direct naar inhoud van 5.6 Waterparagraaf
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

5.6 Waterparagraaf

5.6.1 Water in het mer

De effecten voor het grondwater zijn beoordeeld aan de hand van de criteria “beïnvloeding ontwateringsdiepte”, “beïnvloeding grondwatersysteem”, “wijziging grondwateraanvulling”, “beïnvloeding natuurgebieden via grondwaterstroming”, “beïnvloeding grondwaterkwaliteit” en “effecten voor grondwaterwinning”. De Overhoeken liggen in een intermediair gebied met perioden van kwel in het natte seizoen en infiltratie in de rest van het jaar. Door de toename van het verhard oppervlak in het plangebied, zal de neerslag in de toekomst zonder aanvullende maatregelen niet langer ter plekke in de grond kunnen infiltreren. Negatieve beïnvloeding van natuurgebieden in de omgeving wordt niet verwacht vanwege de vrij grote afstand tot deze gebieden en omdat in alle alternatieven is voorzien in de aanleg van adequate infiltratievoorzieningen. Er is hierbij weinig onderscheid tussen de alternatieven. Het MMA scoort op enkele punten net iets gunstiger omdat in dit alternatief de leemlagen in de ondergrond zo min mogelijk worden verstoord en voor de infiltratie van regenwater optimaal gebruik wordt gemaakt van plekken waar dergelijke leemlagen ontbreken.


Voor wat betreft het aspect oppervlaktewater zijn de alternatieven in het MER beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria “effecten voor de hemelwaterafvoer”, “effecten voor afvoer vuilwater via riolering”, “beïnvloeding regionaal oppervlaktewaterstelsel” en “beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit”. Er blijkt daarbij geen duidelijk onderscheid te maken tussen de diverse alternatieven. Het afvoersysteem wordt in alle alternatieven op een zodanige wijze ingericht dat de effecten voor het milieu tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. De afspraken die daarover in het kader van de watertoets met het waterschap zijn gemaakt bieden daartoe garantie.

5.6.2 Bestaand watersysteem

Gebiedskenmerken

Het plangebied Enschotsebaan wordt globaal omsloten door de Burgemeester Bechtweg, de spoorlijn naar 's-Hertogenbosch, de Bossche weg en de bestaande kern Berkel-Enschot.
Het plangebied heeft een grootte van circa 40 hectare en wordt door de Enschotsebaan gesplitst in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte. Het plangebied wordt bestemd voor
10 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein en voor het overig deel woningbouw.

Het plangebied behoort tot het beheersgebied van waterschap De Dommel en ligt in stroomgebied de Voorste Stroom, nabij de scheiding met stroomgebied De Zandleij.
Het gebied is voornamelijk agrarisch in gebruik, met her en der verspreide bebouwing.

Terreinhoogten

Het huidige maaiveld varieert grofweg van circa 12,6 m+NAP tot 11,7 m+NAP. De lage delen (11,7 à 12,0 m+NAP) beperken zich tot een strook die van noord naar zuid door het plangebied loopt. Vanuit deze laagte naar het westen en oosten loopt het maaiveld op tot 12,6 m+NAP.

Bodemopbouw

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de Enschotsebaan zijn in opdracht van de Gemeente Tilburg verschillende onderzoeken uitgevoerd. In 2000 is door ARCADIS een nader en gedetailleerd bodemkundig/hydrologisch onderzoek uitgevoerd voor de Overhoeken van Berkel-Enschot,3 waaronder plangebied Enschotsebaan (ARCADIS, 2000). Hieruit blijkt, dat de bodem bestaat uit een zandpakket op leem. Daaronder bevindt zich wederom zand. Het bovenste zandpakket (sterk lemig zand) is doorgaans 0,5 à 1,5 m dik. Het leempakket (sterk lemig zand of zandig leem) eronder heeft een dikte van 0,5 à 1,0 m. Het onderliggende zandpakket is zeer fijn en zwak lemig van aard. Het leempakket heeft een stagnerende werking op de verticale grondwaterhuishouding.

Het beeld dat in 2000 over de bodemopbouw is gevormd, wordt door het milieuhygiënisch onderzoek in 2006 bevestigd. Ook in dit onderzoek zijn veelvuldig leempakketten aangetroffen als hierboven beschreven.

Doorlatendheid

Tijdens de veldwerkzaamheden in 2000 is de doorlatendheid van de bodem geschat op basis van de textuur en de samenstelling. De geschatte doorlatendheid is 0,1 à 0,6 m/dag.
Uit Hooghoudmetingen is gebleken dat de doorlatendheid in de verzadigde zone 0,5 tot 2,5 m/dag is. Opgemerkt dient te worden dat de horizontale doorlatendheid in het zandpakket goed zal zijn. De verticale doorlatendheid wordt echter sterk beïnvloed door de aanwezigheid van het leempakket en is daardoor laag.

Oppervlaktewater

In het plangebied Enschotsebaan lopen enkele watergangen die in beheer zijn van Waterschap De Dommel. Dit zijn de droogvallende beginwaterlopen of zaksloten NL-28, NL-29, NL-30 en NL-32. Op de NL-28 loost het hemelwater van de wijk Korenbloem (circa 1,5 ha afvoerend verhard oppervlak). Hierbij wordt de voormalige overstort van het gemengde rioolstelsel van Berkel-Enschot gebruikt.

Deze watergangen hebben een drainerende en afvoerende functie zorgen voor voldoende ontwatering in natte perioden. Het water stroomt in westelijke richting af en stroomt ten westen van het plangebied samen met de Zwarte Rijt verder af richting de Voorste Stroom.

In de watergang NL 28 is tussen de percelen aan de Enschotsebaan en de percelen aan de Bosscheweg een klein gemaal aanwezig. De eigenaar en de functie van het gemaaltje is zowel bij gemeente en waterschap onbekend.

De waterpartij Rauwbraken ligt ten noorden van de Rauwbrakenweg en aan de noordzijde van het plangebied Enschotsebaan. De waterpartij is ontstaan na zandwinning. Door intredend grondwater is vervolgens de waterpartij ontstaan in de 13 m diepe afgraving.
Het waterpeil in de Rauwbraken is ook nu nog grondwaterafhankelijk. De waterpartij heeft tegenwoordig een recreatieve functie (met name zwemmen en duiken) en geen waterhuishoudkundige functie. De waterpartij Rauwbraken is in de karakterisering Nederlands Maasstroomgebied van het dossier Kaderrichtlijn Water opgenomen als beschermd gebied voor zwemwater.

Grondwater

Uit het bodemkundig/hydrologisch onderzoek van 2000 (ARCADIS, 2000) blijkt, dat de maatgevende hoogste grondwaterstand varieert van 11,2 m +NAP in het uiterste oosten van plangebied Enschotsebaan, tot 11,4 m +NAP in het uiterste westen van het plan.
De ontwatering (maatgevende hoogste grondwaterstand ten opzichte van huidig maaiveld) is 0,7 à 1,0 m in de hogere delen (west- en oostgrens van het plan) tot circa 0,5 m -mv. het lage centrale deel.

Uit de GHG- en GLG-gegevens van Waterschap De Dommel blijkt dat de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) zich in de lage delen van het plan op circa 0,9 m -mv. bevindt. In de hogere en ook drogere delen is de GHG circa 1,1 m -mv. De GLG (Gemiddelde Laagste Grondwaterstand) laat hetzelfde patroon zien. In de lage delen is de GLG gekarteerd als 2,1 m -mv. In de hoge delen is de GLG 2,2 m -mv.

Grondwater- en bodemkwaliteit

De bodem (grond en grondwater) van het plan Enschotsebaan is momenteel nagenoeg volledig milieuhygiënisch onderzocht. Conclusie van het onderzoek is dat de kwaliteit van grond en grondwater geen aanleiding geven tot nader onderzoek of tot het opleggen van gebruiksbeperkingen.

Uitzondering hierop is de locatie van de voormalige stort in het noordwesten van het plan. Hier is een grondwaterverontreiniging aangetroffen. De ernst, omvang en noodzaak tot sanering van deze verontreiniging wordt nader onderzocht. Hetzelfde geldt voor een klein deel van het plan waar nog milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Voor verdere informatie over de milieuhygiënische kwaliteit wordt verwezen naar de rapportage van het milieuhygiënisch onderzoek (Bijlage 4 Bodemonderzoeken).

Riolering

Op dit moment is in het plan een drukriolering aanwezig ten behoeve van de verspreide bebouwing. Deze drukleiding voert het vuile water van de woningen via het gemengde rioolstelsel van Berkel-Enschot af naar de zuivering. In de straat Korenbloem van Berkel-Enschot is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het vuile water wordt afgevoerd naar de zuivering, het hemelwater wordt geloosd op een bestaande watergang die in het plan Enschotsebaan ligt. In de huidige situatie is het gebied gerioleerd. Echter, deze riolering is niet berekend op de ontwikkeling van het plan Enschotsebaan.

Aan de noordzijde van het plan is een externe overstort (bij gemeente bekend als Y0313 of overstort Rauwbrakenweg) gelegen van het gemengde stelsel van Berkel-Enschot.
Deze overstort is aangesloten op de Spoorsloot. Vanaf de overstort dient een minimale afstand aan worden gehouden ten opzichte van bebouwing. Dit wordt in de nadere uitwerking meegenomen.

Beleid

Algemeen

In het rijksbeleid is in grote lijnen aangegeven hoe het water en de ruimte in Nederland moeten worden beheerd. Het relevante beleid is verwoord in de Vierde Nota Waterhuishouding, de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en het advies van de Commissie Waterbeheer 21e Eeuw. In dit advies is aangegeven dat de volgende principes dienen te worden gehanteerd:

  • Anders omgaan met waterbeheer (overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms vasthouden in de bodem en in oppervlaktewater, zonodig water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs de waterlopen, pas als deze maatregelen te weinig opleveren, water afvoeren naar elders).
  • Ruimte voor water (geen nieuwe ruimte onttrekken aan het watersysteem, water weer een sturend principe te laten zijn in de ruimtelijke ordening in Nederland.
  • Meervoudig ruimtegebruik (in stedelijk gebied water combineren met stedelijke herinrichting en stadsuitbreiding, in landelijk gebied water combineren met natuur, recreatie en landbouw).

Ook op kwalitatief gebied bestaat er een strategie ten aanzien van de omgang met water:

Deze luidt:

  • hergebruik van water;
  • het schoonhouden van water;
  • het scheiden van schone en vuile waterstromen;
  • het zuiveren van vervuild water.

Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel heeft haar beleid voor de periode 2001-2006 vastgelegd in het waterbeheersplan “Door water gedreven”. In het waterbeheersplan wordt tevens een doorkijk gegeven naar 2018. De thema's van het waterbeheersplan zijn:

Het realiseren van een duurzame watervoorziening: met watervoorziening wordt bedoeld het gebruik van grond- en oppervlaktewater voor huishoudens en bedrijven. In het beheersgebied van De Dommel wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van grondwater. Doel voor de planperiode is om te onderzoeken of er meer gebruik gemaakt kan worden van oppervlaktewater, door water uit kanalen te winnen en water uit rioolwaterzuivering te hergebruiken.

Het verbeteren van de waterhuishoudkundige voorwaarden: het gaat bij dit thema om de waterhuishoudkundige voorwaarden vanuit verschillende functies die gebieden hebben, zoals landbouw, natuur en stedelijk gebied. In het verleden zijn maatregelen genomen die hebben geleid tot meer wateroverlast en verdroging. Om dit tegen te gaan zijn de doelen voor dit kernthema dan ook: meer ruimte bieden aan water en het bestrijden van verdroging.

Het verbeteren van de waterkwaliteit: landelijk zijn doelstellingen geformuleerd over de kwaliteit die het water minimaal moet hebben. Deze doelstellingen worden nog niet gehaald. In de planperiode is de inzet om de vervuiling van verschillende bronnen, zoals rioolwaterzuivering, riooloverstorten, landbouw en verontreinigde (water)bodems, verder terug te dringen. Daarnaast wordt gestreefd naar een meer gebiedsgerichte aanpak, gericht op de doelstellingen voor de natuur.

De inrichting, beheer en het onderhoud van de waterlopen in het buitengebied: doelstelling voor de inrichting is om meer ruimte te geven aan de natuurlijke processen in de beken. Dat betekent beekherstel, hermeandering, vispassages en het realiseren van ecologische verbindingszones die langs onze beken lopen. Het beheer en onderhoud worden meer toegespitst op de specifieke eisen van het gebied. Daarnaast wordt voor recreatievormen zoals kanovaart en hengelsport nieuw beleid ontwikkeld.

Omgaan met water in bebouwd gebied: streven is om samen met de gemeenten waterplannen op te stellen. Hier worden oppervlaktewater, grondwater en riolering in hun samenhang bekeken.
Eén van de dingen die we hierin nastreven is te zorgen dat regenwater niet meer direct via het riool wordt afgevoerd (afkoppeling verhard oppervlak).

Tevens is de handreiking Afkoppelen en niet aankoppelen, van Waterschap De Dommel, van toepassing. Waterschap De Dommel heeft bovendien aangegeven dat het watersysteem gericht dient te zijn op het voorkomen van problemen voor andere tijden, plaatsen en /of milieucompartimenten. De waterstroom dient zodanig te zijn dat benedenstrooms zowel kwantitatief als kwalitatief geen problemen ontstaan.

Gemeente Tilburg

Ten behoeve van het ontwikkelen van een duurzaam watersysteem voor Enschotsebaan, is het waterbeleid gehanteerd voor het definiëren van een duurzaam watersysteem in het plangebied, zoals algemeen omschreven in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR) en de vierde nota waterhuishouding (NW4). In SWR is een visie opgenomen voor de lange termijn voor de verschillende aspecten van het watersysteem, de wet- en regelwijzigingen zijn verwerkt en de nieuwe zorgplichten (Wet gemeentelijke taken) zijn uitgewerkt. Het Gemeentelijke Rioleringsplan is ook opgenomen in de SWR. De geformuleerde visie is uitgewerkt in een opgave, een strategie en maatregelen. De principes van hydrologisch neutraal ontwikkelen zijn daarbij van toepassing gesteld voor uitbreidingsgebieden, zoals de Overhoeken.

Gemeente Tilburg heeft het document “de Lekkende Stad” opgesteld waarin de belangrijkste principes en uitgangspunten zijn opgenomen voor een duurzame omgang met water. De belangrijkste uitgangspunten uit dit rapport zijn:

  • De grondwater-, oppervlaktewater-, neerslagwater- en vuilwaterhuishouding worden als één integraal systeem benaderd.
  • Alleen schoon hemelwater, dakwater en water afkomstig van extensief gebruikte wegen is van voldoende kwaliteit voor infiltratie.
  • Ter plaatse van de infiltratievoorziening dient de doorlatendheid verbeterd te worden.
  • In de omvangrijke groene gebieden wordt ook schoon hemelwater, dakwater en water afkomstig van extensief gebruikte wegen geïnfiltreerd.
  • Ten behoeve van de multifunctionele inrichting dient rekening gehouden te worden met de eisen van techniek, ecologie, landschap en extensieve recreatie.
  • Waar mogelijk dienen in grote groengebieden, naast droogvallende groengebieden, ook open water in de vorm van poelen gerealiseerd worden.

Duurzaam waterbeheer in het plan Enschotsebaan

Het beleid binnen de Gemeente Tilburg is zodanig dat voor nieuwe stedelijke gebieden een invulling wordt gegeven aan “duurzaam stedelijk waterbeheer”. Dit houdt in dat het waterbeheer zo zal worden vormgegeven dat problemen voor andere tijden, plaatsen en/of milieucompartimenten zoveel mogelijk zullen worden voorkomen of ten minste zullen worden beperkt. Hierbij is vooral een brongerichte aanpak van belang. Duurzaam stedelijk waterbeheer richt zich op zowel de waterkwantiteits- als de waterkwaliteitsaspecten.

Vuile en schone waterstromen worden in het plangebied Enschotsebaan gescheiden ingezameld en aangeboden op de perceelsgrens. Schoon hemelwater wordt naar de retentievoorzieningen afgevoerd, waarna het vertraagd geloosd wordt op de watergang. Het vuile water (dwa, droogweerafvoer) wordt afgevoerd naar de zuivering. Met dit watersysteem wordt wateroverlast elders voorkomen en wordt verontreiniging van bodem of grondwater voorkomen. Omdat op het bedrijventerrein een kwaliteit van het hemelwater te verwachten is die slechter is dan het hemelwater afkomstig van daken, wordt het hemelwater van terreinen en wegen van het bedrijventerrein apart van het schone hemelwater van daken ingezameld en afgevoerd naar een bodempassage. Deze bodempassage is volledig gescheiden van de retentievoorziening ten behoeve van de opvang van hemelwater van de daken en woonstraten. De woonwijk wordt voorzien van een gescheiden stelsel.
De afvoer van hemelwater van daken en verharding van de percelen gebeurt ondergronds.
De afwatering van het openbaar gebied naar de retentievoorzieningen gebeurt zo veel mogelijk bovengronds via goten, greppels en bestaande watergangen. Dit draagt bij aan de belevings-, ecologische, recreatieve en landschappelijke waarde van water in het plan. Indien bovengrondse afvoer niet mogelijk is (bijvoorbeeld door te lange transportafstanden of veel verhard oppervlak), kan de afwatering ondergronds plaatsvinden. Ook kan de onderlinge putafstand worden vergroot of groot mogelijk worden gehouden. Het verharde oppervlak van het openbaar gebied kan via een gotensysteem bovengronds worden afgewaterd, waarna het via een put ondergronds verder wordt afgevoerd. Eén en ander wordt nader uitgewerkt en voorgelegd aan gemeente en waterschap.

Gezien de bodemopbouw en het veelvuldig voorkomen van een leemlaag van aanzienlijke dikte, wordt bij de dimensionering uitgegaan van retentie en niet van infiltratie. Doordat de retentievoorzieningen voorzien worden van natuurlijk begroeide oevers, zal een deel van het hemelwater infiltreren alvorens het tot afvoer komt. De retentievoorzieningen lozen het hemelwater vertraagd op de aan te leggen watergang in de groenzone centraal in het plan. Deze groenzone loopt van noord naar zuid door het plan. Daarnaast kunnen bovengrondse delen van de afwatering naar de retentievoorziening ook (deels) een gecombineerde functie van berging en afwatering krijgen.

Het schone water dat wordt afgevoerd naar retentievoorzieningen is:

  • hemelwater van daken (bedrijven en woningen);
  • hemelwater van woonstraten.

Het schone water dat via een bodempassage vertraagd wordt geloosd op de watergang is:

  • hemelwater van wegen en terreinen op het bedrijventerrein.

Als vuil water wordt gezien:

  • vuilwater (dwa) van bedrijven en woningen.

Uitgangspunten toekomstig watersysteem en hydrologisch neutraal bouwen

Ten behoeve van de voorgenomen realisatie van de Enschotsebaan heeft reeds een milieueffectrapportage plaatsgevonden. De Waterparagraaf uit de MER is een belangrijke basis voor de uitwerking van de wateraspecten in het plan.

Daarnaast heeft in het kader van de het proces van de Watertoets heeft op 21 februari 2006 overleg plaatsgevonden tussen Waterschap De Dommel, Gemeente Tilburg, MTD Landschapsarchitecten en ARCADIS. Op grond van de eerder genoemde onderzoeken, beleidsdocumenten en de vastgestelde uitgangspunten zijn, in overleg met de waterbeheerder, de bouwstenen vastgelegd voor het nieuwe watersysteem:

  • In het plangebied wordt een minimale ontwatering van 0,7 m aangehouden voor het woningendeel en 1,0 m voor het bedrijventerrein. In Enschotsebaan wordt hydrologisch neutraal gebouwd. Aan de hand van het eerder genoemde bodemkundig/hydrologisch onderzoek en deze minimale ontwateringsdiepte, wordt het bedrijventerrein plaatselijk opgehoogd.
  • Afwaterende functie van de watergangen NL-28, NL-29 en NL-30 en het kleine gemaal aan de achterzijde van de percelen van de Bosscheweg dienen in het plan terug te komen en gewaarborgd te blijven.
  • Het vuilwatersysteem (dwa) wordt aangesloten op het bestaande stelsel van Berkel-Enschot.
  • Voor het plangebied wordt berging gemaakt die geschikt is voor neerslaggebeurtenissen die eens per tien jaar voorkomen (T=10, regenduurlijnen, dit resulteert in de praktijk in een inhoud van de retentievoorziening van 40 mm).
  • De afvoer naar de retentievoorzieningen wordt stationeer gedimensioneerd op
    110 l/s/ha, wat overeenkomt met de piekintensiteit van bui 08 uit de Leidraad Riolering.
  • Bij retentie dient gerekend te worden met een landelijke afvoer van 1,0 l/s/ha.
  • Bij een retentievoorziening dient rekening gehouden te worden met schouwpaden. Indien de retentievoorziening in beheer en onderhoud komt van het waterschap dient het schouwpad 4 m breed te zijn. Wanneer de retentievoorziening van insteek naar insteek breder is dan 7 m, dienen in dit geval aan twee zijden schouwpaden aangelegd te worden.

Uiteraard dient bij de realisatie van de voorgenomen plannen rekening gehouden te worden met bestaande hoogten van wegen en bebouwing. Op de bestaande wegen dient wat betreft hoogte aangesloten te worden. Daarnaast dient voorkomen te worden dat ter plaatse van bestaande bebouwing wateroverlast kan ontstaan door bijvoorbeeld afstromend hemelwater. Hier dient in de nadere uitwerking van het plan aandacht voor zijn. Daarbij wordt specifiek het perceel aan de Enschotsebaan 6 genoemd.

Waterkwaliteit

Wat betreft waterkwaliteit worden er in het plan geen uitloogbare materialen toegepast en geen chemische onkruidbestrijding gebruikt. De wegen die rechtstreeks afwateren naar de retentievoorziening dienen niet gestrooid te worden met strooizout. Ook is het wassen van auto's in het plan niet toegestaan.

Bereiken voldoende ontwatering voor beoogde functies

De verschillende geplande functies in Enschotsebaan vereisen een bepaalde ontwatering.
In de onderstaande tabel is de minimaal benodigde ontwatering opgenomen voor de verschillende functies. Met behulp van de huidige ontwatering (maatgevende hoogste grondwaterstand ten opzichte van huidig maaiveld) wordt bekeken of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de gewenste ontwatering te bereiken. De maatgevende hoogste grondwaterstand is de grondwaterstand die maximaal drie dagen per jaar wordt overschreden of veertien dagen per jaar wordt bereikt. Doorgaans ligt de maatgevende hoogste grondwaterstand 0,2 m hoger dan de GHG.

functie   minimaal benodigde ontwatering  
primaire wegen   1,0 m  
secundaire wegen, woonstraten   1,0 m  
bedrijven   1,0 m  
woningen met kruipruimte   0,7 m  
woningen zonder kruipruimte   0,3 m  
parkeer- en groenvoorzieningen   0,5 m  

Tabel 5.4 Minimaal benodigde ontwatering bij ruimtegebruiksfuncties.

De huidige maatgevende ontwatering op basis van de maatgevende hoogste grondwaterstand bedraagt in het centrale en laag gelegen deel van de Enschotsebaan circa 0,5 à 0,7 m. Naar de oost- en westzijde toe verbetert de ontwatering naar 0,9 m tot lokaal
1,0 m. Wanneer de functies over de huidige ontwatering geprojecteerd worden, blijkt dat lokaal ophoging van circa 0,1 à 0,2 m noodzakelijk is om de benodigde ontwatering te bereiken. Eén en ander wordt in de nadere uitwerking meegenomen.

Retentievoorzieningen en bodempassage

Het hemelwater wordt centraal in de laag gelegen beekdalzone geretendeerd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het hemelwater deels in bestaande watergangen te retenderen. De retentievoorziening worden bovengronds en als droogvallende hemelwatervoorzieningen gerealiseerd. Zoals eerder vermeld dient in het plan Enschotsebaan tot een neerslaggebeurtenis van eens per tien jaar geretendeerd te worden. Van de 40 ha van het plan Enschotsebaan is circa 19,4 ha verhard. Uitgaande van een inhoud van de retentievoorziening van 40 mm, dient binnen de plangrens 7.780 m³ water tijdelijk geborgen kunnen worden. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het hemelwater dat op de retentievoorziening valt. Ook dit dient geborgen en vertraagd te worden afgevoerd. Een globale berekening leert dat er op basis van een peilstijging van 0,4 à 0,5 m voldoende ruimte in de beekdalzone is om het water tot T=10 te retenderen en vertraagd af te voeren. De concrete invulling van het waterhuishoudkundige systeem wordt in nauw overleg met gemeente en waterschap nader uitgewerkt.

Het water van de terreinverharding van het bedrijventerrein, alsmede de wegen van het bedrijventerrein komt via een bodempassage in de retentievoorziening. In de bodempassage worden verontreinigingen afgevangen en vastgelegd. Ook de uitwerking van de bodempassage wordt voorgelegd aan gemeente en waterschap.

WB 21

In de doorrekening en beschrijving van het plan is tot dusver geen rekening gehouden met de capaciteit van de afwatering van de NL-20 en de omgeving in relatie tot de stedelijke wateropgave, oftewel of het plan WB21 “proof” is. De stedelijke wateropgaven worden op dit moment uitgewerkt door de Gemeente Tilburg . De conclusies van deze uitwerking dient bij de nadere detaillering van het plan meegenomen te worden. In de technische uitwerking dient dit inzichtelijk worden gemaakt.

Fasering

Ten behoeve van de uitvoering van het plan is het belangrijk om een faseringsplan op te stellen. Een goede fasering betekent dat vanaf het moment dat de uitvoeringswerkzaamheden in Enschotsebaan starten, geen wateroverlast ontstaat. Waterafvoer en ontwatering zijn vanaf dat moment gewaarborgd. Een faseringsplan wordt in een later stadium opgesteld. Gemeente en waterschap worden hierbij betrokken.

5.6.3 Watertoets

Proces

Waterschap De Dommel en Gemeente Tilburg zijn betrokken bij de planvorming en bij de bovengenoemde onderzoeken en studies. In het kader van het voor het plangebied reeds gevoerde artikel 19 procedure heeft reeds een watertoets plaatsgevonden. Voor onderhavig bestemmingsplan zal wel nieuw advies moeten worden ingewonnen. Hieronder is de geschiedenis opgenomen van de toentertijd uitgevoerde watertoets, het overleg en het wateradvies. Dit zal te zijner tijd worden aangevuld met de voor het onderhavige bestemmingsplan gevoerde overleg, watertoets en wateradvies.

In het kader van de het proces van de Watertoets heeft op 21 februari 2006 overleg plaatsgevonden tussen de waterbeheerders, Gemeente Tilburg, MTD en ARCADIS. Tijdens deze overleggen zijn de waterhuishoudkundige uitgangspunten vastgesteld.

De eisen en wensen van de waterbeheerder zijn in de verschillende overwegingen meegenomen, geïntegreerd in de resultaten en vervolgens omschreven in de voorliggende Waterparagraaf. Deze Waterparagraaf is voor een informele reactie voorgelegd aan de waterbeheerder. De opmerkingen zijn verwerkt. Bovendien worden de waterbeheerders en gemeente nauw betrokken bij de verdere keuze, uitwerking en uitvoering van het hemelwatersysteem.

Wateradvies

De Waterparagraaf is in eerste instantie in concept voorgelegd aan het waterschap en de gemeente. Het waterschap heeft laten weten positief te staan tegenover de Waterparagraaf en de inhoud ervan. Het waterschap wil bij de verdere technische uitwerking en uitvoering van het watersysteem in het plan nauw betrokken blijven. Waterhuishoudkundige plannen en tekeningen dienen ter goedkeuring aan het waterschap worden voorgelegd.

Ook de Gemeente Tilburg heeft haar reactie gegeven op de Waterparagraaf.
Deze opmerkingen van de Gemeente Tilburg zijn verwerkt in de bovenstaande tekst. Net als het waterschap wordt ook de Gemeente Tilburg bij de nadere uitwerking nauw betrokken en worden waterhuishoudkundige plannen en tekeningen ter goedkeuring aan de gemeente voorgelegd.

Op 28 oktober 2006 is door ARCADIS, namens de gemeente Tilburg, een wateradvies aangevraagd bij het waterschap. Het waterschap heeft middels een brief d.d. 1 december 2006, kenmerk U-06-08184 laten weten een positief wateradvies te geven voor de ontwikkeling van het plan Enschotsebaan. Het waterschap geeft de volgende twee opmerkingen/aandachtspunten voor de verdere uitwerking:

  • Binnen het plangebied liggen een aantal leggerwatergangen die in beheer en onderhoud zijn van het waterschap. Deze zullen worden aangepast of worden gedempt.
    Op dit moment is de toekomstige waterhuishouding nog niet in detail uitgewerkt en beschreven. De uitwerking van de plannen wordt ter toetsing aan het waterschap voorgelegd.
  • Voor de ontwikkeling moet rekening gehouden worden met de stedelijke wateropgave. Concreet voor de Enschotsebaan betekent dit dat ook bij T=100 geen wateroverlast mag optreden. Het regenwaterbezwaar mag daarbij niet worden afgewenteld op het watersysteem buiten het plangebied. Het watersysteem dient nader uitgewerkt en onderbouwd te worden. Ook T=100 dient hierbij meegenomen te worden. Het waterschap wil op de hoogte gehouden worden van de nadere uitwerking van de plannen en de waterhuishoudkundige plannen ter toetsing voorgelegd krijgen.
  • In aanvulling op dit uitgebrachte advies door het waterschap, is op 10 januari 2008 per mail een aanvullend advies gevraagd over de invulling van het waterhuishoudkundig systeem in de lus. Het waterschap heeft hierop positief geadviseerd. In het kader van deze bestemmingsplanprocedure en de wettelijke verplichting om in overleg te treden met het waterschap is de waterparagraaf opnieuw voorgelegd aan het waterschap op 2 februari 2010. Op 8 maart 2010 is een voorlopig wateradvies ontvangen, waarbij ze aangeven dat ze voor het berekenen van de waterberging sinds 2009 de HNO-tool (hydrologisch neutraal ontwikkelen) hanteren. Hierdoor ontstaat er een grotere benodigde waterbergingscapaciteit. De gemeente is van mening dat deze extra opgave niet kan worden gevraagd door het waterschap, aangezien deze ontwikkeling reeds planologisch is mogelijk gemaakt via een afgeronde vrijstellingsprocedure in 2008. In haar definitieve advies (d.d. 1 juni 2010, kenmerk U-10-03753) heeft het waterschap aangegeven dat zij eerder het plan beoordeeld hadden als een nieuw plan en dat dit niet correct is daar het waterschap al geruime tijd bij de planvorming betrokken is. Zij geven dan ook nu een positief wateradvies.