| Plan: | Landgoed Munnikenweg Westmaas |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0585.BPWMSlgmunweg-VG01 |
De initiatiefnemer familie Klein is voornemens een nieuw landgoed te ontwikkelen op vrijkomende agrarische gronden gelegen langs de Binnenmaas.
De agrarische gronden zullen worden omgevormd tot openbaar toegankelijke natuur, waardoor het gebied beleefbaar en toegankelijk wordt gemaakt voor zowel de bewoners als recreanten. Om kostendragers voor de natuurontwikkeling, waterberging en recreatieve ontsluiting te genereren wordt een ensemble van 3 woningen / gebouwen gerealiseerd met hoogwaardige kwaliteit, in een stijl die past bij de omgeving.
Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. In 2004-2005 is het provinciale beleidskader voor nieuwe landgoederen herzien. Daarbij is onder andere besloten dat nieuwe landgoederen uitsluitend met een planherziening mogelijk zijn.
Voorliggend ontwerp bestemmingsplan 'Landgoed Munnikenweg Westmaas' vormt de planologisch-juridische regeling welke de ontwikkeling van een nieuw landgoed op de locatie mogelijk maakt.
| Vigerend Bestemmingsplan | Vaststelling | Goedkeuring |
| Correctieve herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas | 31 jan 2008 | 23 sept 2008 |
| Landelijk Gebied Binnenmaas | 12 december 2013 |
Het plangebied Landgoed Munnikenweg ligt in de gemeente Binnenmaas en omvat het perceel E 287 in de kadastrale gemeente Westmaas (voorheen percelen E 186 en E 188), met een oppervlakte van 10 ha 19 are 15 ca.
Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Westmaas, langs de Binnenmaas, en wordt begrensd door de Ritselaarsdijk en de Munnikenweg.
In figuur 1.1 is een kaart met de ligging van het plangebied opgenomen. Voor de luchtfoto van het plangebied wordt verwezen naar figuur 3.2.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
Voor dit ontwerp bestemmingsplan is gekozen voor bestemmingen die in het gebruik van het plan door burgers en gemeente, waar nodig, een zekere mate van flexibiliteit bieden. Dit alles wel binnen duidelijke kaders, waardoor de aan het plan te verbinden rechtszekerheid niet in het gedrang komt. Deze kaders worden bepaald door de in paragraaf 3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) genoemde onderdelen waaruit een bestemmingsplan tenminste dient te bestaan:
Verbeelding:
Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen in het plangebied aangegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling.
Regels:
Hierin zijn het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de binnen het plangebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch geregeld. Per bestemming zijn bouwregels opgenomen, die eisen stellen ten aanzien van de bouwmogelijkheden.
Toelichting:
In de toelichting wordt een verantwoording van in het plan gemaakte keuze van bestemmingen en de aan het plan ten grondslag liggende gedachten neergelegd en worden de uitkomsten van het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek (bestaande toestand en mogelijke en wenselijke ontwikkeling) opgenomen.
Tevens wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.
Daarnaast dienen een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uit te maken van de toelichting.
Tenslotte wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012
De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen bevat de normen die van toepassing zijn op de vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen, inpassingsplannen en rijksbestemmingsplannen, met het doel om deze op vergelijkbare wijze op te bouwen en weer te geven.
Deze standaard is van toepassing op bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, provinciale inpassingsplannen, rijksinpassingsplannen en rijksbestemmingsplannen.
In de Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro) met bijbehorend Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van gemeenten, provincies en het rijk. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (hierna Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP2012 zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (hierna IMRO2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (hierna STRI2012) normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
In deze toelichting wordt een en ander op de volgende wijze omschreven. Hoofdstuk 2 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden ten aanzien van plangebied zijn gepubliceerd. Dit geeft een impressie van het beleidskader van onderhavig ontwerp bestemmingsplan. Vervolgens wordt het plangebied geanalyseerd. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke structuur als de aanwezige functies en de onderlinge samenhang daartussen (hoofdstuk 3). De planuitwerking staat in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 komen milieutechnische en civieltechnische randvoorwaarden in het plangebied aan de orde. Deze toelichting vormt samen met de juridische regeling uiteindelijk de basis voor de planvorming. Dit wordt uiteengezet in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of het plan economisch en maatschappelijk uitvoerbaar wordt geacht. Tot slot geeft hoofdstuk 8 de resultaten van de inspraak op basis van de inspraakverordening en het overleg ingevolge ex artikel 3.1.1 Bro.
In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijk relevant beleid beschreven.
Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Kern van de nieuwe Wro is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vóóraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij die belangen gaan realiseren. In de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid (juni 2008) heeft het kabinet haar plannen gepresenteerd. Beschreven is welke instrumenten, o.a. financiële, communicatieve en juridische, het Rijk onder de nieuwe Wro inzet om haar ruimtelijke belangen te realiseren. Voor die belangen die juridisch doorwerking behoeven is het besluit algemene regels ruimtelijke ordening, ook wel de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, het aangewezen instrument. De AMvB Ruimte heeft directe gevolgen voor de ruimtelijke besluitvorming van andere overheden. Het omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in bestemmingsplannen.
De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Daarnaast kan de AMvB aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Ook kan in een AMvB aan de provincie worden opgedragen om ter behartiging van nationale ruimtelijke belangen, maar waar toch maatwerk is vereist, de regels uit de AMvB in een provincale verordening verder uit te werken. Dit worden de getrapte regels uit de AMvB genoemd.
De AMvB Ruimte is in twee rondes tot stand gekomen. De eerste tranche bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. Deze kaders zijn afkomstig uit de PKB's Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam.
De volgende onderwerpen uit de AMvB Ruimte zijn in het kader van dit ontwerp bestemmingsplan relevant:
In de AMvB Ruimte is aangegeven dat de provincie verantwoordelijk is voor het zoveel mogelijk bundelen van nieuwbouw. In het kader van een 'rood-voor-groen'-regeling kan verspreide bebouwing in het buitengebied worden toegestaan, mits eisen worden gesteld aan de landschappelijke inpassing.
Voor EHS-gebieden geldt het 'nee-tenzij'-principe: nieuwe activiteiten die de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur significant aantasten zijn verboden, tenzij sprake is van groot openbaar belang, er geen andere mogelijkheden voor realisatie zijn en de negatieve gevolgen worden beperkt en gecompenseerd.
Voor nationaal landschap Hoeksche Waard geldt dat de provincie dit in haar verordening moet begrenzen (zie paragraaf 2.2.2 Verordening Ruimte, Provincie Zuid-Holland). Hiervoor geldt het 'ja-mits'-principe: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, zolang de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt.
Voor de Hoeksche waard zijn in het besluit de volgende kernkwaliteiten opgenomen:
Tot slot is relevant dat provincies en gemeenten ervoor dienen te zorgen dat het ontwerp bestemmingsplan in lijn is met het regionale waterplan (zie paragraaf 2.2.4). Op basis van de hierna volgende paragrafen kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de AMvB Ruimte.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:
De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit bestemmingsplan past in die lijn.
Direct ten zuiden van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Het Oudeland van Strijen. Het algemene doel van Natura 2000 gebieden is het in stand houden en in voorkomend geval herstellen van natuurlijke habitats. Om die reden zijn er voor elk Natura 2000 gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor een toelichting op de habitats wordt verwezen naar de bij dit ontwerp bestemmingsplan behorende natuurtoets (zie paragraaf 5.6 en losse bijlage).
Voor het Natura 2000 gebied Het Oudeland van Strijen is door de provincie Zuid-Holland een (ontwerp) beheerplan opgesteld, waarin maatregelen worden opgenomen voor het in gunstige staat behouden van de natuurlijke habitats. Dit beheerplan kan ook maatregelen en aanbevelingen bevatten voor aanliggende gebieden. In het ontwerp beheerplan wordt geconstateerd dat het huidige landbouw en natuurbeheer in het gebied vooral een positief effect hebben op de Natura 2000-waarden. De externe werking van het gebruik buiten het gebied is zeer beperkt.
Op 1 oktober 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Daarmee is de soortencomponent van de Vogel- en Habitatrichtlijn omgezet in Nederlandse wetgeving en is de bescherming van de inheemse planten en dieren wettelijk geregeld. Dit betekent dat beschermde plantensoorten niet van hun groeiplaats mogen worden verwijderd of vernield en dat beschermde diersoorten niet opzettelijk mogen worden gedood, verwond, gevangen of verontrust en dat hun voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen niet mogen worden beschadigd, vernield of verstoord. Dit beschermingsregime is overal van toepassing dus ook op groeiplaatsen of leefgebieden van soorten buiten de aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijn-gebieden of beschermde natuurmonumenten.
Het plangebied is geen onderdeel van een Vogel- of Habitatrichtlijngebied, derhalve is voor het plangebied alleen dit algemene beschermingsregime van toepassing.
Dit is de Provinciale Structuurvisie, zoals deze door Provinciale Staten van Zuid-Holland op 2 juli 2010 is vastgesteld. In 'Visie op Zuid-Holland, Ontwerp Actualisering 2011, Verordening Ruimte, Totale tekst inclusief Eerste Herziening, vastgesteld op 23 februari 2011, Ontwerp Actualisering 2011, vastgesteld op 23 augustus 2011, Actualisering 2012, vastgesteld op 30 januari 2012' staat hoe de provincie samen met haar partners wil omgaan met de beschikbare ruimte.
Met de structuurvisie werkt de provincie aan een vitaal Zuid-Holland, met meer samenhang en verbinding tussen stad en land. Hierdoor is in Zuid-Holland goed wonen, werken en recreëren voor iedereen binnen handbereik. De provincie onderscheidt vijf hoofdopgaven:
De zuidzijde van de provincie maakt deel uit van het grote, provinciegrensoverschrijdende landschap de Zuid-Hollandse delta. In de grote landschappen wordt de nadruk gelegd op klimaatbestendigheid met de belangrijkste dragende functies: landbouw en natuur. De grote landschappen hebben ieder hun eigen ontstaansgeschiedenis en daarmee hun eigen kwaliteiten. Openheid, rust, stilte, duisternis en landschappelijke diversiteit zijn belangrijke kenmerken. Bescherming en ontwikkeling van deze landschappelijke kernkwaliteiten staan centraal. Een belangrijke ambitie van de provincie in het landelijk gebied is het ontwikkelen van vitale en waardevolle landschappen en deze ook behouden.
De structuurvisie bevat twee belangrijke beleidskaarten, een functiekaart en een kwaliteitskaart.
Figuur 2.1: Uitsnede Functiekaart 2020, Provinciale Structuurvisie
Uit de functiekaart wordt duidelijk dat het plangebied behoort tot het 'Agrarisch landschap' en grenst aan Natura 2000 gebied. Iets verder naar het oosten liggen ook natuurgebieden in Het Oudeland van Strijen en langs de Binnenmaas, deze zijn aangeduid als EHS (Ecologische Hoofdstructuur). Het Natura 2000 gebied direct ten zuiden van het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als 'Blijvend agrarisch gebied binnen Natura 2000'.
In de landbouwgebieden met veengronden die kwetsbaar zijn voor oxidatie bij bodembewerking, is de mogelijkheid van ruwvoerteelten (bijvoorbeeld maïsteelt) beperkt. Vooralsnog wordt het bestaand ruimtelijk beleid gecontinueerd. Dit betekent dat maximaal 20 procent van het bedrijfsoppervlak dat in de op de kaart aangeduide gebieden A+ gebieden valt, bebouwd mag worden met ruwvoerteelten met bodembewerking, niet zijnde gras. Het plangebied is gelegen in A+ gebied, de voorgenomen ontwikkeling is gunstig, omdat door het verdwijnen van de agrarische functie geen of nauwelijks nog bodembewerking zal plaatsvinden.
Figuur 2.2: Uitsnede Kwaliteitskaart 2020, Provinciale Structuurvisie (bron: planviewer provincie Zuid-Holland)
Uit de kwaliteitskaart wordt duidelijk dat het plangebied deel uitmaakt van het Deltagebied met 'herkenbare open zeekleipolders'. Deze zijn in de stuctuurvisie als volgt omschreven:
"Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibt en ingepolderd land tegen bestaande polders en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen."
Dijken en kades zijn kenmerkende landschapselementen en de gehele Hoeksche Waard is aangeduid als topgebied wat betreft cultureel erfgoed. Dit is gebiedsspecifiek uitgewerkt in de regioprofielen cultuurhistorie.
De Wet ruimtelijke ordening stelt dat iedere overheidslaag verantwoordelijk is, binnen de grenzen van een goede ruimtelijke ordening, voor het eigen ruimtelijke belang.
De provincie geeft in haar structuurvisie aan welke zaken zij van provinciaal belang vindt. Zekerstelling van deze provinciale belangen geschied onder andere door het vaststellen van een Verordening Ruimte.
In de verordening staan met name zaken die generiek van aard zijn (relevant voor alle gemeenten of een bepaalde groep gemeenten) en in eerste instantie vooral een werend of beperkend karakter hebben. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Er worden met name regels gesteld ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen.
Op basis van de verordening valt het plangebied buiten de bebouwingscontouren. Hier zijn bestemmingen die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies, intensieve recreatieve functies of bebouwing voor extensieve recreatieve functies mogelijk maken uitgesloten. Het realiseren van een nieuw landgoed - waar in dit bestemmingsplan sprake van is - vormt hierop echter een uitzondering en is onder voorwaarden toegestaan (artikel 3 lid 2 sub b van de verordening).
Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit wordt (in artikel 2 lid 3) gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen buiten de bebouwingscontouren, dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt waarvan ruimtelijke effecten zijn te verwachten in het buitgengebied, een bijdrage levert aan de ambities behorende bij de kwaliteitskaart van de provinciale structuurvisie (zie paragraaf 2.2.1) door de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied te behouden en te versterken. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording, vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf (zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3).
Artikel 3 "Regels voor het gebied buiten de bebouwingscontouren" lid 2 sub b bevat de provinciale regels ten aanzien van nieuwe landgoederen.
Nieuwe landgoederen
'Nieuwe landgoederen'; de mogelijkheid een landhuis of andere bebouwing op te richten en ter compensatie een deels openbaar landgoed (natuur- en/of recreatiegebied ) aan te leggen. De realisatie is uitgesloten in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zoals aangegeven op kaart 3, evenals in gerealiseerde recreatiegebieden. In nog niet gerealiseerde ecologische verbindingen van de EHS is de oprichting van een nieuw landgoed wel mogelijk, mits de bebouwde kavel buiten de verbinding wordt gerealiseerd.
Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Eerder is door de provincie Zuid-Holland reeds een maatwerkontheffing verleend ten behoeve van de realisering van dit landgoed om - in afwijking op de destijds geldende voorwaarden - drie losse wooneenheden op te mogen richten (zie bijlage 1).
Daarnaast valt een gedeelte van het plangebied op basis van de verordening onder de EHS. Naar aanleiding van overleg met de provincie (d.d. 3 februari 2012) is hiervoor in de verbeelding een dubbelbestemming opgenomen.
Eind 2013 heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland een nieuwe Ontwerp Verordening Ruimte uitgebracht ten behoeve van de Statencommissievergadering van 18 december. In dit ontwerp wordt het beleidskader ten aanzien van nieuwe landgoederen vervangen door een meer algemene regeling voor ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke tegenprestatie. De ontwikkeling van landgoed Munnikenweg kan in dit kader bezien worden als een kleinschalige gebiedsvreemde ontwikkeling waarbij de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke tegenprestatie gewaarborgd zijn door middel van een beeldkwaliteitskader en een maatschappelijke tegenprestatie in de vorm van zowel de aanleg van groen, recreatief medegebruik en waterberging als door middel van een financiele bijdrage aan het gemeentelijke kwaliteitsfonds.
Het plangebied is gelegen binnen het Nationaal Landschap De Hoeksche Waard.
Binnen nationale landschappen zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt.
Het gebied maakt deel uit van het veenpolderlandschap dat bestaat uit Het Oudeland van Strijen, de Sint Anthonypolder, het Munnikenland van Westmaas en de Binnenbedijkte Maas. De venige polders bestaan in belangrijke mate uit zeer open weidegebied met een onregelmatige strokenverkaveling. Bebouwing beperkt zich tot de lintbebouwing aan de dijken. Voor het veenpoldergebied wordt ingezet op de ontwikkeling van natuur, agrarisch natuurbeheer en recreatief medegebruik.
Het plangebied ligt aan de rand van het veenpoldergebied van het Oudeland van Strijen, maar kent een iets hogere ligging en meer rationele verkaveling. De (lint)bebouwing is gerelateerd aan de dijken, maar deels ook aan de Binnenbedijkte Maas. Met de voorgestane landgoedontwikkeling wordt ingezet op de ontwikkeling van natuur, (agrarisch) natuurbeheer en recreatief medegebruik. Dit sluit aan op de wensen vanuit de kwaliteitszonering voor dit Nationaal Landschap.
Op provinciaal niveau worden Regionale Waterplannen vastgesteld door Provinciale Staten. De Waterwet spreekt over 'Regionaal Waterplan' ter vervanging van de term 'provinciaal waterhuishoudingsplan' (art. 7 Wet op de waterhuishouding) om beter aan te sluiten bij de stroomgebiedgedachte van de Kader Richtlijn Water.
Het regionale waterplan legt de hoofdlijnen vast van het in de provincie te voeren waterbeleid (regionale oppervlaktewateren en het grondwater) en de daartoe behorende aspecten van het provinciale ruimtelijke beleid.
In het Provinciaal Waterplan voor Zuid-Holland zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:
In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.
Nieuwe landgoederen worden door de Provincie Zuid-Holland gezien als een goed middel om de gestelde natuurontwikkelingdoelen te behalen en recreatieve doelstellingen te kunnen realiseren. Het provinciale beleidskader is ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe landgoederen in 2005 geactualiseerd. In deze actualisering zijn enkele zaken gewijzigd ten opzichte van de eerdere versie uit 2001. Zo zijn de mogelijke locaties waar nieuwe landgoederen gerealiseerd mogen worden vergroot en zijn de eisen ten aanzien van omvang en gebruik verruimd. Voor de realisatie van een nieuw landgoed gelden nu vanuit provinciaal beleid de volgende randvoorwaarden:
Op 28 juni 2006 hebben Provinciale Staten het Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 vastgesteld. Dit is de opvolger van het Beleidsplan Milieu en Water 2000-2004 (milieubeleidsplan en waterhuishoudingsplan). Centraal in dit plan staat het realiseren van kwaliteit, met andere woorden een duurzame ontwikkeling. Problemen en ontwikkelingen als stijging van de zeespiegel, verzilting van kustgebieden, verschuivingen in de aanwezigheid van planten en dieren, bodemdaling, problemen met afvoer van rivieren, luchtverontreiniging, geluidhinder en slechte waterkwaliteit liggen hieraan ten grondslag. In het beleidsplan worden voorstellen gedaan hoe deze ontwikkelingen het hoofd te bieden.
In november 2005 is door de Commissie Hoeksche Waard de Nota Nieuwe Landgoederen in de Hoeksche Waard vastgesteld. In deze nota wordt helder uiteengezet op welke wijze nieuwe landgoederen bijdragen aan de gewenste doelen in het gebied en ook aan welke randvoorwaarden voldaan dient te worden. Zo worden nieuwe landgoederen gezien als een goed middel om de gestelde natuurontwikkelingdoelen te behalen en recreatieve doelstellingen te kunnen realiseren. De Commissie Hoeksche Waard is van mening dat de provinciale richtlijnen voor nieuwe landgoederen niet specifiek genoeg zijn om te kunnen fungeren als toetsingscriteria. Voor de realisatie van een nieuw landgoed gelden in de Hoeksche Waard dan ook de volgende randvoorwaarden:
Op donderdag 7 maart 2013 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Binnenmaas 2020 vastgesteld. In de structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Binnenmaas tot 2020 beschreven. De structuurvisie sluit aan bij documenten zoals de Structuurvisie Hoeksche Waard, het visiedocument Binnenmaas Vitaal, het ambitiedocument en het in ontwikkeling zijnde masterplan voor de noordrand van de Hoeksche Waard. De gemeente Binnenmaas wil de ruimte die zo karakteristiek is voor Binnenmaas koesteren, maar ook ruimte bieden voor nieuwe initiatieven. In de structuurvisie is de visie ‘Binnenmaas geeft je ruimte!’ verder uitgewerkt in acht inhoudelijke thema’s.
Voor de beoogde ontwikkeling van het landgoed is onder andere punt 2 van belang.
Binnenmaas ligt in het nationaal landschap Hoeksche Waard. Kernkwaliteiten van dit landschap zijn het polderpatroon, het reliëf van kreken en dijken en de openheid van het landschap. Door de vruchtbare zeekleigronden wordt het landschap door de landbouw gedragen. Het vergt aandacht om de kernkwaliteiten te behouden of waar mogelijk te versterken. Het is een kans nieuwe ontwikkelingen toe te staan door deze te verbinden aan bestaande ruimtelijke structuren en deze te behouden, te versterken en te verbinden. Een goede overgang tussen de bebouwing en het landschap is belangrijk. Langs de Oude Maas vinden we natuurgebieden die door hun grote ecologische waarde een beschermde status hebben. Door het verbeteren van de toegankelijkheid van natuurgebieden liggen er kansen op het gebied van recreatie en toerisme en het versterken van de aantrekkelijke woonomgeving.
De gemeente streeft er naar de kernkwaliteiten van het nationaal landschap te behouden en waar mogelijk te versterken. Nieuwe ontwikkelingen zijn op basis van de principes uit de regionale structuurvisie gekoppeld aan de dijken en kreken. De bestaande krekenstructuur wordt verder versterkt en beter toegankelijk gemaakt om te wandelen, te fietsen en te varen. De toegankelijkheid van de natuurgebieden langs de Binnenbedijkte Maas wordt verbeterd. De waterkwaliteit van kreken en van de Binnenbedijkte Maas is goed.
De gemeenteraad heeft op 7 maart ook de uitvoeringsagenda van de structuurvisie voor het jaar 2013 vastgesteld.
De ontwikkeling van het landgoed is gekoppeld aan dijken en (voormalige) kreken, biedt een toegankelijke natuur en draagt bij aan de waterkwaliteit in de Binnenbedijkte Maas. Het landgoed levert hiermee een bijdrage aan de door de gemeente gewenste ontwikkelingen.
Het plangebied heeft op grond van het geldende bestemmingsplan 'Correctieve Herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas', de bestemming 'Agrarische gebieden', met de subbestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden' en de aanduidingen 'landschapswaarden: openheid, rust en de waterhuishoudkundige situatie'.
De ontwikkeling van een nieuw landgoed past niet binnen de bestemming.
Bij de vaststelling van de correctieve herziening heeft de gemeente besloten geen regeling voor nieuwe landgoederen op te nemen in het plan, omdat in het provinciale Beleidskader is bepaald dat nieuwe landgoederen uitsluitend met een planherziening mogelijk zijn. Indien de gemeente nieuwe landgoederen wenst toe te staan zal hiertoe een (partiële) herziening van het bestemmingsplan moeten plaatsvinden.
Voor het toepassen van de welstandstoets heeft de gemeente een welstandsnota vastgesteld. In de gemeentelijke welstandsnota zijn beleidsregels opgenomen betreffende de welstandscriteria. Daarbij gaat het om algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte ontwikkelingskaders en specifieke objectgerichte welstandscriteria.
De welstandscriteria hebben betrekking op de plaatsing van woningen/aanbouwen/bijgebouwen, de vorm en maatvoering en ten slotte op de architectuurtypering, kleurstelling en het materiaalgebruik. De welstandsnota onderscheidt diverse deelgebieden, waar specifieke welstandcriteria gelden. Het plangebied maakt deel uit van het gebied de Oude Polders.
In het deelgebied Oude Polders concentreert de bebouwing zich aan de dijken. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door dijkbebouwing en ruime bebouwing die achter op het erf staat. Vaak zijn dit boerderijen met bijgebouwen in de vorm van schuren en loodsen. Uitgangspunt voor het waardevolle landschappelijke karakter van de oude polders is dat nieuwbouw zoveel mogelijk geweerd wordt en dat zorgvuldig omgegaan wordt met bouwkundige ingrepen bij bestaande woningen. De welstandscriteria omvatten criteria voor plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaal. Bij de planuitwerking (zie Hoofdstuk 4) is rekening gehouden met deze welstandscriteria. Het beeldkwaliteitplan is gepresenteerd aan de welstandscommissie van de Stichting Dorp, Stad & Land en daar akkoord bevonden. Verwezen wordt naar het bij dit plan behorende Beeldkwaliteitplan (zie losse bijlage).
Het plangebied bestaat uit twee agrarische percelen en is gelegen aan de Munnikenweg te Westmaas, op het Zuid-Hollandse eiland Hoeksche Waard. Het plangebied grenst aan de noordkant aan de Binnenbedijkte Maas en aan de zuidkant aan de Ritselaarsdijk.
Het plangebied omvat het kadastrale perceel E 287 en ligt in de kadastrale gemeente Westmaas (voorheen percelen E 186 en E 188). De totale oppervlakte bedraagt 10 ha 19 are 15 ca. Er is geen bebouwing aanwezig. Het plangebied maakt deel uit van een open agrarisch landschap met verspreid staande boerderijen en lintbebouwingen langs de dijken.
Figuur 3.1: Kadastrale kaart
Figuur 3.2: Luchtfoto plangebied (Bron: Google Earth)
Figuur 3.3: Het plangebied, gezien vanaf de Ritselaarsdijk
De vorming van het landschap van de Hoeksche Waard is het resultaat van vele eeuwen van elkaar versterkende of juist op elkaar botsende natuurkrachten. Het is een proces van eeuwen dat ook vandaag nog doorgaat. Sinds de middeleeuwen is de mens de hoofdrolspeler in dat krachtenveld.
Tussen 2000 en 3000 jaar voor Christus is dit gebied, net als de rest van de kustvlakte langs de zuidoostrand van de Noordzee, bedekt geraakt door veen. Het gebied van de huidige Hoeksche Waard lag toen in het veengebied. Waar nu de Binnenbedijkte Maas ligt, stroomde in de Romeinse Tijd nog echt de Maas. Deze rivier stroomde toen van Heusden langs Geertruidenberg en dan dwars door de huidige Biesbosch. Even ten noorden van de Kiltunnel kwam de rivier de huidige Hoeksche Waard binnen om via de Binnenbedijkte Maas ergens bij Oud-Beijerland in de huidige Oude Maas uit te komen. De Maas was een belangrijke vaarroute van het zwaar geromaniseerde Limburg naar de zee en vlak langs de rivier, waar op het veen klei afgezet was, was ook in de Hoeksche Waard volop bewoning.
De Hoeksche Waard bestond uit gorzen en slikken, platen en geulen. Bij stormvloed stond het grotendeels onder water, bij gewone vloed bleven de gorzen meestal droog en bij eb lagen ook de slikken droog (zie figuur 3.4). Dit hele systeem van geulen, platen, slikken en gorzen was een dynamisch geheel. In de geulen konden nieuwe platen ontstaan, platen groeiden aan en werden hoger, zodat het slikken werden. Na verloop van tijd evolueerde slikken tot begroeide gorzen. Die ontwikkeling werd door de mens verder gezet. De gorzen werden in een eerste fase in grote stukken verpacht voor beweiding met bijvoorbeeld schapen. Wanneer ze wat verder opgebouwd waren, kwamen er kleine kaden (zomerdijken) en werden ze in kleinere stukken voor intensiever gebruik verpacht. Uiteindelijk volgde dan indijking zodat een nieuwe kleipolder (met winterdijken) ontstond.
In 1421 vond de Elizabethsvloed plaats. Na de vloed was er in het gebied van de huidige Hoeksche Waard maar bar weinig land over. Vanaf Maasdam naar het zuiden stond over 7 km een deel van de oude westelijke dijk van de Grote Waard nog overeind. Daarop lagen het dorp Strijen en de nieuwe vluchtnederzetting Cillaarshoek. Verder lagen er alleen twee poldertjes aan de zuidzijde van de Binnenbedijkte Maas: St.-Anthonypolder en het Munikkenland van Westmaas. Dat was wel een bijzonder smalle bestaansbasis en in 1432 werd daarom het Rietgors al bedijkt tot het toen Nieuwe Land van Strijen. Nu bekent als het Oudeland van Strijen. Daarna werd in 1440 ten noorden van de Binnenbedijkte Maas het Oude Land van Mijnsheerenland bedijkt. Het was toen dat de oude Maas "Binnenbedijkt" raakte. Door deze bedijking is dit deel van de oude Maas behouden, overal buiten deze bedijking is de oude Maasgeul geheel aan het oog onttrokken door een dikke kleilaag. Hierdoor ligt de Binnenbedijkte Maas nu als een merkwaardig fossiel in het landschap.
De bedijking van de Hoeksche Waard begon eigenlijk pas in 1538. In 1653 werd ruwweg de huidige omvang van het eiland bereikt. Aanhakend aan de oude polders (de opwassen) ten noorden en zuiden van de Binnenbedijkte Maas, werden steeds opnieuw buitendijkse gorzen bedijkt (aanwassen). Zo ontstond een samenhangend stelsel van min of meer ronde polders, de opwassen, die worden omgeven door langgerekte aanwaspolders (zie figuur 3.5). Kenmerkend is het verschil tussen de oudere, noord-zuid georiënteerde aanwaspolders in het noordelijk deel van de Hoeksche Waard en de jongere, oost-west georiënteerde aanwassen in het zuiden.
Aan de randen van de Hoeksche Waard zijn het de buitendijkse gorzen en de omringende wateren die de openheid en het eilandkarakter vormgeven. Binnendijks wordt de openheid van het landschap vooral gedragen door de grondgebonden landbouw. Polder het Oudeland van Strijen, Munnikenland en St. Anthonypolder bezitten nog de kenmerken van oude veenpolders en bestaan merendeels uit grootschalige graslanden met onregelmatige strokenverkaveling en weinig opgaande beplanting. Boerderijen liggen in linten langs fraai beplante dijken (Cillaarshoek, Keijzersdijk). De wat hogere zeekleipolders zijn vrijwel geheel in gebruik als akkerland. De verkaveling is rationeel en de boerderijen liggen meer verspreid, deels op natuurlijke hoogten langs (voormalige) kreken. De opeenvolgende dijken met boombeplanting in met name het zuidelijke deel van de Hoeksche Waard en de doorsnijdingen met grillige kreken geven het landschap een specifiek karakter.
De zeer herkenbare temporele opbouw van het eiland is door de herinrichting van de jaren '70 en '80 van de 20ste eeuw aanzienlijk verminderd. Verschillen tussen oudere (vrij onregelmatige stroken /blokken) en jongere polders (rationeler en grootschaliger) zijn sterk afgenomen. In en rond de polder Het Oudeland van Strijen is de onregelmatige strokenverkaveling echter vrij goed bewaard gebleven. Bij de herinrichting is ook een aantal polderdijken geheel of gedeeltelijk afgegraven. Desondanks verdelen de dijken de Hoeksche Waard nog altijd in herkenbare eenheden en verlenen maat en karakteristiek aan het landschap.
Figuur 3.4: Historische kaart
Figuur 3.5: Jaartallen van ontstaan van de verschillende polders
De bodem van het plangebied en omgeving bestaat uit zeekleigronden en is dus van mariene oorsprong. De bodem van het plangebied bestaat grotendeels uit lichte klei met een homogeen profiel en is kalkarm. Een klein deel aan de noordkant, daar waar het plangebied aan de binnenbedijkte Maas grenst, bestaat de bodem uit zware zavel met een homogeen profiel en is de bodem kalkrijk.
Figuur 3.6: Bodemkaart
Het plangebied is omsloten door een boezemkade om overstroming vanuit de Binnenbedijkte Maas te voorkomen. Het waterpeil van de Binnenbedijkte Maas is een meter hoger dan het huidige polderpeil. Wanneer de aan te leggen waterpartij wordt aangesloten op het peil van de Binnenbedijkte Maas dient de boezemkade te worden omgelegd. Het landgoed komt hiermee buitendijks te liggen en er zullen voorzieningen moeten worden getroffen voor voldoende drooglegging.
Figuur 3.7: Historische kaart van rond 1900
De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden geeft voor heel Nederland indicaties van de kans (hoog, matig, laag en zeer laag) op het aantreffen van archeologische resten wanneer er werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. Die kans is afgeleid van indicatoren als de landschappelijke kenmerken en de bodemgesteldheid, maar geeft geen inzicht in de aard van de betreffende archeologische resten. Bovendien houdt de IKAW geen rekening met verstorende factoren (bijvoorbeeld landbouwactiviteiten zoals diepploegen of ruilverkaveling). In gebieden waar de trefkans, dus de kwantiteit, laag wordt verondersteld kunnen dus wel degelijk belangrijke vindplaatsen voorkomen, en omgekeerd kunnen in gebieden met een zeer positieve indicatie ernstige verstoringen hebben plaatsgevonden waardoor de verwachting uiteindelijk toch laag uitvalt.
Figuur 3.8: Indicatieve Kaart Archeologische Waarden
Figuur 3.9: Archeologische verwachtingenkaart, Kaartbijlage 2: Hoeksche Waard, Beleidsadvieskaart
Het plangebied wordt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden en de 'Archeologische verwachtingenkaart, Kaartbijlage 2: Hoeksche Waard, Beleidsadvieskaart definitief concept (3-11-2009)' (zie figuren 3.8 en 3.9) aangegeven als een gebied waar middelhoge trefkans is met een smalle strook aan de westkant waar een hoge trefkans is. Het gedeelte waar een middelhoge trefkans is, is een zeeafzetting waar bewoning vanaf de IJzertijd of Romeinse tijd heeft plaatsgevonden. De strook aan de westkant is een geulafzetting/stroomgordel waar bewoning vanaf de Bronstijd, IJzertijd of Romeinse tijd en soms plaatselijk vanaf het Neolithicum heeft plaatsgevonden. In paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op archeologie.
Met hun brede armen omsluiten Haringvliet, Hollands Diep, Dordtsche Kil, Oude Maas, en het Spui een eiland dat met zijn uitgestrekte polders een overweldigende indruk van rust en ruimte geeft. Dit is de Hoeksche Waard.
Langgerekte akkers, hoge rijk beboomde dijken met karakteristieke dijkbebouwing en oude kreken bepalen binnendijks het landschap. Buitendijks langs de rivieren vormen slikken, gorzen, grienden en uitgestrekte watervlakten het landschap.
De Hoeksche Waard is een zeer open gebied, kenmerkend voor het zeekleilandschap van Zuidwest-Nederland. Het gebied is grotendeels in gebruik voor de akkerbouw en bestaat uit een aaneenschakeling van ruime polders, gevat in een raamwerk van al dan niet beplante dijken en voormalige kreken. De Hoeksche Waard wordt geheel omringd door open water (Oude Maas, Dordtsche Kil, Hollandsch Diep en Spui). De buitendijkse natuurterreinen staan onder invloed van eb en vloed en zijn van (inter)nationaal belang. De dorpen in de Hoeksche Waard zijn representatief voor de nederzettingsvormen van het zuidwestelijk zeeklei-landschap.
De St. Anthonypolder is de enige bedijking van voor de St. Elizabethsvloed (1421) en heeft een kenmerkende verkaveling met lange smalle graslandkavels. Samen met de polder Het Oudeland van Strijen zijn de polders opmerkelijk in geologische en bodemkundige zin. Oude kreekrestanten veroorzaken op veel plaatsen hoogteverschillen. De combinatie van brak en zoet kwelwater zorgt voor een brak-zoete overgang die een groot effect heeft op de voorkomende plantensoorten. De polder het Munnikenland van Westmaas en de St. Anthonypolder hebben onder invloed van de Binnenbedijkte Maas een zoet karakter. Door de rust, openheid, goede waterkwaliteit (kwel) en waterrijke sloten zijn de oude veenkernen belangrijk voor weidevogels (grutto, kievit, tureluur) ganzen (kol-, brand- en rietganzen) en andere wintergasten (goudplevier, wulp) (website van de gemeente Binnenmaas). De noordelijke strook van het plangebied is onderdeel van de ecologische hoofdstructuur (ehs) (zie figuur 3.10).
Figuur 3.10: Ecologische Hoofdstructuur (donkergroen) en Natura 2000 Oudeland van Strijen (arcering)
Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de polder het Oudeland van Strijen. Deze polder valt onder de vogelrichtlijn en de ehs. Het Oudeland van Strijen is op 23 december 2009 definitief aangewezen als Natura 2000 gebied. Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de instandhouding van de betrokken natuurlijke habitat en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.
De basisgedachte is dat het plan zorgt voor een kwalitatieve verbetering van het landschap. Het landschap wordt integraal ontwikkeld, door het realiseren van natuur, water, een wandelroute en bebouwing. De fysieke kenmerken en kwaliteiten van de huidige plek vormen het vertrekpunt van de inrichtingsschets. Het ontwerp moet een logische stap zijn in de geschiedenis. De historie, de gelaagdheid van het polderlandschap en de ligging aan de binnenbedijkte Maas vormen tezamen een belangrijke inspiratiebron.
Voor de inrichting van het terrein zijn de volgende algemene uitgangspunten geformuleerd:
In het beleidskader van de provincie Zuid-Holland staat dat bij ontwikkeling van een landgoed van 10 hectare de bouw van twee landhuizen mogelijk is. In het geval van landgoed Munnikenweg heeft de provincie in haar brief aan het College van B&W van de gemeente Binnenmaas van 15 september 2008 (zie bijlage 1) toegestaan hiervan af te wijken, omdat de ruimtelijke kwaliteit door het plan aanzienlijk verbetert. De invloed van een extra landhuis op de beeldkwaliteit wordt nihil geacht. In een overleg met de provincie (d.d. 3 februari 2012) heeft de provincie aangegeven dat het gestelde in deze brief voor dit plan van toepassing blijft.
Het plangebied maakt deel uit van de Hoeksche Waard, die zich kenmerkt als zeer open gebied. Het gebied is grotendeels in gebruik voor de akkerbouw en bestaat uit een aaneenschakeling van ruime, open polders, gevat in een raamwerk van al dan niet beplante dijken en voormalige kreken (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1: Ruime, open polder gevat in een raamwerk van beplante dijken
Na de Elizabethsvloed was de polder 'Munnikenland' nog maar één van de weinige overgebleven polders. De polder 'Munnikenland' behoort dan ook tot de oudste polders van de Hoeksche Waard. Als we op de historische kaart van 1900 kijken is er in de openheid en beslotenheid van het landschap weinig tot niets veranderd. Wel is te zien dat er op perceelniveau schaalvergroting heeft plaatsgevonden. Veel sloten en sommige kades zijn verdwenen om grotere percelen te creëren. Zo ook in het plangebied. Op de archeologische kaart is te zien dat aan de westkant van het gebied een geulafzetting met stroomgordel aanwezig is. Hier heeft in het verleden een geul gelopen met op de stroomgordel wellicht bewoning.
Het plangebied grenst aan de zuidkant aan de polder 'Oudeland van Strijen', die is aangewezen als Natura 2000 gebied. Aan de noordkant is een strook van het plangebied onderdeel van de ecologische verbindingszone die langs de Binnenbedijkte Maas loopt. Ten oosten van het gebied ligt een "Oeverlandje", een nieuw aangelegde kreek die in verbinding staat met de Binnenbedijkte Maas, met daaromheen watergerelateerde natuur.
Bij de inrichting van het landgoed wordt aansluiting gezocht bij de landschappelijke structuren van de omgeving nu en vanuit het verleden. Ingespeeld wordt op de aanwezige natuur en ecologische verbindingszones en de aanwezigheid van een vroegere geul met stroomgordel. De bestaande boezemkade zal worden verlegd, waardoor in het landgoed de waterstand met een meter verhoogd wordt. De natuurlijke potenties van de plek (hoogteligging, waterhuishoudkundige situatie, bodemprofiel, e.d.) worden zoveel mogelijk benut en versterkt. Op deze manier ontstaat een grotere natuurlijke diversiteit en zijn er verschillen tussen hogere en lagere delen.
De natuurgronden zullen bestaan uit:
Het streefbeeld van de beplanting is een patroon van landschapselementen dat kenmerkend is voor het open zeekleilandschap van de polders rond de Binnenbedijkte Maas. Door de diversiteit in grondgebruik, de kreek, de sloten en de openheid binnen de polders en de bomenrijen langs de randen van de polder ontstaat er een uitstekend leef- en foerageergebied voor vogels, zoogdieren, vlinders en insecten. Het plangebied wordt zodanig vormgegeven dat een zo groot mogelijk stuk aaneengesloten natuur ontstaat. Deze nieuwe natuur sluit in het zuiden aan op het Natura 2000 gebied en in het noorden op de ecologische verbindingszone langs de Binnenbedijkte Maas (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2: Natuur van plangebied sluit aan op het Natura 2000 gebied
ver de natuurgronden komen wandelpaden, waarmee het gebied toegankelijker en beter beleefbaar wordt voor de recreant. Er wordt ruimschoots voldaan aan de eis uit de 'Nota Nieuwe Landgoederen in de Hoeksche Waard', dat er minimaal 25 meter wandelpad per hectare moet worden aangelegd. Door middel van een brug of een trekpontje is er een doorlopende route langs de Binnenmaas. Voor een gedetailleerdere beschrijving van de landschappelijke inrichting van het gebied en de ligging van de wandelpaden e.d. wordt verwezen naar de inrichtingstekening (figuur 4.3) en het Inrichting- en beheerplan (bijlage 2). Opgemerkt kan worden dat de inrichtingstekening (figuur 4.3) meer water(gangen) bevat dan op de verbeelding zijn aangegeven. Dit is gedaan omdat in deze fase de exacte ligging en dimensionering van de watergangen nog niet uitgewerkt is. Omdat het waterpeil fluctueert zal bij hoog water sowieso een belangrijk deel van het plangebied (tijdelijk) onder water komen te staan. Derhalve is in de bestemming Natuur ook water mogelijk.
Figuur 4.3: Inrichtingstekening
De landgoedbebouwing bestaat uit een ensemble van maximaal drie woningen op een compact bouwerf (zie figuur 4.3). Het bouwerf sluit qua vorm, maatvoering en vormgeving aan op de boerenerven in de omgeving en ligt in het bestaande bebouwingslint langs de Ritselaarsdijk en de Munnikenweg. Het bouwerf wordt dicht beplant, waardoor een sterk contrast ontstaat met de openheid van het landschap. Op het bouwerf worden in ieder geval één en uiteindelijk maximaal 3 woningen gerealiseerd. De woningen hebben de uitstraling en allure van een voornaam boerenerf. Het ontwerp is zodanig opgesteld dat de ruimtelijke kwaliteit zowel bij de bouw van één, als van twee, als van drie woningen overeind blijft. Mogelijk dat ter plaatse van de woning in de noordoosthoek tijdelijk een bijgebouw wordt gerealiseerd in plaats van een woning.
Op het gezamenlijk erf / pleintje worden voldoende parkeermogelijkheden gemaakt voor zowel bewoners als bezoekers. De gemeente heeft de totale behoefte aan parkeerplaatsen op het gezamenlijke erf geraamd op 6, hieraan wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast zijn voor de recreatieve bezoekers van het landgoed een 4-tal parkeerplaatsen aan de westzijde van het landgoed beschikbaar.
Aansluitend aan het bouwerf ligt een haventje voor enkele bootjes, zodat het landgoed ook vanaf de Binnenbedijkte Maas bereikbaar is. In het haventje is naast een steiger om aan te meren tevens voorzien in een aan het water verbonden botenhuisje, waarin een sloep gestald kan worden. Aan de overzijde van de haveningang is de mogelijkheid opgenomen voor een 'landmark' in de vorm van een prieeltje of een kunstwerk. Tot slot is ook aan de westzijde van het bouwerf een kleine steiger gepland, zodat ook hier een bootje kan worden aangemeerd.
Het bouwerf ligt bij het uiteinde van de kreek. Dit is een logische plek, omdat bewoning van oudsher langs de oevers van dit soort kreken plaatsvond. Het bouwerf sluit door middel van een brug en dam haaks aan op de Ritselaarsdijk.
Voor een uitgebreidere beschrijving van de landgoedbebouwing wordt verwezen naar het beeldkwaliteitplan (bijlage 3).
De laatste jaren is in toenemende mate het besef gegroeid dat ruimtelijke ordening en milieu twee beleidsvelden zijn die met elkaar te maken hebben, rekening met elkaar moeten houden en elkaar kunnen versterken. Het gemeenschappelijke doel dat aan beide beleidsvelden ten grondslag ligt, is het creëren van een goede kwaliteit van het leefmilieu (de omgevingskwaliteit). Om dit te bereiken geldt voor het ontwerp bestemmingsplan dat toetsing plaats dient te vinden aan specifieke ruimtelijke milieunormen zoals afstandsnormen en normen ten aanzien van geluid, bodem en luchtkwaliteit.
Wet geluidhinder
De Wet geluidhinder (Wgh) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van de weg. De breedte van de geluidzone langs wegen is geregeld in artikel 74 Wgh en is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (binnenstedelijk of buitenstedelijk). De betreffende zonebreedtes zijn in tabel 1 weergegeven.
Tabel 1: Zonebreedte wegverkeer
| Zonebreedte (m) | ||
| Aantal rijstroken | Stedelijk gebied | Buitenstedelijk gebied |
| 5 of meer | - | 600 |
| 3 of meer | 350 | - |
| 3 of 4 | - | 400 |
| 2 | 200 | 250 |
Het plangebied valt onder het buitenstedelijk gebied. Binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden-waarde in dB bepaald.
De berekende geluidbelasting dient getoetst te worden aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek (Akoestisch onderzoek Landgoed Munnikenlandscheweg te Westmaas en een update hiervan, zie bijlagen 5 en 6) geeft de volgende conclusie.
De initiatiefnemer is voornemens om een landgoed met daarin onder andere 3 woningen te realiseren in het gebied dat wordt omsloten door de Ritselaarsdijk, Munnikenweg en het water van de Binnenmaas.
Het doel van het akoestisch onderzoek is het berekenen van de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van de nieuw te realiseren woningen.
In de zin van de Wet geluidhinder is het onderhavige plangebied gelegen binnen de geluidzone van Ritselaarsdijk, Groeneweg en de Munnikenweg.
Met betrekking tot het verkeer op de onderzochte wegen blijkt uit de berekeningsresultaten dat de geluidbelasting ten hoogste 37 dB bedraagt vanwege het wegverkeer op de Ritselaarsdijk. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden.
Er kan dan ook worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de eisen van de Wet geluidhinder. Nader akoestisch onderzoek kan achterwege blijven.
Bedrijfsactiviteiten
Naast het geluid van wegverkeer kan er ook geluidhinder optreden als gevolg van bedrijfsactiviteiten in de omgeving van de geplande woningen. In de omgeving van het landgoed liggen de volgende bedrijven:
Bij akker- en tuinbouw - open grondsteelt; bedrijfsgebouwen gaat het om milieucategorie 2, bij veehouderij om maximaal milieucategorie 3.2, met een grootste richtafstand van 100 meter voor het aspect geluid. De nieuw geplande woningen liggen buiten deze zones.
Om de ontwikkeling van het nieuwe landgoed te kunnen uitvoeren is het vereist een historisch bodemonderzoek uit te voeren. Dit geldt voor zowel het te bebouwen gedeelte als voor het gedeelte waar natuur ontwikkeld wordt.
Door de Milieudienst Zuid-Holland Zuid is in november 2009 een historisch bodemonderzoek gedaan. Het resultaat hiervan is vastgelegd in de Milieurapportage Perceel E287, Munnikenweg ongenummerd, Westmaas (Milieudienst Zuid-Holland Zuid, nov. 2009, zie bijlage 7). Uit dit historisch onderzoek is gebleken dat het terrein onverdacht is.
Op basis van het advies van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid is in november 2010 een bodemonderzoek naar de slootdempingen uitgevoerd (zie bijlage 8). Gelet op de periode waarin de sloten zijn gedempt (1939-1959 en 1959-nu), worden de dempingen in principe als verdacht beschouwd. Uit de analyseresultaten van de grondmonsters blijkt dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarde overschrijden. Tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van de gedempte sloten is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek of sanerende maatregelen, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende tussen- en interventiewaarde. Op basis van de twee uitgevoerde onderzoeken kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen.
Op de risicokaart vaarwegen is te zien dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de Binnenmaas, dit water wordt alleen gebruikt door de recreatievaart. De dichtstbijgelegen provinciale wegen zijn de N 217 en de N 489. Deze liggen op ruim 2 km afstand van het plangebied. Tot slot zijn er geen BEVI-inrichtingen en ook geen buisleidingen aanwezig met invloedsgebieden reikend over het plangebied. Nabijgelegen bedrijven betreffen Akker- en tuinbouw - open grondsteelt bedrijven (milieucategorie 2) slaan niet dusdanige hoeveelheden gevaarlijke stoffen op dat dit van invloed is op de externe veiligeheid. Een nader onderzoek naar Externe veiligheid is daarom niet noodzakelijk.
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). In dit hoofdstuk heeft Nederland de Europese kaderrichtlijn (1996/62/EG), de eerste dochterrichtlijn (1999/30/EG) en de tweede dochterrichtlijn (2000/69/EG) geïmplementeerd in nationale wetgeving. Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen.
De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt.
In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Op 1 augustus 2009 is de wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen) in werking getreden, wat onder meer inhoudt dat aan de huidige grenswaarden voor stikstofdioxide (uurgemiddelde en jaargemiddelde) en fijn stof (24-uursgemiddelde en jaargemiddelde) respectievelijk pas op 1 januari 2015 en 1 juni 2011 hoeft te worden voldaan.
Daarnaast draagt een ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit wanneer de maximale toename als gevolg van de ontwikkeling niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide/fijn stof (=1,2 µg/m3). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Bovendien blijkt uit de Monitoringstool van het Ministerie van EL&I dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2011 en latere jaren lager zijn dan respectievelijk 37 en 30 ug/m3, waardoor met zekerheid kan worden gesteld dat de grenswaarde voor jaargemiddelde concentraties niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de grenswaarde voor het aantal overschrijdingen van de daggemiddelde concentratie fijn stof. Het plan draagt daarmee in niet betekende mate bij.
Verkeersaantrekkende werking
Het plangebied wordt omgevormd tot openbaar toegankelijk natuur voor bewoners en recreanten. Daarnaast worden drie woningen gerealiseerd. Niet wordt verwacht dat deze verandering een toename van de voertuigbewegingen ten gevolge heeft, dat leidt tot een relevante toename van de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof.
Huidige situatie
Locatie
Het plangebied ligt noordelijk van de Ritselaarsdijk bij Westmaas en grenst direct aan de Binnenbedijkte Maas of Binnenmaas. Het maaiveld in het plangebied varieert sterk (figuur 5.1). In het westelijke deel van het plangebied loopt het maaiveld op tot ca. NAP -0,2 m. In het midden van het perceel ligt de maaiveldhoogte rond NAP -1,0 à -1,2 m. Helemaal in het zuidoosten komen de laagste maaivelddelen voor, rond NAP -1,4 m.
Figuur 5.1: Maaiveldhoogte (bron: AHN2)
Oppervlaktewater
Waterpeilen
Het plangebied maakt in de huidige situatie deel uit van de polder Munnikenland (figuur 5.2). Het plangebied is het meest oostelijke deel van deze polder. Het waterpeil in de polder is een vast peil van NAP -2,10 m.
Figuur 5.2: Peilgebieden
Zuidelijk van het plangebied ligt de polder Overwater. Deze polder bestaat uit verschillende peilvakken. Het peilvak dat direct aan het plangebied grenst heeft een vast peil van NAP -2,70 m.
De Binnenmaas en het gebied direct oostelijk van het plangebied maken deel uit van de boezem. De boezem heeft een vast streefpeil van NAP -1,07 m. In de huidige situatie kan het waterpeil tot ca. 10 cm hoger of lager dan het streefpeil liggen. Wanneer het water hoger komt dan NAP -0,97 m wordt een maalstop voor de omliggende polders ingesteld, er mag dan geen water meer op de Binnenmaas worden geloosd. Dit komt (afhankelijk van de neerslag) 1 à 2 maal per jaar voor. In de komende jaren worden maatregelen getroffen rondom de Binnenmaas waardoor het waterpeil eventueel tijdens neerslag verder verhoogd kan worden. Ten aanzien van de drooglegging van de terp waarop de nieuwe woonhuizen komen heeft het waterschap Hollandse Delta geadviseerd dat op lange termijn het beste rekening kan worden gehouden met een waterpeil van maximaal NAP -0,57 m. Dit betreft de drooglegging van de terp en heeft geen betrekking op de prognose dat het peil in de Binnenbedijkte Maas in de toekomst incidenteel naar dit niveau kan stijgen.
Waterkwaliteit
Van het oppervlaktewater in de polders zijn weinig waterkwaliteitsgegevens beschikbaar. Over het algemeen is de biologische kwaliteit van het polderwater hooguit matig. Van het water in de Binnenmaas zijn wel gegevens bekend. Deze waterkwaliteit is over het algemeen redelijk. De zomergemiddelden stikstof- en fosfaatgehalte voldoen over het algemeen aan de grenswaarde. Ook de gehalten aan chloride voldoen vrijwel in de hele Binnenmaas aan de norm. Aan de zuidkant ligt het gehalte iets hoger, als gevolg van de brakke kwel in de diepe polders.
De Binnenmaas heeft de functie zwemwater. Op 2 locaties wordt in het zwemseizoen de bacteriologische kwaliteit van het water gemeten. Deze bacteriologische kwaliteit is meestal ruim voldoende. Het doorzicht is echter slecht. In de zomer komt vaak een doorzicht van slechts 20 cm voor, wat wordt veroorzaakt door overdadige algenbloei. In hoeverre bij algenbloei ook sprake is van bloei van blauwalgen, die tot stinkende drijflagen kan leiden, is niet helemaal duidelijk.
Waterkeringen
In de huidige situatie ligt aan de zuidkant van het plangebied de Ritselaarsdijk. Dit is een compartimenteringsdijk; een regionale kering die een scheiding vormt tussen twee polders (figuur 5.3).
Aan de oostkant en noordkant van het plangebied ligt de boezemkade. De norm voor de boezemkade is door de provincie vastgesteld. Dit is veiligheidsnorm I met een overschrijdingskans van gemiddeld 1/10 jaar. Oostelijk van het plangebied heeft de Ritselaarsdijk zowel de functie van compartimenteringsdijk als van boezemkade.
Figuur 5.3: Waterkeringen
Geohydrologische situatie
De geohydrologische situatie is afgeleid uit de gegevens die beschikbaar zijn in DinoLoket, een landelijke database met informatie over de bodem. In figuur 5.4a en 5.4b zijn de boringen in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Uit deze gegevens blijkt dat er sprake is van een deklaag met een dikte van ca. 12 meter dikte. Deze deklaag bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag begint het eerste watervoerende pakket. Dit pakket bestaat uit zandige afzettingen. de dikte van dit pakket is ongeveer 10 meter.
De fluctuatie van de grondwaterstanden in de deklaag wordt zowel door naburig oppervlaktewater als door neerslag en verdamping bepaald. In DinoLoket zijn de grondwaterstanden in enkele peilbuizen in de omgeving van de locatie beschikbaar (zie figuren 5.5 en 5.6). Peilbuis 43F97 staat op zeer korte afstand van de Binnemaas, enkele honderden meters westelijk an de locatie. Zichtbaar is dat de grondwaterstand hier maar heel weinig fluctueert, globaal tussen NAP -1,1 en -1,2 m. Dit hangt sterk samen met het waterpeil in de Binnenmaas van NAP -1,07 m.
Figuur 5.5: Fluctuatie grondwaterstand bij peilbuis pb43F97
Bij een tweetal peilbuizen die op ca. 275 m vanaf de Binnenmaas staan, wordt de grondwaterstand in de deklaag veel minder beïnvloed door het waterpeil van de Binnenmaas (peilbuis 43F132). De jaarlijkse fluctuatie wordt hier veel meer bepaald door neerslag en verdamping. De grondwaterstanden fluctueren hier tussen ca. NAP -1,5 à -1,75 m en NAP -2,75 à -3,0 m.
Figuur 5.6: Fluctuatie grondwaterstand bij peilbuizen pb43F132 en pb43F52
Op deze locatie is ook een peilbuis tot in het eerste watervoerende pakket aanwezig (peilbuis 53F52). De stijghoogte in dit pakket ligt tussen NAP -1,25 en NAP -1,5 m. Er is dus maar een beperkte fluctuatie. De stijghoogte ligt vrijwel altijd hoger dan de grondwaterstand in de deklaag. Er is dus sprake van een kwelsituatie. Door de grote weerstand van de deklaag (ca. 12 m klei en veen), is de grootte van de kwel beperkt, ca. 0,25 mm/dag.
Afvalwater
De woningen langs de Ritselaarsdijk zijn aangesloten op de persriolering. Het hemelwater wordt op de sloten geloosd.
Voor de nieuwe inrichting van het gebied is een inrichtingsschets opgesteld (figuur 4.3). Belangrijke aspecten in het plan zijn het ontpolderen van het plangebied, zodat een grote oppervlaktewater op het waterpeil van de Binnenmaas ontstaat en de realisatie van een wooneiland waarop enkele woningen worden gebouwd. De gronden buiten het wooneiland krijgen verschillende maaiveldhoogten, zodat gedeeltelijk moerasachtige gebieden ontstaan en ook wat drogere delen waar bijvoorbeeld schapen kunnen grazen. Voor de realisatie zijn verschillende maatregelen voorzien, die in het volgende worden toegelicht.
Omleggen waterkering
Om het plangebied te ontpolderen, kan de functie van de boezemkade aan de oostzijde en de noordzijde vervallen. De kade blijft wel in het veld aanwezig, op de inlaatopening na. Aan de westkant en zuidkant van het plangebied wordt een nieuwe boezemkade aangelegd. Als uitgangspunt voor de hoogte van de nieuwe boezemkade is 1 m boven het streefpeil van de Binnenmaas aangehouden, dus NAP -0,07 m (afgerond NAP 0,0 m). De kruin van de boezemkade moet verder minimaal 3 m breed zijn en de taluds 1:2 of flauwer. Ook het wooneiland krijgt deze maaiveldhoogte om te voorkomen dat hier wateroverlast ontstaat.
Figuur 5.7: ligging nieuwe boezemkade (rode lijn) op inrichtingsplan
In de watervergunning zijn de vereiste berekeningen met betrekking tot de stabiliteit van de kades aangeleverd. Uit nader onderzoek is gebleken dat voor het vrijwaren van wateroverlast bij de twee woningen aan de Ritselaarsdijk het noodzakelijk is hier een boezemkade te realiseren, om zodoende ter hoogte van de woningen een lager slootpeil te kunnen handhaven.
Voor het omleggen en doosteken van de boezemkade is een procedure voor het verkrijgen van een watervergunning gevolgd. Aan de detailuitwerking is in overleg met het waterschap verder invulling gegeven.
Watersysteem
Het watersysteem op het landgoed komt middels een brede instroomopening in open verbinding met de Binnenmaas te staan. Het waterpeil wordt dus NAP -1,07 m, met normale fluctuaties in de orde van plus en min 10 cm. In het westelijke deel van het plangebied komt een grote waterpartij te liggen. Om te voorkomen dat in het centrale deel van deze waterpartij veel waterplanten komen en om varen met jachtjes of andere niet te grote boten mogelijk te maken, krijgt het middendeel van de waterpartij een waterdiepte van ca. 1,5 m. De bodem komt dus op ca. NAP -2,6 m te liggen. Richting de Ritselaarsdijk neemt de waterdiepte af tot ca. 1 m, dus een bodemligging van NAP -2,1 m.
In het oostelijke deel van het plangebied komen meerdere sloten te liggen. Deze staan onderling met elkaar in verbinding en tevens met de grote waterpartij. Omdat de exacte locatie van de zuidelijke sloot nog niet bekend is, is deze niet apart als zodanig in dit bestemmingsplan aangeduid. Voorkomen wordt dat er doodlopende waterlopen ontstaan. De waterlopen krijgen verder ruime afmetingen, zodat het enerzijds mogelijk is om met een klein bootje door het gebied te varen en anderzijds de benodigde intensiteit van het onderhoud te beperken. Als richting wordt gedacht aan een bodembreedte van 3 à 4 m, taluds 1:2 en een waterdiepte van ca. 1 m.
De inlaatopening wordt voldoende breed om kleine bootjes toe te laten. Omdat in de Binnenmaas weinig stroming aanwezig is, zal dit echter niet een grote circulatie van water tot gevolg hebben. Overwogen wordt daarom om een stroming in het slotensysteem te forceren door op één punt een stuwtje te plaatsen en hier water met een klein windmolentje op te pompen, waarna het de andere kant op door de sloten stroomt.
Aangezien de kwaliteit van het water in de Binnenmaas over het algemeen redelijk is, zijn in het plangebied geen kwaliteitsproblemen te verwachten. Dit mede omdat langs de oevers van de grote waterpartij plas-draszones met rietvegetatie wordt voorzien die nutriënten vastleggen, evenals in het als moeras in te richten deel van het plangebied (tussen de woonterp en de Binnenmaas).
Om te voorkomen dat eventuele drijflagen van (blauw)algen het plangebied binnenkomen, kan een voorziening worden aangebracht om drijfbalken te plaatsen. Deze drijfbalken worden in principe alleen geplaatst wanneer er een risico is op drijflagen. Met drijfbalken wordt niet voorkomen dat alle algen buiten het plangebied blijven, maar omdat er een relatief grote waterdiepte in de waterpartij in het plangebied voorzien is, zal de opwarming hier kleiner zijn en zullen losse algen zich minder snel tot drijflagen ontwikkelen.
In de diepere polders rond de Binnenmaas komt brakke kwel voor. Hoewel in het plangebied een grote waterpartij wordt aangelegd, is een toename van (mogelijk brakke) kwel niet te verwachten. Ten eerste ligt de bodem van de waterpartij maar iets dieper dan het huidige polderpeil, dus er is geen significante afname van de bodemweerstand te verwachten. Het toekomstige waterpeil ligt bovendien ca. 1 m hoger dan het huidige polderpeil, waardoor de kweldruk in het plangebied afneemt. Er zal dus eerder een afname van brakke kwel zijn dan een toename ervan.
De maaiveldhoogte binnen het plangebied wordt verhoogd ten opzichte van de huidige situatie, omdat het waterpeil in de nieuwe situatie ca. 1 m hoger ligt dan in de huidige situatie. Gestreefd wordt om zoveel mogelijk met een gesloten grondbalans te werken, dus dat alleen grond wordt gebruikt die wordt ontgraven voor de aanleg van de waterpartij en de sloten. Omdat de te ontgraven grond vooral uit klei en veen bestaat, zal voor de woonterp waarschijnlijk zand worden aangevoerd. Bij de woonterp wordt een maaiveldhoogte van ca. NAP 0,0 m voorzien, evenals bij de nieuwe boezemkade aan de west- en zuidkant van het plangebied. Het 'weiland' aan de zuidoostkant krijgt een globale maaiveldhoogte van ca. NAP -0,25 m, dus ca. 0,8 m boven het waterpeil. De moerasachtige delen krijgen een lager maaiveld, zodat deze dichter bij het waterpeil liggen. Het uiteindelijke maaiveldniveau wordt mede bepaald door de vrijkomende grond, maar zal naar verwachting op ca. NAP -0,75 m liggen, ongeveer 0,3 m boven het waterpeil.
Wooneiland
Het wooneiland krijgt een oppervlakte van ca. 1 ha en is deels verhard. De neerslag van de verharding wordt geloosd op de nieuwe waterpartij. De oppervlakte van de waterpartij (ca. 1,75 ha) is ruim voldoende om in de benodigde retentie te voorzien en biedt bovendien extra retentie voor water dat op de Binnenmaas wordt geloosd.
De toegang vanaf de dijk naar de woonterp sluit haaks op de dijk aan. Het laatste stukje aan de dijk wordt conform de eisen van het waterschap vlak uitgevoerd, wat positief is voor de verkeerssituatie.
Het vuilwaterriool van het wooneiland wordt aangesloten op de persriolering in de Ritselaarsdijk. Voor de aansluiting van het wooneiland op de nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit, CAI, riool etc.) wordt door de nutsleveranciers een vergunning aangevraagd in verband met de kruising van de regionale waterkering.
Effecten omgeving
De bodem in en rond het plangebied bestaat uit ca. 10 m klei en veen. Deze heeft dus een geringe doorlatendheid. Een waterloop heeft daardoor slechts een beperkt effect op de grondwaterstanden in de omgeving.
Resultaten overleg en conclusie
Tijdens de planontwikkeling is meerdere malen contact geweest met de betrokken overheden. In het kader van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de gemeente Binnenmaas. Ook met het waterschap heeft afstemming plaatsgevonden. Met name in 2013 is intensief overleg gevoerd met het waterschap om tot een definitieve keuze van de inrichting van het landgoed en de consequenties voor de waterkering te komen.
Tijdens de planvorming heeft het waterschap in de zomer van 2013 een stuk ter informatie van het bestuur van het waterschap opgesteld, dat door de verschillende betrokken afdelingen wordt gesteund. In dit stuk is de voorgenomen inrichting toegelicht en zijn de gevolgen voor de omgeving en voor de nieuwe waterkering beschreven. Op 6 augustus 2013 is dit stuk besproken in de vergadering van Dijkgraaf en Heemraden. Het bestuur heeft een positief advies gegeven. Daarmee was de weg vrij om de vergunningaanvraag verder in behandeling te nemen. De watervergunning is inmiddels verkregen.
Naast afstemming met de overheden is ook enkele malen gesproken met de omwonenden en met de pachter van de Ritselaarsdijk. Met de pachter is ook tot overeenstemming gekomen betreffende de aanleg van de oprit naar het wooneiland.
Op 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridische kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten. Indien in een gebied een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient van tevoren een inventarisatie plaats te vinden van de eventueel aanwezige beschermde soorten. Deze mogen onder meer niet gedood, verjaagd, gevangen of verontrust worden. Indien beschermde soorten op de projectlocatie aanwezig zijn, dient schade zoveel mogelijk voorkomen en beperkt te worden. In dit kader is een natuurtoets uitgevoerd (Oranjewoud, oktober 2009. Natuurtoets Landgoed Munnikenlandscheweg, onderzoek naar beschermde natuurwaarden) die in februari 2012 is voorzien van een update. Onderstaand is de conclusie uit het rapport opgenomen. Het volledige rapport is als losse bijlage (9) aan deze toelichting toegevoegd.
Conclusie
Het resultaat van de natuurtoets is dat zich in het plangebied geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die de voorgenomen aanleg van het landgoed kunnen beïnvloeden. In het kader van de bestemmingsplanprocedure zijn vanuit flora en fauna geen belemmeringen voor de aanleg van het landgoed Munnikenweg.
Algemene soorten
De uitvoering van de werkzaamheden kan echter leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten. Door een zorgvuldige werkwijze in combinatie met de beste perioden van uitvoering, kan schade worden voorkomen.
Sinds de inwerkingtreding van het Vrijstellingsbesluit geldt voor de groep van algemene soorten een vrijstelling van de ontheffingsplicht. De aangetroffen en verwachte soorten in het plangebied die effecten ondervinden van de voorgenomen ingreep vallen onder deze groep van algemene soorten. Er hoeft dan ook geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd voor uitvoering van de werkzaamheden.
Natura 2000 en EHS
De werkzaamheden hebben geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het nabij gelegen Natura 2000-gebied en de EHS tot gevolg.
Zorgplicht
Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Omdat het plangebied op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland (CHS) en op de Indicatie Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten(RACM) een middelhoge en hoge verwachtingswaarde is toegekend is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Oranjewoud dec.2008 rapport nr 2008/107). Dit onderzoek is in mei 2013 geactualiseerd op basis van het in 2013 uitgevoerde karterende booronderzoek. Het onderzoek is als bijlage 4 opgenomen.
Op basis van het bureau- en veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat de kans dat zich binnen het onderzochte deel van het plangebied intacte archeologische waarden aanwezig zijn, laag kan worden ingeschat.
Dientengevolge wordt aanbevolen het (onderzochte) deel van het plangebied vrij te geven voor wat betreft archeologie. Overige delen van het plangebied worden nadrukkelijk niet vrijgegeven. Bij graafwerkzaamheden zouden, met name in het oostelijke deel van het plangebied, eventuele oeverwallen van de geul worden geraakt. Hierop zouden archeologische vindplaatsen aanwezig kunnen zijn.
Voor het niet onderzochte plangebied is een dubbelbestemming archeologie opgenomen (Waarde - Archeologie - 1 en Waarde - Archeologie -2), waarmee mogelijk aanwezige waarden worden beschermd. Deze bescherming is conform de 'Archeologische verwachtingenkaart, Kaartbijlage 2: Hoeksche Waard, Beleidsadvieskaart definitief concept (3-11-2009)'.
Er bestaat altijd nog een mogelijkheid dat tijdens graafwerkzaamheden toch (losse) sporen en/of vondsten worden aangetroffen. In dat geval bestaat er een wettelijke verplichting tot melding aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Binnenmaas.
Er zijn voor zover bekend geen ruimtelijk relevante kabels- en leidingen gelegen in het plangebied.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. De m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie of een bestemmingsplan.
Een m.e.r. is een uitgebreide procedure, waarbij een uitgebreid onderzoek (MER) naar de milieueffecten (verkeer, geluid, natuur, water, etc.) wordt uitgevoerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, waardoor een m.e.r. nodig is.
Concreet gaat het om de volgende voorgenomen activiteiten binnen de gebiedsontwikkeling die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn:
In de Besluit m.e.r., die op 1 april 2011 is gewijzigd (zie kader), zijn in de bijlage, onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkeling van Landgoed Munnikenweg, zijn niet opgenomen in onderdeel C of D en derhalve hoeft geen MER te worden opgesteld.
Het plan betreft een zogenoemde 'groen door rood'-ontwikkeling. Beleidsmatig is het plan gebaseerd op de regeling van de provincie Zuid-Holland voor de aanleg van 'nieuwe landgoederen', waarbij wel gebruik gemaakt wordt van een maatwerkoplossing (zie paragraaf 4.1). Een 'nieuw landgoed' is een combinatie van bos- en natuurontwikkeling enerzijds en de bouw van een klein aantal woningen in een landgoedachtige setting anderzijds. Het 'landschappelijke' gedeelte (minimaal 90% van de oppervlakte) wordt opengesteld voor publiek door middel van wandelpaden en eventueel een vaarroute. Het privégedeelte rond de woningen wordt ingericht als erf en tuin met landelijke uitstraling en zo veel mogelijk aansluitend op het omringende landschap.
Het plangebied aan de Munnikenweg / Ritselaarsdijk wordt voor het grootste deel ingericht als moerasgebied. Doel is versterking van de landschappelijke en ecologische waarde, vergroting van de waterbergingscapaciteit en verbetering van de waterkwaliteit rond de Binnenbedijkte Maas. Om dit te bereiken wordt de boezemkade, die nu op de oever van de Binnenbedijkte Maas ligt, landinwaarts verplaatst. Er ontstaat een vergelijkbare situatie als in de onlangs aangelegde 'Oeverlandjes' iets verder oostelijk.
Door de verplaatsing van de boezemkade komt het plangebied buitendijks te liggen en wordt het gemiddelde waterpeil ruim een meter hoger dan in de uitgangssituatie. Het gebied zal voor een klein deel onder water komen te staan, in de rest van het plangebied komt het maaiveld slechts enkele decimeters boven het water te liggen. Door dit alles zal een moerasbiotoop ontstaan.
Het beheer van de hoger gelegen delen, zoals de boezemkades wordt gericht op de ontwikkeling van bloemrijk grasland, door niet te bemesten en te verschralen door maaien en afvoeren en/of door extensieve begrazing.
In het westelijke deel van het gebied wordt een kreek uitgegraven die aansluit op de Binnenbedijkte Maas. In het verre verleden heeft hier ook een kreek gelegen. De vrijkomende grond wordt onder meer gebruikt voor de aanleg van de nieuwe waterkering en de aanleg van een terp waarop de woningen worden gebouwd.
Er komt een wandelroute vanaf de Ritselaarsdijk over de boezemkade naar de Binnenmaas. Vervolgens loopt het pad verder langs de Binnenmaas over de (voormalige) boezemkade, via een verbinding over de nieuwe kreek, verder naar de oostzijde van het plangebied. Daarbij bestaat de verbinding over de nieuwe kreek waarschijnlijk uit een brug of een voetveer. Aan de noordoostzijde van het plangebied buigt het pad af het moerasgebied in, een deel van dit pad zal daarom waarschijnlijk worden uitgevoerd als vlonderpad en/of wordt het pad licht verhoogd aangelegd. Vervolgens sluit het pad aan op de openbare weg direct ten oosten van het plangebied en via dit pad weer op de Ritselaarsdijk.
Tegen de Ritselaarsdijk aan en grenzend aan de nieuwe kreek komt het bouwerf met een ensemble van twee of drie woningen in een boerenerf-achtige opstelling. De woningen worden 'ingekaderd' met beplanting, waarmee een contrast ontstaat tussen het besloten erf en het open gebied eromheen. Het bouwerf ligt buitendijks en wordt daarom opgehoogd. De ontsluiting van het bouwerf vindt plaats via een brug en een dam die haaks aansluit op de Ritselaarsdijk. Naar de eis van het waterschap sluit de brug/dam met een recht plateau horizontaal aan op de dijk. De aanleg en het gebruik van deze oprit naar de Ritselaarsdijk wordt via de watervergunning met het waterschap geregeld.
Wat het parkeren betreft wordt voor de bezoekers van de bewoners en voor de bewoners zelf op het bouwerf voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De gemeente heeft een inschatting gemaakt van de parkeerbehoefte voor landgoed, deze komt uit op 6. Hierin wordt op het gezamenlijke erf/pleintje ruim voorzien.
Voor een uitgebreide beschrijving van het plan wordt verwezen naar het Inrichting- en beheerplan en het Beeldkwaliteitplan (zie bijlagen 4 en 5).
In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de juridische regeling van het landgoed. De juridische regeling bestaat uit een verbeelding en de set regels. Deze onderdelen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen dan ook altijd gezamenlijk geraadpleegd en gelezen te worden.
Op de verbeelding van het ontwerp bestemmingsplan 'Landgoed Munnikenweg Westmaas' zijn de verschillende percelen binnen het plangebied "ingekleurd" met een bepaalde bestemming, waarvoor in de voorschriften allerlei regels zijn vastgelegd. Er zijn de volgende bestemmingen:
In een deel van het plangebied zijn mogelijk nog archeologische waarden aanwezig, deze worden beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie-1' dan wel 'Waarde - Archeologie-2. De gronden die niet binnen een van deze bestemmingen is opgenomen zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek in het verleden.
Hiernaast is er voor de nieuwe boezemkade en voor een smalle zone langs de Ritselaarsdijk de dubbelbestemming: Waterstaat - Waterkering. En voor de EHS zone langs de Binnenbedijkte Maas de dubbelbestemming: Waarde - EHS.
Op de verbeelding staan verder diverse aanduidingen, die dienen voor de leesbaarheid (kadastrale indeling of bestaande bebouwing) of betrekking hebben op wat er wel of niet is toegestaan. Zo is bijvoorbeeld de toegestane maximale goot- en bouwhoogte aangegeven.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen (artikel 1 en 2), hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsregels (artikel 3 t/m 9), Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen (artikel 10 t/m 12) en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels (artikel 13 en 14).
Begrippen; de in de regels gebezigde begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.
Wijze van meten; een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.
Artikel 3 t/m 9
De bestemmingen. De meeste bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:
De in dit plan opgenomen bestemmingen zijn:
Artikel 6 Waarde - Archeologie-1
Artikel 7 Waarde - Archeologie-2
Artikel 9 Waterstaat - waterkering
Anti-Dubbeltelregel; in deze regel is geregeld dat gronden die reeds bij een verleende bouwvergunning zijn meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe bouwvergunning of het doen van een mededeling in aanmerking mag worden genomen.
Algemene gebruiksregels; waarin is aangegeven welk gebruik strijdig is met het bedoelde gebruik in het bestemmingsplan.
Algemene aanduiding; hierin wordt een botenhuis toegestaan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht; hierin staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruiksactiviteiten die afwijken van de bestemmingen en/of de regels in het bestemmingsplan;
Slotregel; dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.
Inzake de economische uitvoerbaarheid van het plan wordt met de initiatiefnemer een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten. Hierin wordt onder andere bepaald dat initiatiefnemer verantwoordelijk is voor de proceskosten. In deze overeenkomst wordt ook de exploitatie van het landgoed meegenomen.
De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is getoetst door het opsturen van het voorontwerp plan naar de verschillende overlegpartners. Naast de overlegpartners is een ieder in de gelegenheid gesteld het plan te beoordelen.
In hoofdstuk 8 is aangegeven op welke manier de maatschappelijke uitvoerbaarheid precies getoetst is en op welke wijze dit heeft geleid tot een aanpassing van het voorontwerp bestemmingsplan, resulterend in dit ontwerp bestemmingsplan.
Ingevolge de inspraakverordening is het voorontwerp bestemmingsplan 'Landgoed Munnikenweg Westmaas' voor de inwoners van de gemeente Binnenmaas en voor de in de gemeente belang hebbende natuurlijke- en rechtspersonen ter inzage gelegd van 27 augustus 2012 tot en met 8 oktober 2012. Gedurende deze periode konden zowel mondeling als schriftelijk inspraakreacties ten aanzien van het voorontwerp bestemmingsplan naar voren worden gebracht. Deze reacties zijn samengevat in de Nota van inspraak die als bijlage 10 bij het bestemmingsplan is opgenomen.
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerp bestemmingsplan 'Landgoed Munnikenweg Westmaas' voorgelegd aan de volgende instanties:
Er zijn vooroverlegreacties ontvangen van Waterschap Hollandse Delta, LTO Noord, Hoekschewaards Landschap en de Commissie Cultureel Erfgoed. Deze reacties zijn samengevat in de Nota van inspraak die als bijlage 10 bij het bestemmingsplan is opgenomen.
Naar aanleiding van de inspraakreacties en het overleg wat in de loop van 2013 heeft plaatsgevonden is onderhavig ontwerp bestemmingslan op enkele onderdelen gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp zoals dat in 2012 ter inzage heeft gelegen. Het betreft de volgende wijzigingen: