direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de noordzijde van 's-Heer Hendrikskinderen, tegen de Nieuwe Rijksweg aan, ligt een perceel met perifere detailhandel (zie figuur 1). Er was lange tijd een tuincentrum gevestigd, een korte tijd een fietsenwinkel en een outletstore. In de huidige situatie staan de panden leeg. De initiatiefnemer heeft de wens de gebouwen op het perceel te slopen en 30 grondgebonden woningen te realiseren. Het betreffen koopwoningen en sociale huurwoningen. Omdat de realisatie van woningen niet mogelijk is op basis van het geldende bestemmingsplan is een nieuw bestemmingsplan benodigd. Het onderhavige plan voorziet hier in. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunning de uitvoering van het project mogelijk te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0001.png"

Figuur 1 | Luchtfoto van het plangebied (bron: www.zeeland.nl, bewerking Juust BV)

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de noordzijde van 's- Heer Hendrikskinderen en is circa 1,3 hectare groot (zie figuur 2). Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend, gemeente Goes, sectie W, nummers 617, 445 en 343. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Nieuwe Rijksweg. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door het perceel Oude Rijksweg 2B, aan de zuidzijde door de Jacoba van Beierenstraat 16A en aan de westzijde door een groenstrook en een fietspad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0002.png"

Figuur 2 | Percelen plangebied (bron: www.scheldestromen.nl, bewerking Juust BV)

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 's-Heer Hendrikskinderen', vastgesteld op 29 mei 2008 door de gemeenteraad van de gemeente Goes (zie figuur 3). De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Detailhandel' en 'Bedrijf'. De bestemming 'Detailhandel' is bedoeld voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden en de verhuur en/of leveren van goederen aan personen. Ter plaatse is de functieaanduiding 'Tuincentrum' opgenomen die tevens een tuincentrum op de locatie mogelijk maakt. De gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten uit categorie 1 en 2 van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Woningbouw is binnen de bestemmingen niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0003.png"

Figuur 3 | Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 's-Heer Hendrikskinderen' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Opzet

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de geldende beleidskaders van het Rijk, de Provincie Zeeland en de gemeente Goes. Vervolgens gaat Hoofdstuk 3 in op kenmerken van het plangebied. Hoofdstuk 4 beschrijft de voorgenomen ontwikkeling. In Hoofdstuk 5 wordt het plan getoetst aan verschillende relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische vormgeving. Dit betreft de opzet van de verbeelding en de regels en een toelichting op de bestemmingen. Hoofdstuk 7 gaat in op de handhaving van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 8 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan en Hoofdstuk 9 gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is er sprake van de bouw van 30 nieuwe woningen en daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling.

In 's-Heer Hendrikskinderen is de vraag naar nieuwe woningen binnen de kern groot. De vraag naar het type woning varieert van vrijstaande woningen om op de woningmarkt door te kunnen stromen tot goedkopere starterswoningen voor jongeren die in de kern willen blijven wonen en levensloopbestendige woningen. In paragraaf 2.3 is de behoefte aan de te ontwikkelen woningen verder onderbouwd.

De locatie betreft een reeds bebouwde locatie binnen het bebouwde gebied van de dorpskern (zie paragraaf 1.2 en 3.3). Daarmee is er sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Nadere onderbouwing is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijk daarmee niet nodig.

2.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018

Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu.

De provincie zet met het Omgevingsplan in op een goed werkende woningmarkt met voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Ruimtelijke bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik staan hierin voorop. Hier stelt de provincie de Zeeuwse burger en zijn of haar woonwensen centraal. Daarnaast is een goed functionerende dynamische woningmarkt met voldoende nieuwbouw, doorstroming en verandering binnen de bestaande woningvoorraad van provinciaal belang.

Provinciale Omgevingsverordening 2018
De provincie Zeeland heeft, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 21 september 2018 een nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld. Ten aanzien van het onderwerp 'wonen' is uitsluitend een regeling opgenomen voor kleinschalige locaties in het buitengebied. Daarvan is hier geen sprake. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening.

2.3 Regionaal beleid

Agenda Wonen in De Bevelanden 2025

In 2013 hebben de vijf gemeenten binnen het samenwerkingsverband De Bevelanden afspraken gemaakt over het wonen in de regio. De afspraken en het programma die toen gemaakt zijn, zijn in de Agenda Wonen in De Bevelanden 2025 geactualiseerd. Dit programma heeft een looptijd tot 2025 en is afgestemd op de huishoudensprognose en de woonvoorkeuren. De kernthema`s die de basis vormen voor de woningafspraken zijn:

  • 1. realistische woningbouwproductie;
  • 2. bundeling op basis van de lange termijn behoefte in de markt, de vraagkant dus;
  • 3. kwaliteit en kwantiteit;
  • 4. aanpak bestaande woningvoorraad, ook particuliere koopvoorraad;
  • 5. wonen en zorg;
  • 6. regionale prestatieafspraken met corporaties;
  • 7. arbeidsmigranten;
  • 8. grondprijzen voor woningbouw;
  • 9. monitoring.

In het onderhavige plan is sprake van de ontwikkeling van 30 woningen. In de woningmarktafspraken is voor het oplossen van ruimtelijke knelpunten waaronder aandachtslocaties 25 woningen opgenomen. Hiervan zijn 20 woningen gereserveerd voor de herontwikkeling van onderhavig plangebied. Om de gewenste herontwikkeling van deze locatie mogelijk te maken wordt voor 10 woningen gebruik gemaakt van de restcapaciteit in alle dorpen binnen het woningbouwprogramma voor de gemeente Goes. Deze aanpassing wordt verwerkt bij de actualisatie van de regionale woningmarktafspraken.

In 's-Heer Hendrikskinderen is een grote behoefte aan sociale huurwoningen en levensloopbestendige woningen. Het huidige aanbod van dit type woningen is in 's-Heer Hendrikskinderen momenteel zeer beperkt. Als eis voor de ontwikkeling is dan ook gesteld dat er minimaal 9 sociale huurwoningen gerealiseerd moeten worden en voorzien moet worden in levensloopbestendige woningen. In de ontwikkeling is hiermee rekening gehouden. De geplande geschakelde woningen hebben een volledig woonprogramma op de begane grond. Met daarbij de een deel van de rijwoningen en vrijstaande woningen in de koopsector wordt voorzien in een gevarieerd programma en in de huidige woningbehoefte binnen 's-Heer Hendrikskinderen.

Regionale woonvisie
Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid.

De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd:

  • 10. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad.

De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden.

  • 11. De Bevelanden voor iedereen.

De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk.

  • 12. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt.

De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma.

  • 13. De Bevelanden benut het bestaande.

De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte.

  • 14. De Bevelanden zorgt.

Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten.

2.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie #Goes2040
In juni 2012 heeft de gemeente Goes de structuurvisie #Goes 2040 vastgesteld. Goes ligt in het hart van de Bevelanden en levert een belangrijke bijdrage aan de Zeeuwse economie. Het is een aantrekkelijke woongemeente met een monumentale binnenstad en daar rondom veilige, ruime en groene woonmilieus.

Goes streeft naar kwalitatief hoogwaardige woonmilieus voor alle leeftijdsgroepen. Daarbij gaat het niet alleen om de juiste woning, toegesneden op de huidige en toekomstige gebruiken maar ook om de kwaliteit van de woonomgeving. In de dorpen, zoals 's-Heer Hendrikskinderen staat het wonen voorop. Aanpak van zwakke plekken, zoals vervallen panden, is nodig om de woonomgeving gezond te houden. Met het onderhavige plan worden leegstaande gebouwen gesaneerd, hiermee wordt verpaupering voorkomen. De bestaande woonomgeving en entree van 's-Heer Hendrikskinderen krijgt hiermee een kwaliteitsimpuls.

 

Woonvisie Goes 2013-2020
In oktober 2013 heeft de gemeenteraad van Goes de Woonvisie Goes 2013-2020 vastgesteld. De woonvisie is een uitwerking van het thema wonen wat in de Structuurvisie #Goes 2040 ook aan bod is gekomen. De volgende drie pijlers staan centraal in het woonbeleid:

  • Toekomstbestendig en complexe woonmilieus in de wijken en kernen,
  • een duurzame woningvoorraad
  • slaagkansen voor iedereen

Met het onderhavige plan wordt een gevarieerd woonmilieu gerealiseerd met verschillende typen woningen, van duur tot sociale huur. Hiermee wordt de keuzemogelijkheid op de Goese woningmarkt versterkt. Daarnaast worden de nieuwe woningen gebouwd met de nieuwste technieken waardoor bij wordt gedragen aan een toekomstbestendige duurzame woningvoorraad.

Gezondheidsbeleid 2018
De gemeente Goes heeft voor de periode van 2018 tot en met 2021 gezondheidsbeleid opgesteld. In het beleid zet de gemeente in op een gezonde en groene leefomgeving. Een gezonde groene leefomgeving daagt mensen uit naar buiten te gaan voor een ommetje. Met de herontwikkeling van het plangebied ontstaat een extra route vanuit de bestaande woonwijk vanaf de Jacoba van Beierenstraat. Hiermee wordt het gebied toegankelijker en nodigt extra uit om een ommetje te maken.

Kader voor de Transformatie Agenda Goes
Sinds 1 januari 2015 heeft de gemeente Goes de taken jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en zorg en participatie van het Rijk gekregen. De gemeente wil de zorg verbeteren en heeft hiervoor een Agenda opgesteld. De bestuurlijke overheveling van Rijk naar gemeenten biedt kansen om de ondersteuning van inwoners die dat nodig hebben echt anders vorm te geven. De gemeente wil mensen niet langer van het ene loket naar het andere laten gaan, maar actief de inwoner ondersteunen. Met de ontwikkeling wordt verouderde en detonerende bebouwing gesloopt. Hiervoor komt een variatie aan woningen terug. Het betreft onder andere sociale huurwoningen en starterswoningen in de koopsector.

2.5 Conclusies

Het beleid van het Rijk, de Provincie Zeeland en de gemeente Goes zijn beoordeeld en het plan is getoetst. De sloop van de (detonerende) bebouwing voor detailhandel en bedrijfsactiviteiten en de ontwikkeling van een mix aan woningen past binnen het beleid van de genoemde overheden.

.

Hoofdstuk 3 Inventarisatie en Analyse

3.1 Historie

Het plangebied ligt ten noorden van 's -Heer Hendrikskinderen, tegen de in 1147 aangelegde ringdijk (Nieuwe Rijksweg). 's-Heer Hendrikskinderen is gesticht als nederzetting op een uitloper van de kreekrug waar ook Goes op is gebouwd. Bewoning begint op zijn laatst rond het jaar 1200. Ten zuiden van deze ringdijk, dicht bij het plangebied, is omstreeks de 13e eeuw een kasteel gebouwd genaamd 'Huis te Werf' of 'Hendriksburg' (zie figuur 4 en 5). Het kasteel is waarschijnlijk tussen 1798 en 1802 gesloopt.

In de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw zijn er aan de rand van het dorp veel woningen gebouwd, mede door de gunstige ligging ten opzichte van Goes. Het plangebied was, voordat het tuincentrum zich er vestigde, in gebruik door een fruitteeltbedrijf met boomgaard.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0004.png"

Figuur 4 | Historische kaart ligging plangebied en 'Huis te Werf' (bron: T)

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0005.png"

Figuur 5 | Plangebied in 1970 (bron: www.zeeland.nl)

3.2 Functionele opbouw van het gebied

's- Heer Hendrikskinderen is een dorp met ongeveer 1400 inwoners. Er zijn diverse voorzieningen in het dorp zoals een basisschool, fysiotherapeut en diverse sportverenigingen. Voor de overige voorzieningen kan worden uitgeweken naar Goes. Het plangebied is lange tijd in gebruik geweest als (perifere) detailhandellocatie. Omdat het plangebied naast de provinciale weg ligt, net buiten het dorp was dit voor de omgeving een goede locatie voor dit soort detailhandel. Het plangebied ligt tussen de Nieuwe Rijksweg en de woonbebouwing van 's-Heer Hendrikskinderen in.

3.3 Ruimtelijke opbouw van het gebied

Omdat het plangebied tussen de Nieuwe Rijksweg/N664 en de woonbebouwing van het dorp ligt, bepaald de inrichting van het plangebied voor een groot deel het eerste aanzicht op 's- Heer Hendrikskinderen vanaf Goes. Aan de zuidzijde ligt een woonwijk en een groot perceel met één vrijstaand huis waar een kleinschalige woningbouwontwikkeling voorzien is. Aan de oostzijde staan een aantal vrijstaande woningen waar voorheen een hovenier gevestigd was.

De bestaande bebouwing bestaat uit een glazen kas, waarin het tuincentrum gevestigd was en een stenen gebouw. De westzijde van het plangebied was in gebruik als buitenruimte behorend bij het tuincentrum. Aan de oostzijde van het perceel is het parkeerterrein gesitueerd. Het gebied is goed te bereiken via de parallelweg langs de Nieuwe Rijksweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0006.png"

Figuur 6 | Huidige situatie (bron: Cyclomedia, 2019)

Hoofdstuk 4 Visie op het plangebied

Stedenbouwkundige opzet
Uitgangspunt voor de stedenbouwkundige opzet van het plan is het aanhaken aan bestaande structuren. Door de stratenstructuur van het achterliggende gebied (Jacoba van Beierenstraat) door te trekken tot aan de Nieuwe Rijksweg gaat het plangebied meer deel uit maken van het achterliggende dorp. De blokken die hierdoor ontstaan worden ingevuld met gesloten bebouwing die tevens dienst doen als geluidsbuffer tussen de weg en het dorp. Tevens wordt door middel van een hoekaccent aan de westzijde van het plangebied worden voorzien in een entree voor het dorp. Door de bebouwing ten oosten van de gesloten blokken als vrij liggende woonbebouwing uit te voeren wordt het beeld van een verdunnende bebouwingsstructuur versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0007.png"

Figuur 7 | Stedenbouwkundige structuur (bron: Architecten Alliantie)

Het bouwplan
Het bouwplan bestaat in totaal uit 30 woningen van verschillende typologieën. Het plan bestaat uit rijwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen. Er worden zowel koopwoningen als sociale huurwoningen gerealiseerd. De vrijstaande woningen worden aan de oostzijde gesitueerd en zijn hoofdzakelijk georiënteerd op de Nieuwe Rijksweg. Eén vrijstaande woning wordt verder naar achteren in het gebied geplaatst en is georiënteerd op ontsluiting haaks op de Nieuwe Rijksweg. De geschakelde woningen zijn in het midden van het gebied gelegen en zijn georiënteerd op de Nieuwe Rijksweg. Aan de westzijde, nabij de kruising, worden rijwoningen gebouwd. Hiermee vindt er vanaf de kruising en ingang van het dorp richting Goes een steeds verdere verdunning van woningen plaats en is er sprake van een geleidelijke overgang van dorpsbebouwing naar de groene agrarische zone tussen 's-Heer Hendrikskinderen en Goes. In het verlengde van de Jacobahof wordt nog een blok met rijwoningen gerealiseerd. De maximale goothoogte van de woningen bedraagt 6 meter en de maximale bouwhoogte 10 meter. Uitzondering hierop is het hoekaccent aan de westzijde van het plangebied. Hier geldt geen maximale goothoogte en bedraagt de maximale bouwhoogte 10 meter. Daarmee is een platte afdekking tot een hoogte van 10 meter mogelijk.

Het woningbouwprogramma is als volgt:

  • 7 vrijstaande woningen;
  • 8 geschakelde woningen;
  • 15 rijwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0008.png"

Figuur 8 | Inrichtingsplan (bron: Architecten Alliantie)

Het groen in de openbare ruimte is geconcentreerd rondom de parkeerplaatsen.

De woningen in het plangebied bestaan uit verschillende typologieën. Aan de noordzijde, in het midden, zijn patioachtige geschakelde woningen gesitueerd. Dit zijn woningen met een woonprogramma op de begane grond en gedeeltelijk een tweede verdieping. De geschakelde woninhgen kunnen zowel voorzien worden van een zadeldak als een lessenaarsdak. Op het achterste gedeelte van de achtertuin wordt op eigen terrein een berging en carport gerealiseerd. Onder de carport worden twee parkeerplaatsen aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0009.png"

Figuur 9 | Referentiebeeld geschakelde woningen (bron: Architecten Alliantie)

Aan de westzijde worden rijwoningen gesitueerd met een kap. Bij deze rijwoningen wordt aan de achterzijde van het perceel een gebouwde erfafscheiding of bergingen gerealiseerd in stijl van de woning. Op de uiterste westelijke hoek is een hoekaccent opgenomen met de mogelijkheid tot een platte afdekking en een bouwhoogte van 10 meter. Aan de oostzijde worden vrijstaande woningen gesitueerd met een kap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0010.png"

Figuur 10 | Referentiebeeld typologie rijwoningen en vrijstaande woningen (bron: Architecten Alliantie)

Beeldkwaliteit
Door de ontwikkeling verandert het gewenste bebouwingsbeeld en de gebiedskarakteristiek. Om de gewenste beeldkwaliteit vast te leggen wordt een beeldkwaliteitskader opgesteld, die als appendix aan de welstandnota wordt toegevoegd. De procedure loopt mee met de formele bestemmingsplanprocedure.

Ontsluiting en parkeren
Ten behoeve van de ontsluiting van de woningen wordt in het plangebied een nieuwe straat aangelegd. Deze straat sluit aan op de Jacoba van Beierenstraat en voor langzaam verkeer (en de vuilniswagen) ook op de parallelweg van de Nieuwe Rijksweg. Voor gemotoriseerd verkeer is het dus niet mogelijk om via deze nieuwe straat van de Jacoba van Beierenstraat de parallelweg te bereiken of andersom om sluipverkeer te voorkomen. De vrijstaande woningen worden ontsloten op de parallelweg van de Nieuwe Rijksweg. De geschakelde woningen zijn te bereiken via de parallelweg, maar de parkeerplaatsen van deze woningen op eigen terrein worden ontsloten op de straat in het plangebied. Ook de rijwoningen worden ontsloten op de nieuw aan te leggen straat die aansluit op de Jacoba van Beierenstraat.

Bij de vrijstaande woningen vindt parkeren op eigen terrein plaats. Ook de geschakelde woningen krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. Deze worden aan de achterzijde (onder een carport) gesitueerd. Voor de overige woningen worden langs de ontsluiting tussen de geschakelde woningen en vrijstaande woningen parkeerplaatsen aangelegd in de openbare ruimte en een parkeerhofje tussen de geschakelde woningen en de rijwoningen. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.


Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

Archeologie
In december 2011 heeft de gemeente Goes archeologiebeleid vastgesteld. Het beleid bestaat enerzijds uit maatregelenkaarten waarop het hele grondgebied van de gemeente is onderverdeeld in acht beleidscategorieën. Anderzijds bestaat het uit een onderbouwing hoe deze kaarten te gebruiken in de praktijk van de ruimtelijke ordening. Dre ondergrond van het gemeentelijk grondgebied bestaat uit verschillende geologische lagen met elk een specifieke archeologische verwachting voor een bepaalde periode uit de geschiedenis. Binnen de vier verschillende lagen worden zones onderscheiden die elk een eigen archeologische verwachting kennen, gebaseerd op bekende archeologische gegevens en de ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van de gemeente. Daarnaast zijn uit de bekende archeologische gegevens een aantal locaties aangewezen waar zich een archeologische vindplaats bevindt. De oude dorpskernen zijn ook aangewezen als terreinen van archeologische waarden.

De gehanteerde categorieën zijn:

  • Categorie 1: archeologisch rijksmonument: hievoor is altijd een monumentenvergunning nodig;
  • Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten: geen onderzoeksplicht;
  • Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig;
  • Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.

Wanneer het te verstoren gebied niet groter is dan de hiervoor aangegeven vierkante meters, hoeft geen archeologisch onderzoek te worden gedaan. Ook graafwerkzaamheden die niet dieper gaan dan 40 cm onder het maaiveld, zijn ten alle tijden vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

Het plangebied is gelegen binnen een gebied waarvoor deels een categorie 2 (oranje) en deels een categorie 4 (paars) geldt. Het terrein met een categorie 2 (oranje cirkel) komt voort uit de aanwezigheid van een kasteel dat hier tot het begin van de 19e eeuw heeft gestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0011.png"

Figuur 12 | Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Goes (bron: gemeente Goes)

Artefact! heeft ten behoeve van de ontwikkeling een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd bestaat. Voor de middeleeuwen en nieuwe tijd geldt echter een hoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen, die mogelijk gerelateerd zijn aan het voormalige kasteel Huis te Werve. Eventuele archeologische resten kunnen aangetroffen worden onder de recente verharding en het hieronder gelegen opgebrachte pakket vanaf een diepte tussen 0,35 en 0,5 m-mv. Om deze reden wordt geadviseerd in het onderhavige bestemmingsplan twee dubbelbestemmingen op te nemen. Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt dan een oppervlaktevrijstellingsgrens van 250 m² en een dieptevrijstelling tot 0,4 m -mv. Voor het westelijke deel van het plangebied, binnen de grenzen van de gemeentelijke vindplaats (zie figuur 13) geldt dan een oppervlakte vrijstellingsgrens van 50 m² en een diepte vrijstelling tot 0,4 m-mv. Voordat de voor de herinrichting geplande graafwerkzaamheden plaatsvinden moet worden beoordeeld of de vrijstellingsoppervlakte en dieptevrijstelling worden overschreden. Wanneer dit het geval is zal een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0012.png"

Figuur 13 | Projectie van het plangebied op de Topografische Kaart van Nederland met aanduiding van onderzoeksmeldingen, vondstlocaties, AMK - terreinen (gegevens ontleend aan Archis 3) en gemeentelijke vindplaatsen. (bron: Esri/Kadaster/ARCHIS3, 2019)

Het rapport van het uitgevoerde archeologisch onderzoek is door OAS (Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband) beoordeeld (zie Bijlage 2). Geadviseerd is om voor het gehele plangebied één dubbelbestemming Waarde - Archeologie op te nemen met de vrijstellingsgrenzen 50 m2 en 40 cm beneden het maaiveld. Dit advies is in onderhavig bestemmingsplan opgevolgd. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1.

Cultuurhistorie
In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen objecten die zijn aangewezen als (gemeentelijk) monument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische objecten aanwezig waarmee in het plan rekening dient te worden gehouden.

5.3 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, kan de gemeente in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning eisen dat er onderzoek wordt uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem.

Met het onderhavige bestemmingsplan wordt ten opzichte van de huidige bestemming een gevoeligere functie mogelijk gemaakt. Daarom is een bodemonderzoek benodigd. ABO milieuconsult B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Voor dit onderzoek zijn 23 boringen verricht, 2 van deze boringen zijn afgewerkt met een peilbuis. Uit de analyses blijkt dat ter plaatse van een aantal boringen een lichte verontreiniging met minerale olie is gevonden. Ter plaatse van één boring is een lichte verontreiniging met PCB, zink, kwik en lood gevonden. Tenslotte is ter plaatse van andere boringen een lichte verontreiniging met OCB, DDE, en DDD aangetoond. In de overige geanalyseerde grond(meng)monsters zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater uit de peilbuizen is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de streefwaarde.

De aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn dermate gering dat aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Geconcludeerd kan worden dat de onderzoeksresultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel is ter plaatse van boring 10, aan de zuidzijde van het voormalige tuincentrum, een oude repaclaag gevonden. Deze laag is verdacht voor verontreiniging met asbest. Een laagje ongedefinieerd puin ter plaatse van een andere boring (22) is eveneens verdacht voor verontreiniging met asbest. Geadviseerd wordt de exacte omvang van de oude repaclaag eventueel tijdens de ontmanteling/sloop van het terrein inzichtelijk te maken en vervolgens te laten onderzoeken op de aanwezigheid van asbest. Op basis van resultaten van het asbestonderzoek kan worden bepaald of de repac-verharding vrij is van asbest. Dit zal ten tijde van de sloop van de gebouwen en het bouwrijp maken van het terrein plaatsvinden. Daarnaast wordt geadviseerd om ter plaatse van boring 22 gecombineerd (beperkt) asbestonderzoek uit te voeren. Mogelijk dat ter plaatse van deze boring meer puin in de bodem aanwezig is.
Het bodemonderzoek wordt aangevuld met een PFAS-onderzoek. De resultaten van het onderzoek worden bij het ontwerpbestemmingsplan toegevoegd.

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.4 Water

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plangebied is niet gelegen in de buurt van waterkeringen. De veiligheid is hiermee niet in het geding.  
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
overstroming vanuit oppervlaktewater in
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0013.png"

In de huidige situatie is het totale verharde oppervlak 12.037 m2 (dakoppervlak en bodemverharding). In de nieuwe situatie is uitgegaan van de planologische mogelijkheden: maximaal 50% van het perceel mag worden bebouwd met een maximum van 250 m2. De percelen van de vrijstaande woningen zijn groter dan 500 m2. Hiervoor is rekening gehouden met een maximum van 250 m2. Voor de overige percelen is 50% aangehouden. In totaal bedraagt het dakoppervlak daarmee 4.139 m2 (7 x 250 + 4778 / 2). Qua dichte bodemverharding is de oppervlakte van de straat en openbare parkeerplaatsen meegenomen. Verharding in particuliere tuinen wateren niet af op de riolering en kunnen daarom buiten beschouwing worden gelaten. Het totale verharde oppervlak bedraagt daarmee 6.784 m2 (4.139 +  2.645).
Het verhard oppervlak neemt in grote mate af wat een positief effect heeft op de waterberging. Watercompensatie is niet aan de orde.
 
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  

Het hemelwater wordt afgevoerd op de bestaande watergangen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied. In de huidige situatie is het verhard oppervlakte niet op de gemengde riolering aangesloten (volgens het BRP). Dit zal waarschijnlijk direct op de omliggende waterlopen afwateren. In de nieuwe situatie is het verhard oppervlak minder als in de bestaande stiuatie waardoor het aansluiten van de nieuwe verharding op de waterlopen naar verwachting een probleem is en de waterlopen zelfs ontlast. De duikers naar het plangebied hebben een diameter van 300 mm, verderop zijn deze 400 mm. De bestaande dammen met duikers worden verlegd/aangepast, waarbij de diameter van de duiker wordt vergroot.
Onderzocht zal worden of het mogelijk is om ten aanzien van het afvalwater aan te sluiten op het bestaande riool dat dwars over het perceel loopt. Nagegaan zal worden of dit riool voldoende capaciteit bezit voor de ontwikkeling. Omdat het riool erg ondiep ligt, is aansluiting misschien niet mogelijk. In dat geval moet er een gemaaltje worden toegepast. In overleg met de gemeente zal dit nader onderzocht worden.
 
Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  

Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.  

Het plan heeft geen gevolgen voor de grondwaterstand of grondwateroverlast. Er is op momenteel geen grondwateroverlast bekend. De bestaande waterlopen hebben voldoende capaciteit om het water uit de bestaande situatie af te voeren. Het verhard oppervlak zal in de toekomstige situatie afnemen, waardoor het watersysteem minder belast wordt. Extra maatregelen zijn vooralsnog niet nodig.
 

Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  

Het plan heeft geen gevolgen voor de grondwater- kwaliteit. De grondwaterkwaliteit verbeterd eerder omdat er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden binnen het plangebied.
 

Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  

Ten noorden van het plangebied is een secundaire watergang gelegen en ten zuiden een tertiaire watergang en secundaire watergang. De watergangen zelf liggen buiten het plangebied, de beschermingszone ligt binnen het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de kwaliteit van deze watergangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0014.png"  

Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
 


De ontwikkeling heeft geen negatief effect op de volksgezondheid. In het plangebied wordt geen open water aangelegd. Waar mogelijk worden taluds flauwer aangelegd.
 

Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  

Bodemdaling ontstaat door het onttrekken van grondwater en/of het verhogen van de belastingen op het maaiveld. In deze ontwikkeling zal geen permanente grondwateronttrekking plaatsvinden waardoor bodemdaling door grondwateronttrekking niet aanwezig is.
 

Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
 

Er liggen geen natte natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.  

Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  

Aan de zuid- en noordzijde liggen watergangen in eigendom van het waterschap. Deze watergangen hebben een beschermingszone van 7 meter vanaf de insteek van de watergang.

De watergang aan de noordzijde wordt vanaf de parallelweg onderhouden. Ook na de ontwikkeling van het gebied kan deze watergang op gebruikelijke wijze via de parallelweg onderhouden worden.

Aan de zuidzijde van het plangebied ter plaatse van de secundaire watergang is een vrije strook aanwezig maar deze is minder breed dan 7 meter. Aan de andere zijde van de watergang is wel een strook van 7 meter obstakel vrij. De watergang heeft een beperkte breedte en kan vanaf één zijde onderhouden worden. Dit zal via de oostzijde van de watergang kunnen plaatsvinden.

De tertiaire watergang grenst aan één zijde aan particuliere gronden, na ontwikkeling van het zuidelijk gelegen plangebied. Via de zuidzijde kan deze watergang vervolgens worden onderhouden.  
Andere belangen waterbeheer  

Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  

Aan de noordzijde van het plangebied ligt een secundaire watergang en aan de zuidzijde een tertiaire watergang van het waterschap. Het voorgenomen plan heeft geen negatieve invloed op de werking van deze watergangen. Ter plaatse van de noordelijke watergang worden enkele extra dammen met een duiker aangelegd ten behoeve van de ontsluiting van de woningen en de verbinding tussen de parallelweg en de Jacoba van Beierenstraat.
 

Wegen in beheer bij het waterschap
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats
over waterschapswegen?
* na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel verkeer?
* na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en
voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw
aangelegd?
* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een
waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals
een woning of afscheiding (gefundeerd)).  

De locatie is niet gelegen aan een weg van het waterschap. Dit aspect is niet van toepassing.  

5.5 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet dus vastgesteld worden dat er geen beschermde dier- of plantsoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen natuurgebieden gelegen waar het plan invloed op heeft. Op een afstand van 3,8 kilometer is het Natura2000-gebied Veerse Meer gelegen. Dit betreft echter geen stikstofgevoelig natuurgebied. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied. Op bijna 4 kilometer afstand is het Natura2000-gebied Oosterschelde gelegen en op ruim 7 kilometer afstand het Natura2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Beide natuurgebieden zijn stikstofgevoelige natuurgebieden. Ten aanzien van de effecten op de Natura2000-gebieden is de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling berekend. Deze berekening is uitgevoerd met de AERIUS-calculator (versie 2020). Er is een berekening gemaakt voor de aanlegfase en de gebruiksfase. De uitgangspunten en resultaten, evenals de pdf-uitvoeren van de AERIUS-calculator, zijn in een memo opgenomen (zie Bijlage 4). De uitkomst van de berekening is dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.

Soortenbescherming
Omdat er verschillende gebouwen worden gesloopt is er in het kader van de Wet natuurbescherming een quickscan flora en fauna uitgevoerd door BTL advies (zie Bijlage 5). De quickscan betreft een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde soorten (effectenanalyse). Voor het bronnenonderzoek zijn gegevens opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Het veldbezoek bestaat uit een biotooptoets met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. In het bijzonder is gelet op mogelijke wegkruipmogelijkheden voor gebouwbewonende soorten als de vleermuis, huismus en gierzwaluw. Uit dit onderzoek blijkt dat er in het plangebied geen beschermde plantsoorten aanwezig zijn. Daarnaast zijn er geen beschermde diersoorten aangetroffen die in het plangebied een rust- en/of verblijfplaats hebben. Wel zijn in de quickscan enkele voorschriften opgenomen die nageleefd moeten worden.
Bij aanvang van de werkzaamheden wordt geadviseerd om het gehele terrein te inspecteren op groeiplaatsen van Canadese Guldenroede. Waar deze aanwezig is, is het aan te raden om de planten uit te graven, af te voeren en te vernietigen. Verspreiding van deze soort naar de omgeving toe moet worden voorkomen. Mochten tijdens de uitvoering van het werk grondgebonden zoogdieren worden waargenomen, dan moeten zij de gelegenheid krijgen om te kunnen vluchten. Minder mobiele dieren, zoals egels, kunnen eventueel worden verplaatst tot buiten de werkgrens. Ten aanzien van vleermuizen dient rekening te worden gehouden met de inzet van kunstverlichting (straatlantaarns en bouwlampen), zodat de aangrenzende bosschages niet ongeschikt worden als foerageergebied. Ten slotte dient ten aanzien van vogels rekening te worden gehouden met het broedseizoen (periode maart t/m augustus). In deze periode mogen geen ruigtes verwijderd worden.

5.6 Duurzaamheid

Het klimaat verandert. Het wordt warmer, we krijgen te maken met langdurige perioden van hitte en droogte, er is een grotere kans op extreme neerslag en de zeespiegel stijgt. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de hoge concentratie broeikasgassen, zoals CO2, in de atmosfeer. Door het verminderen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen kunnen de gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. In het Klimaatakkoord van Parijs staat omschreven dat de temperatuur op aarde niet verder mag stijgen dan 2°C, met de ambitie om dit te beperken tot 1,5°C. Op de Verenigde Staten na, heeft wereldwijd ieder land dit akkoord ondertekend.
Landelijk zijn er doelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen:

  • In 2050 is de uitstoot van CO2 met 95% verminderd;
  • In 2050 hebben we een energieneutrale gebouwde omgeving;
  • Vanaf 1 juli 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgasnet aangesloten.

Ondanks dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen of zelfs stoppen, zullen we te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende extreme weersomstandigheden. Het is daarom van belang de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten. Landelijk is het doel gesteld dat de openbare ruimte in 2050 klimaatrobuust is ingericht.

Gemeentelijk klimaatbeleid
De gemeente Goes levert een bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het behalen van de landelijke richtlijnen. Om deze landelijke richtlijnen te halen heeft de gemeente Goes de volgende doelstellingen vastgesteld:

  • De gemeente Goes stimuleert duurzame nieuwbouw;
  • De gemeente Goes ondersteunt de doelen van het Zeeuws Energieakkoord en werkt aan een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045;
  • Duurzame energie wordt op kansrijke locaties opgewekt, zoals het toepassen van zonne-energie op daken;
    • 1. Het gebruik van duurzame vervoersmiddelen wordt gefaciliteerd, onder andere door het plaatsen van openbare laadpalen;
  • De gemeente Goes past circulaire economie toe wanneer de kans zich voordoet, zoals het toepassen van kansen voor circulair bouwen.

Naast maatregelen om minder CO2 uit te stoten, zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk, het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name 's nachts. In groene omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0015.png" Figuur 14 | Hitte-eiland effect

In figuur 14 is te zien dat de temperatuur in een sterk verstedelijkt gebied hoger is dan in de meer landelijke omgeving. In volledig groene gebieden, zoals parken en bossen, is de temperatuur het laagst. Ook aan de rand van de stadskernen is de temperatuur lager dan in het stadscentrum, doordat er in deze gebieden minder hoogbouw is en er meer ruimte is voor groen.

De nieuw te bouwen woningen zullen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Hierin zijn diverse maatregelen opgenomen in het kader van duurzaamheid welke zullen worden toegepast. De woningen krijgen geen gasaansluiting en zullen voldoen aan de BENG-eisen (Bijlage EnergieNeutrale Gebouwen).

5.7 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidshinder bij geluidsgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen van door het aanhouden van voldoende afstand ten opzichte van geluidsproducenten (industrie, wegverkeer etc.) of het treffen van andere maatregelen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.  

Op een afstand van circa 20 meter ten noorden van het plangebied ligt de N664 (Nieuwe Rijksweg). Op deze weg geldt een snelheidsregime van 80 km/uur. De weg heeft een onderzoekszone van 250 meter, het plangebied valt daarmee binnen de zone. Er zijn plannen om de weg anders in te richten en af te waarderen tot 60 km/uur en 50 km/uur. Daarbij wordt de komgrens richting het oosten verschoven. Omdat er vooralsnog geen definitief besluit is over de exacte herinrichting en afwaardering is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van de huidige situatie. Dit betreft het worstcasescenario. De afwaardering van de N664 heeft een positief effect op het akoestisch klimaat ter plaatse van de woningen.

Ten oosten van het plangebied ligt de N256/A256 (Deltaweg). Deze weg ligt op een afstand van circa 350 meter van het plangebied en heeft een snelheidsregime van 70 en 80 km/uur. Omdat de weg buiten stedelijk gebied ligt en vier rijstroken heeft, geldt een onderzoekszone van 400 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen de zone.

Daarnaast liggen er rondom het plangebied erftoegangswegen. In het kader van de Wet geluidhinder hoeven deze niet meegenomen te worden in het onderzoek. Echter is in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel een beoordeling nodig of voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat.

Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat vanwege beide provinciale wegen, niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de nieuwbouwwoningen kan worden voldaan (zie figuur 15). In het kader hiervan is een maatregelenonderzoek uitgevoerd naar mogelijke maatregelen om de geluidbelasting te reduceren. Maatregelen kunnen bestaan uit bronmaatregelen, maatregelen in de overdrachtssfeer en maatregelen bij de ontvanger.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0016.png"

Figuur 15 | Rekenresultaten bij cumulatie van geluid vanwege wegverkeerslawaai, zonder aftrek (bron: Kraaij Akoestisch adviesbureau)

Maatregelen
Diverse bron- en overdrachtsmaatregelen om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde zijn onderzocht en zullen leiden tot problemen van doelmatig, verkeers- en vervoerskundig, financiële, stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Daarom dienen voor de ontwikkeling van de woningen hogere grenswaarden te worden aangevraagd.

Conclusie

Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting vanwege de N664 en N256 te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde op problemen stuiten van doelmatige, verkeers- en vervoerskundige, financiële, stedenbouwkundige of landschappelijke aard, zal voor de nieuwbouwwoningen op het voormalig perceel van de Groenrijk/Hendriks Plaza aan de Nieuwe Rijksweg 2c en 2d een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Goes.

Voor het vaststellen van een hogere waarde mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied en 63 dB voor woningen in stedelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt vanwege beide provinciale wegen voldaan. Daarom kan voor alle woningen binnen het plangebied een hogere grenswaarde worden aangevraagd.

De te verlenen hogere grenswaarden bedragen:

• 50 dB vanwege de N256

• 62 dB vanwege de N664.

Bij alle woningen zal een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte aanwezig zijn, voornamelijk gesitueerd aan de zuidzijde van de woningen. In combinatie met het aanvragen van een hogere grenswaarde zal bovendien de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de woningen in de eerstelijnsbebouwing aan de noordzijde van het plan, in navolging van het Bouwbesluit, in verblijfsgebieden minimaal moeten voldoen aan 31 dB (en in verblijfsruimten aan 29 dB) om een goed woon- en leefklimaat in de woningen te kunnen waarborgen.

Voor de woningen in de tweedelijnsbebouwing van het plan (9 rijwoningen en 1 vrijstaande woning) zal, vanwege de meest maatgevende weg (N664), een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van respectievelijk 25 en 23 dB in verblijfsgebieden en 23 en 21 dB in verblijfsruimten noodzakelijk zijn om een goed woon- en leefklimaat in de woningen te waarborgen.

Een geluidwering tot 25 dB kan bij nieuwbouwwoningen vrij eenvoudig worden behaald.

5.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.

In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderhavig plan bestaat uit de realisatie van 30 woningen en ligt daarmee ver onder de het aantal van 1.500 woningen. Het project is dan ook te beschouwen als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de toename aan NO2 en PM10 inzichtelijk gemaakt aan de hand van de NIBM tool. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstig bestendig parkeren' (nr. 381) is de verkeersgeneratie berekend. Daarbij is uitgegaan van 7 vrijstaande woningen, en 14 tussen of hoekwoningen en 9 sociale huurwoningen. Het gebied ligt in de 'rest bebouwde kom' in weinig stedelijk gebied. In totaal zal de verkeersgeneratie 209 voertuigbewegingen per weekdagetmaal bedragen. De NIBM tool laat zien dat dit niet in betekenende mate bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie figuur 16).

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0017.png"

Figuur 16 | NIBM tool

5.9 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving

Op een afstand van 55 meter, aan de overzijde van de Nieuwe Rijksweg, zijn op een afstand van 55 meter sportvelden gelegen van de tennisvereniging en korfbalvereniging. Volgens de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de oostzijde van het plangebied is een perceel gelegen met de bestemming 'Bedrijf' en de functieaanduiding 'Technische Handelsonderneming'. Dit bedrijf is gespecialiseerd in de verkoop, het onderhoud en de reparatie van machines, gereedschap en accessoires die geschikt zijn voor de tuin-, bos- en parksector. Voor een groothandel in machines en apparaten geldt een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. De afstand van het plangebied tot het bedrijf betreft 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

5.10 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Parkeren
De gemeente Goes heeft in 2009 het 'Parkeerbeleidsplan 2009-2020' vastgesteld. In dit beleidsplan zijn normen opgenomen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Voor de berekening voor het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het gebied 'overig'. De vrijstaande woningen en geschakelde woningen vallen in de categorie 'duur' (> € 240.000,- v.o.n.). De rijwoningen aan de westzijde van het plangebied vallen in de categorie 'middelduur' (> € 170.000,- en < € 240.000,-). De sociale huurwoningen vallen in de categorie 'goedkoop'.

Functie   Aantal   Aantal pp per woning   Totaal   Aandeel bezoekers  
Woningen duur   15   2.1   31,5   0,3 pp/woning  
Woningen middelduur   6   1,9   11,4   0,3 pp/woning  
Woningen goedkoop   9   1,7   15,3   0,3 pp/woning  
Totaal       58,2    

In totaal dient in het plangebied voorzien te worden in 59 parkeerplaatsen. De vrijstaande woningen en geschakelde woningen hebben ruimte voor twee parkeerplaatsen op eigen terrein (in totaal 30 parkeerplaatsen). Daarmee dient in de openbare ruimte nog 29 parkeerplaatsen te worden aangelegd (59 - 30 = 29). In totaal zijn 32 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien (zie onderstaand inrichtingsplan). Om het parkeerhofje dat op de Jacoba van Beierenstraat uitkomt goed uit te kunnen draaien, komen de twee bestaande parkeerplaatsen ter hoogte van het perceel Jacoba van Beierenstraat 21 te vervallen. Deze twee parkeerplaatsen worden in het plangebied gecompenseerd. Daarmee dient in totaal in het plangebied voorzien te worden in 61 parkeerplaatsen. Er wordt in totaal voorzien in 62 parkeerplaasten (30 op eigen terrein en 32 in openbare ruimte). Er wordt daarmee voldaan aan de parkeernormen uit het parkeerbeleidsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99_0018.png"

Figuur 17 | Inrichtingsplan (bron: Architecten Alliantie)

Verkeer
De vrijstaande woningen worden ontsloten op de parallelweg van de N664. De overige woningen worden aan de voor- of achterzijde ontsloten op (het verlengde van) de Jacoba van Beierenstraat. De rij- en geschakelde woningen die georiënteerd zijn op de Nieuwe Rijksweg worden aan de voorzijde voorzien van een voetpad. De huidige langzaamverkeersverbinding tussen de Jacoba van Beierenstraat en de parallelweg van de N664 blijft behouden. Daarnaast wordt een 2e langzaamverkeersverbinding naar de parallelweg toegevoegd.

De verkeersgeneratie op basis van de gebiedstypering 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' is als volgt:

Type woning   Aantal   verkeersgeneratie per woning   verkeersgeneratie totaal  
koop, huis, vrijstaand   7   7,8 - 8,6   54,6 - 60,2  
koop, huis, tussen/hoek   14   7,0 - 7,8   98,0 - 109,2  
huur, huis, sociale huur   9   5,2 - 6,0   46,8 - 54,0  
TOTAAL       199,4 - 223,4  

De berekende verkeersgeneratie van het plan bedraagt tussen de 199,4 en 223,4 voertuigbewegingen per etmaal. Dit voldoet aan de gemeentelijke norm voor erftoegangswegen binnen de bebouwde kom en buiten de stad Goes van maximaal 2.500 motorvoertuigen per etmaal (leefbaarheidsindicator). De ontsluiting van het gebied vindt plaats op de Jacoba van Beierenstraat ter hoogte van de oneven nummers 15 t/m 21 richting de Nieuwe Rijksweg. De Jacoba van Beierenstraat heeft een intensiteit van circa 300 motorvoertuigen per etmaal. Met de nieuwe ontwikkeling bedraagt de intensiteit circa 500 motorvoertuigen per etmaal. Dit blijft nog steeds ver beneden de norm van maximaal 2.500 motorvoertuigen per etmaal. De intensiteit ter plaatse van het wegvak tussen de N664 en de Deltaweg bedraagt 7.669 motorvoertuigen per etmaal. De ontwikkeling leidt tot een toename van slechts 3,1%.

De ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten op de huidige verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.

5.11 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan de genoemde regelgeving.

Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook liggen er geen buisleidingen in of in de nabijheid van het plangebied waardoor gevaarlijke stoffen wordt vervoerd. De A58 ligt op afstand van ruim 2.200 meter. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van het provinciaal beleid is geen nadere verantwoording nodig. De dichtstbij gelegen route voor het Basisnet Water ligt op een afstand van 9.000 meter. Ook hiervoor geldt dat er geen nadere verantwoording benodigd is.

Op een afstand van bijna 600 meter loopt het spoortraject Sloehaven-Roosendaal West welke deel uitmaakt van het Basisnet. Over dit traject vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van provinciaal beleid dient binnen een afstand van 1.500 meter vanaf het spoor waarover toxische stoffen worden vervoerd, voor ontwikkelingen een beperkte verantwoording groepsrisico plaats te vinden.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Het plangebied wordt via een interne ontsluiting op de Jacoba van Beierenstraat ontsloten. Ook is het plangebied bereikbaar via de parallelweg van de N664. Daarmee is het plangebied via twee zijden voor calamiteitendiensten te bereiken. In het plangebied is voldoende ruimte voor het opstellen van een blusvoertuig (straat en openbare parkeervoorzieningen). De watergang aan de noordzijde is vanaf het openbare gebied te bereiken.

Zelfredzaamheid
Gelet op het type woningen dat is voorzien (vrijstaande woningen, geschakelde woningen en rijwoningen) mag ervan uitgegaan worden dat de bewoners volledig zelfredzaam zijn. Kinderen worden beschouwd als vermindert zelfredzaam, maar daarbij mag ervan uit gegaan worden dat deze door ouders/verzorgers worden geholpen in geval van calamiteiten.

Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

5.12 Kabels en leidingen

Tussen de Jacoba van Beierenstraat en de N664 ligt een leidingenstrook. Deze strook dient vrij gehouden te worden van bebouwing. Ter plaatse van de leidingenstrook zijn parkeerplaatsen voorzien.

5.13 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een (aanmeldnotitie) vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2.000 of meer woningen. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is mede afhankelijk van de aard en omvang van het project en het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In onderhavig plan is sprake van het toevoegen van 30 woningen op een bebouwd perceel. De gemeente Goes heeft aangegeven dat met het toevoegen van woningen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat de omvang van het project onder de drempelwaarde blijft, kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling voor projecten onder de drempelwaarde aan het college voorgelegd. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie Bijlage 7). Er is geen sprake van significante negatieve effecten. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is daardoor niet nodig.

5.14 Conclusie

Alle relevante aspecten voor de kwaliteit van de leefomgeving zijn onderzocht. Deze aspecten vormen geen belemmering voor het voorgenomen plan.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Planvorm

De plangrens volgt de betreffende perceelsgrenzen (kadastrale begrenzing). Er zijn twee bestemmingen opgenomen: de bestemming 'Wonen' en 'Verkeer'. Er is gekozen voor een globale planmethodiek. Binnen de woonbestemming zijn daarom ruime bouwvlakken opgenomen die gelijk lopen met de bestemmingsgrens. De voorgevels van de woningen dienen georiënteerd te worden op de voorgevellijn. Daarnaast is het aantal woningen, type woningen en de goot- en bouwhoogtes vastgelegd.

6.2 Toelichting op de bestemmingen

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

De plangrens op de verbeelding in het onderhavige plan volgt de perceelgrenzen en de huidige bestemming 'Bedrijf' en 'Detailhandel'. Op de verbeelding zijn de bestemming 'Verkeer' en 'Wonen' opgenomen. Tevens zijn er maatvoeringen opgenomen. Dit betreft de goot- en bouwhoogte en het maximum aantal woningen. Daarnaast zijn de bouwaanduidingen 'vrijstaand' en 'aaneengebouwd' opgenomen. Ook is binnen één bouwvlak de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale huur' opgenomen. Binnen de bestemming 'Wonen' is ook een gevellijn opgenomen ten behoeve van de gewenste oriëntatie van de voorgevels van de woningen.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Artikel Verkeer
De bestemming verkeer geldt ter plaatse van straten en paden. Daarnaast is de bestemming verkeer bedoeld voor bij verkeer horende voorzieningen zoals pleinen, parkeervoorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, straatmeubilair, geluidwerende voorzieningen, afvalverzamelvoorzieningen en voorwerken van beeldende kunst en gedenktekens.

Artikel Wonen
De bestemming 'Wonen' is opgenomen ter plaatse van de geplande woningen. De bestemming is verdeeld in drie vlakken. Ter plaatse van de geplande sociale huurwoningen is de functieaanduiding 'specifiek vorm van wonen - sociale huur' opgenomen. Hieraan is een regeling gekoppeld die waarborgt dat ter plaatse sociale huurwoningen worden gebouwd en in stand worden gehouden. Een sociale huurwoning betreft een huurwoning met een aanvangshuisprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de huurtoeslag.

Per bouwvlak mogen de op de verbeelding aangegeven aantal woningen worden gebouwd. Op de bouwpercelen aan de oostzijde van het plangebied mogen vrijstaande woningen worden gebouwd, op de andere percelen enkel aaneengebouwde woningen.

De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 10 meter. Aan de westkant van het plangebied is een hoogte-accent mogelijk in de vorm van een plat dak tot een bouwhoogte van 10 meter. Het voornemen is om een deel van de woningen te voorzien van een lessenaarsdak. Bij een dergelijk dak is er slechts aan één zijde sprake van een goothoogte. Voor de bovenzijde van de lessenaarsdak geldt de hoogte van de toegestane bouwhoogte.

Artikel Waarde - Archeologie 1
De gronden die zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Deze gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, balkons, liftkokers, afdaken en erkers mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt. Daarnaast zijn in dit artikel regels ten aanzien van parkeergelegenheid laad - en losruimte opgenomen.

Algemene gebruiksregels 
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels

Dit artikel bevat algemene procedureregels voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 9.

Overgang- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 7 Handhaving

7.1 Inleiding

De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied.

Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan ook zorg gedragen wordt voor de handhaving daarvan. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, leidt tot rechtsongelijkheid en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.

7.2 Handhaving bestemmingsplannen

Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, het verschaffen van inzicht in die regels - zodat een ieder het vanzelfsprekend acht zich aan de gestelde norm te houden - en het houden van toezicht op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn.

Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor een effectief handhavingsbeleid. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de meest optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In veel gevallen besluit het college van burgemeester en wethouders een overtreding gedwongen te laten beëindigen en daartoe zonodig wettelijke dwangmiddelen te gebruiken, zoals het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

7.3 Handhavingsbeleid

De doelstelling van handhaving is het bereiken van goede naleving van wettelijke regels. Handhaving is een beginselplicht, welke door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden als instrument voor de naleving van de regels, om hiermee een leefbare en veilige woonomgeving te garanderen voor de inwoners van de gemeente. Het bureau Toezicht en Handhaving van de afdeling Vergunningen en Handhaving is, namens het college, belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen.

Het handhavingsbeleid is, zoals vele andersoortige beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zonodig het beleid bijgesteld. Het Goese handhavingsbeleid kent een planning&control-cyclus van 4 jaar, waarbij jaarlijks een handhavingsuitvoeringsprogramma wordt vastgesteld. In juni van 2008 heeft het gemeentebestuur van Goes het meest recente handhavingsbeleid, de nota integraal handhavingsbeleid 2008-2012, vastgesteld. Het vastgestelde handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven.

7.4 Opleggen sancties

Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

In het onderhavige plan is sprake van een dergelijk bouwplan. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. De ontwikkelkosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer, net als eventuele planschade. De ontwikkeling heeft geen negatieve financiële gevolgen voor de gemeente Goes.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Vooroverleg

Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan toegezonden aan de provincie, DNWG, VRZ en het waterschap.

9.2 Inspraak

De gemeente Goes heeft een inspraakverordening. Conform de verordening wordt een inspraakprocedure doorlopen. Tijdens deze terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om een inspraakreactie in te dienen. Het resultaat van de inspraak is verwoord in een 'Nota inspraak en overleg'. Deze nota is als Bijlage 8 bij het bestemmingsplan gevoegd.

9.3 Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro jo afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.