direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Zuidhoek vormt een nieuw woongebied ten zuiden van de kern Kapelle en ten westen van de kern Biezelinge. De deelplannen Zuidhoek 1 en Zuidhoek 2 (Annie MG Schmidtwijk) zijn inmiddels gerealiseerd. Afgelopen jaren is ook gestart met de ontwikkeling van Zuidhoek 3. Van dit deelplan zijn de gronden in fase 1 reeds allemaal uitgegeven en is gestart met de bouw van 88 woningen. De gemeente is nu voornemens om ook fase 2 van dit deelgebied te gaan ontwikkelen.

Het plangebied maakt deel uit van de planontwikkeling Zuidhoek 3. In 2017-2018 is hiervoor het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' opgesteld (vastgesteld op 13-03-2018). In dat bestemmingsplan is reeds voorzien in de woningbouwontwikkeling van fase 2. Echter wordt het gebied aan de noordwestzijde uitgebreid. Tevens wordt het aantal te bouwen woningen vergroot. Hiermee is het geldende bestemmingsplan niet toereikend voor de voorgestane ontwikkeling. Daarom is besloten om voor fase 2 van Zuidhoek 3 een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Dit bestemmingsplan betreft een reparatie van het geldende bestemmingsplan door het toevoegen van een perceel aan het plangebied en het vergroten van de woningaantallen.

1.2 Plangebied

Het plangebied (zie figuur 1) ligt aan de zuidzijde van de kern Kapelle, tussen de spoorlijn Vlissingen - Bergen op Zoom en de nieuwbouwwijk Zuidhoek 1 en 2 en fase 1 van Zuidhoek 3. Vanwege de invloed van de planologische mogelijkheden op de gemeentewerkplaats met milieustraat is ook dit perceel meegenomen in het plangebied. Aan de westzijde wordt het plangebied daardoor begrensd door de woonpercelen aan de Fruithof en de Dijkwelseweg. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de spoorlijn Vlissingen - Bergen op Zoom. Aan de oostzijde is aangesloten op het fietspad dat het gebied doorkruist vanaf de spoortunnel naar de Annie MG Schmidtsingel. De zuidzijde van het plangebied wordt begrensd door de Annie MG Schmidtsingel.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: Atlas van Zeeland, bewerking Juust B.V. )

1.3 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Beschrijving project

2.1.1 Huidige situatie

Integrale benadering Zuidhoek 3

Het plangebied maakt deel uit van de planontwikkeling Zuidhoek 3. In 2017-2018 is hiervoor het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' opgesteld (vastgesteld op 13-03-2018). Voor deze planontwikkeling is (vooruitlopend op de Omgevingswet) gekozen voor een integrale benadering. In dat kader zijn in het voorstadium van het opstellen van het bestemmingsplan Zuidhoek 3 diverse disciplines (leefomgeving, beheer openbare ruimte, verkeer en volkshuisvesting) binnen de gemeente Kapelle betrokken. Door middel van werkateliers zijn de aandachtspunten voor het gebied inzichtelijk gemaakt. Hierdoor is bijvoorbeeld vooraf nagedacht over het beheer van het gebied. Ook de aspecten flexibiliteit, gezondheid en duurzaamheid zijn in dit voorstadium integraal behandeld.

Naast de integrale werkwijze binnen de gemeentelijke organisatie, is ook nagedacht over de mogelijkheden om externe partijen al in een vroeg stadium bij het plan te betrekken. Deze externe partijen betreffen de ontwikkelaars en makelaars die binnen de gemeente actief zijn, netwerkbeheerder Delta, ProRail, GGD Zeeland, GR de Bevelanden (Gemeenschappelijke Regeling), Veiligheidsregio, Waterschap en uiteraard de huidige en toekomstige bewoners van de Zuidhoek.

Om een goed beeld te krijgen van de huidige woonwensen en ideeën voor het plangebied en te inventariseren welke knelpunten worden ervaren ten aanzien van bestemmingsplannen, is het concept van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan vrijblijvend voorgelegd aan de ontwikkelaars en makelaars die actief zijn binnen de gemeente Kapelle. In het kader van het optimaal benutten van de kansen op het gebied van duurzaamheid is er overleg geweest met de netwerkbeheerder. Op basis hiervan is verder invulling gegeven aan het stedenbouwkundig plan voor heel Zuidhoek 3.

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is één van de doelen van de Omgevingswet. Ook voor het gebied Zuidhoek 3 is dit een belangrijk punt. Zeker gezien de nabije ligging van het spoor. De gemeente Kapelle wil een goed woon- en leefklimaat in Zuidhoek 3 aanbieden. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door de aanleg van een geluidswal langs het spoor. Hiermee blijft in het grootste deel van het woongebied het spoorweglawaai beneden de voorkeursgrenswaarde van 55 dB die vastgelegd is in de Wet geluidhinder. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kunnen burgemeester en wethouders een hogere geluidsbelasting toestaan door het vaststellen van hogere waarden. Het standpunt van de gemeente is om in het gebied zoveel mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde en hiermee, zonder maatregelen aan de te bouwen woningen te hoeven treffen, een goed woon- en leefklimaat (ten aanzien van geluid) te garanderen. Met het toevoegen van het perceel tussen de gemeentewerkplaats met milieustraat en het spoor is ook de mogelijkheid ontstaan om de geluidswal aan de westzijde te verlengen. Op enkele percelen kan in deze hoek op de verdieping niet aan de voorkeursgrenswaarde worden voldaan. Hiermee wordt rekening gehouden door uitsluitend eenlaagse bebouwing mogelijk te maken. In Hoofdstuk 4 wordt uitgebreid ingegaan op de diverse milieuaspecten.

Plangebied

Het plangebied bestaat enerzijds uit het te ontwikkelen woongebied en anderzijds uit de gemeentewerkplaats met milieustraat. Het te ontwikkelen woongebied is momenteel onbebouwd. De boomgaarden die nog aan de westzijde aanwezig waren zijn gerooid. Aan de noordoostzijde zijn reeds voorbereidingen getroffen voor de aanleg van de geluidswal.

De gemeentewerkplaats met milieustraat is gevestigd op het perceel Dijkwelseweg 1a. De ontsluiting hiervan vindt plaats op de Dijkwelseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0002.png"

Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied (bron: Streetview Google Maps )

2.1.2 Toekomstige situatie

Stedenbouwkundig plan

In het midden van het gebied Zuidhoek 3 ligt in noord-zuidrichting de fietsverbinding tussen Zuidhoek 1 en 2 en het treinstation. Deze fietsverbinding verdeelt het gebied in twee delen: fase 1 en fase 2. Fase 1 betreft het oostelijke deel, fase 2 het westelijke deel. Dit bestemmingsplan ziet op fase 2 waaraan in het noordwesten een perceel aan het plangebied is toegevoegd.

Het woongebied wordt vormgegeven als een 'eiland in het groen'. Elk woongebied krijgt zijn eigen wegenstructuur waarbij een weg rondom het woongebied wordt aangelegd, waarmee de structuur van de eilanden wordt benadrukt. De ontsluiting vindt plaats middels twee verbindingen op de Annie MG Schmidtsingel.

Belangrijk kenmerk van de stedenbouwkundige opzet is de groenstructuur waarmee de eilanden omgeven worden. Deze groenstructuur bestaat aan de noordzijde grotendeels uit een geluidswal. Door deze geluidswal aan de zuidkant niet als een strakke dijk aan te leggen, maar als een parkzone met een meanderende vorm, krijgt de geluidswal een groene kwalitatieve uitstraling. Ter plaatse zullen onder andere wandelpaden worden aangelegd. Aan de zuidzijde wordt aan de Annie MG Schmidtsingel een groene buffer aangelegd die de wijken van elkaar scheiden. Deze groene buffer bestaat uit een watergang en een bomenrij.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0003.png"

Afbeelding 3 | Uitwerking stedenbouwkundig plan (bron: gemeente Kapelle)

Programma

In het woongebied zijn diverse woningtypes mogelijk, bestaande uit rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen. De exacte verdeling van de woningtypes wordt bij de verdere uitwerking van de plannen bepaald. Ook de breedte en oppervlakte van de kavels zijn flexibel. Dit kan aan de hand van de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan en de vraag vanuit de markt vrij worden ingevuld. In het plangebied (fase 2) zijn maximaal 97 woningen voorzien.

Ten aanzien van de omvang van de woningen geldt, met uitzondering van de eenlaagse woningen, een maximale goothoogte van 6 meter. De bouwhoogte mag maximaal 5 meter hoger zijn dan de goothoogte. Om een woongebied te realiseren met een hoge kwaliteit en een eigen karakter, is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In dit beeldkwaliteitsplan is vastgelegd aan welke eisen de vormgeving van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte moet voldoen. Het beeldkwaliteitsplan vormt naast dit bestemmingsplan het toetsingskader voor de bouwplannen.

Gemeentewerkplaats met milieustraat

Het woongebied grenst aan de westzijde aan de gemeentewerkplaats. In het kader van milieuzonering dient tussen de gemeentewerkplaats en woningen afstanden te worden aangehouden. In paragraaf 4.11 van deze toelichting wordt dit nader beschreven. Om het woongebied optimaal te kunnen ontwikkelen, is besloten om de activiteiten op de gemeentewerkplaats in te perken.

Het inperken van de planologische mogelijkheden ter plaatse van de gemeenwerkplaats is mogelijk, omdat op een deel van het terrein uitsluitend opslag plaatsvindt en geen activiteiten uitgevoerd zullen worden die hinder veroorzaken voor de woningen. Tevens is het voornemen om de gemeentewerf op termijn te verplaatsen naar een andere locatie binnen de gemeente.

2.2 Duurzaamheid

De gemeente Kapelle heeft als beleidsuitgangspunt om bij ruimtelijke plannen te onderzoeken op welke wijze duurzaamheid kan worden versterkt. De woonwijk Zuidhoek 3 dient een duurzame wijk te worden en dat ook breed uit te dragen.

De woningen worden zongericht verkaveld. Dit houdt in dat de woningen zodanig worden gesitueerd dat zoveel mogelijk zonlicht op minimaal één van de gevels valt, waardoor passieve zonne-energie optimaal benut wordt. Ook biedt deze verkaveling de mogelijkheid tot het benutten van actieve zonne-energie door het toepassen van zonnepanelen. Daarnaast worden de woningen gebouwd via de BENG-methodiek. BENG staat voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen. Bij de BENG-methodiek wordt getoetst aan de energiebehoefte van de woning, het primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie. De woonwijk zal volledig gasloos zijn.

Het vroeg-middeleeuwse Zuid-Beveland is een onbedijkt gebied met hooggelegen zanderige kreekruggen temidden van uitgestrekte laaggelegen poelgronden. Het plangebied ligt ter plaatse van een voormalige kreekrug. Daardoor bestaat de ondergrond grotendeels uit zand en zijn er diverse mogelijkheden voor infiltratie van water. Bij de uitwerking van de plannen worden deze infiltratiemogelijkheden optimaal benut.

2.3 Juridische regeling

2.3.1 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Zuidhoek 3' en 'Kapelle-Biezelinge' van de gemeente Kapelle.

Het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' is op 3 maart 2018 door de gemeenteraad van Kapelle vastgesteld. De gronden hebben de bestemming 'Woongebied'.

De gronden met de bestemming 'Woongebied' zijn onder andere bestemd voor wonen in de vorm van vrijstaande woningen, twee-aan-één-gebouwde woningen, geschakelde woningen, en aaneengebouwde woningen. Voor het bouwen geldt onder andere dat het aantal woningen maximaal 140 mag bedragen. Het oprichten van 185 woningen is derhalve niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0004.jpg"

Afbeelding 4 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

Het bestemmingsplan 'Kapelle-Biezelinge' is op 9 februari 2010 door de gemeenteraad van Kapelle vastgesteld. De gronden hebben de bestemmingen 'Wonen-Uit te werken' en 'Bedrijf' beide met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.

De gronden met de bestemming 'Wonen - Uit te werken' zijn onder andere bestemd voor wonen in een woning. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan en met inachtneming van de in dat plan opgenomen regels.

De gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn onder andere bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' en ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'. Vanwege de invloed van de milieustraat op de planologische mogelijkheden in het plangebied dient de begrenzing van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' aangepast te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0005.jpg"

Afbeelding 5 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

2.3.2 Planuitwerking

Flexibel bestemmingsplan

De gemeente Kapelle staat een ontwikkelingsstrategie voor waarbij de feitelijke ontwikkeling aan de markt wordt overgelaten en het gebied zich geleidelijk zal vullen. De feitelijke realisatie van de woningen vindt plaats vanaf de oostzijde richting de westzijde. Daarmee wordt voorkomen dat het gehele gebied bouwrijp wordt gemaakt en verspreid door het gebied woningen worden gebouwd en percelen braak blijven liggen, waarbij het gevoel blijft bestaan dat op een bouwterrein wordt gewoond. Door vanaf de oostzijde vraaggericht te ontwikkelen, zal aan de oostkant direct een afgerond geheel ontstaan. Daarbij kan dan ook ingespeeld worden op een eventuele veranderende vraag vanuit de markt. Deze wijze van ontwikkelen vraagt om een flexibel bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in een dergelijke flexibele bestemmingsplanmethodiek.

Planmethodiek

De hoofdgroenstructuur – bestaande uit de zone langs het spoor met de geluidswal en de zone langs de Annie MG Schmidtsingel – is in het plan als 'Groen' bestemd. Woningbouwontwikkeling is binnen deze bestemming niet toegestaan. De gronden binnen deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor openbare groenvoorzieningen, maar ook de aanleg van waterpartijen, voetpaden, fietspaden en parkeervoorzieningen is binnen deze bestemming mogelijk. Ten behoeve van de flexibiliteit zijn ook ontsluitingswegen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen mogelijk. Gebouwen, met uitzondering van nutsgebouwen en gebouwen voor ontmoetingsplaatsen, zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. In de groenbestemming langs het spoor is een aanduiding opgenomen voor de aanleg van de geluidswal met geluidsscherm. De gemeente zal deze geluidswal aanleggen voordat de woningen in gebruik worden genomen waarmee een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen kan worden gegarandeerd. Dit is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels bij dit bestemmingsplan gewaarborgd.

Voor het woongebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Op de verbeelding zijn geen bouwvlakken ten behoeve van de verkaveling ingetekend. Daarmee is er flexibiliteit ten aanzien van de verkaveling. Het bestemmingsplan voorziet in een verbale regeling waarbinnen de verdere uitwerking van het gebied kan plaatsvinden.

Binnen de bestemming zijn meerdere woningtypes toegestaan, met uitzondering van gestapelde woningen. De verschillende woningtypes kunnen naast elkaar worden gebouwd. De minimale afstand tot de voorste perceelsgrens is vastgelegd, maar verspringing in de voorgevellijn is mogelijk.

2.3.3 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen met bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.


Bestemmingsregels

Bedrijf

De gemeentewerf met milieustraat is bestemd tot Bedrijf. De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. Door de ligging van het perceel ten opzichte van de noordelijk gelegen woonpercelen is hier ten hoogste milieucategorie 3.1 gewenst.

Op delen die dichter bij de woningen zijn gelegen is maximaal milieucategorie 2 gewenst. Er kan worden afgeweken voor de vestiging of uitoefening van een bedrijf, dat hoewel gelijkwaardig aan de categorieën 1 en 2, niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomt. Deze regeling maakt het mogelijk bedrijven en bedrijfsactiviteiten toe te laten, die niet in de lijst zijn genoemd of die in een hogere categorie voorkomen, maar waarvan de milieubelasting gelijkwaardig kan worden geacht aan de toegelaten categorieën.

Het is mogelijk, dat de milieubelasting van een bepaald bedrijf of bedrijfsactiviteit door ter plaatse aanwezige omstandigheden uit het oogpunt van hinder / overlast acceptabel is, dan wel het bedrijf zodanig beperkende maatregelen heeft genomen, dat de activiteit qua milieubelasting gelijkgesteld kan worden met bedrijfsactiviteiten uit de direct toegelaten categorieën. De milieubelasting wordt beoordeeld aan de hand van de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemde milieubelastingcomponenten. Hetzelfde geldt voor bedrijven die weliswaar hoger zijn ingeschaald, maar gelet op de concrete bedrijfssituatie, vergelijkbaar zijn met categorie 1- en 2-bedrijven.

De vestiging van zelfstandige niet-bedrijfsgebonden kantoren is uitgesloten. Detailhandel is slechts toegestaan als het een ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering vormt. Vestiging van Bevi- en Wgh-inrichtingen is niet toegestaan.

Voor de bebouwing wordt uitgegaan van een situering binnen op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken. De (on)mogelijkheid van uitbreiding van bedrijfsgebouwen is beoordeeld en op de kaart aangegeven. Voor het gehele bebouwingsvlak is de hoogte aangegeven.

In de specifieke gebruiksregels is het opslaan van goederen buiten de op onbebouwde gronden binnen 3 meter van de perceelsgrens niet toegestaan.

Groen

De hoofdgroenstructuur is bestemd als 'Groen'. Dit betreft de geluidswal en de groenbuffer langs de Annie MG Schmidtsingel. Dit is de minimale groenstructuur waarvan nu al vast ligt, dat deze gebieden als (openbaar) groen ingericht gaan worden. Binnen de bestemming 'Woongebied' is de aanleg van groen ook mogelijk. Binnen de groenbestemming zijn groenvoorzieningen en water mogelijk. Ook mogen binnen deze bestemming ontsluitingswegen aangelegd worden voor bijvoorbeeld de ontsluiting van de woonwijken. Daarnaast zijn binnen de bestemming parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair, wandel- en fietspaden en de wandel- en fietstunnel toegestaan. Binnen de groenzone langs het spoor is een aanduiding opgenomen voor de aanleg van de geluidswal met geluidsscherm. Hierbij is vastgelegd dat de hoogte van de geluidswal minimaal 2,5 meter (gemeten vanaf bovenkant spoor) dient te bedragen. De maximale hoogte van de geluidswal met geluidsscherm en eventuele zonnepanelen bedraagt 5 meter. Voor het overige zijn qua bebouwing nutsgebouwen, ontmoetingsplaatsen en overige bouwwerken toegestaan.

Woongebied

De bestemming 'Woongebied' is een globale bestemming waarbinnen meerdere hoofdfuncties mogelijk zijn. Deze hoofdfuncties betreffen wonen, groen, water en verkeer. Wonen is toegestaan in de vorm van vrijstaande woningen, twee-aan-één-gebouwde woningen, geschakelde woningen en aaneengebouwde woningen. Op de plaatsen waar de wegenstructuur op de Annie MG Schmidtsingel zal worden aangesloten is op de verbeelding de aanduiding 'ontsluiting' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden in ieder geval bestemd voor een weg ten behoeve van de ontsluitingsstructuur. Naast de hoofdfuncties zijn tevens aan-huis-gebonden beroepen toegestaan. Tot slot zijn parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, fiets- en wandelpaden, de wandel- en fietstunnel en bijbehorende voorzieningen, zoals erven, tuinen en nutsvoorzieningen toegestaan.

Voor het bouwen van de woningen geldt, dat er maximaal 97 woningen zijn toegestaan. Om de variatie in woningtype te waarborgen is er een maximum gesteld aan het aantal woningen. Om te voorkomen dat er lange dichte bebouwingswanden ontstaan, is er een maximum gesteld aan het aantal aaneengesloten woningen. Deze mag niet meer bedragen dan 6 woningen. De goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 6 meter. De bouwhoogte niet meer dan 5 meter hoger dan de goothoogte. Voor de woningen aan de noord-westzijde van het plangebied geldt een goothoogte en bouwhoogte van maximaal 4 meter.

De hoofdgebouwen (woningen) dienen op enige afstand van de voorste perceelsgrens te worden gebouwd ten behoeve van een open en groene structuur in de woonwijk. Tussen de voorgevel van de woning en de voorste perceelsgrens dient een afstand van minimaal 3,5 meter te worden aangehouden. Bij vrijstaande woningen geldt een minimale afstand van 5 meter. Ten aanzien van de erfbebouwing is aangesloten op de algemene erfbebouwingsregeling voor woonpercelen binnen de gemeente. Deze houdt in dat maximaal 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd met een maximum oppervlakte. Deze maximum oppervlakte is afhankelijk van de perceelsgrootte. Hoe groter het perceel, hoe groter het toegestane oppervlakte.

Ten behoeve van de flexibiliteit zijn diverse afwijkingsregels opgenomen, waarbij burgemeester en wethouders de bevoegdheid hebben om van de bouwregels af te wijken. Dit betreft een groter aantal aaneengesloten woningen indien dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Ook is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het vergoten van de oppervlakte aan erfbebouwing.

In de specifieke gebruiksregels zijn een aantal voorwaardelijke bepalingen opgenomen. In deze bepalingen is een voorwaarde opgenomen waaraan voldaan moet worden, alvorens iets is toegestaan. In dit bestemmingsplan betreft het de toets aan het beeldkwaliteitsplan, alvorens bouwwerken worden gerealiseerd en de aanleg van de geluidswal, alvorens de woningen in het gebied in gebruik worden genomen.

Tot slot kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het toestaan van kleinschalige beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten en ten behoeve van het wijzigen van de ontsluitingsstructuur.

Waarde-Archeologie-1

Het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde. Hiertoe is conform het archeologiebeleid de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm zijn niet toegestaan, zonder dat vooraf met een onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarde aanwezig is.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het bouwen, zoals toegestane overschrijdingen door ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels 
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Overige regels

In dit artikel is opgenomen dat het wettelijk kader van het plan wordt bepaald door de regelingen zoals die luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Overgangs- en slotregels

In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan sluit wel aan bij de prioriteit 'Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied'.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' is de realisatie van 140 woningen mogelijk gemaakt. Door middel van dit plan worden er 40 extra woningen aan dit totaal toegevoegd tot maximaal 185 woningen. In het plangebied van het onderliggende bestemmingsplan worden derhalve maximaal 97 woningen mogelijk gemaakt. De uitbreiding van de woonwijk betreft een stedelijke ontwikkeling. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en er is sprake van een (regionale) behoefte aan de ontwikkeling (zie paragraaf 3.3). Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zeeland

De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland.
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied.
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie.
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:

  • 1. Doe meer met minder grond.
  • 2. Werk samen en deel kosten en baten.
  • 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
  • 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.

Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, die nog vastgesteld moet worden, is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0006.png"

Afbeelding 6 | Ambities en bouwstenen (bron: Zeeuwse Omgevingsvisie deel A)

Kijkend naar het onderhavige plan sluit deze het meest aan bij de bouwstenen zoals genoemd onder de ambitie 'Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland' waarbij, gelet op de aanzet die gegeven is voor de afwegingsfactoren, overwogen kan worden dat de woningbouwplannen passen bij de locatie en daar een meerwaarde voor bieden.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit plan raken.

Provinciaal beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

3.3 Regionaal beleid

Zeeuwse Woonagenda

De Zeeuwse Woonagenda is een gezamenlijke leidraad van de Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland om de woonopgaven aan te pakken. Hierin zijn ambities en actielijnen geformuleerd die aansluiten bij de visie op wonen en passen binnen de integrale aanpak voor de toekomstige woningvoorraad. De visie op wonen is als volgt geformuleerd: "In 2040 hebben we in Zeeland een toekomstbestendige woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit 100% aansluit bij de vraag".

De ambities vloeien voort uit de belangrijkste opgaven en dienen als richtlijn voor actie. Het gaat om:

  • 1. Een toekomstbestendige woningvoorraad
  • 2. Kwalitatief complementaire woningbouw
  • 3. Innovatieve en fexibele woonvormen

De ambities zijn verder uitgewerkt en voorzien van concrete actielijnen. In die actielijnen werken gemeenten en provincie vanuit een concreet stappenplan aan acties richting de gestelde doelen. Deze ambities en actielijnen hangen sterk met elkaar samen en laten zich het best vertalen in een schematische afbeelding. Zie hiervoor afbeelding 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0007.jpg"

Afbeelding 7 | Schematische afbeelding ambities en actielijnen (bron: Zeeuwse Woonagenda)

KWOZ

Voor de uitvoering van de Zeeuwse Woonagenda speelt het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ) een belangrijke rol. Hierin is de huidige stand van de Zeeuwse woningvoorraad onderzocht en afgezet tegen de kwalitatieve behoefte (woningtype, woonmilieu en locatie) van de Zeeuwse bevolking, nu en in de toekomst.

Uit het KWOZ komt voort dat de focus steeds meer komt te liggen bij de aanpak van de bestaande woningvoorraad: van kwantiteit naar kwaliteit. Voor de verbetering van de woningvoorraad is het ook nodig om de juiste woningen toe te voegen. Een gezonde marktspanning is daarbij essentieel.

In dit bestemmingsplan is er sprake van een globale en flexibele bestemmingsplanmethodiek. Er is uitsluitend een maximum aantal woningen vastgelegd. Bij de uitvoering van het plan kan het aantal per type woning worden bepaald aan de hand van de behoefte van dat moment.

De belangrijkste conclusies uit het KWOZ zijn tevens vertaald op gemeenteniveau. De belangrijkste conclusies op het niveau van Kapelle zijn de volgende:

Tot 2040 nog circa +1.030 huishoudens, groei zit overwegend in 65-plusdoelgroep en in de groep gezinnen

Op basis van de Provinciale prognose groeit het aantal huishoudens van circa 5.250 huishoudens in 2019 naar circa 6.280 huishoudens in 2040. De verwachte huishoudensgroei zit primair in de groep 65- en 80-plushuishoudens. Ook het aantal gezinnen groeit nog. De overige doelgroepen groeien de komende tien jaar nog licht maar nemen per saldo tot 2040 in aantal af.

Sterke behoefte nultredenwoningen als gevolg van aanhoudende vergrijzing, naast aanhoudende behoefte aan reguliere grondgebonden koopwoningen

Door de relatief grote en brede aanhoudende huishoudensgroei in Kapelle zien we zowel behoefte aan reguliere grondgebonden koopwoningen (voor gezinnen) als ook een sterke behoefte aan nultredenwoningen voor de groeiende groep 65-plushuishoudens. Binnen het nultredensegment gaat het indicatief vooral om ruimere sociale huurwoningen, vrijesectorhuur en ruimere nultreden koopwoningen. Naast deze behoefte zien we beperkte theoretische overschotten ontstaan aan kleine sociale huurappartementen.

Circa 65 woningen zitten in kwetsbare woningsegmenten waar ook theoretische overschotten in ontstaan: vooral kleine sociale huurappartementen en reguliere grondgebonden koopwoningen

Woningen waar op termijn naar verwachting overschotten van ontstaan (type, soort en prijsklasse) én die relatief kwetsbaar uit onze kwetsbaarheidsbenchmark bestaande woningvoorraad komen, zijn het meest risicovol: de minst presterende woningen binnen deze voorraad hebben het hoogste risico op leegstand en achteruitgang. In Kapelle gaat het indicatief om zo’n 65 woningen. Het gaat vooral om kleine reguliere sociale huurappartementen en reguliere grondgebonden koopwoningen. Ook van andere type productmarktcombinaties (PMC’s) is een deel van de woningen kwetsbaar, bijvoorbeeld omdat de energieprestatie laag is, al dan niet in combinatie met een relatief minder sterk presterende omgeving van de woning. Ook voor deze PMC’s zien we potentiële opgaven binnen de bestaande voorraad, maar deze zijn door aanhoudende marktdruk minder urgent. De kwetsbaarheidsanalyse van de bestaande voorraad toont, samen met de indicatieve overschotten en tekorten per product-marktcombinatie, dat een belangrijk deel van de woningmarktopgaven moet worden gezocht in de bestaande voorraad. Daarbij geldt nadrukkelijk: niet ingrijpen kost meer geld dan wel ingrijpen.

Monitoring

Voor het provinciaal ruimtelijk beleid is inzicht nodig in de ontwikkelingen op de woningmarkt zodat vraag en aanbod zowel kwalitatief als kwantitatief op elkaar aansluiten. Om dit te bereiken wordt dit gemonitord. Met het Dashboard Ladderruimte wordt inzicht gegeven in de woningbouwplannen van Zeeuwse gemeenten en in hoeverre deze plannen aansluiten op de behoefte.

Uit het dashboard blijkt dat in de regio De Bevelanden de woningbouwopgave op dit moment 4203 bedraagt. De harde plancapaciteit is 1768 en de Ladderruimte komt uit op 2435. Wanneer rekening gehouden wordt met de zachte plancapaciteit is de Ladderruimte 2378.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie 2012-2030

Op 26 maart 2013 is door de gemeenteraad van de gemeente Kapelle de Structuurvisie 2012-2030 vastgesteld. De Structuurvisie bevat de gemeentelijke visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente met als hoofddoel behoud en verdere ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente Kapelle. De gemeentelijke ambities zijn gericht op:

  • behoud en versterking van de (in de visie benoemde) kernkwaliteiten;
  • ruimte voor kwaliteit (het juiste initiatief op de juiste plaats).

Op de structuurvisiekaart is het plangebied aangewezen als 'Ontwikkeling spoorzone Zuidhoek'. Hierover is het volgende gemeld: De spoorzone Zuidhoek is een belangrijke schakel in de verbinding tussen Kapelle en Zuidhoek. Deze schakelfunctie leent zich bij uitstek voor de vestiging van een aantal centrale maatschappelijke en sociale voorzieningen. In overeenstemming met het structuurplan voor Zuidhoek worden hier ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor dergelijke voorzieningen, in combinatie met woningbouw en waterberging. Door slim met bouwmassa's om te gaan, kunnen gebouwen voor andere functies de geluidsbelasting van het spoor voor nieuwe woningen en andere geluidgevoelige functies afschermen. De gemeente zet zich in voor een voorinvestering in de ruimtelijke structuur en ruimtelijke kwaliteit (hoofd(groen)structuur). In het gebied kan ook een fietsenstalling en P&R-voorziening gerealiseerd worden bij het station. Bij de uitwerking van fase III van Zuidhoek kan dat worden onderzocht. Als in de toekomst ieder half uur een trein stopt, krijgt het station een grotere regionale betekenis.

Voor de Zuidhoek is in 2005 een apart structuurplan opgesteld. In de structuurvisie wordt naar dit structuurplan verwezen. In het structuurplan werd uitgegaan van de realisatie van een open en toegankelijk eigentijds begijnhof in een groengebied aan het water.

De inzichten voor het gebied zijn ten aanzien van het structuurplan en (deels) de structuurvisie gewijzigd. De ontwikkeling van de multifunctionele accommodatie heeft inmiddels plaatsgevonden aan de Vroonlandseweg en het gebied blijkt niet geschikt te zijn voor waterpartijen. Zuidhoek 3 zal dan ook hoofdzakelijk een woongebied worden. Er worden geen maatschappelijke voorzieningen meer mogelijk gemaakt.

Woonvisie gemeente Kapelle 2017+

Op 9 mei 2017 heeft de gemeente Kapelle een nieuwe woonvisie vastgesteld. In deze woonvisie benoemt de gemeente Kapelle belangrijke kansen en uitdagingen die zij ziet voor de Kapelse woningmarkt en ambities en koers op lange termijn. De woonvisie sluit aan bij de ambities zoals neergelegd in de Structuurvisie; behouden en versterken van wat Kapelle definieert, namelijk een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. De uitvoeringsagenda bevat de prioriteitenstelling, te voeren beleid en instrumenten die de gemeente voorstelt voor de komende vijf jaar en een doorkijk naar tien jaar.

Reguliere grondgebonden woningen zijn, door het blijvende sterke aandeel (1-ouder)gezinnen nog altijd de hoofdmoot van de nieuwbouwbehoefte. Verder genieten grondgebonden nultredenconcepten sterk de voorkeur boven kleinschalige appartementengebouwen, omdat dit beter past in de ruimtelijke structuur en appelleert aan de wens van de nieuwe generatie ouderen. In de koop hebben (1-ouder)gezinnen en jonge stellen – de grootste uitbreidingsvraag – vooral behoefte aan middeldure koop tussen pakweg € 175.000 en € 300.000. Vooral ouderenhuishoudens hebben voorkeur voor huur en in het bijzonder middensegment vrijesectorhuur met een huurprijs vanaf de liberalisatiegrens van € 710,68 per maand tot zo'n € 900,- per maand.

De volgende thema's staan centraal in het woningmarktbeleid voor de komende vijf jaar:

  • Verbetering en verduurzaming van woningen.
  • (Ver)bouwen naar behoefte.
  • Anticiperen op langer thuis wonen.
  • Nieuwe en flexibele woonoplossingen voor ouderen en andere doelgroepen met zorgvraag.
  • Werken aan betere toegankelijkheid van woningen voor lage inkomenshuishoudens.
  • Beter bedienen van (lage) middeninkomens.

De gemeente Kapelle hecht veel waarde aan verduurzaming van de woningvoorraad, energiebesparing en de overstap van aardgas naar duurzamere warmtevoorziening via bijvoorbeeld zonneboilers en warmtepompen. Verduurzaming is goed voor mens en milieu, maar draagt ook bij aan het verlagen van de woonlasten, vooral voor lagere inkomensgroepen. Duurzaamheid wordt bij planvorming al besproken met initiatiefnemers en meegenomen bij de selectie van marktpartijen bij de uitgifte van bouwgrond.

De toekomstige woningmarktopgave ligt nog maar beperkt bij nieuwbouw. Op korte tot middellange termijn, komende tien jaar, is er nog vraag naar zo'n 250 tot 300 woningen: de laatste grote uitbreidingsgolf. De gemeente werkt in de programmering aan oplossingen voor structurele mismatches tussen vraag en aanbod op de woningmarkt en stuurt via lopende projecten op korte termijn vraag en afzetbaarheid. Voor de komende vijf tot tien jaar betekent dit focus op grondgebonden nieuwbouwwoningen, in de goedkope en middeldure koop voor gezinnen en levensloopbestendige grondgebonden en nultredenwoningen voor ouderen.

De nieuwbouwwijk Zuidhoek 3 voorziet voor een groot deel (185 woningen) in de hiervoor aangegeven behoefte aan 250 tot 300 woningen. Door middel van dit flexibele bestemmingsplan, waarbij organisch ontwikkelen mogelijk is, wordt ernaar gestreefd structurele mismatches tussen vraag en aanbod op de woningmarkt te voorkomen. Dit bestemmingsplan maakt uitsluitend grondgebonden woningen mogelijk, waarmee voorzien wordt in de grootste behoefte ten aanzien van het woningtype. Bij de ontwikkeling van Zuidhoek 3 ligt de nadruk op duurzaamheid conform de kernthema 'Verbetering en verduurzaming van woningen'.

De woningbehoefte zoals opgenomen in 2017 is niet meer actueel. In de regionale woningmarktafspraken van De Bevelanden zijn ruim 600 woningen voorzien.

3.5 Conclusie

Dit bestemmingsplan voorziet in de uitbreidingsmogelijkheid van de woonwijk Zuidhoek 3 met maximaal 45 woningen tot in totaal 185 woningen. Binnen het plangebied worden maximaal 97 woningen mogelijk gemaakt. Het betreft een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand bebouwd gebied. De woningbehoefte is regionaal afgestemd en vastgelegd in de regionale woningmarktafspraken. Regionaal is tevens ruimte om in de uitbreiding te voorzien. Ook in de gemeentelijke structuurvisie en woonvisie is geanticipeerd op de ontwikkeling van Zuidhoek 3. Dit bestemmingsplan past binnen dit beleid. Het geldende beleid van de provincie Zeeland, regio De Bevelanden en de gemeente Kapelle vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.

4.2.1 Railverkeerslawaai

Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan “Zuidhoek 3” is onder andere een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen. Uit dat onderzoek is gebleken dat er maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van een geluidswal, zodat in het plan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet overschreden wordt. Het plangebied is ten opzichte van het vorige onderzoek uitgebreid met een kavel waarop een voormalige boomgaard aanwezig is. De geluidswal zal hierop doorgetrokken worden.

Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn verwoord in de Notitie 'Geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op het plan Zuidhoek fase 3 west' van 18 november 2020 (Bijlage 1). In deze notite is uitgegaan van het aanbrengen van een wal die op 1,0 meter boven NAP aangelegd zal worden met een hoogte van 3,0 meter met daarboven een hard scherm van 1,45 meter hoog. In de notitie wordt antwoord gegeven op de volgende vragen:

  • 1. Wat bedraagt de geluidbelasting vanwege de spoorlijn ter plaatse van de grens van de kavels?
  • 2. Wat bedraagt de geluidbelasting in het zuidelijk deel van de boomgaard?

Uit de conclusie van dit onderzoek volgt dat ter plaatse van de voormalige boomgaard nergens op de tweede bouwlaag voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. In een deel kan wel op de eerste bouwlaag voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. In afbeelding 7 is het gebied aangeduid waar op de eerste bouwlaag voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Dit gebied heeft een oppervlakte van ca. 1670 m2. Dit deel is dus geschikt voor woningen met één bouwlaag. In het overige plangebied kan geheel voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0008.jpg"

Afbeelding 8 | Grens voorkeursgrenswaarde eerste verdieping (bron: Notitie 2030061/No.01 Vliex)

4.2.2 Wegverkeerslawaai

4.2.2 Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. De breedte van deze geluidszone hangt af van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen of buiten de bebouwde kom). In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend 30 km/h-wegen gelegen.

Voor wegen met een toegestane maximale snelheid van 50 km/h of meer gelden onderzoekszones. In de directe omgeving van het plangebied ligt de N289 bestaande uit twee rijstroken en de A58 met vier rijstroken. Voor de N289 geldt een onderzoekszone van 250 meter en voor de A58 een onderzoekszone van 400 meter. Het plangebied is buiten beide zones gelegen. In het kader van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen onderzoek te worden uitgevoerd voor wegverkeerslawaai.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan “Zuidhoek 3” de geluidbelasting van deze wegen reeds inzichtelijk gemaakt. Kijkend naar de verkavelingsopzet van het plangebied zijn de resultaten van dit onderzoek door de uitbreiding van het plangebied met de kavel waarop de voormalige boomgaard aanwezig is, onveranderd gebleven. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven.

Geluidbelasting in het plangebied

Uit de berekening kan geconcludeerd worden dat de laagste geluidbelasting optreedt indien het wegdektype DAB wordt toegepast. Bij dit wegdektype zal op een afstand van 8 meter van de wegas voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Bij het wegdektype elementverharding in keperverband wordt op een afstand van 12 meter van de wegas voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Uitgaande van een tweerichtingsstraat, met trottoir en een voortuin, is de afstand tot de wegas doorgaans minimaal 8 meter. Indien er ook parkeerplaatsen (langsparkeren) worden aangelegd, is de afstand nog enkele meters groter. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als er dicht asfalt beton wordt aangelegd.

De volgende randvoorwaarden zijn hierbij gehanteerd:

  • Omdat het plan in maximaal 97 woningen voorziet, zullen op de wegen in het plan maximaal 97 maal 7,8 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. (uitgaande van CROW-publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”, maximale verkeersgeneratie 'koop, twee-onder-een-kap', rest bebouwde kom, weinig stedelijk)
  • Er is sprake van een rechte weg met een lengte van 200 meter.
  • De bodemfactor bedraagt 0,4. (geluidreflecterend karakter waarbij 0,0 akoestisch 'hard' is en 1,0 akoestisch 'zacht').
  • Aan de overzijde van de weg is, om rekening te houden met reflecterende objecten, op 7 meter afstand van de wegas een geluidscherm met een reflectie van 0,4 aangehouden.

Geluidbelasting vanwege de Dijkwelseweg

De Dijkwelseweg ten westen van het plangebied is één van de hoofdontsluitingswegen van Kapelle. Gezien de verkeersintensiteit op deze weg, is de geluidbelasting vanwege deze weg inzichtelijk gemaakt.

Voor de bepaling van de geluidbelasting op het plangebied vanwege de Dijkwelseweg is een model opgebouwd. Het programma dat is gebruikt voor het opbouwen van het akoestisch rekenmodel en het uitvoeren van de berekeningen is Geomilieu V4.30 van DGMR Raadgevende Ingenieurs BV. Voor het aspect 'wegverkeerslawaai' berekent dit programma de geluidbelasting overeenkomstig de Standaard Rekenmethode II (SRM II), zoals opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Er is voor het aspect wegverkeerslawaai gerekend met een zichthoek van 2° en één reflectie. Er is uitgegaan van een bodemfactor 0,4 (60% harde bodem).

Voor de berekening van de geluidbelasting als gevolg van de Dijkwelseweg is uitgegaan van een etmaalintensiteit van 10.364 motorvoertuigen per etmaal voor peiljaar 2028. De geluidsbelasting is berekend op een hoogte van 1,5 meter en 4,5 meter. Zoals uit onderstaande afbeeldingen blijkt, bedraagt de geluidsbelasting in het plangebied vanwege de Dijkwelseweg maximaal 48 dB. In de meest noordwestelijke hoek bedraagt de geluidbelasting tussen de 45 en 55 dB. Hier wordt de geluidswal aangelegd en zullen geen woningen worden gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat de geluidsbelasting op het plangebied aanvaardbaar is, en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0009.jpg"

Afbeelding 9 | Geluidbelasting Dijkwelseweg op 1,5 m hoogte (bron: Notitie 20170207/No.01 Vliex)

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0010.jpg"

Afbeelding 10 | Geluidbelasting Dijkwelseweg op 4,5 m hoogte (bron: Notitie 20170207/No.01 Vliex)

Geluidbelasting vanwege het plan op de bestaande woningen

Door de realisatie van Zuidhoek 3 (inclusief fase 2) zal de verkeersintensiteit op de doorgaande wegen toenemen, waardoor de geluidbelasting ter plaatse van de reeds bestaande woningen zal toenemen.

De bestaande woningen zijn op een afstand van minimaal 11 meter van de wegas van de Annie MG Schmidtsingel gelegen. Deze weg is voorzien van regulier asfalt. Uitgegaan is van een huidigejaargemiddelde etmaalintensiteit van 2.800 (dit komt overeen met de ontsluiting voor circa 470 woningen). Voor de berekening van de geluidsbelasting is daarbij nog een verkeersgeneratie van 1.148 opgeteld, waardoor uitgegaan is van een etmaalintensiteit van 3.948 motorvoertuigen per etmaal. In totaal wordt in de gehele wijk Zuidhoek in circa 410 woningen voorzien. Dit aantal is lager dan waarmee in de berekening rekening is gehouden. De toename in geluibelasting bedraagt 1,49 dB (10*log(3.948/2.800)). Om een oordeel te kunnen geven over de geluidtoename wordt aangehaakt bij de gestelde grenswaarde uit de Wet geluidhinder voor reconstructiesituaties (fysieke wijziging van een weg waarbij een significante toename is van de geluidbelasting). Volgens de Wet geluidhinder is er sprake van een reconstructiesituatie als het geluid met 1,5 dB of meer toeneemt. Blijft de geluidtoename onder de 1,5 dB, dan is dat vanuit akoestisch oogpunt als aanvaardbaar te beschouwen.

Als gevolg van de realisatie van Zuidhoek 3 zal de geluidsbelasting op de bestaande woningen met 1,49 dB toenemen. Gesteld kan worden, dat vanuit akoestisch oogpunt de geluidtoename aanvaardbaar is.

4.2.3 Inrichtingslawaai

In paragraaf 4.11 van deze toelichting wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering nader ingegaan op inrichtingslawaai, waaronder de gemeentewerf.

4.3 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en het Basisnet. Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgevonden risico (PR)

Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden.

In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde.

Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt.

Groepsrisico (GR)

Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's.

Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario's ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens).

Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes

Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogd om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken.

Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen:

  • De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet.
  • Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien:
    • 1. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of,
    • 2. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of,
    • 3. de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
  • Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

In het basisnet worden de transportroutes onderverdeeld in twee type routes: basisnetroutes en overige routes. De spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom betreft een basisnetroute. Voor de basisnetroutes heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu een 'begrensde risicoruimte' toegekend, ook wel de basisnetafstand of het PR-plafond genoemd. Voor zowel de overige als basisnetroutes geldt de PR10-6 contour als wettelijke norm. In deze contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen en woonbebouwing, liggen. Voor bestaande basisnetroutes wordt de hoogte van het groepsrisico (GR) gereguleerd door het toepassen van het GR-plafond. Bij vervoer over het spoor volgt het GR-plafond de PR 10-7 en de PR 10-8 contouren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0011.png"

Afbeelding 11 | Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Op de risicokaart is nabij het plangebied de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom als risicobron aangegeven als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen en het perceel Noordstraat 59 in verband met opslag van vuurwerk.

Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor

Over de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, bestaande uit brandbare, explosieve en toxische stoffen. Dit brengt risico's met zich mee. Bij een ongeval tijdens het transport kunnen gevaarlijke stoffen vrijkomen met schadelijk of zelfs dodelijke gevolgen voor mens en milieu. Bijvoorbeeld een explosie, een brand of het vrijkomen van een gifwolk.

Conform Basisnet Spoor bedraagt de PR-contour 0 meter en is er geen Plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen een zone van 200 meter van het spoor. Binnen deze zone zullen woningen worden gebouwd. Door AVIV is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Hierna volgt de conclusie van de groepsrisicoberekening. Het rapport is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoek is in 2018 uitgevoerd, maar de Veiligheidsregio heeft aangegeven dat dit rapport ook voor dit gebied van toepassing kan worden verklaard. Het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie wordt getoond in onderstaande figuur. De onderstaande tabel toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0,16 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan 6 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0013.png"

Situatie   Factor t.o.v. OW  
Huidig   0.13  
Toekomstig   0.16  

Afbeelding 12 | Groepsrisicocurven en tabel groepsrisico huidige en toekomstige situatie (bron: AVIV)

Het groepsrisico is in de huidige situatie gelijk aan 0.13 keer de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.16 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is daarom groter dan 0.1 x de oriëntatiewaarde en neemt toe met meer dan 10% (23%). Dit betekent dat het groepsrisico dient te worden verantwoord. Hierna wordt ingegaan op de maatregelen die genomen (kunnen) worden om het risico te verlagen, de bestuurlijke afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de overgebleven risico's, de zelfredzaamheid van mensen in het risicogebied en de rampenbestrijding.

Maatregelen

De VeiligheidsRegio Zeeland heeft een advies uitgebracht over de mogelijke maatregelen voor de verschillende incidentscenario's (plasbrand, BLEVE en toxische wolk). De maatregel die voor alle scenario's effectreducerend werkt is de aan te leggen geluidswal. Dit is ook op het gebied van veiligheid een belangrijk ruimtelijke maatregel.

In de wijk dienen voldoende ontvluchtingsmogelijkheden aanwezig te zijn van de bron af, dus wegen en fietspaden waar mogelijk in zuidelijke richting aanleggen. Tevens zijn meerdere ontvluchtingswegen de wijk uit erg belangrijk.

Van de woningen direct grenzend aan het spoor zouden de buitenmuren zowel aan de spoorzijde als de zijkanten uitgevoerd kunnen worden als vlakke gevels, dus geen openingen en nissen (daar kan luchtdruk zich opbouwen) en geen ornamenten of andere objecten die door een luchtdrukgolf kunnen gaan rondvliegen. Tevens dienen de buitenmuren aan de spoorzijde en zijkanten van de gebouwen ramen met beperkt glasoppervlak te bevatten. De ramen dienen stevig bevestigd te worden in de kozijnen en de kozijnen dienen voldoende stevig in de muren te worden verankerd. Ten aanzien van een toxisch scenario wordt geadviseerd ramen en deuren te sluiten en mogelijke luchtventilatieroosters af te sluiten. Mechanische ventilatie dient uitgeschakeld te worden, bij voorkeur vanuit één centraal punt.

Ten aanzien van bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid wordt geadviseerd meerdere toegangswegen richting het plangebied aan te leggen. Ingeval en een incident op en nabij het spoor is het wenselijk dat ook het spoor via twee zijden bereikbaar is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de maatvoeringen, welke voorgeschreven zijn in de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2012 van Brandweer Nederland.

Geadviseerd wordt op strategische plaatsen opstelplaatsen en brandkranen die voldoende capaciteit leveren te realiseren. Zorg voor een primaire bluswatervoorziening met een capaciteit van tenminste 30 m3/uur met een maximale afstand van 100 meter tussen opstelplaatsen en bluswatervoorziening. Dit kan gerealiseerd worden met brandkranen. Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk ingeval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur.

Toepassing

Langs het spoor wordt een geluidswal van 2,5 meter (gerekend vanaf het spoor) aangelegd met daarop een scherm van 1,1 meter hoog. De wal is noodzakelijk in verband met de geluidsbelasting, maar heeft ook een belangrijke beschermende functie in geval van incidenten op het spoor.

De wijk wordt ontsloten via de Annie MG Schmidtsingel. Vanaf de Annie MG Schmidsingel is het mogelijk om via de woonstraten van de Annie MG Schmidtwijk verder richting het zuiden te vluchten. Op de Annie MG Schmidtsingel zullen meerdere woonstraten worden aangesloten waardoor het altijd mogelijk is om richting het zuiden (van het spoor af) te vluchten. Ook de langzaamverkeersverbindingen (fietspaden) worden in zuidelijke richting aangelegd.

De bouwkundige adviezen worden meegenomen bij de uitwerking van het verkavelingsplan en de ontwikkeling van de concrete bouwplannen. Hierbij worden de adviezen zoveel mogelijk in acht genomen, voor zover het passend is binnen de eisen ten aanzien van het wooncomfort en het esthetisch aspect.

Aan de noordkant van het spoor is de Stationsstraat gelegen. Deze is direct langs het spoor gelegen. Vanaf deze weg is het spoor in geval van calamiteiten bereikbaar. Omdat aan de zuidkant van het spoor een geluidswal wordt aangelegd, zullen niet direct langs het spoor wegen worden aangelegd.

In de woonwijk worden meerdere brandkranen gerealiseerd en wordt voorzien in opstelplaatsen van brandweerauto's. Mogelijk kan het regenwaterriool als secundaire bluswatervoorziening dienen. Direct ten noorden als ten zuiden van de geluidswal (dit is afhankelijk van de situering van de geluidswal) worden watergangen aangelegd.

Zelfredzaamheid

In het totale gebied van Zuidhoek 3 worden maximaal 190 grondgebonden woningen gerealiseerd. Deze woningen zullen hoofdzakelijk uit eengezinswoningen bestaan. Mogelijk worden er ook levensloopbestendige woningen gerealiseerd.

De bewoners in het gebied zullen daardoor voornamelijk bestaan uit personen die in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. In het plangebied worden geen voorzieningen gerealiseerd voor personen met een lage zelfredzaamheid (zoals in ziekenhuizen, verpleeghuizen en kinderdagverblijven). Er is sprake van laagbouw, die gemakkelijker is te ontvluchten dan hoogbouw. Bij het ontwerp van de beoogde woningbouwontwikkeling zal rekening worden gehouden met goede ontvluchtingswegen.

Afweging

De gemeente is zich bewust van de risico's, maar omdat langs het spoor een geluidswal van 2,5 meter hoogte ten opzichte van het spoor en 3,5 meter ten opzichte van het plangebied en een scherm van 1,1 meter, wordt aangelegd en er voldoende vluchtroutes zijn van het spoor af en de bewoners in het plangebied hoofdzakelijk zelfredzaam zijn, acht het college van burgemeester en wethouders het groepsrisico aanvaardbaar.

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg

De Rijksweg A58 en de Provinciale weg N289 zijn aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een aantal stoffen mag namelijk niet door de Vlaketunnel worden vervoerd en moet daarom de mogelijkheid hebben om ter hoogte van Kapelle de A58 te verlaten en later te vervolgen. Conform de risicokaart is er geen plaatsgebonden risicocontour en bedraagt het groepsrisicoplafond voor de A58 25 meter en voor de N289 19 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstanden. Het transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

Risicovolle inrichtingen

Op het perceel Noordstraat 59 is een tuincentrum aanwezig. Hier vindt opslag en verkoop van consumentenvuurwerk plaats. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit is aangegeven, dat bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht dient te worden genomen. Het plangebied is op een grotere afstand dan 8 meter van de inrichting gelegen. Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0014.jpg"

Afbeelding 13 | Afstand van plangebied tot A58, N289 en Noordstraat 59

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

Ten gevolge van de gehele ontwikkeling Zuidhoek 3 is destijds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' (13-03-2018) is op basis van het uitgevoerde onderzoek vrijgesteld van een archeologische verwachtingswaarde. Voor het perceel dat aan het plangebied (fase 2) in dit bestemmingsplan wordt toegevoegd, is door Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (5 maart 2021, zie Bijlage 3).

In het kader van het bureauonderzoek is een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden, dat:

  • het plangebied gesitueerd is in een gebied waar de natuurlijke ondergrond bestaat uit zandige jonge kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
  • Oudere archeologische niveaus door de betreffende getijdenkreek zullen zijn weggeërodeerd.
  • Er op enig moment zand is afgegraven, waarna het restant van de natuurlijke ondergrond is afgedekt door een heterogene kleilaag en het maaiveld uiteindelijk circa 75 cm lager is komen te liggen dan omliggende delen van de inversierug.
  • Door het afgraven van de ondergrond eventueel aanwezige archeologische waarden naar verwachting niet meer aanwezig zijn, of zwaar beschadigd zijn.
  • Binnen het hele plangebied een lage verwachting geldt voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

Op basis van de resultaten van het onderzoek kan gesteld worden dat er een lage verwachting is op het voorkomen van archeologische vindplaatsen en dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Uit het door OAS (Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband) opgestelde advies op het door Artefact uitgevoerde archeologisch onderzoek van 5 maart 2021 blijkt, dat het plangebied gesitueerd is op een brede inversierug tussen Kapelle en Biezelinge. Het gaat om een brede getijdengeul die oudere geologische niveaus volledig heeft weggeërodeerd. Op basis van deze ligging bestaat er geen archeologische verwachting voor het Laagpakket van Wierden, het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen Laagpakket.

Op basis van gegevens van de bodemkaart en het AHN is het plangebied voor 1950 afgegraven ten behoeve van de winning van zand. Het huidige maaiveld ligt ongeveer 75 cm lager dan het omliggende gebied. Daarnaast is het gebied sinds in ieder geval de 19e eeuw in gebruik geweest als boomgaard waardoor de top verstoord kan zijn door doorworteling.

Bovengenoemde verwachting is bevestigd tijdens het booronderzoek. Behalve dat een deel van het profiel als gevolg van zandwinning is afgegraven waarna de toplaag terug opgebracht is, bestaat de toplaag tot een diepte van 1,25 meter beneden maaiveld uit verstoorde grond door vergraving en doorworteling. Als gevolg hiervan is een eventueel archeologisch niveau dat vanaf de vroege middeleeuwen in gebruik kan zijn geweest volledig vergraven. De archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd is daarom laag.

Op basis van bovenstaande blijkt dat voor alle geologische en archeologisch relevante lagen de verwachting naar laag kan worden bijgesteld. Gelet hierop zal, net als in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' niet meer opgenomen worden met uitzondering van een kleine spie ter hoogte van de bestaande woningen aan de Fruithof. Hier zal de geldende dubbelbestemming worden opgenomen omdat het onderzoek niet op dit deel ziet.

 

Ondanks dat er in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische waarden verwacht worden, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase bij de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Deze dienen direct gemeld te worden bij het bevoegd gezag.

Cultuurhistorie

Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. Het plangebied is op een kreekrug gelegen en oud zeekleigebied. Beide hebben geen planologische gevolgen.

4.5 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, kan de gemeente in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning eisen dat er onderzoek wordt uitgevoerd naar bodemverontreiniging.

Verkennend bodemonderzoek plangebied

Het deel van het plangebied wat in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' was opgenomen is al onderzocht en opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3'. Het deel van het plangebied wat nu wordt toegevoegd aan dat plangebied is onderzocht. Door Mitec Advies B.V. is in 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4) ter plaatse van het perceel kadastraal bekend gemeente Kapelle, sectie O, nummer 318 en plaatselijk bekend Annie M.G. Schmidtsingel ong. te Kapelle. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de bovengrond matig tot sterk verontreinigd was met bestrijdingsmiddelen (OCB's met name DDT). De gehele bovenlaag dient als sterk verontreinigd te worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt zijn er echter geen directe belemmeringen voor de voorgenomen planologische ontwikkeling.

Vervolg

In de periode van 28 juni t/m 1 juli 2021 is door KWS uit Roosendaal in totaal circa 1250 m3 met OCB’s verontreinigde grond van het zuidelijk terreindeel ontgraven en op het noordelijk deel in een geluidswal geplaatst. Aan de hand van de uitgevoerde saneringswerkzaamheden heeft Wematech Bodem Adviseurs op 15 oktober 2021 een evaluatieverslag opgesteld (Bijlage 5).

Uit de conclusie van dit verslag blijkt dat op basis van zintuiglijke waarnemingen na uitvoering van de graafwerkzaamheden op het zuidelijk terreindeel geen verontreinigingen met OCB’s meer zijn achtergebleven. Het nemen van controlemonsters en het uitvoeren van het laboratoriumonderzoek heeft bevestigd dat in de wanden en de bodems van de ontgravingsput geen verontreinigingen met OCB’s meer aanwezig zijn ten opzichte van de terugsaneerwaarden (klasse industrie).

De ontgravingsput is in de periode van 3 september 2021 tot en met 8 september aangevuld met circa 5406 m3 schone grond afkomstig van een nabij gelegen locatie aan de Smokkelhoek te Kapelle.

Geconcludeerd kan worden dat het doel van deze grondsanering, het herschikken van de verontreinigde grond binnen het perceel zodat op het zuidelijk deel woningbouw mogelijk is, bereikt is. De verontreinigde grond in de kern van de geluidswal is voorzien van een leeflaag schone grond.

Op basis van de resultaten van de zintuiglijke en chemisch analytische controle van de controlemonsters kan de grondsanering als afgerond worden beschouwd.

Conclusie

De grond is na het treffen van de beschreven maatregelen geschikt voor de beoogde functie.

4.6 Niet gesprongen explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen. 

Op de kaart met aandachtsgebieden ten aanzien van niet gesprongen explosieven, is het plangebied niet als aandachtsgebied aangegeven. Het spoor betreft wel een aandachtsgebied voor explosieven. Deze zone is in het verleden onderzocht. Er zijn geen explosieven aangetroffen. Het plangebied is geen verdachte locatie.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Doel van het watertoetsproces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig
worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan. De watertoets wordt ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Scheldestromen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  

Het plan is niet gelegen op of in de directe omgeving van een waterkering.
 
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  

In het plangebied is voldoende openbaar groen aanwezig om de benodigde watercompensatie te realiseren. Op de verbeelding bij dit bestemmingsplan is de minimale groenstructuur als 'Groen' bestemd. Binnen de bestemming 'Woongebied' wordt ook groen en water aangelegd. Momenteel wordt een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de infiltratiemogelijkheden. Door RSK is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Uit de infiltratieproeven blijkt dat lokaal de infiltratiecapaciteit van de bodem lokaal sterk varieert tussen circa 0 en > 30 mm/u. Deze infiltratiecapaciteit < 10 mm/u is kenmerkend voor water dat slechts zeer beperkt de bodem aan het maaivel kan infiltreren en is indicatief voor kleiige bodem. De resultaten komen goed overeen met de verwachte bodemopbouw waarin een deel van de projectlocatie bestaat uit een erg ondiepe of aan het maaiveld liggende kleilaag. Echter zijn er ook locaties die een deklaag hebben van zand. De infiltrometerproef toont aan dat de infiltratiecapaciteit hier significant hoger is vergeleken met de locaties met een kleilaag. De infiltratie capaciteit is op deze lcoaties erg goed en kenmerkend voor een zandige toplaag (>30 mm/u).
In het gebied worden wadi's aangelegd, waaronder een grote wadi ter plaats waar de bodem erg goed waterdoorlatend is.

NXXS ingenieurs en adviseurs heeft de waterhuis- houdkundige opgave bepaald op basis van uitgewerkte en (deels) gerealiseerde plannen en onderzoeken (o.a. infiltratieproeven). Hieruit blijkt het volgende:
In het plangebied wordt vooralsnog ca. 2,09 ha verharding gerealiseerd waarbij een aanname is gedaan van ca. 60% perceelverharding. Met een bergingseis van 75 mm bedraagt de bergingsopgave ca. 1.568 m3.
- De berging in de wadi's bedraagt ca. 1.456 m3;
- De infiltratiecapaciteit bedraagt ca. 2.095 m3/dag;
- De infiltratiecapaciteit bedraagt ca. 74 mm/dag;

De bergingsopgave van ca. 1.568 m3 wordt ruimschoots behaald met een beschikbare berging van ca. 1.456 m3 aangevuld met een infiltratiecapaciteit van ca. 74 mm/dag. Bij overbelasting van de wadi's kan het water alsnog afgevoerd worden naar de watergang tussen het spoor en de geluidswal.  
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  

In het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het huishoudelijke afvalwater zal via het gemeentelijke rioolstelsel worden afgevoerd naar de RWZI.
Het hemelwater zal op het oppervlaktewater worden afgevoerd. Een deel van het gebied heeft een goede bodem voor infiltratie (zandgrond). Het hemelwater wordt van de woningen afgevoerd naar de weg. De weg ligt onder afschot naar naastgelegen wadi's waar het water tijdelijk wordt geborgen om te infiltreren in de bodem. De wadi's liggen rondom de woonwijk en staan door hoogteverloop in verbinding met de bestaande watergang langs het spoor. Wanneer de wadi's volledig gevuld zijn, kunnen deze alsnog afvoeren naar de watergang aan het spoor.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratie- gebieden en –mogelijkheden.  

Het plangebied is op een kreekrug gelegen. De bodem bestaat deels uit zandgrond en is daardoor geschikt voor infiltratie. Onderzocht wordt in hoeverre hiervan gebruik kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door het hemelwater van de straten direct te laten infiltreren.
In het plangebied wordt geen grondwater onttrokken.
 
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwater- kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een grondwaterbeschermingsgebied. Door de ontwikkeling zal de grondwaterkwaliteit niet verminderen.
 
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  

Door het toepassen van een gescheiden rioolstelsel zal alleen het relatief schone regenwater in het oppervlaktewater terecht komen.  
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  

De nieuw aan te brengen waterlopen in het gebied zullen worden gedimensioneerd met flauwe taluds volgens de richtlijnen van het waterschap (minimaal 1:2).  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelds- dalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  

Het grondwaterpeil wordt niet aangepast als gevolg of ten behoeve van dit plan.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  

In het gebied zijn geen natuurgebieden aanwezig. De nieuw aan te leggen waterlopen zullen zodanig worden ingericht dat ontwikkeling van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur mogelijk is.
 
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onder- houdsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  

De waterlopen kunnen onderhouden worden door middel van een onderhoudsstrook met een breedte van tenminste 5 meter. (Indien deze verhard wordt zal er rekening gehouden worden met een aslast van 10 ton). De schouwstroken zijn gelegen in het openbaar gebied. In de schouwstrook mogen, op ten minste 1 meter van de insteek, bomen geplant worden met een minimale tussenafstand van 12 meter. Achter de bomen dient een strook van 5 meter te worden vrijgehouden.
 
Anderer belangen waterbeheer  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.  

De ontwikkeling zal de werking van de objecten niet belemmeren.  
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing)
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?
* na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
*na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).  

n.v.t.
 

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Yerseke en Kapelse Moer. Dit natuurgebied ligt op circa 2,0 kilometer van het plangebied, net zoals het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt, worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de AERIUS Calculator moet en kan voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Echter is per 1 juli 2021 de Wet en het Besluit (Stikstofwet) van kracht. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling. Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. De bouwvrijstelling betreft een partiële vrijstelling, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens sloop, aanleg en bouwactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase.

Voor dit plan is voor de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie Bijlage 6). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.

Soortenbescherming

De boomgaard is gerooid en in het hele gebied is het grondwerk uitgevoerd, vooruitlopend op het bouwrijp maken. Beschermde soorten zijn daardoor in het gebied niet te verwachten. Het uitvoeren van een quickscan is daarom niet nodig.

4.10 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 97 woningen. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een project die NIBM bijdraagt. Voor de volledigheid is met behulp van de NIBM-tool, inzicht gegeven in de maximale bijdrage NO2  en PM10. Hieruit blijkt dat de toename onder de grenswaarde van 1,2 µg/m3 blijft. Dit is gebaseerd op 718 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal, zie 4.12.

afbeelding "i_NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001-vast_0015.png"

Afbeelding 14 | NIBM (bron: Infomil)

4.11 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

In de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden dienen te worden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur en stof) en gevoelige functies zoals woningen in een rustige woonwijk. Indien er sprake is van een gemengd gebied, kunnen de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Ten westen van het woongebied is de gemeentewerf/milieustraat aanwezig. Dit betreft een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk en 30 meter in een gemengd gebied. Het aspect geluid is hierbij maatgevend.

Gemeentewerf/milieustraat

Ten westen van het plangebied zijn de milieustraat en gemeentewerf van Kapelle gelegen. De activiteiten binnen de gemeentewerf zijn, vanwege uitbesteding van taken, niet meer relevant. De activiteiten op de milieustraat zijn echter wel relevant voor de geluidbelasting. Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn verwoord in de Notitie 'Geluidsbelasting vanwege de milieustraat Kapelle op het plan Zuidhoek fase 3 west' van 7 december 2020 (Bijlage 7). In het onderzoek is uitgegaan van een gemengd gebied gezien de verschillende functies aan de Dijkwelseweg. Nabij de gemeentwerf is namelijk een kinderopvang, verenigingsgebouw en het fruitteeltmuseum aanwezig. Uit de rekenresultaten van dit onderzoek blijkt dat zowel de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de grenswaarde voor het maximale geluidniveau overschreden worden.

De gemeentewerf, waar feitelijk geen relevante activiteiten meer plaatsvinden behalve opslag en lichte werkzaamheden in de loods, is bestemd met milieucategorie 3.1. Bij een dergelijke bestemming hoort in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Indien er voor gezorgd wordt dat deze richtafstand tussen de woningen in het plangebied en de activiteiten binnen de gemeentewerf nageleefd wordt, wordt voldaan aan de richtafstand. Daarom is ervoor gekozen om de activiteiten met hinder op de gemeentewerf in te perken en de aanduiding ten behoeve van de milieuactiviteiten in categorie 3.1 te verkleinen. Hiermee wordt (ruim) voldaan aan de afstand van 30 meter. Buiten de aanduiding zijn activiteiten mogelijk met beperkte hinder, zoals opslag.

4.12 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Parkeren

Voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen worden de richtlijnen van het CROW gehanteerd. Hierin is per type woning de parkeernorm met een bandbreedte opgenomen. Omdat dit bestemmingsplan een flexibel bestemmingsplan betreft en de nadere uitwerking van het inrichtingsplan nog moet plaatsvinden, wordt hieronder de parkeerkencijfers per woningtype weergegeven. In het verkavelingsplan zal hiermee rekening worden gehouden, zodat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid.

Woningtype   Parkeerkencijfers (aantal parkeerplaatsen per woning)  
  minimaal   maximaal  
Vrijstaand, koop   1,9   2,7  
Twee-onder-één-kapwoning, koop   1,8   2,6  
Tussen/hoek, koop   1,6   2,4  

(uitgaande van stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom')

Ontsluiting

De woningen worden ontsloten op woonstraten. Deze woonstraten worden ontsloten op de Annie MG Schmidtsingel richting de Biezelingseweg en de Dijkwelseweg. De Annie MG Schmidtsingel is hiertoe anders ingericht waarbij geanticipeert is op de nieuwe aansluitingen vanuit Zuidhoek 3 worden meegenomen. De Annie MG Schmidtsingel krijgt geen doorgaand karakter. Hiermee wordt voorkomen dat het een doorgaande weg wordt tussen Biezelinge en de Dijkwelseweg.

Verkeersgeneratie

Op basis van de CROW-publicatie is een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Dit bestemmingsplan vormt een flexibel bestemmingsplan waarbij het aantal type woningen niet vastligt. Wel is vastgelegd, dat in het gebied maximaal 97 woningen mag worden gebouwd. Daarom wordt uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie bedraagt daarmee 756,6 motorvoertuigen per etmaal (97 x 7,8).

Woningtype   Minimum verkeersgeneratie   Maximum verkeersgeneratie   Gemiddelde verkeersgeneratie  
Vrijstaand, koop   7,8   8,6   8,2  
Twee-onder-één-kapwoning, koop   7,4   8,2   7,8  
Tussen/hoek, koop   7,0   7,8   7,4  
      7,8  

De Annie MG Schmidtsingel en Biezelingseweg zijn erftoegangswegen. Voor dergelijke wegen wordt een etmaalintensiteit van circa 5.000 motorvoertuigen acceptabel geacht. Gelet op het huidige gebruik (circa 2.000 mvt/etmaal) en de te verwachten toename blijft dit onder de etmaalintensiteit van 5.000 motorvoertuigen, waardoor dit geen probleem oplevert voor de doorstroming op deze weg.

4.13 Trillingshinder

Met betrekking tot het aspect “schade aan gebouwen” worden de trillingen beoordeeld aan de hand van SBR-richtlijn A (SBR-A). Deze richtlijn is van toepassing op trillingen met een dominante frequentie tussen de 1 en 100 Hz. In SBR-A wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen metingen, namelijk een indicatieve, een beperkte en een uitgebreide meting. Tevens wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen trillingen, namelijk kortdurende, herhaald kortdurende en continue trillingen. En als laatste wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën bouwwerken, namelijk categorie 1, 2 en 3.

Met betrekking tot het aspect “hinder voor personen” worden de trillingen beoordeeld aan de hand van SBR-richtlijn B (SBR-B). In SBR-B wordt onderscheid gemaakt in de duur van de periode waarin de trillingen voorkomen, te weten een lange en een korte periode. Wanneer sprake is van een lange periode wordt tevens onderscheid gemaakt in gebouwfuncties, dag- en nachtperioden, type trillingen en bestaande of nieuwe situaties. Voor Zuidhoek 3 is uitgegaan van een lange periode, herhaald kortdurende trillingen en een nieuwe situatie (nieuwe gebouwen nabij railverkeer).

Door IFCO Funderingsexpertise bv zijn trillingsmetingen uitgevoerd vanwege de ligging van het plangebied aan de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom. Het doel van de metingen is om een beeld te krijgen van trillingen die worden veroorzaakt door passerend treinverkeer. Op basis van de meetresultaten is een inschatting gegeven van de te verwachten trillingen ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen op verschillende afstanden uit het spoor. De kortste afstand van de nieuw te bouwen woningen tot de spoorlijn bedraagt circa 60 meter. Het rapport is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd.

Voor Zuidhoek 3 zijn indicatieve trillingsmetingen uitgevoerd. Trillingen veroorzaakt door passerend treinverkeer zijn in de regel herhaald kortdurende trillingen. De nog te bouwen woningen kunnen worden geplaatst in categorie 2. Een gebouw wordt geplaatst in categorie 2 wanneer de draagconstructie en of onderdelen ervan bestaan uit metselwerk of uit andere brosse steenachtige materialen in een goede bouwkundige staat.

Op basis van de resultaten van de trillingsmetingen wordt de kans erg klein geacht dat door trillingen door treinverkeer trillingsschade aan de toekomstige woningen op minimaal 60 meter van de spoorlijn wordt veroorzaakt. Op basis van de resultaten van de trillingsmetingen worden de trillingen door treinverkeer op grond van SBR-richtlijn B in de toekomstige woningen op minimaal 60 meter van de spoorlijn voor personen als toelaatbaar beschouwd. Op een afstand tussen circa 30 meter en 60 meter van de spoorlijn is de kans op schade en hinder naar verwachting ook klein.

4.14 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is onder 11.2 de activiteit 'De aanleg, wijziging, of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein' opgenomen met een drempelwaarde van een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 97 woningen mogelijk. Daarmee bevat het bestemmingsplan de activiteit van de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject, maar wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven. Om die reden kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De memo van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Op basis van deze integrale beoordeling van de milieueffecten kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is daardoor niet noodzakelijk.

4.15 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

De ontwikkeling van het gebied Zuidhoek 3 wordt door de gemeente Kapelle gerealiseerd. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 22 december 2015 de benodigde besluiten genomen. Besloten is kennis te nemen van de startnotitie voor het in exploitatie nemen van het gebied en het grondexploitatieplan vast te stellen. In dat plan zijn de te verwachten kosten en opbrengsten weergegeven. Er is dan ook geen exploitatieplan bij dit bestemmingsplan nodig.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg 

Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.