direct naar inhoud van 5.7 Ecologie
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

5.7 Ecologie

5.7.1 Ecologie in het mer

Voor de beoordeling van de effecten voor het aspect natuur zijn de verschillende alternatieven in het MER beoordeeld en vergeleken aan de hand van de criteria “verlies aan natuurwaarden”, “versnippering en verstoring”, en “beïnvloeding van ecologische relaties”.
Aangezien de huidige natuurwaarden in het plangebied zeer beperkt zijn en er geen bijzondere ecologische relaties of verbindingen tussen natuurgebieden in de omgeving zijn, is bij realisering van de Overhoeken geen sprake van negatieve effecten. Ook bestaat er wat dit onderdeel betreft geen verschil tussen de verschillende inrichtingsalternatieven.

Ten behoeve van het voorliggende initiatief is in 2004 door BILAN een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (BILAN, 2004-I). In 2006 is hierop een aanvulling gemaakt door ARCADIS ten behoeve van het gedeelte ten zuidwesten van de Burgemeester Bechtweg. Deze onderzoeken zijn samengevat in een Toetsing Natuurwetgeving. In Natuurtoetsen is deze toetsing opgenomen; onderstaand zijn de belangrijkste voor dit initiatief relevante conclusies weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in een Deelgebied Noord en een Deelgebied Zuid, de scheiding tussen deelgebieden wordt gevormd door de weg Enschotsebaan. Hieronder zijn de conclusies voor deelgebied Noord opgenomen aangezien alleen deze voor onderhavig plan relevant zijn. Afhankelijk van de aangetroffen soorten en de veranderingen in een gebied, is een onderzoek tussen de 3-5 jaar 'houdbaar' na ommekomst van deze termijn dient een onderzoek geactualiseerd te worden. Dit behoeft in het kader van onderhavig bestemmingsplan niet plaats te vinden, nu het aannemelijk is dat een ontheffing verkregen kan worden of volgens de aangegeven richtlijnen gewerkt wordt.

Deelgebied Noord

In het deelgebied ten noorden van de Enschotsebaan komen enkele soorten voor die wettelijk beschermd zijn. Het voorkomen van deze soorten leidt niet tot knelpunten ten aanzien van de Flora- en faunawet of andere natuurwetgeving. Bij de inrichting van het deelgebied dient wel voldoende rekening te worden gehouden met deze beschermde soorten door aan een aantal aanbevelingen te voldoen. Hieronder geven we een overzicht van de belangrijkste conclusies en aanbevelingen.

  • Het verwijderen van vegetatie en bebouwing en het starten met de verdere inrichting van het deelgebied dient buiten het broedseizoen plaats te vinden om verboden handelingen ten aanzien van broedvogels te voorkomen;
  • Het verdient aanbeveling om de nestgelegenheden van Boerenzwaluw, Huiszwaluw en Huismus die bij de sloop van de stallen en schuren verloren gegaan zijn, in het woningbouwplan te compenseren. Dit kan door bij de nieuwbouw nieuwe nestgelegenheden en nestelmogelijkheden te creëren. Deze aanbeveling geldt als compensatie-eis en zal tevens aan de Dienst Regelingen moeten worden voorgelegd.
  • Voor de overige beschermde soorten ten aanzien waarvan verboden handelingen te verwachten zijn (algemene zoogdieren en amfibieën) geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen in het kader van de nieuwe AMvB art. 75 van de Flora- en faunawet.

In het kader van de verdubbeling van de Burgemeester Bechtweg is in opdracht van de provincie Noord-Brabant een onderzoekgedaan naar stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden (Royal Haskoning 2009).4 In het concept-rapport van de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat er weliswaar een geringe toename van stikstofdepostie optreedt, maar dat dit geen significante effecten geeft.

Conclusies Flora- en faunawet

Door jurisprudentie is de beoordeling van ruimtelijke ingrepen in het kader van de Flora- en faunawet aangepast, waardoor mitigerende maatregelen nu ook aan de Dienst Regelingen moeten worden voorgelegd. Daarnaast is er een lijkst van jaarrond beschermde nesten van volges sinds jurisprudentie voor één ieder per direct geldig. Dat betekent dat de aanbeveling voor het terugbrengen van de nestgelegenheid nu een compensatie-eis wordt en ook aan de Dienst Regelingen moet worden voorgelegd. daarnaast bevindt het broedseizoen zich ongeveer in de periode 15 maart tot 16 juli. Het broedseizoen is voor elke vogelsoort echter net anders en bovendien spelen weersinvloeden (warm of koud voorjaar) een grote rol bij de daadwerkelijke aanvang van het broedseizoen. Bij de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamhedendient de Natuurkalender van het ministerie van LNV te worden gehanteerd.

Ecologische verbindingszone

In 2002 is de intentieovereenkomst ondertekend voor de realisatie van de Groene Mal.
De Groene Mal is een samenhangend netwerk van groene waarden binnen de gemeente Tilburg.

In het westen van het projectgebied loopt een ecologische corridor in noord-zuidrichting (bedoeld voor amfibieën en kleine zoogdieren) welke onderdeel is van de Groene Mal. Figuur 5.8 geeft de Ecologische verbindingszone langs het projectgebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001_0010.jpg"

Figuur 5.8 De Ecologische verbindingszone langs het plangebied met overige plannen. Bron:gemeente Tilburg, 2005-II; gemeente Tilburg, 2005-III.

Om aan de in de Ruimtelijke Structuurvisie 2020 en Structuurvisie Noordoost 2020 ecologische verbindingszone invulling te geven, zal in het voorliggende initiatief een ecologische verbindingszone gerealiseerd worden. Deze ecologische verbindingszone wordt evenwijdig aan het spoor gerealiseerd en heeft een breedte van minimaal 25m.