energetische eisen voor woningen.
Het moet bovendien gaan om gevallen van langdurige, onafgebroken bewoning, met als peildatum 1 november 2003. Met een persoonsgebonden ontheffing kan een gemeente in specifieke situaties permanente bewoning van een recreatiewoning tijdelijk toestaan zonder wijziging van de bestemming.
Het hoofdstuk landbouw in de verordening is gebaseerd op het streekplanhoofdstuk, maar aangevuld met de nadien genomen besluiten door Provinciale Staten over de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij. Op 21-12-2011 en 27-2-2013 hebben Provinciale Staten nieuw provinciaal beleid vastgesteld voor grootschalige melkveehouderijen. Gelijktijdig met de vaststelling van de verordening hebben Provinciale Staten nieuw beleid vastgesteld voor de intensieve veehouderij.
Artikel 6.1.1 laat in principe nieuwe agrarische bouwpercelen alleen toe voor grondgebonden veehouderijen. Omdat wij niet verwachten dat er een toestroom van intensieve veehouderijen naar Fryslân zal plaatsvinden en vanwege de ruime beschikbaarheid van vrijkomende agrarische bouwpercelen, zijn nieuwe bouwpercelen voor niet grondgebonden veehouderijen niet nodig. Daarom is volgens artikel 6.1.1 een nieuw bouwperceel alleen, bij uitzondering toegestaan voor een bestaande intensieve veehouderij die om dringende maatschappelijke redenen verplaatst moet worden en waarvoor geen geschikt bestaand bouwperceel te vinden is. Een voorbeeld van een dringende maatschappelijke reden is een intensieve veehouderij die teveel stikstof uitstoot op een kwetsbaar natuurgebied in de omgeving.
Ook in het landelijk gebied streven we naar zorgvuldig ruimtegebruik, om verrommeling,
verstening en versnippering zoveel mogelijk te voorkomen. Op grond van artikel 6.1.1 kijkt de gemeente daarom eerst naar de mogelijkheden van bestaande, vrijkomende bouwpercelen,
alvorens een nieuw bouwperceel wordt aangewezen. Hierbij betrekt de gemeente:
Volgens de begripsomschrijving liggen binnen het agrarisch bouwperceel de bebouwing (waaronder bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en silo's) en de verharding van het agrarisch bedrijf. Beplanting niet. Uitgangspunt is echter dat de gemeente bij de begrenzing van een agrarisch bouwperceel uitgaat van logische grenzen. Dit kan soms betekenen dat ook een beplantingssingel bij een bedrijf in het bouwperceel wordt opgenomen. Wij vinden het van belang dat de verharding en voorzieningen (zoals silo's) ten behoeve van het bedrijf binnen het agrarisch bouwperceel komen te liggen. De verharding betreft in ieder geval de verharding rondom de bedrijfsgebouwen (de manoeuvreerruimte voor landbouwvoertuigen). Erfverharding ten behoeve van de bedrijfswoning evenals de tuin behoeven daar niet onder te vallen, net zo min als de toegangsweg/ landbouwweg naar een bedrijf. Bij voorzieningen gaat het om (bouw)werken zoals silo's die logistiek en functioneel bij de concentratie van bedrijfsgebouwen op het erf horen. Waar het om gaat is dat de gemeente de begrenzing van een agrarisch bouwperceel baseert op zorgvuldig maatwerk en daarbij deze aspecten betrekt.
De verordening biedt ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Voor schaalvergroting (geregeld in artikel 6.1.2 en 6.1.3) is voorwaarde dat het bedrijf in de beoogde bedrijfsomvang ter plekke kan functioneren qua ligging en ontsluiting en inpasbaar is binnen de kwaliteiten van landschap en natuur. Wij vragen gemeenten deze zorgvuldige inpassing te realiseren door toepassing van de Nije Pleats methodiek. Hierbij laat de gemeente zich in een vroeg stadium door deskundigen integraal adviseren over de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf. Deze maatwerkmethode levert winst voor de boer en winst voor de inpassing van het boerenerf in het landschap op. Daarnaast is er sprake van tijdswinst als de deskundigen op één moment en gezamenlijk tot een integraal advies komen. Het expertiseteam van De Nije Pleats, waarvan het contactpunt bij Hûs en Hiem zit, is een serviceteam richting gemeenten dat snel het gewenste maatwerk kan leveren. Wij adviseren gemeenten nadrukkelijk om hiervan gebruik te maken.
Een gemeente kan deze integrale advisering en onderbouwing ook zelf organiseren. In dat geval zal verzekerd moeten zijn dat alle relevante deskundigen tijdig worden ingeschakeld.
Uiteraard mag sprake zijn van maatwerk: bij kleinschalige perceelsverruiming in niet complexe situaties kan de Nije Pleats-methodiek ook eenvoudiger vorm gegeven worden.
Artikel 6.1.5 borgt die Nije Pleats methodiek bij bouwpercelen > 1,5 ha en bij nieuwe bouwpercelen.
In de begripsbepalingen staat een omschrijving van de methodiek Nije Pleats. In een
bestemmingsplan kan de gemeente dit regelen door een afwijkings-/ontheffingsbepaling
of een wijzigingsbevoegdheid met passende criteria. Als bouwmogelijkheden 'bij recht'
worden toegekend doet zich de noodzaak voor van het opnemen van een 'voorwaardelijke
bepaling' wat betreft de borging van de landschappelijke inrichting. Het maatwerk
kan aan toepassing van deze bevoegdheden gekoppeld worden. Voor zorgvuldige inpassing
van een agrarisch bedrijf zijn de volgende aspecten relevant:
Het Werkboek van De Nije Pleats biedt hiervoor praktische handreikingen.
LTO Noord en de milieufederaties van Groningen en Fryslân willen een convenant afsluiten over vermindering van de lichtuitstoot uit stallen. Op basis van deze afspraken komen we medio 2014 met provinciaal beleid voor lichthinder. In de tussentijd kunnen gemeenten aan de hand van praktijkvoorbeelden (zoals lichtbeleid stallen, gemeente Tytsjerksteradiel) maatwerk leveren om de lichthinder per bedrijf te beperken.
In 2012 hebben we met de agrarische sector en gemeenten een kwaliteitsnetwerk van wegen voor zwaar landbouwverkeer in beeld gebracht (Nota kwaliteitsnetwerk wegen voor landbouwverkeer). Bij de beoordeling van de verkeerskundige inpassing kunnen gemeenten dit kwaliteitsnetwerk betrekken.
De Nije Pleats methodiek kan ook bij een bouwperceel kleiner dan 1,5 ha veel voordelen bieden. Voor de inpassing van die kleinere bouwpercelen schrijft de verordening de methodiek Nije Pleats niet voor, maar is wel, op grond van artikel 2.1.1, lid 3, onder d, aandacht voor de inpassing noodzakelijk. Dit kan op verschillende manieren in een bestemmingsplan geregeld worden, bijv. via een voorwaardelijke bepaling of een nadere eisenregeling. Schaalvergroting heeft eveneens consequenties buiten het boerenerf, zoals voor verkavelingsstructuren en -beplantingspatronen. Voor deze aspecten gelden de algemene principes van landschappelijke en cultuurhistorische inpassing van artikel 2.1.1.
Basis (artikel 6.1.2, eerste lid) is een bouwperceel van maximaal 1,5 ha (of, in geval het bestaande perceel al groter is, de bestaande maat). Schaalvergroting is mogelijk, onder kwalitatieve voorwaarden. Eerste voorwaarde is dat een grootschalige melkveehouderij volgens artikel 6.1.2, tweede lid, sub a grondgebonden dient te blijven. Grondgebonden wil zeggen dat er een relatie is tussen de omvang van een bedrijf en de oppervlakte grond die het bedrijf in de omgeving in beheer en onderhoud heeft. Dit betekent op grond van de gehanteerde begripsbepaling dat er voldoende grond bij het bedrijf moet horen voor ruwvoervoorziening en mestafzet: het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond vormt de basis van het bedrijf. Wij zijn, net als de LTO en de zuivelindustrie ook voorstander van weidegang, maar leggen dat niet planologisch-juridisch vast als eis. Handhaving van dat criterium door de gemeente zou heel lastig zijn. De begripsbepaling laat dus geen ruimte voor ‘footloose’ melkveehouderijen; dat zijn intensieve en grootschalige bedrijven die geen enkele relatie meer hebben met de grond rondom. Zulke bedrijven vinden wij in Fryslân ongewenst. De verordening bevat bewust geen normstelling ten aanzien van grondgebondenheid. Wij verwachten dat de gemeente in het ruimtelijke plan het principe van grondgebondenheid in de planregels opneemt en in de plantoelichting beschrijft hoe daaraan invulling wil geven. Wij geven wel een beeld/indicatie van een mogelijke benadering, maar met de aantekening dat andere benaderingen mogelijk zijn.
Een veehouderij is grondgebonden wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer
overwegend - d.w.z. in ieder geval meer dan de helft - afkomstig is van de bij het
bedrijf behorende landbouwgrond. Uit landbouwkundige productiegegevens blijkt
dat bij een veebezetting van ca. 3 grootvee-eenhedenvoetnoot: Groot Vee Eenheid (GVE): rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals
vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe = 1,0 GVE, kalf =
0,4 GVE, paard = 0,8 GVE, schaap of geit = 0,1 GVE). (GVE) of minder per
hectare gras en voedergewassen aan deze voorwaarde wordt voldaan; ook de
meeste mest kan dan bij het bedrijf worden afgezet. Omgerekend komt dit uit
op ruim 0,3 hectare of meer per GVE. Dit richtgetal is een gemiddelde voor
efficiënt producerende veebedrijven. Het getal houdt geen rekening met
individuele omstandigheden, bijv. een veehouder die veel ruwvoer per ha
produceert. Onder de bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan
landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf waar het bedrijf structureel,
bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht, over kan beschikken.
In de regel is 20 km een afstand waarbinnen een agrarisch bedrijf nog adequaat
de bijbehorende grond kan verzorgen en benutten, en daarop toezicht kan
uitoefenen.
Naast deze GVE methode kan een gemeente grondgebondenheid als volgt beoordelen:
We onderkennen dat een groeiend bedrijf soms niet meteen over de benodigde grond beschikt. In dat geval zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat het bedrijf binnen redelijke tijd over de grond kan beschikken. Dit kan op basis van het bedrijfsplan.
De verordening geeft in de lijn van het nieuwe veehouderijbeleid, anders dan het streekplan,
wel een begrenzing van de toelaatbare schaalvergroting. De oppervlakte van het bouwperceel
bedraagt volgens artikel 6.1.2, tweede lid, sub b maximaal 3 ha.
In een incidenteel geval is op grond van 6.1.2, derde lid een beperkte overschrijding van dit maximum mogelijk. 'Beperkt' is niet nader gekwantificeerd om maatwerk te kunnen leveren, maar wij denken hierbij aan maximaal ca. 10%. Het gaat dan om een bijzondere situatie: een bedrijf zit al tegen de 3 ha grens aan (of is al groter dan 3 ha) en kan alleen nog uitbreiden door beperkte uitbreiding van het bestaande bouwperceel. De schaalvergroting is redelijkerwijs niet binnen 3 hectare te realiseren door bijvoorbeeld het spreiden van bedrijfsonderdelen over meerdere locaties of het slopen van oude bebouwing. Verder moet sprake zijn van een aanzienlijk maatschappelijk voordeel op één of meer van de genoemde aspecten:
Naast deze afwijkingsregeling kunnen wij via de algemene ontheffingsregeling in artikel 10.1.1 in een incidenteel geval een groter bouwperceel toestaan. Het gaat dan om een zeer bijzondere situatie waarmee vooraf geen rekening kon worden gehouden. Hierdoor kunnen vooraf geen inhoudelijke criteria worden geformuleerd. Doorslaggevend is dat de norm in dat bijzondere geval onbillijk uitpakt.
Onder grondgebonden veehouderij valt volgens de begripsomschrijving ook een ondergeschikte neventak niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij). De gemeente bepaalt in het ruimtelijk plan wat in dit verband ondergeschikt is.
Tegelijk met deze herziening van de Verordening Romte hebben Provinciale Staten nieuw beleid voor intensieve veehouderijen vastgesteld (Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij). Onder intensieve veehouderijen vallen de veehouderijen die niet-grondgebonden zijn waarbij de dieren overwegend in stallen worden gehouden. Dit betreft in Fryslân voornamelijk varkens- en pluimveehouderijen. Een omschrijving van ‘niet grondgebonden veehouderij' staat in de begripsbepalingen. Het provinciale beleid biedt bestaande intensieve veehouderijen ontwikkelingsruimte om aan de nieuwe regels en eisen op het gebied van dierenwelzijn, gezondheid en milieu te voldoen, mits een zorgvuldig ruimtelijke inpassing van de bedrijven gewaarborgd is.
Artikel 6.1.3, eerste lid geeft ruimte tot een maximum van 1,5 ha bouwperceel. Dat komt overeen
met de basismaat voor grondgebonden bedrijven. Meer ruimte vinden we alleen aanvaardbaar
als het gaat om grondgebonden bedrijvigheid. Omdat een intensief bedrijf per definitie
niet grondgebonden is, willen we meer ruimte niet bieden. Die maat van 1,5 ha is voor
de meeste intensieve veehouderijen overigens voldoende ruim en correspondeert met
ca. 300-400 NGE. Bestaande bouwpercelen die groter zijn kunnen gehandhaafd blijven.
Verder kan voor een mestvergistingsinstallatie c.a., (zie artikel 6.2.1, eerste lid)
nog extra ruimte tot maximaal 0,5 ha benut worden. Met deze mogelijkheid bieden we
ruimte voor duurzame energieopwekking.
Artikel 6.1.3, tweede lid maakt wel een beperkte overschrijding van dat maximum mogelijk als een
bedrijf redelijkerwijs niet binnen 1,5 ha uit de voeten kan. Zo kan een bestaande
intensieve veehouderij al dicht tegen het oppervlak van 1,5 ha aanzitten en een beperkte
uitbreiding nodig hebben om te voldoen aan wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn/milieu.
In dat geval is een beperkte uitbreiding, waarbij gedacht kan worden aan maximaal
circa 10%, denkbaar. Dat biedt slechts beperkt ruimte voor toename van het aantal
dierplaatsen. Een ander voorbeeld is innovatie: een kernfokbedrijf dat niet gesplitst
kan worden omdat alle bedrijfsonderdelen vanwege certificeringseisen bij elkaar moeten
zitten. De noodzaak hiervan en de mate van de dan noodzakelijke, beperkte overschrijding
zullen onderbouwd moeten worden. Ook bij de combinatie van akkerbouw of melkveehouderij
met een tak intensieve veehouderij (gemengd bedrijf) kan een oppervlakte van meer
dan 1,5 ha nodig zijn; in dat geval is de hoofdtak bepalend voor de maximale omvang
van het bouwperceel, zie hierna. Ook als sprake is van een bedrijf met een al bestaande
oppervlakte bouwperceel groter dan 1,5 ha, waarvan toch, om bovengenoemde redenen,
een geringe uitbreiding nodig is, kan artikel 6.1.3, tweede lid worden toegepast.
Als een bestaand intensief veehouderijbedrijf een groter oppervlak dan 1,5 ha nodig
heeft, is bovendien splitsing van het bedrijf in onderdelen en spreiding daarvan over
twee of meer locaties mogelijk. Daarbij moet wel gebruik worden gemaakt van een bestaand
bouwperceel. Daartoe maakt artikel 6.1.4, eerste lid, omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf op een bestaand bouwperceel naar een intensieve veehouderij mogelijk, maar alleen
ten dienste van gedeeltelijke verplaatsing (opsplitsing) of algehele verplaatsing
van een bestaand niet grondgebonden bedrijf. Voorwaarde voor algehele verplaatsing
is dat daarvoor dringende redenen van maatschappelijke aard aanwezig moeten zijn.
Gedacht kan worden aan verplaatsing vanwege de milieusituatie of natuurbelangen.
In het Kabinetsstandpunt omvang intensieve veehouderij en schaalgrootte (brief van
14 juni 2013) kondigt het rijk nieuwe regelgeving aan op grond waarvan provincies
en gemeenten grenzen kunnen stellen aan de omvang van veehouderijen om de volksgezondheid
te beschermen. Samen met gemeenten zullen we op grond van de nieuwe regelgeving bekijken
of nadere invulling van dit aspect gewenst is.
Hier en daar komen gemengde bedrijven (akkerbouw/intensieve veehouderij; melkveehouderij/ intensieve veehouderij) voor. In die gevallen is voor de toekenning van de maatvoering van het bouwperceel bepalend wat de hoofdtak van het bedrijf is. Als de intensieve tak de hoofdactiviteit is, kan het bouwperceel maximaal 1,5 ha bedragen. Als de melkveehouderij/akkerbouw de hoofdactiviteit is, kan het bouwperceel maximaal naar 3 ha groeien. Ook als sprake is, zoals een enkele keer voorkomt, van twee vrijwel gelijkwaardige hoofdactiviteiten, is een groei naar 3 ha mogelijk. In dat geval kan het intensieve bedrijfsonderdeel nooit meer dan tot 1,5 ha ruimtebeslag innemen.
Actueel is de verbreding van agrarische bedrijfsactiviteiten met nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten zoals duurzame energieopwekking. Het Streekplan formuleert hiervoor beleid in paragraaf 2.3.3 en 2.6.3. Dit beleid is vertaald in artikel 6.2.1. Uitgangspunt is dat bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten die aan de landbouw gerelateerd zijn, wat betreft aard en schaal ondergeschikt blijven aan de agrarische bedrijfsactiviteiten die de hoofdfunctie van het perceel vormen. Wanneer bijvoorbeeld het opgewekte vermogen en de inkomsten van energieopwekking, de schaal en inkomsten van de agrarische bedrijfsactiviteiten overstijgen, is deze activiteit niet meer als bedrijfseigen aan te merken. Gemeenten vullen het criterium van 'bedrijfseigen' voor concrete situaties nader in. Voor een ondersteunende tak glastuinbouw bij een agrarisch bedrijf, is in artikel 6.4.1, lid 3 een specifieke, afzonderlijke bepaling opgenomen. Voor (kleinschalige) verblijfsrecreatie en groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, staan in hoofdstuk 5, Recreatie en toerisme aanvullende bepalingen.
Voor een bedrijfsactiviteit die aan de landbouw gerelateerd is en die niet meer 'agrarisch
bedrijfseigen' is, kan een gemeente op grond van artikel 6.2.2 afwijken. Dit is ook mogelijk voor een agrarisch hulpbedrijf zoals een agrarisch
loonbedrijf en een grondverzetbedrijf. Het beleid hiervoor staat in par. 2.3.3 (onder
'landelijk gebied') en par. 2.6.2 van het Streekplan. Dergelijke bedrijven dienen
in principe op een bedrijventerrein te worden gevestigd vanwege de te verwachten verkeersbewegingen,
milieuhinder, aard en schaal van de bedrijfsvoering, en uitstraling. Als dat niet
mogelijk is, kan de gemeente een locatie in een dorpsrand of op een vrijkomend agrarisch bouwperceel of bedrijfsperceel in het landelijk gebied mogelijk maken. Vestiging op een nieuwe locatie in het landelijk
gebied is in principe niet gewenst, tenzij een goed gesitueerde en goed ontsloten agro-locatie ontwikkeld kan worden waar dergelijke bedrijvigheid geclusterd en gecombineerd kan
worden met agrarische bedrijvigheid. Landbouwmechanisatiebedrijven (vaak met een showroom
voor landbouwwerktuigen), horen naar onze mening op een bedrijventerrein thuis, gelet
op hun uitstraling, schaal en ontsluitingsbehoefte. Daarom vallen deze bedrijven niet
onder de definitie van agrarisch hulpbedrijf. Op deze bedrijven zijn de artikelen
1.1.1 (geen nieuwvestiging) en 4.3.1 (uitbreiding bestaand bedrijf 50%) van toepassing.
De goothoogte van stallen is sterk bepalend voor de landschappelijke inpassing van agrarische bebouwing. Dit geldt met name voor melkveebedrijven, waarop de meeste aanvragen voor schaalvergroting betrekking hebben (ca. 90%). De afweging over de goothoogte van reguliere stalsystemen kan plaatsvinden in de maatwerkafweging volgens de werkwijze van het project De Nije Pleats (zie hiervoor). Gestapelde huisvestingsystemen zoals varkensflats willen we echter op voorhand voorkomen omdat dergelijke industrieel ogende bouwvormen niet in het Friese landschap passen, zowel wat betreft schaal als uitstraling. Dit is in de lijn van onze notitie Agrarische megabedrijven uit 2008. Daarin hebben wij een standpunt ingenomen over zeer grootschalige agrarische bedrijven (zogenaamde megabedrijven/ megastallen).
In artikel 6.3.1, lid 1 staat daarom een maximale goothoogte voor stallen. Hoewel de ervaring is dat
een goothoogte tot 3,5 m in de meeste gevallen voldoende is, is een maximale goothoogte
van 5 m voorgeschreven. Hiermee kunnen de gangbare stalsystemen worden gerealiseerd,
terwijl gestapelde huisvestingssystemen zoals varkensflats worden voorkomen. Afwijking
is mogelijk (lid 2), mits de stal landschappelijk inpasbaar en het geen gestapelde
stal betreft zoals omschreven in de begripsbepalingen. Overigens gaat het om stallen
voor de huisvesting van vee. Andere agrarische bedrijfsgebouwen (zoals loodsen voor
landbouwwerktuigen en opslag akkerbouw) vallen niet onder deze bepaling.
Concentratie van glastuinbouw zorgt voor schaal- en synergievoordelen binnen de glastuinbouw, en voorkomt verspreiding en versnippering van kassen met de bijbehorende nadelige landschappelijke consequenties. Op grond van artikel 6.4.1, lid 1 is vestiging (ook na verplaatsing) van glastuinbouwbedrijven alleen mogelijk binnen de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân. In de 'Partiële herziening van het Streekplan ten behoeve van Glastuinbouw Noordwest Fryslân', is het globale zoekgebied uit het Streekplan ingeperkt. Aan de zuidkant van Sexbierum is een nieuwe ontwikkelingslocatie voor glastuinbouw aangegeven. Daarnaast is er ontwikkelingsruimte voor glastuinbouw binnen het bestaande glastuinbouwgebied bij Berlikum, zoals begrensd in het bestemmingsplan. Deze glasbouwlocaties staan op de kaart Glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân.
Buiten de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân is de ontwikkelingsruimte voor glastuinbouw
beperkt. Dit ondersteunt het concentratiebeleid en voorkomt aantasting van landschappelijke,
natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
Reguliere uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is volgens het Streekplan
mogelijk. In artikel 6.4.1, tweede lid is dit vertaald in een uitbreiding tot maximaal 20% van de bestaande
oppervlakte aan kassen. Van dit percentage kan op grond van artikel 6.4.2 in een concreet geval worden afgeweken, tot een maximum van 50%, indien aan de inhoudelijke
voorwaarden wordt voldaan.
Glastuinbouw bij overige agrarische bedrijven is (6.4.1, lid 3) beperkt tot een ondersteunende tak/ondersteunende teelt van maximaal 1.500
m². Deze oppervlaktemaat staat in het Streekplan.
Paragraaf 2.6.3 van het Streekplan vraagt aandacht voor inpassing van nieuwe voorzieningen voor de paardensector. Paardenhouderijen zijn er in diverse vormen: van paardenfokkerijen en hengstenhouderijen die op de productie zijn gericht en als agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt, tot maneges en verenigingsaccommodaties die op de recreatie zijn gericht. Gemeenschappelijk is dat de betekenis van paardenhouderijen in het landelijk gebied is toegenomen, zowel economisch als landschappelijk.
We maken onderscheid tussen productiegerichte paardenhouderijen - zoals paardenfokkerijen
en paardenhandel - die vanuit die productiegerichtheid vaak een bepaalde mate van
functionele binding met het landelijk gebied hebben, en gebruiksgerichte paardenhouderijen waar het recreatieve aspect en de ruiter/amazone
centraal staan, zoals maneges. De verordening richt zich in artikel 6.5.1 alleen op gebruiksgerichte paardenhouderijen. De begripsomschrijving hiervan sluit
aan bij de VNG Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening van 2009. Stads-
en dorpsranden vormen volgens het Streekplan de primaire zoekgebieden voor recreatieve
voorzieningen als maneges en rijhallen. Daarnaast heeft het gebruik maken van bestaande
accommodaties zoals voormalige boerderijen de voorkeur boven nieuwe vestigingen in
het landelijk gebied. In artikel 6.5.1 is een motiveringsvereiste voor de locatiekeuze van gebruiksgerichte paardenhouderijen
opgenomen.
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het huidige rijksbeleid benoemd als Robuust Netwerk Natuur, is een samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende robuust is om de biodiversiteit duurzaam te behouden en te versterken. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben minder kans op uitsterven. De EHS is samengesteld uit reeds bestaande natuurkernen en uit gebieden die begrensd zijn met het doel die om te vormen tot nieuwe natuur. Zodoende kan het systeem op de langere termijn robuuster en dus sterker worden. Door de natuur in een robuust systeem te concentreren ondervinden andere functies hier bovendien minder beperkingen van.
Het kabinet heeft een bezuiniging doorgevoerd op het budget van de EHS. Deze bezuiniging maakt het noodzakelijk de ambitie tot 2027 in relatie tot de beschikbare financiën te herzien. Dit proces is landelijk benoemd als de "Herijking van de EHS". Deze herijking houdt in dat aangegeven wordt welke delen van de EHS niet meer als ambitie nagestreefd worden. Dit herijkingsproces is doorlopen in het kader van de Nota Natuer en Lanlik Gebiet. Met dit beleidsstuk is een werkkaart van de herijkte EHS vastgesteld (27 juni 2012). Hierop staat aangegeven welke delen van de EHS niet meer gerealiseerd gaan worden, waar internationale verplichtingen (Natura 2000, Kaderrichtlijn water) nagekomen moeten worden, waar verdere verplichtingen rusten op gronden en welke onderdelen als provinciale ambitie beschouwd worden. Hierin is de ambitie vanuit het Grien Manifest, die door Provinciale Staten is onderschreven, verwerkt, rekening houdend met de mogelijkheden van het in september 2013 tussen Rijk en provincies gesloten Natuurpact.
Het Barro (artikel 2.10.3) verplicht provincies tot het geometrisch vastleggen en begrenzen van deze herijkte EHS, het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de (deel)gebieden) van de EHS en de bescherming van die kenmerken en waarden.
Op de kaart Natuur is de provinciale EHS in Fryslân op perceelsniveau geometrisch begrensd. Daarbij is aangesloten op de oorspronkelijke begrenzing in het Streekplan, maar dan met een actualisatie op grond van de nieuwe afspraken met betrekking tot natuur en de ecologische hoofdstructuur die met het rijk zijn gemaakt. Voor enkele gebieden heeft nu nadere detaillering plaatsgevonden en zijn nadere keuzes gemaakt in overleg met de gebiedscommissies.
Wij hebben er voor gekozen om in de planologische vertaling in de verordening geen onderscheid te maken tussen de delen van de EHS die (verplicht) voortvloeien uit de internationale opgave en de delen die voortkomen uit de 'Provinciale afronding: ambitie'. Dat was mogelijk geweest, maar voor de eenvoud kiezen wij voor één planologisch regime. In de uitvoering van het beleid moet blijken welke delen van onze eigen ambitie haalbaar zijn.
Met die actualisatie heeft, na overleg met de gemeenten, tevens een correctie van onjuistheden plaatsgevonden. De gerealiseerde ecologische verbindingszones zijn hierin opgenomen.
De grote wateren de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer en het Lauwersmeer maken deel uit van het Natura 2000-netwerk en worden beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet. De bescherming van de Waddenzee wordt daarnaast geregeld in het Barro. Deze grote wateren zijn wel opgenomen als EHS op de kaart Natuur om de samenhang van de EHS te handhaven en als basis voor subsidiëring van natuurbeheer. Daar waar sprake is van overlap van regelgeving, geldt de hogere regelgeving (Barro, Natuurbeschermingswet).
Voor de gronden die behoren tot de EHS, dient volgens artikel 7.1.1, eerste lid in een ruimtelijk plan een passende bestemmingsregeling te worden opgenomen die voorziet in bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden.
De wezenlijke kenmerken en waarden zijn voor gebieden met de bestemming natuur de aanwezige en potentiële natuurwaarden, inclusief de daarvoor vereiste bodem- en watercondities. De potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities zijn gebaseerd op de internationale biodiversiteitdoelstellingen. Voor gebieden met een andere bestemming betreffen de wezenlijke kenmerken en waarden enkel de aanwezige natuurwaarden. De provincies bepalen op lokaal niveau welke beheertypen moeten worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de potenties en kansen, mede gelet op de omgeving en de internationale biodiversiteitdoelstellingen. De beoogde beheertypen worden door de provincies vastgelegd in hun natuurbeheerplannen.
De wezenlijke kenmerken en waarden zijn in Fryslân vastgelegd in het provinciale Natuurbeheerplan 2014. De begripsbepaling verwijst daar naar. Op de beheertypenkaart worden alle bestaande natuur en nog te ontwikkelen (begrensde) natuur, alle agrarische natuur en de landschapselementen aangegeven en getypeerd volgens de Index Natuur en Landschap. In een aantal situaties is dit niet op perceelsniveau vastgelegd maar zijn "zoekgebieden" aangegeven. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding of realisatie van de op die kaart aangegeven beheertypen.
Op de ambitiekaart kunnen hogere of andere doelen staan vermeld dan op de beheertypenkaart. Op enig moment kan het beheertype van de ambitiekaart wel worden bereikt. De beheertypenkaart zal daarom periodiek worden aangepast en geactualiseerd en uiteindelijk steeds dichter bij de gewenste eindsituatie komen zoals opgenomen in de ambitiekaart
Artikel 7.1.1, lid 2 staat in de EHS geen ontwikkelingen toe die significante negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS, of tot een significante vermindering van de oppervlakte of significante aantasting van de samenhang tussen (deel)gebieden van de EHS leiden.
Of een ontwikkeling in een concreet geval daadwerkelijk significante gevolgen heeft, is afhankelijk van de wezenlijke kenmerken en waarden per gebied en zal per geval moeten worden beoordeeld.
Medegebruik van de EHS is toegestaan zolang dit geen afbreuk doet aan die kenmerken en waarden. In het hoofdstuk Natuur van het Streekplan is voor dit medegebruik een functiezonering opgenomen (kaart 13 met toelichting).
Volgens het streekplan mogen op grond van (inter)nationale regelgeving ontwikkelingen in of in de nabijheid van de EHS geen significante negatieve effecten hebben op de EHS. In de Verordening Romte 2011 hadden de beschermende bepalingen echter alleen betrekking op (ontwikkelingen op) gronden die deel uitmaken van de EHS. Volgens bestendig provinciaal beleid heeft de EHS geen externe werkingvoetnoot: Dat geldt niet voor EHS-gebieden die tevens Natura2000-gebied zijn. Daarvoor geldt wettelijk wel de plicht om activiteiten buiten de aangewezen gebieden zelf te beoordelen op hun effecten voor die aangewezen gebieden. , voor zover het betreft agrarische ontwikkelingen nabij de EHS. Uitgangspunt in het Streekplan is ook dat de onderdelen van de EHS voldoende groot zijn om negatieve effecten van buiten te ondervangen zodat buffering van natuurgebieden niet nodig is. Relevant is dat bij nieuwe 'rode' en recreatieve ontwikkelingen aan de rand van de EHS wordt nagegaan of deze negatieve effecten kunnen hebben op aangrenzende EHS. Bij de evaluatie van het Streekplan is gebleken dat het vooral gaat om plannen voor recreatieve ontwikkeling grenzend aan/in de nabijheid van de EHS. Artikel 7.1.1, derde lid bevat daarom de bepaling dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten de EHS mogelijk zijn, mits die geen significante negatieve effecten op de EHS tot gevolg hebben ('ja, mits' principe). Anders dan binnen de EHS beperken de effecten zich waarschijnlijk tot verstoring door betreding of door geluid of licht. Betreding kan relevant zijn als er sprake is van een fundamentele toename van recreanten in een natuurgebied dat daarvoor wat betreft het gevoerde beheer minder geëigend is. Dat kan in samenspraak met de beheerder worden beoordeeld. Verstoring door geluid of licht kan relevant zijn in relatie tot bepaalde diersoorten. De Flora- en faunatoets kan hier uitsluitsel over geven.
Artikel 7.1.2 regelt de situatie vóórdat gronden zijn aangekocht voor natuurontwikkeling. Voortzetting van het bestaande gebruik (inclusief de bij dat bestaande gebruik behorende bestemmingsregeling) is mogelijk. Bestaande functies, veelal agrarische bedrijven, en activiteiten kunnen dus normaal worden voortgezet.
Onomkeerbare nieuwe ontwikkelingen, die in de weg zullen staan aan realisering van de EHS, zijn niet mogelijk en al op grond van artikel 7.1.1, tweede lid, uitgesloten. Voorbeelden hiervan zijn wegaanleg, een uitbreidingslocatie bij een kern, of vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf.
Op grond van artikel 7.1.3, eerste lid, kan de gemeente, in afwijking van artikel 7.1.1, tweede lid, toch meewerken aan ontwikkelingen in de EHS die significant negatieve effecten hebben op de natuurwaarden (waarden en kenmerken, reaal, samenhang). Afwijking is alleen onder strikte voorwaarden moge-lijk. Hierbij geldt het ‘nee tenzij’ principe uit het Streekplan en het rijksbeleid (Barro). Ten eerste is voorwaarde dat de ontwikkeling een groot openbaar belang vertegenwoordigt. De interpretatie van het begrip ‘groot openbaar belang’ is afhankelijk van veranderingen in tijd en politieke en maatschappelijke opvattingen. Het Barro rekent tot groot openbaar belang in ieder geval de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van windturbines of de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas. In algemene zin dient het te gaan om een algemeen c.q. maatschappelijk belang - zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving zoals energie- en vervoersvoorzieningen, en bijvoorbeeld niet een golfterrein - dat verder reikt dan de lokale situatie ter plaatse. Gedeputeerde Staten beoordelen met de gemeente of een ontwikkeling van groot openbaar belang is. Voorwaarde is ook dat er voor de betreffende fysieke ontwikkeling geen reële locatie-alternatieven zijn. Alternatieven hangen af van de locatie (op de Waddeneilanden is de beschikbare ruimte anders dan op het vaste land), op de mate van grondgebondenheid van de beoogde ontwikkeling (bijvoorbeeld uitbreiding van een bestaande functie) en op de mate van plaatsgebondenheid (voorbeeld: een maatschappelijke voorziening voor een specifieke kern).
Vervolgens dient natuurschade door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk te worden beperkt. Tenslotte dient resterende natuurschade te worden gecompenseerd.
Artikel 7.1.3, tweede lid biedt de mogelijkheid voor een saldobenadering volgens het Streekplan.
Het gaat om een combinatie van onderling samenhangende ontwikkelingen in en rond een
EHS-gebied – meestal in de vorm van gebiedsontwikkeling – waarbij (vaak recreatieve)
ontwikkelingen samengaan met verbetering van de natuurwaarden van het gebied. Het
voordeel van zo’n saldobenadering is dat meerdere ontwikkelingen in en rond een gebied
in één samenhangend plan kunnen worden opgenomen. Bovendien hoeft er geen sprake te
zijn van ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarvoor reële alternatieven
ontbreken, mits per saldo sprake is van een verbetering van de natuurwaarden van het
gebied. Bij de toepassing van de voorwaarden moet rekening worden gehouden met de
‘Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzing
EHS’ van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Hierin zijn
de criteria voor deze saldobenadering uitgewerkt voor concrete situaties.
In een gebiedsvisie wordt gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om de EHS-saldobenadering
toe te passen, en op welke wijze deze toepassing leidt tot een kwaliteitsslag voor
de EHS. De gebiedsvisie bestaat uit een combinatie van alle samenhangende plannen,
projecten en/of handelingen binnen één ruimtelijk samenhangende visie. De omvang van
het gebied waarop de gebiedsvisie betrekking heeft, wordt bepaald op basis van de
ruimtelijke problematiek, de geplande ruimtelijke ingrepen en de beoogde ecologische
doelen. Relevant is dat het gebied in ecologisch opzicht één geheel vormt. De kwalitatieve
en/of kwantitatieve meerwaarde voor de EHS op gebiedsniveau wordt onderbouwd, evenals
de landschappelijke en natuurlijke inpassing van de projecten. Bij een beschrijving
van de effecten op de natuurwaarden gaat het ook om de cumulatieve effecten. De gebiedsvisie
kan zich tevens richten op het wegnemen van knelpunten en/of het onderling verbinden
van delen van de EHS.
Indien een ontwikkeling buiten de EHS leidt tot significant negatieve effecten biedt
artikel 7.1.3, derde lid, de mogelijkheid om toch mee te werken, in afwijking van artikel 7.1.1, derde lid. In dit geval is sprake van een ‘ja, mits-formule’: de noodzaak van een
‘groot openbaar belang’ ontbreekt. Het kan ook gaan om particuliere activiteiten die
in redelijkheid nabij de EHS een plek moeten kunnen krijgen. Voorwaarde is wel dat
er voor die activiteit/ontwikkeling geen redelijk alternatief bestaat. Ook in dit
geval is mitigatie en vervolgens zo nodig compensatie noodzakelijk.
Paragraaf 2.9.3 van het Streekplan formuleert voor natuurcompensatie enkele uitgangspunten, die zijn verwerkt in artikel 7.1.4. Bij de toepassing daarvan moet rekening worden gehouden met de 'Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzing EHS' van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Hierin zijn de uitgangspunten voor natuurcompensatie uitgewerkt voor concrete situaties. In de plantoelichting moet een verantwoording worden opgenomen over de wijze van compensatie, inclusief de garanties voor realisatie; indien voor de compensatie een wijziging van het planologische regime nodig is (veelal een bestemmingswijziging), zal gelijktijdig met het besluit over de ontwikkeling deze wijziging verzekerd moeten zijn. Als grondslag voor de verantwoording in de plantoelichting dient een compensatieplan, waarvan de onderdelen in de Spelregels EHS staan.
Niet alleen de actuele natuurwaarden van een gebied zijn bij compensatie belangrijk,
maar ook de beoogde natuurdoelen. Dit betekent dat compensatie van hetzelfde natuurdoeltype
met bijbehorend kwaliteitsniveau moet worden nagestreefd en dat rekening wordt gehouden
met de betekenis van het gebied voor het EHS-kerngebied waarvan het gebied deel uitmaakt.
Wanneer het niet mogelijk is om hetzelfde natuurdoeltype te realiseren als het natuurdoeltype
dat verloren gaat, verdient het aanbeveling om een natuurdoeltype te realiseren waarvan
de beleidsdoelstelling relatief ambitieus is (groot verschil tussen aanwezig en beoogd
areaal in Nederland) of in ieder geval niet minder ambitieus is. Verder valt het natuurdoeltype
in principe binnen dezelfde hoofdgroep (van mate van natuurlijkheid).
Financiële compensatie vindt plaats indien zowel fysieke compensatie als compensatie
door kwalitatief gelijkwaardige waarden redelijkerwijs onmogelijk is. Compensatie
geschiedt in dat geval door storting van een financiële bijdrage in het Nationaal
Groenfonds. Het rijk en de provincies beheren dit fonds. De bijdrage blijft gelabeld
aan de betrokken ingreep. De hoogte van de financiële bijdrage wordt bepaald door
de kosten van aanschaf van vervangende grond, de kosten van basisinrichting, en de
kosten van ontwikkelingsbeheer.
Delen van de EHS zijn extra beschermd als speciale beschermingszones in de zin van de Natuurbeschermingswet. Daaronder vallen ook de Europese Natura 2000 gebieden. Voor deze gebieden gelden op grond van de Natuurbeschermingswet afzonderlijke regels die van toepassing zijn naast deze verordening. Daaronder valt ook de externe werking van ontwikkelingen buiten de ecologische hoofdstructuur, bijvoorbeeld vanwege de effecten op de waterhuishouding of de depositie van ammoniak.
Het regime 'Groot openbaar belang-alternatieven-compensatie' zoals dat onder de Natuurbeschermingswet van kracht is heeft een andere uitwerking. Met name aan 'groot openbaar belang' en 'alternatieven' worden zwaardere eisen gesteld dan hiervoor beschreven.
Ontwikkelingen als hiervoor genoemd in de EHS met areaalconsequenties leiden tot de daarop volgende noodzaak om de EHS op de provinciale EHS-kaart up to date te houden en dus her te begrenzen. Op grond van het Barro kan herbegrenzing plaatsvinden bij provinciale verordening. Op grond van de Provinciewet delegeren wij die bevoegdheid aan Gedeputeerde Staten. Artikel 7.1.6 geeft daartoe de bevoegdheid. Artikel 7.1.5 vraagt van gemeenten om na het onherroepelijk worden van de betreffende bestemmingsplannen waarin met toepassing van artikel 7.1.3 ontwikkelingen in en nabij de EHS hebben plaatsgevonden en waarvoor met toepassing van artikel 7.1.4 compensatie van areaal heeft plaatsgevonden, hiervan melding te doen aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zullen met toepassing van artikel 7.1.6, derde lid de EHS periodiek herbegrenzen op grond van de meldingen zoals bedoeld in artikel 7.1.5. Artikel 7.1.6, tweede lid voorziet bovendien in de bevoegdheid om de EHS her te begrenzen ten behoeve van een ‘kleinschalige ontwikkeling’, die de waarden en kenmerken van de EHS slechts in beperkte mate aantast. Voorwaarde in dat geval is dat zodanige mitigatie en compensatie plaatsvinden dat per saldo sprake is van versterking van wezenlijke waarden en kenmerken of een vergroting van de oppervlakte van de EHS. Deze mogelijkheid tot herbegrenzing is gebaseerd op artikel 2.10.5, onder b van het Barro. Dit artikel geeft de mogelijkheid om in gevallen waarin artikel 7.1.3 niet voorziet toch, na herbegrenzing mee te kunnen werken aan een (kleinschalige) ontwikkeling in de EHS, onder voornoemde voorwaarden. Van een groot openbaar belang behoeft dan geen sprake te zijn, maar de regeling stelt wel scherpe voorwaarden aan de per saldo versterking van de EHS. In dit geval dient de herbegrenzing dus vooraf te gaan aan het vaststellen van het ruimtelijk plan.
Voor de 'één op één begrensde beheergebieden' binnen de EHS geldt op grond van artikel 7.1.7 een minder strikt beschermingsregime dan voor de overige EHS-gebieden. In deze gebieden - meestal graslanden met natuurlijke waarden - is normaal agrarisch gebruik mogelijk. Bij de waterhuishoudingkundige inrichting en bij ingrepen in de bodemstructuur, dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden. Dat zal in bestemmingsplannen meestal gebeuren via het vereiste van een omgevingsvergunning (vml. aanlegvergunning).
Tot normaal agrarisch gebruik rekenen we in principe ook de daarvan deel uitmakende nevenactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Dat maakt voor de betreffende agrariër wel een afweging nodig van de effecten van die nevenactiviteit (bijvoorbeeld kleinschalig kamperen) op het gebied waarvoor een beheersregeling is overeengekomen en daarmee op de voortzetting van die overeenkomst.
Indien een onvermijdelijke ruimtelijke ingreep noodzakelijk is, wordt gebiedsgericht maatwerk geleverd. De gemeente zal de noodzaak van de ingreep moeten motiveren, ook gegeven mogelijke alternatieven. Ook moet worden gekeken of bij de ingreep redelijkerwijs kan worden voorzien in mitigerende maatregelen en zo nodig compensatie. Ook hierbij zijn de effecten op de beheersovereenkomst relevant.
De één op één begrensde beheersgebieden zullen we nog herijken zodra er meer duidelijkheid is over het nieuwe stelsel voor agrarisch natuurbeheer. Dit kan leiden tot herbegrenzing van deze gebieden.
In de artikelen 7.2.1 t/m 7.2.3 staan beschermende regels voor natuurwaarden buiten de EHS. Het gaat om:
Bestaande natuurgebieden dienen volgens artikel 7.2.1 een passende bestemming te krijgen, gericht op behoud van de natuurwaarden. Dat zal veelal een bestemming natuur of bos zijn, maar in voorkomend geval kan dat ook een bestemming ‘Groen’ zijn met beschermende bepalingen voor de natuurwaarde. De verordening dwingt op grond van artikel 11.2.2 niet tot aanpassing van de bestemming indien in het vigerende plan geen sprake was van een natuurbestemming. Wel zal dan minimaal hetzelfde beschermingsniveau uit het oude plan moeten worden gehandhaafd. Bij genoemde herbegrenzing zijn de meeste onjuistheden overigens uit de kaart gehaald, zoals de plekken waar geen sprake was van natuur. De één op één begrensde beheersgebieden zullen we nog herijken zodra er meer duidelijkheid is over het nieuwe stelsel voor agrarisch natuurbeheer. Dit kan leiden tot herbegrenzing van deze gebieden.
In de Weidevogelnota 2014-2020 staat het nieuwe provinciale weidevogelbeleid. Het nieuwe beleid is selectiever en concentreert de inspanningen voor weidevogels in de meest kansrijke gebieden:
Omdat het beleid selectiever is geworden is ook de regeling voor weidevogels selectiever.
Alleen in de weidevogelkansgebieden en in de weidevogelparels zijn nieuwe planologische
ontwikkelingen met bebouwing, beplanting of verharding die verstorend werken op de
openheid en rust in principe (behoudens uitzonderingen, na afweging van belangen,
zie hierna) niet toegestaan. Dat is geregeld in artikel 7.2.2. Agrarische ontwikkelingen zijn echter wel gewoon toegestaan, omdat de agrarische
functie juist mee bepalend is voor de geschiktheid van die gebieden voor weidevogels;
ook hier geldt dat bijbehorende nevenactiviteiten conform artikel 6.2.1 eveneens toelaatbaar zijn. Een uitzondering hierop vormt het aanwijzen van een nieuw
agrarisch bouwperceel: in dat geval is sprake van een nieuwe ontwikkeling waarvoor
bij de locatiekeuze rekening moet en kan worden gehouden met de ligging t.o.v. de
kerngebieden en parels.
Ook in de aangrenzende gebieden moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen die
verstorend werken op de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Dit is afhankelijk
van de verstoringsafstanden per verstoringsbron, zoals hieronder in tabel 1 aangegeven.
Tabel 1 Gemiddelde verstoringsafstanden voor verschillende verstoringsbronnen bij vestiging van weidevogels (bron: Bruinzeel & Schotman 2011)
Storingsbron | Verstoringsafstand (m) |
Gemeentelijke weg | 50 |
Provinciale weg | 100 |
Autosnelweg | 150 |
Spoorlijn (intercity) | 150 |
Spoorlijn (lokaal) | 100 |
Fietspad | 50 |
Opgaande begroeiing (bos <0,5 ha, houtsingel, bomenrij boomgroep) | 200 |
Bos (>0,5 ha) | 250 |
Rietland | 200 |
Hoogspanningsleiding | 100 |
Bebouwing (buiten bebouwde kom) | 200 |
Bebouwing (bebouwde kom) | 300 |
Gaswinstation | 325 |
Windturbines | 200 |
De bescherming van kleinere natuurelementen in agrarisch gebied - zoals houtwallen, singels, waterlopen en overige pingoruïnes - kan op grond van artikel 7.2.3 binnen een agrarische bestemming geregeld worden. De verordening vraagt de gemeente om de afweging helder te maken en de keuzes te motiveren.
Van de bepalingen 7.2.1 en 7.2.2 kan worden afgeweken ten behoeve van een 'noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang'. Dat is geregeld in artikel 7.2.4. Deze afwijkingsmogelijkheid heeft dus betrekking op de op de kaart natuur opgenomen 'natuurgebieden buiten de EHS' en op de voor weidevogels geschikte gebieden.
Voorwaarde is dat de gemeente de natuurwaarden afweegt ten opzichte van het (maatschappelijke) belang van de ruimtelijke ingreep. Ook moet in die afweging de mogelijkheid van mitigerende maatregelen worden betrokken, om het verlies aan natuurwaarden zo veel mogelijk te beperken.
Voor de rust en openheid t.b.v. weidevogels is de ligging belangrijk van de weidevogelkerngebieden in de weidevogelkansgebieden en van de weidevogelparels; aantasting daarvan moet zoveel mogelijk worden voorkomen. De gemeente houdt bij de locatiekeuze met dit belang rekening en overlegt zo nodig met de gebiedscoalitie van het betreffende gebied.
In deze afwijkingsregeling is het criterium 'openbaar belang' ruimer dan het criterium 'groot openbaar belang' dat op ingrepen in de EHS van toepassing is. Onder 'openbaar belang' kunnen ook bovenlokaal of lokaal georiënteerde, kleinschaliger ontwikkelingen vallen op het gebied van woningbouw, (verblijfs-)recreatie, infrastructuur (zoals een rondweg of een (landbouw)ontsluitingsweg) en nutsvoorzieningen, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend. Een ingreep kan alleen als 'noodzakelijk' worden aangemerkt, indien buiten het natuurgebied of het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. Dat is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van een locatie-gebonden ontwikkeling, zoals een uitbreiding van een bestaande functie.
Compensatie voor natuur buiten de EHS is anders geregeld dan compensatie voor weidevogels. De uitgangspunten voor compensatie zijn voor natuur buiten de EHS (artikel 7.2.4, lid c) soepeler dan voor de EHS. Bij natuurgebieden buiten de EHS mag rekening worden gehouden met financiële en fysiekruimtelijke beperkingen (zoals de eigendomssituatie).
Voor weidevogelcompensatie geldt een aparte methode. Als de gemeente na afweging van
belangen een ruimtelijke ontwikkeling toestaat in een weidevogelkansgebied, een weidevogelparel
of in een aangrenzend gebied, moet ze het verlies aan geschikt weidevogelareaal >
0,5 ha op grond van artikel 7.2.4, lid d financieel compenseren. Die compensatieplicht vloeit niet voort uit Europese
of landelijke regelgeving maar uit provinciaal beleid. De compensatie heeft dan ook
een eigen beleidsmatig afwegingskader. Het compensatiebedrag is op een normbedrag
gebaseerd. Het bedrag stort de gemeente in het provinciale weidevogelfonds. Dit fonds
zullen we inzetten voor ondersteuning van beheer in de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels.
Bij voorkeur zetten we het compensatiebedrag in voor herstel van de aantasting van
het betreffende kerngebied of de parel. Een herbegrenzing van het gebied kan hierbij
aan de orde zijn. In de ‘Regeling weidevogelcompensatie’ werken we een en ander uit.
In het Streekplan zijn reserveringszones opgenomen voor toekomstige versterking van de primaire waterkeringen langs de Waddenzee, de Noordzee en het IJsselmeer vanwege de te verwachten stijging van de zeespiegel en het IJsselmeerpeil. De ruime reserveringszones uit het Streekplan zijn in het 3e provinciale Waterhuishoudingsplan gewijzigd in exacte reserveringszones. Deze exacte zones staan op de kaarten Reserveringszones versterking primaire waterkeringen, met een onderscheid naar aaneengesloten bebouwd gebied (kustplaatsen) en de gebieden daarbuiten. Het is van belang dat bij de herziening van een ruimtelijk plan de exacte reserveringszone wordt begrensd (artikel 8.1.1 en 8.1.3, eerste lid) en dat de bijbehorende voorwaarden in lid 2 van artikel 8.1.1 en 8.1.3 in acht worden opgenomen. Hiermee kunnen ongewenste ontwikkelingen worden voorkomen die toekomstige versterking in de weg staan. Onder een onomkeerbare belemmering verstaan wij in dit verband een zodanige verandering van gebruik of inrichting/bebouwing van de ruimte, dat een toekomstige dijkversterking ter plaatse onmogelijk zou worden of uitsluitend nog met ingrijpende en kostbare maatregelen mogelijk zou zijn.
Buiten het aaneengesloten bebouwd gebied van de kustplaatsen (artikel 8.1.1) is sprake van consoliderend beleid ('nee, tenzij' benadering). De beperkingen binnen
deze reserveringszones zijn vergelijkbaar met de gebruikelijke beperkingen voor functies
in het landelijk gebied. In het geval van maatwerk is vroegtijdig overleg met de waterkeringbeheerder nodig.
Op grond van artikel 8.1.2 kunnen gemeenten afwijken van artikel 8.1.1 voor nieuwe bebouwing mits sprake is van redenen van 'groot openbaar belang'. In algemene zin dient het te gaan om een algemeen c.q. maatschappelijk belang - zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving zoals energie- en vervoersvoorzieningen - dat verder reikt dan de lokale situatie ter plaatse en waarvoor wat betreft de locatie geen reëel alternatief bestaat. Gedeputeerde Staten beoordelen met de gemeente of een ontwikkeling van groot openbaar belang is.
Binnen het aaneengesloten bebouwd gebied van de kustplaatsen (artikel 8.1.3) geldt een maatwerkbenadering omdat hier al (historische) bebouwing aanwezig is. In die situatie behoeft aanvullende bebouwing niet op voorhand te leiden tot een onomkeerbare extra belemmering voor de versterking van de waterkering. Het criterium 'groot openbaar belang' is hier niet van toepassing. Het gaat hier om een afweging van de bouwkundige aspecten en van de financiële effecten. Dat is relevant indien de uitbreiding van de waterkering te zijner tijd vraagt om amovering van de bebouwing of in geval de bebouwing rekening moet houden met de stabiliteit van het toekomstige dijklichaam. Het waterschap adviseert hierover. Zo nodig stelt de gemeente voorwaarden aan een concrete ruimtelijke ontwikkeling om de belangen van toekomstige dijkversterking ter plaatse te waarborgen.
Voor alle situaties, zowel binnen als buiten bebouwd gebied, geldt op grond van artikel
11.2.2, eerste lid, dat bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden die in geldende bestemmingsplannen
bij recht of via ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid uit de WRO) zijn
opgenomen, gehandhaafd mogen worden. De keuze over buitendijkse of binnendijkse versterking
zal bij de opstelling van een dijkversterkingplan per dijkvak worden gemaakt.
Het rijk geeft in het Barro regels ten aanzien van de toelaatbare buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeer, in verband met het waterbergend vermogen. Zo staat het Barro per (voormalige) IJsselmeergemeente in Fryslân maximaal 5 ha buitendijkse inpoldering toe. In het Barro staan ook regels voor buitendijkse ontwikkelingen in de Waddenzee (exclusief de havenkom bij Harlingen). Ook staat het Barro een werkeiland toe in het IJsselmeer ten behoeve van zandwinning. De regels in het Barro moeten in samenhang met de regels in de verordening met betrekking tot buitendijks bouwen worden toegepast. De regels in de verordening bieden, mede vanuit het landschappelijke motief (geen aantasting van de openheid en weidsheid van het IJsselmeer) een meer beperkte ruimte voor buitendijkse ontwikkelingen. Anderzijds staat de verordening – ondanks de bepalingen in artikel 1.1.1, 8.2.1 en 8.2.2 - niet in de weg aan de realisatie van genoemd werkeiland, nu de specifieke ruimte daartoe in het Barro is vastgelegd.
Het Streekplan is dus terughoudend als het gaat om buitendijkse ontwikkelingen. Dat is geregeld in artikel 8.2.1: in 'buitendijks gebied' (zoals omschreven in de begripsomschrijvingen) zijn geen nieuwe recreatieve voorzieningen, nieuwe stedelijke functies of nieuwe bedrijven mogelijk. Deze bepaling heeft betrekking op het IJsselmeer en op de bestaande havenkom bij Harlingen zoals aangegeven op de kaart Havenkom Harlingen.
Voor een aantal bijzondere situaties kan de gemeente onder voorwaarden afwijken van artikel 8.2.1.
Artikel 8.2.2, eerste lid maakt watergebonden activiteiten en voorzieningen mogelijk.
Artikel 8.2.2, tweede lid, biedt de mogelijkheid voor herstructurering/ transformatie van bestaande buitendijkse terreinen, zoals de haventerreinen bij Lemmer en bij Harlingen. Uitbreiding van terrein is niet mogelijk. Indien nieuwbouw of vervanging van bebouwing plaatsvindt, wordt risicobewust gebouwd. Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het realiseren van watervluchtplaatsen op voldoende hoogte en van afsluitbare compartimenten. In alle gevallen is vroegtijdig overleg met de waterkeringbeheerder, Rijkswaterstaat en zo nodig met de vaarwegbeheerder gewenst.
Op dit moment werken het rijk en de provincies Fryslân en Noord Holland, samen met gemeenten en bedrijven, aan een integraal plan voor de versterking van de waterkerende functie van de Afsluitdijk. De Rijksstructuurvisie Toekomst Afsluitdijk is daarvoor het beleidskader. Naast het op het vereiste veiligheidsniveau brengen van de dijk, wordt daarbij ook naar andere belangen en ontwikkelingskansen (regionale ambities) gekeken om de beleving en de gebruiksmogelijkheden van de Afsluitdijk te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn een duurzaamheids-/ bezoekerscentrum, en het opwekken van duurzame energie uit de combinatie van zoet en zout water of de getijdenwerking. Artikel 8.2.3 biedt de mogelijkheid voor dit soort bijzondere functies die passen in een integraal plan voor de versterking van de Afsluitdijk. Deze mogelijkheid voor buitendijkse ontwikkelingen past niet volledig in het Streekplan maar past wel binnen de kaders van de besluiten van Provinciale Staten met betrekking tot de regionale ambities op en bij de Afsluitdijk. Voorwaarde voor toepassing van deze mogelijkheid van artikel 8.2.3 is dat de gemeente (Súdwest Fryslân en/of Harlingen) met Gedeputeerde Staten overeenstemming heeft bereikt over de ontwikkeling, waarbij Gedeputeerde Staten toetsen of de concreet beoogde ontwikkelingen passen binnen de kaders die van Provinciale Staten hebben gesteld.
In hoofdstuk 12, hierna, wordt ingegaan op de landinwaartse begrenzing van het kustfundament op de Waddeneilanden en de regels die daarvoor gelden.
Op 16 februari 2011 hebben Provinciale Staten de visie uit de Houtskoolschets Windstreek 2011 onderschreven en aan Gedeputeerde Staten de opdracht gegeven deze visie uit te werken in een nieuwe Structuurvisie. In het Coalitieakkoord 2011-2015, door Provinciale Staten vastgesteld op 20 april 2011 zijn nadere keuzes gemaakt omtrent de ruimte die de nieuwe structuurvisie moet bieden aan de opstelling van windturbines.
Op 10 september 2012 is de ontwerp-Structuurvisie Windstreek 2012 ter inzage gelegd.
Dat ontwerp heeft geleid tot veel zienswijzen. Op grond van de zienswijzen worden
de in het ontwerp voorgelegde keuzes nader beschouwd en heroverwogen. Het nieuwe beleid
is nog niet zodanig uitgekristalliseerd dat nu al een complete set van bepalingen
in de verordening kan worden opgenomen. Met name de inzet voor wind op land moet nog
nader bepaald worden. Wel is duidelijk dat bij alle beleidsopties de sanering van
bestaande turbines onderdeel zal zijn van het beleid. Om die reden is opschaling van
bestaande turbines op voorhand in strijd met het toekomstig beleid en daarmee op dit
moment al als ongewenst te beschouwen. De verordening regelt in artikel 9.2.1 dan ook dat opschaling, in de zin van verhoging van de bestaande masthoogte en wiekdiameter
is verboden.
Daarnaast is het gewenst om te voorkomen dat in de tussentijd initiatieven kunnen
worden ontwikkeld die in strijd zijn met het Coalitieakkoord dan wel in strijd kunnen
zijn met het komende beleid. Wij zien geen reden om te tornen aan bestaande rechten
in vigerende bestemmingsplannen. Wel vinden wij het noodzakelijk om bouwplannen voor
nieuwe (clusters van) windturbines, die niet passen in een vigerend bestemmingsplan, en in strijd zijn met het Coalitieakkoord
dan wel in strijd kunnen zijn met komend beleid, tegen te houden.
Artikel 9.1.1 bevat daarom een tijdelijke regeling in afwachting van het vastgestelde nieuwe beleid en bepaalt dat de bouw van nieuwe windmolens in Fryslân niet is toegestaan. Daarbij past een kanttekening met betrekking tot een windpark dat beoogd is in het IJsselmeer bij de Afsluitdijk. Die locatie is opgenomen in de rijksstructuurvisie ‘Wind op land’ en is ook opgenomen in het Friese Coalitieakkoord als zoeklocatie. Een dergelijke opstelling met meer dan 100 Mw, zoals beoogd, valt onder de rijksbevoegdheid op grond van de Electriciteitswet. Het rijk zal daarvoor een rijksinpassingsplan opstellen dat niet gebonden is aan de Verordening Romte. Aan projecten op het vaste land waarvan beoordeeld kan worden dat deze wel zullen passen binnen het nieuwe beleidskader kan zo nodig, in de periode vóór vaststelling van dat nieuwe beleid en aanpassing van de verordening, worden meegewerkt door middel van een Provinciaal Inpassingsplan. Provinciale Staten beoordelen dan zelf of dat project past binnen het aankomende nieuwe beleidskader.
Zodra nieuw windbeleid is vastgesteld zal dit artikel in de verordening worden aangepast.
Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines)
Algemeen In het bestuursakkoord 2019-2023 'Vernieuwen in vertrouwen' Geluk op 1' zijn de ambities voor het opwekken van duurzame energie benoemd. In 2030 wordt 33% van de Friese energie duurzaam opgewekt en 25% energie bespaard ten opzichte van 2010. De nadere uitwerking hiervan vindt plaats via de Regionale Energiestrategie (RES) en de provinciale omgevingsvisie. Verschillende partijen in Fryslân zullen in dit kader samen tot concrete plannen moeten komen voor warmtevoorziening in de 'bebouwde omgeving' en grootschalige duurzame energieopwekking. In het bestuursakkoord zijn een aantal energieprincipes benoemd, die richting moeten geven aan de inzet van de provincie bij de totstandkoming van de RES. Een van deze principes bevat een voorstel voor nieuw beleid voor windturbines. Bij de besluitvorming op 25 september 2019 over de ontwerp-omgevingsvisie hebben Provinciale Staten bij amendement de beleidsvoorstellen voor windturbines in de ontwerp-omgevingsvisie laten opnemen. Van het nieuwe voorgenomen beleid kan door gemeenten op dit moment nog geen gebruik worden gemaakt, omdat de Verordening Romte Fryslân 2014 dit nog niet toestaat. Vanwege de grote belangstelling van o.a. gemeenten, energiecoöperaties en particulieren om conform de beleidsuitgangspunten in het bestuursakkoord en ontwerp-omgevingsvisie een nieuwe windturbine te plaatsen, is vooruitlopend op de RES en vaststelling van de omgevingsvisie, het voorgenomen beleid vertaald in deze partiële wijziging van de Verordening Romte. De wijziging van de Verordening Romte Fryslân 2014 bevat een regeling voor het toestaan van windturbines. Onder voorwaarden is ruimte voor de volgende ontwikkelingen: a. het realiseren van maximaal 3 windturbines met een ashoogte van 15 meter bij agrarische bedrijven; b. het opschalen van bestaande dorpsmolens tot een tiphoogte van 100 meter; c. het plaatsen van een nieuwe solitaire turbine met een tiphoogte van 100 meter na sanering van minimaal 100 meter aan oude windturbines. Begripsbepalingen In de begripsbepaling 'bestaande dorpsmolen' is een limitatieve lijst van alle bestaande dorpsmolens opgenomen. Windturbines 15 meter In artikel 9.1.1 lid 2 wordt de mogelijkheid geboden om maximaal 3 windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter te plaatsen op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. Het maximaal op te stellen vermogen moet zijn gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf. tiphoogte Er is geen maximale tiphoogte voor de windturbine opgenomen. De EAZ-molen geldt veelal als voorbeeld, maar enige flexibiliteit in tiphoogte is nodig om ook andere leveranciers de ruimte te bieden voor het ontwikkelen van een soortgelijke windturbine met dezelfde maximale ashoogte. eigen behoefte Uit landschappelijke overwegingen willen wij het aantal windturbines beperkt houden. Ook vinden wij het belangrijk dat extra druk op het net zoveel mogelijk wordt voorkomen. Om deze redenen is besloten alleen windturbines bij agrarische bedrijven toe te staan als het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Voor het bepalen van het eigen gebruik kan het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden worden. Wij begrijpen echter dat het afstemmen van het vermogen op de eigen behoefte geen exacte wetenschap is. Vooral wanneer gekozen wordt voor een combinatie met zonnepanelen of een mestvergister is het bijna niet te vermijden dat op enig moment toch sprake is van teruglevering aan het net. Dit vinden we niet problematisch, zolang gebruik gemaakt kan worden van de bestaande eigen netaansluiting van het agrarisch bedrijf. Maatwerk blijft ook hier echter mogelijk. In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd worden dat door omstandigheden een netverzwaring toch nodig is om in de eigen behoefte te kunnen voorzien. inpassing In de regels van de verordening wordt van gemeenten gevraagd om de windturbines goed in te passen en daarbij de tevens mogelijkheden voor zon op dak te verkennen. Maatwerk is belangrijk. Wanneer zon op dak een reële optie is voor het bedrijf dan moet zorgvuldig worden afgewogen of vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit het plaatsen van zon op dak dan niet de betere manier is om te voorzien in de eigen energiebehoefte. procedure Het draagvlak dat in de provincie aanwezig is voor windturbines van 15 meter willen wij graag behouden. Wij vinden het daarom belangrijk dat van geval tot geval een gedegen landschappelijke afweging wordt gemaakt tussen de opties voor zon op dak en wind. Wij willen hier ook op toezien. Wij vragen daarom van gemeenten om alleen met een uitgebreide procedure omgevingsvergunning, wijzigingsplan, postzegelplan of een reguliere procedure op grond van Bijlage II artikel 4 Bor mee te werken aan het plaatsen van windturbines van 15 meter. Concreet betekent dit dat over alle aanvragen voor het plaatsen van één of meerdere windturbine(s) wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit Ruimtelijke Ordening/artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht met de provincie gevoerd zal moeten worden. Opschalen en saneren In artikel 9.1.1 lid 3 wordt de mogelijkheid geboden om meerdere bestaande solitaire windturbines (tiphoogte > 45 meter) te vervangen door één nieuwe solitaire windturbine met een tiphoogte van maximaal 100 meter. sanering Het aanzien van Fryslân verbetert als meerder solitaire windturbines verdwijnen ten gunste van één nieuwe. Daarom geldt dat het aantal meters turbine (in tiphoogte) dat opgeruimd wordt minimaal gelijk is aan het aantal meter turbine dat er voor terugkomt. s met een tiphoogte van minder dan 45 meter tellen niet mee voor de sanering. Deze categorie van windturbines zal op termijn vanzelf verdwijnen. Om gebruik te kunnen maken van de saneringsregeling ten behoeve van het plaatsen van één windturbine met een tiphoogte van 100 meter, is het nodig om twee bestaande windturbines met een tiphoogte van 50 meter of drie bestaande windturbines met een tiphoogte van 45 meter te saneren. draagvlak Wij hechten veel waarde aan draagvlak. Wij denken echter dat het niet doelmatig is om normen voor draagvlak aan gemeenten op te leggen. Dit gaat ten koste van de flexibiliteit en kan onnodig belemmerend werken. Wel is als eis opgenomen dat de omgeving moet participeren in het planproces. De precieze invulling van deze voorwaarde wordt aan de gemeente overgelaten. De gemeente moet er voor zorgdragen dat de bewoners op zorgvuldige wijze betrokken worden bij een ontwikkeling die impact heeft op hun leefomgeving. De ervaring leert dat veel gemeenten het onderwerp draagvlak en participatie zelf al hebben opgepakt. Wettelijk gezien moet de gemeente immers ook zorgdragen voor een uitvoerbaar plan. Projecten waar geen of weinig aandacht is besteedt aan participatie hebben in de praktijk weinig kans van slagen. Het Agentschap NL van het Ministerie van Economische zaken heeft een 'stappenplan voor een succesvolle aanpak in uw gemeente' beschikbaar gesteld. In dit stappenplan wordt uitgelegd wat de voordelen van vroegtijdige betrokkenheid van de omgeving zijn en op welke wijze het informeren en participeren van omwonenden vormgegeven kan worden. Wij adviseren gemeenten om bij initiatieven voor het plaatsen van een nieuwe windturbine gebruik te maken van dit stappenplan. financiële participatie Wij vinden het belangrijk dat de directe omgeving meeprofiteert van de positieve rendementen van de nieuwe windturbine. Bij de concrete invulling van de voorwaarde dat het positief rendement ten goede moeten komen aan de directe omgeving vragen wij van gemeenten om zoveel als mogelijk de 50% norm in het Klimaatakkoord aan te houden. Dit betekent dat in principe minimaal 50% van het rendement ten goede moet komen aan de omgeving. De norm van 50% hebben wij bewust niet als eis in de wijziging van de verordening opgenomen. Het opnemen van een norm zou juridisch hard zijn. Wij zijn van mening dat er ruimte moet zijn om mee te werken aan een project waar veel draagvlak voor is, maar waar in de business-case een norm van 50% niet haalbaar blijkt. Wij laten het bepalen van de reikwijdte van het begrip 'directe omgeving' in principe aan de gemeente. Wij denken dat het gebied binnen een straal van 3 km rondom de nieuw te plaatsen windturbine als 'directe omgeving' kan worden aangemerkt. Maatwerk is echter mogelijk. Bij voorkeur wordt door een of meerdere dorpen in de omgeving een energiecoöperatie (of een andere organisatievorm) opgericht die mede-eigenaar wordt van de windturbine en de belangen van de omwonenden kan behartigen. Waddeneilanden Omdat wij de unieke landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van de Waddeneilanden in stand willen houden vinden wij het niet gewenst om windturbines van 100 meter toe te staan op de Waddeneilanden. Het plaatsen van nieuwe windturbines op de Waddeneilanden is daarom uitgesloten. inpassing Omdat het project het realiseren van een nieuwe windturbine van 100 meter op een geheel nieuwe locatie kan behelzen, willen wij betrokken worden bij de inpassing van de windturbine binnen de kernkwaliteiten van het landschap. Wij verwachten van gemeenten dat zij ons in een vroegtijdige stadium (nog voor het wettelijk vooroverleg) betrekken bij projecten voor sanering en opschaling. Vervangen dorpsmolens In artikel 9.2.1 wordt de mogelijkheid geboden om een bestaande dorpsmolen te vervangen door een solitaire dorpsmolen met een tiphoogte van maximaal 100 meter. Alleen dorpsmolens die op de limitatieve lijst in de begripsbepaling 'bestaande dorpsmolen' zijn opgenomen komen in aanmerking om op te schalen. opbrengsten komen ten goede aan de gemeenschap Omdat het belangrijk is dat de opbrengsten van de nieuwe dorpsmolen, volledig ten goede komen aan de lokale gemeenschap, is dit als voorwaarde voor opschaling in de verordening opgenomen. Dit voorkomt dat bestaande dorpsmolens door ontwikkelaars opgekocht kunnen worden. locatie vervangende dorpsmolen De nieuwe dorpsmolen moet in principe op de zelfde locatie als de bestaande dorpsmolen worden geplaatst. Vanwege milieuregels en veiligheid kan het echter nodig zijn om de dorpsmolen te verplaatsen. De aan te houden afstanden tot gevoelige objecten zullen bij een hogere dorpsmolen groter zijn. In de regels is daarom het beperkt verschuiven van de dorpsmolen mogelijk gemaakt. Een verschuiving is ook mogelijk als dit met het oog op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het is niet mogelijk om bij opschaling meerdere dorpsmolens in een cluster te plaatsen. In 9.2.1, eerste lid staat dat de bestaande dorpsmolen alleen kan worden vervangen door een 'solitaire' dorpsmolen. Dit voorkomt dat bij de dorpen die meerdere dorpsmolens in bezit hebben nieuwe clusters ontstaan. Wij gaan er vanuit dat gemeenten ons in een voorfase al betrekken bij projecten, wanneer sprake is van het verschuiven van de locatie van de dorpsmolen. draagvlak Wij verwachten dat plannen voor het opschalen van dorpsmolens kunnen rekenen op groot draagvlak uit de directe omgeving. Door het vervangen van de bestaande dorpsmolen kan de impact op de nabije omgeving wel veranderen. De dorpsmolen wordt hoger en wellicht moet de dorpsmolen zelfs worden verplaatst. Wij adviseren gemeenten om hier op zorgvuldige wijze mee om te gaan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van het voornoemde stappenplan van Agentschap NL. |
Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines)
Algemeen
In het bestuursakkoord 2019-2023 'Vernieuwen in vertrouwen' Geluk op 1' zijn de ambities
voor het opwekken van duurzame energie benoemd. In 2030 wordt 33% van de Friese energie
duurzaam opgewekt en 25% energie bespaard ten opzichte van 2010. De nadere uitwerking
hiervan vindt plaats via de Regionale Energiestrategie (RES) en de provinciale omgevingsvisie.
Verschillende partijen in Fryslân zullen in dit kader samen tot concrete plannen moeten
komen voor warmtevoorziening in de 'bebouwde omgeving' en grootschalige duurzame energieopwekking.
In het bestuursakkoord zijn een aantal energieprincipes benoemd, die richting moeten
geven aan de inzet van de provincie bij de totstandkoming van de RES. Een van deze
principes bevat een voorstel voor nieuw beleid voor windturbines. Bij de besluitvorming op 25 september 2019 over de ontwerp-omgevingsvisie hebben
Provinciale Staten bij amendement de beleidsvoorstellen voor windturbines in de ontwerp-omgevingsvisie laten opnemen.
Van het nieuwe voorgenomen beleid kan door gemeenten op dit moment nog geen gebruik
worden gemaakt, omdat de Verordening Romte Fryslân 2014 dit nog niet toestaat.
Vanwege de grote belangstelling van o.a. gemeenten, energiecoöperaties en particulieren
om conform de beleidsuitgangspunten in het bestuursakkoord en ontwerp-omgevingsvisie
een nieuwe windturbine te plaatsen, is vooruitlopend op de RES en vaststelling van
de omgevingsvisie, het voorgenomen beleid vertaald in deze partiële wijziging van
de Verordening Romte. De wijziging van de Verordening Romte Fryslân 2014 bevat een
regeling voor het toestaan van windturbines.
Onder voorwaarden is ruimte voor de volgende ontwikkelingen:
a. het realiseren van maximaal 3 windturbines met een ashoogte van 15 meter bij agrarische bedrijven;
b. het opschalen van bestaande dorpsmolens tot een tiphoogte van 100 meter;
c. het plaatsen van een nieuwe solitaire turbine met een tiphoogte van 100 meter na
sanering van minimaal 100 meter aan oude windturbines.
Begripsbepalingen
In de begripsbepaling 'bestaande dorpsmolen' is een limitatieve lijst van alle bestaande dorpsmolens opgenomen.
Windturbines 15 meter
In artikel 9.1.1 lid 2 wordt de mogelijkheid geboden om maximaal 3 windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter te plaatsen op of direct grenzend aan het
bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. Het maximaal op te stellen vermogen moet zijn gericht op de energiebehoefte van
het agrarisch bedrijf.
tiphoogte
Er is geen maximale tiphoogte voor de windturbine opgenomen. De EAZ-molen geldt veelal
als voorbeeld, maar enige flexibiliteit in tiphoogte is nodig om ook andere leveranciers
de ruimte te bieden voor het ontwikkelen van een soortgelijke windturbine met dezelfde maximale ashoogte.
eigen behoefte
Uit landschappelijke overwegingen willen wij het aantal windturbines beperkt houden. Ook vinden wij het belangrijk dat extra druk op het net zoveel mogelijk
wordt voorkomen. Om deze redenen is besloten alleen windturbines bij agrarische bedrijven toe te staan als het opgestelde vermogen van de te plaatsen
windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Voor het bepalen van het eigen gebruik kan het gemiddelde energieverbruik van de
afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden worden. Wij begrijpen echter dat het
afstemmen van het vermogen op de eigen behoefte geen exacte wetenschap is. Vooral
wanneer gekozen wordt voor een combinatie met zonnepanelen of een mestvergister is
het bijna niet te vermijden dat op enig moment toch sprake is van teruglevering aan
het net. Dit vinden we niet problematisch, zolang gebruik gemaakt kan worden van de
bestaande eigen netaansluiting van het agrarisch
bedrijf. Maatwerk blijft ook hier echter mogelijk. In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd
worden dat door omstandigheden een netverzwaring toch nodig is om in de eigen behoefte
te kunnen voorzien.
inpassing
In de regels van de verordening wordt van gemeenten gevraagd om de windturbines goed in te passen en daarbij de tevens mogelijkheden voor zon op dak te verkennen.
Maatwerk is belangrijk. Wanneer zon op dak een reële optie is voor het bedrijf dan
moet zorgvuldig worden afgewogen of vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit het plaatsen
van zon op dak dan niet de betere manier is om te voorzien in de eigen energiebehoefte.
procedure
Het draagvlak dat in de provincie aanwezig is voor windturbines van 15 meter willen
wij graag behouden. Wij vinden het daarom belangrijk dat van geval tot geval een gedegen
landschappelijke afweging wordt gemaakt tussen de opties voor zon op dak en wind.
Wij willen hier ook op toezien. Wij vragen daarom van gemeenten om alleen met een
uitgebreide procedure omgevingsvergunning, wijzigingsplan, postzegelplan of een reguliere
procedure op grond van Bijlage II artikel 4 Bor mee te werken aan het plaatsen van
windturbines van 15 meter. Concreet betekent dit dat over alle aanvragen voor het plaatsen van
één of meerdere windturbine(s) wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit Ruimtelijke Ordening/artikel
6.18 Besluit omgevingsrecht met de provincie gevoerd zal moeten worden.
Opschalen en saneren
In artikel 9.1.1 lid 3 wordt de mogelijkheid geboden om meerdere bestaande solitaire windturbines (tiphoogte > 45 meter) te vervangen door één nieuwe solitaire windturbine met een tiphoogte van maximaal 100 meter.
sanering
Het aanzien van Fryslân verbetert als meerder solitaire windturbines verdwijnen ten gunste van één nieuwe. Daarom geldt dat het aantal meters turbine
(in tiphoogte) dat opgeruimd wordt minimaal gelijk is aan het aantal meter turbine
dat er voor terugkomt. Windturbines met een tiphoogte van minder dan 45 meter tellen
niet mee voor de sanering. Deze categorie van windturbines zal op termijn vanzelf verdwijnen. Om gebruik te kunnen maken van de saneringsregeling
ten behoeve van het plaatsen van één windturbine met een tiphoogte van 100 meter, is het nodig om twee bestaande windturbines met een tiphoogte van 50 meter of drie bestaande windturbines met een tiphoogte van 45 meter te saneren.
draagvlak
Wij hechten veel waarde aan draagvlak. Wij denken echter dat het niet doelmatig is
om normen voor draagvlak aan gemeenten op te leggen. Dit gaat ten koste van de flexibiliteit
en kan onnodig belemmerend werken. Wel is als eis opgenomen dat de omgeving moet participeren
in het planproces. De precieze invulling van deze voorwaarde wordt aan de gemeente
overgelaten. De gemeente moet er voor zorgdragen dat de bewoners op zorgvuldige wijze
betrokken worden bij een ontwikkeling die impact heeft op hun leefomgeving. De ervaring
leert dat veel gemeenten het onderwerp draagvlak en participatie zelf al hebben opgepakt.
Wettelijk gezien moet de gemeente immers ook zorgdragen voor een uitvoerbaar plan.
Projecten waar geen of weinig aandacht is besteedt aan participatie hebben in de praktijk
weinig kans van slagen.
Het Agentschap NL van het Ministerie van Economische zaken heeft een 'stappenplan
voor een succesvolle aanpak in uw gemeente' beschikbaar gesteld. In dit stappenplan
wordt uitgelegd wat de voordelen van vroegtijdige betrokkenheid van de omgeving zijn
en op welke wijze het informeren en participeren van omwonenden vormgegeven kan worden.
Wij adviseren gemeenten om bij initiatieven voor het plaatsen van een nieuwe windturbine gebruik te maken van dit stappenplan.
financiële participatie
Wij vinden het belangrijk dat de directe omgeving meeprofiteert van de positieve rendementen
van de nieuwe windturbine. Bij de concrete invulling van de voorwaarde dat het positief
rendement ten goede moeten komen aan de directe omgeving vragen wij van gemeenten
om zoveel als mogelijk de 50% norm in het Klimaatakkoord aan te houden. Dit betekent
dat in principe minimaal 50% van het rendement ten goede moet komen aan de omgeving.
De norm van 50% hebben wij bewust niet als eis in de wijziging van de verordening
opgenomen. Het opnemen van een norm zou juridisch hard zijn. Wij zijn van mening dat
er ruimte moet zijn om mee te werken aan een project waar veel draagvlak voor is,
maar waar in de business-case een norm van 50% niet haalbaar blijkt. Wij laten het
bepalen van de reikwijdte van het begrip 'directe omgeving' in principe aan de gemeente.
Wij denken dat het gebied binnen een straal van 3 km rondom de nieuw te plaatsen windturbine als 'directe omgeving' kan worden aangemerkt. Maatwerk is echter mogelijk. Bij voorkeur
wordt door een of meerdere dorpen in de omgeving een energiecoöperatie (of een andere
organisatievorm) opgericht die mede-eigenaar wordt van de windturbine en de belangen van de omwonenden kan behartigen.
Waddeneilanden
Omdat wij de unieke landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van de Waddeneilanden
in stand willen houden vinden wij het niet gewenst om windturbines van 100 meter toe te staan op de Waddeneilanden. Het plaatsen van nieuwe windturbines op de Waddeneilanden is daarom uitgesloten.
inpassing
Omdat het project het realiseren van een nieuwe windturbine van 100 meter op een geheel nieuwe locatie kan behelzen, willen wij betrokken worden
bij de inpassing van de windturbine binnen de kernkwaliteiten van het landschap. Wij verwachten van gemeenten dat zij
ons in een vroegtijdige stadium (nog voor het wettelijk vooroverleg) betrekken bij
projecten voor sanering en opschaling.
Vervangen dorpsmolens
In artikel 9.2.1 wordt de mogelijkheid geboden om een bestaande dorpsmolen te vervangen door een solitaire
dorpsmolen met een tiphoogte van maximaal 100 meter. Alleen dorpsmolens die op de
limitatieve lijst in de begripsbepaling 'bestaande dorpsmolen' zijn opgenomen komen in aanmerking om op te schalen.
opbrengsten komen ten goede aan de gemeenschap
Omdat het belangrijk is dat de opbrengsten van de nieuwe dorpsmolen, volledig ten
goede komen aan de lokale gemeenschap, is dit als voorwaarde voor opschaling in de
verordening opgenomen. Dit voorkomt dat bestaande dorpsmolens door ontwikkelaars opgekocht
kunnen worden.
locatie vervangende dorpsmolen
De nieuwe dorpsmolen moet in principe op de zelfde locatie als de bestaande
dorpsmolen worden geplaatst. Vanwege milieuregels en veiligheid kan het echter nodig zijn om
de dorpsmolen te verplaatsen. De aan te houden afstanden tot gevoelige objecten zullen
bij een hogere dorpsmolen groter zijn. In de regels is daarom het beperkt verschuiven
van de dorpsmolen mogelijk gemaakt. Een verschuiving is ook mogelijk als dit met het
oog op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het is niet mogelijk
om bij opschaling meerdere dorpsmolens in een cluster te plaatsen. In 9.2.1, eerste
lid staat dat de bestaande dorpsmolen alleen kan worden vervangen door een 'solitaire'
dorpsmolen. Dit voorkomt dat bij de dorpen die meerdere dorpsmolens in bezit hebben
nieuwe clusters ontstaan.
Wij gaan er vanuit dat gemeenten ons in een voorfase al betrekken bij projecten, wanneer
sprake is van het verschuiven van de locatie van de dorpsmolen.
draagvlak
Wij verwachten dat plannen voor het opschalen van dorpsmolens kunnen rekenen op groot
draagvlak uit de directe omgeving. Door het vervangen van de bestaande dorpsmolen
kan de impact op de nabije omgeving wel veranderen. De dorpsmolen wordt hoger en wellicht
moet de dorpsmolen zelfs worden verplaatst. Wij adviseren gemeenten om hier op zorgvuldige
wijze mee om te gaan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van het voornoemde stappenplan
van Agentschap NL.
Kleine windturbines worden nog niet op grote schaal toegepast. Indien dit wel zou gebeuren, kunnen in
het landelijk gebied ongewenste ruimtelijke gevolgen en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit optreden.
Daarom staan wij kleine windturbines in het landelijk gebied niet toe. Een uitzondering maken wij voor een innovatieve pilot voor ultra kleine
windturbines. Ultra kleine windturbines vormen een aparte categorie binnen de kleine windturbines; de specifieke vereisten
voor ultra kleine windturbines zijn opgenomen in artikel 9.3.1, lid 2.
Een innovatieve pilot is een proef met als doel vernieuwingen te testen. Een pilot
met ultra kleine windturbines zal dan ook vernieuwend moeten zijn ten opzichte van bestaande opstellingen. Gedacht
kan worden aan een vernieuwende vormgeving die betere inpassing mogelijk maakt, aan
turbines die minder hinder voor de omgeving opleveren of rendabeler zijn. Het primaire
doel van een pilot is om innovatie op gebied van ultra kleine windturbines, binnen grenzen, mogelijk te maken. Wij stellen daarom geen maximum aan het aantal
pilots en aan het aantal turbines per pilot. Per pilot zal het aantal turbines beargumenteerd
moeten worden.
We stellen op voorhand ook geen maximum aan de hoogte (mast + wiek, of mast + rotor).
De geschikte hoogte wordt per pilot bepaald. Dit wil echter niet zeggen dat de hoogte
onbeperkt is. Om te voorkomen dat de impact van pilots op het landschap te groot wordt,
geldt de voorwaarde dat de pilots landschappelijk zorgvuldig worden ingepast. Deze
voorwaarde legt, afhankelijk van de pilot en de locatie, beperkingen op aan de hoogte
van de windturbines.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Artikel 9.3 van de Verordening Romte 2014 is aangevuld om ruimte te bieden voor dakturbines (zonder mast) en kleine windturbines met een tiphoogte van maximaal 10 meter, onder de voorwaarden dat de energie wordt opgewekt voor de eigen behoefte, de windturbine op het bouwperceel wordt geplaatst en de kleine windturbine zorgvuldig wordt ingepast binnen de llandschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. |
In het bestuursakkoord 2019-2023 'Vernieuwen in vertrouwen: Geluk op 1' en de Omgevingsvisie wordt uitgegaan van een zonneladder. De zonneladder moet voorkomen dat waardevolle landbouwgronden worden gebruikt voor opstellingen voor zonne-energie. Wij zijn voornemens om deze zonneladder te verwerken in de Omgevingsverordening, die wij op grond van de nieuwe Omgevingswet moeten vaststellen. Recent is bekend gemaakt dat de invoeringsdatum van de Omgevingswet zal worden uitgesteld (tot 1-1-2022). Dit betekent ook dat de Omgevingsverordening voorlopig nog niet zal worden vastgesteld. De Omgevingsverordening kan namelijk niet eerder in werking treden dan de Omgevingswet zelf.
Om er voor te zorgen dat op korte termijn al wordt gewerkt met een zonneladder hebben
wij besloten om tussentijds de Verordening Romte Fryslân 2014 te wijzigen. De zonneladder
in voorliggende wijzigingsverordening vergt van gemeenten om een prioritering aan
te houden bij de beoordeling van een zonneveld initiatief. Dit betekent dat eerst
gekeken moet worden naar de mogelijkheden op daken, vervolgens naar locaties binnen
het stedelijk gebied en daarna naar de mogelijkheden om gronden te gebruiken die niet
in gebruik zijn als landbouwgrond. Pas in laatste instantie kan worden gedacht aan
een locatie in het landelijk gebied gebied in aansluiting op een kern.
Naast het opnemen van de zonneladder, zijn de overige regels m.b.t. opstellingen voor
zonne-energie grotendeels overeind gebleven. Alleen is de volgorde van de mogelijkheden
aangepast conform de zonneladder, zijn onderdelen van de gedragscode op zon op land
(participatie, locatiekeuze d.m.v. een Sinnetafel, benutten koppelkansen) verwerkt
en is een normering gekoppeld aan de kernenstructuur in de regeling opgenomen.
Ons doel is uiteindelijk om zoveel mogelijk energiedoelen te realiseren en daarbij
waardevolle landbouwgronden zoveel mogelijk te vermijden. In de Omgevingsvisie staat
dat wij voornemens zijn om in het kader van de Regionale Energiestrategie samen met
gemeenten en andere partners te zoeken naar (typen) locaties die geschikt zijn voor
grootschalige opwekking van zonne-energie. De mogelijkheden die hieruit voortvloeien
worden in 2021 in de Omgevingsverordening verwerkt. Tot die tijd vinden wij het belangrijk
dat er op landbouwgronden bij grotere dorpen en steden niet onnodig grote zonneparken worden gerealiseerd.
Naast de prioritering in de zonneladder is daarom besloten om voorlopig te werken
met een maximale omvang van opstellingen gekoppeld aan de kernenstructuur.
In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip landbouwgronden gegeven. Landbouwgronden zijn gronden met een agrarische bestemming waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd. Het gaat om weilanden, akkerbouwgronden e.d. die in gebruik zijn ten behoeve van agrarische bedrijven. De bouwpercelen van agrarische bedrijven zijn uitgezonderd. Deze vallen niet onder het begrip landbouwgrond. Er is tevens een uitzondering gemaakt voor gronden die weliswaar een agrarische bestemming hebben maar die voorheen in gebruik waren ten behoeve van vuilstort. Deze gronden zijn veelal minder geschikt om te dienen als landbouwgrond, vanwege de verontreiniging van de bodem. Wij zien het realiseren van zonnepanelen op vuilstorten daarom als een goede optie.
In de begripsbepalingen is ook een definitie voor de methodiek Sinnetafel gegeven.
Een Sinnetafel is een werkwijze die min of meer overeenkomt met de methodiek Nije
Pleats. Het is de bedoeling om alle partijen (initiatiefnemer, gemeente, provincie,
omwonenden, netbeheerder, waterschap e.d.) die een belang hebben bij de ontwikkeling
van een zonneveld bij elkaar te brengen om te komen tot de juiste locatiekeuze en
landschappelijke inpassing en het initiatief vervolgens gezamenlijk verder te brengen.
In artikel 9.4.1, eerste lid is geregeld dat op basis van een eerder vastgesteld ruimtelijk plan geen omgevingsvergunning mag worden verleend voor een opstelling voor zonne-energie op landbouw-gronden als niet is voldaan aan de regels in de artikelen 9.5.1 en 9.6.3 van deze verordening.
Dit betekent dat ook initiatieven die (bij recht of binnenplanse afwijking) binnen
een bestaand bestemmingsplan passen in principe moeten voldoen aan de Zonneladder
in artikel 9.5.1 en de randvoorwaarden in 9.6.3. Uitzondering (artikel 9.4.1, tweede lid) geldt voor ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen
met uitgebreide procedure) die eerder al zijn vastgesteld met het doel om één concreet
initiatief mogelijk te maken. Hier is overigens in de meeste gevallen sprake van.
Deze plannen vallen onder de regels van de oude verordening.
Er geld ook een uitzondering voor ruimtelijke plannen (voor een concreet initiatief)
die nog niet zijn vastgesteld/verleend maar vóór 3 juni 2020 al wel in ontwerp ter
inzage hebben gelegen. Deze plannen hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van deze
wijzigingsverordening. Achtergrond hiervan is dat deze initiatieven al zo ver zijn
in het proces dat het van toepassing verklaren van de nieuwe regels in strijd met
de rechtszekerheid zou zijn. Het gaat hier om concrete plannen waartegen door ons
geen zienswijzen zijn ingebracht.
Tot slot is er nog een derde uitzondering in de rechtstreeks werkende regels opgenomen.
Artikel 9.4.1 lid 3 regelt dat de zonneladder in artikel 9.5.1 niet hoeft te worden toegepast op plannen waarvoor vóór 3 juni 2020 een zorgvuldig
proces - bij voorkeur m.b.v. de Methode Sinnetafel - heeft plaatsgevonden samen met
de lokale gemeenschap en waarbij de lokale gemeenschap voor minimaal 50% mede-eigenaar
wordt van het zonnepark. De overige voorwaarden in de VRF (zon) zijn wel van toepassing
op deze projecten.
Voor zonne-energie geldt als uitgangspunt dat zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen eerst aan bod moet komen. Het draagt bij aan het combineren van functies en daarbij zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Om dezelfde reden hebben daarna onbenutte terreinen binnen het bestaand stedelijk gebied de voorkeur. Om de gestelde energiedoelen te halen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval prefereren we slimme functiecombinaties.
Hoewel natuur- en landbouwgebieden niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur
bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties,
afvalstort- en afvalverwerkingslocaties, binnenwateren of areaal in beheer van de
provincie of het Rijk, waaronder waar mogelijk bermen van spoor- en autowegen." Deze
zogenaamde zonneladder, zoals deze in de Omgevingsvisie is omschreven, hebben wij
nader uitgewerkt in artikel 9.5.1.
Meewerken aan een opstelling voor zonne-energie op gronden in het landelijk gebied is alleen mogelijk wanneer uit onderzoek blijkt
dat de opstelling noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke ambitie,
waarbij toepassing is gegeven aan de volgende prioritering voor het vinden van locaties
voor zonne-energie:
In artikel 9.5.1 lid 2 is bepaald dat de zonneladder niet van toepassing is op opstelling voor zonne-energie op bestaande bouwpercelen die worden gebruikt om tegemoet te komen aan de eigen energie-behoefte,
zoals bedoelt in artikel 9.6.2, eerste lid onder a.
De bevoegdheid voor het nader uitwerken van de zonneladder laten wij zoveel mogelijk aan de gemeente over. Wel gaan wij er vanuit dat de gemeenten door het toepassen van de zonneladder meer dan voorheen zullen kiezen voor een andere oplossing dan het toestaan van een opstelling voor zonne-energie op landbouwgronden.
In natuur zijn in principe in het geheel geen zonnepanelen toegestaan. Dit met uitzondering
van de Waddeneilanden en kleine opstellingen voor zonne-energie t.b.v. de beheersfunctie
van het natuurgebied. Voordat in deze gevallen gekozen kan worden voor zonnepanelen
in het natuurgebied moet de zonneladder worden doorlopen.
Wij verwachten dat gemeenten minimaal van initiatiefnemers eisen dat per concreet
geval een goed gemotiveerd onderzoek wordt gedaan naar mogelijke locaties die niet
op landbouwgronden (of natuur) liggen, waarbij bovengenoemde prioritering wordt aangehouden. Het onderzoek
naar de alternatieve mogelijkheden moet zijn afgerond voordat wordt overgegaan tot
de aankoop van gronden. Voorkomen moet worden dat de zonneladder een 'papieren constructie'
wordt.
Om een goed beeld te krijgen van de energiebehoefte van een kern of stadsdeel en om
goed inzicht te krijgen in de mogelijkheden op de eerste drie treden van de ladder
is het betrekken van de lokale gemeenschap wat ons betreft onmisbaar. Wij vragen daarom
van gemeenten om er op toe te zien dat initiatiefnemers de omgeving betrekken bij
het zonneladder onderzoek. Op deze manier wordt ook voorkomen dat de omgeving plotseling
wordt geconfronteerd met een zonnepark. Het is zeer aan te bevelen om de zonneladder
samen met de lokale gemeenschap te doorlopen door het organiseren van een eerste Sinnetafel.
Als uit de zonneladder blijkt dat ook door alle mogelijkheden in en nabij het dorp
te benutten niet te voorkomen is dat er ook een aantal ha's aan zonnepanelen op landbouwgronden
nodig zijn, dan hoeft een initiatiefnemer in principe niet te wachten tot alle mogelijkheden
op de lagere treden zijn benut. Wel moet globaal in beeld worden gebracht hoe de realisatie
van deze alternatieve mogelijkheden verder zal worden opgepakt. In de ideale situatie
is de lokale gemeenschap voor minimaal 50% mede eigenaar van het zonnepark en zullen
de opbrengsten van het park mede ten goede komen aan het verder verduurzamen van de
kern of het stadsdeel.
Als voor een kern of stadsdeel al een onderzoek naar de alternatieve mogelijkheden
heeft plaatsgevonden dan kan een nieuwe initiatiefnemer uiteraard gebruik maken van
informatie uit een eerder verricht onderzoek. Wel is het belangrijk om alsnog de omwonenden
en netbeheerder te betrekken en de eerder getrokken conclusies nog eens onder de loep
te nemen, voordat gronden worden aangekocht.
Wanneer het gebruik maken van landbouwgronden in het specifieke geval onvermijdelijk is dan gaan we er vanuit dat eerst wordt gekeken
naar geschikte locaties die minder geschikt zijn als landbouwgrond. Als voorbeeld
kan worden genoemd het gebruik maken van gronden die gereserveerd zijn voor een stedelijke
uitbreiding (bedrijventerrein, woonlocatie).
De verordening geeft alleen bepalingen voor opstellingen die als grond(veld)opstelling worden uitgevoerd. Het plaatsen van zonnepanelen op daken is zonder meer toegestaan en valt buiten de regeling van de verordening. In artikel 9.6.1, eerste lid is bepaald dat zonnevelden op een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied zonder meer kunnen worden toegestaan. De omvang en inpassing binnen de omgevingskwaliteiten laten wij aan de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Wij denken bij deze categorie aan grondopstellingen op bedrijfspercelen, op vrije
bedrijfskavels, op sportvelden, parkeerplaatsen, nutsvoorzieningen e.d. De gronden
zijn onderdeel van het bestaand stedelijk gebied als ze als zodanig zijn aangewezen op de kaart BSG die onderdeel uitmaakt van de
Verordening Romte.
Aanvullend is conform de begripsbepaling in de verordening tevens sprake van bestaand stedelijk gebied als sprake is van een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies, met uitzondering van de stedelijke functies die
pas kunnen worden gerealiseerd op grond van 7 een wijzigingsbevoegdheid. Dit betekent
dat gronden in aansluiting op een kern - die zijn voorzien van de bestemming bedrijventerrein
of wonen - die op korte termijn niet worden ingevuld, kunnen worden gebruikt voor
opstellingen voor zonne-energie zonder de zonneladder te doorlopen.
overige gronden in aansluiting op bestaand stedelijk gebied
Op gronden die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied maar niet worden gebruikt
voor landbouwdoeleinden of natuur en ook niet als zodanig zijn bestemd kunnen op grond
van artikel 9.6.2, eerste lid onder f opstellingen voor zonne-energie worden toegestaan. Het kan dan
bijvoorbeeld gaan om gronden met een bestemming 'groenvoorzieningen' of gronden die
onderdeel uitmaken van een woon- of agrarisch bouwperceel in aansluiting op het stedelijk
gebied. Er kan geen gebruik worden gemaakt van de regeling als de gronden nodig zijn
voor de landschappelijke inpassing van andere functies (zoals bv. groenvoorzieningen
rondom een bedrijventerreinen).
Een afwijking van artikel 9.6.3, eerste en tweede lid geldt voor de Waddeneilanden waar, op basis van een goede analyse en verantwoording van mogelijkheden, eventueel opstellingen die niet aansluiten bij kernen mogelijk zijn (op grond van artikel 9.7.1, eerste lid). Wij hebben daarbij overwogen dat de eilanden beperkte ruimtelijke mogelijkheden hebben. Opstellingen in of aansluitend aan het Beschermd Dorpsgezicht stuiten veelal op problemen.
In de lijn van het Barro bevat de verordening nog slechts één (algemene) ontheffingsbepaling. Artikel 10.1.1, eerste lid, bevat de regel die Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geeft om in een uitzonderlijk geval ontheffing te verlenen van een aantal in deze verordening opgenomen regels. Het gaat dan om bijzondere omstandigheden waarmee Provinciale Staten bij het vaststellen van de algemene regels geen rekening hebben kunnen houden en waarbij een strikte toepassing van de regels leidt tot een onevenredige belemmering van de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Een zodanige ontheffingsbevoegdheid biedt de ruimte om bijvoorbeeld voor een vernieuwend project waarbij duidelijke maatschappelijke belangen spelen - maar dat in strijd is met de algemene regels – af te wijken van de algemene regels. De clausulering geeft aan dat het dus slechts gaat om incidentele gevallen. Zo zouden innovatieve projecten die in het kader van Kultuerele Haadstêd 2018 worden beoogd en niet passen binnen de reguliere regels kunnen worden gefaciliteerd. Omdat deze algemene ontheffing op diverse situaties betrekking kan hebben die nog niet voorzienbaar zijn, is een ruime regeling opgenomen, voor die situaties waarin de verordening onbedoeld beperkend kan werken. De regels waarvan ontheffing kan worden verleend hebben betrekking op het weren/beperken van nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied (artikel 1.1.1), alsmede de mogelijkheden voor recreatieve ontwikkelingen (artikel 5.1 t/m 5.4) en agrarische bedrijven (artikel 6.1.3, 6.2.1 en 6.4.1).
De ontheffingsmogelijkheid heeft in principe niet tot doel om zonder nadere maatschappelijke
‘winst’ ontheffing te verlenen van een afzonderlijke bepaling. Immers daartoe is veelal
een afwijkingsbepaling opgenomen in de regels zelf. In de tekst van de ontheffingsbepaling,
artikel 10.1.1, tweede lid, is mede daarom een relatie gelegd met de eerder in de verordening opgenomen
ontheffingsbepaling voor ‘kwaliteitsarrangementen’. Dat is in feite de vertaling van
de kwaliteitsarrangementen uit het Streekplan. De nieuwe ontwikkeling moet bijdragen
aan een goede ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, milieu) en sociaal economische
vitaliteit. Deze ‘goede ruimtelijke kwaliteit’ kan ook in bestaand stedelijk gebied
tot stand komen. In de ‘oude’ ontheffing ten behoeve van recreatieve projecten (vml.
artikel 6.3.2, lid 2) was een vereveningsregeling ‘rood-voor-groen’ opgenomen bij
verblijfsrecreatieve projecten buiten recreatiekernen en nabij Nationale Parken, met
een normering van de verhouding rood: groen van 1:1, respectievelijk 1:3. Die normering
is niet (meer) opgenomen in deze meer algemene ontheffing. In het concrete geval kunnen
Gedeputeerde Staten een dergelijke verevening echter wel agenderen en op grond van
artikel 10.1.1, derde lid, als voorwaarde opnemen, ter invulling van de kwaliteitseisen.
Wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' Met de wijzigingsverordening is een algemene ontheffing voor functies die bijdragen aan het opwekken van duurzame energie (m.u.v. windturbines) opgenomen om in voorkomend geval, bij uitzondering, mee te kunnen werken aan projecten die voldoende draagvlak hebben en bij voorbeeld van onderop worden ontwikkeld en ruimtelijk inpasbaar zijn maar die nu (net) niet passen binnen de Verordening Romte. |
Artikel 10.1.1, eerste lid, bepaalt dat Burgemeester en Wethouders een aanvraag kunnen indienen bij Gedeputeerde Staten. Uit jurisprudentie is gebleken dat een ontheffing moet zijn verleend voordat het ruimtelijk plan dat afwijkt van deze verordening, door de gemeenteraad of door Burgemeester en Wethouders ter inzage wordt gelegd. Het is mede daarom gewenst dat de gemeente een ontheffing tijdig, bij het vooroverleg over plannen en projecten, bij de provincie aanvraagt zodat ontheffing kan zijn verleend als het ontwerp ter inzage wordt gelegd. Geadviseerd wordt om al voorafgaand aan het formele vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ca informeel over de ontheffing overleg te hebben.
Artikel 10.2.1 bevat de vereisten waaraan een aanvraag om ontheffing moet voldoen.
Binnen de hier boven uitgangspunten zijn maatwerk en een nadere afweging door Gedeputeerde
Staten mogelijk. Daartoe kunnen op grond van artikel 10.1.1, derde lid aan de ontheffing voorschriften worden verbonden.
Tegen een verleende ontheffing kan geen zelfstandig bezwaar bij Gedeputeerde Staten
worden ingesteld. Voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep wordt de ontheffing gevoegd
bij het plan waarop de ontheffing betrekking heeft. Tegen een op grond van artikel
10.4.1 geweigerde ontheffing kan wel bezwaar worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.
Artikel 10.5.1 bepaalt onder welke omstandigheden een verleende ontheffing weer kan worden ingetrokken.
Dat is bij voorbeeld het geval indien gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt
van de ontheffing door vaststelling van het ruimtelijke plan dat voorziet in het project
waarvoor ontheffing is verleend. Die bepaling voorkomt ‘eeuwige rechten’.
In artikel 10.6.1 is een beslistermijn opgenomen van twaalf weken. In geval van een complexe aanvraag
en afweging kan die termijn worden verlengd. Vroegtijdig vooroverleg kan de afdoening
bespoedigen.
Voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit
tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12,
eerste lid, onderdeel a, onder 3°, of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt deze ontheffing
aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 10.6 bevat bijzondere afwijkingsbepalingen voor projecten waarmee al eerder bestuurlijk is ingestemd. Voorheen kon daaraan met ontheffing door Gedeputeerde Staten worden meegewerkt. Nu deze projecten voorzienbaar zijn, is dat waarschijnlijk niet meer mogelijk.
Artikel 10.6.1 maakt twee recreatieve ontwikkelingen mogelijk bij Driesum en Westergeest, binnen daarbij geformuleerde specifieke projectvoorwaarden.
Artikel 10.6.2 maakt de ontwikkeling mogelijk van een project bij Opeinde, De Peinder Mieden, binnen daarbij gestelde specifieke projectvoorwaarden.
Artikel 10.6.3 bevat algemene voorwaarden, ontleend aan de voorwaarden die bij ontheffing worden gesteld. De locaties zijn op de kaart aangegeven. De locatie in Westergeest ligt besloten in het bestemmingsplan voor die kern. De begrenzing van de locaties bij Driesum en Opeinde kan nog aan verandering onderhevig zijn. Op grond van artikel 11.1.1, vijfde lid, hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de begrenzing aan te passen.
Op grond van artikel 11.1.1, eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten kleine ‘administratieve’ aanpassingen in de verordening plegen.
Op grond van artikel 11.1.1, tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten kennelijke onjuistheden in de begrenzing van gebieden in de kaarten van de verordening en de digitale verbeelding daarvan aanpassen.
Artikel 11.1.1, derde lid staat Gedeputeerde Staten toe om grenzen en aanduidingen op de kaarten die deel uitmaken van deze verordening om inhoudelijke redenen aan te passen, op grond van nieuw onderzoek of nieuwe inzichten. De aanpassing kan slechts beperkt zijn en alleen indien het belang daarvan opweegt tegen handhaving van de oorspronkelijke grenzen of aanduidingen.
Artikel 11.1.1, vierde lid bevat de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om de Famke, waarnaar in artikel 2.2.1 wordt verwezen, alsmede de kaart Weidevogelgebieden, waarnaar in artikel 7.2.2 wordt verwezen, aan te passen aan de nieuwste inzichten. Beide kaarten zijn naar hun aard dynamisch en moeten periodiek worden bijgewerkt. Bij de Famke betreft dat bijvoorbeeld aanpassing op basis van gemeentelijke verdiepingsslagen. Bij de weidevogelkaart betreft dat het verwerken van ontwikkelingen in of aan de randen als gevolg waarvan de weidevogelkansgebieden iets moeten worden aangepast.
Artikel 11.1.1, vijfde lid bevat de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om de begrenzing van de gebieden die op de kaart Bijzondere afwijkingen, zoals bedoeld in artikel 10.6 zijn opgenomen, aan te passen.
Deze bevoegdheden hebben Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten gedelegeerd.
Op grond van artikel 11.1.1, lid 6 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om bepalingen van deze verordening buiten toepassing te laten indien deze bepalingen onbillijke beperkingen opleveren voor andere belangen in verhouding tot de met toepassing van die bepalingen te behartigen belangen, mits deze onbillijkheden voortvloeien uit de ligging van grenzen en aanduidingen op de kaarten. Een voorbeeld hiervan zijn meetverschillen waardoor een perceel onterecht net binnen of buiten een begrenzing of aanduiding ligt. Uiteraard zal een dergelijke situatie goed gemotiveerd moeten worden.
De artikelen 11.2.1 en 11.2.2 bevatten het overgangsrecht. Artikel 11.2.1 regelt dat bestemmingsplannen moeten zijn aangepast overeenkomstig de termijn van artikel 3.1, tweede lid van de Wro: bestemmingsplannen dienen binnen 10 jaar na datum van vaststelling telkens opnieuw te worden vastgesteld. Wij verplichten niet tot versnelde aanpassing. Daarbij gaan wij er vanuit dat gemeenten de bestemming van gronden die deel gaan uitmaken van de EHS, na verwerving daarvan door een beherende instantie of particulier, zo spoedig mogelijk na verwerving, aanpassen. Wij stellen hiervoor geen termijn maar gaan er vanuit dat de gemeente deze consequentie aanvaard. De meeste plannen Buitengebied voorzien ter zake in een wijzigingsbevoegdheid.
Artikel 11.2.2 bepaalt dat de verordening niet van toepassing is op bouw- en gebruiksmogelijkheden
die bij recht of vrijstelling/ontheffing in een geldend ruimtelijk plan staan. Dat betekent dat vigerende bestemmingen, ook al zijn die in strijd met de
verordening, gehandhaafd kunnen blijven in een nieuw plan. Uitzondering wordt, in
de lijn van het hiervoor gestelde, gemaakt voor de EHS: uiteraard is het gewenst dat
gronden die zijn aangewezen als EHS en die nog een agrarische functie en bestemming
hadden, na verwerving door een beherende instantie een natuurfunctie krijgen, teneinde
de inrichting als natuur mogelijk te maken en de bijbehorende bescherming te bieden
aan de natuurwaarden. Artikel 7.1.1 en 7.1.2 hebben hierop betrekking.
Voor de Waddeneilanden hanteren wij, gelet op de in sommige opzichten bijzondere situatie op de eilanden, voor enkele onderdelen een specifieke benadering.
Het uitgangspunt in het Streekplan dat woningbouw op de Waddeneilanden mogelijk is voor mensen die sociaal of economisch aan de eilanden gebonden zijn, wordt via maatwerk per eiland in het woonplan ingevuld. Regionale afstemming over het woonplan vinden wij niet nodig. In de omschrijving van 'woonplan' in de begripsbepalingen, en in de bepaling voor afwijking van een woonplan (artikel 3.1.2), komt dit tot uitdrukking.
Regionale afstemming van bedrijventerreinen via een bedrijventerreinenplan vinden wij niet nodig. Volstaan kan worden met bilaterale afspraken per eiland tussen gemeente en provincie over de ontwikkeling van bedrijventerrein op basis van een structuurvisie, waaronder de mogelijkheden van voorraadvorming (artikel 4.1.1, lid 3).
In het Streekplan zijn voor de Waddeneilanden geen recreatiekernen opgenomen. De bepalingen van hoofdstuk 5, recreatie gelden dan ook, uitsluitend voor wat betreft de situering van nieuwe voorzieningen, niet voor de eilanden (artikel 5.7.1).
Voor de eilanden wordt uitgegaan van een maatwerkbenadering waarbij de totale recreatiedruk
per eiland wordt gestabiliseerd (artikel 5.7.2). Dit pakt voor elk eiland verschillend uit. Tot nu toe vullen de gemeenten dit uitgangspunt
in via de beddenboekhouding per eiland, maar andere systemen die meer rekening houden
met onder andere de effecten van seizoenverlenging zijn mogelijk. Daarover zullen
nieuwe afspraken met ons moeten worden gemaakt. Deze afspraken kunnen dan ten grondslag
liggen aan toepassing van artikel 5.7.2. Het stabilisatieprincipe is niet direct toepasbaar op een concreet initiatief. We
verwachten wel dat de gemeente in de plantoelichting onderbouwt op welke wijze één
of meer recreatieve voorzieningen inpasbaar zijn binnen het stabilisatieprincipe.
Voor de kampeerboerderijen op een eiland kan bijvoorbeeld de ontwikkelingsruimte als
een totaal worden aangegeven, dat vervolgens wordt vertaald in uitbreidingsruimte
per kampeerboerderij. Bij afwegingen over het toeristisch-recreatieve aanbod in de
regio, mag ieder Waddeneiland als een eigen recreatieregio worden gezien die een zelfstandige
positie inneemt binnen het recreatieve aanbod.
In het Barro (artikel 2.5.16) zit een mogelijkheid voor zeewaartse uitbreiding van een jachthaven
bij een Waddeneiland, voor zover dat noodzakelijk is voor de veiligheid en er geen
alternatieve, passende oplossing is. De bepaling in de verordening over jachthavens
(artikel 5.3) heeft daarom geen betrekking op de jachthavens op de eilanden. Bij plannen voor
ontwikkeling van de havens op de Waddeneilanden moet rekening worden gehouden met
het Convenant Vaarrecreatie Waddenzee over het beheersbaar maken en houden van recreatie
en toerisme op de Waddenzee. Dit convenant is opgesteld door het rijk, de waddenprovincies,
gemeenten en belangenorganisaties. De Havenvisie Wadden die door de Waddenzeegemeenten
is opgesteld, geeft verder invulling aan het convenant. Bij de uitwerking van deze
Havenvisie en bij het opstellen van de concrete haveninrichtingsplannen, zal een goede
balans moeten worden gevonden tussen capaciteitsuitbreiding en (de resultaten van)
het sturen op gedrag. Wij stemmen in met deze benadering van de Havenvisie Wadden,
en zullen daarmee rekening houden bij de beoordeling van ontwikkelingsplannen voor
de jachthavens rond de Waddenzee.
Voor de Waddeneilanden gelden, gelet op de bijzondere situatie, afwijkende regels voor natuurcompensatie EHS om kwalitatieve natuurcompensatie mogelijk te maken. Dit is een verbijzondering van de Spelregels EHS van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Bij de toepassing van artikel 7.1.4 kan daarvan worden uitgegaan.
Voor delen van de Waddeneilanden zullen de reserveringszones voor de primaire waterkeringen nog nader worden bepaald, mede omdat de gewenste ligging van de waterkering hier nog moet worden vastgelegd in de legger. Wanneer hierover duidelijkheid is, kunnen de zones worden geregeld via aanpassing van de verordening.
De Nota Ruimte en nadien de SVIR hechten belang aan een duurzaam kustfundament dat
de kust en het achterland beschermd tegen overstromingen vanuit zee. Binnen het kustfundament
moet voldoende ruimte zijn voor versterking van de zeewering met behoud van de natuurlijke
waarden. In de verordening van 2011 was het kustfundament begrensd. In het Barro heeft het rijk er voor gekozen om het kustfundament zelf te begrenzen. Onderhavige
gewijzigde verordening bevat daarom geen begrenzing van het kustfundament en verwijst,
voor wat betreft de op dat kustfundament van toepassing zijnde bepalingen in artikel
8.3.1 naar de begrenzing in het Barro. De grenzen van het kustfundament en de grenzen van de primaire waterkering zullen
niet steeds samenvallen. Op veel plaatsen is het kustfundament breder dan de waterkering.
Op Vlieland ligt het hele eiland binnen het kustfundament.
In het Barro staan in artikel 2.3.5 specifieke bouwregels voor het kustfundament, gericht op het
voorkomen van nieuwe bebouwing buiten bestaand stedelijk
gebied. Deze regels werken direct door naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Zo mag een
bestaand bouwwerk herbouwd of verbouwd worden waarbij het grondoppervlak met ten hoogste
10% mag worden uitgebreid. Op grond van artikel 2.3.6 van het Barro kunnen echter bij verordening van de provincie Fryslân voor de Waddeneilanden andere
regels worden gesteld waarmee een - nader te bepalen - beperkte uitbreidingsmogelijkheid
van de bebouwing in het kustfundament mogelijk is, mits passend binnen het ruimtelijke
kader van de SVIR en mits de bepalingen van titel 2.5 van het Barro die van toepassing zijn op de Waddeneilanden, in acht worden genomen.
Deze andere regels hebben wij opgenomen in artikel 8.3.1 van de verordening. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat in de brede duingebieden op de eilanden van oudsher verblijfsrecreatieve bebouwing (recreatiewoningen, appartementen, hotels en enkele kampeerterreinen) en andere bebouwing (zoals enkele woningen, cafés/ restaurants, nuts- en defensiegebouwen, uitkijktoren, vuurtoren) aanwezig zijn. De geldende bestemmingsplannen voor deze duingebieden consolideren de bestaande situatie, waarbij bestaande bebouwing kan worden uitgebreid in een orde van grootte van 10 tot 25%. Het eerste lid van artikel 8.3.1 bepaalt dat deze bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen worden benut zodat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan; een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste 10% conform het Barro is in ieder geval toegestaan. Vanuit een oogpunt van behoud van het kustfundament vinden wij dit aanvaardbaar.
Voor eventuele nieuwe ontwikkelingen, biedt het tweede lid van artikel 8.3.1 een maatwerkbepaling. Als toetsingscriterium geldt dat geen belemmering mag ontstaan
voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament.
Wij hebben in aanmerking genomen, dat in het kustfundament op de eilanden daarnaast
nog diverse beperkingen gelden voor nieuwe (veelal recreatieve) ontwikkelingen. Dit
is met name het gevolg van de ligging in/nabij natuurgebied en landschappelijke aspecten.
Het 'op slot zetten' van dit gebied waardoor recreatieve ontwikkelingen niet meer
mogelijk zijn, vinden wij echter niet gewenst en vanuit een oogpunt van behoud van
het kustfundament niet noodzakelijk. Op Vlieland ligt het hele eiland binnen het kustfundament.
De bepaling maakt een 'normale' ruimtelijke ontwikkeling op het eiland mogelijk, binnen
de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid.