direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Waelplas
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het doel van dit bestemmingsplan is het juridisch-planologisch mogelijk maken van de realisatie van nieuwbouwwoningen met bijbehorende voorzieningen en van een ecologische verbindingszone in het glastuinbouwgebied van de Poelpolder. Daarnaast wordt een nieuwe boezemkade aangelegd. Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Poelmolenweg en ten oosten van de kern 's-Gravenzande.

De ecologische verbindingszone als onderdeel van het Nationaal Natuurwerk (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) loopt van noord naar zuid door het gehele gebied. Deze zone is kwalitatief sterk verbeterd door het minimaliseren van obstakels en garanderen van een obstakelvrije minimale breedte. De grote oppervlakten aan boezemwater zoals opgenomen was in het plan 'Het Nieuwe Water' zijn in dit plan komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is er meer ruimte voor groen in de woonomgeving en meer ruimte voor woningbouw, inclusief bijbehorende voorzieningen zoals spelen, wegen en parkeren.

Het accent ligt op vrijstaande en twee-onder-een-kap-woningen in het hoger segment. Aan de oostzijde is een kleinschalig appartementengebouw voorzien. Centraal in het gebied zal een eiland worden gerealiseerd, welke wordt ontsloten via de Rijnvaartweg. De invulling van het plandeel ten westen van de ecologische verbindingszone zal later plaatvinden via een uitwerkingsplan. Dit plandeel wordt nader uitgewerkt wanneer duidelijk is op welke wijze de (milieu-) hinder afkomstig van de bedrijven aan de Hagemanstraat kan worden weggenomen.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan is gelegen in het noordelijke deel van de Poelpolder ten oosten van de kern 's-Gravenzande. Het sluit verkeerstechnisch aan op de Rijnvaartweg.

Het plangebied wordt begrensd door:

- in het noorden: de Poelmolenweg (noord) en de waterloop de Gantel;

- in het oosten: de weg Poelmolenweg (oost), Verlengde Poelkade en de waterloop de Poelwatering;

- in het zuiden: de Rijnvaartweg;

- in het westen: de Maesemundeweg en de waterloop Nieuwe Vaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0001.png"

Figuur 1 - Ligging van het plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0002.png"

  Figuur 2 - Overzicht geldende bestemmingsplannen voor plangebied

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan "Waelplas" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op het de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Gemeentelijk en regionaal beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040

Na een periode van ongekende groei heeft de economische conjunctuur een ongewild moment van bezinning gebracht. Ambities en de realiteit van alledag sluiten niet meer op elkaar aan. Met dit besef stelt de gemeente haar structuurvisie op, in de wetenschap dat de rol van de overheid de komende jaren zal veranderen. De visie geeft een ruimtelijk toekomstperspectief, ons streven voor de langere termijn, zonder daarbij de realiteit uit het oog te verliezen. In het perspectief 2040, dat in dialoog met de samenleving tot stand is gekomen, staan de ambities voor de toekomst van Westland. Hierin staan ook de kernwaarden die we als meetlat gebruiken bij toekomstige afwegingen of ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt of niet. We zetten zo eerst de stip op de horizon om aan te geven waar we naartoe willen. Op basis daarvan gaan we aan de slag met ruimtelijke ontwikkelingen die ons dichter bij het geschetste perspectief brengen. Met deze visie op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) faciliteert Westland de gewenste ontwikkelingen en stelt het tegelijkertijd het ruimtelijk kader tot 2025, met het besef dat de uitwerking aan vele partijen is. Westland wil ontwikkelingen mogelijk maken en niet opleggen onder het adagium ‘alleen ga je sneller, samen kom je verder'. Deze visie gaat uit van participatie planologie, wat betekent dat de gemeente nadrukkelijk andere partijen uitnodigt en haar partners zoekt bij het verwezenlijken van een gedeelde ambitie. De visie is het beleidsbepalend document voor ruimtelijke ontwikkeling in Westland, waarmee duidelijkheid wordt verschaft aan ontwikkelende partijen en over de functionele invulling van gebieden. De structuurvisie biedt een juridische basis voor bovenplanse verevening en vormt de basis voor bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen in anterieure overeenkomsten met marktpartijen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0003.jpg"

a. Algemeen

Op 17 december 2013 heeft de raad van de gemeente Westland de Structuurvisie Westland 2025; Perspectief 2040 vastgesteld, een en ander als geboden in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. In de Structuurvisie worden de ruimtelijk gewenste ontwikkelingen tot 2025 aangegeven, met een doorkijk naar 2040.

De Structuurvisie is het nieuwe ruimtelijke afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Westland. Daarmee vervangt het de ruimtelijke componenten uit de Visie Greenport Westland 2020.

b. Nieuwe woonlocaties

De gemeente Westland wil woningen realiseren voor de autonome groei van Westland die economisch zijn gebonden aan de Greenport Westland.

De globale richtlijn is een autonome groei van 500 à 600 personen per jaar (geboorte minus sterfte). Om dit mogelijk te maken is ruimte nodig voor 250 à 300 woningen. Daar bovenop heeft Westland de ambitie om vijftig woningen te realiseren voor mensen met een economische binding met de Greenport Westland. Daarom stelt Westland zichzelf een minimale woningbouwopgave van 300 à 350 woningen per jaar. Daarmee kan in de ambitie worden voorzien om de autonome groei van Westland plus jaarlijks vijftig economisch gebonden woningzoekenden te huisvesten. Uitgaand van de ambitie kan de gemeente voorzien in de woningbehoefte tot ongeveer 2030.

c. Economie

De kracht van Westland zit in de onderlinge verwevenheid en afhankelijkheid van functies binnen het glastuinbouwcluster. Om welvarend te blijven zal Westland zich steeds meer richten op kennisontwikkeling en innovatie, handel en logistiek en duurzame glastuinbouw. Dat doet Westland aan de hand van de volgende speerpunten:

  • groei van het hele glastuinbouwcluster faciliteren: producerende, toeleverende, verwerkende en distribuerende bedrijven;
  • moderniseren van het teeltareaal: faciliteren van modernisering door randvoorwaarden te scheppen op het gebied van ontsluiting en ruimtelijke ordening;
  • verduurzaming cluster: water en energie;
  • aandacht besteden aan de ruimtelijke kwaliteit en veiligheid in het gebied: goede verhouding tussen verdiencapaciteit en kwaliteit en belevingswaarde van omgeving;
  • passende lokale economie;
  • verbeteren bereikbaarheid.

d. Verkeer- en vervoerbeleid

In de Structuurvisie is in hoofdlijnen het verbeteren van de bereikbaarheid van Westland opgenomen. Het verbeteren van de bereikbaarheid ondersteunt de ambities om een duurzame Greenport gemeente te zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. Speerpunten voor de bereikbaarheid zijn:

  • aansluiting op het rijkswegennet verbeteren;
  • realiseren vlinderstructuur Westland;
  • mobiliteitsmanagement;
  • hoogwaardig openbaar vervoer ontwikkelen;
  • langzaam verkeer stimuleren;
  • ontsluiting kernen en glastuinbouwgebieden verbeteren.

De kaders voor onder andere duurzaam veilige inrichting van de wegen en de parkeernormen zijn opgenomen in het Westlands verkeer en vervoersplan.

e. Groenblauwe omgeving en vrijetijdsvoorzieningen

De mate van leefbaarheid wordt niet alleen bepaald door de vitaliteit van de kernen, maar zeker ook door de gebiedskwaliteit van de leefomgeving. Daarbij neemt de groenblauwe hoofdstructuur een prominente plek in, als het gaat om de vrijetijdsbesteding van de Westlanders en bezoekers van de gemeente.

De groenblauwe hoofdstructuur van Westland bestaat uit de kust, de Poelzone, de Zwethzone, de Westlandse Zoom, de Gantel en de Blakervaart, die voor mens en dier een reis door Westland aantrekkelijk maken. De stepping stones Staelduinse Bos, Wollebrand, Plas van alle Winden en Prinsenbos vormen de hoofdstructuur, die de kust aan de Hof van Delfland binden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0004.png"

Figuur 3 - Uitsnede leefbaarheidskaart Structuurvisie Westland 2025

f. Toepassing structuurvisie op dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan omvat de realisering van een nieuw woongebied en de aanleg van nieuw boezemwater.

Het nieuwe woongebied past in het ontwikkelingsgebied, dat in de Structuurvisie is aangewezen als “te ontwikkelen woongebied (uitleglocatie)” waarvoor 1255 woningen zijn voorzien in het kader van het (voormalige) project Het Nieuwe Water.

In het masterplan Waelpark, dat in de plaats is gekomen van het plan Het Nieuwe Water, is aan genoemd woningbouwprogramma invulling gegeven en zijn randvoorwaarden opgenomen voor de locatie en inrichting van de, eveneens in de Structuurvisie opgenomen, groenblauwe verbinding. Zo dient deze verbinding aan te sluiten op de ecologische zone, zoals deze wordt gerealiseerd in het aangrenzende gebied de Groene Schakel. De gemiddelde breedte van de ecologische verbindingszone bedraagt 25 meter.

De ruimtelijke uitgangspunten van het masterplan Waelpark voldoen aan de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie.

2.1.2 Woonvisie Westland 2030

De Woonvisie Westland 2030, die door de raad van de gemeente is vastgesteld op 26 januari 2016, is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2020 en richt zich op het deelonderwerp “wonen” van de Structuurvisie Westland.

De woonvisie biedt het kader voor besluiten over programma's, inzet van middelen en capaciteit en geeft richting aan het handelen van de gemeente en haar partners. De woonvisie is in overleg met de woningcorporaties tot stand gekomen en via een discussiebijeenkomst met andere partners op volkshuisvestingsgebied besproken. De Woonvisie richt zich op de periode tot 2030. De uitgangspunten hiervan zijn:

  • vergroten van kansen en keuzemogelijkheden op de woningmarkt;
  • blijvende aandacht voor betaalbaarheid (huur én koop);
  • meer kansen voor jonge huishoudens (waaronder starters);
  • inspelen op de groeiende behoefte aan wonen met zorg;
  • bijzondere doelgroepen;
  • dynamiek op de woningmarkt (doorstroming);
  • kwaliteit bieden voor gevorderde huishoudens.

Qua ambities omvat de Woonvisie, dat:

- minimaal 35% betaalbare nieuwbouw wordt gerealiseerd, met als minima 6% sociale koop, 9% bereikbare koop en 20% sociale huur;

- de woningbouw moet inspelen op de demografische trends, aan vergrijzing en aan toename eenpersoonshuishoudens;

- nieuwbouw plaatsvindt in het “dorpse” woonmilieu, opdat deze aansluit op de Westlandse woningbehoefte;

- nieuwbouw aanpasbaar en/of levensloopgeschikt is om aan te sluiten bij de (verwachte) zorgbehoefte.

In het bestemmingsplan Waelplas worden maximaal 110 woningen mogelijk gemaakt. Voor de invulling van het woonprogramma in Waelpark zijn met de ontwikkelaar afspraken gemaakt die aansluiten op hetgeen in de Woonvisie is opgenomen. Voor het plandeel Waelplas betekent dit, dat hier geen woningen worden gebouwd voor de sociale sector of bereikbare koop. Die opgaaf is en wordt elders in Waelpark gerealiseerd, zoals in Dijckerwaal, Rijnvaart, maar ook in het nog te ontwikkelen plandeel Waelpolder.

2.1.3 Regionale Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021

In het kader van de regio Haaglanden is de Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-20121 opgesteld. Deze visie is door de raad van de gemeente Westland op 12 december 2017 onderschreven.

2.1.4 Indeling woonmilieus volgens Rosetta-methode

In maart 2012 is in het kader van de Bestuurlijke Agenda Woningmarktstrategie Haaglanden in opdracht van het Stadsgewest Haaglanden het onderzoek afgesloten naar de soorten woonmilieus binnen de regio. Daarbij zijn de kenmerkende woonmillieus en hun karakterestieke per gemeente benoemd en in kaart gebracht.

De woonmilieus waren ingedeeld volgens de zogenaamde Rosetta-methode. In januari 2015 is in overleg met de gemeenten die voorheen het stadsgewest Haaglanden vormden, de nota Woonmilieus Haaglanden opgesteld, waarin de indeling naar woonmilieus is geactualiseerd.

De Rosetta-methode gaat uit van vijf basiswoonmilieus, namelijk Grootstedelijk, Stedelijk, Suburbaan, Dorps en Landelijk. Elk van deze woonmilieus wordt onderverdeeld in meer specifieke typen. Voor het woningbouwplan Waelplas geldt volgens de Rosetta-methode, dat nieuwbouw voornamelijk gezocht moet worden binnen het woonmilieu “Dorps”. Dit woonmilieu is onderverdeeld in de drie typen Centrum Dorps, Lokaal en Suburbaan.

Op het woningbouwplan zijn de subtypen Lokaal en Suburbaan van toepassing. Voor deze verschillende woonmilieus geeft de Rosetta-methode aandachtspunten voor de ontsluiting, het verkavelingstype, het bebouwingstye, de architectuur, de functiemenging en de openbare ruimte binnen het te ontwikkelen gebied. Deze aandachtspunten, zoals die in de nota Woonmilieus Haaglanden zijn gegeven, zijn opgenomen in Bijlage Woonmilieus Haaglanden van deze toelichting.

2.1.5 Westlands Verkeer en Vervoerplan 2005-2015

Het Westlands verkeer en vervoersplan (WVVP) is door de raad van de gemeente vastgesteld op 28 november 2006. Met het WVVP wordt vanuit het oogpunt van verkeer en vervoer invulling gegeven aan het strategische (ruimtelijke) beleid voor de gemeente Westland.

Op basis van deze vertaling zijn concrete projecten en maatregelen benoemd. Daarbij zijn prioriteiten bepaald en is een volgorde voor uitwerkingen realistisch weergegeven. Uit de evaluatie van ontwikkelingen, het gebruik van verkeers- en vervoerssystemen en het effect van de gerealiseerde maatregelen, wordt bepaald of het beleid bijsturing behoeft en de prioriteiten en planning moeten worden aangepast.

In het WVVP zijn beleidsdoelstellingen geformuleerd voor geluid en kwaliteit, goederenvervoer, autoverkeer, fietsverkeer, openbaar vervoer, parkeren, verkeersveiligheid en mobiliteitsmanagement.

De gemeente Westland voert een parkeerbeleid waarmee gestreefd wordt naar een zodanig aanbod van parkeerplaatsen in de kernen, dat economische functies en diverse voorzieningen ten behoeve van het wonen goed kunnen (blijven) functioneren en dat de bereikbaarheid en daarmee de aantrekkelijkheid van de kernen/woongebieden eromheen, gewaarborgd blijft. Hierbij wordt onder andere uitgegaan van de bepaling van aantal, situering, inrichting en vorm van parkeervoorzieningen, eventueel ondersteund met verkeersmaatregelen (parkeer/stopverboden en parkeerzones). Met het WVVP zijn parkeernormen vastgesteld, opdat nieuwbouw niet langer met parkeerproblemen geconfronteerd wordt. Deze parkeernormen zijn begin 2018 herzien.

Naast toetsing aan dit beleid bij de opstelling en uitvoering van dit bestemmingsplan is het onderdeel parkeernormering opgenomen (verwerking en verwijzing) in de regels van dit bestemmingsplan. Begin 2018 is het paraplubestemminsplan Parkeernormen vastgesteld. In dit paraplubestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van parkeren binnen Westland geuniformeerd. De regels uit dit paraplubestemmingsplan en dus ook de voorwaardelijke verplichting voor het aanbrengen en in stand laten van voldoende parkeergelegenheid zijn onverkort in dit bestemmingsplan Waelplas overgenomen.

Verkeers en vervoerbeleid

In de structuurvisie Westland uit 2014 is in hoofdlijnen het verbeteren van de bereikbaarheid van Westland opgenomen. Het verbeteren van de bereikbaarheid ondersteunt de ambities om een duurzame Greenport gemeente zijn, waar het goed wonen, werken en recreëren is. Speerpunten voor de bereikbaarheid zijn:

  • Aansluiting op het rijkswegennet verbeteren;
  • Realiseren vlinderstructuur Westland;
  • Mobiliteitsmanagement;
  • Hoogwaardig openbaar vervoer ontwikkelen;
  • Langzaam verkeer stimuleren;
  • Ontsluiting kernen en glastuinbouwgebieden verbeteren.


De kaders voor onder andere duurzaam veilige inrichting van de wegen zijn opgenomen in het Westlands Verkeer en Vervoerplan, vastgesteld door de raad op 28 november 2006.

2.1.6 Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

2.1.7 Handhaven op maat

Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van het cluster Ruimte, Omgeving en Toezicht hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.

2.1.8 Beleid en beleidsregels voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in Westland

In deze Nota wordt aangegeven dat het wenselijk is een goede ruimtelijke spreiding van de verkooppunten van consumentenvuurwerk te bewerkstelligen. Doel bij een ruimtelijke benadering is het bereiken van een gelijkmatige spreiding van (kleine) bedrijven voor verkoop en opslag van consumentenvuurwerk over Westland, om op deze wijze straathandel en vuurwerktoerisme zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet er binnen elk verzorgingsgebied sprake zijn van voldoende (vuurwerk)aanbod om de lokale markt te voorzien en zodoende illegale handel in principe overbodig te maken en te voorkomen.

Het uitgangspunt voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk van de gemeente Westland is:

Ruimte bieden aan ondernemers voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk met inachtneming van veiligheid en milieuregelgeving onder voorwaarde van een goede ruimtelijke spreiding.

Met daarbij de volgende randvoorwaarden:

  • in de gemeente Westland wordt alleen consumentenvuurwerk opgeslagen. Opslag en verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan;
  • iedere vestiging van opslag en verkoop van consumentenvuurwerk zal worden getoetst aan voldoende ruimtelijke spreiding in de gemeente Westland;
  • in de gemeente Westland worden maximaal 18 vestigingen voor opslag- en verkooppunten van consumentenvuurwerk toegestaan;
  • opslag tot en met 1.000 kg is beperkt toegestaan in de dorpskernen;
  • nieuwe vestiging in dorpskernen is niet toegestaan;
  • de vestiging van bedrijven met een opslag tot en met 10.000 kg heeft de voorkeur in gebieden waar een bedrijfsbestemming geldt of in tuincentra;
  • opslag boven de 10.000 kg consumentenvuurwerk is uitgesloten;
  • bestaande bedrijven in strijd met deze uitgangspunten mogen de activiteiten voortzetten.

In de planregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet is toegestaan.

 

2.1.9 Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc..

 

Kernen

De ambitie is dat het in heel Haaglanden voor iedereen goed wonen, werken en ontspannen is. De ruimtelijke structuur moet mensen stimuleren maatschappelijk actief te zijn en zich te ontwikkelen. Voldoende (ruimte voor) werkgelegenheid, een goed leefmilieu, een veilige leefomgeving, sociale cohesie en een herkenbare omgeving met identiteit zijn hiervoor van belang. Ook moeten de gewenste voorzieningen voor onderwijs, zorg, cultuur en sport goed bereikbaar zijn. Het RSP 2020 heeft voor deze onderwerpen vooral een faciliterende, stimulerende en attenderende rol.

De vraag naar woningen, bedrijven en kantoren houdt aan, maar de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied gaat al snel ten koste van het groen, de Greenport of de ruimte voor water. Dit betekent dat deze ruimte in het bestaande stedelijke gebied gevonden moet worden en efficiënt moet worden gebruikt. Herstructurering en intensief ruimtegebruik zijn hierbij belangrijke middelen. Als onderdeel van het intensief en meervoudig ruimtegebruik in binnenstedelijke wijken en buurten moet functiemenging mogelijk zijn.

Het beheer en onderhoud van groengebieden heeft aandacht nodig. Onvoldoende en versnipperd beheer van bestaande bossen en recreatiegebieden leidt tot verwaarloosde zones die ongewenste activiteiten aantrekken. In het onderhoud van deze gebieden is het ontwikkelen van de 'tweede generatie' beplanting achterwege gebleven. Bovendien moet de inrichting worden aangepast aan de wensen van de hedendaagse recreanten. Barrières en onaantrekkelijke, niet onderhouden entrees van bestaande groengebieden dragen bij aan slechte bereikbaarheid. Een goed bomenbeleid helpt om landschappelijke eigenheid te waarborgen.

 

Bedrijventerreinen

Met de verdere versterking van de kennisintensiteit van de economie van Haaglanden levert de regio een stevige bijdrage aan de realisatie van de in Europa afgesproken Lissabon-doelstelling, dat streeft naar de versterking van de innovatiekracht van de Europese economie.

Het plangebied is niet aangewezen als een gebied voor betere benutting van bestaande bedrijventerreinen, maar grenst aan een bestaand bedrijventerrein. Herstructurering en beter gebruik van bestaande bedrijventerreinen heeft een hoge prioriteit. Het streven is erop gericht om na 2020 de vraag naar ruimte voor werken op de bestaande terreinen en in het bestaand stedelijk gebied op te kunnen vangen. Daar is een innovatief gebruik van de ruimte voor nodig. Herstructurering en intensiever gebruik van verouderde terreinen, dubbel grondgebruik, functiemenging en het ontwikkelen van milieumaatregelen die hinder van bedrijven verminderen, zijn hierbij belangrijke aangrijpingspunten. Bedrijven en kantorenlocaties moeten niet zonder meer worden getransformeerd naar woongebieden, maar moeten waar mogelijk worden behouden en gemoderniseerd.

2.1.10 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit provincie Zuid-Holland

Algemeen

De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld maar een perspectief voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Zuid Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt en bevat voldoende flexibiliteit om in ruimtelijke ontwikkelingen te reageren op maatschappelijke initiatieven.

In de visie zijn vier rode draden aangegeven welke richting geven aan de gewenste ontwikkelingen vanuit de provincie namelijk:

  • 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. Vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Ruimtelijke hoofdstructuur

Het beleidsbeeld van de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur combineert de huidige ruimtelijke situatie, de vier rode draden en de strategische doelstellingen. Het beeld toont de essentie en de samenhang van de verschillende kaartbeelden uit de Visie ruimte en mobiliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0005.jpg"

Figuur 4 - De ruimtelijke hoofdstructuur

Programma ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma mobiliteit en de Verordening ruimte opgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. Beiden worden vastgesteld door Provinciale Staten. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid.

Zuid-Holland heeft een rijke voedingsbodem voor een groot aantal krachtige economische clusters en topsectoren. Een belangrijke sleutel voor een sterke en veerkrachtige economie is het innoverend vermogen van mensen en bedrijven. Wanneer talent, bedrijven en banen dicht bij elkaar verkeren, ontstaan (agglomeratie)voordelen. De Zuidelijke Randstad en de grote economische complexen in Zuid-Holland vormen in potentie één grote agglomeratie, die enorme schaal- en clustervoordelen met zich mee kan brengen. De Mainport en de Greenports zijn schoolvoorbeelden van goed werkende clusters. De provincie streeft naar het creëren en benutten van die schaal- en clustervoordelen.

2.1.11 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0006.jpg" 

Figuur 5 - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AMvB) ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

2.1.12 Conclusie

De ontwikkeling voor woningbouw met bijbehorende functies op de locatie zoals genoemd onder 2.1 is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.2 Gebiedsvisie

2.2.1 Ruimtelijke aspecten Waelpark

Het plangebied is onderdeel van de grotere ontwikkelingslocatie Waelpark (voorheen Het Nieuwe Water) die begrensd wordt door het verlengde van de Gantel, de Poelwatering, de Naaldwijkseweg en de Nieuwe Vaart (het gebied van de Poelpolder).

Algemeen

Voor dit gehele gebied is een masterplan met een onderliggend verkeersrapport opgesteld dat op 18 februari 2015 door de raad van gemeente Westland is vastgesteld. Op 22 januari 2019 heeft de raad het addendum Waelplas vastgesteld. Waar in de tekst hierna wordt gesproken over het masterplan, wordt bedoeld het masterplan van 18 februari 2015, met als aanvulling daarop met het addendum van 22 januari 2019.

Het gebied dat het masterplan omvat wordt ontwikkeld voor de bouw van woningen, de aanleg van een ecologische verbindingszone en de aanleg van een nieuwe waterverbinding op boezempeil. Een belangrijke opgave is het integreren van de verschillende ruimte vragende onderdelen tot een aantrekkelijk woonmilieu. Bepalende ruimtelijke factoren daarbij zijn de vorm van de locatie (lang en smal) en de context (situering en te handhaven elementen). Deze vragen om een zorgvuldige positionering van de verschillende ruimte vragende onderdelen. Bepalende factoren van proces en tijd zijn de gefaseerde ontwikkeling, met een vooralsnog onzeker tijdpad en het vraag gestuurd ontwikkelen, waarbij aantallen en typen woningen door de marktvraag worden bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0007.png"

Figuur 6 - Plangebied van het masterplan "Waelpark"

Er moet dus rekening worden gehouden met een zekere mate van flexibiliteit bij de invulling van de woonvlekken. Voor de ligging van de ecologische verbindingszone (onderdeel van de provinciale Ecologische hoofdstructuur), de ontsluitingsstructuur voor het autoverkeer en de ligging van de fietsverbindingen worden wel duidelijke afspraken vastgelegd. Voor de ecologische verbindingszone wordt een vaste (kern)zone van 25 meter breed vastgelegd. Daarnaast wordt het groen in de woonvlekken (35 m2 per woning) en de ecologische kwaliteit van de woonvlekken zelf zoveel mogelijk gebruikt om de ecologische zone te versterken.

Woonvlekken

Het masterplan omvat de bouw van circa 1400 grondgebonden woningen in diverse prijscategorieën. De meeste woningen zullen projectmatig door ontwikkelaars en corporaties worden ontwikkeld, maar er zal ook ruimte zijn voor particuliere initiatieven voor zowel vrijstaande als geschakelde woningen. De woonvlekken hebben een oppervlakte van in totaal 47,5 ha, onderverdeeld naar 11,1 ha verharding en parkeren, 4,4 ha groen, 3,6 ha water en 28,4 ha uitgeefbaar.

Uitgangspunt is een vraaggestuurde ontwikkeling in samenwerking met verschillende partijen in een relatief lange periode. De huidige planning gaat uit van ontwikkeling tot het jaar 2030. Om deze ontwikkeling te structureren en samenhang te waarborgen, zal duidelijkheid worden geboden over de inrichting van een aantrekkelijke en functionele openbare ruimte. Naast het reeds bestaande gemeentelijke handboek voor de openbare ruimte is voor masterplan Waelpark een aparte Catalogus Openbaar Gebied opgesteld die op 15 december 2015 is vastgesteld.

Ecologie en wijkgroen

Het masterplan voorziet in een ecologische verbindingszone van de Groene Schakel en de Plas van Alle Winden naar de Naaldwijkseweg met een minimale breedte van 25 meter. Dit leidt tot een totale oppervlakte van 6,7 ha, inclusief het bijbehorende water. Er is voor de verblijfskwaliteit voor dieren, de ontwikkeling van plantensoorten en de mogelijkheden van migratie, een specifieke opbouw gewenst. Dit profiel zal bij de verdere uitwerking worden ingevuld. De ligging van de zone is in het masterplan vastgelegd. Bij de uitwerking van bestemmingsplan Waelplas is ervoor gekozen om de ecologische verbindingszone op een andere wijze aan te leggen. In het masterplan is de ecologische verbindingszone gelegen vanaf de Plas van Alle Winden zuidwaarts, vervolgens parallel langs de Rijnvaartweg om vervolgens aan te takken bij de zone in plandeel Rijnvaart. Nu wordt ervoor gekozen om deze zone vanaf de Plas van Alle Winden over het water in westelijke richting aan te leggen om dan op de hoogte van de ecologische verbindingszone van Rijnvaart, zuidwaarts aan te leggen en via een ecovoorziening onder de Rijnvaartweg te koppelen aan de zone van Rijnvaart. Er is gekozen voor een verplaatsing, omdat de gronden op de gasleiding en de gronden van de ecologische verbindingszone onbebouwd dienen te blijven. Door dit gebruik te combineren wordt op een meest effectieve wijze met het grondgebruik binnen het plangebied omgegaan. Daarnaast zullen de gronden nabij de gasleiding en dus de ecoologische verbindingszone niet worden uitgegeven, waardoor de beleving van de ecologische verbindingszone vanuit het plangebied wordt geoptimaliseerd.

Waar mogelijk zal bij de uitwerking worden gestreefd naar een versterking van de vaste kernzone door middel van het goed situeren van het in de woonvlekken opgenomen groen.

In de woonvlekken zelf wordt rekening gehouden met in totaal 35 m2 te realiseren groen per woning. In totaal betekent dit een oppervlakte van ongeveer 4,4 ha aan wijk-, buurt-, blok- en verkavelingsgroen. Hiervan zal tussen de 20% en 25% verspreid over de woongebieden worden opgenomen en het overige groen (3,6 ha) zal in de vorm van kleinere en grotere parkjes verspreid over heel Waelpark worden aangelegd, zoveel mogelijk in relatie met de ecologische zone. De totale oppervlakte aan groen en water bedraagt daarmee ongeveer 14,7 ha. De ecologische verbindingszone zal zoveel mogelijk worden versterkt door buurt- en wijkgroen op nader aan te wijzen plekken. Hiermee wordt een zekere robuustheid gecreëerd en wordt de belevings- en gebruikswaarde van groen en ecologie vergroot.

d. Wijkontsluiting

Het plan Waelpark wordt aan de noordzijde ontsloten via de Rijnvaartweg en aan de zuidzijde via een ontsluitingsweg – tevens de tweede ontsluitingsweg voor bedrijventerrein Teylingen – die uitkomt op de nieuw aangelegde rotonde op de Naaldwijkseweg (de provinciale weg N 467). Een doorgaande verbinding door het gebied van Waelpark is gewenst. Deze verbinding heeft echter geen betekenis of betrekking op dit plandeel. De woonvlekken met de hoogste dichtheden zullen zo direct mogelijk op de hoofdroutes worden aangesloten. De woonvlekken met lage dichtheid zullen direct vanaf de Poelkade en indirect vanaf de Nieuwe Vaart worden ontsloten.

Door het gebied loopt een belangrijke fietsverbinding van noord (Poelzone) naar zuid. Bij de nieuwe rotonde op de Naaldwijkseweg komt een veilige fietsoversteek. Ook moet rekening worden gehouden met verbindingen vanuit de bestaande kern van 's-Gravenzande naar Poelkade/Rijnvaartweg en naar het Boomgaardspad. Verder worden er passeervakken gerealiseerd op de Poelkade.

e. Water

Het noordelijk en het zuidelijk deel van het masterplan ligt op boezempeil of komt daarop te liggen. Tussen deze locaties wordt het waterpeil van de huidige Poelpolder aangehouden. De ruimtelijke kwaliteit van het boezempeil zal worden benut bij de ontwikkeling van de woningen. Dit geldt vooral voor de recreatieve mogelijkheden van bevaarbaar water. De grens van het zuidelijk deel wordt bepaald door een nog te realiseren boezemverbinding tussen de Nieuwe Vaart en de Poelwatering, ter verbetering van het boezemsysteem. In het noordelijk deel zal deels nieuw water worden aangelegd op boezempeil. Deze ontpoldering blijft beperkt tot ongeveer de helft van het gebied ten noorden van de Rijnvaartweg. Dit komt omdat de door het gebied lopende gasleiding verdere ontpoldering bemoeilijkt.

De bestaande Molensloot heeft een wisselende breedte en zal de kern vormen van de ecologische verbindingszone in deze polder. De bestaande boezem die de polder in het midden doorsnijdt, is vanuit cultuurhistorisch oogpunt interessant en blijft gehandhaafd. Het inrichtingsplan voldoet aan de gestelde actuele norm voor de hoeveelheid gebiedseigen water. De toetsing van de norm voor wateroverlast door neerslag wordt gedaan aan de hand van het gestelde in het waterhuishoudkundigplan dat voor Waelpark is vastgesteld. Hierin is ook de inrichting van de waterhuishouding verder uitgewerkt, zoals op het vlak van inlaatvoorzieningen, peilbeheer, inrichting natuurvriendelijke oevers en afspraken voor wat betreft het onderhoud. Wat de norm inhoudt is opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0008.png"

Figuur 7 - Verbeelding van het water in het masterplan Waelpark

Diverse onderdelen van het masterplan Waelpark dragen bij aan de invulling en verankering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit geldt voor de inrichting van natuurvriendelijke oevers langs alle boezemwatergangen, zowel aan de zuidzijde (zuidoostelijke rand en nieuwe doorgang) als aan de noordkant in het nieuwe boezemgebied, rondom de nieuwe plas. De boezem is namelijk een KRW-waterlichaam (Westboezem). Met deze KRW-zones wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het realiseren van een KRW-verbinding tussen de zuidelijker gelegen KRW-oevers in het Nieuwe Water en de noordelijker gelegen Poelzone en Groene Schakel. De natuurvriendelijke oevers in de ecologische zone tellen formeel niet mee voor de KRW, omdat deze geen onderdeel uitmaken van het waterlichaam Westboezem. Indirect leiden deze wel tot een KRW-versterkingskans. Gezamenlijk met de gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland zal onderzocht worden hoe de polder wel kan bijdragen aan de KRW, bijvoorbeeld door maatregelen voor het verbeteren van de visstand.

2.2.2 Woningbouwplan Waelplas

Algemeen

Dit bestemmingsplan betreft de realisering van het woningbouwplan Waelplas, als onderdeel van het masterplan Waelpark.


Het gebied betreft de bouw van maximaal 110 woningen met bijbehorende infrastructuur, water en groen, gesitueerd in de bredere context van het masterplan Waelpark. De woningen zullen bestaan uit vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap-woningen. Met dit bestemmingsplan krijgt het deel ten oosten van de gasleiding en ecologische verbindingszone een directe bouwtitel. Het deel ten westen van deze zone wordt op een later moment uitgewerkt. In het laatst genoemde deel is het mogelijk om woningen aaneen te bouwen, indien blijkt dat dit het meest doelmatige en gewenste type bebouwing is teneinde milieuhinder van het aangrenzende bedrijventerrein te weren.


De woonwijk is gelegen in het noorden van het gebied van het masterplan en wordt begrensd door:

  • in het noorden: de Poelmolenweg (noord) en de daaraan gelegen bestaande woningen;
  • in het oosten: de Poelwatering en de daaraan gelegen bestaande woningen;
  • in het zuiden: de Rijnvaartweg;
  • in het westen: de Maesemundeweg en de daaraan gelegen bestaande woningen.

Naast de realisering van woningen bevat het stedenbouwkundig plan de volgende aspecten:

  • 1. de aanleg van een deel van de ecologische verbindingszone;
  • 2. het aanleggen van nieuw boezemwater;
  • 3. het gedeeltelijk verleggen van de primaire waterkering vanaf de Poelmolenweg naar het midden van het plangebied;
  • 4. het realiseren van een groenzone rond de aanwezige hoofd-aardgastransportleiding;
  • 5. het inpassen van bestaande functies.

Door en langs de woningbouwlocatie loopt een hoofd aardgastransportleiding. Dit gegeven brengt met zich mee, dat het woningbouwplan op twee niveaus zal worden gerealiseerd. Ten westen van de gasleiding worden de kavels op polderniveau gerealiseerd terwijl ten oosten daarvan de kavels op boezemniveau zijn gesitueerd. De scheiding wordt gevormd door een boezemkade van noord naar zuid, met ten westen daarvan een onbebouwde zone.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0009.png"

Figuur 8 - Globale ligging van het boezemniveau en polderniveau

Een deel van het plangebied wordt onderdeel van het boezemgebied. Om dit te bewerkstelligen wordt de waterkering die zich ter hoogte van de Poelmolenweg bevindt, verplaatst naar het midden van het plangebied en wel ter hoogte van de gasleiding en de onbebouwde zone.


In het stedenbouwkundig plan worden de volgende bestaande woningen ingepast:
- de woningen aan de Maesemundeweg, nummers 3 en 7;
- de woningen aan de Poelmolenweg, nummers 4, 6 , 8 en 12.


De woonwagenstandplaats aan de Rijnvaartweg is gelegen in het uit te werken plandeel gelijk aan de wijze van bestemmen in het bestemmingssplan Het Nieuwe Water.

Een voorlopige kavelindeling van woningbouwplan Waelplas is opgenomen in Bijlage Voorlopige kavelindeling van deze toelichting.

Ruimtelijk structuur

De ruimtelijke structuur van het woningbouwplan Waelplas wordt onderscheiden in wonen op boezemniveau en wonen op polderniveau. Daarbij zijn vier verschillende ruimtelijke milieus te herkennen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0010.png"

Figuur 9 - Globale ruimtelijk structuur Waelplas

1 Plandeel op polderniveau, aan de Masemundeweg

Dit deel kent de uit te werken woongebied bestemming. Dit deel wordt projectmatig ontwikkeld en zal het karakter van een tuinwijk krijgen. De kaders zijn zodanig opgesteld dat voldoende ruimte tussen de bebouwing blijft en dat de tuinen, de erfafscheidingen en straten dit beeld versterken. De kavels langs de boezemkade worden gesitueerd met zicht op de beschermingszone/ ecologische verbindingszone. In deze zone kan geen bebouwing worden gerealiseerd. Op deze wijze hebben de kavels uitzicht over de ecologische zone op het vaarwater. De boezemkade zelf wordt niet uitgegeven.

2 Het eiland

Het eiland in het midden van het plangebied, zal in kavels worden uitgegeven waarop particulieren een woning mogen bouwn binnen de gegeven kaders.

3 Noordwestelijk plandeel aan de Poelmolenweg

Dit deel van het plan wordt projectmatig ontwikkeld en zal bestaan uit vrijstaande woningen die aan de achterzijde grenzen aan het water.

4 Plandeel gelegen langs de Verlengde Poelkade op boezemniveau

Het plandeel op boezemniveau krijgt vooral een waterrijk karakter. Met tuinen aan het water en een zone met waterplanten langs de beschoeiing. De watergang rondom het eiland heeft een redelijke maat, maar er is nog voldoende ruimte om op eigen terrein aanleghaventjes en steigers te realiseren, zodat de kavels ook vanaf het water bereikbaar zijn. Halverwege de Verlengde Poelkade wordt de bouw van maximaal 10 appartementen toegestaan.

Zone aardgastransportleiding

In het midden van het plangebied ligt een hoofd-aardgastransportleiding. De hoofd-aardgastransportleiding heeft een zakelijkrecht-strook, ten behoeve van onderhoud, met de afmeting van 4 meter aan weerszijde van de leiding. Binnen deze zone zijn geen werkzaamheden toegestaan, tenzij toestemming van de leidingbeheerder is verkregen. Het gebied rond de aardgastransportleiding wordt mede ingericht als groengebied. Dit groengebied is zijn beurt weer grotendeels onderdeel van de ecologische verbindingszone en gelegen in de zone van een regionale waterkering.

Indeling woonmilieus volgens Rosetta-methode

Op 2 maart 2012 was in het kader van de Bestuurlijke Agenda Woningmarktstrategie Haaglanden in opdracht van het Stadsgewest Haaglanden het onderzoek afgesloten naar de soorten woonmilieus binnen de regio.
In overleg tussen het stadsgewest en de regiogemeenten waren de kenmerkende woonmilieus en hun karakteristieken per gemeente benoemd en in kaart gebracht. Vervolgens isvan alle projecten tot 2020 het woonmilieu benoemd. De woonmilieus waren ingedeeld volgens de zogenaamde Rosetta-methode.
In januari 2015 is in overleg met de gemeenten die voorheen het Stadsgewest Haaglanden vormden, de nota Woonmilieus Haaglanden opgesteld waarin de indeling naar woonmilieus is geactualiseerd.


De Rosetta-methode gaat uit van vijf basiswoonmilieus, namelijk Grootstedelijk, Stedelijk, Suburbaan, Dorps en Landelijk. Elk van deze woonmilieus wordt onderverdeeld in meer specifieke typen.
Voor het woningbouwplan Waelplas geldt volgens de Rosetta-methode, dat nieuwbouw voornamelijk gezocht moet worden binnen het woonmilieu Dorps. Dit woonmilieu is onderverdeeld in de drie typen Centrum Dorps, Lokaal en Suburbaan.
Op het woningbouwplan zijn de subtypen Lokaal en Suburbaan van toepassing. Voor deze verschillende woonmilieus geeft de Steen van Rosetta richtlijnen voor de ontsluiting, het verkavelingstype, het bebouwingstype, de architectuur, de functiemenging en de openbare ruimte binnen het te ontwikkelen gebied.
Deze richtlijnen, zoals die in de nota Woonmilieus Haaglanden zijn gegeven, zijn opgenomen in Bijlage Woonmilieus Haaglanden van deze toelichting.

Woonmilieus in het woningbouwplan

De woningbouw zal bestaan uit verschillende soorten vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap-woningen met de daarbij passende prijsklassen.


Het woningbouwplan heeft als karakteristiek “dorps wonen”, waarmee niet een nieuw “dorp” met eigen centrum wordt bedoeld maar een voortzetting van het bestaande dorp, namelijk ’s-Gravenzande.

Verkaveling

Er zijn proefverkavelingen gemaakt. De oppervlakten van de kavels zijn daarbij gebaseerd op de gangbare vraag. Daarnaast is gekeken naar de situering van de meest gangbare woningtypen, opdat voldoende ruimte overblijft tussen de bebouwing. De proefverkavelingen hebben ondermeer geresulteerd in een Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) met aanvullende spelregels ten aanzien van kavelinrichting, beplanting, woningtypen en materiaaltoepassing. De regels zijn opgesteld om de samenhang tussen landschap, stedenbouw en architectuur te bewerkstelligen. Daarbij zijn de spelregels vooral inspirerend en stimulerend, met als oogmerk de kwaliteiten van water en groen optimaal tot hun recht te laten komen.


Genoemde karakteristieke, tuinwijk en waterrijk, worden gekenmerkt door een open verkaveling met veel privégroen. Dit vraagt om voldoende openheid tussen de bebouwing voor tuinen en beplanting en de realisatie van hagen als erfafscheiding en overgang van privaat naar publiek. Het betekent dat er geen grote woningen worden gerealiseerd op te kleine kavels. De massaopbouw en de inpassing van de garages zijn hierbij cruciaal. Het beoogde resultaat kan worden bereikt door afwisseling in de verkaveling, variatie in rooilijn, positie en oriëntatie.

Aspect: parkeren

Garages zijn bij voorkeur een geïntegreerd onderdeel van het bouwvolume van de villa’s of worden gerealiseerd achter op de kavel. Het garagepad heeft een grote capaciteit voor geparkeerde auto’s op het eigen terrein (minimaal 2 parkeerplaatsen onafhankelijk van elkaar te gebruiken). Op straat zijn daarom alleen parkeerplaatsen voor bezoekers nodig.

Aspect: erfafscheiding

De erfafscheiding tussen private terreinen en openbaar gebied worden uitgevoerd als haag.

Speelterreinen

Conform het speelruimtebeleidsplan van de gemeente Westland zijn in de Catalogus Openbare Ruimte de speelterreinen nader gedefinieerd.

Woningdifferentiatie

In het masterplan Waelpark is een indicatief programma opgenomen met woningaantallen en -types per deelgebied. In het woningbouwplan van dit bestemmingsplan ligt het accent op grondgebonden vrijstaande woningen. Het betreffen 110 kavels, overwegend in het dure segment. De overige woningen worden in het midden-dure segment gerealiseerd.


Groen

In het masterplan Waelpark wordt een groennorm gehanteerd van 88 m2 per woning. Daarvan is 53 m2 onderdeel van de bovenplanse ecologische verbindingszone (zie ook onderdeel i. hierna). Aan de noordzijde van het plangebied Waelplas is daarnaast een groengebied voorzien dat mede als speelterrein wordt ingericht. Het overig groen is onderdeel van de woonbestemming.

Ecologie

De primaire ecologische verbinding in het plangebied van masterplan Waelpark – die de provinciale Ecologische hoofdstructuur volgt – loopt van noord naar zuid en heeft een kerngebied van 25 meter breed dat bestaat uit water en groen. Deze zone krijgt waar mogelijk meer breedte door het eraan koppelen van bestaand groen en nieuw aan te leggen water, wijk- en buurtgroen.

Aan de noordzijde van het plangebied sluit deze ecologische zone aan op de groene schakel die ten noorden van de Poelmolenweg-noord wordt gerealiseerd.


De te realiseren ecologische verbindingszone heeft een minimale breedte van 25 meter. De inrichting van de ecologische zone is, in het gehele gebied Waelplas, vooral nat van karakter. Tot de verbinding met de zone in plandeel Rijnvaart zal dit thema worden gecontinueerd. Tussen de kavels op het eiland en de kavels aan de Poelkade zal dit thema worden geïntensiveerd.

Waterhuishouding

In de bestaande situatie ligt het plangebied in de polder en wordt aan 3 zijden omsloten door boezemwater. In het hart van de polder ligt als enig belangrijke waterloop de Molensloot.

Het westelijk deel van het plangebied ligt op polderniveau terwijl het oostelijk deel daarvan zich boezemland bevindt, waarvoor een waterbergingsnorm geldt van minimaal 400 m³ per hectare. Het deel ten westen van de aanwezige gasleiding ligt op polderniveau waarvoor een waterbergingsnorm van 390 m³ per hectare geldt. Een en ander afhankeljk van de verhardingspercentage.

IIn overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland wordt gesproken over een uitwisseling van oppervlaktewater tussen de verschillende deelgebieden van masterplan Waelpark. Dit geldt met name voor deelgebieden Dijckerwaal fase 1 en Rijnvaart. In de Catalogus Openbare Ruimte is hiertoe een overzicht opgenomen.

2.2.3 Verkeer

Verkeerswegen en wijkontsluiting

Het plangebied Waelplas wordt ontsloten vanaf de Rijnvaartweg. Het deel gelegen op polderniveau wordt ontsloten vanaf de Maesemundeweg. De Maesemundeweg is onderdeel van de fietsverbinding noord-zuid. Mede daarom zal de kruising met de Rijnvaartweg worden aangepast, zodat een veilige, overzichtelijke situatie ontstaat. De straten zijn ruim 6 meter breed, opgebouwd uit een verharde rijloper van 4,8 meter en een voetpad van 1,5 meter.


Het plandeel op boezemniveau krijgt een nieuwe ontsluiting aan de Rijnvaartweg, ongeveer halverwege de Maesemundeweg en de Poelkade. Dit plandeel is een eiland waarvan de ontsluiting zich in het hart daarvan bevind. Ook deze ontsluiting is ruim 6 meter breed, met dezelfde opbouw als de ontsluiting in het plandeel op polderniveau. De enkele kavels die zich aan de Verlengde Poelkade bevinden worden ontsloten via de Poelkade.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0011.png"

Figuur 10 - Verkeersontsluiting volgens stedenbouwkundigplan Waelplas

Fietsroute

In het plangebied van het bestemmingsplan bevindt zich een fietsroute die onderdeel is van de verbinding in noord-zuidelijke richting die in het gehele masterplangebied Waelpark wordt gerealiseerd. In het noorden van het plangebied sluit deze fietsverbinding middels een brug over de Gantel aan op de fietsroute die wordt gerealiseerd in de Groene Schakel en in de Poelzone.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0012.png"

Figuur 11 - Aansluiting fietsverbinding op het recreatiegebied De Groene schakel

Parkeren

In het woningbouwplan zal het parkeren op eigen terrein plaatsvinden. Bezoekers parkeren op een korte strook halfverharding in de groenzone langs de rijloper. De strook halfverharding is gekoppeld aan de inrit van de kavel. Op deze wijze wordt het parkeren voor bezoekers gefaciliteerd en het parkeren op eigen terrein afgedwongen.


Op het aantal parkeerplaatsen is de beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 van toepassing. De parkeernorm wordt periodiek herzien. Op dit moment gelden de volgende parkeernormen:
- 2,2 parkeerplaatsen per woning voor twee-onder-een-kap woningen; en
- 2,3 parkeerplaatsen per woning voor vrijstaande woningen.


De parkeernorm is inclusief 0,5 parkeerplaats per woning voor bezoekers- parkeren. De grenzen tussen de categorieën zijn onderdeel van de periodieke herzieningen.

Beleidskader Verkeer 's-Gravenzande

Op 19 mei 2011 is het Beleidskader Verkeer ’s-Gravenzande vastgesteld. Dit kader vormt een uitwerking van het WVVP naar genoemde kern.
Verder wordt in het beleidskader rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het woningbouwproject Waelpark.

Ruimtelijk Ontwikkelingskader ‘s-Gravenzande

Met dit bestemmingsplan wordt ook uitvoering gegeven aan enkele wensen die zijn neergelegd in het (vastgestelde) Ruimtelijke Ontwikkelingskader ’s-Gravenzande van 19 mei 2011. Deze wensen zijn:

  • het verbinden van de nieuwe ecologische hoofdstructuur door de Poelpolder van Staelduin naar Arendsduin via de ‘s-Gravenzandse bosjes en de sportvelden met de lokale groenstructuur van ‘s-Gravenzande;
  • het verbinden van de nieuwe woonwijk Waelpark met de kern ‘s-Gravenzande via een wandel-fietspad;
  • het afmaken van het bedrijventerrein Teylingen; en
  • de aanzet voor een extra ontsluiting van het bedrijventerrein Teylingen op de Naaldwijkseweg met als gevolg verminderde verkeersdrukte rond de rotonde aan de Koningin Julianaweg/Naaldwijkseweg.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en specifiek artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland.


Per 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van de ladder duurzame verstedelijking gewijzigd. Zo kent de huidige ladder geen treden meer, omdat de voormalige treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.

Daarnaast kan de laddertoets bij uitwerkingsgebieden worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het uitwerkingsplan. In onderhavig geval is er sprake van een uitwerkingsplicht. Echter gelet op de samenhang met het overige deel van dit bestemmingsplan, wordt er voor gekozen om de Laddertoets voor het uit te werken deel bij dit bestemmingsplan direct uit te voeren.

3.1.1 Primaire toets

Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan er zekerheidshalve van uitgegaan dat dit het geval is. Desalniettemin kan geoordeeld worden, dat met dit bestemmingsplan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.


Het criterium om de vraag te beantwoorden vormt het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6, tweede lid, en artikel 1.1.1, eerste lid en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening).


Met het bestemmingsplan wordt stedelijke ontwikkeling, namelijk woningbouw, mogelijk gemaakt. Het daarin mogelijk gemaakte woningbouwplan Waelplas vormt een onderdeel van het totale woningbouwproject Waelpark . Volgens het bestemmingsplan Het Nieuwe Water, dat op 26 mei 2009 door de raad van de gemeente Westland was vastgesteld, was in de Poelpolder, dus ook op het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, woningbouw mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een gedeeltelijke actualisering van het woningbouwproject dat op grond van voornoemd bestemmingsplan reeds mogelijk was. Met het masterplan Waelpark, dat het masterplan Het Nieuwe Water heeft vervangen, is het woningbouwproject aangepast aan de meest recente ontwikkeling op de woningmarkt en aan de actuele, kwantitatieve en kwalitatieve, woningbehoefte in de regio. Het bestemmingsplan voorziet niet in uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling ten opzichte van het vorige planregime, noch in een wijziging van functies.


Gelet op deze feiten kan gesproken worden van een onbenutte planologische mogelijkheid. In het kader van een ander bestemmingsplan voor het woningbouwproject Waelpark is dit bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2016 (201506618/1/R6).


Mede gelet op de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is de ladder voor duurzame verstedelijking toch doorlopen. Het resultaat hiervan is hierna weergegeven.

3.1.2 Actuele regionale behoefte

Algemeen

Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a., van het Besluit ruimtelijke ordening, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan worden beschreven dat de voorgenomen, nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.


In de provinciale Verordening Ruimte 2014 is dit wettelijke voorschrift aangevuld met de bepaling, dat gedeputeerde staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting bij het bestemmingsplan kan – volgens de provinciale regels – in dat geval worden verwezen naar die regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering van het aanwezig zijn van de actuele regionale behoefte.


Voor zover de hiervoor genoemde aanvaarding door gedeputeerde staten het voorliggende bestemmingsplan betreft, is de regionale visie op 3 november 2015 aanvaard.

Regionale afstemming

Op 24 januari 2014 hebben gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland ingestemd met het door Stadsgewest Haaglanden aangeboden woningbouwprogramma 2013 en wel als kader voor de verantwoording van de woningbouwopgave in bestemmingsplannen conform de (toenmalige) Verordening Ruimte 2012. Het woningbouwplan Waelplas, als onderdeel van het totale woningbouwproject Waelpark in de Poelpolder te ’s-Gravenzande, past in het regionale woningbouw-programma van het toenmalige Stadsgewest en voldoet daarmee, op basis van de regels van de provinciale verordening over de ladder voor duurzame verstedelijking, aan de verantwoording van de regionale woningbehoefte en de regionale afstemming daarover.


Na 1 januari 2015 hebben de negen gemeenten die voorheen het Stadsgewest Haaglanden vormden, de regionale afstemming op het gebied van woningbehoefte en marktruimte voortgezet. Naast de gemeente Westland participeren daarin de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar en Zoetermeer.


Op 3 juli 2015 hebben de negen, regionaal samenwerkende gemeenten (de zogenaamde Bestuurlijke Tafel Wonen) de regionale afstemming tussen de woningbouwprogramma’s 2015 aan gedeputeerde staten voorgelegd. Deze regionale woonvisie is door gedeputeerde staten op 3 november 2015 aanvaard voor het doorlopen van de eerste trede van de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze aanvaarding geldt totdat gedeputeerde staten een besluit hebben genomen over de regionale woonvisie 2017.

Regionale woningbehoefte

De regionale woningbehoefte waarin het woningbouwplan Waelplas zal gaan voorzien, was gebaseerd op het beleidsdocument Actueel en realiseerbaar woningbouwprogramma (2013) van het toenmalige Stadsgewest Haaglanden en is ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan gebaseerd op de regionale woonvisie 2015 die is opgesteld door de negen gemeenten die voorheen het Stadsgewest Haaglanden vormden (zie onderdeel b. hiervoor). Aan deze beleidsdocumenten waarin de regionale woningbehoefte tot uiting komt, liggen concrete onderzoeken in de regio ten grondslag. Vooral de kwantitatieve woningbehoefte (marktruimte) is daarin aan bod gekomen.


Als kader gold het regionaal Structuurplan 2020 van het Stadsgewest Haaglanden volgens hetwelk in de periode tot 2020 in totaal nog 75.000 tot 80.000 woningen moesten worden gebouwd, zowel binnen bestaand stedelijk gebied als op uitleglocaties. In de gemeente Westland worden daarvan 7040 woningen gerealiseerd.

Volgens de Woningmarktmonitor Haaglanden 2015 is het aantal verkochte nieuwbouwwoningen in de gemeente Westland toegenomen ten opzichte van het voorgaande monitorjaar. Deze indicator geeft niet alleen aan dat er behoefte is aan een bepaalde soort woningen maar ook dat die woningen economisch gezien weer binnen het bereik van de woningzoeker zijn gekomen.


De regionale woningbehoefte is op provinciaal niveau vertaald in het Programma ruimte als onderdeel van de provinciale Visie ruimte en mobiliteit (2014). Het totale woningbouwproject Waelpark voor de Poelpolder te ’s-Gravenzande, waarvan woningbouwplan Waelplas deel uitmaakt, is daarin aangewezen als uitleglocatie voor woningbouw. Ook in de voorgaande structuurvisie van de provincie was die uitleglocatie opgenomen.


De regionale woningbehoefte is op gemeentelijk niveau vertaald in de Structuurvisie Westland 2025 (met perspectief naar 2040) en de daarop geënte Woonvisie Westland 2020 waarin vooral het kwalitatieve kader voor woningbouwprogramma’s wordt gegeven.


De behoefte is in de structuurvisie verdeeld over de verschillende kernen van de gemeente. De raad van de gemeente heeft verder per kern een ruimtelijk ontwikkelingskader vastgesteld waarin locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn aangewezen waarop nieuwbouw mogelijk is en waarin uitleglocaties zijn aangewezen. In het Ruimtelijk Ontwikkelingskader ’s-Gravenzande is het woningbouwproject Waelpark aangewezen als uitleglocatie (de Poelpolder).


In kwalitatieve zin voldoet het woningbouwplan aan de regionale differentiatie van woonmilieus zoals op regionaal niveau vastgelegd in de zogeheten Steen van Rosetta. De stedenbouwkundige opzet van de nieuwe woonwijk moet volgens die Rosetta-methode worden gekenmerkt als typen Lokaal Dorps en Dorps Suburbaan (zie paragraaf 2.5.2, onder b., van deze toelichting). Naast de kwantitatieve behoefte zal het woningbouwplan dus ook tegemoet komen aan de wensen van woningzoekenden aangaande de kwaliteit van het woonmilieu.

De regionale woningbehoefte is actueel, hetgeen geconcludeerd mag worden uit de continue regionale afstemming op het terrein van wonen aan de zogenaamde Bestuurlijke Tafel Wonen. Anders gezegd, de woningmarkt heeft zich niet zodanig ontwikkeld of de regionale afstemming heeft er niet toe geleid, dat in de behoefte kan worden voorzien middels een andere stedelijke ontwikkeling in de regio.

3.1.3 Voorzien in behoefte binnen bestaand stedelijk gebied

Algemeen

Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b., van het Besluit ruimtelijke ordening, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan worden beschreven in hoeverre in de actuele regionale behoefte aan nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden die daarvoor middels herstructurering, transformatie of anderszins geschikt zijn gemaakt. In de provinciale Verordening Ruimte 2014 is dit wettelijke voorschrift als zodanig overgenomen.


In artikel 1.1.1, eerste lid en onder h., van het Besluit ruimtelijke ordening wordt als definitie van bestaand stedelijk gebied gegeven, een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In de provinciale Verordening Ruimte 2014 wordt daaraan toegevoegd: “met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen”.


Hoewel ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan het te ontwikkelen plangebied als bouwrijp aangemerkt zou kunnen worden, zodat het gebied volgens de provinciale regels zou vallen binnen bestaand stedelijk gebied, is in het bestemmingsplan uitgegaan van een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Dit uitgangspunt vergt volgens de ladder een motivering waarom het woningbouwplan niet in de bestaande verstedelijking kan worden ingepast.


De provincie doet in de toelichting van de PVR 2014 de aanbeveling de opvang van de regionale behoefte niet per plan te onderzoeken maar vooraf een overzicht te maken met de beschikbare ruimte binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), bijvoorbeeld in een gemeentelijke of regionale structuurvisie.


Volgens de uitleg van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt uit artikel 3.1.6, tweede lid en onder b., van het Besluit ruimtelijke ordening niet, dat eerst alle bestaande inbreidings- en transformatielocaties moeten zijn bebouwd alvorens tot uitbreiding van het stedelijk gebied te kunnen overgaan, en wel indien de actuele regionale behoefte groter is dan waaraan kan worden voldaan binnen stedelijk gebied.

Woningbouw buiten bestaand stedelijk gebied

Het woningbouwplan Waelplas, als onderdeel van het woningbouwproject Waelpark dat de gehele Poelpolder omvat, heeft een zodanige, samenhangende woonstructuur dat deze niet versnipperd binnen de bestaande kernen kan worden gerealiseerd. De samenhangende woonstructuur voldoet juist door die samenhang aan de actuele regionale woningbehoefte, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin.


De actuele regionale behoefte waarin met het bestemmingsplan wordt voorzien, is groter dan waaraan binnen de bestaande kernen door intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden voldaan. Volgens het Ruimtelijk Ontwikkelingskader ’s-Gravenzande kunnen in de kern ’s-Gravenzande alleen nog ongeveer 100 woningen worden gerealiseerd in het centrum-project. Daarnaast wordt ter hoogte van Tuinveld een woningbouwlocatie binnenstedelijk opnieuw ingericht. Het woningbouwplan Waelplas is, als onderdeel van het totale woningbouwproject Waelpark, aangewezen als uitleglocatie omwille van grootte en samenhang.

3.1.4 Aanvulling regels provinciale verordening

In de provinciale Verordening Ruimte 2014 zijn verder de volgende voorwaarden opgenomen om te kunnen voldoen aan de – laatste beoordelingstrede – van de ladder voor duurzame verstedelijking:

  • er wordt gebruik gemaakt van locaties die passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014 van toepassing is, en
  • er wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.


De ontwikkeling past in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de provinciale Visie ruimte en mobiliteit. Naast woningbouw krijgt in het plangebied de ecologische hoofdstructuur gestalte en zal het watersysteem worden vernieuwd naar de normen van de Kaderrichtlijn Water en het Waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap van Delfland. In de totale context van woningbouwproject Waelpark zal in het woningbouwplan voldoende groen worden gerealiseerd. Het woningbouwplan voldoet, samengevat gezegd, aan de provinciale norm van behoud en vergroting van biodiversiteit.


Het totale woningbouwproject Waelpark voor de Poelpolder is opgenomen in het Programma ruimte van de provincie. Daarmee is tevens het woningbouwplan Waelplas daarin opgenomen.

3.2 Bedrijven en milieuzonering

3.2.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de verhouding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (milieuzonering).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen):

  • a. ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd;
  • b. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.


Op basis van eerdergenoemde VNG-publicatie kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven beperkend kunnen zijn voor het tot stand brengen van een goed woon- en leefmilieu in hun omgeving. In deze uitgave zijn per (milieu-)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd die kunnen worden aangehouden ten einde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Hiertoe worden een zestal milieucategorieën onderscheiden. Per milieucategorie is een richtafstand opgenomen, welke ten opzichte van in de omgeving aanwezige gevoelige bestemmingen dient te worden aangehouden. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). In onderstaande tabel zijn de VNG-richtafstanden voor milieubelastende functies gegeven zoals deze gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en van een gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0013.png" Figuur 12 - Richtafstanden tot een rustige woonwijk en tot gemend gebied

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.


Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

3.2.2 Onderzoek

a. Algemeen

Het plangebied moet worden aangemerkt als een rustige woonwijk, aangezien het woningbouwplan Waelplas een woonwijk betreft dat wordt ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk-gebonden voorzieningen, komen er vrijwel geen andere functies voor (zoals bedrijven en kantoren). Langs de randen van het gebied is weinig verstoring door verkeer.

b. Glastuinbouwbedrijven

Voor glastuinbouwbedrijven met gasverwarming (SBI-codes 011, 012, 013.3) geldt een minimale afstand van 30 meter tot aan een gevoelige functie, zoals woningbouw. De aangrenzende glastuinbouwfuncties bevinden zich op een grotere afstand dan 30 meter waardoor de bouw van woningen voldoet aan de eisen van milieuzonering ten opzichte van het westelijk gelegen glastuinbouwgebied.

c. Warmtekrachtkoppelingen (WKK's)

Voor de opwekking van warmte en elektriciteit bij een glastuinbouwbedrijf wordt gebruik gemaakt van een warmtekrachtkoppeling (WKK) in combinatie van warmteopslagtanks. Voor een WKK geldt een bijzondere afstand ten opzichte van omliggende woningen van derden. Een generator voor WKK mag niet meer transformatie-vermogen hebben dan 10 MVA. Binnen een zone van 65 meter vanuit de WKK is het, vanwege geluidshinder, niet toegestaan om nieuwe milieugevoelige objecten te realiseren.


Binnen de vereiste afstand van 65 meter zijn geen WKK’s aanwezig waardoor de bouw van de woningen ook voor deze functies voldoet aan de eisen van milieuzonering ten opzichte van het oostelijk gelegen glastuinbouwgebied.

d. Watersilo's

Bij glastuinbouwbedrijven bevinden zich voor de opslag van water grote watersilo's. In het verleden is het regelmatig voorgekomen dat deze silo's uit elkaar klappen met als gevolg dat dit ernstige schade kan veroorzaken in de directe omgeving. Voor nieuw te realiseren watersilo's of woningen bij watersilo's moet, om schade te voorkomen, een afstand van 15 meter tussen een woning van derden en een watersilo worden aangehouden.


Binnen de vereiste afstand van 15 meter zijn geen watersilo’s aanwezig waardoor de bouw van de woningen ook voor deze functies voldoet aan de eisen van milieuzonering ten opzichte van het oostelijk gelegen glastuinbouwgebied.

e. Bedrijf Alcomij

Ten westen van het plangebied bevindt zich het bedrijf Alcomij B.V.. Dit bedrijf, dat als toeleveringsbedrijf voor de glastuinbouw geldt, omvat een constructiewerkplaats in een gesloten gebouw met een oppervlakte van meer dan 200 m2 (SBI-code 281.1a). Het betreft derhalve een bedrijf van milieucategorie 3.2 voor welk een minimale afstand van 100 meter tot aan een gevoelige functie geldt. Het aspect geluid is hierbij leidend. Het bedrijf is in het bestemmingsplan Woonkern ’s-Gravenzande, door middel van een specifieke functieaanduididing als constructiewerkplaats, bestemd als bedrijf met dezelfde milieucategorie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0014.png"

Figuur 13 - Ligging bedrijf Alcomij ten opzichte van het plangebied

Het bedrijf wordt aan de noord-, west- en zuidzijde inmiddels beperkt door de aanpalende woningen aan de Hoflaan, Nachtegaallaan en Hagemanstraat (kern ’s-Gravenzande). Deze woningen bevinden zich op een afstand van minder dan 50 meter van het bedrijf.


Het plangebied bevindt zich aan de oostzijde van het bedrijf. Volgens de inventarisatie van functies bevond aan die rand in het plangebied reeds een drietal (voormalige) bedrijfswoningen, namelijk die welke zijn gelegen aan de Maesmundeweg nummers 1, 3 en 7. Ook deze woningen bevinden zich binnen 50 meter van het bedrijf en zijn derhalve ook beperkend.

Sinds 2009 is Alcomij niet meer milieuvergunningsplichtig en valt daardoor onder het Activiteitenbesluit. Acolmij beschikt over maatwerkvoorschriften voor geluid. Aan de zijde van de geplande nieuwbouw moet het bedrijf echter voldoen aan de standaard voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat het bedrijf momenteel aan die zijde een geluidsruimte heeft tot 50 dB(A) etmaalwaarde voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode voor de maximale geluidsniveaus bij de (bestaande) woningen.

Omdat Alcomij zijn productiecapaciteit wil uitbreiden zijn de afgelopen jaren de bedrijfsprocessen en logistiek geoptimaliseerd. Hierdoor zijn o.a. transportroutes verplaatst en productiehallen geïsoleerd. Hiermee gebruikt het bedrijf de totale beschikbare geluidsruimte. De huidige situatie is daarmee gelijk aan de maximale planmogelijkheden. Het gehanteerde model voor de geluidsberekeningen op de omgeving is aangeleverd door de geluidsadviseur. Het model hoort bij de aanvraag tot vervallen maatwerkvoorschriften aan de oostzijde van het bedrijf.

f. Overige bedrijven aan de Hagemanstraat

Zoals in figuur 13 te zien is, staat ten zuiden van Alcomij een bedrijfshal. Dit is een bedrijfsverzamelgebouw waarin, meerdere bedrijven zijn gevestigd, waaronder René Don hoveniers en Form-A-Fence. Echter, er zijn drie deuren per zijde wat impliceert dat er zes bedrijven gevestigd kunnen worden. Daarbij zijn de drie deuren die richting het plangebied zijn gericht immissierelevant in dit gebied. In het geluidsmodel zijn om deze reden drie uitstralende gevels opgenomen. De bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit en mogen daarmee maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde en 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode voor de maximale geluidsniveaus produceren bij de dichtstbijzijnde (bestaande) woningen. In het rekenmodel zijn bronnen neergelegd die deze ruimte exact opvullen.

Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau betreft dit een uitstralende gevel met een bronvermogen van 60 dB(A)/m2. Voor de maximale geluidsniveaus zijn de activiteiten dichtslaan van portieren (100 dB(A)) en achteruitrijsignalering vrachtwagens (101 dB(A)) gemodelleerd.

Voor deze bedrijven en het bedrijf van Alcomij is onderzocht of woningbouw, grenzend aan deze bedrijven mogelijk is. De resultaten van dit onderzoek zijn te lezen in Bijlage Geluidsonderzoek industrielawaai van dit bestemmingsplan.

3.2.3 Conclusie

Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het gehele plangebied te waarborgen is het nodig om maatregelen te treffen bij de bedrijven aan de Hagemanstraat. Deze maatregelen moeten nog verder uitgewerkt worden. Om die reden is er een uit te werken bestemming opgenomen voor het westelijk deel van het plangebied. De bestemming mag worden uitgewerkt wanneer duidelijk is hoe de geluidhinder afkomstig van de bedrijven wordt voorkomen en ook is aangetoond dat deze maatregel naar de toekomst toe in stand wordt gelaten.

3.3 Geluid

3.3.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.3.2 Onderzoek

Op 5 juli 2018 is door het bureau DGMR akoestisch onderzoek verricht als geboden in de Wet geluidhinder.


Aan de hand van nieuwe verkeerscijfers zijn in dit onderzoek de geluidscontouren ten gevolge van de weg Rijnvaartweg geactualiseerd, met als uitgangspunt dat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt.


De geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van de weg zijn getoetst aan de voorkeursgrenswaarde of eventueel vastgestelde hogere waarden, als bedoeld in artikel 76 van de Wet geluidhinder.

De volledige resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in Bijlagen Geluidsonderzoek wegverkeer en Geluidsonderzoek wegverkeer reconstructie Rijnvaartweg van deze toelichting.

3.3.3 Conclusie

Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de geluidskwaliteit van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen niet de goede ruimtelijke ordening belemmert die met dit bestemmingsplan wordt geboden.



3.4 Luchtkwaliteit

3.4.1 Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 ìg/m³   2010 t/m 2014   
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 ìg/m³      
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³       
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); 
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); 
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); 
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); 
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

 

Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.4.2 Onderzoek

Het woningbouwplan Waelplas moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) wordt zo een locatie aangewezen als locatie die niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit (voorschrift 3B.2 van Bijlage 3a van die regeling). De voorwaarde is, dat die woningbouwlocatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat.

3.4.3 Conclusie

Gezien de aard en de omvang van het onderhavige bouwplan (circa 110 woningen) is het dus uitgesloten, dat het bouwplan leidt tot een in betekenende mate bijdragen aan de concentraties fijn stof en NO2.


De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het woningbouwplan, zoals is vastgelegd in artikel 5.16, lid 1 onder c, van de Wet milieubeheer.

3.5 Externe veiligheid

3.5.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.
Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen, en aan de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2004) van belang. Deze Circulaire heeft een looptijd tot 31 juli 2012 en zal opgaan in het nieuwe Besluit transportroutes externe veiligheid en Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.

Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.5.2 Onderzoek

a. Verkennend onderzoek inrichtingen

In en de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicovolle locaties en kwetsbare in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Evenmin bevinden zich in of in de nabijheid van het plangebied routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor dit bestemmingsplan is derhalve geen onderzoek in het kader van externe veiligheid vereist.

b. Verkennend onderzoek transport door buisleidingen

Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van circa 110 woningen. De beoogde locatie ligt binnen het invloedgebied en de 100%-letaliteitsgrens van de hogedrukaardgasleiding met kenmerk W-522-05 van de Gasunie.


Op 7 april 2015 is door bureau AVIV een risicoberekening uitgevoerd ten aanzien van de aanwezige gasleiding. De resultaten daarvan zijn samengevat de volgende.


Plaatsgebonden risico

De berekeningen voor leiding W-522-05 laten zien dat het plaatsgebonden risico kleiner is dan de grenswaarde van 1.0 10-6. Het plaatsgebonden risico van deze leiding vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.


Groepsrisico

De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. In de bestaande situatie is het groepsrisico voor leiding W-522-05 meer dan 1000 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. Door het plangebied Waelplas neemt het groepsrisico toe tot ongeveer 300 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde.


Omdat het groepsrisico kleiner is dan 0.1 maal (10 keer) de oriëntatiewaarde, kan, conform artikel 12, lid 3, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In een beperkte verantwoording vanhet groepsrisico komen vier zaken aan de orde in de afweging bij de planbesluit, namelijk:
1. de personendichtheid in het invloedgebied van de buisleidingen;
2. de hoogte van het groepsrisico;
3. de bestrijdbaarheid van een ramp;
4. de zelfredzaamheid tijdens de ontwikkeling van de ramp.


De volledige resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in Bijlage Externe Veiligheid van deze toelichting. Tevens is daaraan het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden van 19 juni 2015 toegevoegd.


Het besluit tot aanvaarding van de verantwoordelijkheid voor het berekende groepsrisico is eveneens in Bijlage Externe Veiligheid van deze toelichting opgenomen.

c. Verkennend onderzoek wegvervoer gevaarlijke stoffen

In of in de nabijheid van het plangebied is geen route voor het wegvervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig. In dit bestemmingplan behoeft derhalve geen veiligheidszone voor transport van gevaarlijke stoffen te worden opgenomen.

d. Verkennend onderzoek ondergrondse explosieven

Voor de eventuele aanwezigheid van ondergrondse conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog is op basis van de gemeentelijke explosievenkaart bureauonderzoek gedaan.


Uit het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd, dat er geen conventionele explosieven in of nabij het plangebied liggen die de ruimtelijke ordening belemmeren die met dit bestemmingsplan wordt geboden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0015.png"

Figuur 14 - gemeentelijke explosievenkaart - plangebied blauw omkaderd -

3.5.3 Conclusie

In dit bestemmingplan behoeft derhalve geen veiligheidszone voor munitie te worden opgenomen.

3.6 Water

3.6.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.


Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

 

Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor die periode. Het vervangt het provinciaal waterbeleid zoals dat is vastgelegd in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006) en vervangt het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dan ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de 'wat' vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de 'hoe' vraag. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Provinciale Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (structuurvisie), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen met betrekking tot het water en waterstaatswerken in bestemmingsplannen. De provincie heeft in samenwerking met de gemeente Westland een eindrapport opgesteld over Westlandse waterlijnen, een project dat de vaartenstructuur in het Westland probeert te versterken.

 

Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitge¬zette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:

  • de waterveiligheid;
  • het waterbeheer;
  • de waterkwaliteit;
  • het zuiveren van afvalwater.

Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leef¬omgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheerge¬bied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.

De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:

  • 6. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering;;
  • 7. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afval¬watersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen;
  • 8. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden;
  • 9. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

Waterbeheerplan 2016-2021

Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar nieuwe waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 in december 2015 vastgesteld .


In het waterbeheerplan worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is.


Handreiking watertoets voor gemeenten

Op 14 april 2014 (herzien in 2018) is de nieuwe "Handreiking watertoets voor gemeenten" vastgesteld. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van het proces en de inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet.


In paragraaf 3.6.2 van deze toelichting is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van dit bestemmingsplan voor de waterhuishouding.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0016.jpg"

3.6.2 Onderzoek

Voor de realisatie van (voornamelijk) woningen in het plangebied Waelpark, is een waterhuishoudkundigplan opgesteld. Waelplas is een deelgebied binnen Waelpark en daarmee opgenomen in het waterhuishoudkundigplan. Dit waterhuishoudkundigplan bevat het kader voor de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Waelpark en vormt tegens de grondslag voor ondermeer dit bestemmingsplan. Het waterhuishoudkundigplan is op 15 mei 2018 goedgekeurd door Hoogheemraadschap van Delfland.

Het plangebied wordt aan de west- en oostzijde begrensd door de Nieuwe Vaart en de Poelwatering. Langs dit boezemwater is een waterkering aanwezig. De ligging van de regionale keringen en bijbehorende beschermingszones, zijn weergegeven op de legger van Delfland. Daarbij zijn in het bijbehorende leggerprofiel de vereiste afmetingen van het dwarsprofiel aangegeven. Voor de keringen in het plangebied geldt de leggerprofiel variant nr. 9. Zie figuur hieronder. Binnen de vastgedstelde leggerzoneringen gleden beperkingen op grond van de Keur. Voor de werkzaamheden die worden uitgevoerd en werken die worden aangelegd binnen deze zonering, is over het algemeen een watervergunning nodig. De definitieve uitwerking moet daarbij voldoen aan de criteria, die het Hoogheemraadschap van Delfland stelt, en wordt nader met het Hoogheemraadschap van Delfland afgestemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0017.png"

Figuur 15 - Leggerprofiel regionale kering

In het plangebied Waelplas zijn de volgende regionale waterkeringen aanwezig waarop de Keur van het Hoogheemraadschap van Delfland van toepassing is:

- langs de Poelmolenweg:

- langs de Rijnvaartweg:

- langs de Maesemundeweg.


De waterkering langs de Poelmolenweg, zal in oostelijke richting worden gelegd, op de gronden waarin de gasleiding in noord-zuidelijke richting is gelegen. Om deze verplaatsing mogelijk te maken is een aanpassing van de legger van Delfland noodzakelijk en een watervergunningen. Deze aanpassing en benodigde vergunning zijn gevraagd bij Hoogheeraadschap van Delfland en op 28 september 2018 aangevraagd. Wanneer vergunningverlening rondom deze waterkering gereed is en de werkzaamheden voltooid, worden de bestaande regionlale waterkingen die langs de Poelmolenweg liggen worden afgewaardeerd en verwerkt op de legger van Hoogheemraadschap van Delfland

In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen de keurzoneringen van de regionale kering mede bestemd als "Waterstaat - Waterkering".

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0018.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0019.png"

Figuur 16 - ligging waterkering oude (legger HHD) en nieuwe situatie (bestemmingsplanverbeelding)

Polder- en bezoemland

Het oostelijk deel van het plangebied bevindt zich in boezemland waarvoor een waterbergingsnorm geldt van minimaal 400 m³ per hectare. Het deel ten westen van de aanwezige gasleiding ligt op polderniveau waarvoor een waterbergingsnorm van minimaal 390 m³ per hectare geldt. Eén en ander is afhankelijk van de mate van verharding van het gebied.


In het onderhavig plan wordt in totaal 18.832 m² aan oppervlaktewater gerealiseerd. Dit oppervlaktewater bestaat uit nieuw aan te leggen boezemwatergangen, waterplassen en de realisatie van een natuurzone in de vorm van plas-dras-gebieden. In totaal wordt 7.125 m² natuur aangelegd. Het onderhavige plan omvat in de nieuwe situatie circa 1.208 m² polderwater en circa 17.624 m² boezemwater.

De duiker die de Molensloot in plandeel Waelplas verbindt met het plandeel Rijnvaart wordt in de nieuwe situatie aangepast, zodat de doorstroomcapaciteit in de nieuwe situatie voldoende is.

In het waterhuishoudkundigplan is de totale waterberging dat vanuit de bergingsnorm dient te worden gerealiseerd verspreid over het plangebied opgenomen. In het waterhuishoudkundigplan wordt daarbij uitgegaan van een bergingsnorm van minimaal 400 m³ per hectare. Verder kunnen eventuele bergingstekorten die in het zuidelijk plandeel aanwezig zijn, worden gecompenseerd in het noordelijk plandeel van het project Waelpark. Nu hier zuiderlijk deel van het plangebied in haar wateropgaaf voorziet, is er geen sprake van gebruikmaking van deze compensatie.


Voor het westlijk deel, gelegen in poldergebied, geldt vooralsnog een uit te werken woongebied. Bij de uitwerking van deze bestemming, zal rekening gehouden moeten worden met bovengenoemde waterbergingscapaciteit. Om deze reden is voor deze gronden een dubbelbestemming "Waterberging" opgenomen in dit bestemmingsplan.

Bodem en grondwater

Uit het waterhuidhoudkundigplan blijkt dat er opbarstrisico's zijn voor het plangebied Waelplas. ONW heeft door Waalpartners civil engenireering op 9 december 2018 onderzoek laten verrichten naar deze risico's. Uit dit nader onderzoek blijkt dat er geen risico bestaat met betrekking tot opbarsting wanneer de aanleg "in den natte" wordt uitgevoerd.

Het plangebied zal overeenkomstig het nader advies van 9 december 2018 worden uitgevoerd.

Het advies is als bijlage Opbarstrisico Waelplas bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Onderhoud en bagger

Het beheer van de hoofdwatergang de Poelwatering en de Nieuwe Vaart (inclusief het verlengde daarvan) wordt uitgevoerd door het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor het beheer van de nieuw aan te leggen watergangen zal overleg en afstemming plaatsvinden tussen de ontwikkelaar en de gemeente. De uitgangspunten waarop hier uitvoering aan wordt gegeven, is vastgelegdin het waterhuishoudkundig plan en wordt overeenkomst uitgevoerd.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

De waterkwaliteit in het plangebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van het boezemwater in het beheersgebied van Delfland. De kwaliteitseisverbetering is dan ook voor een belangrijk deel afhankelijk van de vermindering van verontreiniging van gebieden elders. Het water in de Westlandse boezem wordt ververst door inlaat van water uit het Brielse Meer.


Ten aanzien van de fysisch/chemische kwaliteit van het water kan worden gesteld dat in het overgrote deel van het Delflandse boezemgebied niet wordt voldaan aan de normen. De gemiddelde fysisch/chemische waterkwaliteit in het boezemgebied is de afgelopen jaren wel verbeterd.


Voor wat betreft de ecologische kwaliteit kan worden gesteld dat de waterkwaliteit op een aantal aspecten (beheer, voedselrijkdom) ondermaats is en op andere aspecten (toxiciteit, variant-eigen karakter, zuurstofgehalte) voldoende of goed scoort. De functieverandering van glastuinbouw naar woningbouw levert een bijdrage aan de verbetering van het oppervlaktewater. Daarnaast wordt ten noorden van het plangebied een ecologische verbindingszone aangelegd. Deze wordt voorzien van een natuurvriendelijke oever. Deze natuurvriendelijke oevers zullen een positief effect hebben op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater.

Afvalwaterketen

De riolering voor het plangebied wordt nader uitgewerkt in een rioleringsplan. Als basis voor dit rioleringsplan dient het gemeentelijke rioleringsplan van de gemeente Westland. Het plan zal voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten. Dit betekent voor het plangebied dat er een zogenaamd gescheiden rioleringsstelsel wordt aangelegd. Het afstromend regenwater afkomstig van (schone) daken en verhardingen wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd.

Hieronder is het bestemmingsplan getoetst aan het waterbeleid van het Hoogheemraadschap van Delfland op basis van de "Handreiking watertoets voor gemeenten".

Het noordelijk en het zuidelijk deel van het masterplan ligt op boezempeil of komt daarop te liggen. Tussen deze locaties wordt het waterpeil van de huidige Poelpolder aangehouden. De ruimtelijk kwaliteite van het boezempeil zal worden bennut bij de ontwikkeling van de woningen. Dit geldt vooral voor de recreatieve mogelijkheden van bevaarbaar water. De grens van het zuidelijk deel wordt bepaald door een nog te realiseren boezemverbinding tussen de Nieuwe Vaart en de Poelwatering, ter verbetering van het boezemsysteem. Het bestaande patroon van watergangen zal hierop worden aangepast. In he tnoordelijk deel zal deels nieuw water owrden aangelegd, eveneens op boezempeil. Deze ontpoldering blijft beperkt tot ongeveer de helft van het gebied ten noorden van de Rijnvaartweg. Dit komt omdat de door het gebied lopende gasleiding verdere ontpoldering bemoeilijkt.

De bestaande Molensloot heeft een wisselende breedte en zal de kern vormen van de ecologische verbindingszone. De definitieve toetsing van de norm voor wateroverlast door neerslag is opgenomen in het waterhuishoudkundigplan. In dit waterhuishoudkundigplan is ook de inrichting van de waterhuishouding van het gebied verder uitgewerkt, zoals de inlaatvoorzieningen, peilbeheer, inrichting natuurvriendelijke oevers en afspraken met betrekking tot het onderhoud.

Diverse onderdelen van het masterplan Waelpark dragen bij aan de invulling en verankering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit geldt voor de inrichting van natuurvriendelijke oevers langs alle boezemwatergangen, zowel aan de zuidzijde (zuidoostelijke rand en nieuwe doorgang) als aan de noordkant in het nieuwe boezemgebied, rondom de nieuwe plas. De boezem is namelijk een KRW-waterlichaam (Westboezem). Met deze KRW-zones wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het realiseren van een KRW-verbinding tussen de zuidelijker gelegen KRW-oevers in het Nieuwe Water en de noordelijker gelegen Poelzone en Groene Schakel. De natuurvriendelijke oevers in de ecologische zone tellen formeel niet mee voor de KRW, omdat deze geen onderdeel uitmaken van het waterlichaam Westboezem. Indirect leiden deze wel tot een KRW-versterkingskans. Gezamenlijk met de gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland zal onderzocht worden hoe de polder wel kan bijdragen aan de KRW, bijvoorbeeld door maatregelen voor het verbeteren van de visstand.

3.6.3 Conclusie

Met inachtneming van hetgeen is opgenomen in het Waterhuishoudkundigplan, kan het plan overeenkomstig worden gerealiseerd.

3.7 Bodem

3.7.1 Wettelijk kader

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

3.7.2 Onderzoek

Voor het gebied van het woningbouwplan zijn verschillende onderzoeken verricht waaruit kan worden geconstateerd, dat het gebied op een aantal plaatsen licht verontreinigd is. Laatstelijk is op 21 januari 2016 door bureau ATKB een actualiserend, verkennend bodemonderzoek verricht.. Nadien hebben er geen activiteiten plaatsgevonden die van invloed zijn op de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek.


Uit het laatstgenoemde onderzoek is voornamelijk gebleken, dat:

  • er plaatselijk een ten hoogste lichte bodemverontreiniging met PCB’s, OCB’s (drins), metalen en PAK in boven- en ondergrond is vastgesteld (herbevestiging van oudere onderzoekresultaten);
  • er geen asbestverdacht materiaal is waargenomen;
  • in het waterbodemonderzoek geen bodemvreemde materialen of asbestverdachte materialen zijn aangetroffen.

3.7.3 Conclusie

Uit die onderzoeken kan worden geconcludeerd, dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor een goede ruimtelijke ordening die met dit bestemmingsplan is gegeven.


De volledige resultaten van het actualiserend onderzoek zijn opgenomen in Bijlage Bodemonderzoek van deze toelichting.

3.8 Ecologie

3.8.1 Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.


Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.


Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.


In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

  • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
    beschermd via de vogelrichtlijn;
  • Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.


Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01_0020.png"

Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten:

  • 1. Achterwege gelaten worden, of
  • 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
  • 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt


Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.8.2 Onderzoek

Op 28 februari 2018 heeft Aqua Terra Nova onderzoek gedaan naar de consequenties van natuurwetgeving ten behoeve van sloop en nieuwbouwwerkzaamheden in dit plangebied.

Het doel van het onderzoek is te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Hiertoe zijn de effecten van de activiteiten in de beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 2 km van een gebied dat wordt beschermd door de Wet natuurbescherming, namelijk Natura 2000-gebied `Solleveld & Kapittelduinen’. Vanwege de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied is op 17 december 2017 door het bureau Goudappel Coffeng In het kader van de programmatische aanpak stikstofdepositie (PAS) onderzoek verricht voor zowel plandeel Waelplas als het plandeel Rijnvaart.


Uit het onderzoek blijkt dat voor het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ sprake is van een toename van de stikstofdepositie van 0,72 mol/ha/jr. De stikstofdepositie als gevolg van de woningbouwontwikkeling ligt daarmee voor dit gebied boven de drempelwaarde. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 1,00 mol/ha/jr. Omdat sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde dient ontwikkelruimte geclaimd te worden in het Aerius-systeem. Een vergunning hiertoe is in januari 2018 gevraagd bij Provincie Zuid-Holland en op (PM) verleend.


De resultaten van het onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage Ecologie van deze toelichting van bestemmingsplan Rijnvaart.

Verder bevindt het plangebied zich deels binnen de begrenzing van NNN. De geplande werkzaamheden binnen de begrenzing van de NNN hebben mogelijk negatieve effecten als gevolg. Alle werkzaamheden binnen de NNN zijn toetsingsplichtig. Verdere toetsing naar de effecten van de werkzaamheden op de NNN is noodzakelijk voorafgaand aan de te treffen werkzaamheden.

Soortbescherming

De woonhuizen zijn geschikt als vaste rust en/of verblijfplaats voor de huismussen en gierzwaluwen. De woonhuizen blijven behouden. Nadere toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk .

Nadere toetsing naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk;

De tuinen rondom de woonhuizen, de bosschages en watergangen bieden geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen foerageergebieden verstoord worden. Er is echter genoeg alternatief in de omgeving aanwezig waardoor het geen essentiële foerageergebieden betreffen. Wel wordt aangeraden om tijdens de werkzaamheden verstoring van foerageergebieden te voorkomen.

De watergangen in het plangebied worden mogelijk gebruikt als vliegroute door vleermuissoorten als gewone en ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Tijdens de werkzaamheden dient verstoring van eventueel aanwezige vliegroutes voorkomen te worden.

Er dienen maatregelen getroffen te worden ter voorkoming van het vestigen van de rugstreeppad in het plangebied.

Het optreden van negatieve effecten van overige (strikt) beschermde soorten is uitgesloten.

Tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren en de zorgplicht is te allen tijde van kracht.

Vervolgstappen

Broedvogels

Alle in Nederland broedende vogels zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. Er wordt aangeraden de werkzaamheden buiten de broedperiode (maart t/m juli) uit te voeren. Hierdoor is er geen effect aanwezig op broedende vogels.


Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden.

Vleermuizen

Negatieve effecten op eventuele aanwezige foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen dienen te worden voorkomen. Dit kan worden voorkomen door de volgende maatregelen te treffen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden:

- De meest effectieve methode om verstoring van een vliegroutes te voorkomen is door buiten de kwetsbare periode te werken. Activiteiten waarbij een essentiële vliegroute aangetast wordt moeten plaatsvinden in de periode dat vleermuizen niet actief zijn, dus in de periode dat ze in winterrust zijn. De meest gunstige periode om te werken is de periode van 1 december tot eind maart;

- Indien er in de actieve periode van vleermuizen gewerkt wordt dient er ’s nachts geen verlichting aan te staan welke de watergangen of de bomen sterker verlicht dan in de huidige situatie;

- In de actieve periode van vleermuizen mag er vanaf één uur voor zonsondergang tot één uur na zonsopkomst geen licht op het wateroppervlak schijnen. Nachtelijke werkzaamheden kunnen alleen uitgevoerd worden als benodigd kunstlicht geen uitstraling heeft naar het wateroppervlak.

Rugstreeppadden

De aanwezigheid van de (strikt) beschermde rugstreeppad in het plangebied wordt uitgesloten. Echter betreft de rugstreeppad een mobiele soort die gemakkelijk van verblijfplaats wisselt en juveniele padden kunnen afstanden tot wel 5 kilometer afleggen op zoek naar geschikt leefgebied. Bouwterreinen vormen vaak ideaal leefgebied voor rugstreeppadden. Daarom wordt aangeraden de volgende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de rugstreeppad zich gaat vestigen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden:

- Voorkomen dat er (tijdelijke) grond- en/of zanddepots en takkenbossen ontstaan op het werkterrein die als respectievelijk voortplantingshabitat of functioneel leefgebied van rugstreeppad kunnen functioneren;

- Indien niet voorkomen kan worden dat grond- en/of zanddepots meer dan vier weken blijven liggen, dienen deze grond- en/of zanddepots direct na afwerking afgedekt te worden met landbouwplastic of aan de onderzijde een goed afsluitend zeildoek, of;

- Plaats paddenwerende schermen, bijvoorbeeld van glad landbouwplastic rond het werkterrein of rond de zand- of grondbulten. Zorg dat de schermen 10 centimeter in de grond steken en 50 centimeter boven de grond. Controleer regelmatig op scheuren, kieren en overhangende vegetatie;

- Voorkom de vorming van ondiepe plassen op het werkterrein;

- Pas de maatregelen toe tijdens de gehele periode van de werkzaamheden, met name is extra aandacht vereist op aanwezige padden in de periode maart t/m oktober.


Mochten ondanks de maatregelen rugstreeppadden worden gesignaleerd op het werkterrein, schakel dan zo spoedig mogelijk de hulp in van een ecologisch deskundige.

Zorgplicht

Ten alle tijden dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, Artikel 2 van de Flora- en faunawet (Artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden.

3.8.3 Conclusie

Met inachtneming van bovenstaande adviezen, blijkt dat de realisatie van woningbouw in dit plangebied mogelijk is.

3.9 Cultuurhistorische aspecten

3.9.1 Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2.

De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan.

Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

3.9.2 Onderzoek

In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan Het Nieuwe Water in 2009, is archeologisch bureauonderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat er voor het plangebied een uiterst lage verwachtingswaarde is van archeologische sporen (zie ook archeologische vrijwaringskaart bij het bestemmingsplan Het Nieuwe Water en de daarbij behorende voorschriften).

3.9.3 Conclusie

Op grond van deze onderzoeksresultaten behoeft geen verder archeologisch onderzoek plaats te vinden.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008).

Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen (Begrippen)

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten (Wijze van meten)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • doeleindenomschrijving (gebruiksregels); 
  • bouwregels; 
  • nadere eisen; 
  • afwijkingsregels.

 

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

 

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

 

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

 

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

 

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.ONWWAELPLASpbp-VA01

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2 Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

4.2.1 Bestemming "Bedrijf"

Op de gronden waarop de nutsvoorziening is gesitueerd, is de bestemming “Bedrijf” (B) neergelegd, met toevoeging van de functieaanduiding “nutsvoorziening” (nv).

4.2.2 Bestemming "Groen"

Op de gronden voor openbare groenvoorziening is de bestemming “Groen” (G) neergelegd.

4.2.3 Bestemming "Natuur"

Op de gronden waarop nieuwe natuur in de vorm van een ecologische verbindingszone zal worden gerealiseerd, is de bestemming “Natuur” (N) neergelegd.

Aan deze bestemming is een aanlegstelsel verbonden.

4.2.4 Bestemming "Tuin"

Op de gronden bij de woningen die onder de bestemming “Wonen” zijn geplaatst, hebben de tuinen de bestemming “Tuin” (T) gekregen. Naast beperkt bouwen is het bouwen van erkers op die gronden onder voorwaarden toegestaan. Bij deze bestemmingslegging is deels aangesloten bij de regels die vóór het van kracht worden van dit bestemmingsplan, golden.

4.2.5 Bestemming "Verkeer"

Op de gronden waarop wegen voor wegverkeer zijn of worden gesitueerd, is de bestemming “Verkeer” (V) neergelegd.

4.2.6 Bestemming "Water"

Op de gronden waarop oppervlaktewater is en op de gronden waarop nieuw water is voorzien, is de bestemming “Water” (WA) neergelegd.

4.2.7 Bestemming "Wonen"

Op de gronden waarop de bestaande woningen langs de Poelmolenweg (noord en oost), de Rijnvaartweg en de Maesemundeweg zijn gesitueerd, is de bestemming “Wonen” (W) neergelegd. Bij deze bestemmingslegging is deels aangesloten bij de regels die vóór het van kracht worden van dit bestemmingsplan, golden.

4.2.8 Bestemming "Woongebied"

Op de gronden waarop het woningbouwplan Waelplas zal worden gerealiseerd is de bestemming “Woongebied” (WG) neergelegd.

Volgens de bestemmingsomschrijving van deze bestemming zijn naast het realiseren van de woningen een verblijfsgebied (o.a. woonstraten, voet- en fietspaden), tuinen, erven, water, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en andere bij de bestemming behorende voorzieningen mogelijk gemaakt.

De gronden waarop de oevers liggen hebben de functieaanduiding “specifieke vorm van woongebied – oeverzone” (swg-oev) gekregen. Aan deze functieaantuiding is een aanlegstelsel verbonden.

4.2.9 Dubbelbestemming "Leiding - Gas"

Op de gronden waarin de hoofd-aardgastransportleiding van de Gasunie is gelegen is de dubbelbestemming “Leiding – Gas” (L-G) neergelegd.

Aan deze dubbelbestemming is een aanlegstelsel verbonden.

4.2.10 Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering"

Op de gronden van de primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszone is de dubbelbestemming "Waterstaat – Waterkering" (WS-WK) neergelegd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Grondexploitatie en kostenverhaal

Voor het bestemmingsplan is exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening, opgesteld. Dit exploitatieplan bevat een grondexploitatieopzet en regels voor het omslaan van de kosten over de verschillende uitgiftecategorieën.

Gelijk aan dit bestemmingsplan, kent het exploitatieplan een uit te werken plandeel en wel ten westen van de Maesemundeweg en ten oosten van de ecologische verbindingszone. Zodra de uitwerking van dit plandeel bekend is, kan het exploitatieplan voor dat deel ook worden uitgewerkt.

Voor het overige kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan voor wat betreft de grondexploitatie en kostenverhaal uitvoerbaar is.

5.1.2 Planschadevergoeding

Eventuele vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, is als kostenpost in de grondexploitatie opgenomen, zodat kan worden geconcludeerd, dat het bestemmingsplan ook op dit vlak uitvoerbaar is.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Overleg

In de periode van 5 juni 2015 t/m 16 juni 2015 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd:

  • Ministerie van VROM
  • Provincie Zuid-Holland
  • Hoogheemraadschap van Delfland
  • Gasunie

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting.

5.2.2 Inspraak

Aaangezien voor het plangebied reeds een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen gedurende een periode van 6 weken vanaf 18 april 2016 is er sprake van een actualisering en aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Inspraak zal daarom niet plaatsvinden.

5.2.3 Zienswijzen

Van 17 augustus 2018 tot 27 september 2018 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn 12 zienswijzen ingediend.

De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage Nota beantwoording zienswijzen van deze toelichting.