direct naar inhoud van Artikel 14 Natuur - Landgoed 1
Plan: Buitengebied Beesel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0889.BPBuitengebied-VA03

Artikel 14 Natuur - Landgoed 1

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Landgoed 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 1', wonen in maximaal 7 woningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 2', uitsluitend een bijbehorend bouwwerk, behorende bij de onder a. genoemde aanduiding;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • d. natuur met behoud en herstel van de aldaar voorkomende landschappelijke, cultuurhistorische en monumentale waarden;
  • e. cultuurhistorische manifestaties;
  • f. een samenhangend beheer van de gronden met de daarbij behorende bouwwerken;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 42.4;
  • h. bosbouwkundig medegebruik voor wat betreft bossen en houtopstanden;
  • i. recreatief medegebruik van wegen en paden; tuinen, erven en terreinen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • l. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen

Op de voor 'Natuur - Landgoed 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 14.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
14.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 1' mogen maximaal 7 woningen worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend wordt gebouwd binnen de afmetingen van de bestaande gebouwen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 2' mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, behorende bij de binnen het landgoed toegestane woningen, met dien verstande dat uitsluitend wordt gebouwd binnen de afmetingen van de bestaande gebouwen.
14.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor maximaal 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
14.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
14.4 Specifieke gebruiksregels
14.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • d. evenementen;
  • e. mantelzorg;
  • f. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • g. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of halfverharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanleggen of inrichten van dagcampings, picknickplaatsen, speel- en ligweiden;
  • c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
14.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 14.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van een boom- of sierteeltbedrijf;
  • e. werkzaamheden binnen het bouwvlak.
14.5.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 14.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;