| Plan: | Ternaarderwei 54, Wierum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1970.BpWrTernaarderw54-VA01 |
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de verplaatsing van het Loonbedrijf De Graaf. Dit bedrijf was gelegen aan de Ternaarderwei 27 te Wierum, echter is gebleken dat deze activiteiten planologisch en milieutechnisch te zwaar zijn voor deze locatie in relatie tot de directe woonomgeving. Daarbij komt dat het loonbedrijf de bedrijfsactiviteiten wil verbreden in de zin van opslag en handel in compost.
Bij het loonbedrijf spelen met name de milieuaspecten geur, geluid en verkeer. Hierover is geruime tijd contact geweest met de gemeente; uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat een bedrijfsverplaatsing tot een oplossing bijdraagt. Voorliggend plan regelt deze verplaatsing in juridisch-planologische zin.
Op de navolgende overzichtskaart is de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven (zie ook de bijgevoegde verbeelding).
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de voormalige gemeente Dongeradeel, tegenwoordig de gemeente Noardeast-Fryslân. Het plangebied is gelegen ten noorden van de Koaterhústerwei en ten zuiden van het dorp Wierum.
Afbeelding 1. Plangebied Ternaarderwei 54 + 54a (bron: pdokviewer.nl)
De locatie Ternaarderwei 54 is in de geldende bestemmingsplannen ‘Bûtengebiet Dongeradeel’ en ‘Bûtengebiet Dongeradeel, herziening 2015’ voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’ met bouwvlak, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf — Pootaardappelhandel’. De woning nr. 54a is voorzien van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. De bestaande erfbeplanting aan de westzijde van het erf is bestemd als 'Groen - Waardevolle erfbeplanting’. Ten westen en zuiden van het perceel is een agrarische bestemming gelegen (zonder bouwvlak), en tevens de dubbelbestemming 'Waarde — Reliëf’. De bedrijfsvestiging heeft betrekking op alle voornoemde bestemmingen. De beoogde bedrijfsvestiging leidt tot de volgende twee strijdigheden:
Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op een passend juridisch planologisch kader.
Voorliggende toelichting kent zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk komt in hoofdstuk 2 de beschrijving van de ontwikkeling aan de orde. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader. Het daarop volgende hoofdstuk behandelt de toetsing aan de omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). Hoofdstuk 5 bevat de juridische vormgeving en hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Dit plan heeft betrekking op het loonbedrijf De Graaf. In de huidige situatie is het bedrijf nog gevestigd aan de Ternaarderwei 27. Met dit plan wordt het bedrijf verplaatst naar de Ternaarderwei 54, waar het erf en de bedrijfsgebouwen van een voormalige pootaardappelhandel beschikbaar zijn. Het erf ligt aan de weg en heeft inritten naar een verhard voorerf. De bebouwing bestaat uit vier naast elkaar gelegen loodsen. Aan de zuidzijde van het erf staat de bedrijfswoning. Achter de bedrijfsgebouwen is opgaand groen aangebracht.
Afbeelding 2. Luchtfoto plangebied (bron: maps)
De loodsen aan de Ternaarderwei 54 worden, al dan niet na een interne verbouwing, ingericht als stalling, werkplaats en/of werktuigenloods. De bestaande bebouwing biedt hiervoor voldoende ruimte. Het achtererf wordt uitgebreid met meer verhard oppervlak. Hier wordt tevens een spoelplaats gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 300 m2. Met het oog op de toekomst wordt tevens een verbreding van de bedrijfsactiviteiten voorgestaan in de vorm van opslag en handel in compost. Hiervoor is een verhard oppervlak van ca. 1.000 m2 noodzakelijk, waarbij de hoogte van de compostopslag maximaal 6 m zal worden.
Ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling wordt de bomenrij gekapt en grond vergraven. De kap van de bomenrij ('Groen - Waardevolle erfbeplanting') is noodzakelijk voor de uitbreiding. Door het ontbreken van scheuren en holtes in de bomen kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen worden uitgesloten en zijn geen belemmeringen met betrekking tot de natuurwaarden te verwachten (paragraaf 4.4). De initiatiefnemer dient voor het kappen van deze bomenrij een melding doen in het kader van de Wet natuurbescherming. De rij met bomen die gekapt wordt, zal worden gecompenseerd door een nieuwe beplantingssingel rondom de te realiseren verharding met spoelplaats. De nieuwe erfbeplanting moet worden aangelegd en in stand worden gehouden conform het bij dit bestemmingsplan behorende inrichtingsplan (bijlage 2 bij de regels).
Het verwijderen van de bestaande erfbeplanting wordt op basis van de voorgaande motivering aanvaardbaar geacht.
De zuidelijke ontsluitingsweg (ten zuiden van de bedrijfswoning) die op de inrichtingstekening als bestaand staat ingetekend, wordt met de realisering van het nieuwe achtererf opgeheven. Deze route is niet gewenst en ook overbodig. De middelste ontsluitingsweg wordt in noordelijke richting verplaatst. Tot slot blijft de bedrijfswoning als zodanig bestemd.
Afbeelding 3. Inrichtingsplan (Bron: BügelHajema Adviseurs)
In het voorliggende bestemmingsplan wordt ervan uitgegaan dat de voorgenomen bedrijfsvoering overeenkomt met de (representatieve invulling van de) maximale planologische mogelijkheden. Ook bij de onderzoeken (hoofdstuk 4) is hiervan uitgegaan.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
In de SVIR is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bieden van ontwikkelingsruimte aan één bedrijf wordt in dit kader niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desondanks is kort getoetst aan de ladder. Deze bestaat uit de volgende drie treden:
Is er behoefte aan de beoogde ontwikkeling?
De aanleiding voor het ontwikkelen van de bedrijfslocatie is een gebleken gebrek aan een passende locatie voor het loonbedrijf. Op de huidige locatie is onvoldoende ontwikkelingsruimte. Het gaat om herplaatsing van een specifiek agrarisch gelieerd bedrijf dat een directe binding heeft met het werkgebied rondom Wierum. Er is dus duidelijk sprake van een behoefte aan de ontwikkeling.
Kan de behoefte worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied?
Binnen het bestaand stedelijk gebied van Wierum is geen ruimte om dit bedrijf op te vangen. Er is hier namelijk geen bedrijventerrein voorhanden. Uitwijken naar een andere kern is geen optie, daar het loonbedrijf haar klanten rondom Wierum heeft en bovendien de vestiging van een loonbedrijf milieutechnisch gezien juist om enige afstand vraagt ten opzichte van woongebieden.
Kan een nieuwe locatie worden gevonden die passend multimodaal is ontsloten?
De locatie heeft voor auto- en vracht- en landbouwverkeer een goede ontsluiting op de provinciale weg N358 en is voor de werknemers ook met het openbaar vervoer te bereiken.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
Streekplan Fryslân 2007
Het Streekplan Fryslân 2007 is op 13 december 2006 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Streekplan wordt het provinciaal omgevingsbeleid verwoord. Met betrekking tot dit bestemmingsplan worden enkele beleidsuitgangspunten genoemd.
Het streekplan biedt ruimte voor het ontwikkelen van bestaande en lokale bedrijvigheid. Het vestigingsbeleid van de provincie richt zich op het sturen van vestigingsmogelijkheden naar typen kernen. Voor kleine kernen gaat het om bedrijven die qua aard en omvang passen bij de betreffende kern. Het gaat hier om een lokaal loonbedrijf. Qua omvang en met name ook vanwege de milieutechnische effecten van het loonbedrijf op de omgeving past het niet meer in de kern, vandaar dat wordt uitgeweken naar het relatief grootschalige agrarisch gebied rondom de kern.
Bij de ruimtelijke inpassing van werkfuncties dient aandacht te worden besteed aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan door efficiënt ruimtegebruik, bijvoorbeeld door de mogelijkheden van herstructurering te onderzoeken. Ook zijn een goede beeldkwaliteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing van groot belang.
Structuurvisie Grutsk op 'e Romte
In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten weer.
Verordening Romte
De Verordening Romte bevat in artikel 1.1.1 de algemene regel dat in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden mogen worden toegestaan voor een nieuwe stedelijke functie. Artikel 6.2.1 biedt wel de mogelijkheid om bij agrarische bedrijven nevenactiviteiten toe te staan.
In artikel 6.2.2 wordt de mogelijkheid gegeven om in afwijking van bovengenoemde bepalingen bedrijfsactiviteiten toe te staan die niet in hoofdzaak bedrijfseigen (agrarisch) zijn, alsmede agrarische hulpbedrijven - zoals loonwerkbedrijven - indien:
Zoals hiervoor al aangegeven, is er geen geschikte locatie op een bedrijventerrein voorhanden. Vestiging vindt plaats op een bestaand bouwperceel waar voorheen een pootaardappelhandel was gevestigd. Voor de inpassing van het loonbedrijf is een inrichtingsplan opgesteld. In de regels is de uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing geborgd.
Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die in artikel 6.2.2 van de Verordening Romte zijn genoemd.
Conclusie
Door een verantwoorde ruimtelijke en functionele inpassing, is het hergebruik van deze bedrijfslocatie inclusief verruiming van het bestemmingsvlak, overeenkomstig het provincaal beleid en kan hier instemming aan worden toegekend.
Bestemmingsplan Bûtengebiet
Het gemeentelijk beleid is grotendeels afgestemd op het provinciaal beleid. Het bestemmingsplan Bûtengebiet en de daaraan ten grondslag liggende Nota's van Uitgangspunten geven richting aan de ambities van de gemeente voor dit gebied.
De gemeente stelt hierin dat een groot deel van de beroepsbevolking in de gemeente werkzaam is in de agrarische sector of in de daaraan gelieerde bedrijven. Daarmee is de landbouw een belangrijke motor achter de economische en de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Naast de puur agrarische functie heeft het landelijk gebied ook economische waarden vanwege de aanwezigheid van andere, veelal agrarisch aanverwante bedrijvigheid. In het buitengebied zijn diverse agrarische handels- en hulpbedrijven aanwezig (onder meer loonbedrijven). Deze bedrijven leveren belangrijke diensten aan de boeren in het buitengebied. Daarnaast kan deze vorm van bedrijvigheid een aanvullende inkomstenbron voor een boer vormen.
Het bestemmingsplan biedt binnen de geldende bestemming 'Bedrijf' geen mogelijkheid voor de vestiging van een bedrijf van milieucategorie 3.1 en evenmin voor de vergroting van het bestemmingsvlak. Voor de vestiging van het loonbedrijf en de opslag en handel in compost moet daarom maatwerk worden geleverd. Dat wordt met dit bestemmingsplan gedaan, waarbij het hier gaat om aanpassing en uitbreiding van een bestaande bedrijfsbestemming.
In opdracht van de firma O. de Graaf & Zn is door WMR Rinsumageest bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Ternaarderwei 54 in Wierum.
Aanleiding van het verkennend onderzoek is de voorgenomen transactie van het perceel. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5740 en NEN 5725 volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie (VED-HE). Hierbij zijn drie verdachte deellocaties (voormalige bovengrondse brandstoftank en voormalig kwikspoelplaats deellocatie A en B) separaat onderzocht. Op deze locaties is een licht verhoogde waarde van kwik in de bodem gevonden; voor de rest zijn er geen verhoogde waarden aangetroffen.
Vanwege de licht verhoogde gehalten kwik in de bovengrond en de licht verhoogde concentratie molybdeen in het grondwater is de onderzoekshypothese, een verdachte locatie volgens VED-HE, formeel gezien bewezen.
Echter, op basis van de gemeten gehalten kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding is voor een aanvullend onderzoek. Het onderdeel bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Wel moet, voordat er grondverzet plaatsvindt, een asbestonderzoek worden uitgevoerd.
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van milieugevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. Voorliggend plan ziet toe op een bedrijf uit milieucategorie 3.1 en is nader beoordeeld.
In opdracht van Loonbedrijf De Graaf is door GeluidMeesters BV onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie vanwege de bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Ternaarderwei 54 te Wierum (FR). De Graaf is voornemens de activiteiten van het huidige loonbedrijf in de bebouwde kom van Wierum te verplaatsen naar de locatie buiten het dorp. Het bevoegd gezag verlangt, in het kader van een ruimtelijke procedure, dat door middel van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten geen overmatige geluidhinder veroorzaken op de omgeving.
In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de voorgenomen bedrijfsvoering. Deze voorgenomen bedrijfsvoering komt overeen met de (representatieve invulling van) maximale planologische mogelijkheden.
Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het akoestisch onderzoek. Het volledige rapport is als Bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.
Ruimtelijke procedure
Conform lijst 1 uit de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering is de inrichting te omschrijven als “Dienstverlening t.b.v. de landbouw – algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. >500 m2". Dit betekent dat de inrichting een milieucategorie 3.1 bedrijf betreft waar voor “geluid” een richtafstand van 50 meter is aangehouden.
Omdat zich binnen deze afstand woningen bevinden, is conform de stappen 2 en 3 van de VNG de geluidbelasting ter plaatse getoetst. Uit de voorliggende rapportage blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) in zowel de RBS als de IBS aan de richtwaarden conform stap 2 van de VNG voldoen. De grenswaarden voor het LAmax worden, conform stap 2 uit de VNG-publicatie, op slechts één woning overschreden. Er wordt echter wel voldaan aan de 5 dB ruimere normen die conform stap 3. Dit betreft de woning Ternaarderwei 54a die als bedrijfswoning wordt bestemd. Daarmee is het geen geluidgevoelige locatie meer.
In het akoestisch onderzoek is geen rekening gehouden met verplaatsing (in noordelijke richting) van de middelste uitrit en het vervallen van de meest zuidelijke uitrit (ten zuiden van de bedrijfswoning) (zie hiervoor ook de beschrijving in paragraaf 4.8). In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de voorgenomen bedrijfsvoering. Deze voorgenomen bedrijfsvoering komt overeen met de (representatieve invulling van) maximale planologische mogelijkheden.
Activiteitenbesluit milieubeheer
Naast een ruimtelijke inpassing dient de inrichting te voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat de geluidemissie van de inrichting, zowel in de RBS als de IBS, voldoet aan de gestandaardiseerde geluidvoorschriften uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor het loonbedrijf geldt in de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering voor “geur” een richtafstand van 30 meter. Voor het bepalen van deze richtafstand is uitgegaan van de omschrijving "Dienstverlening ten behoeve van de landbouw - algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m2" . De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich aan de Ternaarderwei 33 en 56. Deze woningen staan op een afstand van ongeveer 45 meter vanaf de grens van de inrichting/bestemming.
De opslag en het verladen van compost is hier echter meer bepalend. De opslag en verlading van compost is in de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering niet als aparte milieucategorie weergegeven, maar kan het best worden vergeleken met de opslag van kuilvoer (lijst 2. opslagen en installaties), waarvoor een richtafstand van 50 meter is aangegeven.
In het Activiteitenbesluit is in paragraaf 3.4.5 voor de opslag van agrarische bedrijfsstoffen (zoals vaste mest, kuilvoer en champost) een afstand van 50 meter afstand aangehouden tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. In paragraaf 3.5.7, die gaat over het composteren van groenafval, wordt ook een afstand van 50 meter aangehouden.
De afstand van de compostopslag tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten (woningen) is ca. 80 meter. Deze afstand is voldoende om geurhinder te voorkomen en omgekeerd vormt de dichtstbijzijnde woning geen belemmering voor de uitoefening van de opslag en verlading van compost.
Conclusie
Op basis van de beoogde bedrijfsvestiging is door de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) een milieubeoordeling uitgevoerd. Ten behoeve hiervan is akoestisch onderzoek aangeleverd.
Uitgaande van het feit dat de woning te nr. 54a als bedrijfswoning bestemd is en blijft, is uit de milieubeoordeling gebleken dat de beoogde bedrijfsvestiging ten opzichte van de nabije woningen te nrs. 33 en 56 milieutechnisch verantwoord is.
Ook wat betreft geurhinder zijn er geen belemmeringen. Om te borgen dat de afstand van de compostopslag tot de dichtstbijzijnde woningen niet kleiner wordt dan in het voornemen is aangegeven, is de locatie van de opslag in het bestemmingsplan vastgelegd.
De wet- en regelgeving in het kader van externe veiligheid, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transport en het Besluit externe veiligheid buisleidingen, verplicht gemeenten en provincies die milieuvergunningen verlenen of ruimtelijke plannen maken, rekening te houden met externe veiligheid. Doel is burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen geeft grenswaarden voor nieuwe en bestaande situaties ten aanzien van het plaatsgebonden risico van inrichtingen waarin bepaalde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, opgeslagen of geproduceerd. Deze grenswaarde wordt uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting.
Daarnaast gaat het Besluit in op het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang slachtoffer wordt van een ongeval in een inrichting.
Afbeelding 4. Uitsnede Signaleringskaart (Bron: Fumo)
Uit de Signaleringskaart blijkt dat in en in de directe nabijheid van het plangebied (hierboven in rood weergegeven) geen risicobronnen zijn gelegen waarvan de risicocontouren of het invloedsgebied (in paars weergegeven) over het plangebied vallen. Daarnaast worden met de planvorming geen nieuwe risicobronnen toegelaten.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het voorliggend plan.
Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
KADER
De initiatiefnemer is voornemens om achter de huidige bebouwing aan de Ternaarderwei 54 te Wierum een spoelplaats en verharding, met voldoende manoeuvreerruimte, te realiseren met een diepte van 50 m aan de westzijde van de huidige bebouwing. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 30 oktober 2019 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: onbewolkt, circa 8°C, droog en een matige wind.
PLANGEBIED
Het plangebied betreft een loonbedrijf met een viertal loodsen en een bedrijfswoning. Dit bedrijf ligt ten zuiden van Wierum aan de Ternaarderwei 54 en grenst rondom aan percelen grasland en akkers. Het oosten van het plangebied betreft een verhard oppervlak welke dient om de bebouwing toegankelijk te maken. In het westen van het plangebied, achter de loodsen, staat een rij bomen. Ten zuiden van de loodsen staat een bedrijfswoning met grote tuin. Zowel de loodsen als de bedrijfswoning zijn opgetrokken uit baksteen met een golfplaten dak. Het woonhuis heeft een pannendak. Rondom het plangebied loopt een watergang.
De ontwikkelingen bestaan uit de realisatie van een spoelplaats en verharding met een diepte van 50 m ten westen van de loodsen. Hiervoor wordt de bomenrij gekapt en grond vergraven. De rij met bomen die gekapt wordt, zal worden vervangen door een nieuwe beplantingssingel rondom de te realiseren verharding met spoelplaats.
Topografische kaart met het onderzochte plangebied ecologie (rood)
Impressie van het plangebied op 30 oktober 2019. Links het aanzicht op de bomenrij vanaf de zuidkant, rechts het aanzicht vanaf de noordkant
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
INVENTARISATIE
Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna2 (NDFF) via Quickscanhulp.nl3 (© NDFF - quickscanhulp.nl 29-10-2019 09:46:31) blijkt dat binnen een straal van een kilometer rond het plangebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. Het gaat om vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren, amfibieën en een enkele ongewervelde (het spiegeldikkopje).
Vegetatie in het plangebied bestaat voornamelijk uit een aantal algemene grassoorten, zoals Engels raaigras. De opgaande beplanting bestaat onder andere uit zwarte els en meidoorn.
Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen in het plangebied. Deze zijn gezien de terreingesteldheid en de voedselrijkdom ook niet te verwachten.
Er is een aantal jaarrond beschermde vogelsoorten bekend uit de directe omgeving van het plangebied, zoals huismus en gierzwaluw (Quickscanhulp.nl). In de bomenrij zijn geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. Er zijn in het projectgebied ook geen nesten waargenomen van algemeen voorkomende broedvogels. Wel zijn in de groenstructuren in het projectgebied algemeen voorkomende broedvogels broedend te verwachten, waaronder merel en houtduif. De nesten van deze algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd.
De bomen zijn onderzocht op scheuren en holtes die kunnen leiden tot jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen van vleermuizen. Dergelijke openingen zijn niet waargenomen. Door het ontbreken van deze scheuren en holtes in de bomen kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen worden uitgesloten.
Het plangebied kan mogelijk onderdeel vormen van het foerageergebied van vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Er zal echter geen hoogwaardig foerageergebied verloren gaan, aangezien er in de omgeving voldoende alternatief en hoogwaardig foerageergebied aanwezig is. Het plangebied vormt geen onderdeel van een belangrijke vliegroute van vleermuizen door het ontbreken van aaneensluitende rijen opgaande beplanting of watergangen. Overigens wordt er met voorliggend plan aanvullend opgaand groen ingeplant.
Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals egel en huisspitsmuis (Quickscanhulp.nl). Voor deze soorten geldt in de provincie Fryslân een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb. Niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet bekend uit de directe omgeving van het plangebied (Quickscanhulp.nl). Gezien de terreingesteldheid worden deze soorten ook niet verwacht in het plangebied.
De watergang in het plangebied vormt geschikt landbiotoop en/of voortplantingsbiotoop voor enkele algemene amfibieënsoorten, zoals meerkikker en bastaardkikker (Quickscanhulp.nl). Voor deze soorten geldt in de provincie Fryslân een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Niet vrijgestelde amfibieënsoorten zijn niet bekend uit de directe omgeving van het plangebied (Quickscanhulp.nl). Geschikt biotoop voor niet-vrijgestelde soorten is in het plangebied niet aanwezig.
In de directe omgeving van het projectgebied is het spiegeldikkopje waargenomen (Quickscanhulp.nl). Vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor spiegeldikkopje of andere soorten beschermde ongewervelden, zijn deze niet in het plangebied te verwachten.
Waarnemingen van beschermde reptielen uit de directe omgeving van het plangebied zijn niet bekend (Quickscanhulp.nl). Gezien de terreingesteldheid worden beschermde reptielensoorten niet verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop in het plangebied.
Ook waarnemingen van beschermde vissensoorten zijn vanuit de directe omgeving van het plangebied niet bekend (Quickscanhulp.nl). Beschermde vissensoorten zijn niet in het plangebied te verwachten vanwege het ontbreken van waarnemingen uit de directe omgeving en het ontbreken van geschikt biotoop.
TOETSING
Als gevolg van de plannen zullen geen vleermuisverblijfplaatsen of jaarrond beschermde nesten verloren gaan. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten kunnen daardoor uitgesloten worden.
Het plangebied zal naar verwachting niet volledig ongeschikt worden als foerageergebied voor de te verwachten vleermuissoorten die in het plangebied foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen, ten gevolge van de werkzaamheden, treden niet op.
Bij uitvoering van het plan wordt het plangebied mogelijk minder geschikt als foerageergebied voor buizerd en slechtvalk. Het plangebied vormt echter hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van deze soorten en bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden dan ook niet op.
Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.
Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.
GEBIEDSBESCHERMING
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
WET NATUURBESCHERMING
In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000- gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
NATUURNETWERK NEDERLAND
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN - voormalig Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor provincie Fryslân uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007 en de Verordening Romte Fryslân 2014 (provinciaal ruimtelijk natuurbeleid).
NATUUR BUITEN HET NNN
Vanuit het Streekplan Fryslân 2007 en de Verordening Romte Fryslân 2014 wordt buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bestaande natuurgebieden en natuurwaarden in agrarisch gebied.
INVENTARISATIE
In het kader van de Wnb beschermde gebieden liggen op kleine afstand van het plangebied. Het meest nabijgelegen beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Waddenzee' dat gelegen is op een afstand van circa 800 m ten noorden van het plangebied. Het meest nabijgelegen NNN-gebied ligt op ruim 1,2 km ten noordoosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als 'Natuur buiten het NNN' omvat een bosstrook die op circa 500 m afstand ten noorden van het plangebied is gelegen. Het meest nabijgelegen weidevogelkansgebied is gelegen op een afstand van circa 8 km ten zuidwesten van het plangebied.
TOETSING
Het plangebied ligt op relatief kleine afstand van het Natura 2000-gebied 'Waddenzee'. Hierdoor zijn in potentie effecten mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebieden door bebouwing, (water)wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.
Over deze afstand kan echter in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom dient een AERIUS-berekening te worden gemaakt waaruit blijkt of bij aanleg en gebruik sprake is van depositie boven de 0.00 mol N/ha/jaar op relevante Natura 2000-gebieden.
Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en de aard van het plan zijn geen negatieve effecten te verwachten op het NNN, natuur buiten het NNN en weidevogelkansgebieden. Deze inventarisatie is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
AERIUS berekening
In het kader van het bestemmingsplan Ternaarderwei 54 te Wierum is de depositie van stikstof ten gevolge van de aanleg van extra verharding en het gebruik van de loodsen door het Loonbedrijf O. Graaf & Zn BV in de gemeente Noardeast-Fryslân berekend.
Het project maakt de aanleg van ca. 5.000 m2 aan verharding mogelijk op een locatie in het niet stedelijk woonmilieu. De depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (20 december 2019).
In de AERIUS-berekening is uitgegaan van de voorgenomen bedrijfsvoering. Deze voorgenomen bedrijfsvoering komt overeen met de (representatieve invulling van) maximale planologische mogelijkheden.
In de AERIUS-berekening is ervan uitgegaan dat de bestaande gebouwen geen gasaansluiting hebben en ook in de toekomt niet krijgen. Dit wordt geborgd in de regels van het bestemmingsplan.
Bij de AERIUS-berekening is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens die zijn gebruikt voor het akoestisch onderzoek. In de representatieve situatie is daarbij geen rekening gehouden met verplaatsing (in noordelijke richting) van de middelste uitrit en het vervallen van de meest zuidelijke uitrit (van de bedrijfswoning). Deze aanpassing leidt niet tot een wijziging van het aantal verkeersbewegingen en is bovendien zo gering van aard dat dit niet van invloed is op de uitkomsten van de AERIUS-berekening.
De uitgevoerde AERIUS-berekening concludeert dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stifstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. De AERIUS-berekening is als Bijlage 3 bijgevoegd.
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Een ontheffing van de Wnb voor beschermde soorten is niet nodig.
In verband met de soortbescherming van de Wnb is het wel nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels.
De AERIUS-berekening heeft uitgewezen dat er geen negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Er hoeft daarom geen vergunning Wnb te worden aangevraagd.
De volledige ecologische inventarisatie is als Bijlage 4 bijgevoegd.
Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. In een hierover op te nemen paragraaf dient te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.
Op 17 december 2019 is een digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. De watertoets is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.
Voor het voorliggende bestemmingsplan is onderstaande passage uit de watertoets van belang:
TOENAME VERHARDING
Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
| gebied | stedelijk (> 200 m2) | landelijk (> 1.500 m2) |
| boezem | 5% | 5% |
| polder | 10% | 10% |
| vrij afstromend | maatwerk mogelijk | maatwerk mogelijk |
Toelichting tabel
WATERCOMPENSATIE
Benodigde actie: 520 m2 watercompensatie, te regelen door verbreding van de sloot. Dit conform het inrichtingsplan.
ARCHEOLOGIE
Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied de bekende als wel de te verwachten archeologische waarden aangegeven. Daarbij worden twee verschillende onderzoeksperioden onderscheiden, te weten steentijd-bronstijd en ijzertijd-middeleeuwen. Voor deze onderzoeksperioden geldt respectievelijk het advies 'geen onderzoek noodzakelijk' en 'karterend onderzoek - 2'.
Steentijd-bronstijd
Op de FAMKE-kaart wordt voor de periode steentijd-bronstijd het plangebied onder: geen onderzoek noodzakelijk geplaatst. Dit zorgt er voor dat er voor dit betreffende plan geen acties uitgevoerd hoeven te worden.
IJzertijd-middeleeuwen
Voor de periode ijzertijd-middeleeuwen wordt op de FAMKE-kaart aangegeven dat het gebied ligt in karterend onderzoek 2. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2.500 m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn.
Voorliggend plan betreft de aanpassing van de bedrijfsbestemming waarbij een uitbreiding (ca. 5.000 m2) van het onbebouwde erf wordt gerealiseerd. Omdat het plan ingrepen van meer dan 2.500 m2 planologisch mogelijk maakt, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Archeologisch onderzoek
In het kader van de bestemmingsplanwijziging heeft de provincie Fryslân aangegeven dat archeologisch onderzoek nodig is. In mei 2020 is een archeologisch bureauonderzoek en veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd aan deze toelichting (Bijlage 6). Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden.
Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en zijn geen aanwijzingen gevonden voor zogenaamde terplagen en/of archeologisch relevante cultuurlagen die te maken kunnen hebben met historische bewoning of losse vindplaatsen. Aangezien er in het plangebied geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen wordt naar aanleiding van het onderzoek geadviseerd om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen of beperkende maatregelen op te leggen.
CULTUURHISTORIE
Het onderhavige plangebied is qua overige cultuurhistorische aspecten vermeldenswaardig vanwege de aanduiding 'relief' op de gronden met de enkelbestemming 'agrarisch'. Op grond van het vigerend bestemmingsplan is er ruimte om deze aanduiding weg te nemen indien hiertoe om bedrijfstechnische reden aanleiding is en het van bescheiden omvang is. De verplaatsing van het loonbedrijf is mede op aandringen van de gemeente tot stand gekomen. Het relief is niet dusdanig dat er wordt afgeschoven of afgevlakt. De betonplaten worden, zoals reeds vermeld, aangebracht door grond uit te graven tot max 30 cm zodat er een zandfundering kan worden aangebracht met daar bovenop betonplaten (van 14 cm). De groene rand wordt aangeplant op de bestaande grond. Dit alles conform de overeengekomen tekening landschappelijke inpassing.
Conclusie
Qua archeologie en cultuurhistorie is voorliggend plan uitvoerbaar.
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geimplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.
Op 15 november 2007 is dit onderdeel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake van van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
In voorliggend plan wordt een loonbedrijf verplaatst naar een locatie waar in de huidige situatie een pootaardappelhandelsbedrijf gevestigd is. De verwachting is dat er niet veel verandert op het gebied van het aantrekken van verkeer. De Nibm-tool geeft aan dat wanneer het vrachtverkeer 80% aandeel heeft in het extra aantrekken van verkeer het plan pas bij een toename van meer dan 200 voertuigbewegingen per dag problematische gevolgen zou hebben. De verwachting is dat dit ten opzichte van de huidige mogelijkheden zeker niet het geval is en het plan voor wat betreft luchtkwaliteit uitvoerbaar kan worden geacht.
De verplaatsing van het loonbedrijf uit het dorp is gunstig, doordat het bedrijf centraler in het werkgebied ligt en dichter bij een ontsluitingsweg N358 (Dongerawei). Het aantal verkeersbewegingen van groot materieel/verkeer in de bebouwde kom neemt naar verwachting af. Qua ontsluiting heeft de locatie drie bedrijfsuitwegen met breedtes van 11 meter, 25 meter en 2,5 meter. De woning heeft geen eigen uitweg en maakt gebruik van de bedrijfsuitweg van 25 meter.
Het voornemen is om de bestaande uitrit van 25 m op te delen in een eigen uitweg voor de woning van 4 meter breed en een (iets naar het noorden te verplaatsen) bedrijfsuitweg van 11 meter breed. Bovenstaande situatie voldoet strikt gezien niet aan de gemeentelijke ‘regeling aanleg uitritten’ waarin wordt gesteld dat vanaf een bedrijfsperceel maximaal twee uitwegen worden aangelegd met een maximale breedte van 10 meter.
De regeling ziet echter op nieuwe situaties en niet op bestaande gegroeide situaties met verworven rechten, zoals dat hier het geval is. Per saldo zal de totale breedte van uitwegen verminderen ten opzichte van de huidige situatie. Verkeerstechnisch leiden de smallere uitwegen tot een verbetering van de verkeersveiligheid.
Daarnaast maakt de gewenste ontsluiting deel uit van het totale erfinrichtingsplan waarbij de nieuwe plaats van de bedrijfsuitweg van 11 meter beter aansluit op de verwachte verkeersbewegingen van het loonbedrijf. De nieuwe uitrit ten behoeve van de woning is wel in overeenstemming met de regeling waarin wordt gesteld dat elk (kadastraal) woonperceel recht heeft op één uitrit van maximaal 4 m. De bestaande ontsluitingsweg ten zuiden van de bedrijfswoning wordt opgeheven.
Conclusie
Voor wat betreft het aspect verkeer is dit plan hiermee uitvoerbaar.
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.
De vestiging van een loonbedrijf is niet opgenomen als activiteit die planmer(beoordelings)plichtig is. Van een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D categorie D.11.2) is in dit geval ook geen sprake omdat het bij deze categorie van activiteiten gaat om stedelijke ontwikkelingen zoalsals woningen, winkelcentra en parkeerterreinen. Ter toelichting: in de Europese richtlijn wordt het begrip 'stadsontwikkelingsproject' gehanteerd. Aangezien het hier de vestiging van een bedrijf in het buitengebied betreft op de locatie waar reeds een bedrijfsfunctie aanwezig was, is een mer(beoordeling) niet nodig.
Het bedrijfsonderdeel 'opslag en handel in compost' behoort ook niet tot de planmer(beoordelings)plichtige activiteiten. Van op- en overslag van afvalstoffen (bijlage D categorie D.18.1) is geen sprake, aangezien compost niet wordt gezien als afvalstof. Een mer(beoordeling) is daarom niet nodig.
Conclusie
Voor het onderhavig plan hoeft gezien het voorgaande geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:
Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:
De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.
Dit onderdeel bestaat uit Artikel 1 Begrippen en Artikel 2 Wijze van meten. Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.
Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan dat in het buitengebied van Wierum geldt: 'bestemmingsplan Bûtengebied Dongeradeel'. Voor de wijze van meten geldt dat ook deze overeenkomt met dat bestemmingsplan.
Dit hoofdstuk bestaat uit een tweetal bestemmingsregels:
De navolgende tekst bespreekt de bestemmingen afzonderlijk.
De loonbedrijven zijn onder de bestemming 'Bedrijf - Loonbedrijf' gebracht.
Het gaat om agrarische loonbedrijven, al dan niet in combinatie een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Per bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
De opslaglocatie voor compost is vastgelegd door middel van een aanduiding 'opslag'.
Tot slot is hier een voorwaardelijke verplichting om aan het beplantingsplan opgenomen in Bijlage 2 van de regels te voldoen.
'Groen'
Bos en groenstroken zijn onder de bestemming 'Groen' gebracht. Ook sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen vallen hieronder. De bestemming richt zich op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de groengebieden. Binnen de bestemming is geen bebouwing toegestaan. Voor de bescherming van het groengebied is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen.
De algemene regels bestaan uit een drietal regels:
De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. De 'Algemene gebruiksregels' en 'Algemene afwijkingsregels' zijn ontleend aan het 'bestemmingsplan Bûtengebiet Dongeradeel'. Voor deze algemene regels geldt dat onderdelen van de regels die niet van toepassing zijn in het plangebied uit de artikelen zijn verwijderd.
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Tot slot bevat hoofdstuk 4 de 'Overgangs- en slotregels' waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Voor de uitvoerbarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoebaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Dit plan heeft betrekking op een particulier initatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom bij de initiatiefnemer.
De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening de gemaakte gementelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Het opstellen van een exploitatieplan is niet aan de orde. Met betrekking tot het kostenverhaal zal de gemeente een exploitatieovereenkomst sluiten met de initiatiefnemer.
Inspraak en overleg
In artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat overleg moet plaatsvinden met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
In het kader van het vooroverleg zijn de overlegpartners verzocht reactie te geven op het voorontwerp bestemmingsplan.
WETTELIJK VOOROVERLEG
Op 25 maart 2020 is ten aanzien van het voorontwerpbestemmingsplan (19-3-2020) het wettelijk vooroverleg ex art. 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgestart met provincie Fryslân, Branweer Fryslân en Wetterskip Fryslân. De provincie en de veiligheidsregio hebben een schriftelijke vooroverlegreactie ingediend:
De provinciale belangen in het plan geven aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.
In het voorontwerpbestemmingsplan is sprake van een bestemmingswijziging van o.a. Agrarisch naar Bedrijf - loonbedrijf, waarbij gronden met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 zijn betrokken. In de beoordeling of er archeologisch onderzoek noodzakelijk is, dient te worden uitgegaan van de omvang van de gronden die worden gewijzigd. Naast de nieuwe bestemming Bedrijf - Loonbedrijf betreft dit tevens de nieuwe bestemming Groen, nu daar een nieuwe bomensingel is voorzien; deze (diep)wortelende beplanting kan ook effect hebben op de bodem. In tegenstelling tot hetgeen in de onderbouwing op het plan wordt geconcludeerd, is in dit geval onderzoek dus wel noodzakelijk.
Reactie: De gemeente heeft bij de beoordeling van het bestemmingsplan aandacht gehad voor 'archeologie'. Op dit punt bestaat enige interpretatieruimte. De gemeente heeft 'de grootte van de ingreep' -volgens de provinciale toelichting- opgevat als 'de oppervlakte van de eventuele verstoring die planologisch wordt mogelijk gemaakt' maar heeft dit aanvankelijk beperkt tot de bedrijfsuitbreiding voor zover voorzien van de bestemming Bedrijf- Loonbedrijf.
Naar aanleiding van de provinciale reactie is alsnog besloten om verkennend archeologisch onderzoek uit te (laten) voeren. De resultaten hiervan zijn in het ontwerp-bestemmingsplan toegevoegd. Er is geen nader onderzoek naar archeologie nodig en het plan is op het punt van archeologie uitvoerbaar.
De bestaande erfbeplanting aan de westzijde van het erf is bestemd als 'Groen - Waardevolle erfbeplanting'. Deze beplanting wordt echter gekapt. Hoewel de beplanting wordt gecompenseerd, wordt niet beargumenteerd waarom het aanvaardbaar is dat de waardevolle beplanting wordt gekapt. Verzocht wordt om hier in de toelichting alsnog op in te gaan. Verder wordt er op gewezen dat de kap van de bomen in het kader de Wet natuurbescherming wel moet worden gemeld.
Reactie: In de toelichting zal nadere aandacht worden besteed aan de verantwoording van de kap van de bestaande waardevolle beplanting. Initiatiefnemer is gewezen op de meldingsplicht voor de beoogde kap.
Brandweer Fryslân adviseert in haar vooroverlegreactie om de definitie van compost (meststof uit plantaardig afval) voor het plangebied te borgen en om daarnaast in het bestemmingsplan uit te sluiten dat er anorganische meststoffen aanwezig mogen zijn. Dit gezien de (externe) veiligheidsrisico's die anorganische meststoffen met zich mee kunnen brengen. Daarnaast adviseert de Brandweer vanuit haar repressief adviesmogelijkheid (in het belang voor de basisbrandweerzorg) om de woning te voorzien van rookmelders overeenkomstig de NEN 2555, tenzij dit reeds is gedaan en Brandweer Fryslân te betrekken bij de verdere invulling van het plangebied.
Reactie: Het advies om 'compost' nader te definiëren, is in het ontwerpbestemmingsplan overgenomen. De overige twee repressieve adviezen zijn aan de initiatiefnemer meegegeven.
INSPRAAK
De gemeente heeft ervoor gekozen om het plan niet voor inspraak ter inzage te leggen, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 18 juni tot en met woensdag 29 juli 2020 ter inzage gelegen. Binnen deze periode is geen zienswijze binnengekomen. Wel heeft de Brandweer Fryslân contact opgenomen met betrekking tot hun eerdere vooroverlegreactie.
Zij adviseerden eerder om in het bestemmingsplan uit te sluiten dat er anorganische meststoffen aanwezig mogen zijn. Dit gezien de (externe) veiligheidsrisico's die anorganische meststoffen met zich mee kunnen brengen. Zij constateren dat dit in het ontwerpbestemmingsplan nog niet expliciet is gebeurd. Om te voorkomen dat o.a. anorganische meststoffen in het bestemmingsvlak 'Bedrijf - Loonbedrijf' kunnen worden opgeslagen, is ambtshalve onder art. 3.4.1. als strijdig gebruik toegevoegd: 'het opslaan van mest'. Verder is, om goed te kunnen bepalen wat qua gebruik onder een loonbedrijf is toegestaan, het begrip 'loonbedrijf' toegevoegd in artikel 1 (gelijk aan die van het bestemmingsplan Bútengebiet Dongeradeel).