Plan: | Triangel UP Parkzicht fase 3 |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | uitwerkingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.UPTriangelPZf3-0401 |
Aan de zuidzijde van Waddinxveen wordt de nieuwe woonwijk 'Park Triangel' gerealiseerd.
Het voornemen is om in dit gebied, globaal gelegen tussen Beijerincklaan/Tweede Bloksweg, de spoorlijn Gouda/Alphen en de A12, circa 2.700 nieuwbouwwoningen te realiseren. Doel van Park Triangel is het opheffen van het bestaande lokale tekort aan nieuwbouwwoningen en voor een belangrijk deel van de woningbehoefte in de grotere regio te voorzien.
In 2003 heeft de provincie Zuid-Holland in een wijziging van het streekplan het gebied aan de zuidzijde van Waddinxveen aangewezen als nieuwbouwlocatie voor de gemeente.
Voor de ontwikkeling van Park Triangel heeft de gemeente Waddinxveen een masterplan opgesteld, waarin de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten voor de ontwikkeling van de wijk zijn verwoord. De gemeente heeft op 24 september 2008 het uit te werken bestemmingsplan Triangel vastgesteld, om de ontwikkeling van Park Triangel in lijn met dit masterplan juridisch-planologisch te borgen.
Op grond van diverse uitwerkingsplannen (ex artikel 3.6 Wro) wordt de ontwikkeling van de woonwijk gefaseerd mogelijk gemaakt. Inmiddels zijn al diverse uitwerkingsplannen vastgesteld in het gebied en zijn woningen gebouwd.
Afbeelding - overzicht deelgebieden park Triangel (bron: stedenbouwkundig plan)
Dit plan gaat over het deelplan Parkzicht Fase 3 en betreft de herontwikkeling van de percelen die zijn gelegen op de hoek van de Tweede Bloksweg/Beijerinklaan en de Parklaan en langs de Parklaan zijn gelegen tot aan de splitsing met de Polderlaan (kadastraal bekend gemeente Waddinxveen sectie E, nummers 449, 423 en 2154).
Voor deze ontwikkeling wordt een uitwerkingsplan opgesteld. Een deel van het plangebied is al eerder uitgewerkt in een woonbestemming in het uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1'; omdat deze woonbestemming nooit is verwezenlijkt is het juridisch mogelijk nogmaals gebruik te maken van de uitwerkingsverplichting in het 'moederplan'. Het andere deel van het plangebied heeft conform het moederplan (Triangel) een uit te werken woonbestemming en hiervoor is nooit eerder een uitwerkingsplan vastgesteld. In het plangebied worden maximaal 26 woningen gerealiseerd.
Het doel van het voorliggende uitwerkingsplan 'Triangel UP Parkzicht fase 3' is dan ook om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch te borgen.
Het plangebied Triangel is gelegen aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing van Waddinxveen en is gelegen tussen de Beijerincklaan/Tweede Bloksweg, de spoorlijn Alphen/Gouda en de Zuidelijke Rondweg. In een later stadium is hier een extra gebiedje toegevoegd ten zuiden van de Zuidelijke Rondweg, ter plaatse van de rotonde op de Beijerincklaan. In het uiterste zuiden raakt de punt van het plangebied de rijksweg A12.
In de navolgende afbeelding zijn de ligging van Park Triangel en de contouren van het de nieuwe woonwijk weergegeven.
Afbeelding - Globale ligging Park Triangel
Afbeelding - Globale begrenzing Park Triangel
Park Triangel is onderverdeeld in verschillende deelgebieden, die gefaseerd mogelijk worden gemaakt. Het plangebied van dit uitwerkingsplan Triangel UP Parkzicht fase 3, is gelegen aan de rand van deelgebied F, aan de westzijde van Park Triangel.
Afbeelding - Deelgebieden Park Triangel
Binnen het plangebied gelden twee vigerende bestemmingsplannen, te weten:
Het deel van het plangebied dat in de rechterbovenhoek ligt is gelegen in het uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1'. Ter plaatse zijn de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Water' van kracht. Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bouwaanduiding 'vrijstaand' en de maatvoering voor de maximale bouw- en goothoogten gelden. Tevens is een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' aanwezig.
Afbeelding - fragment plangebied uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1'
(www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het resterend deel van het plangebied is nog niet uitgewerkt en daarvoor geldt nog steeds het moederplan 'Park Triangel' met een uit te werken woonbestemming. In de regels van het bestemmingsplan zijn allerlei uitwerkingsregels opgenomen. Deze dienen in acht te worden genomen bij het opstellen van het uitwerkingsplan.
Afbeelding - fragment plangebied bestemmingsplan 'Park Triangel'
(www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het uitwerkingsplan 'Triangel UP Parkzicht fase 3' met identificatienummer NL.IMRO.0627.UPTriangelPZf3-0401 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken:
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het uitwerkingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het uitwerkingsplan vooraf is gegaan.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het uitwerkingsplan
De toelichting is als volgt opgebouwd:
In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt kort ingegaan op bestaande situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving, waarbij een beschrijving gegeven van mogelijke ontwikkelingen in het plangebied. In Hoofdstuk 4 komt het relevante provinciale, regionale en gemeentelijke beleid aan de orde. Hoofdstuk 5bevat de waterparagraaf. In Hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 7 betreft de juridische toelichting. In Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 wordt aandacht besteed aan de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan.
In voorliggend hoofdstuk wordt de bestaande, feitelijk aanwezige situatie van Park Triangel en het plangebied beschreven.
Waddinxveen is ontstaan als lintdorp op de kruising van wegen tussen Gouda, Alphen aan den Rijn, de poldergebieden aan de westzijde van Gouda en de brug over de Gouwe.
Het plangebied, gelegen ten zuiden van de oude kern van Waddinxveen, is een diepgelegen polder waar in het verleden veen is gewonnen. Met de wegen als dragers, werden de omliggende polders via een typische slagenverkaveling drooggelegd. Deze slagen zijn ook vandaag nog terug te zien in het landschap. Door de deklaag van klei is inzijging van regenwater in de bodem moeilijk, hetgeen het noodzakelijk maakte een dicht stelsel van sloten en tochten aan te leggen om het gebied droog en bewerkbaar te houden.
Afbeelding - bestaande situatie (bron: Bing Kaarten)
Park Triangel maakt van oudsher onderdeel uit van de Zuidplaspolder. De ontginning van dit gedeelte vond plaats vanaf de Noordelijke Plasweg. Als grote afwatering werd de Zuidelijke Dwarstocht aangelegd. Typisch genoeg staan de slagen haaks ten opzichte van de slagen in de omliggende polders. De Zuidelijke Dwarstocht is ook nog aanwezig in het plangebied. Vanaf de tijd van drooglegging is het plangebied gebruikt als agrarisch gebied, waarbij voornamelijk sprake is van gebruik als weiland. Dit gebruik heeft zich tot voor kort doorgezet.
Afbeelding - bestaande situatie (bron: stedenbouwkundig plan)
De Zuidplaspolder wordt doorsneden door grote infrastructurele elementen. De rijksweg A12 ligt aan de zuidzijde van het plangebied en de spoorlijn Gouda/Alphen aan de oostzijde van het plangebied. In de omgeving van het plangebied heeft daarnaast een zeer sterke verstedelijking plaatsgevonden, waarbij meest recentelijk de woonwijk Zuidplas aan de westzijde van het plangebied en het industrieterrein Coenecoop aan de oostzijde van het plangebied zijn opgeleverd.
Afbeelding - bovenaanzicht: met in het midden (oranje rechthoek) het plangebied
Park Triangel vormt een (voormalig) agrarisch groene driehoek in een verstedelijkt landschap, ingeklemd door (spoor)wegen, stedelijke bebouwing (het bedrijventerrein Coenecoop en de woonwijk Zuidplas) en een agrarisch gebied.
Het projectgebied ligt in de noordelijke punt van de droogmakerij Zuidplaspolder. Het verkavelingspatroon wordt gekenmerkt door een regelmatige verkaveling met smalle, langwerpige kavels gescheiden door smalle, ondiepe sloten.
Woningen
Er was, voordat Park Triangel als nieuwbouwlocatie werd aangewezen, sprake van veehouderij, akkerbouw en glasopstanden. Op dit moment wordt het gebied met name gekarakteriseerd door woningen, het centrale park en braakliggend terrein. De afgelopen jaren is het gebied in snel tempo ontwikkeld: er zijn vele woningen gebouwd, de hoofdinfrastructuur en het centrale park zijn aangelegd en het treinstation Waddinxveen Triangel is gerealiseerd.
Het plangebied van dit uitwerkingsplan betreft de percelen die zijn gelegen op de hoek van de Tweede Bloksweg/Beijerinklaan en de Parklaan en langs de Parklaan zijn gelegen tot aan de splitsing met de Polderlaan
Ontsluiting
Park Triangel wordt voor het autoverkeer via de N453 (Beijerincklaan) ontsloten vanaf de A12 (Den Haag-Utrecht) en via de N453 (Beijerincklaan) en de N456 (Bredeweg) vanaf de A20 (Gouda-Rotterdam). In oostelijke richting wordt Triangel via de Zuidelijke Rondweg, de N454 (Kanaaldijk), N207 (Coenecoopbrug) en N452 (Goudse Poort) eveneens ontsloten vanaf de A12. In noordelijke richting vindt de ontsluiting via de N454 (Kanaaldijk) en Kerkweg-oost plaats vanaf de N207.
Groen
De groenstructuur is sterk verweven met de waterstructuur. De brede taluds en groengebieden langs de verschillende waterpartijen dragen sterk bij aan het groene karakter van de wijk en de ecologische waarde van het gebied. Het brede, doorgaande groenelement dat tevens een belangrijke ecologische waarde heeft is de spoorzone.
Park Triangel dankt haar naam aan het grote park dat het groene hart vormt van de wijk.
Op 28 mei 2016 is dit park geopend met onder andere een junglebos, speelveldjes voor diverse sporten en een vis- en aanlegsteiger.
Water
In de huidige situatie is er een belangrijke hoofdwatergang, de Zuidelijke Dwarstocht, die het gebied doorkruist. In de nieuwe situatie wordt deze om Park Triangel heen gelegd, parallel aan de Zuidelijke Rondweg, omdat het water dat doorgevoerd wordt van relatief slechte kwaliteit is. Rondom het gebied lopen de bestaande watergangen langs het spoor en de Tweede Bloksweg. De verschillende waterlopen worden op verschillende plaatsen verbonden, waardoor een netwerk van water ontstaat en op bijna elk punt van de wijk het water ervaarbaar wordt. Deze dooradering met water legt een duidelijke relatie met het oorspronkelijke polderlandschap.
Het doel van voorliggend uitwerkingsplan is het bieden van een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de gronden in het plangebied. In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor het gebied en voor dit uitwerkingsplan.
Algemeen
Bij de start van de totale wijk Park Triangel is een Integraal Ontwikkelingsplan (zie ook
Bijlage 1 Integraal ontwikkelingsplan Triangel) opgesteld, bestaande uit vijf onderdelen:
Voor wat betreft de ruimtelijke kaders zijn het Stedenbouwkundig Plan en het Kwaliteitsinstrumentarium van belang. Het Stedenbouwkundig Plan richt zich met name op het planontwerp van de totale wijk op hoofdlijnen.
Het Kwaliteitsinstrumentarium richt zich hoofdzakelijk op de plan- en beeldkwaliteit van de beoogde woongebieden, voorzieningen, bedrijvigheid en openbare ruimte in Park Triangel. Voor de woonbebouwing en de voorzieningen geldt dat de cottage-stijl, een Engelse landelijke stijl, het uitgangspunt is voor de beeldtaal van de bouwvolumes. Dat uit zich ook in de architectuur van de woningen die inmiddels opgeleverd, in aanbouw of in verkoop zijn.
Het belangrijkste uitgangspunt voor het plangebied is het behoud en de versterking van de ruimtelijke structuur en de herkenbaarheid van de verschillende woongebieden met hun eigen bebouwingskenmerken. Om dit te bereiken is de bebouwing, daar waar de woningen reeds zijn gerealiseerd, gedetailleerd bestemd. Ook de waterlopen, de belangrijkste groenelementen en de infrastructuur zijn volgens de huidige situatie bestemd.
In het plangebied wordt een woongebied gerealiseerd. De karakters van de woongebieden in Park Triangel verschillen onderling op basis van de eerder genoemde stedenbouwkundige uitgangspunten.
In het deelplan Parkzicht fase 3 worden maximaal zesentwintig woningen mogelijk gemaakt. Aan de Tweede Bloksweg (bestemming 'Wonen') zullen maximaal 6 vrijstaande woningen met goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 8,5 meter worden gerealiseerd.
De bestemmings- en bouwregels binnen de bestemming 'Wonen' zijn gebaseerd op het aansluitende uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1', zodat langs de Tweede Bloksweg uniforme bouwregels gelden. Aan de Parklaan (bestemming 'Woongebied') zullen maximaal
20 woningen, als rijwoning of twee-onder-één kap, met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 12 meter worden gerealiseerd. De bestemmings- en bouwregels in het artikel 'Woongebied' zijn gebaseerd op artikel 6 'Uit te werken Woongebied (UW)' van het bestemmingsplan 'Park Triangel'.
Afbeelding - Verbeelding Uitwerkingsplan Triangel Parkzicht fase 3
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld.
Vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.
Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De juridische borging van de nationale belangen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen geldt de 'Ladder' voor duurzame verstedelijking. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening en ook in de provinciale omgevingsverordening (zie paragraaf 4.2.2).
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De treden van de ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de nieuwe laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De voorliggende ontwikkeling wordt in het kader van het voorliggende bestemmingsplan beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat bij het vaststellen van een uitwerkingsplan artikel 3.1.6, tweede lid, Bro in acht genomen zal moeten worden als het uitwerkingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro (uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1295 (Zevenaar)).
Onderbouwing Ladder voor Duurzame Verstedelijking Park Triangel
De gemeente Waddinxveen heeft een onderbouwing van het woningbouwprogramma aan de hand van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Het rapport 'Onderbouwing
Ladder voor Duurzame Verstedelijking Park Triangel' is bijgevoegd in Bijlage 2. In het rapport wordt met betrekking tot de behoefte aan woningen het volgende geconcludeerd:
Geconcludeerd wordt dat de in Park Triangel Parkzicht Fase 3 geplande 26 grondgebonden woningen, zowel regionaal als bovenregionaal, ruimschoots passen in de actuele behoefte.
Bestaand stedelijk gebied
In het rapport is aangegeven dat zowel Rijk als provincie de locatie Park Triangel als bestaand stedelijk gebied beschouwen. Op grond van de provinciale omgevingsvisie valt voorliggende deelgebied echter net buiten de het BSD (bestaand stads- en dorpsgebied).
In het voorliggend plan is sprake van een geplande uitbreiding in aansluiting op bestaand stads- en dorpgebied (BSD). Het betreft een woongebied dat al in afronding is met een goede fiets- en verkeersontsluiting voor omliggende voorzieningen en doorgaande snelwegen. Ook is op zeer korte afstand de treinhalte Waddinxveen Triangel (sprinters) aanwezig.
Door de provincie is Park Triangel dan ook als een van de woningbouwlocaties aangegeven op de zogeheten '3 ha kaart' en de bijbehorende tabel. Dit betekent dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling. In het voorliggende geval staat de voorliggende locatie niet meer ter discussie.
Conclusie
Gelet op de regionale- en bovenregionale woningbehoefte en de daarmee gepaard gaande huishoudensgroei, kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de kaders van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Met deze planontwikkeling zijn geen specifieke rijksbelangen gemoeid. De beoogde ontwikkeling is ook niet in strijd met het rijksbeleid.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland is per 1 april 2019 in werking getreden en omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft de provincie richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.
Programma ruimte
Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. In het programma Ruimte is Park Triangel als een van de nog te ontwikkelen woningbouwlocaties buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) aangegeven met een bruto oppervlak van 100 hectare. Dat betekent dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.
Dit neemt niet weg dat de gemeente bij de verdere detaillering van de betreffende ontwikkeling (in het kader van het bestemmingsplan) nog wel rekening moet houden met specifieke onderdelen van het provinciaal beleid, bijvoorbeeld het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie in het vervolg op het omgevingsbeleid de verordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden.
De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvergunning vervangt bestaande verordeningen zoals de Verordening Ruimte, de milieuverordening en dergelijke.
Stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10)
Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen wordt in de verordening aangegeven dat:
Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan Triangel (2008) worden geen nieuwe mogelijkheden geboden. In totaal is het woningbouwprogramma op sommige aspecten zelfs fors verkleind.
Ten aanzien van het gewijzigde woningbouwprogramma is voor geheel Triangel recentelijk een laddertoets uitgevoerd. In paragraaf 4.1.2 is verder ingegaan op de resultaten van dit onderzoek.
Het doel van de Regionale Agenda Wonen (RAW) is om voor de regio een actuele, kwalitatieve en toekomstbestendige woonagenda en een werkbare programmeringsmethodiek te krijgen, die zorgen voor een goed functionerende woningmarkt op lokaal en regionaal niveau; een agenda die kan rekenen op draagvlak bij gemeenten, provincie, woningcorporaties, zorgaanbieders en marktpartijen. Het is belangrijk dat de woonagenda ruimte biedt aan versterking van de kwaliteiten van de woonmilieus in verschillende delen van de regio; aansluitend bij de behoefte. De RAW is opgebouw rondom vijf thema's, te weten:
In de agenda zijn de volgende opgaven opgenomen:
Voor Waddinxveen is in de diverse onderdeel specifiek in de agenda opgenomen:
1. Gevarieerd woon- en leefklimaat
In het Marktonderzoek regio Midden-Holland (Fakton 2017) is de verdeling van deze woonmilieus over de regio weergegeven. De woonprofielen zijn opgedeeld tot een hoofdindeling van vier kenmerkende subregio's:
Waddinxveen is sinds de jaren '80 uitgegroeid van een dorpskern langs de Gouwe naar een middelgrote gemeente met de daarbij behorende voorzieningen. De ligging langs de A12 Utrecht – Den Haag is daarvoor belangrijk. Daarnaast heeft Waddinxveen drie treinstations aan een hoogwaardig openbaar vervoersnetwerk. Aan de zuidwestzijde van de oude dorpskern is een nieuw centrum gerealiseerd. Zuidelijk daarvan is de woonwijk Park Triangel in aanbouw. Waddinxveen kent veel laagbouw, met aan de zuidrand een dorps en soms luxer woonmilieu. Het luxe woonmilieu is een onderscheidend aanbod, dat verder grotendeels ontbreekt in de regio.
De RAW gaat uit van een herbevestiging van de bestaande bestuurlijke afspraken met de provincie Zuid-Holland over de bovenregionale woonbehoefte. Midden-Holland heeft al sinds 2004 een taakstelling waar het gaat om de bovenregionale woonbehoefte. Deze is in 2006 vastgelegd in het Intergemeentelijk Structuurplan (ISP) Zuidplaspolder waarin naast andere ruimtelijke ontwikkelingen ook de woningbouwbehoefte is vastgelegd. In 2016 is die behoefte in een gezamenlijk bestuurlijk overleg met Provincie, Rotterdam, Zuidplas, Gouda en Waddinxveen nader bepaald op 15.000 woningen, in een volgtijdelijkheid van 7.000 woningen tot 2030 (waarvan 1.300 tot 2020) en in het decennium daarna nog eens 8.000 woningen.
Waddinxveen kent qua omvang een beperkte eigen woningmarkt, maar de ligging langs de A12 maakt het voor nieuwe inwoners toch interessant. Belangrijk is te sturen op de bestaande voorraad: nieuwbouw is aantrekkelijk, maar een deel van de bestaande voorraad behoeft aandacht. Strategische toevoegingen aan de bestaande voorraad zijn meergezinswoningen en huur-eengezinswoningen, in de ontspannen woonmilieus: rustige stadwijk, woonwijk met hoog- en laagbouw en in het centrum-dorps woonmilieu.
5. Beschikbaarheid
Naar verwachting zal het aantal huishoudens in de regio stijgen van ruim 95.000 in 2015 naar bijna 106.000 in 2025 (+11.000) en 110.000 in 2030 (+4.000). In 2016 tellen we bijna 100.000 huishoudens in de regio, wat maakt dat we nog een groei verwachten van zo'n 10.000 huishoudens tot 2030. Een deel van de groei van de huishoudens valt te verklaren door vergrijzing en individualisering. De groei vindt grotendeels plaats in de gemeenten Zuidplas, Waddinxveen, Gouda en Bodegraven-Reeuwijk (marktonderzoek regio Midden-Holland, Fakton).
Binnen deze behoefteprognose zien we behoefte aan een netto uitbreiding van de voorraad met 2.500 sociale huurwoningen vanaf 2015 tot 2030. De gemeenten spreken de volgende verdeling over de vijf gemeenten af:
De gemeenten rapporteren jaarlijks de voortgang van de realisatie van deze aantallen en spreken elkaar aan als de realisatie achterblijft.
Voor Waddinxveen is het uitgangspunt dat de voorraad bereikbare huurwoningen gelijke tred houdt met de omvang van de doelgroep. Bij nieuw op te starten projecten (na 2018) wordt ingezet op 30% sociale huur.
Echter zijn voor het plan Triangel middels de Paragraaf Wonen (5 maart 2009) reeds andere afspraken gemaakt met de Provincie.
De gestelde primaire beleidsdoelen voor het plan Triangel zijn:
In de onderstaande tabel van de gemeente Waddinxveen is een overzicht van de woningvoorraad voor het plan Triangel, waaronder ook deelgebied Parkzicht Fase 3, opgenomen:
Deze cijfer liggen in de lijn van behoefteprognoses zoals deze zijn opgenomen in de Regionale Agenda Wonen en de primaire beleidsdoelen van het plan Triangel.
De ontwikkeling van Park Triangel zorgt voor kwalitatief goede huisvestingsmogelijkheden voor verschillende soorten huishoudens en draagt op deze manier bij aan de vitaliteit binnen de regio Midden-Holland. Gelet hierop voldoet het plan aan de uitgangspunten van de Regionale Agenda Wonen.
Met deze planontwikkeling zijn geen specifieke provinciale belangen gemoeid. De beoogde ontwikkeling is ook niet in strijd met het provinciaalbeleid.
Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Op de integrale structuurvisiekaart is het plangebied van voorliggend uitwerkingsplan aangeduid als 'wonen bestaand' en 'concentratiegebied winkels en voorzieningen centrumgebied'. De centrumzone van Waddinxveen vormt een strategisch project in de structuurvisie. Het nieuwe centrum geeft de kern een sterk en uitgebreid voorzieningenniveau voor de toekomst, terwijl het gebied rond de Kerkweg-Oost wordt versterkt door bestaande ontwikkellocaties op een hoogwaardige manier te benutten. Het doel is om van het historische hart van Waddinxveen weer een aantrekkelijk verblijfsgebied te maken.
Binnen het thema 'wonen en voorzieningen' is aangegeven dat ruimtelijke kwaliteit het belangrijkste uitgangspunt is voor het gemeentelijke woningbouwprogramma, dat uitgaat van de toevoeging van 4.250 woningen tot 2030. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de toekomstige woon-, leef- en werkkwaliteit van Waddinxveen, waarbij een goede balans tussen inbreiding en uitbreiding van groot belang is. Er wordt onder meer ingezet op het (her)ontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom.
De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie Waddinxveen 2018-20122 vastgesteld. Het doel van deze woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Die richting bestaat uit een hoofddoelstelling, vier pijlers en een woningbouwprogramma.
Hoofddoelstelling: prettig wonen voor iedereen
Waddinxveen ligt op het grensvlak van stad en platteland. Het voorzieningenniveau is goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven. Waddinxveen is goed bereikbaar. Dat maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. Iedereen die dat wil moet op een prettige, geschikte manier kunnen wonen in Waddinxveen. Daarom moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de markt en moeten mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting worden ondersteund.
Pijler 1: beschikbaarheid en betaalbaarheid
Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil dan ook kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving. Voor alle doelgroepen moeten voldoende woningen beschikbaar zijn.
Pijler 2: wonen, zorg en welzijn
Prettig wonen hangt voor een groot deel ook samen met contact hebben met anderen en verzorgd worden wanneer dat nodig is en wonen in een geschikte woning.
Pijler 3: duurzaamheid
Duurzaamheid is een belangrijk thema in zowel de bestaande voorraad als nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan een beter woon- en leefklimaat.
Pijler 4: leefbaarheid
Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed. Doel is om dit zo te houden.
Woningbouwprogramma
Waddinxveen heeft veel fysieke ruimte om woningbouwplannen te realiseren. Naast de uitbreidingslocaties Park Triangel en 't Suyt zet de gemeente in op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie van vastgoed. Voor Park Triangel hanteren we als uitgangspunt dat 40% van Park Triangel gebouwd wordt voor de lokale en regionale behoefte en 60% voor de bovenregionale behoefte. Deze bovenregionale behoefte komt voornamelijk voort uit de verhuisrelatie die Waddinxveen heeft met name Rotterdam en Den Haag.
Het rapport 'Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking Park Triangel' is bijgevoegd in Bijlage 2. In onderstaande zijn de conclusies van het rapport opgenomen.
Woningen
Ten aanzien van de behoefte aan woningen zijn de volgende conclusies getrokken:
Het Mobiliteitsplan 2013-2020 is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Tijdens het opstellen van het mobiliteitsplan is veelvuldig gebruik gemaakt van kennis en kunde van inwoners, het bedrijfsleven en diverse maatschappelijke organisaties van Waddinxveen. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de voornoemde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt.
In het Mobiliteitsplan is rekening gehouden met de nieuwe woonwijk Park Triangel.
Op 9 juli 2014 heeft de gemeenteraad het parkeerbeleid vastgesteld en dit is in 2017 aangevuld. Dit parkeerbeleid geeft aan wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie en wat het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Het parkeerbeleid is een uitwerking van het eerder door de gemeenteraad vastgestelde Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020. Met het parkeerbeleid werkt de gemeente aan het bereiken van de ambities uit het mobiliteitsplan.
Het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, Weg- en waterbouw en de verkeerstechniek (hierna: CROW) is het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte en ontwikkelt praktisch toepasbare kennis voor beleidsvoorbereiding, planning, ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Diverse richtlijnen voor parkeren zijn opgenomen in CROW-publicatie 317, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Deze publicatie is de basis voor veel van de uitgangspunten in het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen. Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. In het parkeerbeleid staat dat voor de hele gemeente uit wordt gegaan van 'matig stedelijk' als stedelijkheidsgraad. Het CROW hanteert ook de bandbreedtes 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' of 'buitengebied'. De opties 'centrum' en 'schil centrum' hebben betrekking op binnensteden van grotere kernen in combinatie met gebieden waar betaald parkeren geldt. In Waddinxveen wordt daarom alleen de categorie 'rest bebouwde kom'of 'buitengebied' gebruikt. Voor overige parkeerzaken die niet in het parkeerbeleid worden genoemd wordt als uitgangspunt ook verwezen naar CROW publicatie 317.
In het Masterplan zijn de ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling van het gebied aangegeven. Na het Masterplan zijn diverse uitwerkingen opgesteld, zoals visies en ontwikkelingsprogramma's waaronder het IOP.
In februari 2010 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het IOP voor Park Triangel vastgesteld. Dit plan bestaat uit vijf onderdelen:
Op 22 januari 2014 heeft de gemeenteraad het IOP bevestigd.
Ten behoeve van de stedenbouwkundige kaders zijn voor verschillende delen van Triangel stedenbouwkundige visies en plannen opgesteld:
De gemeente Waddinxveen heeft op 14 november 2012 een eigen archeologiebeleid vastgesteld. Het beleid bestaat uit de Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen en de Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingen en beleidskaart van Waddinxveen.
De Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen geeft een algemeen inzicht in de beleidsmatige, juridische en financiële aspecten van het beleid. De essentie van het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen bestaat uit het 'archeologieproof' maken van nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen en voldoet hiermee aan de eisen van de Monumentenwet 1988 (nu de Erfgoedwet). De nota is een relatief algemeen document en is niet zo snel aan een actualisatie toe.
De Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingen en beleidskaart Waddinxveen is in tegenstelling tot de nota wel aan veranderingen onderhevig. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en nieuwe onderzoeken is de archeologische verwachtingenkaart en daarmee de beleidskaart verouderd. In opdracht van de gemeente Waddinxveen heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland de archeologische beleidskaart daarom geactualiseerd. In de afgelopen vier jaar zijn 17 archeologische onderzoeken uitgevoerd in Waddinxveen die de archeologische verwachting van een gebied hebben bijgesteld. Daarnaast is er een nieuwe kijk op de opbouw van de bodem waardoor eveneens de archeologische verwachting van gebieden verandert. De actualisatie moet gezien worden als aan aanvulling op de vastgestelde toelichting. Veel informatie in de toelichting is nog steeds actueel, de noodzakelijke veranderingen zijn weergegeven in de actualisatie.
In de beleidskaart wordt aangegeven in welke mate met archeologie in de ruimtelijke ordening rekening gehouden moet worden. Het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen onderscheidt vijf categorieën van archeologische waarden (Waarde Archeologie 1 t/m 5). Per categorie is aangegeven welke bekende en verwachte waarden zijn onderscheiden en wat de vastgestelde vrijstellingsgrens is. Een vrijstellingsgrens bestaat uit een oppervlaktemaat en een dieptemaat. Wordt zowel het oppervlakte als de dieptemaat overschreden, dan dient de aanvrager volgens het huidige beleid een (archeologisch) rapport te overleggen waarin aangegeven is of er archeologische waarden aanwezig zijn. En zijn er archeologische waarden aanwezig, dan dient ook aangegeven te worden hoe er met deze waarden rekening wordt gehouden tijdens de voorgenomen ontwikkelingen.
Het nieuwe beleid betreft een versoepeling ten opzichte van het oude beleid. Het heeft als gevolg dat er minder onderzoek zal plaatsvinden. De mate van verwachting voor sommige zones is bijgesteld (van hoog naar middelhoog of laag), het aanpassen van de begrenzing van verwachtingswaarden en de vastgestelde diepteligging van de stroomgordelafzettingen leiden ertoe dat de vrijstellingsgrenzen op de beleidskaart ook in enkele gevallen aangepast zijn. De onderstaande tabel vat de wijzigingen samen:
Bij de geadviseerde vrijstellingsgrenzen blijft het proportioneel beleid gehandhaafd. Er is een evenwicht tussen een verantwoorde omgang van het bodemarchief enerzijds en een zoveel mogelijke onbelemmerde doorgang van economische ontwikkelingen anderzijds.
Een belangrijke aanvulling ten opzichte van de huidige toelichting is de mogelijkheid om van een onderzoeksverplichting af te zien wanneer de gemeente beschikt over aanvullende informatie waaruit blijkt dat een onderzoek niet meer nodig is.
Een uitgebreide beschrijving en onderbouwing van de verschillende archeologische verwachtingen/waarden op de verschillende locaties en de daarbij horende vrijstellingsgrenzen staan beschreven in het eerder genoemde rapport Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Waddinxveen.
Met dit parapluplan wordt het gewijzigde archeologisch beleid verankerd.
De gemeente Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota externe veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:
Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van dit uitwerkingsplan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.
Met deze planontwikkeling zijn geen specifieke gemeentelijke belangen gemoeid. De beoogde ontwikkeling is ook niet in strijd met het gemeentelijkbeleid.
Op 10 december 2015 is door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 (NWP) vastgesteld.
Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting weer van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016 - 2021, met een vooruitblik richting 2050.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Het kabinet streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn:
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers.
Het algemeen bestuur van het HHSK heeft op 29 juni 2016 het Waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water' (WBP) vastgesteld.
Het WBP geeft de visie en ambities weer op het waterbeheer voor de lange termijn. Het plan bepaalt de koers: het geeft richting aan het handelen van het HHSK en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het HHSK kunnen verwachten.
Het HHSK staat voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer in directe verbinding met de omgeving. HHSK streeft er naar haar taken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten uit te voeren, bij te dragen aan de leefbaarheid van het gebied en de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem te vergroten. Zo benoemt het waterbeheerplan concrete doelen om de impact van klimaatverandering (adaptatie) en de omvang van de klimaatverandering (mitigatie) te beperken. Een mogelijke aanscherping van doelen zal binnen de planperiode plaatsvinden.
Het HHSK gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van burgers, bedrijven en partners. Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers. Ambities zijn uitgewerkt binnen verschillende thema's:
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is gezamenlijk door de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het HHSK opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.
Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:
In het kader van het bestemmingsplan Park Triangel is uitgebreid aandacht besteed aan water. Ook in de toelichting van het voorliggend uitwerkingsplan wordt aangegeven op welke wijze met de waterafspraken (zie paragraaf 5.2) wordt omgegaan.
In het kader van het bestemmingsplan Triangel is uitvoerig op het thema water ingegaan en zijn ook afspraken gemaakt met de waterbeheerders over de omgang met dit thema, zoals waterberging, veiligheid en waterkwaliteit. Tevens heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden.
In navolgende is de omgang met dit thema uit het bestemmingsplan Triangel overgenomen. Dit bestemmingsplan zal voor toetsing aan de relevante waterpartners worden voorgelegd. Op basis van voorgaande uitwerkingsplannen voor Triangel zijn aandachtspunten naar voren gebracht door het hoogheemraadschap, die in de navolgende tekst zijn verwerkt.
Veiligheid en voorkomen van wateroverlast
Door de aanleg van Park Triangel treedt functieverandering op in de Zuidplaspolder. Daardoor neemt mogelijke schade bij een dijkdoorbraak toe. De vraag is dan of de schadeklasse van de boezemkades moet worden verhoogd. Maatgevend hierbij is een doorbraak van de waterkering langs de Gouwe. De boezemkade langs de Gouwe heeft als normering schadeklasse V. Dit is de zwaarste klasse. Het verzwaren van de boezemkades is dan ook voor Park Triangel niet relevant.
In december 2005 is in opdracht van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een overstroming voor de Zuidplaspolder. Onder andere voor plangebied Park Triangel zijn de maximaal optredende waterstanden berekend. Deze waterstand ligt 15 cm lager dan het beoogde vloerpeil van toekomstige woningen (dit was aanvankelijk NAP -5,05 m en voor nieuwe woningen recentelijk verhoogd naar NAP -4,85 m). Deze waterstand treedt op bij een dijkdoorbraak langs de Gouwe tussen Waddinxveen en de A12. Door provincie en het Hoogheemraadschap is geconcludeerd dat gezien de geringe waterdiepte, de verwaarloosbare stroomsnelheden van het water en de beschikbare evacuatietijd geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 106 ha. Wanneer er vanuit wordt gegaan dat 50% van het gebied verhard wordt dan moet voor 53 ha. waterberging gecompenseerd worden. Binnen het gebied is al 15 ha. verhard, waardoor de waterbergingsopgave geldt voor 53-15 = 38 ha. Voor dit oppervlak geldt dat conform de eisen van het hoogheemraadschap waterberging gerealiseerd moet worden. De te realiseren waterberging bedraagt dan 19.400 m3.
Deze bergingshoeveelheid dient gevonden te worden tussen het peil van -5.92 m. NAP en -6.25 m. NAP (toetshoogte voor grasland). Het benodigde wateroppervlak voor waterberging bedraagt dan 5,9 ha. Wanneer de hoeveelheid vermeerderd wordt met de hoeveelheid bestaand open water dan bedraagt het te realiseren wateroppervlak in totaal 14,5 ha.
Voorkomen van grondwateroverlast
In het plangebied zullen de bestaande zomer- en winterpeilen gehandhaafd worden. Het toekomstige wegpeil in het plangebied wordt dusdanig gekozen dat de minimale drooglegging is gewaarborgd. De drooglegging, het verschil tussen het wegpeil en het waterpeil, voor het waterrijke plangebied met zettingsgevoelige bodem die is overeengekomen met Hoogheemraadschap en gemeente bedraagt 0,9 m. Hiermee wordt de nodige veiligheid geboden tegen grondwateroverlast.
Doordat de landbouw binnen de Zuidplaspolder in de toekomst minder belangrijk wordt, streeft het Hoogheemraadschap op termijn naar het realiseren van een flexibel peilbeheer waarbij de waterstand zich bevindt binnen een marge van NAP -6,15 m tot NAP -6,3 m.
Het watersysteem van Park Triangel zal zo worden ingericht dat het geen belemmering vormt voor het in de toekomst instellen van het genoemde peil in het gehele peilgebied waarbinnen Park Triangel valt. Dit betekent dat er bij het bepalen van de drooglegging en aanleghoogtes al rekening wordt gehouden met een peil van NAP -6,15 m. Vooralsnog zal echter worden aangesloten bij het huidige zomer- en winterpeil in het betreffende peilgebied, zijnde
NAP -6,32/-6,42 m (peilbesluit Hoogheemraadschap Van Schieland en Krimpenerwaard,
4 december 2012).
NB: Op basis van de huidige inzichten wordt voor nieuw te bouwen woningen een bouwpeil/aanleghoogte voor de begane grondvloer gehanteerd van NAP -4,85 m.
Voor de bestaande woningen die een lager vloerpeil hebben is bij verbouwing een bouwpeil/aanleghoogte NAP -5,05 m mogelijk. Bij vervangende nieuwbouw moet de aanleghoogte ook NAP -4,85 m worden. Dit wordt voor zo ver nodig opgenomen in de planregels.
Tegengaan bodemdaling veengebied
Voorafgaand aan de bouw en bewoning (gebruiksfase) zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Hierbij zal gedurende 8 maanden tot 3 jaar de bodemdaling (zetting) kunstmatig worden versneld door middel van extra bovenbelasting teneinde gedurende de gebruiksfase de bodemdaling te beperken tot acceptabele waarden (norm). De norm die hiervoor gehanteerd wordt is dat een restzetting van 10 cm wordt geaccepteerd ter plaatse van wegen en riolering. Ter plaatse van tuinen wordt voorzien in een restzetting van
20 cm per 30 jaar. De nadere uitwerking hiervan, zoals de systeemkeuze van de versnelde consolidatie, dient in overleg met het HHSK tot stand te komen. Het HHSK heeft wel de toename van kwel als aandachtspunt benoemd.
Riolering en waterkwaliteit
In het gebied wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd waarbij, waar mogelijk, afstromend hemelwater van schone oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt met inachtneming van de daarvoor bij het Hoogheemraadschap geldende richtlijnen. Voorbeelden van oppervlakken die relatief schoon zijn, zijn onder andere daken en verkeersluwe wegen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterrioolzuiveringsinstallatie. Verder zal het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen toegepast worden, alsmede niet-uitlogende en milieuvriendelijke beschoeiing en betuining.
Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. Omwille van de waterkwaliteit, worden in het plangebied geen doodlopende watergangen aangelegd, hetgeen de doorspoelbaarheid gunstig beïnvloedt.
Inrichting en ecologie
In het plangebied zullen de oevers ter plaatse van de openbare ruimte natuurvriendelijk worden ingericht. Het hoogheemraadschap stelt dat minimaal 50% van de totale oeverlengte op deze wijze wordt ingericht. Een natuurvriendelijke oeverinrichting bestaat uit oevers met een flauw talud, zodat de waterdiepte geleidelijk afneemt. Hiermee wordt een variatie aan vegetatietypen gestimuleerd. Door een inrichting van het watersysteem met een waterdiepte van minimaal
1 m wordt een robuust watersysteem gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers dragen bij aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Het plangebied is gesitueerd in een gebied met wateraanvoer waardoor de doorspoeling goed is. In combinatie met de aanstaande sanering van lozingen van de glastuinbouw zal de waterkwaliteit naar verwachting verbeteren.
Beheer en onderhoud
Alle hoofdwatergangen (waaronder die in het plangebied langs de Tweede Bloksweg) zijn in beheer en in onderhoud bij het hoogheemraadschap.
De gemeente is in principe verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige watergangen en het beheer en onderhoud van de riolering en hemelwaterafvoer, alsmede de daarmee samenhangende kosten.
De gemeente en het hoogheemraadschap hebben echter de intentie uitgesproken dat het dagelijks en buitengewoon onderhoud van alle watergangen bij wijze van pilot zal worden uitgevoerd door het hoogheemraadschap. Voorwaarde hierbij is dat alle watergangen vanaf de kant bereikbaar dienen te zijn voor onderhoud en dat een obstakelvrije onderhoudsstrook (breedte 5 m) aanwezig is over de volle lengte van de watergangen. Daarnaast dienen de kruisingen met wegen doorvaarbaar te zijn voor varend onderhoudsmaterieel.
Tevens dienen de bewoners te worden ingelicht over de plichten, geboden en verboden met betrekking tot het onderhoud en activiteiten ter plaatse van het aangrenzende open water (de toepassing van geschikte bouwmaterialen, de eisen ten aanzien van bebouwing en steigers etc.). In dit opzicht is de aanwezigheid van bomen en grote struiken langs de oevers in algemene zin niet gewenst omdat dit leidt tot te veel beschaduwing en overmatige bladval in het water. Bouwen langs of in de hoofdwatergang is niet toegestaan omdat dan de bereikbaarheid voor het onderhoud wordt belemmerd. Daarnaast zal de benodigde transportcapaciteit van de hoofdwatergang ontoelaatbaar worden beperkt indien bebouwing plaatsvindt.
Opgemerkt wordt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem vergunning dient te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap op grond van de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). In de keur is ook geregeld dat "beschermingszone" voor watergangen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone vanaf de insteek van de watergang (bovenkant talud) enkele meters niets gebouwd en opgeslagen mag worden. De laatst genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Voor het afkoppelen en direct lozen op het oppervlaktewater dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet.
Advies Hoogheemraadschap
De waterparagraaf van dit uitwerkingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voor advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten van dit uitwerkingsplan. Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan de orde:
Ten slotte wordt in paragraaf 6.11 ingegaan op het provinciaal milieubelang.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is voor dit uitwerkingsplan. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r..
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden.
Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
De ontwikkeling valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. Als de ontwikkeling boven de drempelwaarde van de C lijst uitkomt dan is er een m.e.r.-plicht. In alle andere gevallen
(D lijst en wanneer een passende beoordeling in het kader van de Wnb noodzakelijk is), is een m.e.r.-beoordeling nodig en bepalen B&W in een m.e.r.-beoordelingsbesluit of er een m.e.r.-plicht is.
Voor het moederplan Park Triangel is eerder door B&W een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen waaruit blijkt dat een MER niet nodig is. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Voor het voorliggend plan is een m.e.r.-toets niet meer noodzakelijk.
Ter voorbereiding van het vast te stellen uitwerkingsplan is door WSP een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai inclusief een toets aan de Wet geluidhinder.
In dit hoofdstuk is een korte samenvatting weergegeven van het bovengenoemd onderzoek.
Het akoestisch onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4.
De Wet geluidhinder (hierna: Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Bij ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met de in de Wgh opgenomen grenswaarden en bepalingen. In de Wgh gelden voorkeursgrenswaarden en maximaal toelaatbare grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming.
Tot de geluidgevoelige bestemmingen worden gerekend woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, kinderdagverblijven) en geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen).
Zones langs wegen
De Wgh stelt eisen aan de in de geluidzone van een weg toelaatbaar geachte geluidniveaus.
Grenswaarden
In de volgende tabel is een overzicht weergegeven van de diverse grenswaarden die van toepassing zijn voor nieuwe situaties binnen de zone van een weg.
* De ontheffingswaarde van 63 dB geldt voor vervangende nieuwbouw binnen de zone van een auto(snel)weg gelegen binnen de bebouwde kom
Tabel - Overzicht voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde
In de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 van de regio Midden-Holland, d.d. oktober 2018 zijn voorwaarden opgenomen ten behoeve van het vaststellen van hogere grenswaarden. Onderstaand zijn de voor dit plan relevante voorwaarden voor het vaststellen van hogere grenswaarden opgenomen.
Bij het vaststellen van een hogere waarde wordt getoetst of de geluidbelasting meer dan 53 dB bedraagt voor wegverkeerslawaai. Als de vast te stellen hogere waarde meer is dan de hierboven genoemde waarde dan moet:
Het toepassen van een geluidsluwe gevel en buitenruimte wordt als volgt ingevuld:
Om te bepalen of de geluidsbelasting zo laag is dat er sprake is van een geluidsluwe gevel/buitenruimte geldt de volgende rekenwijze:
Een woning of ander geluidsgevoelig gebouw kan door meerdere zoneringsplichtige bronnen van één lawaaisoort belast worden (bijvoorbeeld twee wegen). Er is dan sprake van een geluidsluwe gevel of buitenruimte als de totale geluidsbelasting niet boven de voorkeursgrenswaarde van deze lawaaisoort ligt.
Hogere waarden kunnen niet worden verleend voor geluidsgevoelige gebouwen als de geluidsbelasting hoger is dan de maximale grenswaarde. Om op deze locaties toch te kunnen bouwen kan gebruik worden gemaakt van een zogenoemde "dove gevel" of kan aan de woning een vliesgevel worden bevestigd.
Bij toepassing van een dove gevel of vliesgevel geldt de volgende voorwaarde:
Bestemming 'Wonen'
In de onderstaande tabel worden de hoogst berekende geluidbelastingen (ter plaatse van de noordwestgevel) als gevolg van de Beijerincklaan en de Zuidplaslaan getoond inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De gedetailleerde berekeningsresultaten van alle rekenpunten zijn opgenomen in Bijlage 4. Voor de ligging van de rekenpunten wordt verwezen naar onderstaande figuur.
Afbeelding - Ligging rekenpunten
Tabel - Berekeningsresultaten wegverkeer inclusief aftrek art. 110g Wgh
Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Beijerincklaan ten hoogste 60 dB Lden bedraagt inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De geluidbelasting is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar de maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting als gevolg van de Zuidplaslaan bedraagt ten hoogste 48 dB en voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde voor het volledige bouwvlak.
Bestemming 'Woongebied'
Ter plaatse van de bestemming 'Woongebied' zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de omliggende wegen in de vorm van contouren bepaald.
Uit de contourberekeningen is gebleken dat de Zuidplaslaan akoestisch niet relevant is voor het plangebied aangezien de voorkeursgrenswaarde als gevolg van deze weg overal binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
Als gevolg van de Beijerincklaan wordt de voorkeursgrenswaarde wel binnen een deel van het plangebied overschreden. In de onderstaande afbeeldingen worden de berekende contouren getoond op een rekenhoogte van respectievelijk 1,5 meter, 4,5 meter, 7,5 meter en 10,5 meter. De geluidbelastingen worden getoond inclusief aftrek conform art. 110g Wgh.
Hierbij wordt opgemerkt dat geen rekening is gehouden met de afschermenden bebouwing binnen het eigen plangebied. Met name de nog te bouwen woningen aan de Tweede Bloksweg (binnen bestemming 'wonen') zullen in de praktijk ten opzichte van de Beijerincklaan een relevante geluidafscherming veroorzaken naar het achterliggende woongebied. Omdat de excate locatie van deze woningen (binnen bestemming 'wonen') nog niet bekend is en ook niet in het uitwerkingsplan wordt vastgelegd, wordt hier echter bij de toetsing aan de Wet geluidhinder - vanuit een worstcase benadering - geen rekening mee gehouden.
Afbeelding - Geluidcontouren Beijerincklaan, rekenhoogte 1,5 meter
Afbeelding - Geluidcontouren Beijerincklaan, rekenhoogte 4,5 meter
Afbeelding - Geluidcontouren Beijerincklaan, rekenhoogte 7,5 meter
Afbeelding - Geluidcontouren Beijerincklaan, rekenhoogte 10,5 meter
Uit de contourberekeningen blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Beijerincklaan voor een gedeelte van de woningen binnen het plangebied (geel en oranje) hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt echter nergens overschreden (rood).
Door de initiatiefnemer is aangegeven dat er ten hoogste 4 woningen binnen het oranje gebied en 16 woningen in het gele gebied zullen gerealiseerd worden. In totaal wordt dus – in deze worstcase benadering – voor alle woningen binnen het woongebied een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde berekend.
In het kader van de beoordeling van het te verwachten akoestisch woon- en leefklimaat is ook de cumulatie van de geluidbelastingen ten gevolge van alle relevante wegen (zowel zoneplichtige als niet-zoneplichtige wegen) bepaald. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 65 dB excl. aftrek conform artikel 110g Wgh. Deze geluidbelasting wordt volledig bepaald door de Beijerincklaan.
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de range van de gecumuleerde geluidbelastingen en het waardeoordeel dat hieraan gehecht kan worden op basis van de methode van Miedema. Hierbij wordt opnieuw opgemerkt dat nog geen rekening is gehouden met de afschermenden bebouwing binnen het eigen plangebied. Dit zal in de praktijk ook weer een gunstig effect hebben op het akoestisch woon- en leefklimaat.
Tabel - Milieukwaliteitsmaat (Miedema)
Algemeen
Indien een geluidbelasting als gevolg van de onderzochte geluidsbron hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten hogere waarden worden aangevraagd. Deze hogere waarden kunnen pas worden verleend wanneer is vastgesteld dat maatregelen onvoldoende doelmatig zijn. Op basis van de Wgh is in dat geval onderzoek noodzakelijk naar:
Maatregen ter reductie van de geluidbelasting
Bij het treffen van maatregelen moet een onderscheid worden gemaakt tussen:
Maatregelen aan de bron
Voor de Beijerincklaan geldt dat de gemeente geen invloed heeft op het stiller worden van voertuigen. Maatregelen aan de bron zijn daarom maatregelen die betrekking hebben op de uitvoering van de weg (wegdektype en snelheid) of het verkeer (intensiteiten en samenstelling).
Op basis van de functie van de weg is het niet te verwachten dat op korte termijn wijzigingen mogelijk zijn met betrekking tot de snelheden, verkeersintensiteiten en verkeerssamenstelling.
Geluidreducerend asfalt is technisch gezien niet toepasbaar ter hoogte van o.a. rotondes. Gezien de ligging van het plangebied in de nabijheid van een rotonde, wordt het toepassen van geluidreducerend asfalt daarom bij voorbaat als niet doelmatig beschouwd.
Bij het toepassen van SMA NL 05 (wat wel toepasbaar is op rotondes) kan een geluidreductie van circa 1 dB bereikt worden. De geluidreductie is daarmee onvoldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen en wordt daarom niet als realistisch beschouwd.
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat maatregelen aan de bron voor de Beijerincklaan stuiten op bezwaren van verkeerskundige of technische aard.
Maatregelen in de overdracht
Maatregelen in de overdracht bestaan uit geluidsreducerende schermen of grondwallen.
Een afscherming langs de Beijerincklaan kan - gezien de nabijheid van de rotonde – tot verkeersonveilige situaties leiden. Tevens zal een geluidsscherm op deze locatie niet doelmatig zijn aangezien het scherm onderbroken moet worden ter plaatse van mogelijke in- en uitritten van de percelen aan de Tweede Bloksweg.
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van verkeerskundige of landschappelijke aard.
Maatregelen bij de ontvanger
Maatregelen bij de ontvanger bestaan uit het treffen van maatregelen aan de gevel van de woningen.
Op basis van het Bouwbesluit 2012 bedraagt de karakteristieke geluidwering van de gevel ten minste 20 dB (art. 3.2 Bouwbesluit). Bij vaststelling van een hogere waarde voor wegverkeer dient de karakteristieke geluidwering minimaal gelijk te zijn aan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB (art. 3.3 Bouwbesluit). Dit betekent dat voor de woningen een karakteristieke gevelgeluidwering van 20 tot 32 dB (afhankelijk van de geluidbelasting per woning) noodzakelijk is als gevolg van wegverkeer.
Gebleken is dat zowel bron- als overdrachtsmaatregelen in de voorliggende situatie stuiten op bezwaren van technische, verkeerskundige of landschappelijke aard. Ontvangermaatregelen worden in ieder geval getroffen op basis van de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012.
Voor de woningen binnen het uitwerkingsplan 'Parkzicht 3' worden daarom de hogere waarden aangevraagd zoals opgenomen in de onderstaande tabel. In totaal wordt voor 26 woningen een hogere waarde aangevraagd.
Tabel - Benodigde hogere waarden a.g.v. Beijerincklaan
Op basis van de Beleidsregel Hogere waarden 2018 van de regio Midden-Holland dienen woningen waarvoor een hogere waarde van meer dan 53 dB wordt aangevraagd, aan de volgende voorwaarden te voldoen:
GELUIDLUWE GEVEL
Voor 6 woningen binnen de bestemming 'Wonen' en 4 woningen binnen de bestemming 'Woongebied' wordt een hogere waarde van meer dan 53 dB aangevraagd. Op basis van de meest actuele stedenbouwkundige invulling die voor dit plangebied is uitgewerkt, is onderzocht of het realistisch is dat de achtergevel van de betreffende woningen als geluidluw kan worden aangemerkt, wanneer ook de geluidafscherming van de woningen zelf in rekening wordt gebracht. De geluidbelasting als gevolg van alle zoneplichtige wegen is daartoe bepaald op de gevel van het gelijkvloers waar de buitenruimte aan grenst. Opgemerkt wordt dat de geluidbelasting volledig wordt bepaald door de Beijerincklaan. De resultaten zijn weergegeven in figuur 5-1.
Afbeelding - geluidbelasting a.g.v. alle zoneplichtige wegen, rekenhoogte 1,5 meter (inclusief
aftrek conform art. 110g Wgh)
Op basis van de rekenresultaten kan geconcludeerd worden dat het reaslistisch is te veronderstellen dat de achtergevel van de woningen met een geluidbelasting van meer dan
53 dB, als geluidluw is aan te merken en dat hier dan ook een geluidluwe buitenruimte kan worden gerealiseerd.
De aanvullende voorwaarden uit de Beleidsregel Hogere waarden 2018 van de regio Midden-Holland hoeven het verlenen van de hogere waarden dan ook niet in de weg te staan.
Het Besluit Hogere Waarden is als Bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen.
Voor in totaal 26 woningen binnen het uitwerkingsplan 'Parkzicht fase 3' worden hogere waarden aangevraagd. Voor 16 woningen binnen de bestemming 'Woongebied' zal een hogere waarde van 53 dB worden aangevraagd. Binnen de bestemming 'Wonen' zullen voor
4 woningen een hogere waarde van 59 dB en voor 2 woningen een hogere waarde van 60 dB worden aangevraagd.
Het plangebied ligt niet binnen wettelijke zones die relevant zijn voor het spoorwegverkeer dan wel industrieterreinen en derhalve vormen deze ook geen belemmering voor het uitwerkingsplan.
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 5 - Grenswaarden voor luchtkwaliteit Wet milieubeheer
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien:
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is:
De NIBM regels gelden niet voor PM2,5. Aan de grenswaarde voor PM2,5 moet dus wel worden getoetst. PM2,5 is een fractie van PM10. Indien aan de normen voor PM10 wordt voldaan wordt ook aan de norm voor PM2,5 voldaan.
Het plan maakt onderdeel van het IBM-project “Woonwijk Triangel” dat onder nummer 1489 in het NSL is opgenomen. De NSL-melding betreft de realisatie van in totaal 3000 woningen in de periode van nu tot 2030. In de Monitoringstool (de rekenkundige onderbouwing van het NSL) is in de voor de luchtkwaliteit berekeningen gebruikte verkeersgegevens eveneens rekening gehouden met de realisatie van deze woningen. Het betreft hierbij gegevens uit het Regionaal Verkeers- en Milieumodel Midden-Holland (RVMH), versie 2.0 voor de prognose over 2020 en 2030 en van versie 2.2 voor de concentratieberekening in 2015. Het voorliggend plan maakt onderdeel uit van het IBM-project en is ten opzichte van de NSL-melding niet gewijzigd. Hiermee kan gesteld worden dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, Wm (“grondslag NSL”) voldaan wordt aan de eisen van de Wet Luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de bijdrage aan de luchtverontreiniging ten gevolge van de planontwikkeling is om deze reden niet noodzakelijk.
PM2,5 en PM10
Per 1 januari 2015 is de grenswaarde voor PM2,5 inwerking getreden. In het globale bestemmingsplan Triangel was onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit concentraties voor NO2 en PM10. Uit de luchtkwaliteitsonderzoeken in het bestemmingsplan Triangel 2008 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan Triangel voldoet aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Indien voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10 dan wordt ook voldaan aan de grenswaarden voor PM2,5. Ondanks dat het rapport van 2008 is kan deze regel nog steeds worden gehanteerd.
Er is van het plangebied een uitsnede gemaakt uit de NSL monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de rekenpunten voor luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied opgenomen. Op alle meetpunten in de omgeving is de concentratie N02 en PM10 < 35 ug/m3 en de PM 2,5 < 20 ug/m3. Deze luchtkwaliteit concentraties zijn lager dan de grenswaarden zoals in voorgaande tabel.
Afbeelding - met meetpunten uit de monitoringstool NSL
In tabel 6 zijn de berekende waarden op een rekenpunt langs de Beijckerincklaan genomen aan de rand van het plangebied. De berekende concentraties liggen ruim onder de grenswaarden.
Tabel 6 - Concentratie van N02, PM10 en PM2,5 in µg/m3
De gemeenteraad heeft een onderzoek laten uitvoeren waarin inzichtelijk is gemaakt wat de bijdrage is van wegverkeer, intensieve veehouderij, huishoudens, geplande biomassacentrales, tuinbouwbedrijven, industrie en scheepvaart op de luchtkwaliteit. Alle bronnen worden op afzonderlijke kaartlagen in beeld gebracht en ook de totale concentratie. In de raadsvergadering van 27 november 2019 zijn de onderzoeksresultaten van het rapport “Inzicht in de lokale luchtkwaliteit van Waddinxveen, Huidige situatie en doorkijk naar 2030 ”projectnummer 1267924, TAUW d.d. 26 november 2019 met de gemeenteraad gedeeld.
De onderzoeksresultaten uit het rapport komen overeen met de resultaten uit het NSL.
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het uitwerkingsplan. Het bestemmingsplan voldoet uit het oogpunt voor luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geven richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken.
De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype "gemengd gebied" kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.
In tabel 7 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Tabel 7 - richtafstanden volgens VNG richtlijn
In onderstaand onderzoek is alleen de bedrijvigheid buiten het plangebied onderzocht, omdat dit plan geen bedrijvigheid mogelijk maakt. Daarbij hoort volgens de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering de volgende aanpak:
Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven
In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van de richtafstanden van Bedrijven en Milieuzonering.
Rondom het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige activiteiten aanwezig:
Gemaal aan de Tweede Bloksweg
Het gemaal aan de is op ongeveer 240 meter van het plangebied gelegen. Conform de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering van de VNG is dit gemaal een categorie 1 inrichting waarvoor een veiligheidsafstand van 10 m van toepassing is. Hiermee wordt voldaan aan de veiligheidsafstand van de VNG richtlijn.
Het gemaal nabij de Tweede Bloksweg 42 produceert geluid. Er is een maatwerkvoorschrift (2016281297) afgegeven, waarbij de geluidsproductie is vastgelegd. Dit heeft tot gevolg dat er een klein gebied is bij het gemaal aan de Tweede Blokweg waar geen woningbouw mogelijk is ten gevolge van de geluidproductie van het gemaal. Dit heeft geen invloed op onderliggend plan.
Gasdrukmeet- en regelstation
Aan de Tweede Bloksweg 38a is een gasdrukmeet- en regelstation gelegen. De afstand van dit station valt niet onder het Bevi. Wel zijn de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. De afstand van het station tot aan het plangebied is ongeveer 320m. De veiligheidsafstand voor dit station tot een gevoelig object moet op basis van het Activiteitenbeesluit Milieubeheer minimaal 25 m zijn. Er wordt voldaan aan de afstanden van het Activiteitenbesluit.
Wagro
Bij de Wagro, Tweede Bloksweg 54 speelt het aspect geur een belangrijke rol. De omgevingsvergunning onderdeel milieu voor het bedrijf is recent geactualiseerd. Uit deze omgevingsvergunning (2016257313) blijkt dat er geen geurcontour over het plangebied ligt.
Voor de Wagro is een vergunning verleend voor een biomassacentrale (capaciteit 14,9 MW), deze vergunning is nog niet onherroepelijk (peildatum 7 juli 2020). Bij de aanvraag van de biomassacentrale (BMC) zijn berekeningen voor lucht en geur aangeleverd, deze voldoen aan de wettelijke richtlijnen. De afstand van de BMC tot de rand van het plangebied is ruim 700 meter. Een biomassa centrale heeft een milieucategorie 3.2, de richtafstand van een dergelijke BMC is 50 meter tot een gemengd gebied.
De Wagro heeft een milieucategorie 4.1. Dit betekent dat op grond van de bedrijven en milieuzonering richtlijn de richtafstand 100 meter is tot een gemengd gebied. De meest bepalende richtafstand is voor het aspect geur. De afstand van het terrein van de inrichting Wagro tot aan het plangebied is ongeveer 1250 meter. Deze afstand is groter dan de richtafstand van 100 meter die voor een rustige woonwijk van toepassing is. Doordat aan de richtafstanden wordt voldaan kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied Parkzicht Fase 3. Omgekeerd wordt de Wagro niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering door de komst van de woningen.
Coenecoop
Het plan Triangel ligt langs de spoorlijn Alphen aan den Rijn en Gouda. In de directe omgeving van het plangebied, aan de oostelijke zijde van de spoorlijn is het bedrijventerrein “Coenecoop” gevestigd. Op bedrijventerrein Coenecoop is de vestiging van bedrijven met een milieucategorie 3.1, 3.2 en 4.1 mogelijk. Bevi bedrijven zijn niet toegestaan. Langs de rand van bedrijventerrein Coenecoop is tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit betekent een richtafstand van 50 meter.
De dichtstbijzijnde bedrijf ligt op ongeveer 500 meter ten opzichte van de woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG richtlijn. Hierdoor kan er vanuit worden gegaan dat de woningen niet gehinderd worden door de bedrijven op Coenecoop. Omgekeerd worden de bestaande bedrijven op de Coenecoop niet belemmerd door de woningbouw. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat.
Distripark
Het Distripark ligt ten zuiden van de A12. Er is geen invloed van de bedrijvigheid van het Distripark op de woonbestemmingen binnen bestemmingplan Triangel. Op het Distripark staan vier windmolens. De invloed die de windmolens kunnen veroorzaken op ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt worden hieronder beschreven.
Windmolens
In het Distripark zijn windmolens gerealiseerd. Windmolens kunnen in de omgeving overlast veroorzaken zoals slagschaduw, geluid en gevaar. Ten aanzien van schaduw, geluid en gevaar zijn voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Om te kunnen waarborgen dat de bewoners van de woningen voor slagschaduw een acceptabel woon- en leefklimaat hebben is een onderzoek uitgevoerd
(Bijlage 8 Slagschaduwberekening).
Afbeelding - situatietekening uit Onderzoek slagschaduw windmolens
Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op ongeveer 1450 m van de windmolens en daarom niet is gelegen binnen het effectgebied van de geplaatste windmolens.
Bestemmingsplan 'Triangel' Uit te werken bedrijfsgebied
Naast de bedrijven in de omgeving heeft het bestemmingsplan Triangel 2008 een uit te werken bedrijfsgebied aan de zuidzijde van Fase G3 (Parkrand) opgenomen. Op de uit te werken bedrijfsbestemming worden maximaal bedrijven in de categorie 1 en 2 toegestaan. Bedrijven met maximaal categorie 2 zijn bedrijven met een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk.
De nieuwe woningen die mogelijk worden gemaakt in dit bestemmingsplan liggen op voldoende grote afstand van de uit te werken bedrijfsbestemmingsplan in deelgebied G3. Er is aldus geen sprake van belemmeringen.
Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Het voldoet uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Ook wordt voldaan aan uitwerkingsregel l: "er dient aangetoond te worden dat de woningen of andere gevoelige functies geen beperkingen opleveren aan de bedrijfsvoering van naastgelegen bedrijven".
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden vastgelegd. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Als “harde” afstandseis” voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op)
Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2022) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen in huis). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd?
Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:
In 2011 is er voor het gehele plangebied Triangel een verantwoording groepsrisico opgesteld ('Verantwoording groepsrisico Triangel gemeente Waddinxveen, 23 december 2011', versie
8 juli 2014). Deze verantwoording is als basis gebruikt voor dit externe veiligheid advies.
Inrichtingen
Parkzicht Fase 3 ligt niet binnen het invloedsgebied van relevante inrichtingen.
Windturbines
Ten zuiden van de A12 bevinden zich 4 windmolens/-turbines. Gezien de afstand tot het plangebied (minimaal 1450 meter) vormen deze met het oog op de externe veiligheid geen belemmering voor het plangebied.
Transport over de weg
Ten zuiden van de Plan Triangel ligt de snelweg A12. Het explosieaandachtsgebied van de A12 ligt buiten dit gebied.
De Beijerincklaan (N453) is aan de noordwest zijde van het plangebied gelegen. De Beijerincklaan wordt gebruikt als bevoorradingsroute voor het LPG-tankstation aan de Dreef in Waddinxveen.
Afbeelding - Externe veiligheid
Voor het plan 'Triangel Noordpunt' zijn door het bureau AVIV risicoberekeningen uitgevoerd (project 111997, 15 september 2011). Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6 bij de Beijerincklaan. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen belemmering. Het berekende groepsrisico (rekening houdend met volledige invulling plangebied Triangel) is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (143 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde).
Conform de 'Beleidsnota externe veiligheid Waddinxveen' moeten 'zeer kwetsbare objecten' (bijvoorbeeld basisscholen, kinderdagverblijven, enz.) worden uitgesloten binnen 80 meter van provinciale wegen. Dergelijke functies moeten in het uitwerkingsplan worden uitgesloten.
Transport over het spoor
Ten oosten van het plangebied is de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn gelegen. Over deze spoorlijn worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze spoorlijn vormt dus geen belemmering voor het plangebied.
Transport per buisleiding
In het noordoosten van het plangebied is binnen de bestemmingen 'Groenvoorzieningen' en 'Spoorwegdoeleinden' een hogedruk aardgasleiding gelegen (W517-01). De specificaties van deze gasleiding zijn in tabel 8 weergegeven.
Tabel 8 - specificaties hogedruk aardgasleiding W 517-01
Deze aardgas leiding ligt buiten het invloedsgebied van het plan.
Transport over het water
In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen gelegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.
In de verantwoording groepsrisico uit 2011 (herziene versie 8 juli 2014) is opgenomen dat de onderstaande maatregelen genomen moeten worden bij de uitwerking van het bestemmingsplan Triangel.
Park Triangel algemeen
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijk hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario dat zich voordoet. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van de gebouwen en de omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Het gaat om goede schuilmogelijkheden en vluchtmogelijkheden.
Uitschakelbare ventilatie
Voor het gehele plangebied (dus ook de woningen) geldt dat het toxisch scenario relevant is, omdat bij een incident giftige stoffen zich over grote afstand kunnen verspreiden. Gebouwen waar mensen verblijven moeten worden voorzien van de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te schakelen.
Hiermee wordt voorkomen dat bij een incident toxische (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Deze maatregel zal in de omgevingsvergunningen (activiteit bouwen) worden opgenomen. Deze maatregel is ook als verplichting opgenomen in het 'Besluit bouwwerken leefomgeving' onder de Omgevingswet (art. 4.124, lid 4).
Vluchtmogelijkheden
Bij de inrichting van het plangebied moet rekening worden gehouden met voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af. Dit kan gerealiseerd worden door de infrastructuur loodrecht op de risicobronnen te projecteren en zorg te dragen voor meerdere vluchtwegen.
De extra kwetsbaarheid van de doelgroep
Voor deelgebied B2 wenst men meerdere scenario's uit te werken; namelijk het realiseren van woningbouw, een combinatie van woningbouw en maatschappelijk doeleinden en de gehele locatie geschikt maken voor maatschappelijke doeleinden. Het gaat hier dus ook om kwetsbare groepen zoals basisschool, kinderdagverblijf, enz. Deelgebied B2 ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Wel is relevant dat ventilatie kan worden uitgeschakeld (zie hierboven). Extra aandachtspunt voor deelgebied B2 is dat niet wordt voldaan aan de wettelijk opkomsttijden van de brandweer (zie hieronder).
Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid
Bluswatervoorzieningen moeten aangelegd worden conform de adviezen van de Veiligheidsregio. Wat betreft bereikbaarheid zijn in het 'Besluit Veiligheidsregio's' opkomsttijden aangegeven voor verschillende functies. Voor de Triangel wordt niet voldaan aan deze wettelijke opkomsttijden. De Veiligheidsregio adviseert om extra rookmelders in de diverse verblijfsruimten te plaatsen. Dit in het kader van een snelle alarmering bij een beginnende brand en daarmee de verkleining van de kans op slachtoffers.
Dit is ook als zodanig opgenomen in de regels van de bestemmingen 'wonen' en 'woongebied'.
Het plangebied ligt in het invloedsgebied van een bevoorradingsroute (Beijerincklaan) van het LPG tankstation aan de Dreef.
Hieronder worden kort de belangrijkste constateringen en te nemen maatregelen samengevat, op basis waarvan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad haar verantwoording kan baseren.
Situatie groepsrisico
Het groepsrisico in verband met de Beijerincklaan en de hogedruk aardgasleiding neemt door het plan Triangel zeer gering toe en blijft ook in de toekomstige situatie (volledige invulling plan Triangel) kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
Maatregelen ter beperking van het groepsrisico
Ter beperking van het groepsrisico worden de volgende maatregelen genomen:
In dit plan opnemen dat 'zeer kwetsbare objecten' niet zijn toegestaan binnen 80 meter van de Beijerincklaan (planregels en verbeelding).
Provinciaal groepsrisicobeleid
De provincie Zuid-Holland heeft een 'Beleidsregel groepsrisico en ruimtelijke ordening' (Provinciaal Blad, nr. 168, 14 januari 2015) vastgesteld. De hoogte van het groepsrisico speelt in deze beleidsregel een belangrijke rol. Het beleid is met name erop gericht om te voorkomen dat door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt en in de eindsituatie boven de oriëntatiewaarde ligt (of als er aanleiding is om dat te verwachten). Voor dit plan is geen sprake van een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Het plan voldoet op dit punt dus aan het provinciaal groepsrisicobeleid.
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Als bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):
Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen al in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Daarnaast dient te worden aangesloten aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS.
Op het plangebied zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd:
Uit het historisch bodemonderzoek (is dit beschikbaar is gebleken dat er op de locatie bronnen aanwezig zijn (geweest) die verontreiniging van de bodem hebben kunnen veroorzaken. Dit betreft (voormalige) kassen en asbestverdachte beschoeiingen. Bij de Omgevingsdienst Midden-Holland zijn niet meer gegevens bekend dan dat er in de rapportage vermeld staan. De locatie wordt als verdacht aangemerkt.
Tijdens het veldwerk zijn zintuiglijk in de bodem bodemvreemde materialen aangetroffen, zoals baksteen, beton, glas en asfalt. Uit de chemische analyse blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink zijn aangetoond.
De ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. In het grondwater zijn barium en molybdeen licht verhoogd aangetoond.
Uit het onderzoek blijkt echter dat deze licht verhoogde gehalten geen bezwaar opleveren. De locatie is geschikt voor het toekomstige gebruik zijnde, wonen met tuin. Dit wordt ook bevestigd door de Omgevingsdienst Midden-Holland, die het bodemonderzoek heeft beoordeeld (Bijlage 7).
Hiermee wordt ook voldaan aan uitwerkingsregel p: "uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse de beoogde functie(s)".
Bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.
In 2018 is de archeologische beleidsadvieskaart geactualiseerd en opgenomen in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en Parkeren (vastgesteld op 19 september 2018). Op basis van archeologisch onderzoek en nieuwe informatie over de ondergrond zijn zones met een archeologische verwachting opnieuw vastgesteld.
Afbeelding - uitsnede uit de geactualiseerde beleidskaart
zwarte contour = begrenzing plangebied Triangel
rode stip = ligging plangebied
1 = middelhoge archeologische verwachting (geactualiseerde ligging stroomgordel)
2 = lage archeologische verwachting (geen onderzoeksplicht)
Afbeelding - uitsnede Parapluplan Acheologie en Parkeren (bron Ruimtelijkeplannen.nl)
rode stip= ligging plangebied
kruisjes arcering = dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3
geen arcering = gebied met lage archeologische verwachtingen (geen onderzoeksplicht)
Huidige ontwikkelingen plangebied Parkzicht Fase 3 en archeologische
dubbelbestemming
Op basis van de geactualiseerde beleidskaart wordt voor de huidige ontwikkelingen binnen het plangebied Parkzicht Fase 3 geen archeologisch onderzoek meer nodig geacht.
Het plangebied valt in een zone waar geen onderzoeksplicht geldt. Enerzijds is de huidige opvatting dat de diepere ondergrond (de afzettingen van de stroomgordel) niet geschikt is geweest voor bewoning in de prehistorie. Anderzijds zullen de voorgenomen ontwikkelingen de diepere ondergrond niet grootschalig verstoren: er vinden grootschalige ophogingen plaats waarop ontwikkeld wordt, de dichtheid aan heipalen voor de beoogde huizenbouw is relatief gering en er vinden geen grootschalige diepe graafwerkzaamheden plaats.
Ter bescherming en het behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden hoeft in dit uitwerkingsplan geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen te worden.
De Wet natuurbescherming is het belangrijkste kader voor de bescherming van gebieden en soorten. Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming (2016) en Beleidsregel Wet natuurbescherming (2016), Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland (2019); natuurbeheerplan 2020 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013.
Wet natuurbescherming (Wnb)
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. De wet maakt onderscheid tussen gebieds-, soorten- en houtopstandenbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde bepalingen in de Wnb verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming wordt verleend door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Onder de Wnb zijn gedeputeerde staten van provincies bevoegd gezag voor ontheffing- of vergunningverlening. In de provincie Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Haaglanden belast met de vergunningverlening, terwijl Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid de toezichts- en handhavingstaken uitvoert voor de Wnb.
Gebiedsbescherming
Het onderdeel gebiedsbescherming bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. In artikel 2.7 staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De wet schrijft verder voor dat onder voorwaarden een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied, voor het voornemen noodzakelijk is (artikel 2.8). In een eventueel verkregen vergunning zijn aan handelingen die een negatief effect hebben op een Natura 2000-gebied voorwaarden verbonden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren. Het uitvoeren van een passende beoordeling kan ook leiden tot het opstellen van een milieueffectrapport bij het doorlopen van een planologische procedure.
Soortenbescherming
In de wet zijn verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde flora en fauna. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken met een goedgekeurde gedragscode. Als dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten van de provincies. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Bij de plantoets voor een bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt met ecologisch onderzoek, dat een eventuele ontheffingsaanvraag voldoende onderbouwd kan worden en verwacht mag worden dat de ontheffing wordt verleend door het bevoegd gezag.
Voor enkele soorten is een vrijstelling verleend bij de uitvoering van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten staan opgenomen in de provinciale Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (vastgesteld op 9 november 2016).
Zorgplicht
In aanvulling op bovenstaande bevat de Wnb de “zorgplicht”, die stelt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor beschermde gebieden, flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.
Het perceel waarop het voornemen wordt gerealiseerd bevat geen enkele bebouwing meer en er is in 2020 grond opgebracht om de bodem voor te belasten en het perceel bouwrijp te maken. Het is niet aannemelijk dat zich beschermde soorten in/om het perceel bevinden. Ecologisch onderzoek is derhalve niet aan de orde.
Afbeelding - huidige situatie plangebied, december 2020
Gelet op de manier waarop de voorbelasting van het plangebied plaatsvindt is wel onderzocht of na het aan brengen van de voorbelasting de rugstreeppadden en oeverzwaluwen het gebied niet opnieuw in gebruik hebben genomen. Aangezien deze voorbelasting met haar steile oevers en zandige bodem potentieel geschikt zou kunnen zijn voor deze soorten. Uit dit onderzoek en daarna opgesteld rapport (zie Bijlage 11) naar de eventuele aanwezigheid van de rugstreeppad en de oeverzwaluw is gebleken dat:
Rugstreeppad:
Conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene bureaus zijn 3 onderzoeksrondes uitgevoerd. Alle rondes zijn uitgevoerd tijdens of na een natte periode. Omdat de maand mei ongebruikelijk koud was, zijn de meeste rondes in juni/juli uitgevoerd.
Conclusie
Er zijn geen roepende rugstreeppadden waargenomen; ook zijn er geen rugstreeppad larven of juvenielen geconstateerd.
Er is slechts één ondiepere poel aanwezig die als voortplantingsplaats wordt gebruikt door groene kikker.
Oeverzwaluw
Tijdens geen van de rondes zijn actieve nesten van de oeverzwaluw geconstateerd (op 11 mei is ook overdag gekeken). Er zijn alleen enkele overvliegende oeverzwaluwen waargenomen.
De oeverzwaluw is niet jaarrond beschermd in de provincie Zuid-Holland. Niet actieve nesten kunnen sowieso buiten het broedseizoen worden verwijderd. Omdat geen actieve nesten zijn aangetroffen, hoeft met deze soort geen rekening gehouden te worden bij de ontwikkeling.
Overige
De zorgplicht en de kaders uit het broedseizoen gelden te allen tijde. Deze zijn opgenomen in de quick scan flora en fauna (Bijlage 10)
Gezien de ligging van het plangebied ten opzichten van onderdelen van het NNN en Belangrijke weidevogelgebieden is een negatief effect op deze gebieden uitgesloten. Verstorende effecten op circa 10,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden als gevolg van geluid, trilling, licht en beweging, die bij de bouwactiviteiten plaatsvinden, kunnen worden uitgesloten.
Er is een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie (zie Bijlage 9) omdat dit ook op grotere afstand nog wel invloed kan hebben. In dit onderzoek is naar de stikstofdepositie in de gebruiksfase en de bouwfase gekeken. De resultaten en conclusie zijn hieronder beschreven.
Gebruiksfase
Het in gebruik nemen van maximaal 26 nieuwe woningen zal leiden tot een permanente stikstofemissie. De woningen zelf worden 'gasloos', zodat deze in de toekomst geen relevante emissie van stikstof veroorzaken. De enige relevante bron van stikstofemissie wordt veroorzaakt door de verkeersgeneratie vanwege de woningen. De omvang van de verkeersaantrekkende werking is bepaald aan de hand van CROW-kentallen.
Uitgaande van 26 nieuwe woningen in de rest bebouwde kom, bedraagt de verkeersaantrekkende werking circa 202 mvt/etmaal.
Voor de route van de verkeersgeneratie wordt er vanuit gegaan dat 50% van het verkeer in oostelijke richting en 50% van het verkeer in westelijke richting van en naar het plangebied rijdt. In oostelijke richting is het verkeer beschouwd tot aan de aansluiting met de N207 (worstcase benadering). In westelijke richting is het verkeer beschouwd tot aan de aansluiting met de A12 (worstcase benadering). Vanaf de N207 en de A12 wordt ervan uitgegaan dat het verkeer in ieder geval is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
Voor de gebruiksfase van maximaal 26 nieuwbouwwoningen binnen het plan is berekend dat de bijbehorende stikstofemissie van 64,4 kg NOx niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op relevante nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Gevoeligheids analyse
Ook is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd ten aanzien van de gebruiksfase. Geconcludeerd is dat zelfs indien de verkeersaantrekkende werking van de 26 nieuwbouwwoningen tijdens gebruik met een factor 10 vermenigvuldigd wordt, dat dan alsnog geen toename van de stikstofdepositie berekend wordt.
Bouwfase
Ten behoeve van voorliggend onderzoek is bepaald bij welke maximale stikstofemissie als gevolg van de bouwfase geen toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving zal plaatsvinden, of anders gezegd bij welke maximale emissie geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar wordt veroorzaakt in het eerste jaar dat de bouwfase is voorzien. Om deze maximaal toegestane emissie als gevolg van de bouwfase te kunnen bepalen, zijn twee bronnen van stikstofemissie in AERIUS gemodelleerd.
1) Emissie als gevolg van brandstofverbranding mobiele werktuigen: hiervoor is een oppervlaktebron gemodelleerd ter plaatse van het plangebied. Voor deze bron zijn de standaard kenmerken uit AERIUS Calculator aangehouden voor de sector 'Mobiele werktuigen – Bouw en Industrie'. In een eerste variant wordt ervan uitgegaan dat 100% van de in te zetten mobiele werktuigen zware (vermogen 300-560 kW) en relatief oude machines betreffen die over STAGE IIIa motoren beschikken en in een tweede variant dat 100% van de in te zetten mobiele werktuigen zware (vermogen 300-560 kW) machines betreffen die over STAGE IV motoren beschikken;
2 - 3) Emissie als gevolg van brandstofverbranding bouwverkeer: hiervoor zijn twee lijnbronnen gemodelleerd vanaf het plangebied. Op dezelfde manier als voor de gebruiksfase is ook hier het verkeer in oostelijke richting beschouwd tot aan de aansluiting met de N207. In westelijke richting is het verkeer beschouwd tot aan de aansluiting met de A12. Vanaf de N207 en de A12 wordt ervan uitgegaan dat het verkeer in ieder geval is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor deze bronnen zijn de standaard kenmerken uit AERIUS Calculator aangehouden voor de sector 'Wegverkeer – Binnen bebouwde kom'.
Afbeelding - In AERIUS Calculator gemodelleerde bronnen bouwfase
Uitgaande van deze emissiebronnen is voor de bouwfase bepaald dat een emissie als gevolg van deze bouwfase van maximaal 779 kg NOx op jaarbasis niet leidt tot een toename van de depositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden of anders gezegd, een emissie als gevolg van deze bouwfase van maximaal 779 kg NOx op jaarbasis levert geen depositieresultaten op boven 0,00 mol/ha/jaar.
Conclusie
Voor het deelplan 'Parkzicht fase 3' van het Park Triangel te Waddinxveen is geconcludeerd dat de bouwfase (makkelijk) uitvoerbaar is zonder dat dit tot een toename van de stikstofdepositie in relevante Natura 2000-gebieden hoeft te leiden. Indien de werkzaamheden zo worden ingericht dat aan de maximaal toegestane stikstofemissie van 779 kg NOx op jaarbasis wordt voldaan, worden er geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar berekend. Daarnaast is berekend dat de gebruiksfase in ieder geval niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
De Wet natuurbescherming vormt, vanuit het aspect stikstofdepositie, bijgevolg geen belemmering voor het vaststellen van dit uitwerkingsplan.
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn.
Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is volgens ODMH niet noodzakelijk.
Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan ODMH niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld.
In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd.
Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's:
Getoetst wordt of bij het voorgenomen uitwerkingsplan het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang.
Het voorliggend plan is voor wat betreft het "beschermen van grote groepen mensen" mogelijk strijdig met het provinciaal belang. In paragraaf 6.5 Externe veiligheid is dit onderbouwd.
Door het nemen van de voorgestelde maatregelen blijft het groepsrisico beperkt.
Er is geen provinciaal milieubelang in het geding.
Het uitwerkingsplan ‘Triangel UP Parkzicht fase 3’ bestaat uit drie delen: een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het uitwerkingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het uitwerkingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven.
Voorliggend uitwerkingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het gebruik van gronden in het plangebied en de toegestane bebouwing. Het plan is gericht op het mogelijk maken van een bouwplan welke passend is binnen de uitwerkingsregels.
Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. Het plan sluit daarom aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en bij het bestemmingsplan Bebouwde Kom 2015 van de gemeente Waddinxveen.
Verbeelding
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen de bestemmingsvlakken zijn bouwvlakken en bouwaanduidingen opgenomen, die duidelijk maken op welke locaties, welke type woningen, mogen worden gebouwd.
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Toelichting
De toelichting van een uitwerkingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het uitwerkingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend uitwerkingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Artikel 3 Water
De bestemming 'Water' is gegeven aan de aanwezige en te behouden hoofdwatergang langs de Tweede Bloksweg. De bestemmings- en bouwregels in dit artikel zijn gebaseerd op het aansluitende uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1'.
Binnen deze bestemming vallen water, watergangen, waterpartijen, waterhuishouding, waterberging, oevers en taluds, nutsvoorzieningen en bij een ander behorende overige voorzieningen. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn heel beperkt. Er zijn geen gebouwen toegelaten, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en perceelsafscheidingen en duikers en bruggen.
Artikel 4 Wonen
Deze bestemming regelt 6 vrijstaande woningen in de strook langs de Tweede Bloksweg.
De bestemmings- en bouwregels in dit artikel zijn gebaseerd op het aansluitende uitwerkingsplan 'Triangel Linten 1', zodat langs de Tweede Bloksweg uniforme bouwregels gelden.
In de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Hierbinnen kunnen de ontwikkelingen plaatsvinden. In de regels zijn onder andere opgenomen:
Naast een regeling voor hoofdgebouwen (de woningen) zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ook deze zijn zo veel mogelijk afgestemd op de eerder genoemde uitwerkingsregels en Visie.
Hetzelfde geldt voor de regels die zijn opgenomen ten aanzien van het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. In een woning en bijbehorende bouwwerken is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Daarbij is detailhandel expliciet uitgesloten. Internetwinkels, die wel detailhandel zijn, maar dan zonder de fysieke vorm of uitstraling van een winkel, zijn wél toegestaan. Van het begrip 'internetwinkel' is een omschrijving opgenomen in artikel 1 van de regels.
Artikel 5 Woongebied
Deze bestemming regelt 20 woningen in de strook aan de Parklaan, vanaf de rotonde met de Tweede bloksweg tot aan de splitsing met de Polderlaan. Deze woningen mogen als rijwoning of als 2onder1 kap woning worden uitgevoerd. De bestemmings- en bouwregels in dit artikel zijn gebaseerd op artikel 6 'Uit te werken Woongebied (UW)' van het bestemmingsplan 'Park Triangel'.
Op de verbeelding is een bestemmingsvlak opgenomen. Hierbinnen kunnen de ontwikkelingen plaatsvinden. In de regels zijn onder andere opgenomen:
Naast een regeling voor hoofdgebouwen (de woningen) zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In een woning en bijbehorende bouwwerken is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Daarbij is detailhandel expliciet uitgesloten. Internetwinkels, die wel detailhandel zijn, maar dan zonder de fysieke vorm of uitstraling van een winkel, zijn wél toegestaan. Van belang is dat geen sprake is van een afhaalfunctie en geen publieksfunctie. Deze functie levert een te grote belasting op voor de woonomgeving (parkeren, verkeersoverlast). Van het begrip 'internetwinkel' is een omschrijving opgenomen in artikel 1 van de regels.
Er zijn relatief weinig regels opgenomen ten aanzien van het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de achtertuinen. De reden daarvoor is, dat de regels voor vergunningvrij bouwen met de invoering van de Wabo (Wet algemene bepalingen overgangsrecht) en de Bor (Besluit omgevingsrecht) zijn verruimd. De regels van vergunningvrij bouwen gelden ongeacht de bouwregels in het uitwerkingsplan.
Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen
Rondom de LPG-stations, gasleidingen en de routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen zijn zones opgenomen waarbinnen geen nieuwe functies gerealiseerd mogen worden ten behoeve van het verblijf van verminderd zelfredzame personen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Beijerincklaan. Binnen de aangegeven zone mogen zich in beginsel geen zeer kwetsbare groepen vestigen.
Overige regels -
Parkeren
In de algemene regels zijn regels opgenomen om de parkeerbehoefte te kunnen sturen, in de vorm van een verwijzing naar het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen.
Op deze wijze wordt een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van dit onderwerp in het kader van aanvragen om een omgevingsvergunning.
De gemeente heeft samen met BPD (voorheen Bouwfonds) een gemeenschappelijke exploitatiemaatschappij (GEM) opgericht voor de ontwikkeling van Park Triangel.
Voor deze ontwikkeling is een gezamenlijke grondexploitatie opgesteld conform de samenwerkingsovereenkomst van maart 2010 tussen de gemeente Waddinxveen en BPD.
Voor de gronden, waarvoor geen overeenstemming over de ontwikkeling wordt bereikt, wordt gebruik gemaakt van het bekostigingsbesluit.
Het ontwerp van het uitwerkingsplan 'Triangel UP Parkzicht fase 3' heeft van 21 oktober 2021 tot en met 1 december 2021 ter inzage gelegen. Het ontwerpuitwerkingsplan -met overige relevante stukken- is gedurende deze periode ook digitaal raadpleegbaar geweest. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om -mondeling of schriftelijk- een zienswijze in te dienen.
Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend.
Gelijktijdig met de terinzagelegging is het uitwerkingsplan voor advies voorgelegd aan de wettelijk verplichte relevante overlegpartners.
Gelet op het bovenstaand heeft het college van Burgemeester en Wethouders tijdens de vergadering van 21 december 2021 besloten het uitwerkingsplan ongewijzigd vast te stellen.
(zie bijgevoegd
Vaststellingsbesluit
)