| Plan: | Veilingweg Kerklaan De Lier |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1783.LIEKERKLNpbp-VA01 |
In 2016 heeft Van Dool Geveltechniek aan de Veilingweg/Kerklaan te De Lier besloten haar niet meer in gebruik zijnde bedrijfslocatie voor een groot deel te verkopen aan projectontwikkelaar Jansen Bouwontwikkeling B.V. uit Wijchen. Op de voornoemde bedrijfslocatie is Jansen Bouwontwikkeling B.V. voornemens om 24 woningen te ontwikkelen, 22 woningen in eigen beheer en 2 woningen in particuliere opdracht. Als onderdeel van de planvorming wordt tevens het resterende deel van de bedrijfslocatie dat momenteel in gebruik is als parkeervoorziening voor Bowling Westland in het plan opgenomen.
Schetsmatige impressie plangebied
Het gebied van de woningontwikkeling heeft een oppervlakte van ca. 6.200 m2 en zal aan de Veilingweg zijde ingevuld worden met 1 hoekwoning , 6 bebo-woningen (bovenbeneden woningen) en 1 tweekapper. Verder zal het plangebied aan de Kerklaan zijde ingevuld worden met 1 tweekapper en hierachter dieper in het plangebied 13 rijwoningen in een woonhof dat vanaf de Kerklaan ontsloten zal worden. Naast een hoofdontsluiting van het woonhof op de Kerklaan wordt er tevens een pad aangelegd vanaf de Veilingweg naar het woonhof.
De woningen beschikken per woning over een eigen berging. Parkeren vindt plaats binnen het plangebied.
De nieuwe plannen passen niet in het geldende bestemmingsplan waardoor het noodzakelijk is om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen teneinde het plan te realiseren.
Het binnen de kern van De Lier gelegen plangebied grenst aan de noordwestzijde aan de Veilingweg en aan de noordoostzijde aan de Kerklaan. Het plangebied is kadastraal bekend De Lier, sectie A nummer 6930(ged.), 4761, 4762 (ged.), 4570, 4962, 4647 en 5291.
Luchtfoto ligging plangebied
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een gedeelte van het bestemmingsplan 'Kern De Lier' herzien. Volgens voormeld bestemmingsplan geldt ter plaatse van de gronden waarop het plan is voorzien ingevolge artikel 3 de bestemming "Bedrijf", ingevolge artikel 9 de bestemming "Groen", ingevolge artikel 16 de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" en ingevolge artikel 22 de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4"
Fragment planverbeelding bestemmingsplan Kern De Lier.
Gebruiksregels
Ingevolge artikel 3.1 zijn de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden bestemd voor:
a. bedrijven uit ten hoogste categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging';
b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en water
Gebruik ten behoeve van de woon- en parkeerfunctie is in strijd met bovenstaande gebruiksregel.
Ingevolge artikel 9.1. van het bestemmingsplan zijn de voor 'Groen' aangewezen gronden bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden.
Het voorgenomen gebruik ten behoeve van de woonfunctie is in strijd met bovenstaande gebruiksregel.
Ingevolge artikel 16.1. van het bestemmingsplan zijn de voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen.
Het voorgenomen gebruik ten behoeve van de woonfunctie is in strijd met bovenstaande gebruiksregel.
Ingevolge artikel 22.1. van het bestemmingsplan zijn de voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen
gronden - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de
bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Bouwregels
Ingevolge de planregels is bouwen alleen ten dienste van de bij bestemming behorende gebruiksregels toegestaan.
De voorgenomen bouwactiviteiten zijn niet ten dienste van de bovenstaande gebruiksregels en derhalve in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan Kern De Lier.
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. Allereerst wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het beleidskader. Op het niveau van de gemeente, de regio, de provincie en het Rijk wordt het relevante beleid voor het plangebied en de beoogde ontwikkelingen aangegeven. Tevens wordt onder voornoemd hoofdstuk de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur en de gebiedsvisie van het plangebied beschreven waaronder ruimtelijke kwaliteiten en verkeersaspecten.
Hoofdstuk 3 bevat de uitkomsten van de noodzakelijke (milieu)technische onderzoeken met de hier aan verbonden conclusies. In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond van de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 ingegaan op het handhavingsbeleid, de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.
Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040
De op 17 december 2013 vastgestelde Structuurvisie Westland 2020 en Perspectief 2040 bieden het toekomstig ruimtelijk kader van de gemeente in woord en beeld. In het in dialoog met de samenleving tot stand gekomen perspectief 2040 staan de ambities en kernwaarden met het hieraan gekoppelde toetsingskader voor de ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente Westland beschreven. Naast de ruimtelijke vertaling op hoofdlijnen bieden voormelde documenten ook de onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente op de gebieden water en groen, verkeer en vervoer, wonen, de glastuinbouwsector en economische voorzieningen.
Relatie met het plangebied
Volgens de structuurvisie is het plangebied aangewezen als dorpskern. Binnen dit gebied dient een groot deel van de woningbouwproductie opgevangen te worden. Deze verdichting komt mede voort uit het vergroten van het draagvlak voor het voorzieningenniveau en het behouden van duurzaam glas in het buitengebied. De voorgestane ontwikkeling waarbij woningen binnen de kern van De Lier toegevoegd worden past binnen het beleid van de structuurvisie om in te zetten op binnenstedelijke, c.q. binnendorpse verdichting.
fragment structuurvisiekaart
Woonvisie
“Westland is een unieke, internationaal toonaangevende, goed bereikbare en duurzame Greenportgemeente, waarin het goed wonen, werken, ondernemen en recreëren is”. Dit is de kernambitie van de Structuurvisie Westland 2025 (perspectief 2040), die in 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. De woonvisie is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2003 en richt zich op het deelonderwerp “wonen” van de structuurvisie Westland.
Karakter en functie woonvisie
De woningmarkt is continu in beweging. Dit verdraagt geen strak gedetailleerd programma, maar een kader voor beslissingen. De woonvisie biedt het kader voor besluiten over programma's, inzet van middelen en capaciteit en geeft richting aan het handelen van de gemeente en haar partners. De woonvisie is in overleg met de woningcorporaties tot stand gekomen en via een discussiebijeenkomst met andere partners op volkshuisvestingsgebied besproken.
Prioriteiten en uitgangspunten van de woonvisie
De huidige woonvisie Westland richt zich op de periode tot 2020. De uitgangspunten van deze woonvisie zijn als volgt:
Situatie woonkern De Lier
Binnen kern De Lier is nog ruimte in de programmering voor rijwoningen en daarnaast nog (in beperkte mate) voor beneden-boven-woningen (bebo-woningen). Met het bestemmingsplan wordt in woningtypen voorzien. De bovenwoningen zijn vooral geschikt voor starters en alleenstaanden en dit type woning stimuleert doorstroming op het moment dat de starter “door wil groeien” naar een eengezinswoning. De beneden-boven-woningen vallen in het segment 'betaalbaar'. Daarnaast is in De Lier ook nog ruimte voor woningbouw in het middeldure segment waarin door het plan tevens voorzien wordt. De verschillende kleine bouwblokken en variaties hiertussen passen in het (door woningzoekenden) gewenste “dorps” bouwen. Tenslotte voorziet het plan ook in woningen in het dure segment. Door de mix aan woningtypen en prijssegmenten dient het bestemmingsplan meerdere doelgroepen en worden de kansen en keuzeogelijkheden op de woningmarkt van de Gemeente Westland vergroot.
Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) van Stadsgewest Haaglanden, per 1 januari 2015 overgegaan in Metropool Regio Rotterdam Den Haag (MRDH), is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc.
De vraag naar woningen, bedrijven en kantoren houdt aan, maar de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied gaat al snel ten koste van het groen, de Greenport of de ruimte voor water. Dit betekent dat deze ruimte in het bestaande stedelijke gebied gevonden moet worden en efficiënt moet worden gebruikt. Het plan voor het oprichten van de 24 woningen binnen stads en dorpsgebied past binnen het regionale beleid.
Visie Ruimte en Mobiliteit provincie Zuid-Holland 2014 (geconsolideerd, in werking per 12 januari 2017)
Algemeen
De 'Visie ruimte en mobiliteit' biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de 'Visie ruimte en mobiliteit' is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. Vier thema's geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:
1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
2. vergroten van de agglomeratiekracht,
3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Het plangebied is op de kaart behorende tot de 'Verordening Ruimte 2014' is aangewezen als 'Bestaand stads- en dorpsgebied'. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder bebouwde ruimte wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het vervangen van een binnen bestaand stads- en dorpsgebied gelegen bedrijfslocatie voor wonen past binnen het beleid van de provincie om in te zetten op binnenstedelijke, c.q. binnendorpse verdichting.
Fragment Verordening Ruimte 2014 (geconsolideerd, in werking per 12 januari 2017)
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Doelen
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.
Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur
Nationale belangen
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan past in het overheidsbeleid.
Het plan voorziet in de herziening van een binnen de kern gelegen bedrijfsbestemming naar wonen. Met de voorliggende herziening verdwijnt een binnen de woonkern gelegen niet langer rendabele bedrijfsbestemming. Door bedrijven zoveel mogelijk te concentreren op bedrijventerreinen wordt wederzijdse overlast tussen woon- en bedrijfsfuncties beperkt en wordt een bedrijf een voor de inrichting geschiktere omgeving geboden.
Het herzien van de binnen de woonkern gelegen bedrijfslocatie voor de inbreiding van wonen is een gewenste ontwikkeling en draagt bij aan het verder invullen van een deel van het voor de kern De Lier gewenste woningbouwprogramma.
Met de orientatie van de aan de Veilingwegzijde gelegen blok hoek- én bebo-woningen en de tweekapper is in het plan aansluiting gezocht met de direct naastgelegen bestaande bebouwing aan de Veilingweg. De tweekapper krijgt een inrit vanaf de Veilingweg ongeveer ter plaatse van de locatie waar nu nog de bestaande inrit van het inmiddels verwijderde bedrijf is gelegen. De hoek- én bebo-woningen worden via het binnenterrein ontsloten om de stroomfunctie van de Veilingweg zo min mogelijk te verstoren. De op maaiveld nivo gelegen woningen hebben een tuintje aan de zuidzijde en de bovenwoningen een terras op de aanbouw.
Aan de zijde van de Kerklaan is bebouwing in de vorm van een tweekapper voorzien passend bij de maat en schaal van de al aanwezige bebouwing aan deze laan. Doordat de randen van het gebied aansluiten op de bestaande structuur en hier ook op zijn georiënteerd ontstaat er een binnenterrein. Hierin is een blok bestaande uit drie- én een blok bestaande uit tien rijwoningen voorzien. De tuinen van voornoemde woningen grenzen aan de achtergelegen bestaande tuin en achterpad waarmee een logische inrichting van het gebied verkregen kan worden en er voldoende ruimte aanwezig blijft voor een volwaardig trottoir en groen.
Impressie stedenbouwkundige invulling plangebied
Westlands Verkeers- en Vervoersplan
In de ontwikkelingsvisie Greenport Westland zijn de beleidslijnen voor de lange termijn aangegeven voor de gehele gemeente. Met de relevante onderdelen van deze visie is het vervoersplan als sectorale nota vastgesteld. Met dit beleidsdeel, vastgesteld door de raad van de gemeente op 28 november 2006, wordt aangegeven welke richtingen de gemeente Westland de komende jaren opgaat en wordt het beleid van de 'oude' gemeenten geharmoniseerd. Het Westlands Verkeers- en Vervoersplan (WVVP) dient meerdere doelen, het uitwerken van de in de Greenport gestelde kaders en het schetsen van kaders voor de toekomst op het gebied van verkeer en vervoer.
Parkeren eigen ontwikkeling
Ingevolge het WVVP zijn voor het beoogde woningbouw programma van Jansen Bouwontwikkeling B.V. in totaal 42 parkeerplaatsen benodigd. Binnen het plangebied worden 39 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen aangelegd waarvan 38 parkeerplaatsen aan de eigen ontwikkeling toegerekend worden er zijn er op het eigen terrein tenminste 4 parkeerplaatsen aanwezig.
Afbeelding inrichting plangebied met ligging parkeerplaatsen openbaar en eigen terrein
Parkeren particuliere ontwikkeling
Ingevolge het WVVP zijn voor de aan de Veilingweg gelegen tweekapper in totaal 5 parkeerplaatsen benodigd. Op het eigen terrein van de tweekapper worden in totaal vier parkeerplaatsen aangelegd en is er binnen het plangebied ten gunste van de particuliere ontwikkeling 1 openbaar toegankelijke parkeerplaats beschikbaar.
Gelet op het voorgaande wordt met het plan voldaan aan de ingevolge het WVVP geldende parkeernormering.
In deze paragraaf is het project getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, lid 2, van het Besluit ruimtelijke ordening en specifiek artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland. De ladder kent de drie treden die achter elkaar worden doorlopen zoals in onderstaande figuur zijn weergegeven:
Actuele regionale behoefte
Om de eerste trede van de ladder te doorlopen moet gekeken worden of er sprake is van een regionale behoefte naar nieuwe woningen. In deze fase wordt aangetoond dat de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd.
De gemeente Westland valt binnen de regio Haaglanden. Voor deze regio is de regionale woningbehoefte opgenomen in het regionaal structuurplan 2020 en de regionale woonvisie. Vanuit het regionaal structuurplan blijkt dat in de periode tot 2020 in totaal nog 75.000 tot 80.000 woningen gebouwd dienen te worden. In het Westland worden van dit totaal aantal woningen 7040 woningen gerealiseerd. Deze nieuwbouwwoningen zijn binnenstedelijk gesitueerd of betreffen een uitleglocatie.
Voornoemd woningbouwprogramma en de locaties van de te realiseren woningen zijn vastgelegd in de structuurvisie Westland 2025. Het plangebied is in de structuurvisie van de gemeente Westland aangewezen als dorpskern en in de Provinciale Structuurvisie als stedelijk gebied. Vanuit het voornoemde blijkt dat met het project invulling wordt gegeven aan een regionale woningbehoefte.
Voorzien in behoefte binnen bestaand stedelijk gebied
Op de tweede trede van de ladder dient antwoord gegeven te worden op de vraag of de regionale behoefte geheel of deels opgevangen kan worden in bestaand stedelijk gebied en, zo ja, of dit wenselijk, dan wel financieel haalbaar is. Indien het antwoord hierop nee is kan overgegaan worden naar de derde trede van de ladder.
De provincie doet in de toelichting van de Verordening ruimte 2014 de aanbeveling de opvang van de regionale behoefte niet per plan te onderzoeken maar vooraf een overzicht te maken met de beschikbare ruimte binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), bijvoorbeeld in een gemeentelijke of regionale structuurvisie.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de strategie voor de bebouwde ruimte er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met eventuele milieuhinder door omliggende bedrijven. Het uitgangspunt hierbij is dat (bestaande) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit betekent dat nieuwe bedrijven die in de nabijheid van woningen komen, een passende locatie krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Voor de afstemming van milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Dit betekent dat naar de milieubelasting van een activiteit gekeken wordt, om te bepalen welke afstand minimaal moet worden aangehouden om een goed leef- en woonklimaat voor woningen te waarborgen.Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De VNG brochure gaat uit van twee omgevingstypen. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring doorverkeer.
Omgevingstype gemengd gebied
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook een lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied.
De richtafstanden van de VNG brochure gaan uit van een rustige woonwijk. Bij een gemengd gebied kan de afstand met 'één afstandstap worden verlaagd.
Voor het project is een onderzoek milieuzonering uitgevoerd (Onderzoek milieuzonering richtafstanden, De Roever omgevingsadvies; Documentnummer: 20170162/C03/TZ, datum 6 april 2017). Dit onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.
Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de kern De Lier. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig, onder meer horeca, bedrijf, wonen, cultuur & ontspanning en maatschappelijk. Het plangebied grenst bovendien direct aan de hoofdinfrastructuur in de vorm van de Veilingweg. De directe omgeving van het plangebied en het plangebied zelf moeten daarom worden gezien als een gemengd gebied. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Uit het onderzoek komt naar voren dat met utizondering van twee milieubelastende functies voldaan wordt aan de richtafstanden die gelden voor een gemengd gebied. Voor de horecabestemming aan de Veilingweg 7 (Bowling Westland) en het sportcomplex aan de Veilingweg 16-26 wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid.
Op grond van het stappenplan in hoofdstuk 4 van de handreiking Bedrijven en milieuzonering is een nader akoestisch onderzoek (kenmerk 20170473/C01/R.K. d.d. 7 juli 2017) uitgevoerd om de werkelijke geluidbelasting door deze inrichtingen inzichtelijk te maken. en of er maatregelen noodzakelijk en mogelijk zijn. Dit onderzoek is in Bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. Uit het onderzoek komt naar voren dat voor zowel de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus, de maximaal geluidniveaus als de indirecte hinder sprake is van een acceptabel woon en leefklimaat voor de woningen en dat de woningen geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van de inrichtingen.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.
Wet geluidhinder
Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.
Voor het project is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai Veilingweg-Kerklaan te De Lier Ruimtelijk plan, De Roever omgevingsadvies; Documentnummer: 20170161/C04/TZ, datum 4 mei 2017). Dit onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. In voornoemd onderzoek is de geluidbelasting op het plangebied ten gevolge van wegverkeerslawaai beschreven en is getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh) en het gemeentelijk beleid.
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Veilingweg en Sportlaan. Voor de overige wegen in de directe omgeving van het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur, waardoor deze wegen niet gezoneerd zijn. Deze wegen worden wel meegenomen bij het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting. Overige wegen zijn niet relevant vanwege lage verkeersintensiteiten, afscherming door gebouwen en grotere afstanden.
In voornoemd onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op het plangebied aan de Veilingweg-Kerklaan te De Lier berekend. Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk of niet gewenst. De benodigde hogere waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel Hogere waarden
Geadviseerd wordt om bij het ontwerp van het pand nader te onderzoeken of de karakteristieke geluidwering van deze geveldelen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Nader onderzoek is overigens alleen noodzakelijk voor de geveldelen die een scheiding tussen een verblijfsruimte en de buitenlucht vormen.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.
Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen, en aan de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2004) van belang. Deze Circulaire heeft een looptijd tot 31 juli 2012 en zal opgaan in het nieuwe Besluit transportroutes externe veiligheid en Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.
Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.
Ten behoeve van de planlocatie is onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd (Onderzoek milieuzonering Veilingweg-Kerklaan De Lier Woningbouw; Milon bv; documentnummer: 20170162/C03/TZ, datum 6 april 2017).j Naast de inrichtingen in de omgeving worden in dit onderzoek ook de overige bronnen voor het aspect gevaar beschouwd. Op basis van gegevens van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) en de vigerende bestemmingsplannen zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.
Overzicht risicobronnen
De enige risicobron in de omgeving van het plangebied is de sportvoorziening aan de Veilingweg. Het gaat hierbij om een opslagtank voor chloorbleekloog (1.200 liter) ten behoeve van het zwembad. Voor de opslag van chloorbleekloog bestaat geen generieke veiligheidsafstand. Uit de beschouwing van de richtafstanden is op te maken dat door het zwembad aan de richtafstand voor het aspect gevaar wordt voldaan. De richtafstand bedraagt 10 meter tot een rustige woonwijk en 0 meter tot een gemengd gebied. Nader onderzoek naar het aspect gevaar is niet verder benodigd.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat ten aanzien van externe veiligheid er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor die periode. Het vervangt het provinciaal waterbeleid zoals dat is vastgelegd in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006) en vervangt het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dan ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de 'wat' vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de 'hoe' vraag. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Provinciale Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (structuurvisie), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen met betrekking tot het water en waterstaatswerken in bestemmingsplannen. De provincie heeft in samenwerking met de gemeente Westland een eindrapport opgesteld over Westlandse waterlijnen, een project dat de vaartenstructuur in het Westland probeert te versterken.
Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitge¬zette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kernta¬ken vanzelfsprekend voorop:
Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leef¬omgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheerge¬bied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.
De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:
Gemeentelijk beleid
Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
Ten behoeve van het project is onderzoek naar de aspecten op het gebied van water uitgevoerd (Notitie waterhuishouding De Lier, Veilingweg/Kerklaan, Boot, projectnummer P16-0649, datum 7 april 2017).Dit onderzoeksrapport is bijgevoegd in Bijlage 4 bij deze toelichting. In dat onderzoek is getoetst aan de navolgende aspecten:
Veiligheid en waterkeringen
Binnen het plangebied zijn geen keringen of keurzone(s) aanwezig.
Grondwater
Vanwege de hoge grondwaterstanden in het plangebied, zullen maatregelen moeten worden getroffen om voldoende ontwatering voor de wegen en de bebouwing te waarborgen. Voorgesteld wordt deze ontwatering te realiseren door het zoveel als mogelijk ophogen van het maaiveld binnen het plangebied. Er is gekozen om woningen met kruipruimte te realiseren vanwege het zettingsgevoelige gebied. Wanneer woningen zonder kruipruimte worden gerealiseerd, zijn de kabels en leidingen als gevolg van de zetting niet meer bereikbaar.
Waterkwantiteit
De projectlocatie is gelegen in de polder Oude Lierpolder nabij meerdere primaire en secundaire watergangen die in beheer zijn bij het Hoogheemraadschap van Delfland. De watergangen bevinden zich aan de westzijde van de Sportlaan, de oostzijde van de Kerklaan en de noordzijde van de Veilingweg en langs de Diepenburg in het zuiden. De projectlocatie ligt op een afstand van ongeveer 60 meter van dichts bijgelegen watergang (watergang langs de Veilingweg). Deze watergangen liggen in een peilgebied met een streefpeil van NAP -1,85 m.
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de toekomstige oppervlakken binnen de planlocatie. Er is uitgegaan van 50 % verhard kaveloppervlak.
In de oorspronkelijke situatie bedraagt de hoeveelheid verhard oppervlak binnen het plangebied circa 5.065 m2. Dit betekent dat er in de toekomstige situatie sprake is van een afname van ruim 1.000 m2 aan verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Omdat de hoeveelheid verhard oppervlak afneemt, zal de ontwikkeling van het plangebied niet leiden tot extra belasting van het bestaande riolerings- en oppervlaktewatersysteem.
Onderhoud en bagger
Vanwege het ontbreken van openbaar oppervlaktewater is het aspect onderhoud en bagger niet van toepassing.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voorgesteld wordt de dakoppervlakken en afvoeren te vervaardigen van niet uitlogende en duurzame bouwmaterialen. Hiermee wordt de kwaliteit van het afvloeiende hemelwater gewaarborgd. Om te voorkomen dat het systeem dichtslibt, wordt voorgesteld bladvangers en voldoende zandvang toe te passen.
Afvalwater en riolering
Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor het infiltreren van het hemelwater naar de bodem. In overleg met de gemeente is besloten het hemel- en vuilwater gescheiden aan te bieden aan grens van het plangebied. De gemeente zal vanaf hier de verdere afvoer verzorgen via het gemengde stelsel. Wanneer de riolering in de Kerklaan op termijn wordt vervangen door een gescheiden stelsel, kan het hemel- en vuilwater vanuit het plangebied hierop aangesloten worden. Op de grens van het plangebied wordt voorgesteld het HWA-stelsel op het DWA-stelsel aan te sluiten en beide systemen vandaar aan te sluiten op de bestaande gemengde riolering.
Geadviseerd wordt om tussen de aansluiting van het HWA-stelsel en het DWA-stelsel een terugslagklep te plaatsen, om terugstroming vanuit het gemengde stelsel in het HWA-stelsel te voorkomen.
Het aspect water staat de bestemmingsplan wijziging niet in de weg.
Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.
Ter plaatse van de planlocatie zijn bodemonderzoeken uitgevoerd ((Verkennend bodemonderzoek Kerklaan 63A en 65A De Lier Gemeente Westland; BMA Milieu; rapportnummer NEN.2016.0025, datum 23 februari 2016), opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting, (Aanvullend verkennend bodemonderzoek Kerklaan 63A en 65A De Lier Gemeente Westland; BMA Milieu; rapportnummer AVO.2016.0025, datum 23 juni 2016), opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting en (Verkennend bodemonderzoek aan de Kerklaan 65 te De Lier; Milon bv; projectnummer 20171128-5, datum 22 maart 2016), opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting.
Op grond van de resultaten van de onderzoeken is door de Omgevingsdienst Haaglanden op 18 april 2017 aangegeven dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging en dat de bodemkwaliteit op de onderzochte locaties geschikt is voor het beoogde gebruik. Bij eventueel grondverzet dient, afhankelijk van de bestemming/toepassing van de grond, rekening te worden gehouden met de Wet Milieubeheer (Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) en/of de Wet bodembescherming.
Het aspect bodem staat de bestemmingsplan wijziging niet in de weg.
De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) weer. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt, een Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EL&I de volgende interpretatie van artikel 11:
'De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar
gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én
slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt.'
Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen:
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen:
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd:
De soorten uit categorie 5 vragen wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EL&I). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
In het kader van de Flora- en faunawet zijn de effecten van het project beoordeeld (De Lier Veilingweg / Kerklaan ecologische quickscan (definitief); Buro Maerlant; BM rappport 2017, datum 7 maart 2017), opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. De quickscan heeft als doel de ecologische waarden van de planlocatie te bepalen aan de hand van veldonderzoek en de verslaglegging hiervan. De quickscan beoogd een goed onderbouwde inschatting te geven, zodat kan worden gehandeld conform de Wet natuurbescherming en wordt nagegaan of er op de planlocatie planten en / of dieren voorkomen of verwacht worden die:
- bedreigd zijn;
- op een zogenaamde “Rode lijst” voorkomen;
- anderszins beschermd zijn in het kader van de Flora- en faunawet.
Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. In het onderzoek is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van het plan op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn.
Vogels
Indien de werkzaamheden in de periode maart t/m juli worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden.
Ter compensatie van mogelijk door het plan verloren gegane verblijven of nestgelegenheden wordt aanbevolen om bouwkundige voorzieningen mee te nemen waarmee voor gebouw bewonende soorten verblijf of nestgelegenheden mogelijk gemaakt worden (natuur inclusief bouwen).
Het aspect fllora en fauna staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2.
De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan.
Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
Ten behoeve van het project is onderzoek naar de aspecten op het gebied van archeologie gedaan (Kerklaan - Veilingweg, De Lier, gemeente Westland: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase, Bureau voor Archeologie Rapport 460, ISSN: 2214-6687, datum 1 mei 2017), opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting.
Uit de stukken komt naar voren dat uit de boringen gebleken is dat zowel de Laag van Poeldijk als de (top van de) Gantel laag aanzienlijk tot vrijwel geheel verstoord zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden bijgesteld te worden naar laag. Gelet op het voorgaande is het opnemen van een dubbelbestemming voor archeologische waarden niet evident en kan akkoord gegaan worden om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het aspect archeologie staat de bestemmingsplan wijziging niet in de weg.
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2012) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.
Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.
Opbouw planregels
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:
Inleidende regels
Begrippen (Artikel 1)
Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
Bestemmingsregels
De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:
Gebruiksregels
De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.
Afwijkingsregels
In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".
Aanleggen of slopen
De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:
Algemene gebruiksregels
In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.
Overgangs- en slotregels
In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:
Wettelijke vereisten
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:
NL.IMRO.1783.LIEKERKLNpbp-VA01
De dataset bestaat uit:
Leeswijzer verbeelding
Wegwijzer via internet
Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.
Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.
Analoge verbeelding
Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.
Bestemmingsvlak en bouwvlak
Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).
Aanduidingen
Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.
Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming):
Groen (artikel 3)
Ter plaatse van een langs de Veilingweg gelegen strook grond is de bestemming "Groen" (G) neergelegd. Ook de kern bedoeld voor de rondgeleiding van het verkeer op het tussen de woningen gelegen parkeerterrein heeft deze bestemming gekregen.
Tuin (artikel 4)
De met de bestemming 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor voortuinen of zijtuinen bij de woningen. De tuin bestemming is gelegen tot op 2 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Verkeer-Verblijfsgebied (artikel 5)
Ter plaatse waar het openbaar gebied een verblijfs- en verplaatsingsfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming zijn een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen en fiets- en voetpaden.
Wonen (artikel 6)
In het bestemmingsplan is het wonen de belangrijkste functie. De regeling voor de woonpercelen bestaat uit twee bestemmingen tw. 'wonen' en 'tuin'. De bestemming Tuin is al besproken onder artikel 4. Het is van belang dat het afgesproken programma gehaald wordt. Hiertoe zijn er binnen het BP niet teveel vrijheden opgenomen teneinde een ander programma in te passen.
Standaard situatie woonpercelen (uitsnede analoge verbeelding)
De woningen zijn voorzien van de bestemming Wonen. Het beleid is erop gericht de kwaliteit van de woonomgeving te behouden. Bij het toekennen van de bestemmingen is het bieden van voldoende erfbebouwingsmogelijkheden voor de bestaande woningen het uitgangspunt. De basis voor de regeling van de woonfunctie wordt gevormd door een regeling bestaande uit bouwvlakken ter plaatse van de hoofdgebouwen. De gronden buiten het hoofdgebouw (zij- en achtererf) zijn gelegen buiten het bouwvlak. De gronden aan de voorzijde (en soms zijkant) zijn bestemd als Tuin (zie onder artikel 4).
Bouwvlakken hoofdgebouwen
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is voor alle woningen bepaald waar het hoofdgebouw (de woning zelf) en waar het bijgebouw (bijvoorbeeld garage) staat. Rekening houdend met karakteristieke voorgevel verspringingen en rooilijnen zijn hiervoor op de plankaart bouwvlakken opgenomen waarmee de plaats en omvang van hoofdgebouwen juridisch vastgelegd is. Per hoofdgebouw is de goot- en/of bouwhoogte vastgelegd.
In vigerende bestemmingsplannen is de begrenzing van de bouwvlakken aan de achterzijde van de woning in sommige gevallen ruimer neergelegd. Ook in dit bestemmingsplan wordt deze ruimte geboden, mits stedenbouwkundige reden zich hier niet tegen verzetten.
Erfbebouwing
De gronden achter en deels naast het hoofdgebouw c.q. de woning zijn te gebruiken voor uitbreiding van het hoofdgebouw of voor de bouw van bijgebouwen.
De regeling bevat bepalingen met betrekking tot de oppervlakte en de hoogte van de erfbebouwing. In het bestemmingsplan worden er voldoende erfbebouwingsmogelijkheden geboden, terwijl de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast.
Aan-huis-gebonden beroepen
Aan-huis-gebonden beroepen zijn als ondergeschikte functie bij de hoofdfunctie wonen toegestaan. Deze mogen alleen voorkomen zolang de omvang niet meer dan 25% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing bedraagt. Dit geldt tot een maximum van 50 m² per woning.
Handhaven op maat
Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.
De Wet ruimtelijke ordening voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag, via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Maar ook kan het gemeentelijke kostenverhaal anderszins geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst over grondexploitatie met de initiatiefnemer/ontwikkelaar, als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening of door kostenverhaal via de grondprijs. De reikwijdte van de exploitatieplanplicht en het daaruit voortvloeiende kostenverhaal, volgt uit de omschrijving van bouwplannen zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
De bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt vallen onder "de bouw van een of meer andere woningen" in de zin van artikel 6.2.1 onder a Bro. Voor het plan bestaat daarom in beginsel een verplichting tot kostenverhaal. Een exploitatieplan is echter niet noodzakelijk omdat de kosten 'anderszins verzekerd' zijn. Op 24 februari 2017 is tussen de ontwikkelaar Jansen Bouwontwikkeling B.V. en de Gemeente Westland een anterieure overeenkomst getekend waarmee de realisatie van 24 woningen op de plan locatie mogelijk wordt gemaakt.
In de periode van 24 mei 2017 tot en met 22 juni 2017 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd:
De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn onderstaand opgenomen.
Na het doorlopen van het e-formulier 'Aanbieden ruimtelijke plannen Wro en ontheffingsverzoeken provinciale verordening ruimte' is naar voren gekomen dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen en het plan niet opgestuurd hoeft te worden aan de provincie Zuid-Holland.
Tijdens de overlegperiode is van het Hoogheemraadschap van Delfland geen reactie ontvangen.
Tijdens de overlegperiode is van de Veiligheidsregio Haaglanden geen reactie ontvangen.
Deze reacties hebben geen aanleiding gegeven tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 10 van deze toelichting.
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft vanaf 28 juli 2017 gedurende zes weken ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Er werden geen zienswijzen ingediend.