direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Beverwaard
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1069Beverwaard-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De nu geldende bestemmingsplannen voor Beverwaard zijn aan vernieuwing toe. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het meerjarenprogramma voor het actueel maken van bestemmingsplannen. Het nieuwe bestemmingsplan voor Beverwaard legt de planologische situatie van de vorige bestemmingsplannen vast. Ook de met succes gevoerde procedures om af te mogen wijken van de vorige bestemmingsplannen worden in het nieuwe plan vastgelegd.

Het bestemmingsplan heeft géén betrekking op de mogelijke realisatie van een tijdelijke opvang voor asielzoekers aan de Edo Bergsmaweg in de zuidpunt van de wijk Beverwaard. De Edo Bergsmaweg ligt buiten het plangebied en de procedure voor een (tijdelijke) omgevingsvergunning voor de tijdelijke opvang loopt buiten het bestemmingsplan om.

De ontwikkellocaties uit de voorgaande bestemmingsplannen zijn inmiddels gerealiseerd, op twee locaties na (voor samen maximaal 5 woningen). Op dit moment worden geen nieuwe ontwikkelingen voorzien.

Wel biedt het plan, net als de vorige bestemmingsplannen, verschillende gebruiksmogelijkheden en derhalve enige flexibiliteit en ruimte voor veranderingen. De volgende zes veranderingen worden met het actueel maken van het bestemmingsplan gefaciliteerd: Het gaat om het flexibel bestemmen van de woningtypologie in het hele plangebied, een versoepeling van de gebruiksregels voor aangebouwde garages, het concentreren van de detailhandel, horeca/terras aan de Oude Watering, maatwerk bedrijvigheid en nog steeds schaalverkleining voor woonwagencentrum de Kievit.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied van het bestemmingsplan Beverwaard ligt tussen de Oostdijk, het Dijkje tevens gemeentegrens met Ridderkerk, de Groeninx van Zoelenlaan, de Rijksweg 16 en de Arthurweg. De begraafplaats van de Nederlands Hervormde Gemeente IJsselmonde ligt binnen het gebied, de zuidpunt van de wijk Beverwaard ligt buiten het gebied.

In de startfase van het bestemmingsplan zijn in de omgeving van Beverwaard drie bestemmingsplannen in procedure die aansluiten op de grenzen van het plangebied (Aan de noordkant Oud IJsselmonde en Oostpoldersedijk, aan de zuidkant Reijeroord, waarin de zuidpunt van Beverwaard ligt.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

De volgende geldende plannen zijn geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Bij elk plan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland:

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1069Beverwaard-va01_0002.png"

501 Oud-IJsselmonde vastg. 24-06-1993 goedg. 14-12-1993 onherr. 02-10-1995;

555 Brienenoordcorridor vastg. 13-04-2006 goedg. 26-06-2006 onherr. 22-09-2006;

561 Beverwaard vastg. 07-09-2006 goedg. 24-11-2006 onherr. 02-02-2007;

2070 Beneden Rijweg 435 vastg. 28-03-2013 onherr. 15-06-2013.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die
uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene
regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen.

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:
1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:
1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
4) Efficiënt gebruik van de ondergrond;
5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

2.1.2 Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

In de beleidsvisie "Kiezen voor Karakter, Visie Erfgoed en ruimte" van juni 2011 schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel ergoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Daarnaast gaat het Rijk duidelijke prioriteiten stellen en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven voor het Rijk van (inter)nationaal belang zijn en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet. De vijf in de visie geschetste prioriteiten zijn:

  • 1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;
  • 2. Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • 3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;
  • 4. Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;
  • 5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

Vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit, die door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld en geldt als structuurvisie. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld. Het Programma ruimte bevat het ruimtelijk-relevante, operationele beleid. Het Programma heeft, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie.

In de Verordening ruimte 2014 zijn de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Visie ruimte en mobiliteit, verankerd. Het bestemmingsplan Beverwaard biedt geen ruimte voor nieuwe stedelijke of ruimtelijke ontwikkelingen, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Er wordt geen gebruik gemaakt van een ontheffing van de provincie. Er zijn in het bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheden en/of uitwerkingsplichten opgenomen. Het plan voldoet aan de Verordening Ruimte van de provincie.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

2.3.2 Horecanota Rotterdam 2012-2016

Vastgesteld op 3 juli 2012 door College van burgemeester en wethouders

Doel

Centraal in de horecanota 2012-2016 staat het stimuleren van goede initiatieven, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod, het vooraf bieden van duidelijke richtlijnen, het beperkt sturen door vergunningverlening en gebiedsgerichte aanpak en het normeren door toezicht en handhaving.

Visie

Vanuit de markt- en leefbaarheidsanalyse op horeca, de uitkomsten van de evaluatie van de vorige horecanota en de stedelijke ambities is de visie op de horeca als volgt geformuleerd: 'bruisende, aantrekkelijke stad met ruimte voor initiatieven van ondernemers'. Deze visie is nader uitgewerkt in een drietal ambities:

  • kwaliteitshoreca: het creëren van een aantrekkelijk en bruisend horeca-aanbod dat aansluit op de zakelijke markt, de wensen van de bezoekers en de bewoners;
  • dynamisch ondernemerschap: het stimuleren van nieuwe initiatieven;
  • horeca en leefbaarheid in balans: de samenwerking tussen ondernemers en overheid versterken waardoor een veilig uitgaansklimaat gecreëerd wordt zonder overlast voor omwonenden. "High trust, High penalty" is een belangrijks uitgangspunt.


Stedelijke focusgebieden, algemene gebiedskaders en horecagebiedsplannen

Om (naast wat het bestemmingsplan nu toestaat) in de toekomst beter te kunnen sturen op welke horeca zich in een bepaald gebied kan vestigen, in het kader van het stimuleren van kwaliteitshoreca en waarborgen van leefbaarheid, worden gebiedsgerichte vestigingsvoorwaarden opgesteld. Om te kunnen komen tot gedegen vestigingsvoorwaarden in een gebied, die recht doen aan de ambities ten aanzien van de horecafunctie van de stad Rotterdam in zijn geheel, zijn een vijftiental stedelijke focusgebieden beschreven. De omschrijvingen van de focusgebieden geven de visie weer hoe deze gebieden zich afzonderlijk en in verhouding tot elkaar zouden moeten ontwikkelingen om recht te doen aan de bovenlokale horecafunctie die in de stad gewenst is. Naast de visie op bovenlokale horeca en de ontwikkelrichting hiervan, is ook in zijn algemeenheid ten aanzien van de hoofdfunctie van gebieden gekeken wat de gewenste ontwikkelrichting is, waarbij onderscheid is gemaakt in 'woongebieden', 'gemengde woongebieden', 'publieksintensieve recreatiegebieden', 'bedrijventerreinen/industriegebieden/havengebied'. Bij inwerkingtreding van de horecanota gelden deze gebiedskaders als toetsingskader voor de vergunningverlening totdat de horecagebiedsplannen zijn vastgesteld. Deelgemeenten maken integrale vierjaarlijkse gebiedsplannen, waar het gebiedsplan horeca nu deel van uit gaat maken. In deze horecagebiedsplannen wordt per deelgemeente de horeca-ontwikkelrichting per buurt/straat/pand weergegeven.

2.3.3 Nota Detailhandel Rotterdam

Vastgesteld op 14 mei 2013 door het College van Burgemeester en Wethouders

Deze stedelijke detailhandelsnota "Detailhandel Rotterdam, Een stad waar winkelen een plezier is!" sluit aan op het stadsregionale detailhandelsbeleid en "WNKLN N RTTRDM" (gericht op de Binnenstad). De nota biedt een stedelijk kader voor de detailhandel voor de overige winkelgebieden in Rotterdam. De ambities en beleidsuitgangspunten betreffen, onder andere:

  • keuze voor toekomstbestendige winkelgebieden;
  • winkelcentra zijn compleet, compact, comfortabel en levensvatbaar;
  • concentratie en clustering van winkelvoorzieningen;
  • focus op de Binnenstad, waaraan overige en complementair en niet concurrerend voor de Binnenstad;
  • vernieuwing in winkelgebieden faciliteren als deze zorgen voor versterking van de stedelijke structuur en niet ten koste van toekomstigebestendige winkelgebieden;
  • kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit;
  • supermarkten in of nabij winkelgebieden;
  • solitaire vestiging van winkels (en supermarkten) wordt afgewezen;
  • ruimte voor innovaties;
  • er is geen behoefte aan nieuwe perifere winkelconcentraties buiten de bestaande perifere (Alexandrium Woonmall, Bigshops Parkboulevard, Stadionweg/Veranda) en grootschalige detailhandelsconcentraties (Alexandrium Megastores);
  • voor tuincentra en bouwmarkten is vestiging buiten de aangewezen winkelgebieden bespreekbaar;
  • geen vestiging van detailhandel op bedrijventerreinen;
  • winkels in kringloopartikelen kunnen worden toegestaan op een bedrijventerrein of een pdv-locatie;
  • internethandel zonder bezoekersfunctie kan zich overal vestigen waar bedrijven zich mogen vestigen;
  • internethandel met een bezoekersfunctie wordt enkel toegestaan in de winkelgebieden en op knooppuntlocaties.

Gebied IJsselmonde kent in de huidige situatie 7 winkelgebieden. Het belangrijkste winkelcentrum is het grote wijkwinkelcentrum Keizerswaard. Door de omvang van het centrum kan het getypeerd worden als groot wijkwinkelcentrum, maar bezien vanuit het aanbod met drie supermarkten, een compleet aanbod aan dagelijkse en frequent benodigde niet-dagelijkse artikelen en een breed aanbod aanvullende branches, functioneert het als klein stadsdeelcentrum. Naast het winkelaanbod wordt op de donderdagen een warenmarkt gehouden met ca. 41 kramen.

In de wijk Lombardijen ligt het kleine wijkwinkelcentrum Spinozaweg. Met twee complementaire supermarkten en ruim voldoende aanvullend aanbod in zowel de dagelijkse als frequent benodigde
niet-dagelijkse branches neemt dit centrum een goede functie in, in de deelgemeentelijke structuur.

In totaliteit zijn er vier buurtwinkelcentra/steunpunten, verspreid over IJsselmonde. Het Prinsenplein is een buurtwinkelcentrum dat een duidelijke functie heeft voor de buurt. De ruimtelijke kwaliteit van het centrum is in orde en het aanbod is voldoende voor het type centrum.

In Reijeroord vervult het kleine centrum Kouwenoord de rol van buurtsteunpunt. Het bestaat voor het overgrote gedeelte uit de supermarkt. De supermarkt wordt nog aangevuld met enkele speciaalzaken, maar het aanbod is klein. Ditzelfde beeld is te zien bij buurtsteunpunt Pliniusstraat in de wijk Lombardijen. Enkel door de aanwezigheid van de supermarkt heeft het centrum nog een aantrekkende werking voor de buurt.

Een bijzonder winkelgebied in deze deelgemeente is de perifere locatie Stadionweg/Veranda. In dit gebied zijn naast meer klassiek perifeer aanbod ook een bioscoop, horeca, en twee megasportzaken aanwezig.

Het winkelcentrum in Beverwaard heeft jarenlang een functie gehad als wijkwinkelcentrum met twee supermarkten en aanvullend vers en hoog frequent niet-dagelijks aanbod. Door sluimerende teruggang van het detailhandelsaanbod en concurrerend aanbod in de nabijheid, is dit wijkwinkelcentrum veranderd in een buurtcentrumfunctie.

Naast deze winkelgebieden zijn er in IJsselmonde zeer veel strips aanwezig, die vroeger als buurtsteunpunt functioneerde. In de huidige situatie zijn deze vaak al van functie veranderd, of zitten in een proces van verandering. Het gaat hierbij om de straten Zenostraat, Platostraat, Dantestraat, Dumasstraat, Van De Woestijnestraat, Kasteelweg, Emelissedijk, Burgmeester Hazenberglaan, Kerstendijk, Spitsenhagen, Kreekplein en Nieuwenoord.

2.3.4 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.5 Beleidsnota 'Collectie Rotterdam, Monumentenbeleid 2005-2008' en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Vastgesteld op 3 februari 2005 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad.
In de beleidsnota Collectie Rotterdam, Monumentenbeleid 2005-2008 en de Monumentenverordening worden de bakens voor de toekomst van het Rotterdamse erfgoed uitgezet. Rode draad is de opvatting dat cultuurhistorie onlosmakelijk verbonden is met ruimtelijke kwaliteit en identiteit. De monumenten en beschermde stadsgezichten zijn de bewezen kwaliteiten van de stad en vertellen het verhaal van Rotterdam. Het monumentenbeleid van de gemeente Rotterdam is erop gericht de historische gelaagdheid van de stad te behouden voor toekomstige generaties en de kennis over de historische bebouwde omgeving te vergroten.

2.3.6 Rotterdams beleid t.a.v. zendmasten mobiele telecommunicatie

Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad

In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken.

2.4 Beleid gebied IJsselmonde

Algemeen

Het gebiedsgericht beleid geeft de belangen weer van een specifiek gebied. Gebiedscommissies hebben een adviesrol bij het tot stand komen van Rotterdamse gebiedsbestemmingsplannen, zodat zij hun beleidsdoelen ook kunnen realiseren. Gebiedsbestemmingsplannen worden door de Gemeenteraad van Rotterdam vastgesteld.

2.4.1 Gebiedsplan IJsselmonde 2015-2018

Besproken in gebiedscommissie IJsselmonde op 17 juli 2014

In het gebiedsplan geeft de gebiedscommissie een sterkte- en zwakteanalyse met kansen en bedreigingen voor gebied IJsselmonde. Meer algemeen wordt het effect van de teruglopende economie genoemd, te merken aan de leegstand in "winkelplinten", achterstallig beheer en braakliggende (woning)bouwlocaties.

Er wordt ook ingezoomd op Beverwaard. Aangegeven wordt dat er enkele buurten zijn die extra zorg en aandacht vragen. Dit zijn de zogenaamde kantelbuurten die een onderdeel vormen van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ). In Beverwaard gaat dat om de Neercannebuurt.

In deze kantelbuurten ligt de focus nadrukkelijk op het verbeteren van de woonkwaliteit, het opleidingsniveau, arbeidsparticipatie en het versterken van het economisch perspectief, met het doel om te voorkomen dat deze buurten verder afglijden.

Voor het bestemmingsplan is het van belang dat het gebiedsplan aandacht vraagt voor de (her)ontwikkeling en het op peilhouden van de diverse winkelstrips in de wijken van IJsselmonde.

Onderzoek naar structurele verbetering van verkeersstructuur in Beverwaard, waarbij meer hiërarchie tussen hoofdstraten en drempelzones is aangegeven (hiermee aansluiten op plannen Woonbron), waarbij ook aandacht is voor verbetering verkeerscirculatie en parkeermogelijkheden.

2.4.2 Plan van Aanpak Beverwaard

Aansluitend op het bestaande gebiedsplan en het opgestelde wijkprofiel voor Beverwaard is het Plan van Aanpak Beverwaard opgesteld. Dit naar aanleiding van de mogelijke realisatie van een tijdelijk asielzoekerscentrum in de zuidpunt van Beverwaard. De inspanningen die daarin worden omschreven moeten leiden tot een fysiek en maatschappelijk sterk(er) Beverwaard. Het PvA stuurt op het behouden en mogelijk verbeteren van het huidige kwaliteits- en voorzieningenniveau van Beverwaard. Het PvA stelt maatregelen voor op het gebied van Veilig, Schoon en Heel, Fysiek en Sociaal. De voorgestelde aanpak van de leegstand van het winkelcentrum de Oude Watering raakt aan het bestemmingsplan. Voorgesteld wordt om winkelunits te splitsen en tijdelijk tegen een aantrekkelijke huurprijs aan te bieden aan de buren. Het bestemmingsplan vormt hiervoor geen belemmering.

2.4.3 Horecagebiedsplan 2012-2014, voormalige deelgemeente IJsselmonde

Vastgesteld op 20 november 2012

Het stedelijke horecabeleid 2012-2016 is op een aantal onderdelen gewijzigd. De belangrijkste wijziging is dat niet meer vergund wordt op de exploitatievorm (bijvoorbeeld café of restaurant), maar op de activiteiten van een ondernemer. Per gebied, buurt, straat en plein is het nu beter mogelijk gedetailleerd aan te geven welke soort horeca met welke activiteiten het beste past. Door vestigingsvoorwaarden te stellen, is meer sturing mogelijk op welke horeca zich in een bepaald gebied kan vestigen. Het afwegingskader wordt vooral gevormd door de economische wenselijkheid en het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat om de leefbaarheid in positieve zin te waarborgen.

Een tweede relevante wijziging is de mogelijkheid om tijdelijke horecaconcepten toe te staan in leegstaande panden. Daarbij is wel toetsing aan het bestemmingsplan noodzakelijk. Indien er strijdigheid is, heeft het bestuur de mogelijkheid om ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen of om het concept formeel te gedogen. Het uitsluiten van inrichtingen vrij van vergunningplicht is ook in het nieuwe beleid mogelijk.

In het gebiedsgericht horecaplan sluit de (voormalige) deelgemeente aan bij het stedelijk kader en is aangegeven welke ontwikkeling per wijk, buurt en straat wenselijk is. Hierbij zoekt de (voormalige) deelgemeente de balans tussen economische wenselijkheid en het voorkomen van onaanvaardbare druk op het aanwezige woon- en leefklimaat. De volgende onderdelen komen hierbij aan de orde en worden in de horeca gebiedsvisie nader beschreven:

Gewenste ontwikkeling   Er zijn vijf ontwikkelrichtingen mogelijk:
- ontwikkelen;
- gericht ontwikkelen;
- consolideren;
- gericht verminderen;
- verminderen
Nadere omschrijving van het beleid en eventuele vestigingsvoorwaarden.  
Vergunningsvrij   Indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- het verstrekken van alcoholvrije drank;
- openingstijden van 07.00 uur tot 22.00 uur;
- geen versterkt geluid ten gehore brengen;
- geen speelautomaten.  
Terrassen   Mogelijk of niet mogelijk. Gevel- en/of overterras. Mogelijkheid om
parkeerplaatsen op te heffen teneinde terrassen te realiseren.  
Kortlopende exploitatievergunning   Wel of niet mogelijk. Bedoeld voor leegstaande panden en heeft een geldigheidsduur van 6 maanden. Er zijn enkele voorwaarden aan verbonden.  
Afwegingskader   Kwaliteitsnormen voor nieuwe nog niet bestaande inrichtingen waarvoor een bestemmingswijziging noodzakelijk is.  

Horecagebiedsbeschrijving

De woonwijk kent van oudsher een beperkte horecadichtheid (10). Vijf horecavoorzieningen zijn gevestigd in of direct bij het winkelcentrum Oude Watering, het betreft een café, een cafetaria en drie restaurants. Verder gaat het, verspreid over de wijk, om twee WMO-gerelateerde en twee sportgerelateerde horecavoorzieningen.

Gelet op de kwetsbaarheid van de wijk, in casu overlast door overlastgevende bezoekers, is een verdere uitbreiding van het aantal horecainrichtingen niet aan de orde. Het winkelcentrum vormt van oudsher een hangplek voor een aantal bewoners uit de wijk en dit hangen wordt door veel bezoekers en ondernemers van het winkelcentrum als ongewenst beschouwd en draagt niet bij aan de veiligheidsbeleving.

Gewenste ontwikkelrichting: consolideren;
toezichtsniveau: basisniveau;
horeca vrij van vergunningplicht: toegestaan.

Kantelwijk: Goedenraadbuurt (Oude Watering en wijkpark vallen buiten dit gebied)

Op grond van de buurtsignaleringscores is de Goedenraadbuurt aangewezen als aandachtsgebied. Binnen dit gebied zijn momenteel geen horecagelegeheden gevestigd, en dat is ook niet gewenst.

Horeca vrij van vergunningplicht in Goedenraadbuurt: niet toegestaan.

Overzicht uit de genoemde adressen in het horecagebiedsplan 2012-2014:

Oude Watering 75 restaurant + afhaal (GD-1) (inmiddels beëindigd ?)

Oude Watering 274 cafetaria (GD-3)

Oude Watering 277 restaurant (GD-3)

Oude Watering 282 restaurant (GD-3)

Oude Watering 290 café-restaurant (GD-3)

Beesdestraat 74 cafetaria (GD-2)

Valkenburgsingel 81 ontmoetingscentrum-wmo (M-2)

Vosbergenpad 30 sport (Sp)

Schinnenbaan 130 ontmoetingscentrum-wmo (W-Bw)

Benedenrijweg 17 café en afhaal (GD-2) (inmiddels beëindigd ?)

2.4.4 Horecagebiedsplan IJsselmonde 2015-2016

Vastgesteld door gebiedscommissie 10 februari 2015, door B&W vastgesteld 7 april 2015

IJsselmonde heeft een divers horeca-aanbod, met hoofdzakelijk een wijkgerichte functie. In het gebied zijn enkele concentraties van horeca te herkennen, namelijk in het Centrum, bedrijventerrein Veranda en het Spinozapark. Maar ook in winkelstrips en winkelcentra. In het Horecagebiedsplan IJsselmonde 2015-2016 wordt de lijn uit het vorige horecagebiedsplan grotendeels gecontinueerd. Het grootste deel van IJsselmonde is woongebied, waar slechts een beperkt aantal horecazaken gevestigd is.

Aan de Oude Watering is het centrale winkelcentrum van de Beverwaard gelegen. De huidige gevestigde horeca wordt als toereikend gezien. Hiervoor geldt dan ook de ontwikkelrichting consolideren met uitzondering van het pand aan de Oude Watering 274.

Gewenste ontwikkelrichting: nieuwe inrichtingen:consolideren; bestaande inrichting: consolideren, met uitzondering van Oude Watering 274. Hier geldt gericht ontwikkelen met activiteit 12 (terras).

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Huidig gebruik

Het plangebied van het bestemmingsplan Beverwaard valt uiteen in meerdere min of meer samenhangende gebiedsdelen.

3.1.1 Deelgebied I: Noordrand

De Noordrand bestaat van oudsher uit gemengde lintbebouwing langs de Benedenrijweg. Naast wonen komt er bedrijvigheid voor. Sinds de aanleg van de Beverwaardseweg ter ontsluiting van de nieuw aangelegde woonwijk zijn de tussenliggende kavels langzamerhand steeds meer bebouwd. De noordrand bestaat nu afwisselend uit woonbebouwing, bedrijven en groen.

De Oostdijk heeft een belangrijke waterkerende functie. Het tracé van de Oostdijk valt niet in het plangebied. Het (binnendijkse) zuidelijke talud valt wel binnen het plangebied. Ook is in de noordwestzijde van het plangebied een waterkering aanwezig.

3.1.2 Deelgebied II: De woonbuurten van de Beverwaard

De woonbuurten vormen het grootste deel van de wijk Beverwaard. De wijk bestaat uit noord-zuid gerichte singels waartussen de woningen in bouwblokken zijn georganiseerd. Op de binnenterreinen van de bouwblokken zijn achtertuinen aanwezig. De bouwblokken hebben een verschillende grootte. De grotere bouwblokken hebben op de binnenterreinen naast de achtertuinen ook ruimte voor groen en/of een parkeerplaats. De verkaveling van Beverwaard is noord-zuid gericht. Deze richting is ontleend aan de oude ligging van de poldersloten. Sommige van de sloten zijn als singels in de wijk terug te vinden. De singels zijn in tegenstelling tot de compacte woonerven grote aaneengesloten openbare ruimten die de gehele wijk doorsnijden. Ze zijn daarom een belangrijk gegeven in de oriëntatie van de wijk. Vanaf deze singels kan zicht worden geboden op de kranen langs de Nieuwe Maas of op delen van de geluidswal langs de A16.

3.1.3 Deelgebied III: Centrumgebied Oude Watering

In het midden van de wijk is de Oude Watering behouden. Langs deze oude waterloop zijn de meeste centrumfuncties ondergebracht. De waterloop is daarin als gracht vormgegeven. Het winkelcentrum bestaat uit verschillende soorten detailhandel, waaronder supermarkt Hoogvliet, maar er staan ook meerdere ruimtes te huur. Boven de winkels liggen de woningen. In het centrum liggen enkele bijzondere voorzieningen zoals een bibliotheek en een wijkgebouw. Ook zijn er enkele horecagelegenheden aanwezig.

3.1.4 Deelgebied IV: Parken en groengebieden

In het westelijke gedeelte van het plangebied ligt de groenzone tussen de Rijksweg 16 en de woonwijk Beverwaard. Het vormt het grootste groen- en recreatiegebied van de wijk Beverwaard. Ook ligt in het hart van de wijk, nabij het winkelcentrum aan de Oude Watering een wijkpark. Verder ligt in de noordoosthoek het Middachtenplantsoen. Dit park wordt vooral gebruikt voor sportief recreatieve activiteiten.

3.1.5 Antennemasten en bakens infrastructuur

In het bestemmingsplangebied zijn verschillende antennemasten aanwezig. Drie grote GSM-masten zijn op de verbeelding aangegeven met een functieaanduiding binnen de bestemming.

Aan de Arthurweg, net buiten het plangebied, is een baken gelegen als onderdeel van de navigatie infrastructuur van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Dit baken (een NDB, Non-Directional Beacon) is een navigatiehulpmiddel en geeft een vliegtuig koersinformatie.
Het baken heeft een 200 meter vrije straal, gemeten vanaf de antenne op maaiveldhoogte (in dit geval -0,80 m NAP). Binnen de straal van 200 meter geldt een toetsingshoogte van 0 meter; elk op te richten object binnen dit gebied kan verstoring veroorzaken. Het is dan ook wenselijk dat LVNL elk beoogd (bouw)plan binnen dit gebied toetst of dit inderdaad het geval zal zijn. Vanaf het 0 meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervorming omhoog met een hoek van 5 graden tot een straal van 1 km, gemeten vanaf de basis van de antenne. Op 1 km afstand geldt een hoogte van 86,69 meter ten opzichte van NAP. Zie ook Bijlage 3 bij deze toelichting.
In het bestemmingsplangebied Beverwaard is er buiten de 200 meter vrije straal op één plaats sprake van doorsnijding van het toetsingsvlak en wel ter plaatse van de huidige antennemast nabij de Beverwaardseweg. Binnen het toetsingsvlak zijn geen ontwikkelingen voorzien die het toetsingsvlak doorsnijden.

3.1.6 Bedrijven

De bedrijven bevinden zich bijna uitsluitend in de Noordrand ten noorden van de Beverwaardseweg. In het zuiden van de Beverwaard aan de Cannenburchstraat bevindt zich een garagebedrijf. Ook ten noorden van de Noordrand buiten het plangebied langs de Nieuwe Maas bevindt zich ‘riviergebonden bedrijvigheid’ in het gezoneerd industriegebied "IJsselmonde Noordrand".

In de woonbuurten van de Beverwaard, ten zuiden van de Beverwaardseweg zijn geen bedrijven aanwezig, met uitzondering van het garagebedrijf aan de Cannenburchstraat en het brandstofverkooppunt aan de Groeninx van Zoelenlaan. In en om de Noordrand vinden veel bedrijfsmatige activiteiten plaats. In het buitendijkse deel direct ten noorden van het noordrandgebied is vooral ‘riviergebonden bedrijvigheid’ aanwezig. Hier bevinden zich onder andere twee grote scheepswerven (Verolme en Bolnes). Het noordrandgebied zelf wordt gekenmerkt door een menging van woningen en bedrijfsgebouwen waarin overwegend niet-riviergebonden bedrijvigheid zit. Dit zijn vooral werkplaatsen, opslag, kleine kantoren, winkels en showrooms. Een belangrijk deel van de opslag en werkplaatsen wordt gevormd door de autobranche. In de Noordrand komen alleen categorie 2 en 3 bedrijven voor. Net buiten de Noordrand komt een categorie 4 en 5 bedrijf voor. Deze laatste bedrijven vallen buiten de grens van het plangebied. Ze hebben echter wel invloed op het leefklimaat in het plangebied.

3.1.7 Horecavoorzieningen

Horecavoorzieningen zijn geconcentreerd rond het winkelcentrum aan de Oude Watering. Het betreft overwegend buurtondersteunende horeca. Behalve rond het winkelcentrum aan de Oude Watering zijn er verspreid over de wijk nog een café en twee afhaalcentra aanwezig.

3.1.8 Openbaar vervoer structuur

De Beverwaard wordt ontsloten door de tram, die de wijk doorsnijdt. Het tramtracé loopt via de Groeninx van Zoelenlaan, Cannenburchstraat, Rhijnauwensingel, Schinnenbaan, Beverwaardseweg naar het eindpunt met een keerlus aan de Limbrichthoek. Deze tram is opgewaardeerd tot ‘Tram-Plus’. Het gebied wordt aan de noord- en zuidzijde bediend door een aantal buslijnen.

Het langzaam verkeer kan zich ongehinderd van noord naar zuid en van oost naar west door de wijk verplaatsen. Er is een fijnmazig netwerk van fietspaden. Alleen is de routing niet overal even goed herkenbaar, vooral van oost naar west.

3.1.9 Wegverkeer

De Beverwaard heeft twee hoofdingangen. De wijk is met de auto vanuit het noorden en het zuiden te bereiken. In het noorden wordt de toegang gevormd door de Beverwaardseweg. De entree aan de zuidkant wordt gevormd door de Cannenburchstraat. In het midden van de wijk ligt inmiddels van noord naar zuid de Schinnenbaan - Rhijnauwensingel als verbinding voor auto- maar ook tramverkeer.

Voor het overig deel bestaat de wegenstructuur uit overwegend kleinere woonstraten en erven. Op de woonerven is geen onderscheid gemaakt tussen fietsers, voetgangers en autoverkeer. Langs de singels is alleen langzaam verkeer toegestaan. De noordrand wordt ontsloten door de Beverwaardseweg en de Benedenrijweg. Deze wegen zijn verkeersgebieden (ontsluitingsfunctie) en worden op het (hoofd-)verzamelnet ontsloten. De Beverwaardseweg is een weg in twee richtingen en heeft zowel voor de Beverwaard als voor het gebied naar en van de Benedenrijweg een ontsluitingsfunctie. Het parkeren geschiedt langs de rijbaan. Op de Benedenrijweg geldt, met uitzondering van een klein gedeelte, een eenrichtingsregime. De zijstraten worden ook door middel van eenrichtingsverkeerssystemen aangesloten op zowel de Beverwaardseweg als de Benedenrijweg.

3.1.10 Woningtypen

In de Beverwaard komen verschillende woningtypen voor. Vrijstaande woningen komen vooral voor in de Noordrand. Deze liggen verspreid over de Noordrand. De eengezinswoning met tuin is de meest voorkomende vorm van wonen in het bestemmingsplangebied. Gestapelde woningen in appartementengebouwen komen uitsluitend ten zuiden van de Beverwaardseweg voor. Deze liggen verspreid over de wijk. De maximum bouwhoogte van de appartementgebouwen is vier lagen. In de Beverwaard komen ook appartementgebouwen in drie lagen voor. De meeste woningen worden door middel van een portiek ontsloten.

Woonwagencentrum

In het zuidoosten van het plangebied ligt het woonwagencentrum ‘De Kievit’. Hier staan maximaal 37 woonwagens. Behalve de woonwagens zijn ook toiletgebouwen en bergingen aanwezig.

Bijzonder Woongebouw

Dit zijn woningen in een gemeenschappelijk wooncomplex met gemeenschappelijke voorzieningen. In de Beverwaard zijn twee dergelijke wooncomplexen aanwezig die onder deze bestemming vallen. Het betreft hier bejaardentehuizen en/of verzorgingstehuizen met gemeenschappelijke voorzieningen. De maximum bouwhoogte is weergegeven op de verbeelding.

3.2 Archeologie

3.2.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.2.2 Bewoningsgeschiedenis

Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van de polder Oost-IJsselmonde die in 1437 is bedijkt. Vóór die tijd werd dit gebied echter al bewoond, zo blijkt uit verscheidene archeologische vondsten en opgravingen. In 1981 is een klein deel van het in de zuidzijde van het bestemmingsplan gelegen rivierduingebied onderzocht. Op dit door latere sedimenten overdekte rivierduin werden sporen gevonden uit het Mesolithicum (8000-5300 voor Christus) en het Neolithicum (5300-2000 voor Christus). Dit vormde destijds aanleiding om een deel van het rivierduin als 'terrein van zeer hoge archeologische waarde' op te nemen op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provincie Zuid-Holland (CHS; monumentnr. 16137).

In 2008 werd net ten zuiden van het plangebied, op de locatie Beverwaard Tramremise, de top van het rivierduin op een aantal plaatsen door middel van een opgraving onderzocht. Uit het onderzoek bleek, dat het duin in ieder geval op drie momenten in het verleden gebruikt is geweest. De oudste sporen, waaronder kuilen met verbrand menselijk bot, dateren uit het Midden-Mesolithicum, zo'n 7600-7100 voor Chr. In het Neolithicum is de donk benut in twee afzonderlijke fasen, de eerste circa 4200-3900/3800 voor Chr. en de tweede circa 3500-3400 voor Chr. Hierna raakte de top van het duin overgroeid met veen waardoor de locatie definitief verloren ging voor menselijk gebruik in de Prehistorie. De top van het rivierduin van Beverwaard Tramremise bevond zich op circa 1,90 m -NAP.

Van de vindplaats werden alleen de met vernietiging bedreigde delen onderzocht. De rest van de vindplaats is behoudenswaardig en hiervoor geldt behoud in situ. Ook de rest van het rivierduin behoudt de archeologische verwachting.

Sporen uit de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) zijn onderzocht in 1984 juist ten westen van de Valkenburgsingel. Behalve vondstmateriaal (aardewerk en bot) werden slootjes gevonden, die vanaf een kleilaag, die op het veen langs de oever van de Maas is afgezet, zijn ingegraven.

In de 10e-12e eeuw is het gebied ontgonnen. Een vindplaats van enkele scherven uit deze ontginningsfase duidt op bewoning van het veen ter plaatse. Het gebied is vóór 1300 bedijkt en maakte toen onderdeel uit van de Riederwaard. De huidige rivierdijk (de Oostdijk) dateert al uit die tijd. Op enkele plaatsen langs de dijk (Benedenrijweg) zijn bewoningssporen en vondsten bekend uit de periode 1200-1373. Bij de Valkenburgsingel zijn in 1984 en 2006 gedeelten van een met grachten omringde woonplaats met steenbouw uit de 14e eeuw aangetroffen. De sporen wijzen op de aanwezigheid van een woning met een zekere status. Het bouwwerk is in 1373 ten ondergegaan tijdens de overstroming van de Riederwaard. Bij de herbedijking van het gebied na 1373 is gebruik gemaakt van de dijk van vóór 1300.

3.2.3 Archeologische potentie

Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat in het bestemmingsplangebied bewoningssporen uit de Prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd te verwachten zijn.

Aanbevelingen

3.2.4 Aanbevelingen

Waarde - Archeologie 1

Het deel van het rivierduingebied waar sporen in de ondergrond zijn aangetoond (Waarde - Archeologie 1), is opgenomen in de lijst van ABP-terreinen van de gemeente Rotterdam (object 41) en geniet derhalve bescherming op grond van de gemeentelijke archeologieverordening. Tevens is het op de provinciale CHS opgenomen als terrein van zeer hoge archeologische waarde. Voor het gebied geldt in principe behoud in situ. Als behoud in situ niet mogelijk is, geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,5 meter beneden NAP, ongeacht de oppervlakte van de ingreep.

Waarde - Archeologie 2

Voor de rest van het rivierduingebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,5 meter beneden NAP die tevens een oppervlakte groter dan 100 m2 beslaan.

Waarde - Archeologie 3

Voor de locatie met Romeinse en 13e-eeuwse bewoningssporen bij de Valkenburgsingel (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte van de ingreep.

Waarde - Archeologie 4

Voor het tracé van de Oostdijk en een zone ten zuiden ervan (Waarde - Archeologie 4), geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden maaiveld die tevens een oppervlakte groter dan 100 m2 beslaan.

Waarde - Archeologie 5

Voor de rest van het plangebied (Waarde - Archeologie 5) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden maaiveld die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. Hiervan zijn nadrukkelijk uitgezonderd de bestaande weg- en leidingcunetten, zoals bv. de zandcunetten en geluidswallen die gerelateerd zijn aan de Rijksweg A16.

3.3 Stadsgezichten, monumenten en beeldbepalende objecten

3.3.1 Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium. In het bestemmingsplan zijn geen nadere planologische regelingen opgenomen - behoudens (indien aan de orde) de planologische bescherming die overeenkomstig de Monumentenwet (1988) die dient te rusten op een beschermd dorps- of stadsgezicht. Gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen:

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die ouder zijn dan vijftig jaar (Monumentenwet). Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen (Wet RO).

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen juridische of formele status.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Monumentenwet 1988 en de monumentenverordening Rotterdam 2003. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel van monumentale waarde zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Ook kent Rotterdam monumentale gevelwanden. Deze komen zelden in aanmerking voor een monumentstatus, maar zij bepalen voor een belangrijk deel wel het karakter van de stad. Deze wanden versterken de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding wordt dan ook gestimuleerd.

3.3.2 Plangebied

Binnen het bestemmingsplangebied is geen beschermd stadsgezicht gelegen.

Binnen het bestemmingsplangebied liggen de volgende rijks- of gemeentelijke monumenten:

  • RM "Op hoop van zegen" (1924) Agrarisch gebouw Benedenrijweg 455;
  • RM Benedenrijweg 435 (1750) Agrarisch gebouw Benedenrijweg 435;
  • GM Benedenrijweg 297 (1868) Agrarisch gebouw Benedenrijweg 297.

Verder is voor het plangebied cultuurhistorisch onderzoek *) gedaan naar de beeldbepalende en beeldondersteunende objecten langs vier historische linten in Oud IJsselmonde. Daarin zijn 59 panden onderzocht, 39 panden vallen onder de categorie beeldbepalende objecte en 20 panden vallen onder de categorie beeldondersteunende object.

*) Inventariserend en waarderend objectenonderzoek langs historische kernen en linten in Oud IJsselmonde", in opdracht van gemeente Rotterdam (Denise Güth, maart tot mei 2013)

De meeste beeldbepalende objecten liggen in de oude dorpskern van de Oud IJsselmonde. Hier is de uitzonderlijke structuur van Beneden- en Bovenstraat nog goed zichtbaar en het daarmee cultuurhistorisch belang dat deze twee straten hadden voor Oud IJsselmonde. In het onderzoek wordt vooral uitgegaan van het vooraanzicht van een pand omdat de voorgevels prominenter uitgewerkt zijn.

Het onderzoek naar de cultuurhistorie van de panden is vooral gebaseerd op de pandkaarten van Rotterdam, en de dubbelband IJsselmonde: een dorp aan de Maas van Van Rikxoort. Ook is waardevolle informatie geleverd vanuit het Streekarchief IJsselmonde door Gijs den Hartog en door de Rotterdam deskundige Cees Zevenbergen. Daarnaast zijn de boeken Buurten in Rotterdam: speurtocht door een wereldstad van Stoeters, IJsselmonde: Toen & Nu van Van Koten en Van der Toorn.

Het onderzoek naar de architectuurhistorie en de situering werd uitgevoerd volgens eigen beleving en onderzoek naar foto’s en ander beeldmateriaal. Het beeldmateriaal is ontleend aan het Streekarchief, het Stadsarchief Rotterdam en de hierboven genoemde literatuur. Het onderzoek toont aan dat met uitzondering van grote ingrepen in de infrastructuur het gebied nog grotendeels in zijn oorspronkelijke vorm verkeert en dat daarmee een groot aantal beeldbepalende objecten naar voren zijn gekomen.

De bovengenoemde inventarisatie is hoofdzakelijk van belang voor het bestemmingsplangebied Oud IJsselmonde. Voor het bestemmingsplangebied Beverwaard is in de inventarisatie een drietal objecten benoemd als Beeldbepalend object. Het betreft de volgende adressen met de status Beeldbepalend object:

  • Benedenrijweg 29;
  • Benedenrijweg 253-255;
  • Benedenrijweg 321.

Deze objecten hebben, in tegenstelling tot de monumenten, geen juridische status op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening Rotterdam 2010. De aangewezen beeldbepalende objecten krijgen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Deze bescherming werpt een extra drempel op, waardoor een vergunning voor het slopen alleen gegeven wordt als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, technische, dan wel economische overwegingen. En dan nog alleen als nieuwbouw onder voorwaarden aannemelijk is en na advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

Het nieuwe bestemmingsplan Beverwaard legt de planologische situatie van de vorige bestemmingsplannen vast, plus de naderhand gevoerde procedures om van die plannen af te wijken. Het plan biedt, net als vorige bestemmingsplannen, vooral voor de reeds bestaande gemengde bebouwing en bedrijfsbestemmingen diverse gebruiksmogelijkheden en daarmee ruimte voor veranderingen en ontwikkelingen.

Het plan hanteert gedetailleerde bestemmingen, waarbij vaak de toegestane bouwhoogte het onderscheid bepaalt. Verder wordt bij meerdere bestemmingen aangegeven of gebouwen binnen de hele bestemming of alleen binnen een bouwvlak zijn toegestaan. Daarnaast kan er ook sprake zijn van een maximaal bebouwingspercentage voor gebouwen.

4.2 Ontwikkelingen en veranderingen in gebruik

De volgende veranderingen worden met het actueel maken van het bestemmingsplan gefaciliteerd: Het gaat om het flexibel bestemmen van de woningtypologie in het hele plangebied, een versoepeling van de gebruiksregels voor aangebouwde garages, het concentreren van de detailhandel, horeca/terras aan de Oude Watering en nog steeds schaalverkleining voor woonwagencentrum de Kievit.

4.2.1 Woningtypologie meer flexibel bestemmen

Het vorige plan maakt onderscheid in gestapelde woningen en laagbouwwoningen. Dit onderscheid biedt niet de gewenste flexibiliteit om bijvoorbeeld binnen het bestaande bouwvolume eengezinswoningen te maken door samenvoeging van appartementen of door nieuwbouw. Het bestemmen als "wonen" zonder typologie van woonbebouwing kan die flexibiliteit wel bieden. Derhalve is gekozen voor deze wijze van bestemmen.

4.2.2 Aangebouwde garages voor woondoeleinden

In de noordrand van het plangebied zijn veel woningen aanwezig met een carport, aangebouwde garage of aangebouwde berging voor huishoudelijke doeleinden. In een aantal gevallen is de stallingsruimte voor motorvoertuigen hard nodig in verband met de parkeerdruk op buurtniveau. In de noordrand van de Beverwaard is de parkeerdruk 's nachts en overdag op buurtniveau nog relatief laag, waardoor mogelijkheden ontstaan om de aanbouw ook voor woondoeleinden te gebruiken. De woonkwaliteit kan hiermee toenemen.

4.2.3 Woningbouwlocaties Benedenrijweg

De ontwikkellocaties uit de voorgaande bestemmingsplannen zijn inmiddels gerealiseerd, op twee locaties na (voor samen maximaal 5 woningen). Het gaat om de locatie aan de Benedenrijweg 423-427 en Benedenrijweg 309-311. De nieuwbouw van deze woningen was reeds in de vorige bestemmingsplannen mogelijk gemaakt. De mogelijkheid blijft in het bestemmingsplan behouden. Op de eerstgenoemde locatie is reeds met de bouw begonnen. De tweede bouwlocatie is nog in gebruik als tuin.

4.2.4 Concentratie van detailhandel

Het winkelcentrum in Beverwaard heeft jarenlang een functie gehad als wijkwinkelcentrum met twee supermarkten en aanvullend vers en hoog frequent niet-dagelijks aanbod. Door sluimerende teruggang van het detailhandelsaanbod en concurrerend aanbod in de nabijheid, is dit wijkwinkelcentrum veranderd in een buurtcentrumfunctie. Die functie dient behouden te blijven en dat vraagt een inzet op de basiskwaliteiten van het gebied. Voor het bestemmingsplan is het belangrijk dat leegstand voorkomen wordt en dat de detailhandel geconcentreerd blijft rond de Oude Watering.

4.2.5 Horeca/terras Oude Watering

Aan de Oude Watering is het centrale winkelscentrum van de Beverwaard. De huidige gevestigde horeca wordt als toereikend gezien. Hiervoor geldt dan ook volgens het horecagebiedsplan de ontwikkelrichting consolideren, met uitzondering van het pand aan de Oude Watering 274. Voor dat adres gledt als gewenste ontwikkelrichting ontwikkelen met activiteit 12 (terras).

Terrassen zijn in dit bestemmingsplan onder voorwaarden toegestaan binnen de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied op locaties die grenzen aan locaties waar horeca is toegestaan.

4.2.6 Schaalverkleining woonwagencentrum

Het vorige bestemmingsplan hield al rekening met het “Convenant Vrijplaatsen”. Dit Convenant ziet toe op het normaliseren van de situatie bij vrijplaatsen (woonwagencentra). In het vorige bestemmingsplan is ruimte opgenomen om fysieke maatregelen te treffen voor een verandering van de ontsluiting van het woonwagencentrum.

Het bestaande woonwagencentrum ‘De Kievit’ in het zuidoosten van het plangebied wordt bestemd als ‘woonwagencentrum. Dit is conform de huidige situatie en het vorige bestemmingsplan 'Beverwaard’. Er worden ten hoogste 37 woonwagens toegestaan, conform de huidige situatie. Het beleid is nog steeds gericht op verdere schaalverkleining. Verhuurder Woonbron zal standplaatsen bij leegkomst niet opnieuw verhuren.

4.3 Juridische planbeschrijving

4.3.1 Bedrijfsbestemmingen

Bedrijven zijn onderverdeeld naar milieucategorie en de toegestane activiteiten zijn aangegeven op de lijst behorend bij de regels van het bestemmingsplan. Bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan in de bestemming "Bedrijf - 3", terwijl in de bestemming "Bedrijf - 2" slechts bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan.

Ook op de begane grond van gemengde bebouwing zijn bedrijven toegestaan. Het gaat hier om bedrijven tot en met milieucategorie 2 in de bestemmingen "Gemengd - 1", "Gemengd - 2" en "Gemengd - 3". Het huidige gebruik past hierbinnen.

Het verkooppunt van motorbrandstoffen aan de Groeninx van Zoelenlaan is bestemd als "Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg". Het bedrijft heeft een opslagtank voor lpg net buiten het bestemmigsplangebied. De veiligheidszone van de lpg-tank ligt slechts voor een deel in het bestemmingsplangebied Beverwaard.

N.B. Het adres Beverwaardseweg 361 is als "Kantoor" bestemd. Dit kantoor was ook al in het vorige bestemmingsplan toegestaan. Kleinere kantoren of praktijkruimten passen doorgaans binnen de bestemming Wonen, omdat onder voorwaarden een bedrijf aan huis is toegestaan. De kleinere kantoren of praktijkruimten komen dan ook op meerdere locaties voor in Beverwaard, maar hebben geen aparte aanduiding nodig.

4.3.2 Belwinkels

De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig deelgemeente in toenemende mate als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd.

In het vorige bestemmingsplan is de realisatie van belwinkels aan banden gelegd. Het beleid is gericht op het beperken van het aantal belwinkels in Rotterdam tot het destijds aanwezige aantal.

In het plangebied Beverwaard komen dergelijke belwinkels niet meer voor. Belwinkels zijn doorgaans toelaatbaar in bestemmingen die de functie 'dienstverlening' mogelijk maken. In dit bestemmingsplan is aangegeven dat met dienstverlening geen belwinkels worden bedoeld.

4.3.3 Cultuurhistorie
4.3.3.1 Beeldbepalend object

Er is in artikel Waarde - Cultuurhistorie van de regels bepaald, dat voor de gebouwen met de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie geen andere kapvorm is toegestaan dan de kapvorm welke het pand had op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

Overigens is geen omgevingvergunning vereist indien het gaat om werkzaamheden die normaal onderhoud en beheer betreffen, werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan of voor werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

Naast het eisen van een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden, kent dit bestemmingsplan ook nog een bijzondere vergunningvereiste voor het slopen van bouwwerken binnen de bestemming Waarde - Cultuurhistorie. Voor vergunningverkrijging zal sprake moeten zijn van zwaarwegende maatschappelijke, technische, dan wel van economische overwegingen, en bovendien nieuwbouw mogelijk moeten zijn. De aanvrager zal aannemelijk moeten maken dat op de plaats van het (gedeeltelijk) te slopen bouwwerk nieuwbouw zal plaatsvinden met inachtneming van de vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijnde waarden, die onder andere worden gevormd door de situering, schaal en vorm van de bebouwing.

Artikel Waarde - Cultuurhistorie geeft een opsomming van gevallen waarin het sloopverbod niet geldt.

Met deze instrumenten kunnen de beeldbepalende objecten een optimale bescherming krijgen die zij vanuit cultuur-historisch oogpunt verdienen.

De Koepelnota Welstand Rotterdam onderscheidt Historische linten en kernen, zoals de Benedenrijweg, als een apart gebiedstype waarvoor aparte welstandscriteria zijn geformuleerd. Het Welstandscollege zal voor beeldbepalende objecten extra zorgvuldig toetsen, ook op het punt van materiaalgebruik. Materiaalgebruik betreft een zaak van welstand, alsmede een uitvoeringsaspect dat buiten het bestek van een bestemmingsplan valt.

4.3.3.2 Commissie voor Welstand en Monumenten

In alle gevallen waarin door B&W over vergunningverlening moet worden beslist in het kader van de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie wordt vooraf advies ingewonnen bij de Commissie voor Welstand en Monumenten.

4.3.4 Detailhandel en dienstverlening

In het plangebied komt detailhandel beperkt voor. De aanwezige detailhandel is voornamelijk gelegen in winkelcentrum aan de Oude Watering, binnen de bestemming "Gemengd - 3". Het winkelcentrum heeft jarenlang een functie gehad als wijkwinkelcentrum met twee supermarkten en aanvullend vers en hoog frequent niet-dagelijks aanbod. Door sluimerende teruggang van het detailhandelsaanbod en concurrerend aanbod in de nabijheid, is dit wijkwinkelcentrum veranderd in een buurtcentrumfunctie.

In verband met de gewenste flexibiliteit en de veranderende vraag zijn de voormalige winkelplinten aan de Oude Watering, net als in het vorige plan, niet uitsluitend bestemd voor detailhandel, maar tevens voor bedrijfjes, maatschappelijke voorzieningen, praktijkruimten, dienstverlening zoals kapsalons en reisbureaus en ook horeca.

Binnen de bestemmingen "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" is in beginsel geen detailhandel aanwezig en toegestaan. Wel is plaatselijk een cafetaria toegestaan en tevens is het mogelijk dat bedrijven ter plaatse gemaakte goederen verkopen aan de eindconsument, voor zover dit niet om assemblagebedrijven gaat. Deze vorm van detailhandel past binnen de gemeentelijke detailhandelsvisie, alsook binnen de uitzonderingen van het provinciaal beleid.

4.3.5 Gemengde bebouwing

Hieronder vallen ook andere functies dan wonen. Op de begane grond zijn meestal functies als detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Op de verdiepingen zijn over het algemeen alleen woningen toegestaan. De maximum bouwhoogte is weergegeven op de verbeelding. De gemengde bebouwing is verdeeld in drie bestemmingen. Dit heeft te maken met de functies die zijn toegestaan naast het wonen.

In “Gemengd - 1” zijn bedrijven, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen op de begane grond toegestaan, waaronder ook kinderdagverblijven. In de huidige situatie is ter plaatse geen horeca aanwezig en toegestaan. Verder zijn zowel op de begane grond als op de verdiepingen woningen toegestaan. "Gemengd - 1" komt op drie kleine locaties voor aan de Oude Watering.

In “Gemengd - 2” zijn dezelfde bestemmingen toegestaan als in "Gemengd - 1", met uitzondering van geluidsgevoelige maatschappelijke voorzienigen, zoals een kinderdagverblijf. "Gemengd - 2" komt voor op een aantal locaties in de noordoosthoek van het plangebied, aan het Slangenburgplein en op een locatie aan de Beesdestraat. De begane grond van deze panden is veelal in gebruik als bedrijf, horeca of maatschappelijke voorziening, maar een gebruik als woonruimte is net als in het vorige bestemmingsplan eveneens toegestaan. Horeca is in "Gemengd - 2" aanwezig: een kroeg met in de achterbouw een afhaalbedrijfje, wordt ter overname aangeboden. De tweede locatie betreft de locatie aan de Beesdestraat met een snackbar (Wong). Op de verbeelding is met een functieaanduiding aangegeven dat horeca is toegestaan.

De begane grond van de bestemming “Gemengd - 3” wordt nu gebruikt voor detailhandel, de verdiepingen overwegend voor woonfuncties. Ook in het vorige bestemmingsplan was het reeds toegestaan om de begane grond tevens voor andere doeleinden te gebruiken, zoals horeca, maatschappelijke dienstverlening of bedrijfsactiviteiten tot een bepaalde milieucategorie.

"Gemengd - 3" wordt gebruikt voor het buurtwinkelcentrum aan de Oude Watering.

4.3.6 Groen, sport en sportieve verblijfsgebieden

Structurele groengebieden zijn bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, ontsluitingspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk mocht dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

Het terrein van het USV-complex aan Vosbergenpad 30, met onder meer verenigingen voor biljartsport, handboogsport, hondensport, jeu de boules is bestemd als "Sport". Net als in het vorige bestemmingsplan zijn hier sportieve activiteiten toegestaan die weinig fysieke inspanning behoeven. De extra bepaling is ingegeven door de mindere luchtkwaliteit als gevolg van de nabijheid van de afrit van de Rijksweg A16. De afrit ligt op ruim 100 meter vanaf het gebouw.

Binnen bestemmingen zoals "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" kunnen ook kleinschalige speelvoorzieningen zoals voetbalkooien, kunstgrasveldjes, skatevoorzieningen en dergelijke gerealiseerd worden. De grotere en meer intensief te gebruiken voorzieningen zijn toegestaan binnen de met een functieaanduiding "sportveld" (spv) aangegeven locaties.

4.3.7 Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan.

Horeca definitie en afbakening

Het bedrijfschap Horeca en Catering deelt horeca in vier bedrijfsgroepen in, te weten de drankensector, fastfoodsector, restaurantsector en hotelsector. Voor de definitie van een horecabedrijf zoals in de horecanota bedoeld wordt, is aangesloten bij het begrip 'openbare horeca-inrichting' uit de Rotterdamse APV. Binnen een openbare horeca-inrichting kan een ondernemer verschillende activiteiten ontplooien op het gebied van etenswarenverstrekking, het schenken van (alcoholhoudende) drank en het aanbieden van amusement. Beleidsonderwerpen die wel voor de horecabranche gelden of sterke raakvlakken hebben maar niet binnen de horecanota expliciet beschreven worden, zijn de hotelsector, de kwaliteitseisen ten aanzien van terrassen (nota kwaliteitseisen voor terrassen) en het programma gericht op het tegengaan van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en uitgaansgeweld.

Vergunningvrij exploiteren en vrijgesteld van de vergunningplicht

Rotterdam biedt een groot aantal bedrijven, waarbij horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandelfunctie en bedrijven waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om vergunningvrije horeca te exploiteren. Dit betreft bijvoorbeeld het koffiehoekje in de supermarkt, de bakkerij waar ook een gebakje gegeten kan worden en het restaurant in ouderenhuisvesting. Daarnaast is ook de variant vrijgesteld van de vergunningplicht. Dit betekent dat geen vergunning hoeft te worden aangevraagd en derhalve ook geen leges verplicht zijn. De exploitatie van de volgende inrichtingen kan zonder vergunning plaatsvinden:

  • 1. inrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 en 22.00 uur, geen (zwak of sterk) alcoholische drank schenken, geen versterkt geluid ten gehore brengen, geen vergunningplichtig terras exploiteren (gevelzitplaats wel mogelijk) en geen speelautomaten hebben.
  • 2. bedrijfskantines, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik zijn;
  • 3. inrichtingen in musea, crematoria, begraafplaatsen en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering;
  • 4. inrichtingen in ziekenhuizen, ouderenhuisvesting en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend gericht zijn op de bewoners/patiënten en hun bezoekers;
  • 5. horeca in tuincentra en congrescentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering en uitsluitend gericht zijn op hun bezoekers.


Exploitatievergunning nodig

Voor alle overige inrichtingen, waar horeca de primaire bedrijfsfunctie betreft, is een exploitatievergunning vereist. De horeca-exploitatievergunning wordt afgegeven voor de inpandige m² alsmede voor de eventuele m² terras en heeft een looptijd van vijf jaar. Voor de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning geldt dat het bestemmingsplan van de betreffende locatie leidend is. Of een vergunning wordt toegewezen, hangt daarnaast onder andere af van afwegingen die ten aanzien van het beleid worden gemaakt (horecagebiedsplannen). Daarnaast wordt beoordeeld of het pand bouwtechnisch en geluidstechnisch geschikt is voor de door de ondernemer aangevraagde activiteiten. Voor het proces en vereisten van de vergunningverlening wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van de horecanota 2012-2016.

Terrassen

Binnen de bestemmingen "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Verkeer - Wegverkeer" zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten.

4.3.8 Hotels en Bed & Breakfast

In het plangebied is op een aantal locaties horeca toegestaan. Binnen de definitie van dit bestemmingsplan is het niet mogelijk om bedrijfsmatig logies aan te bieden, zodat hotels niet zijn toegestaan. In Rotterdam wordt een B&B als een bedrijf aan huis gezien. Hiervoor heeft u (publiekrechtelijk) geen toestemming van de gemeente nodig. De bedrijfsruimte is wel beperkt in grootte: maximaal 30% van de woning.

4.3.9 Leidingen

Langs de Groeninx van Zoelenlaan is een ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding gelegen. Deze verbinding is ter bescherming van de belangen met een zone van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn op de verbeelding aangegeven en bestemd met een dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning".

4.3.10 Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk - 1" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke objecten toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie.

In de bestemming "Maatschappelijk - 2" zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

De bestemming "Maatschappelijk - Begraafplaats" is gebruikt voor de begraafplaats van de Nederlands Hervormde Gemeente IJsselmonde.

4.3.11 Parkeerregeling

Algemeen
Aanleiding voor het opnemen van deze parkeerregeling is gelegen in het feit dat de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen) uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 met de nieuwe Wro (1 juli 2008) en de daarop gebaseerde overgangswet (29 november 2014) hun werkingskracht hebben verloren. Dit betekent dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening geen aanvullende werking meer hebben op bestemmingsplannen die vanaf 29 november 2014 worden vastgesteld. Het betreft met name de bepalingen over het parkeren (en laden en lossen). Immers, bij elke bouwaanvraag kwam via de toetsing aan de Bouwverordening de vraag aan de orde of bij het bouwplan wel voldoende parkeergelegenheid wordt of kan worden gerealiseerd. Nu de grondslag aan deze bepalingen is komen te vervallen, kan hier ook niet meer aan worden getoetst.
Het overgangsrecht zorgt ervoor dat de parkeernormen uit de Bouwverordening wel van toepassing blijven, voor vijf jaar, voor alle plannen vastgesteld vóór 29 november 2014.Het opleggen van de parkeernormen moet geregeld worden door het opnemen van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Als grondslag hiervoor geldt het tweede lid van artikel 3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is opgenomen dat een bestemmingsplan regels kan bevatten waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hierdoor is het mogelijk om in de bestemmingsplanregel te verwijzen naar gemeentelijke beleidsregels over parkeernormen. Omdat nu nog geen beleid is vastgesteld, is er voor gekozen de normen uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 op te nemen in het bestemmingsplan. Tevens is in de regels een bepaling opgenomen waarmee geregeld is dat nieuw beleid ten aanzien van parkeernormen de nu vastgelegde parkeernormen kan vervangen.

Regeling

In de regels van het bestemmingsplan is nu de regel 'Voorwaardelijke verplichting over parkeren' opgenomen. In deze regeling wordt voor de parkeernormen verwezen naar de bijlage Parkeernormen. Deze normen zijn gelijk aan de normen zoals opgenomen in de Bouwverordening Rotterdam 2010. Er is geen materiele wijziging van de toetsingsnormen beoogd. Slechts de wettelijke grondslag is gewijzigd.

Uitvoering

Bij het bouwen van woningen en voorzieningen worden in het bestemmingsplan eisen gesteld aan de aanwezige parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. In het centrum geldt dat er alleen maximumnormen zijn, in de andere gebieden zijn er ook minimumnormen. Wat betreft de parkeergelegenheid wordt er een parkeereis gesteld. Deze parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage Parkeernormen van de regels van dit bestemmingsplan. De minimumparkeernormen zijn er om te zorgen dat de behoefte aan parkeerruimte bij nieuwe ontwikkelingen geaccommodeerd wordt. De maximumnormen zijn bedoeld om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren. Om overlast in het openbaar gebied tegen te gaan moet de parkeereis door de ontwikkelaar op eigen terrein gerealiseerd worden.

Afwijkingsbepaling

In situaties waarin dit tot onoverkomelijke problemen leidt kan een beroep worden gedaan op de afwijkingsbepaling.

Onder a, wordt met dubbelgebruik bedoeld dat bij het ontwikkelen van meerdere functies, zoals wonen, bedrijfsfuncties, winkelfuncties e.a. die op verschillende tijdstippen gebruik maken van parkeerplaatsen, een deel van de parkeerplaatsen dubbel gebruikt kan worden. De totale parkeereis voor het geheel wordt hierdoor lager dan de parkeereisen per functie afzonderlijk.

Onder b, wordt met parkeereisovereenkomst bedoeld een overeenkomst, tussen de ontwikkelaar en de gemeente, waarbij de gemeente de verplichting op zich neemt om (een deel van) de parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar te stellen of te realiseren. De ontwikkelaar betaalt hiervoor een compensatiesom. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van het aantal te compenseren parkeerplaatsen en het gebied waarin de ontwikkeling wordt geïnitieerd.

Onder b en c, wordt gesproken over een gemeentelijk belang. Dit houdt in dat de ontwikkeling zodanig gewenst is vanuit de gemeente dat de gemeente toestaat dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in het openbare gebied. De ontwikkelaar moet hierbij kunnen aangeven met gegronde redenen dat het niet mogelijk is om de parkeereis op eigen terrein te realiseren.

Onder d, wordt gesproken over een bijzonder gemeentelijk belang. Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke situaties, waarbij met gegronde redenen aangetoond is, dat het niet mogelijk is om aan (een deel van) de parkeereis op eigen terrein te voldoen én er ook geen mogelijkheden bestaan om (een deel van) de parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Het verschil met het gemeentelijk belang, zoals genoemd in onderdeel b en c, zit in het feit dat de gemeente de ontwikkeling zodanig gewenst vindt, uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving, dat er volledige vrijstelling van de parkeereis wordt toegestaan. Deze afwijking zal slechts worden verleend na een bestuurlijk besluit waarin de motivering van het verlenen van deze afwijking is opgenomen.

4.3.12 Seksinrichtingen

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat.

Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob.
Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan.

Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen bestemd.

4.3.13 Straalverbinding en toetsingsvlak luchtverkeersleiding

Over het noordelijk deel van het plangebied ligt een straalpad ten behoeve van de telecommunicatie. Om de onbelemmerde doorgang van de signalen te waarborgen geldt een hoogtebeperking voor bouwwerken van 54 meter binnen het straalpad. De onbelemmerde doorgang is vanwege de gegeven maximum bouwhoogten niet in het geding. Het is derhalve niet nodig het straalpad op de verbeelding weer te geven.

In het noordwestelijk deel van het plangebied ligt een trechtervorming toetsingsvlak om het baken van de luchtverkeersleiding (LVNL) aan de Arthurweg, net buiten het plangebied. Om de onbelemmerde doorgang van de signalen te waarborgen geldt een hoogtebeperking voor bouwwerken oplopend van circa 17 meter ter hoogte van het Vosbergenpad tot 87 meter ter hoogte van de Alerdincksingel. De onbelemmerde doorgang is vanwege de gegeven maximum bouwhoogten niet in het geding. Het is derhalve niet nodig het toetsingsvlak op de verbeelding weer te geven.

4.3.14 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

In het bestemmingsplan is ervoor gekozen om een regeling voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op te nemen die in ieder geval in lijn is met de rechten voor dergelijke bebouwing uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen die op grond van die regeling mogelijk waren, zijn op grond van het voorliggende plan derhalve ook mogelijk. Voor zover deze mogelijkheden minder toestaan werkt de regeling uit Bijlage II van het Bor met betrekking tot het vergunningvrije bouwen aanvullend op de bestemmingsplanregeling.

4.3.15 Tuin en Tuin - 1

De bestemming "Tuin" betreft de standaard Rotterdamse tuinbestemming. Voor de bestemming "Tuin - 1" is de standaard Rotterdamse tuinbestemming uitgebreid, zodat parkeren in de tuin wordt toegestaan.

4.3.16 Verkeers- en verblijfsgebied

De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen.

De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.17 Voorzieningen van openbaar nut

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3.

In dit bestemmingsplan is een enkele grotere voorziening van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd. Tevens zijn drie grotere antenneinstallaties binnen de bestemming "Groen" en "Bedrijf - 3" aangegeven met een specifieke bouwaanduiding.

4.3.18 Werken aan huis

In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

4.3.19 Wonen bestemmingen

Net als het vorige bestemmingsplan maakt het bestemmingsplan gebruik van verschillende bestemmingen voor diverse vormen van wonen. Het onderscheid uit het vorige plan tussen gestapelde woningen en laagbouwwoningen is komen te vervallen. Zonder dit onderscheid biedt het bestemmingsplan daarmee de gewenste flexibiliteit om gestapelde woningen samen te voegen tot eengezinswoningen.

De vorige bestemmingsplannen kenden nog te ontwikkelen locaties nabij de Beverwaardseweg en Benedenrijweg met globale bestemmingen. Nu deze locaties inmiddels zijn ontwikkeld, kunnen de locaties meer specifiek bestemd worden op de manier zoals de woningen in de rest van het plangebied.

De bestemming 'Wonen - 1' is gebruikt voor woningen met maximaal een bouwlaag en eventueel een kleine kap, of plaatselijk een opbouw, waar de stedenbouwkundige situatie dit toelaat. In de regels zijn maxima gegeven voor de goot- en/of bouwhoogte. Het betreft de rug-aan-rug patiobungalows rond de Neubourgstraat in het westen en die rond de Gemertwal in het oosten van het plangebied.

De bestemming 'Wonen - 2' is de meest algemene woonbestemming. Hier zijn veelal twee bouwlagen met daarboven een kap toegestaan. In beginsel geldt er een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. Mochten er afwijkende hoogten gelden, bijvoorbeeld bij aanbouwen aan de voor- of zijgevel, dan staan die op de verbeelding aangegeven. Ook komt het voor dat een kap niet langer is toegestaan. Dan is de maximum goothoogte gelijk aan de maximum bouwhoogte welke tevens op de verbeelding is aangegeven.

De bestemming 'Wonen - 3' komt op meerdere plaatsen voor in het plangebied. Hier zijn veelal drie bouwlagen met daarboven een kap toegestaan. In beginsel geldt hier een maximum goothoogte van 9 meter en een maximum bouwhoogte van 13 meter. Eventuele afwijkende maten zijn op de verbeelding aangegeven. Meestal betreft het gestapelde woningen, maar eengezinswoningen zijn eveneens toegestaan.

De bestemming 'Wonen - 4' komt ook op meerdere plaatsen voor in het plangebied. Hier zijn veelal drie bouwlagen met daarboven een kap toeges.taan. In beginsel geldt hier een maximum goothoogte van 12 meter en een maximum bouwhoogte van 16 meter. Eventuele afwijkende maten zijn op de verbeelding aangegeven. Het betreft vrijwel uitsluitend gestapelde woningen, maar eengezinswoningen zijn eveneens toegestaan.

De bestemming 'Wonen - Berging' is gebruikt voor bergingen of klusters van bergingen groter dan de onder de bestemming 'Tuin' genoemde maten. De kleinere bergingen zijn vaak in de topografie van de tuinen af te lezen, zonder dat ze speciaal met een kleur zijn aangeduid. De bestemming 'Verkeer - Garagebox' is gebruikt voor de boxen die bedoeld zijn als stallingsruimte voor personenauto's, motorrijwielen, (brom)fietsen en voor berging voor huishoudelijke doeleinden.

De bestemming 'Wonen - Bijzonder woongebouw' komt op twee plaatsen voor in het plangebied. De bestemming is gebruikt voor het wooncomplex IJsselburgh van Humanitas aan de Schinnenbaan. De IJsselburgh heeft niet alleen zelfstandige servicewoningen, maar ook diverse voorzieningen voor bewoners met een uiteenlopende zorgbehoefte, alsook een restaurant.
De bestemming is ook gebruikt voor het kleinere wooncomplex De Wetering aan de Loevesteinsingel. Dat gebouw biedt naast woonruimte voor verzorgingshuiscliënten ook ruimte voor cliënten met een verpleeghuisindicatie.

De bestemming 'Wonen - Woonwagenstandplaats' is gebruikt voor het centrum De Kievit. Binnen het woonwagencentrum zijn niet meer dan 37 woonwagens toegestaan. Het Rotterdamse beleid is onveranderd gericht op verdere schaalverkleining van het complex. De verhuurder Woonbron zal standplaatsen bij leegkomst niet opnieuw verhuren.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en
grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

5.1.2 Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op
kaderstelling en toezicht.

5.1.3 Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt vooral gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.1.4 Beleid Waterschap Hollandse Delta

Waterbeheerprogramma 2016-2021

Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheerprogramma van kracht. Het ontwerp hiervan is inmiddels beschikbaar. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema Water en Ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is door het waterschap als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

De beheerder van het oppervlaktewater in Beverwaard is Waterschap Hollandse Delta.

De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

5.3.1 Oppervlaktewater

Door de woonwijk lopen voornamelijk noord-zuid lopende singels. Eén van deze noord-zuid lopende singels is een hoofdwatergang. Van west naar oost lopen de Oude Wetering en het water langs de oostdijk in het noorden van het plangebied. Dit zijn beide hoofdwatergangen. De beide peilgebieden in het plangebied hebben een vast peil.

Bij het oppervlaktewater in Beverwaard wordt een onderscheid gemaakt in hoofdwatergangen en overig oppervlaktewater. Bij hoofdwatergangen is aan weerszijden van de waterbestemming de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' opgenomen. Deze zone is bedoeld voor de bescherming en het beheer van de hoofdwatergang. Er zijn ook ondergrondse hoofdwatergangen aanwezig in het plangebied, als verbinding tussen watergangen om zo een aansluitend watersysteem te hebben. Ondergrondse hoofdwatergangen zijn alleen met de dubbelbestemming aangegeven.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater liggen er veel peilbuizen in het plangebied. Vooral in het zuiden van het plangebied is de gemiddelde ontwateringsdiepte op een aantal locaties kleiner dan de 80 centimeter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte op een aantal plaatsen kleiner is dan 80 centimeter betekent dit dat er in het plangebied kans bestaat op grondwateroverlast.

5.3.3 Riolering

Het bestemmingsplangebied valt voor het grootste deel binnen rioleringsdistrict 31. Bijzonder kenmerk van dit district is dat het een dubbel stelsel heeft. De vuilwaterafvoer en de dakoppervlakken zijn aangesloten op het gemengde stelsel. De straatoppervlakken zijn aangesloten op het regenwaterstelsel, dit stelsel is rechtstreeks aangesloten op het oppervlaktewater.

5.3.4 Waterkwaliteit

Uit het waterplan IJsselmonde [2004] blijkt dat de waterkwaliteit in het gebied een knelpunt is. In de herijking van het Waterplan2 van Rotterdam [2013] is als streefbeeld opgenomen voor het gebied: 'verblijfstijdgestuurd, troebel'. In verblijftijdgestuurde watersystemen is de verblijftijd van het water korter dan circa tien dagen. In dat geval is de kwaliteit van het inlaatwater bepalend voor de kwaliteit van het watersysteem. Voor de doorspoeling van de singels wordt water ingelaten vanuit de Nieuwe Maas via een leiding nabij de Beverwaardseweg.

5.3.5 Waterkeringen en waterveiligheid

Waterkeringen

De primaire waterkering (Oostdijk) ligt deels in het plangebied. Ook ligt er een regionale kering in het plangebied. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd.

Waterveiligheid

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 17 (IJsselmonde). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/4.000 jaar. Dit houdt in dat deze kering bescherming biedt op een niveau waarbij de kans op overschrijding 1 op 4.000 jaar is.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden.

Uit de berekeningen blijkt dat bij een dijkdoorbraak een groot deel van het plangebied onder water kan komen te staan. Er zijn waterdieptes mogelijk van meer dan 2 meter (indicatief).

5.3.6 Klimaatbestendigheid

Uit bovenstaan valt het volgende te concluderen met betrekking tot het plangebied:

  • Door de lage ligging van het gebied komt er bij een dijkdoorbraak veel water te staan in het plangebied.
  • Het zuidelijk deel van het plangebied heeft volgens de herijking van het Waterplan [2013] een wateropgave. Volgens de klimaatatlas [Cas] is er ook in 2050 nog een wateropgave in dit deel.

5.4 De wateropgave

5.4.1 Oppervlaktewater

De ontwikkelingen in het gebied bestaan voornamelijk uit het anders gebruiken van bestaande bebouwing. Het verharde oppervlak verandert hierdoor niet en invloed op het oppervlaktewater wordt niet voorzien. Uitzondering vormen de nieuwe woningen die mogelijk gemaakt worden op de locaties Benedenrijweg 423-427 en 309-311. Voor de locatie Benedenrijweg 423-427 is in 2013 een projectbestemmingsplan vastgesteld. Het verharde oppervlak door de bouw van drie woningen neemt toe met 309 m2. Dit is onder de grens van 500 m2 waarbij watercompensatie nodig is. De bouwmogelijkheid voor Benedenrijweg 309-311 resteert nog uit het vigerende bestemmingsplan voor Beverwaard. De locatie heeft een oppervlakte van ongeveer 530 m2, waarvan 40 % bebouwd mag worden. Ook dit plan blijft onder de grens van 500 m2. Ook de beide locaties samen blijven onder de grens van 500 m2 extra verhard oppervlak. Watercompensatie is daarom niet nodig.

De hoofdwatergangen zijn op de verbeelding en in de regels van het bestemmingplan opgenomen. De hoofdwatergang zelf heeft de bestemming "Water", terwijl de overs beschermd worden met een dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie". Eventuele ontwikkelingen in en nabij hoofdwatergangen zijn vergunningplichtig. Ook ontwikkelingen in en nabij overige watergangen in beheer bij het waterschap kunnen vergunningplichtig zijn. Hiervoor is de legger van Waterschap Hollandse Delta leidend.

5.4.2 Grondwater

Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht.

5.4.3 Riolering

Afvalwater

De nieuwe ontwikkelingen kunnen leiden tot verandering in de hoeveelheid van afvalwater. Om een schatting te maken is gebruik gemaakt van de uitgangspunten uit de Leidraad riolering, module B2100 [Rion 2008]: In een woning zijn gemiddeld 2,5 personen aanwezig die gemiddeld 12 liter afvalwater per uur produceren. De vijf nieuwe woningen zorgen voor een toename van afvalwater. Ook kan de hoeveelheid afvalwater veranderen door de verandering van functies in woningen op een twaalftal locaties.

Voor het plangebied is de te verwachten toename van de productie van afvalwater berekend in het kader van het wateradvies (op basis van maximale programma) op 0,8 m3/uur. In werkelijkheid zal de toename lager zijn omdat de bestaande functies ook al afvalwater produceren.

Hemelwater

In het gemeentelijk rioleringsplan [2015] is opgenomen dat hemelwater zo veel mogelijk lokaal verwerkt moet worden tenzij dat niet doelmatig is. In Beverwaard is al een dubbel stelsel aanwezig, zodat schone oppervlakken gemakkelijk aangesloten kunnen worden op het aanwezige regenwaterstelsel. Op dit moment zijn alleen de straatoppervlakken aangesloten op dit stelsel. Nieuwe ontwikkelingen bieden de kans om ook daken aan te sluiten op dit al aanwezige regenwaterstelsel.

Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden dan wel randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar.

Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding.

5.4.4 Waterkwaliteit

De ontwikkelingen hebben geen invloed op de waterkwaliteit.

5.4.5 Waterkeringen en waterveiligheid

Waterkeringen

De bouwlocaties aan de Benedenrijweg liggen in de zones van de waterkering. Voor deze ontwikkelingen is dan ook een vergunning nodig van het Waterschap Hollandse Delta. Hierbij zal rekening gehouden moeten worden met hun toetsingskaders en beleidsregels [WSHD 2014]. De beleidsregels houden ook rekening met een extra ruimte reservering als dijkversterking nodig is in verband met de klimaatverandering. Ook met deze reservering zal rekening gehouden moeten worden bij de bouwplannen.

De overige ontwikkelingen zijn buiten de zones van de waterkeringen die in het plangebied liggen.

Waterveiligheid 

De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks en dragen maar beperkt bij aan de totale waarde binnen dijkringgebied 17.

5.4.6 Klimaatkansen

In een deel van het gebied is in de huidige situatie sprake van een wateropgave, door klimaatverandering is de verwachting dat deze opgave nog toeneemt. Aanleg van meer oppervlaktewater is wenselijk. Het nieuwe bestemmingsplan, heeft net als het vigerende bestemmingsplan de mogelijkheid om water te realiseren in gebieden met de bestemming groen of verblijfsgebied. Ook kan bij nieuwbouw gekozen worden voor bijvoorbeeld groenen daken, geveltuinen of plaatselijke wateropslagvoorzieningen om zo de capaciteit om neerslag vast te houden te vergroten.

Het gebied is voorzien van een gescheiden stelsel. De dakoppervlakken zijn hier echter (nog) niet op aangesloten. Dat schone regenwater wordt nu nog door het vuilwaterstelsel afgevoerd naar de RWZI. Het vuilwaterstelsel zou kunnen worden ontlast door dakoppervlakken in de toekomst aan te sluiten op het regenwaterstelsel. Dit maakt het gebied beter bestand tegen hevige neerslag.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren.

In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r.. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

De mogelijkheid tot functiewijziging naar maximaal 20 woningen moet worden gezien als een activiteit (stadsproject, categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r.

De ontwikkelmogelijkheden blijven echter ruim onder de drempelwaarde van deze activiteit. Tevens liggen de ontwikkelingen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in hoofdstuk 6 van dit bestemmingsplan.

Daarom kan (met een zogenaamde vormvrije m.e.r.) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De milieuonderzoeken tonen aan dat het bestemmingsplan geen significante nadelige effecten op het milieu heeft.

6.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse 'Staat van Inrichtingen'. Deze is afgeleid van de inrichtingen die zijn opgenomen in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Begin jaren '90 heeft Rotterdam beleid vastgesteld waarbij voor de milieuzonering gebruik wordt gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De (huidige) VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied

Voor het grootste deel kan het plangebied worden gekenmerkt als een woongebied. Dit geldt voor het gebied ten zuiden van de Beverwaardseweg. De noordrand van het plangebied kan volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid worden als een gemengd woongebied, terwijl het gebied tussen de snelweg en de Valkenburgsingel gezien kan worden als een overgangsgebied.

In een woongebied zijn doorgaans bedrijven of activiteiten toegestaan in de milieucategorie 1 en ook 2, afhankelijk van de afstand tot de woonbebouwing.

In een gemengd woongebied en in een overgangsgebied kunnen activiteiten of bedrijven in de milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Voor categorie 3.1 en 3.2 bedrijven gelden ten opzichte van woningen in een woonwijk indicatieve afstanden van 50 meter respectievelijk 100 meter. In een gemengd gebied zoals de noordrand van Beverwaard worden bij bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2 afstanden tot woningen van 30 tot 50 meter passend geacht.

In de noordrand van Beverwaard zijn op verschillende locaties bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.1. Op drie locaties zijn bedrijven aanwezig die normaal gesproken bij een gemiddelde exploitatie vallen onder een iets hogere milieucategorie (3.2 voor het bedrijf in cacao, 3.2 voor het bedrijf in rubber en 3.2 voor de autosloperij). De bedrijven zijn echter naar aard en omvang vergelijkbaar met bedrijven in milieucategorie 3.1 en derhalve passend op de huidige locaties. De bedrijven zijn met een functieaanduiding aangegeven en hebben daarmee een maatbestemming gekregen in dit bestemmingsplan.

Daarnaast zijn in het bestemmingsplan de functies voor bijvoorbeeld maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig bestemd en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Het inpassen van deze functies is maatwerk. Hiervoor is gebruik gemaakt van de indicatieve afstanden uit de VNG-uitgave.

Overige activiteiten nabij het plangebied

Nabij het plangebied, aan de Oostdijk, is een aantal bedrijven gevestigd waarvan de richtafstanden voor de milieuzonering over het plangebied reiken. De invloed van de activiteiten komt aan de orde bij de paragrafen over geluid en externe veiligheid. Ook de autosnelweg heeft vanzelfsprekend impact op het plangebied. De invloed daarvan komt aan de orde in geluid, lucht en externe veiligheid.

De overige activiteiten in of nabij het plangebied zijn niet belemmerend voor (nieuwe ontwikkelingen binnen) dit bestemmingsplan, anders dan die reeds in het bestemmingsplan zijn genoemd, en/of waarmee reeds rekening is gehouden.

6.4 Geluid

6.4.1 Algemeen

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.

Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht.

In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen die in de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn, zoals kinderdagverblijven.

Rotterdams beleid

In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen.

Plangebied

Voor het plan zijn de wettelijke geluidbronnen wegverkeer en industrie van belang. Bepaald is wat de geluidsbelasting vanwege deze bronnen op de gevels van de geprojecteerde woningen is en of deze voldoet aan de eisen van de Wgh. Daarnaast is onderzocht of het plan voldoet aan het Ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.

6.4.2 Onderzoek wegverkeer

Het Ingenieursbureau van gemeente Rotterdam heeft in opdracht van het cluster Stadsontwikkeling akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het bestemmingplan Beverwaard [projectcode 100014089/20150040, Rotterdam, 10 maart 2016].

In het bestemmingsplan worden op 14 locaties woningen mogelijk gemaakt. Omdat deze functies nog niet zijn gerealiseerd noch vergund, worden ze in het kader van de Wgh als een nieuwe situatie aangemerkt. Nieuwe woningen die door middel van een nieuw bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt moeten, conform de bepalingen van de Wgh, akoestisch worden onderzocht, aan de normen van deze wet worden getoetst en daaraan voldoen. Deze 14 ontwikkellocaties zijn daarom akoestisch onderzocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1069Beverwaard-va01_0003.png"

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Tabel Breedte geluidszones langs wegen

Soort gebied   Stedelijk-   -gebied   Buiten-   -stedelijk-   -gebied  
Aantal rijstroken   1 of 2   3 of meer   1 of 2   3 of 4   5 of meer  
Zonebreedte   200 meter   350 meter   250 meter   400 meter   600 meter  

Bij nieuwe situaties is de voorkeursgrenswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (de A16) en tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer en industrie zijn aangegeven in onderstaande tabel.

Locatie   Weg   Berekende geluidbelasting   Aan te vragen hogere waarde dB  
1   Oostdijk
Beverwaardseweg + tram  
53
58  
53
58  

2 t/m 11
 

alle wegen  

<= 48  

nee  
12   Rijksweg A16   57   53*  

13  
Oostdijk
Stormpolder (industrie)**
IJsselmonde Noordrand (industrie)**  
54
53**
51**  
54
53**
51**  
14   Rijksweg A16
Oostdijk  
60
54  
53*
54  

* De maximaal berekende geluidbelasting op deze locatie is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB voor woningen vanwege een rijksweg. In het bestemmingsplan zal worden opgenomen dat de gevels met een normoverschrijding als een dove gevel worden uitgevoerd of er zal door middel van een nader akoestisch onderzoek worden aangetoond dat eventueel met maatregelen de maximaal toelaatbare waarde niet wordt overschreden.
** Letmaal [dB(A)], waar de geluidbelasting voor wegverkeer is gegeven in Lden (inclusief aftrek art.110g Wgh) [dB]

Op vier locaties is de geluidsbelasting vanaf een of meerdere wegen hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor deze locaties moet een hogere toegestane geluidbelasting worden vastgesteld. Waar een geluidsbelasting hoger dan de (wettelijke) hogere waarde is berekend kan geen hogere waarde worden vastgesteld. Woningen kunnen op die locaties alleen worden gerealiseerd met toepassing van een dove gevel, tenzij door het treffen van maatregelen de geluidsbelasting op de gevel kan worden teruggebracht tot ten minste de maximale hogere waarde.

Zoneplichtige wegen Wet geluidhinder

Bij het berekenen van de geluidsbelasting vanaf de A16 is rekening gehouden met de aanwezige geluidsschermen. Desondanks is de waarde op locatie W12 en W14 hoger dan de maximale hogere waarde van 53 dB.

Bij de binnenstedelijke wegen is alleen op de locaties W01, W13 en W14 de geluidsbelasting hoger dan de maximale hogere waarde van 63 dB.

30 km/uur wegen

Voor 30 km/uur wegen geldt geen toetsingsplicht aan de normen van de Wet geluidhinder. Dit omdat door de lagere rijsnelheid de geluidsbelasting vanaf deze wegen al is beperkt. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uur wegen is echter wel van belang bij de afwegingen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarom is bij de relevante 30 km/uur wegen (meer dan 900 auto's per etmaal) die direct langs de nieuwe situaties liggen de geluidsbelasting op de gevel berekend. Er zijn twee relevante 30 km/uur wegen. De Beesdestraat veroorzaakt op locatie 12 een geluidsbelasting van 53 dB. De Benedenrijweg veroorzaakt op locatie 13 en 14 een geluidsbelasting van respectievelijk 56 en 54 dB. Geluidsbelastingen van 48 dB of lager worden buiten beschouwing gelaten.

6.4.3 Onderzoek industrielawaai

Ontwikkellocaties W01 en W13 liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein Stormpolder. Ontwikkellocaties W01 t/m W07 en W13 liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein IJsselmonde Noordrand. De industrieterreinen Stormpolder en IJsselmonde Noordrand zijn derhalve relevant voor ontwikkellocaties W01 en W13 respectievelijk W01 t/m W07 en W13.

De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt op ontwikkellocatie W13 vanwege het industrieterrein Stormpolder met maximaal 3 dB(A) overschreden en vanwege het industrieterrein IJsselmonde Noordrand met maximaal 1 dB(A). De maximaal toelaatbare geluidsbelasting vanwege een
industrieterrein voor nieuwe woningen van 55 dB(A) wordt daarbij niet overschreden. Bij de overige ontwikkellocaties voldoet de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A).

Gebleken is dat de (verdergaande) bron- en overdrachtsmaatregelen ter reductie van het industrielawaai bij ontwikkellocatie W13 afkomstig van de industrieterreinen Stormpolder en IJsselmonde Noordrand niet mogelijk zijn. Voor ontwikkellocatie W13 zal een hogere waarde aangevraagd worden bij het college van Burgermeester en Wethouders.

6.4.4 Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken:

  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);
  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen);
  • De gecumuleerde geluidsbelasting;
  • Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie;
  • De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidsluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

Cumulatie geluidsbronnen

Wanneer nieuwe geluidsgevoelige locaties zijn gelegen in verschillende geluidszones en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidsbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van verschillende wegen en industrie bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die een hoge geluidsbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidsbelasting vanaf de geluidsbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen.

Binnen het plangebied is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde bij ontwikkellocatie W13 vanwege wegverkeer en industrie. Derhalve is een cumulatie van deze bronsoorten aan de orde.

Maatregelen

Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden.

Wat betreft maatregelen aan de geluidsbron zijn stille wegdekken een mogelijkheid. Bij overdrachtsmaatregelen gaat het om geluidsschermen. Geluidsschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie.

Bij maatregelen aan de ontvangstkant (van de geluidsbelasting) is bij zowel wegverkeer als industrie het realiseren van een vliesgevel een mogelijkheid.

Afweging

Maatregelen om de geluidsbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot het relatief beperkte aantal woningen (die mogelijk worden gemaakt, maar waarvoor geen concrete plannen zijn). En vanwege de technische beperkingen van stille wegdekken (slijtage).

Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidsluwe gevel dienen te beschikken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de ontwikkellocaties W01 t/m W13 vanwege het wegverkeerslawaai beschikken over minimaal één geluidlsuwe zijde en daarmee voldoen aan het ontheffingsbeleid Wgh van Rotterdam.

Ontwikkellocatie W14 is op de eerste bouwlaag aan alle zijden geluidsluw, maar beschikt op de tweede en derde bouwlaag niet over een geluidsluwe zijde. Realisatie van een geluidsluwe gevel op de tweede en derde bouwlaag van deze locatie is bouwtechnisch, bijvoorbeeld door realisatie van een vliesgevel, mogelijk.

De gemeente hecht grote waarde aan de mogelijkheden voor transformatie naar woningen, om de volgende redenen: het kan leegstand voorkomen, de woonfunctie wordt erdoor versterkt en de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt worden in stand gehouden.

Om de hierboven genoemde redenen hebben burgemeester en wethouders de geluidsbelastingen zoals die in de tabel "Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige situaties per zoneplichtige weg" zijn aangegeven als hogere waarden vastgesteld. Het besluit hogere waarden wordt na vaststelling als bijlage in de toelichting opgenomen.

Binnenwaarde woningen

Bij de transformatie van niet-geluidsgevoelige functies naar woningen gelden er, in tegenstelling tot de nieuwbouw van woningen, geen geluidsnormen voor het geluidsniveau binnen de woning (de binnenwaarde). Bij voorkeur hebben deze woningen een binnenwaarde van 33 dB, maar het vastleggen van deze waarde zou een grote belemmering vormen voor transformatie, omdat de gevels van bestaande panden lastig tot dit niveau zijn te isoleren. Een binnenwaarde van 38 dB wordt bij stedelijk wonen als acceptabel gezien. Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd dat woningen in bestaande panden die eerst een andere functie hadden aan een binnenwaarde van maximaal 38 dB moeten voldoen.

6.5 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen.

Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.


Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

6.5.1 Plangebied

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een toets aan de Wet luchtkwaliteit en aan het gemeentelijke Luchtbeleid uitgevoerd. In de notitie wordt het effect van dit plan op de luchtkwaliteit beschreven en vindt de toetsing plaats.

Het bestemmingsplan is grotendeels conserverend, dat betekent dat er maar een beperkt aantal wijzigingen (ontwikkelingen) zullen plaatsvinden. De omvang van de ontwikkelingen is dermate gering (3 woningequivalenten) dat verslechtering van de luchtkwaliteit minder is dan 3%. Dit valt af te leiden uit het gegeven dat volgens de Regeling NIBM maximaal 1.500 woningen mogen worden gebouwd bij een eenzijdige ontsluiting van het verkeer en dat dit bestemmingsplan daar ver onder blijft. Het plan is daarmee NIBM en voldoet daardoor aan de Wet luchtkwaliteit.

Nieuwe woningen komen niet binnen de contouren van de grenswaarden en voldoen daarmee aan het Rotterdams beleid (bron: monitoringstool-2015 van NSL).

Voor eventuele nieuwe bedrijvigheid in de zuidpunt van Beverwaard geldt dat de toets aan de wet- en regelgeving Luchtkwaliteit plaats zal vinden in het kader van de verlening van de milieuvergunning (Wabo).

6.5.2 Conclusie

In de analyse voor het bestemmingsplan is aangetoond dat het bestemmingsplan Beverwaard in niet-betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit plan voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit. Het plan voldoet tevens aan het Rotterdamse beleid.

6.6 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.6.1 Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. De Bodemkwaliteitskaart geeft aan dat in het plangebied wat betreft bodemverontreiniging twee gebieden zijn te onderscheiden: de wijk Beverwaard en de zone van de Rijksweg A16. In de woonwijk is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem licht verontreinigd. De laag daaronder, van 1 meter tot 2 meter beneden het maaiveld, is eveneens licht verontreinigd. Ter plaatse van de Rijksweg A16 is de contactzone evneens licht verontreinigd, maar de laag van 1 tot 2 meter beneden maaiveld is bij de A16 matig verontreinigd.

Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie.

6.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.7.1 Transport gevaarlijke stoffen over Rijksweg A16

Plaatsgebonden risico

De Rijksweg A16 is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico-plafond (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR-plafond van de Rijksweg A16 langs Beverwaard bedraagt volgens de Regeling basisnet 58 meter. Aangezien de dichtstbijzijnde bebouwing zich op een afstand van ca. 124 meter van de as van de weg bevindt, is er in de huidige situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten.

Groepsrisico

Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute.

In het Basisnet zijn de cijfers voor transportintensiteiten vermenigvuldigd met een factor die rekening houdt met de mogelijke ontwikkeling per stofcategorie. Voor het onderzoek naar dodelijke slachtoffers is met RBM-II (versie 2.3) een specifiek rekenmodel gemaakt.

De huidige aanwezigheidsgegevens zijn afgeleid uit geografische informatiebestanden van de gemeente. De transformaties van functies zijn zodanig van aard (van bedrijven/maatschappelijk naar woningen) en omvang (20 getransformeerde woningen) dat mede gelet op de ligging ten opzichte van de Rijksweg A16 hiervan geen invloed op het groepsrisico uitgaat.

De veronderstellingen en uitkomsten van de berekeningen zijn gegeven in het EV-rapport dat voor dit bestemmingsplan is opgesteld [Onderzoek Externe Veiligheid en verantwoording groepsrisico, projectcode 2015-0040, Rotterdam, 29 februari 2016]. De berekening laat zien dat het risico onder de oriëntatiewaarde ligt. Het hoogste groepsrisico bedraagt 0,3 maal de oriëntatiewaarde.

Plasbrandaandachtsgebied

Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden.

Het plasbrandaandachtsgebied van dit wegdeel van de Rijksweg A16 voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30m. Aangezien er in het nieuwe bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen (bouwwerken waarin personen kunnen verblijven) binnen het plasbrandaandachtsgebied worden mogelijk gemaakt, is het plasbrandaandachtsgebied niet van belang voor dit plan.

6.7.2 Binnenstedelijk transport van LPG

Over de Groeninx van Zoelenlaan wordt LPG getransporteerd ter bevoorrading van het LPG tankstation aan Groeninx van Zoelenlaan nr.25. De route verloopt via het knooppunt Ridderkerk-Noord en de Rotterdamseweg (gemeente Ridderkerk). Door het bestemmingsplan Beverwaard verandert dit transport (en de transporten van andere motorbrandstoffen zoals benzine en diesel) niet, de contour van het plaatsgebonden risico verandert derhalve ook niet. Er zijn geen knelpunten ten aanzien van kwetsbare objecten in de huidige situatie.

Binnen 200 meter aan weerszijden van de Groeninx van Zoelenlaan maakt het bestemmingsplan Beverwaard maar één transformatie mogelijk. Aan de Beesdestraat 74-76, op 150 meter gelegen van de Groeninx van Zoelenlaan worden 2 extra woningen mogelijk gemaakt. Hiervan gaat geen invloed uit op het groepsrisico. Derhalve is onderzoek naar het groepsrisico niet van toepassing (hoofdstuk 2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), versie 1.1. van 1 april 2015, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat). Het groepsrisico hoeft in het kader van deze ruimtelijke procedure niet te worden verantwoord.

6.7.3 LPG-tankstations

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van kracht geworden. Tegelijk met dit besluit is een ministeriële regeling van kracht geworden waarin afstandsnormen voor onder andere LPG-tankstations zijn vastgelegd. Welke afstanden er gelden is afhankelijk van de doorzet (verkoop) van LPG in m3 per jaar en van het feit of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. In het REVI zijn de afstanden voor het plaatsgebonden risico vastgelegd en de normen voor de berekening van het groepsrisico gegeven.

Van het LPG station aan de Groeninx van Zoelenlaan nr. 25 liggen het vulpunt en de voorraadtank aan de zuidkant van de Groeninx van Zoelenlaan en daarmee buiten het plangebied Beverwaard. Het tankstation zelf, met het LPG vulpistool om personenauto's mee te kunnen tanken, bevindt zich aan de noordkant van de Groeninx van Zoelenlaan en daarmee binnen het plangebied Beverwaard.

Plaatsgebonden risico

In de vergunning van deze inrichting is de LPG doorzet beperkt tot maximaal 1000 m3/jaar. Er zijn in de huidige situatie geen knelpunten ten aanzien van de PR 10-6 contouren van het vulpunt (45 meter) en de voorraadtank (25 meter).

Groepsrisico

Door de DCMR zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd met het rekenprogramma Safeti-NL. Dit is het landelijk voorgeschreven rekenprogramma voor inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, en dus voor dit LPG tankstation. Gerekend is met standaard faalscenario's en faalfrequenties voor het vulpunt en de ondergrondse tank.

Voor wat betreft de bestaande ruimtelijke situatie zijn aanwezigheidcijfers gebruikt uit de registratie van het BAG. Het groepsrisico is berekend voor de volgende situaties:

  • de huidige ruimtelijke situatie, zonder effectbepaling hittewerende coating op de LPG tankauto's;
  • de huidige ruimtelijke situatie, met effectbepaling hittewerende coating op de LPG tankauto's.

De resultaten, als totaal van vulpunt en ondergrondse tank zijn in het onderzoek gegeven. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

6.7.4 Hogedruk aardgastransportleiding

Langs het plangebied loopt een ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding (W-530-02) van de Nederlandse Gasunie (NGU). De afstand van de leiding tot de plangrens bedraagt ten minste 150 meter. Op de leiding is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Het plaatsgebonden risico 10-6 van de leiding bedraagt nul meter, dat wil zeggen dat er geen PR10-6 contour is, er zijn daardoor geen knelpunten. De leiding (12,5 inch, 40 bar werkdruk) kent een invloedsgebied (1% letaliteit) van 150 meter, ligt op de plangrens en is daardoor niet van invloed op het plangebied Beverwaard.

6.7.5 Vuurwerk

Om in aanmerking te komen voor een vergunning voor het opslaan en verkopen (in de laatste dagen van het jaar) van consumentenvuurwerk dient men te beschikken over een opslagruimte (kluis) die voldoet aan een aantal veiligheidseisen.

Bij consumentenvuurwerk tot 10.000 kg mogen zich binnen een zone van 8 meter vanaf de deur van de kluis (veiligheidszone) geen gevoelige bestemmingen bevinden. Bij vuurwerkopslagen boven 10.000 kg moeten per bufferbewaarplaats – afhankelijk van de hoeveelheid opgeslagen vuurwerk - veiligheidsafstanden variërend van 20 tot 48 meter in acht genomen worden. Bij het plannen van nieuwe gevoelige bestemmingen dienen deze veiligheidsafstanden in acht te worden genomen.

Binnen het plangebied is een opslagruimte met vergunning aanwezig. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de gevoelige bestemmingen niet dichter bij de opslagruimten komen te liggen
dan in het voorgaande plan.

6.7.6 Conclusie

Binnenstedelijk transport over de Groeninx van Zoelenlaan
Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) bedraagt 0 meter. Er zijn geen knelpunten in de huidige situatie en ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Groepsrisico

Door het ontbreken van significante ontwikkelingen binnen het invloedsgebied verandert het groepsrisico niet. Het groepsrisico hoeft niet te worden verantwoord.

Transport over de Rijksweg A16

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) van 58 meter levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan omdat binnen deze contour geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn en ook niet mogelijk worden gemaakt.

Groepsrisico

De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt met 0,3 maal de oriëntatiewaarde in de huidige ruimtelijke situatie niet overschreden. De ontwikkelingen in dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico.

LPG tankstation aan de aan de Groeninx van Zoelenlaan

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

Groepsrisico

De oriënterende waarde van het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde in de huidige ruimtelijke situatie. Door het ontbreken van ontwikkelingen binnen het invloedsgebied neemt het groepsrisico niet toe. Omdat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord.

Hogedruk aardgastransportleiding

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

Groepsrisico

Het invloedsgebied valt buiten het plangebied. Het groepsrisico hoeft niet te worden verantwoord.

Eindconclusie en advies voor dit bestemmingsplan

Het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) van de risicobronnen vormt geen belemmering voor het nieuwe bestemmingsplan Beverwaard. Alleen het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A16 is relevant in relatie tot de bestuurlijke verantwoording. Het groepsrisico is ten hoogste 0,3 maal de oriëntatiewaarde. Dit groepsrisico verandert door dit nieuwe bestemmingsplan niet.

Advies: het groepsrisico van de Rijksweg A16 te verantwoorden in de milieuparagraaf van het bestemmingsplan (categorie licht).

6.7.7 Verantwoording groepsrisico's

Uit het onderzoek naar risicobronnen en de aanwezigheid van personen in het invloedsgebied van die risicobronnen is gebleken dat het groepsrisico van de Rijksweg A16 niet hoger is dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen in dit plan hebben geen invloed op dit groepsrisico.

Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze situatie een lichte verantwoording van het groepsrisico. In het bestemmingplan wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor dit bestemmingsplan.

Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.8 Natuur

De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Natuurbeschermingswet, die vooral gericht is op het beschermen van gebieden en de Flora-en faunawet die vooral gericht is op de bescherming van soorten.

De Natuurbeschermingswet beschermt specifieke gebieden (Natura 2000) op basis van Europese richtlijnen: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetlands en Beschermde Natuurmonumenten. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Daarnaast kan hier ook het beschermen van soorten op basis van de Flora-en faunawet van toepassing zijn.

De Flora-en faunawet regelt de soortbescherming en geldt voor heel Nederland. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Tevens is een lijst van kracht met beschermde soorten. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient rekening te worden houden met de gevolgen van het plan voor de natuur. Gekeken dient te worden of ten gevolge van het plan, of bij de uitvoering van het plan geen blijvende schadelijke effecten zullen optreden aan gebieden en soorten. Dit moet 'op voorhand in redelijkheid' worden ingeschat via een deskundigenrapport (zgn. natuurtoets, of ecologische toets). Als er mogelijk effecten zijn, moet aannemelijk worden gemaakt dat daarvoor een ontheffing Flora- en faunawet kan worden verkregen en/of dat met zorgvuldig handelen schade kan worden voorkomen. Op grond van de Natuurbeschermingswet geldt een vergunningplicht. Als een vergunning nodig is, dan moet, om de uitvoerbaarheid voor het bestemmingsplan aan te tonen, aannemelijk worden gemaakt dat een vergunning kan worden verleend, zo nodig met mitigerende maatregelen, of door middel van compensatie.

6.8.1 Plangebied

Ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied is door de gemeente Rotterdam een Flora- en faunatoets uitgevoerd. (Flora- en faunatoets t.b.v. het Bestemmingsplan Beverwaard, Projectcode 20150040, d.d. 22 januari 2016) 

Het bestemmingsplan is grotendeels conserverend en bevat 14 kleine nieuwe ontwikkelingen. Voor dit bestemmingsplangebied is alleen de Flora- en faunawet relevant.

Vanuit de Natuurdatabase van de Gemeente Rotterdam zijn beperkt waarnemingen binnen het plangebied bekend. Het betreft de strikt beschermde soorten: Gewone dwergvleermuis, Huismus (nestplaatsen jaarrond beschermd), Bittervoorn en Buizerd (nestplaatsen jaarrond beschermd). Ook Gierzwaluw is te verwachten. De beperkte hoeveelheid waarnemingen wil niet zeggen dat in het plangebied niet meer plekken geschikt zijn voor (zeer) strikt beschermde soorten. Er is in het bestemmingsplangebied Beverwaard namelijk weinig onderzoek gedaan.

Volgens de Rotterdamse Natuurkaart hebben delen van het bestemmingsplangebied Beverwaard waarschijnlijk een hoge biodiversiteit. De goede ecologisch kwaliteit wordt onderbouwd door de waarnemingen van de volgende aandachtsoorten (rode lijst soorten): Aardaker, Addertong, Grasklokje, Brede wespenorchis, Tripmadam, Argusvlinder, Icarusblauwtje, Oranjetipje, Kroeskarper, Vetje en Ringmus.

Het bestemmingsplangebied Beverwaard kent goede interne ecologische verbindingen en deze zijn goed aangesloten op Natuurnetwerk Nederland. De belangrijkste interne ecologische verbindingen zijn de zone langs de A-16 en de zone langs de Oostdijk en Benedenrijweg.

Op de ontwikkellocatie "Benedenrijweg 423-427" moet voorafgaand aan de uitvoering een onderzoek naar de functionaliteit van de locatie voor de jaarrond beschermde Huismus worden uitgevoerd. De uitkomst van dat onderzoek dient te worden getoetst aan de flora- en faunawet.
Bij alle overige in het bestemmingsplan Beverwaard mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn geen conflicten met verbodsbepalingen uit de flora- en faunawet te verwachten.

Bij ruimtelijke ingrepen die plaats vinden binnen bestaande bestemmingen (zoals het slopen van gebouwen, ingrijpende renovatie, herinrichting, werkzaamheden in of aan waterlopen of de oevers daarvan of rooiwerkzaamheden) is voorafgaand aan de werkzaamheden een onderzoek in het kader van de op dat moment vigerende natuurwetgeving verplicht.

6.8.2 Conclusie

Het bestemmingsplan, met inbegrip van bovenstaande punten is aanvaardbaar vanuit het oogpunt van de Flora- en Faunawet.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt overwegend de huidige planologische mogelijkheden vast. Daarmee biedt het bestemmingsplan ruimte voor de reeds bestaande bouwmogelijkheden en veranderingen van gebruik. Het betreft vooral flexibiliteit binnen de bestemming, waardoor er geen bouwplannen/ontwikkelingen op financiële haalbaarheid getoetst kunnen worden. Het bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM;
  • 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • 3. WSHD, Waterschap Hollandse Delta;
  • 4. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam;
  • 5. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • 6. Gasunie, Gasunie Transport Services B.V. / Gasunie Grid Services B.V.;
  • 7. Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • 8. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit;
  • 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk;
  • 10. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland;
  • 11. K.P.N. Telecom;
  • 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators;
  • 13. Pipeline Control, beheerder diverse pijpleidingen en kabelnetwerken;
  • 14. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen;
  • 15. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
  • 16. Ministerie van Infrastructuur en Milieu;
  • 17. Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland;

9.1 GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de porvincie bekeken moet worden.

Commentaar:

Het plan maakt geen gebruik van een ontheffing van de provincie en kent geen wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsverplichtingen. De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn niet strijdig met provinciale belangen. Het bestemmingsplan is niet strijdig met provinciaal beleid.

9.2 WSHD, Waterschap Hollandse Delta

9.2.1 Opnemen paragraaf beleid

Het waterschap vraagt of voor de volledigheid een paragraaf over het beleid van Hollandse Delta opgenomen kan worden. Het waterschap doet tevens een tekstvoorstel.

Commentaar:

Aan dit verzoek kan gehoor worden gegeven. Er is een paragraaf 5.1.4 toegevoegd gebaseerd op het tekstvoorstel van Hollandse Delta.

9.2.2 Beschermingszone hoofdwatergang

Het waterschap is akkoord met het opnemen van een strook met een dubbelbestemming langs de hoofdwatergangen, maar constateert dat dit op de verbeelding niet helemaal goed is doorgevoerd. In het bijzonder ter plaatse van de Molecatensingel/Valkenburgsingel. en ter plaatse van de hoofdwatergang in de duiker langs/onder de Benedenrijweg. Het waterschap verzoekt dit aan te passen.

Commentaar:

Aan dit verzoek kan gehoor worden gegeven. De verbeelding is hierop aangepast.

9.2.3 Bestemming voor ondergrondse duiker Benedenrijweg

Het waterschap vraagt of de ondergrondse duiker langs/onder de Benedenrijweg, onderdeel van de hoofdwatergang, niet alleen met een dubbelbestemming aangegeven wordt, maar tevens een bestemming mee kan krijgen.

Commentaar:

Wij gaan ervan uit dat het belang van de ondergrondse duiker van de leiding voldoende beschermd is met de aangegeven dubbelbestemming.

9.2.4 Vergunningplicht nabij overige watergangen

Het waterschap merkt op dat in paragraaf 5.4.1 is aangegeven dat eventuele ontwikkelingen nabij hoofdwatergangen vergunningplichtig zijn. Dit geldt ook voor ontwikkelingen in en nabij overige watergangen. Hiervoor is de legger van Waterschap Hollandse Delta leidend.

Commentaar:

Naar aanleiding van deze reactie is paragraaf 5.4.1 aangevuld met het volgende: "Ook ontwikkelingen in en nabij overige watergangen in beheer bij het waterschap kunnen vergunningplichtig zijn. Hiervoor is de legger van Waterschap Hollandse Delta leidend."

9.3 BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam

BOOR vraagt om in het (ontwerp)bestemmingsplan Beverwaard drie wijzigingen door te voeren ten opzichte van de eerder door hen voorgestelde regels van het concept.

In Artikel 32 (Waarde - Archeologie 1), 32.3.1: “… die dieper reiken dan 2,5 meter beneden NAP." aan te vullen met de zinsnede: ", ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep."

In Artikel 33 (Waarde - Archeologie 2), 33.3.1: “..de tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. “, te veranderen in: ".. die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 100 vierkante meter."

In Artikel 34 (Waarde - Archeologie 3), 34.3.1: “… die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld." aan te vullen met de zinsnede: ", ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep."

Commentaar:

Aan dit verzoek kan gehoor worden gegeven met de aanpassingen in de regels van 32.3.1, 33.3.1 en 34.3.1.

9.4 VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Zij doet dit door midddel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd.

VRR geeft aan dat voor het beoordelen van het ruimtelijk plan het college van B&W een gemotiveerde afweging dient te maken tussen de overwegingen met betrekking tot externe veiligheid en de toegevoegde waarde van het ruimtelijk plan. Graag verneemt de VRR het besluit van B&W met betrekking tot onderstaand adviespunt.

9.4.1 Zorgdragen voor goede voorlichting

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezigen personen, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand".

Commentaar:

Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld valt dit advies niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.

9.5 Gasunie, Gasunie Transport Services B.V. / Gasunie Grid Services B.V.

Gasunie heeft het concept ontwerpbestemmingsplan ontvangen en getoets aan het huidige externe veiligheidsbeleid. Op grond van deze toetsing komt Gasunie tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen aardgastransportleiding van Gasunie valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

Commentaar:

Van deze reactie wordt dankbaar kennis genomen.

9.6 RWS, Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland

9.6.1 Effectiviteit van de geluidwal

Rijkswaterstaat ziet, als wegbeheerder van de nabij uw plangebied gelegen rijksweg A16, erop toe dat nieuwe geluidgevoelige ruimtelijke ontwikkelingen geen belemmeringen opwerpen voor het gebruik en beheer van de rijksweg. Op grond van de Wet geluidhinder (art. 74) dient een zonebreedte van 600 m te worden aangehouden vanwege de A16. Op alle locaties binnen deze geluidzone van 600 m vanaf de buitenste rijstrook, de locaties W12 en W14, worden de woningen vanwege de A16 voorzien van dove gevels, zie ook de tabel uit de geluidparagraaf.

Commentaar:

Voor het onderzoek naar het wegverkeerslawaai is met behulp van het Standaard Rekenmethode II (SRMII) en conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg2012) een rekenmodel gemaakt. In het rekenmodel zijn onder andere grasvelden (als akoestisch absorberende bodemgebieden) en hoogtelijnen (afkomstig van Digitaal Topografisch Bestand) ingevoerd. Op deze manier is onder andere de aanwezige geluidwal langs de oostzijde van de A16 ter hoogte van het bestemmingsplangebied Beverwaard nagebootst. Uit een nadere controle van het geluidmodel blijkt dat de onderhavige geluidwal correct is ingevoerd.

De onderhavige geluidwal is ter hoogte van het bestemmingsplangebied circa 7 meter hoog ten opzichte van het wegdek van de A16 en ligt op circa 30 meter afstand tot de rand van deze weg. Deze geluidwal is wegens de grote afstand tot de weg akoestisch niet effectief, vooral niet voor de gebouwen die op grotere afstanden staan.

Het is landelijk bekend dat de voorkeurswaarde en soms ook de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor nieuwe woningen van 53 dB vanwege rijkswegen op de zonegrens (600 meter tot de buitenste rijstrook) wordt overschreden. In Rotterdam is dat niet anders. Vooral langs de ruit is een overschrijding van de voorkeurswaarde, maar soms ook de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 53 dB, zelfs op de plaatsen waar een geluidscherm langs de weg staat, overal aan de orde.

9.6.2 Geluidcontour van 48 dB

Aangezien er bestaande geluidwallen liggen langs de A16, is het aannemelijk dat voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden buiten de zone van 600 m. In het onderzoek is de 48 dB geluidcontour echter niet opgenomen. Dit is dus niet te controleren en dit wordt ook niet bevestigd in de geluidparagraaf. Gaarne in het onderzoek aangeven dat op locatie W1 en W13 wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de A16.

Commentaar:

Het geluidonderzoek is verricht conform de bepalingen van de Wet geluidhinder. Een contourberekening van 48 dB vanwege een rijksweg en het voldoen aan deze waarde is derhalve in het kader van het geluidonderzoek voor het bestemmingsplan niet aan de orde.

9.6.3 Dove gevels

Uit de geluidparagraaf blijkt niet dat alle gevels doof moeten worden uitgevoerd vanwege de A16. Het is echter niet duidelijk welke gevels doof moeten worden uitgevoerd en voor welke gevels een hogere waarde wordt aangevraagd. In de geluidparagraaf zijn namelijk alleen de maatgevende geluidbelastingen vanwege de A16 vermeld. Het is niet duidelijk of op alle locaties en op alle bouwhoogten en alle gevels van de betreffende locaties (W12 en W14) de 48 dB wordt overschreden en de 53 dB wordt overschreden. Het verzoek is om in het plan aan te geven welke gevels doof moeten worden uitgevoerd en wat de hoger waarde is voor de gevels die niet doof worden uitgevoerd.

Commentaar:

De aan te vragen hogere waarden en de gevels met geluidbelasting hoger dan 53 dB(A), die als doof moeten worden uitgevoerd, zijn in tabel 5.1 van het geluidrapport weergegeven. Een uitgebreid overzicht van de rekenresultaten per gevel en per bouwlaag is tevens opgenomen in bijlage 5a van het geluidrapport.

9.7 Participatie en informatie

In de startfase heeft de gebiedsdirecteur enkele commissieleden aangewezen die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De commissie is via de gebiedsdirecteur gevraagd om wensen/advies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar te maken via de startbijeenkomst.

Tijdens de startbijeenkomst is in overleg met betrokkenen besloten welke ontwikkelingen wel of niet worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Deze zijn in de startnotitie aangegeven.

Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie om advies gevraagd. Een en ander is afhankelijk van de ontwikkelingen rond de specifieke afspraken met de gebiedscommissie IJsselmonde.

Tijdens de terinzagelegging wordt in overleg met de gebiedscommissie een informatieavond georganiseerd. Een ieder wordt gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan.

Aan het eind van elke bestemmingsplanfase volgt er een officiële bekendmaking. Bewoners en geïnteresseerden worden in de bestemmingsplanprocedure geïnformeerd via een huis-aan-huisblad en de website van de gemeente Rotterdam.