| Plan: | Bentwoud |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.bpbentwoud-0401 |
In 2013 heeft de gemeente Waddinxveen het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West mogelijk gemaakt. Met dit plan wordt onder andere de realisatie van het Bentwoud ten noorden van de Maaltocht mogelijk gemaakt. Niet in het gehele gebied ten noorden van de Maaltocht en ten oosten van de Eerste Tocht is echter de aanleg van het Bentwoud mogelijk. Bij de begrenzing van het Bentwoud, heeft de gemeente in het bestemmingsplan rekening gehouden met de mogelijke komst van een nieuwe weg (de Bentwoudlaan) ten westen van de Eerste Tocht. De gemeente beoogde daarmee te voorkomen, dat ontwikkelingen plaats zouden vinden die een toekomstige realisatie van een nieuwe weg zouden frustreren. Omdat het tracé ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog onvoldoende duidelijk was, betreft dit een vrij ruim bemeten gebied.
Inmiddels is meer duidelijkheid ontstaan over de ligging van het toekomstige tracé voor de weg. Er zijn echter nog te veel onzekerheden om de weg op korte termijn in een bestemmingsplan te kunnen vastleggen. Tegelijkertijd heeft de provincie wel de wens om op korte termijn de realisatie van het Bentwoud te kunnen voortzetten. Om deze reden is dit bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt beoogd om enerzijds een verdere realisatie van het Bentwoud mogelijk te maken en anderzijds het tracé van de weg te vrijwaren van ongewenste ontwikkelingen.
Daarnaast wordt een perceel aan het Noordeinde meegenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West is geconstateerd dat hier per abuis een schuur niet binnen het bouwvlak is opgenomen. Deze omissie wordt met dit bestemmingsplan gecorrigeerd.
De plangrens is hieronder in rood aangegeven.
Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West.
In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt ingegaan op de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving, waarbij een beschrijving gegeven van mogelijke ontwikkelingen in het plangebied en een toelichting wordt gegeven op de wijze van bestemmen. In hoofdstuk 4 komt het relevante provinciale, regionale en gemeentelijke beleid aan de orde. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 7 betreft de juridische toelichting. In de hoofdstukken 8 en 9 wordt aandacht besteed aan de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Het plangebied bestond vroeger uit een veenwildernis, die in de dertiende eeuw is ontgonnen ten behoeve van landbouw. Het ontgonnen land werd echter tussen 1500-1700 voor turfwinning ontgraven. Daardoor ontstonden aan weerszijden van de middeleeuwse ontginningsweg Noordeinde diverse veenplassen. Het overgrote gedeelte daarvan (aan de westzijde van het Noordeinde) werd in de tweede helft van de achttiende eeuw ingepolderd, het gedeelte aan de oostzijde een eeuw later. Het huidige gebied geeft nog een goed voorbeeld van een voornamelijk negentiende-eeuws polderlandschap met bijbehorende bebouwing.
De polder heeft een kenmerkend regelmatig rechthoekig wegen- en verkavelingspatroon. De polder ligt enkele meters lager dan het omliggende land. Om het water uit de polders te weren liggen er kaden om de polders heen. Dwars op de verkavelingsrichting lopen enkele brede sloten die ‘tochten’ worden genoemd. Deze vervullen een belangrijke rol in de afwatering van de polder.
Het grootste gedeelte van het plangebied is momenteel nagenoeg volledig in gebruik voor akkerbouw. Een kleiner gedeelte wordt gebruikt voor sierteelt. Het is een open gebied met weinig opgaand groen.
Het doel van voorliggend bestemmingsplan is enerzijds de aanleg van het Bentwoud mogelijk te maken en anderzijds te voorkomen dat ontwikkelingen plaatsvinden die de toekomstige aanleg van de weg frustreren.
Het gebied ten noorden van de Maaltocht en ten westen van de Eerste tocht zal op termijn deel gaan uitmaken van het grootschalige bos- en recreatiegebied het Bentwoud. In het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West is deze ontwikkeling voor een groot deel al mogelijk gemaakt. In dat plan was echter een vrij ruime zone open gehouden om de toekomstige aanleg van de Bentwoudlaan niet te frustreren. Met dit bestemmingsplan wordt de zone, waar geen bos kan worden aangelegd in verband met de mogelijke komst van een nieuwe weg, verkleind.
De bestemmingsregeling is, net als het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West, gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Ter plaatse van het mogelijke tracé van de weg worden niet zozeer beperkingen opgelegd aan het gebruik, maar vooral aan de inrichting. Zo is de aanleg van hoog opgaande beplanting niet toegestaan, evenals het bouwen van gebouwen en grotere bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Daarbij hebben de gemeenten Waddinxveen en Alphen aan den Rijn besloten het beheer van twee toekomstige fietspaden, gelegen in het Waddinxveense deel van het Bentwoud, op zich te nemen. Hiertoe hebben deze gemeenten op 25 maart 2015 een beheerovereenkomst ondertekend.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota’s vervangen, zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Ook zijn met het SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken vervallen die zijn benoemd in de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In het SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In het SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:
Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde, die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.
Het plangebied valt binnen de MIRT-regio Zuidvleugel. Deze omvat de provincie Zuid-Holland, het Groene Hart en (een deel van) de Zuidwestelijke Delta. Hier staat het plangebied aangegeven als Greenport Boskoop, een van de concentraties van de topsectoren Agro & Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Het Rijk vindt greenports van nationale betekenis en beschouwt deze als één van de drie pijlers voor de economie in de Zuidvleugel. Met een koppeling tussen de gebieden en de Mainport Rotterdam, is meerwaarde te halen.
Nationaal Landschap Groene Hart
Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Groene Hart. Nationale landschappen zijn gebieden waarvan de landschapskwaliteit internationaal zeldzaam of uniek en nationaal kenmerkend is. In samenhang daarmee bezitten deze landschappen bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. In algemene zin geldt voor Nationale Landschappen het ‘ja, mits’-regime; ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de 'Visie ruimte en mobiliteit’ (VRM) en bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De visie is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De VRM geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Het hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio; ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Verder zet de provincie in op vier belangrijke hoofdthema’s:
Het Bentwoud wordt in de visie ruimte en mobiliteit en in het Programma Ruimte benoemd als een van de recreatiegebieden dat door hun maat, schaal, ligging en recreatieve gebruikswaarde als belangrijk recreatief landschap wordt beschouwd. De Randweg Waddinxveen wordt genoemd als een verbetermaatregel ten aanzien van de mobiliteit.
In de Verordening Ruimte zijn, op basis van de provinciale belangen zoals benoemd in de structuurvisie, regels opgenomen waaraan gemeentelijke bestemmingsplannen moeten voldoen. Er gelden onder meer regels voor de nieuwbouw van woningen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel, voor agrarische bedrijven en voor de ecologische hoofdstructuur.
Voor het plangebied ten westen van de Eerste Tocht geldt dat gebied op kaart 7 Beschermingscategoriëen ruimtelijke kwaliteit de beschermingscategorie 2 (recreatie) heeft. Dit wil zegegn dat een ruimtelijke ontwikkeling hier niet is toegestaan, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling.
Het bestemmingsplan ‘Bentwoud’ voldoet aan de regels die in de Verordening Ruimte zijn opgenomen. De ontwikkeling van het Bentwoud past binnen het provinciaal beleid.
Op 10 oktober 2012 heeft besluitvorming plaatsgevonden over de beleidsvisie groen door Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland. In dit kader is besloten dat van het Waddinxveense deel van het Bentwoud het gedeelte tussen de Maaltocht en de Kleikade, komt te vervallen.
In de planstudie N207-Zuid wordt gezocht naar verschillende oplossingen voor een verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid in de Corridor N207 Zuid, deze studie richt zich met name op de westkant van de Greenport Boskoop. Er wordt gedacht aan het doortrekken van de Bentwoudlaan naar de Hoogeveenseweg, een verdiepte ligging in of een omleiding om Hazerswoude-Dorp en een lokale verbinding tussen de Greenport Boskoop en de N11. Voor het tracé van de Bentwoudlaan wordt uitgegaan van een tracé direct ten westen van de Maaltocht, dit tracé ligt gedeeltelijk binnen het plangebied. Dit tracé is overgenomen als vrijwaringszone weg in het bestemmingsplan.
Op basis van de planstudie wordt een besluit genomen over eventuele aanleg. Hiertoe is in 2014 een m.e.r.-procedure opgestart. Het doel van de m.e.r.-procedure is het in beeld brengen van de milieueffecten van de gewenste voorzieningen. Deze effecten worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Naar aanleiding van de geconstateerde effecten worden er ook mitigerende en compenserende maatregelen aangedragen in het MER. De planstudie N207-Zuid wordt thans verder uitgewerkt.
Op 3 oktober 2012 is de Structuuvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Voor het plangebied gaat de Structuurvisie uit van de realisatie van het Bentwoud en de aanleg van de Bentwoudlaan. Daarnaast is het van belang ecologische en recreatieve verbindingen te realiseren tussen het Bentwoud en het Noordeinde en het achterliggende Gouwebos.
Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie uit 2006.
In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het realiseren van de (tweede fase) van de Bentwoudlaan in het plangebied maakt onderdeel uit van het mobiliteitsplan.
In juli 2014 heeft de gemeente Waddinxveen Parkeerbeleid vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe wordt omgegaan met parkeernormen. Het parkeerbeleid is met name gericht op de bebouwde kom. Echter, er wordt aangegeven dat ook voor parkeerzaken die in het parkeerbeleid niet worden genoemd, de CROW publicatie 317 als uitgangspunt wordt gehanteerd. De gemeente kan ervoor kiezen om gemotiveerd van de richtlijnen af te wijken.
In 2004 heeft de gemeenteraad het Groenstructuurplan ‘Waddinxveen en haar groene ambities’ vastgesteld. In het groenstructuurplan is de grote verscheidenheid aan groen en landschappen in de gemeente in beeld gebracht. Het groenstructuurplan bevat het beleid om dit groen te behouden, te versterken en ontwikkelen en vormt het kader op basis waarvan doelstellingen kunnen worden geformuleerd en beslissingen kunnen worden genomen. Het groenstructuurplan heeft niet tot doel de bestaande situatie ‘te bevriezen’, maar bevat acht ontwikkelingsambities die in samenhang met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd. De groene structuren die waardevol zijn voor het ruimtelijk beeld van Waddinxveen zijn in beeld gebracht. Er worden zeven thema’s onderscheiden, waaronder cultuurhistorie, groene entrees, grote groengebieden en bijzondere bomen. Het Bentwoud is reeds opgenomen als toekomstige ontwikkeling in dit plan.
Voorliggend bestemmingsplan past binnen de hierboven beschreven beleidskaders.
Op 22 december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2009 - 2015 (NWP) vastgesteld. Het NWP is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.
Het uitgangspunt van het NWP blijft het integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. De samenwerking tussen overheden wordt geïntensiveerd, waarbij wordt bezien of binnen de stroomgebieden nog effectiever kan worden samengewerkt. Een gebiedsgerichte aanpak wordt de standaard voor het uitwerken van maatregelen, waarbij alle betrokken partijen een ontwikkelingsgerichte aanpak hanteren en kansen benutten. Voor een duurzaam waterbeheer is het belangrijk om water de ruimte te geven en waar mogelijk mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals nu al gebeurt in het kader van de Beleidslijn grote rivieren. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. De mate waarin water bepalend is bij ruimtelijke ontwikkelingen hangt af van de aard, omvang en urgentie van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies, bodemgesteldheid en andere kenmerken in het betreffende gebied.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is op 11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten. In het waterplan is de provinciale sturingsvisie voor de periode tot 2015 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciaal waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt in diverse beleidsthema's. De vier kernopgaven zijn:
Het waarborgen van de veiligheid heeft betrekking op overstromingen en wateroverlast. Uitgangspunten zijn risicobeheersing en het voorkomen van afwenteling op andere gebieden. Hiertoe zijn onder meer afspraken gemaakt over versterking van de kustbescherming en de versterking van rivierdijken. Voor de kernopgave mooi en schoon water zijn de chemische en ecologische kwaliteit van het water van belang. Ook het behoud van een goede zwemwaterkwaliteit speelt hierbij een rol. De diversiteit en aantrekkelijkheid van het landschap in Zuid-Holland heeft veel te maken met de aanwezigheid van water. Het ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening heeft onder meer gevolgen voor de bescherming van bestaande drinkwaterbronnen en de verdeling van het drinkwater over verschillende watergebruikers.
Door droogte en/of verzilting kan een tekort ontstaan aan zoet water. De opgave is een duurzame situatie te creëren, waarin het watersysteem en de ruimtelijke functies zodanig op elkaar zijn afgestemd dat waterbeheer 'zo eenvoudig mogelijk' is. Voor het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem ziet de provincie met name toe op goed operationeel waterbeheer door de waterschappen. Het oppervlaktewatersysteem in Zuid-Holland is een uniek systeem dat het resultaat is van eeuwenlang 'polderen' in het deltalandschap. Het systeem functioneert nog steeds, maar staat onder druk en vraagt aanpassingen en meer ruimte om ook op termijn goed te kunnen blijven functioneren. De toenemende verstedelijking heeft gevolgen voor de afvoer van water, waardoor aanpassingen van het watersysteem noodzakelijk zijn.
Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het beheer van de watergangen en bijbehorende kunstwerken in het plangebied. Informatie met betrekking tot het watersysteem is opgenomen in de leggers van het hoogheemraadschap. Het beleid van het hoogheemraadschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2010-2015 (Waterbeheerplan 4) dat is vastgesteld op 9 december 2009. Het werk van het hoogheemraadschap staat, onder het moto 'droge voeten en schoon water' in het teken van drie hoofddoelen:
Het hoogheemraadschap staat in de periode 2010-2015 voor grote opgaven. Het zwaartepunt ligt bij de verbetering van regionale waterkeringen, de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water, de renovatie van boezem- en poldergemalen en het uitvoeren van het reguliere baggerprogramma voor polders en boezems. In het waterbeheerplan is een maatregelenpakket opgenomen waarmee de strategische doelen ('veilig, voldoende, gezond') in de planperiode kunnen worden verwezenlijkt.
Momenteel werkt het Hoogheemraadschap aan een nieuw Waterbeheerplan.
De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn ‘droge voeten’, schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop. Op de visiekaart zijn de hoofdstructuren van het watersysteem (die fungeren als belangrijke ruimtelijke dragers), de ecologische verbindingszones en de landschappelijke elementen weergegeven. Bij herontwikkeling kunnen deze elementen dienen als basis voor de planvorming. In de visie is aan de hand van vier thema’s het bestaande (water)beleid vertaald naar een optimaal watersysteem in 2030:
In 2030 is het watersysteem veilig voor wateroverlast, duurzaam en robuust. Lokaal betekent dit dat de veenkades veilig zijn en dat er ruimte is voor waterberging, zodat bij hevige buien de overlast zoveel mogelijk wordt beperkt.
Het water in Waddinxveen is in 2030 helder met een gevarieerde planten- en dierenwereld. De randvoorwaarde daarvoor is een goede (ecologische) waterkwaliteit. De bronnen die dit beletten worden zoveel mogelijk aangepakt.
In 2030 is een hoge belevingswaarde en een optimale benutting op en rond het water bereikt. De verbeteringen zijn zoveel mogelijk gecombineerd met (recreatieve) ontwikkelingen. Hiervoor zijn zoveel mogelijk duurzame bouwmethoden toegepast en zijn de (cultuur)historische waarden zoveel mogelijk hersteld.
Het onderhoud en beheer van het oppervlaktewater is in 2030 afgestemd op de gebruiksfuncties van het water (en de oevers). Het hoogheemraadschap en de gemeente werken efficiënt samen, waardoor de totale kosten zo laag mogelijk zijn.
Om de visie in 2030 te bereiken, zijn maatregelen benoemd voor de komende vijf jaar. Het waterplan zet vooral in op de verbetering van de waterkwaliteit en ecologie. De bedoeling is meer oevers natuurvriendelijk in te richten en hier werk van te maken zodra lokaal groot onderhoud van oevers nodig is. Met de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterkwaliteit in Waddinxveen verbeterd. Tegelijk wordt een onderzoek gestart naar de oorzaken van de slechte/ matige waterkwaliteit om de waterkwaliteit verder te kunnen verbeteren. Hierbij wordt samengewerkt met de hoogheemraadschappen.
Specifiek voor het Bentwoud wordt aangegeven dat dit gebied een aangepast peilbeheer krijgt met hogere waterstanden en dat dit gebied waterrijker zal worden. De verwachting is dat hierdoor de waterkwaliteit in het gebied verbetert en de belasting van de Gouwe met zout polderwater fors vermindert.
Het plangebied betreft het Waddinxveense gedeelte van het Bentwoud, en is onderdeel van polder De Noordplas. In het plangebied zijn enkele watergangen aanwezig. Ten westen van het Noordeinde geldt een huidig peil tussen NAP min 6,97 m en NAP min 7,07 m. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft een ontwerp peilbesluit voor het Bentwoud en omgeving in voorbereiding. Dit ontwerp besluit gaat uit van een verhoging van het peil naar -6,37 m NAP in het Bentwoud gedeelte gelegen tussen de Hogeveenseweg, de Limiettocht, de Eerste Tocht en de Maaltocht.
De Limiettocht, Maaltochten Eerste tocht behouden hun huidige peil. In het gebied tussen het Noordeinde en de Eerste tocht wordt het huidige peil vooralsnog gehandhaafd vanwege de koppeling met de agrarische functie. Dit gebied heeft een vast waterpeil en zal, indien dat noodzakelijk blijkt, kunnen worden ingezet als calamiteitenberging voor het noordelijk gelegen gedeelte van Polder De Noordplas (gedeelte ten Noorden van de Hogeveensweg).Het mogelijke toekomstige waterpeil in het recreatiegebied ligt hoger dan het huidige waterpeil. Hierdoor nemen de drooglegging en ontwatering van het gebied af. Een kleinere drooglegging en ontwatering heeft positieve consequenties voor aanwezige natuurwaarden. Bijkomend effect van hogere waterpeilen is het feit dat de kwelintensiteit zal afnemen, doordat de druk van het oppervlaktewater en ondiepe grondwater hoger zal zijn. Nieuw open water hoeft bovendien minder diep te worden uitgegraven, zodat nieuw water een minder sterke drainerende werking heeft en minder zoute en nutriëntrijke kwel aantrekt. De totale zoutbelasting van het Bentwoud neemt daarmee af even als de zoutbelasting van de Gouwe en het overige boezemstelsel waarop het watersysteem afvoert.
Ten behoeve van het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West zijn de verschillende omgevingsaspecten onderzocht. In deze toelichting worden de conclusies uit het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West weergegeven en waar nodig aangevuld. Voor meer informatie over de milieuaspecten wordt verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West en bijbehorende bijlagen.
In 2007 is het MER Bentwoud opgesteld. Dit MER is in 2012 aangevuld naar aanleiding van de verkleining van het aanvankelijk geplande Bentwoud. In deze aanvulling op het MER werd echter wel rekening gehouden met de inrichting van het plangebied als Bentwoud. Het MER geeft daarmee voldoende informatie voor het vaststellen van het plangebied.
Omdat het plan geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk maakt, kan een nadere toets aan de Wet geluidhinder achterwege blijven. In de onderstaande afbeelding is de geluidsituatie weergegeven zonder de Verlengde Bentwoudlaan. In de afbeelding is te zien dat wegverkeerslawaai de mogelijkheden van het beoogd gebruik niet negatief beïnvloed en dat er geen redenen zijn om geluid nader te beschouwen in het kader van voorliggend bestemmingsplan.
Geluidkaart met situatie zonder Verlengde Bentwoudlaan, peiljaar 2025
Uit het onderzoek van de Milieudienst blijkt dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Het plangebied kent, in vergelijking met de geldende normen en haar ligging in de Randstad, een relatief goede luchtkwaliteit.
Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen inrichtingen of gevoelige functies gelegen. Het aspect Bedrijven en milieuzonering is dan ook niet relevant.
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen, spoorwegen of vaarwegen gelegen die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen.
In de directe nabijheid van het plangebied ligt de provinciale weg N455 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico lager ligt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
Binnen het plangebied is op meerdere locaties bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeken blijkt dat er geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging zijn aangetroffen. Deze delen zijn daarmee geschikt voor de beoogde functie natuur en recreatie.
Eventueel grondverzet dient plaats te vinden conform de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente.
In het bestemmingsplan is het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen vertaald door het opnemen van dubbelbestemmingen.
Door de Omgevingsdienst heeft een ecologisch onderzoek opgesteld. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 Ecologisch onderzoek. De resultaten van het onderzoek worden onderstaand weergegeven.
Beschermde gebieden
Gezien de lokale aard van de werkzaamheden, de onderlinge afstanden en de ongeschiktheid voor het plangebied voor kwalificerende vogelrichtlijnsoorten, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.
Het voornemen vindt buiten de EHS en/of belangrijke weidevogelgebied plaats. Omdat er als gevolg van de bestemmingsplanwijziging geen directe aantasting van EHS en/of belangrijke weidevogelgebieden is, bestaat er geen compensatieplicht voor eventuele externe werking op deze gebieden door de nieuwe inrichting (Provincie Zuid-Holland, 2013).
Binnen de natuurwet- en regelgeving van beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998, EHS en belangrijke weidevogelgebieden) zijn geen beperkingen die de bestemmingsplanwijzigingen belemmeren.
Flora- en faunawet
In het plangebied en de omgeving is het voorkomen de volgende (strikt) beschermde soorten niet uitgesloten: kleine modderkruiper (tabel 2), vleermuizen, rugstreeppad, bittervoorn, platte schijfhoren (alle tabel 3) en vogels met vaste verblijfplaatsen (categorie 4). Bij de uitvoering en/of het gebruik van het voornemen zijn negatieve effecten op deze soorten niet uitgesloten. Het gaat hierbij om potentiele overtreding van artikel 9 en/of artikel 11 van de Ffw. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk om vast te kunnen of de soorten daadwerkelijk aanwezig zijn, en of een ontheffing van de Ffw nodig is. Voor de vleermuizen kunnen preventieve maatregelen getroffen worden, waardoor nader onderzoek niet nodig is.
Nader onderzoek
Het uitgangspunt van de Ffw is ‘Nee, tenzij’. Dit betekent dat alles wat schadelijk is voor bedreigde soorten verboden is (www.overheid.nl). Het uitsluiten van effecten is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens. In dit geval zijn negatieve effecten op soorten mogelijk en is daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten noodzakelijk voordat het plan wordt uitgevoerd. Ook bij het aanvragen van een eventuele ontheffing of indienen van een mitigatieplan dient de aanwezigheid van de betreffende soort aangetoond te worden. Hierbij geldt een omgekeerde bewijslast waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt.
Voorafgaand aan de concrete onderbouwing van de keuzes die in dit bestemmingsplan zijn gemaakt, wordt stilgestaan bij de juridische planopzet en de opmaak van de verbeelding.
Bij het toekennen van bestemmingen aan functies in het plangebied is uitgegaan van de volgende uitgangspunten en overwegingen:
Het plan is vervat in:
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt.
Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis, uitgezonderd enkele specifieke aanduidingen. In de toelichting is nader verklaard welke aanduidingen het betreft.
Begrippen
Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert.
Wijze van meten
Met het oog op het kunnen bepalen van de in de planregels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de planregels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen en masten en dergelijke.
Bestemmingen en aanduidingen
Agrarisch
Het grootste gedeelte van het plangebied is voorzien van de bestemming Agrarisch. Binnen deze bestemming is akkerbouw toegestaan en extensieve beweiding. Kassen zijn niet toegestaan.
Specifieke vorm van agrarisch - bentwoud
Een gedeelte van de agrarische bestemming is nader aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bentwoud'. Naast de agrarische functie zijn op deze gronden tevens de functies natuur en recreatie toegestaan. De gronden kunnen onder andere gebruikt worden voor bosgebieden en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen. Door het toevoegen van deze aanduiding aan de bestemming Agrarisch, is een geleidelijke ontwikkeling mogelijk, waarbij zowel natuur en recreatie als het huidige agrarische gebruik zijn toegestaan. Binnen deze aanduiding is het mogelijk recreatieve langzaamverkeerverbindingen te maken tussen het Bentwoud en het Noordeinde. Tenslotte is het mogelijk een horecavoorziening en een beheerschuur te realiseren binnen deze aanduiding. Er is in het Bentwoud, binnen de gemeente Waddinxveen echter slechts één horecavoorziening en één beheerschuur toegestaan binnen de aanduiding specifieke vorm van agrarisch - bentwoud: ofwel binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan, of binnen de grenzen van het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West.
Gekoppeld aan deze aanduiding is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen. Deze is echter alleen van toepassing op de werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de aanleg van het Bentwoud en werkzaamheden die plaatsvinden na realisatie van het Bentwoud.
Specifieke vorm van agrarisch - vrijwaringszone weg
De gronden ter plaatse van het geplande tracé van de nieuwe weg, zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - vrijwaringszone weg'. Ter plaatse van deze gronden, is naast het gebruik als grasland het gebruik voor extensieve dagrecreatie toegestaan. Om een toekomstige aanleg niet te frustreren is daarbij geen opgaande beplanting toegestaan. In het bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West was een regeling opgenomen dat op een afstand tot 20 meter vanaf de Maaltocht geen hoogopgaande beplanting mocht worden gerealiseerd. Doel van deze regeling was een buffer te creëren tussen het Bentwoud en het naastgelegen agrarisch gebied. Door het opnemen van de vrijwaringszone, waarin hoogopgaande beplanting ook niet is toegestaan, wordt mede in deze buffer voorzien.
Bijgebouwen
Langs het Noordeinde is een schuur opgenomen, voorzien van de aanduiding 'bijgebouwen'. Hiermee wordt de reeds bestaande bebouwing vastgelegd. Voor het overige zijn voor dit perceel dezelfde regels opgenomen als in het geldende bestemmingsplan Waddinxveen Noord-West. Dit betekent dat sierteelt hier ook is toegestaan.
Specifieke gebruiksregels - parkeren
Op 1 november 2014 is de AMvB "Quick wins" en op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 van kracht geworden. De AMvB wijzigt artikel 3.1.2 (lid 2) van het Besluit ruimtelijke ordening en de Hiermee is expliciet vastgelegd dat een bestemmingsplan regels mag bevatten die betrekking hebben op een bevoegdheid waarvan uitoefening afhankelijk is gesteld van beleidsregels. De Reparatiewet wijzigt enkele bepalingen in de Woningwet. Dit komt er op neer dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de gemeentelijke bouwverordeningen niet meer van toepassing zijn op nieuw vast te stellen bestemmingsplannen (of beheersverordeningen) en volledig vervallen op 1 juli 2018. De stedenbouwkundige bepalingen worden geschrapt omdat de wetgever er vanuit gaat dat hierin wordt voorzien in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen.
Bovenstaande heeft tot gevolg dat een verwijziging naar de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening, zoals nu gebruikelijk in bestemmingsplannen, zinloos is geworden. Het bestemmingsplan zal daarom nu zelf moeten voorzien in parkeerregels als de gemeente haar gemeentelijk parkeerbeleid wil blijven effectueren.
Gezien het nieuwe artikel 3.1.2 Bro bestaat de mogelijkheid om middels algemene regels in het bestemmingsplan de parkeerbehoefte te kunnen sturen. Hiertoe is in de bestemming agrarisch een gebruiksregel opgenomen.
De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen. In het parkeerbeleid wordt aangegeven dat voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen bij bepaalde functies moet worden uitgegaan van de parkeercijfers van de meest actuele CROW-publicatie (ten tijde van de opstelling van dit plan is dat publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Voor de horeca kan gebruik worden gemaakt van de normen van het CROW. Het CROW voorziet echter niet in normen voor extensieve dagrecreatieve voorzieningen. Indien over het benodigde aantal parkeerplaatsen discussie ontstaat, dan zal hierover advies van een deskundige worden gevraagd.
Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning.
Waarde- Archeologie 2 en 5
In het plangebied komen gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Voor deze gebieden zijn de dubbelbestemmingen Waarde- Archeologie 2 en 5 opgenomen met daaraan gekoppeld een aanlegvergunningenstelsel. Omdat in deze dubbelbestemmingen een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om te wijzigen naar andere dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie, die niet zijn opgenomen in dit bestemmingsplan, zijn in bijlage 2 alle dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie opgenomen.
Algemene regels en Overgangs- en slotregels
De Algemene regels en overgangs- en slotregels omvatten algemene regels die verplicht zijn gesteld in het Bro.
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) inwerking getreden met daarin opgenomen een afdeling omtrent grondexploitatie, afdeling 6.4. Het doel van deze afdeling is om de mogelijkheden voor gemeentebesturen te verbeteren, om kosten te verhalen en eisen te stellen aan de inrichting, de kwaliteit of de realisatie van bouwlocaties. Conform art 6.12 1e lid Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen, tenzij conform art 6.12 2e lid onder a, de kosten anderszins zijn verzekerd. De gemeente en provincie hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de betrokken gemeentes en provincie afgesloten samenwerkingsovereenkomst. De gronden zijn reeds aangekocht door de provincie en het geld voor de inrichting is gereserveerd.
Ter voldoening aan artikel 3.1.1 van het Bro, is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan betrokken overheden. De resultaten van dit vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Voor de samenvatting en beantwoording van de vooroverlegreacties wordt verwezen naar Bijlage 2.
Het voorontwerp bestemmingsplan heeft voor eenieder ter inzage gelegen. Daarnaast heeft op 24 februari 2015 een inloopavond plaatsgevonden. De reacties zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. De beschouwing van de reacties is opgenomen in Bijlage 2.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 7 mei 2015 zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn verwerkt in het definitieve bestemmingsplan. De beschouwing van de zienswijzen is opgenomen in Bijlage 3.