direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0281.BP00025-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

De gemeente Tiel herziet het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied, inclusief herzieningen en wijzigingen, tot één actueel en digitaal bestemmingsplan Buitengebied voor de gemeente dat tevens aansluit op de plansystematiek van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente. De gemeente besloot daartoe omdat zij, op grond van de Wro, over een actueel, digitaal (IMRO2012I SVBP2012) en digitaal gepubliceerd (IMRO2012I STRI2012) bestemmingsplan dient te beschikken. Het in overwegende mate geldende bestemmingsplan Buitengebied (1ste herziening) dateert uit 2008 en dient eens in de 10 jaar geactualiseerd te zijn om te voldoen aan de eisen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Daarnaast heeft de provincie in 2014 ook een Omgevingsverordening opgesteld (en latere herzieningen en actualisaties) waarvan een aantal regels en onderwerpen binnen een bepaalde termijn in een bestemmingsplan moeten worden opgenomen. De basis voor het voorliggende bestemmingsplan is gelegd in de Gebiedsvisie Buitengebied, zoals deze op 23 maart 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Momenteel werkt het Rijk aan een nieuwe Omgevingswet. De nieuwe wet vervangt 26 bestaande wetten op het gebied van onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Met de nieuwe wet beoogt het Rijk de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar af te stemmen, duurzame projecten te stimuleren en gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte te geven om hun omgevingsbeleid af te stemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen. Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. De invoering van de Omgevingswet is voorzien in 2021.

De gemeente heeft in de voorbereiding op het opstellen van het voorontwerp in de geest van de Omgevingswet belanghebbenden in het plangebied opgeroepen ideeën en wensen aan de gemeente door te geven. Op deze manier wil de gemeente, in het kader van voorsortering op de Omgevingswet, de participatie vormgeven. Het doel moet voorop staan en de houding bij het beoordelen van initiatieven is 'ja, mits' in plaats van 'nee, tenzij'. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen.

Bij 'ja mits' geeft de gemeente in principe toestemming voor een ontwikkeling mits er aan een aantal voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet er getoetst worden of er draagvlak is bij de omgeving, en of er overlast wordt ondervonden door de omgeving? Daarnaast mag het initiatief geen schade toedoen aan de drie speerpunten van de gebiedsvisie, en mag het initiatief ook geen schade doen aan het karakter van de vijf genoemde zones.

Daarnaast geeft de gebiedsvisie een dynamisch afwegingskader weer waaraan initiatieven worden afgewogen.

Inhoudelijk kan het nieuwe bestemmingsplan niet op de nieuwe wet anticiperen, omdat er geen gebruik kan en mag worden gemaakt van regels die nog geen wetskracht hebben.

1.2 Gebiedsvisie buitengebied

Ter voorbereiding voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is de Gebiedsvisie opgesteld. De visie is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen. Met belanghebbenden en betrokken vanuit het gebied, overlegpartners en het openbaar bestuur is discussie gevoerd over de opgave, de uitgangspunten en de concept visie. Hierdoor is maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak gecreëerd en zijn actuele thema's, trends en ontwikkelingen integraal meegenomen.

De visie vormt enerzijds de basis voor het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied. Anderzijds vormt het een op zichzelf staand afwegingskader dat kan worden gebruikt bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Belangrijk onderdeel daarvan is het zogenaamde Dynamisch afwegingskader. Het versterken en behouden van de kwaliteit van het buitengebied staat in de visie centraal. Daarnaast worden er binnen ruime kaders mogelijkheden geboden voor initiatiefnemers om te ontwikkelen en een bijdrage te leveren aan de kwaliteiten van het landschap.

De relevante uitgangspunten, die zijn vastgelegd in de visie en verder zijn uitgewerkt in het voorliggende bestemmingsplan, worden in hoofdstuk 4 van deze toelichting behandeld.

Indien een ontwikkeling niet past binnen het voorliggende bestemmingsplan, dan wil dat niet zeggen dat er geen medewerking kan worden verleend. Dan kan een nadere beoordeling aan de hand van de Gebiedsvisie Buitengebied en met name het daarin opgenomen Dynamisch afwegingskader plaatsvinden. Uitgangspunt bij die beoordeling is een 'ja, mits-benadering', waarbij beoordeeld wordt in hoeverre de gevraagde ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de kwaliteiten van het buitengebied en met name het landschap.

1.3 Opzet bestemmingsplan

De gebiedsvisie bevat aanwijzingen voor het op te stellen bestemmingsplan. Een belangrijke aanwijzing is dat het bestemmingsplan zich primair gaat richten op het juridische goed regelen van de bestaande en legaal aanwezige situatie en daarbij beperkte uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan deze bestaande functies. Voor kleinschalige ontwikkelingen met beperkte invloed op de omgeving bevat het bestemmingsplan een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Dit betreft bijvoorbeeld het (onder voorwaarden) omzetten van voormalige agrarische bedrijfslocaties naar wonen. Verder zijn ontwikkelingen meegenomen in dit bestemmingsplan naar aanleiding van een concrete wens of concreet verzoek, mits deze ruimtelijk voldoende zijn onderbouwd en positief zijn beoordeeld door het gemeentebestuur. Een overzicht hiervan is opgenomen in Bijlage 3.

Andere ontwikkelingsmogelijkheden zijn niet opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gaat de gemeente uit van het 'ja, mits'-principe. Bij dit principe is het dynamisch afwegingskader (zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de Gebiedsvisie Buitengebied) leidend in de afweging. Er is ruimte voor passende ontwikkelingen in het buitengebied, mits er sprake is van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van dit afwegingskader kan maatwerk worden geleverd bij het beoordelen van initiatieven. Bij een positief oordeel van de afweging doorloopt zo'n ontwikkeling dan een eigen procedure.

1.4 De begrenzing van het plangebied

Het plangebied heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente Tiel, zie onderstaande afbeelding. Uitzondering hierop vormen de kleine kernen Wadenoijn, Kapel-Avezaath en Bergakker.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0001.jpg"

Globale begrenzing plangebied

1.5 Geldende bestemmingsplannen

Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld 16 maart 2005 en 1 november 2005 gedeeltelijk goedgekeurd door GS en het bestemmingsplan Buitengebied - eerste herziening, vastgesteld 17 september 2008 en goedgekeurd door GS. Daarnaast gelden enkele kleinere herzieningen en wijzigingsplannen.

1.6 Verantwoording en leeswijzer

Het bestemmingsplan Buitengebied bestaat uit:

  • een toelichting;
  • regels;
  • een digitale verbeelding.

Het plan is gebaseerd op een aantal onderzoeken. Wat betreft de verantwoording van de 'bestaande situatie' kan worden teruggevallen op de veldinventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto's en de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), zoals de gemeente deze bekend waren ten tijde van het opstellen van het voorontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied.

Hoewel het bestemmingsplan een beherend karakter heeft, dat wil zeggen dat voor de meeste percelen de feitelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden overeenkomen met de toegestane situatie conform voorgaande bestemmingsplanregelingen, is in een aantal gevallen gebleken dat de huidige situatie niet overeenkomt met de regeling uit het voorgaande bestemmingsplan. Deze situaties ontwikkelen zich in veel gevallen gaandeweg de planperiode, bijvoorbeeld door veranderd stedenbouwkundig inzicht, als gevolg van functiewijziging en/of veranderingen in gebruik. Ook ruimtelijke ontwikkelingen en vernieuwing van onder andere ruimtelijk, economisch, verkeerskundig en milieubeleid zijn in veel gevallen verantwoordelijk voor het feit dat bestemmingsplannen niet in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie.

In het kader van een bestemmingsplanherziening is het de taak van de gemeente te onderzoeken of het feitelijk gebruik kan worden voortgezet of dat er handhavend opgetreden moet worden. Om deze reden zijn voornoemde percelen door de gemeente afzonderlijk ruimtelijk afgewogen, teneinde te kunnen beoordelen of het bestemmingsplan in overeenstemming kon worden gebracht met de feitelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel (opheffen strijdige situatie). In die gevallen waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden een goede ruimtelijke ordening niet in de weg stonden of de strijdige situatie stedenbouwkundig, economisch, verkeerskundig en milieutechnisch aanvaardbaar bleek, is de feitelijke situatie in dit bestemmingsplan positief bestemd.

Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. In het inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding, plangebied en planvorm van het bestemmingsplan. Het inleidende hoofdstuk omvat tevens de leeswijzer. Hoofdstuk 2 bevat de visie voor het buitengebied. Dit betreft de integrale visie uit de Gebiedsvisie Buitengebied. Hiermee wordt de relatie tussen visie en bestemmingsplan duidelijk. De visie vormt namelijk het belangrijkste kader voor het voorliggende bestemmingsplan.

Daarnaast hebben het rijk en de provincie regels geformuleerd die moeten worden doorvertaald naar het voorliggende bestemmingsplan. die staan beschreven in hoofdstuk 3.

Een beschrijving van het plangebied en de functionele aspecten staan centraal in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 zijn de onderzoeksaspecten opgenomen. In hoofdstuk 6 volgt een uiteenzetting van de juridische regeling, In hoofdstuk 7 wordt tenslotte ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid, de handhavingsaspecten en wordt verslag gedaan van het gevoerde overleg.

Hoofdstuk 2 Integrale visie

In dit hoofdstuk is de visie op hoofdlijnen uit de Gebiedsvisie Buitengebied (zie Bijlage 1) opgenomen als verbinding naar het voorliggende bestemmingsplan.

2.1 Zonering gebieden met prioritaire functies

De gebiedsvisie bestaat uit een visiekaart en ondersteunende teksten. Op de bijgaande kaart is een zonering met prioritaire functies aangegeven. Deze functionele zonering vormt een belangrijke basis voor de omschrijving van functionele ontwikkelingsmogelijkheden. De zones zijn ontleend aan de beschreven gebiedsanalyse en de kernkwaliteiten, maar ook de belangrijkste beleidszones hebben invloed gehad op de keuzen voor de zones.

Essentieel hierbij is dat Tiel kiest om aan te sluiten bij de regionale speerpunten. Deze zijn vertaald naar de situatie voor het buitengebied van Tiel:

  • 1. Verdere ontwikkeling als gebied voor de fruitteelt. Regionaal wordt ingezet op tuinbouw in de breedte, maar het accent in Tiel ligt vooral op de fruitteelt.
  • 2. Versterking van de toeristische en recreatieve mogelijkheden van het buitengebied met aandacht voor de cultuurhistorische waarden als drager van toerisme en recreatie.

In aanvulling op de regionale speerpunten geldt voor Tiel ook:

  • 3. Behoud en ontwikkeling van de groenblauwe kwaliteiten van de Linge en de uiterwaarden van de Linge en de Waal.
    De groenblauwe kwaliteiten leveren een belangrijke bijdrage aan de aantrekkingskracht van het gebied voor toerisme en reactie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0002.png"

Zonering gebieden met prioritaire functies

De visiekaart komt voort uit een aantal verschillende analyses en kaartmaterialen. De kaartmaterialen welke de basis vormen voor deze visiekaart zullen ook in dit bestemmingsplan gebruikt worden. (Bijvoorbeeld in 4.1 Landschap, cultuurhistorie en archeologie)

Onderstaand worden de zones op hoofdlijnen nader toegelicht:

Groenblauwe zone: Dit betreft de gebieden die deel uitmaken van het provinciale Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone, evenals enkele overige natuurgebieden. In grote lijnen betreft dit de uiterwaarden langs de Waal inclusief de wetlands Passewaay, de Linge en het omliggende Lingedal. Behoud en ontwikkeling van de groenblauwe natuur- en landschapswaarden heeft in deze zone dus de prioriteit. Bestaand agrarisch gebruik binnen deze zone kan worden voortgezet. Daarnaast zijn extensieve vormen van recreatie toegestaan. Het terugdringen van het sluipverkeer op de Lingedijk/Lingeweg is een aandachtspunt. Dit dient echter buiten het kader van het bestemmingsplan buitengebied te worden opgelost. Ook het autoluw maken van belangrijke toeristische fietsroutes is een aandachtspunt, wat eveneens niet via het bestemmingsplan oplosbaar is.

Rivieren: Voor de volledigheid is de Waal als rivier op de kaart weergegeven. De hoofdfunctie van het water zijn de waterstroom en waterbergingsfunctie.

Gemengd landelijk gebied: Dit betreft de karakteristieke, kleinschalige oeverwallen langs de Linge. Hier is sprake van een afwisseling van fruitteelt, bedrijvigheid en wonen. Door de kleinschaligheid van dit gebied is het geschikt voor een grotere diversiteit aan plattelandsfuncties. Het gebied ten noorden van de A15 heeft grote landschappelijke en recreatieve waarde. Kleinschalige ontwikkelingen die deze karakteristiek versterken worden ondersteund.
Het gebied Overlinge heeft nadrukkelijk ook potenties voor recreatieve en landschappelijke versterking. Rondom het Gat van Mourik is een recreatieve ontwikkeling mogelijk.

(Grondgebonden) agrarisch gebied: Dit betreft het agrarische landschap ten zuiden van de Lingedijk-Wadenoijen en ten zuiden van Passewaaij. De bebouwing is voornamelijk geconcentreerd in enkele bebouwingslinten met doorzichten naar het achterliggende landschap. Op sommige plekken is dit nog relatief open. Dit gebied is primair bedoeld voor de grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Daarbij dienen de doorzichten in de bebouwingslinten en de gebieden met relatieve openheid te worden gerespecteerd.

Stedelijk uitloopgebied: Dit betreft twee gebiedsdelen aan de rand van de bebouwde kom van Tiel. Het eerste gebied ligt strategisch tussen de Waal en de bijbehorende natuurgebieden en de bebouwde kom van Tiel. Het tweede deelgebied ligt tussen de bebouwde kom en de Linge (en ten oosten van de Groenstraat).
Beide gebieden hebben grote potenties om zich te ontwikkelen tot een stedelijk uitloopgebied in de vorm van verbrede landbouw, recreatieve routes en dagrecreatieve functies in vrijkomende agrarische bebouwing. Ook nieuwe buitenplaatsen zijn hier passend. Onderdeel van dit deelgebied is het Inundatiekanaal. Dit is van belangrijke cultuurhistorische betekenis (aangemeld als Unesco werelderfgoed). Functies die hierop inspelen worden gestimuleerd.

2.2 Ja, mits

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gaat de gemeente uit van het 'ja, mits'-principe. Bij dit principe zijn deze visie en het dynamisch afwegingskader (zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de Gebiedsvisie Buitengebied) leidend in de afweging. Er is ruimte voor passende ontwikkelingen in het buitengebied, mits er sprake is van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

De ontwikkeling van de kwaliteit van het landschap staat centraal in deze nieuwe strategie. Niet als onveranderbaar en knellend kader voor ontwikkelingen, maar juist als inspiratiebron en basis voor een innovatieve sociaaleconomische ontwikkeling. Sterke contrastrijke landschappen kunnen ruimte bieden aan een veelheid van functies, mits de vorm waarin zij zich manifesteren bijdraagt aan de kernkwaliteiten van dat landschap.

De beschrijving van de kernkwaliteiten van de landschappelijke deelgebieden in hoofdstuk 2 vormt daarom een belangrijke onderlegger van de nieuwe strategie.

Met 'kwaliteit centraal' kiest de gemeente Tiel voor een nieuw ordeningsprincipe op basis waarvan vormen van gebruik in het buitengebied op een nieuwe wijze afgewogen kunnen worden en de blokkades voor innovatie die voortvloeien uit de traditionele scheiding van 'stedelijke functies' en 'buitengebied functies' vervangen wordt door een viertal principes:

  • A. zonering prioritaire functies
  • B. zonering dynamiek-luwte-rust
  • C. behoud van de balans
  • D. bijdragen aan de kwaliteit van het landschap

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk zijn het integrale beleid en de regelgeving beschreven die relevant zijn voor het buitengebied en voor zover het betreffende beleid een directe doorwerking heeft naar het bestemmingsplan. De voornaamste beleidskaders stelt het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente zelf. Naast de hierna benoemde beleidsdocumenten zijn er in Tiel verschillende sectorale beleidsdocumenten en uitvoeringsnota's ontwikkeld. Dit beleid (zoals archeologie) komt, waar nodig, aan de orde bij de beschrijving van de beleidsuitgangspunten in hoofdstuk 3.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De kaders van het nieuwe rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie heeft als credo 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. De SVIR omvat drie hoofddoelen, die als volgt zijn geformuleerd:

  • Concurrerend: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.
  • Bereikbaar: Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
  • Leefbaar en veilig: Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op bijvoorbeeld ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur.

De juridische borging van de nationale belangen in bestemmingsplannen vindt plaats door middel van de AMvB Ruimte. Een toetsing vindt hierna plaats. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de SVIR.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan gemeenten opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in de AMvB Ruimte. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) kunnen worden beschermd.

Van de nationale belangen die in de AMvB Ruimte zijn geregeld, zijn de volgende van toepassing op het plangebied:

  • Rijksvaarwegen: de Waal is aangewezen als een CEMT-klasse vaarweg. Dit is een vaarwegklasse zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport (CEMT), gebaseerd op de afmetingen van standaardschepen en duwstellen. Er geldt een vrijwaringszone aan weerszijden vanaf de vaarweg, afhankelijk van de CEMT-klasse, gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg. Er dient rekening te worden gehouden met onder andere de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. In dit bestemmingsplan worden binnen deze zones geen ontwikkelingen bij recht toegestaan. Een beschermende regeling is daarmee niet nodig.
  • Grote rivieren: de Waal behoort tot de vier grote rivieren van Nederland. Het nationale belang strekt zich tot het vrijhouden van het stroomvoerend deel van het rivierbed en het tegengaan van grootschalige en kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met het stroomvoerend deel van het rivierbed door middel van een (dubbel)bestemming.
  • Natuurnetwerk Nederland: ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) heeft het Rijk in de AMvB Ruimte aangegeven dat provincies in haar verordeningen regels moeten stellen ter bescherming van de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie Gelderland heeft deze doorvertaling gemaakt in haar Omgevingsverordening. Deze verordening komt bij het provinciale beleid aan bod. De doorvertaling van het rijks- en provinciaal natuurbeleid in de paragraaf 4.2.
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament: gronden waarop een primaire waterkering (en beschermingszone) ligt of die de functie van een primaire waterkering hebben, worden bestemd als Waterstaat - Waterkering. Wijzigingen van bestemmingen op gronden met de functie van primaire waterkering of beschermingszone zijn alleen mogelijk als daardoor geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering. De betreffende dubbelbestemmingen en aanduidingen worden in het bestemmingsplan opgenomen.

De hiervoor genoemde onderdelen zijn in het bestemmingsplan vertaald. Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de AMvB Ruimte.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ministerie I en M) heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. Met ingang van 1 oktober 2012 dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven dat wordt voldaan aan:

  • behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan;
  • binnen- of buitenstedelijk: indien sprake is van een actuele regionale behoefte dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties;
  • bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien moet worden gekozen voor een locatie buiten het stedelijke gebied dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft geen gevolgen aangezien het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden biedt, waarop de ladder toeziet. De kleinschalige ontwikkelingsmogelijkheden beperken zich tot uitbreidingsmogelijkheden op bestaande percelen, op basis van al bestaande rechten en op ontwikkelingen in het kader van het functieveranderingsbeleid.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie en verordening

Op 9 juli 2014 stelden Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie vast. De bijbehorende Omgevingsverordening is vervolgens op 24 september 2014 vastgesteld. Op 18 oktober 2014 zijn de Omgevingsvisie en de -verordening Gelderland in werking getreden. Op 1 januari 2018 zijn geconsolideerde versies van de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie vastgesteld.

De Omgevingsvisie en -verordening bevatten de belangrijkste maatschappelijke opgaven in Gelderland. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening bevat de regels, waarmee het beleid uit de visie is vastgelegd.

Het provinciale beleid uit voornoemde beleidsdocumenten is uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan. In navolgende subparagrafen is het provinciale beleid om deze reden nader toegelicht.

De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze opgaven zijn:

  • een duurzame economische structuur;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.

Via cocreatie en uitnodigingsplanologie streeft de provincie ernaar sneller in te spelen op de maatschappelijke ontwikkelingen in Gelderland.

Relevante punten zijn:

  • Beschermen van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Nieuwvestiging en grootschalige ingrepen zijn alleen mogelijk wanneer er geen reële alternatieven zijn of een groot maatschappelijk belang in het geding is. Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. In paragraaf 4.2 is nader ingegaan op de gevolgen voor dit bestemmingsplan.
  • Het Inundatiekanaal is in de verordening beschermd als het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde. De gemeente Tiel ondersteunt het Pact van Loevestein, waarin de bescherming hiervan is afgesproken. In paragraaf 4.1.3 is nader ingegaan op de gevolgen voor dit bestemmingsplan.
  • De gemeente Tiel beschikt over een intrekgebied, boringsvrije zone en koude-warmteopslagvrije zone. Deze gebieden zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. In paragraaf 4.3 is nader ingegaan op de gevolgen voor dit bestemmingsplan.
  • Het gebied ten noorden van de A15 maakt onderdeel uit van het Nationaal Landschap Rivierengebied. De aanwijzing heeft te maken met de afwisseling van hogere oeverwallen met lagere gronden langs de Linge, alsmede de rijke afwisseling van boomgaarden, gras- en bouwlanden, buurtschappen, dorpen en beeldbepalende boerderijen. De inliggende meanderende Linge met smalle uiterwaarden wordt als kernkwaliteit gezien. In paragraaf 4.1.2 is nader ingegaan op de gevolgen voor dit bestemmingsplan.
  • Initiatieven voor functieverandering in het buitengebied moeten de aanwezige en te ontwikkelen economie en gebiedskwaliteiten versterken. Daarbij geldt dat het 'nieuwe rood' in het buitengebied een kwaliteitsverbetering moet zijn in het gebied in de vorm van sloop en/of hergebruik van vrijkomende bebouwing (functieverandering) of ontwikkeling van nieuwe natuur. In het bestemmingsplan zijn daartoe flexibiliteitsregelingen opgenomen.
  • Ruimte voor kwaliteitsverbeteringen en innovatie van recreatiebedrijven. De provincie werkt niet mee aan de bouw van solitaire recreatiewoningen. De huidige kwaliteit van de dagrecreatieterreinen en routestructuren behouden of verbeteren. Samenhang brengen in de Gelderse wandel- en fietsroutenetwerken als basis voor het Gelderse recreatief toeristisch product en voor de stad- landverbindingen voor het langzame verkeer. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe recreatiebedrijven mogelijk. Verkeer en recreatief medegebruik voor wat betreft het gebruik van wegen en wandel - en fietspaden is bij recht toegestaan in de agrarische bestemming;
  • De provincie faciliteert de land- en tuinbouw en biedt individuele ondernemers ontwikkelingsruimte om economisch concurrerend en duurzaam te produceren, bijvoorbeeld op het gebied van:
    • 1. vergroting van agrarische bouwpercelen;
    • 2. structuurversterking van grondgebonden landbouw;
    • 3. clustering en herstructurering van tuinbouw;
    • 4. stimulering van innovaties.

Zie paragraaf 4.4.

  • De provincie stelt geen grens aan de bedrijfsomvang van een grondgebonden veehouderijbedrijf. Een voorwaarde voor de groei van grondgebonden veehouderijbedrijven is dat de productie grondgebonden blijft. In bestemmingsplannen moet de gemeente een definitie van een grondgebonden veehouderijbedrijf opnemen. In de definitie is vastgelegd dat de opbrengst van de agrarische cultuurgrond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen beschikt, grotendeels kan voorzien in de ruwvoerbehoefte. De uitbreiding moet ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Zowel op de schaal van het gebouw, het erf en de inpassing van het erf in het landschap dient aandacht te zijn voor de ruimtelijke kwaliteit. Ook voor niet-grondgebonden veehouderijen is het beleid aangepast (o.a. met het Plussenbeleid), zie paragraaf 4.4.
3.2.2 Ambitiedocument 2016-2020, Regio Rivierenland

In dit werkdocument heeft de regio in september 2015 drie speerpunten vastgelegd voor een ijzersterke regio, te weten:

  • Agribusiness: de tuinbouw in de regio wordt nóg meer toonaangevend in Europa:
    Al van oudsher is de agrarische sector het meest kenmerkend voor deze regio. Het klimaat, het landschap en de voedingsrijke bodem leveren hiervoor de optimale randvoorwaarden. De sector is daarmee bepalend geworden voor de invulling van het landschap en de identiteit van de regio. Het landschap wordt gekenmerkt door kleinschaligheid, maar verschuift steeds meer naar grootschalige agrarische activiteiten. De regionale identiteit wordt met name bepaald door het fruit dat hier duidelijker aanwezig is dan elders. In de regio ligt de nadruk op tuinbouw, productie en handel.
    Bij de opgaven wordt onder andere benoemd dat de agribusiness met de samenleving moet worden verbonden (verbrede plattelandsontwikkeling).
  • Economie en logistiek: de ambitie is om de derde logistieke hotspot van Nederland te worden: De centrale ligging van de regio en de doorsnijding met twee belangrijke verkeersaders en grote waterwegen maken de regio uitermate geschikt voor logistieke ontwikkeling. Vanwege de export van onze agrarische producten ligt hier van oudsher ook een verbinding tussen agribusiness en logistiek. De agribusiness legt zich ook steeds meer toe op logistieke activiteiten. Dankzij de voortdurende ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie kunnen nationale distributiecentra zich in deze regio (kostenefficiënt) vestigen terwijl ze voldoen aan de wens van hun klanten om razendsnel te leveren.
  • Recreatie en toerisme: op dit thema wordt gestreefd naar een jaarlijkse omzetgroei van 5%:
    Het landschap, de identiteit en het imago verkregen uit de agrarische sector vormen de aanleiding voor talloze recreatieve ontwikkelingen en activiteiten, zoals het Fruitcorso, Appelpop en de Bloesemtocht. De keuze voor recreatie en toerisme als speerpunt is een logische. Maar er moet nog veel gedaan worden. Ook hier kan focus helpen, bijvoorbeeld door recreatieve ontwikkeling rond het thema 'fruit' te verkiezen boven niet-fruit gerelateerde initiatieven. Op dit moment is logiesverstrekking en dagattractie nog onvoldoende ontwikkeld.

De betreffende speerpunten zijn waar mogelijk opgenomen in het bestemmingsplan.

3.2.3 Ruimtelijke Strategische Visie Regio Rivierenland

Gemeente Tiel werkt in de regio samen met andere gemeenten. Daarbij is een visie ontwikkeld over wat de beste strategie is om de regio ( economisch en ruimtelijk) te ontwikkelen. Daarbij is gekozen voor een aantal speerpunten die de gemeente Tiel onderschrijft en ook heeft vastgelegd in de omgevingsvisie. Ze zijn dan ook van toepassing op het bestemmingsplan.

Het gaat om de volgende 3 speerpunten:

  • 1. Verdere ontwikkeling als gebied voor de fruitteelt. Regionaal wordt ingezet op tuinbouw in de breedte, maar het accent in Tiel ligt vooral op de fruitteelt.
  • 2. Versterking van de toeristische en recreatieve mogelijkheden van het buitengebied met aandacht voor de cultuurhistorische waarden als drager van toerisme en recreatie.

In aanvulling op de regionale speerpunten geldt voor Tiel ook:

  • Behoud en ontwikkeling van de groenblauwe kwaliteiten van de Linge en de uiterwaarden van de Linge en de Waal. De groenblauwe kwaliteiten leveren een belangrijke bijdrage aan de aantrekkingskracht van het gebied voor toerisme en reactie.

Het bestemmingsplan past binnen deze visie.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030

De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 17 februari 2010 de Structuurvisie Tiel 2030 vastgesteld. De voor het buitengebied belangrijkste elementen daaruit zijn hieronder aangegeven:

  • Het benutten van het Lingelandschap als groen uitloopgebied door te investeren in het verbeteren van bestaande routes en realiseren van nieuwe routes.
  • De uiterwaarden van de Linge maken grotendeels onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur en daarom geldt daar een beheeropgave.
  • Eenduidige inrichting van het groen langs het Inundatiekanaal en uitbreiden van routes langs het kanaal.
  • Voor het gebied ten noorden van de A15 wordt ingezet op actieve landschapsontwikkeling, met als doel de kleinschaligheid te vergroten en nieuwe routes toe te voegen.
  • Opgave Overlinge is vooral gericht op het vergroten van de recreatieve en landschappelijke kwaliteiten door actieve landschapsontwikkeling (terugdringen schaalvergroting in het landschap). Kleinschaligheid vergroten en nieuwe routes toevoegen. Hierbij wordt gedacht aan het verkleinen van (te) grootschalige fruitpercelen en het verwijderen van Fruitteelt in de uiterwaarden van de Linge, of waar deze het zicht op de Linge blokkeert.
  • Voor heel Overlinge geldt dat fruitgerelateerde bedrijvigheid altijd een grondgebonden component moet hebben. Bedrijven waarbij dit niet (meer) het geval is kunnen terecht op het bedrijventerrein Medel (of Kellen).
  • Behoud landbouwfunctie en openheid in het kommengebied door terughoudendheid in het toestaan van nieuwe verstedelijking en opgaand groen en eventuele nieuwe infrastructuur te bundelen met bestaande. Bouwen in het buitengebied moet geld genereren voor landschapsverbetering in de directe omgeving.
  • Nieuwe langzaamverkeersroute op de noordelijke oeverwal van de Linge. Verbonden met de stad door nieuwe inprikkers vanuit Drumpt en Passewaaij.
  • Nieuwe langzaamverkeersroute langs de Zennewijnense Wetering als nieuwe verbinding richting het oude dorp Passewaaij.
  • Onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn voor een recreatieve ontwikkeling (met mogelijk ruimte voor verblijfsrecreatie) langs de noordwestrand van het Gat van Mourik.
  • Bij het uitbouwen of realiseren van nieuwe dorpen en buurtschappen is een belangrijke rol voor cultuurhistorie als bindmiddel weggelegd.
3.3.2 Milieuvisie Tiel 2010-2020

De milieuvisie is in 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Milieuvisie 2010-2020 is aangegeven wat de milieudoelstellingen van de gemeente voor deze periode zijn. De visie valt in twee delen uiteen. Het eerste deel geeft een doelstelling voor 2020 per milieuthema aan. Het tweede deel omschrijft de gewenste milieukwaliteit die bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nagestreefd. Daarbij is de gewenste milieukwaliteit afgestemd op het gebiedstype. De gebiedstypen 'wonen in het groen' geldt voor het gebied tussen Waal en Passewaaij, en 'buitengebied' voor overig buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0004.png"

Omdat de milieukwaliteit in Tiel op veel plaatsen wezenlijk beter is dan de wettelijke milieunormen aangeven, is het uitgangspunt van de Milieuvisie om deze kwaliteit tenminste te behouden.

De bijbehorende na te streven milieukwaliteit zoals gedefinieerd voor onder andere de thema's geluid, luchtkwaliteit en bodem kan consequenties hebben voor het ontwerp en de inrichting van deze ontwikkellocaties. Daarom is bij de wijzigingsbevoegdheden in de regels opgenomen dat vanuit milieuoogpunt geen bezwaar mag bestaan tegen de voorgenomen ontwikkeling, hetgeen inhoudt dat de relevante milieuaspecten onderzocht moeten worden voordat tot wijziging kan worden overgegaan.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop het gemeentelijke beleid wordt vertaald naar het bestemmingsplan. Daarbij is rekening gehouden met het beleid van rijk en provincie, zoals behandeld in hoofdstuk 3, en het meer sectorale beleid van de gemeente en andere overheden. De beleidsuitgangspunten voor het bestemmingsplan en de planopzet zijn per functie, dan wel waarde uiteengezet. Daar waar raakvlakken met andere functies en/of waarden liggen, is dit expliciet aangegeven.

Daarnaast wordt wet- en regelgeving die in directe relatie staat met de relevante ruimtelijke thema's in dit hoofdstuk beschreven. Ook is aangegeven hoe hier in het bestemmingsplan mee wordt omgegaan. Dubbele regelgeving met andere overheden (provincie, waterschap) wordt zoveel mogelijk voorkomen.

4.1 Landschap, cultuurhistorie en archeologie

4.1.1 Landschap

De gemeente Tiel maakt onderdeel uit van het rivierenland. Een landschap waarin de rivieren nadrukkelijk hun sporen hebben achtergelaten en in grote mate de huidige verschijningsvorm bepaald hebben.

In de Gebiedsvisie zijn de verschillende landschapstypen opgenomen. In het plangebied zijn in grote lijnen twee karakteristieke landschapstypen1 te herkennen (zie kaart landschapstypen) en worden in deze paragraaf nader toegelicht:

  • 1. Het rivieren- en uiterwaardenlandschap
  • 2. Het oeverwallen- en stroomruggenlandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0005.png"

Indeling twee karakteristieke landschapstypen

Het rivieren- en uiterwaardenlandschap

In het buitengebied van Tiel kunnen twee gebieden tot dit landschapstype gerekend worden:

  • De Waal en uiterwaarden
  • De Linge en het Lingedal

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0006.png"

Het rivieren- en uiterwaardenlandschap

DEELGEBIED 1a Karakteristiek van De Waal en uiterwaarden

De Waaldijk (Waalbandijk, Ophemertse- en Echteldsedijk) vormt door zijn hoogte een sterke visuele grens met het overige buitengebied van Tiel. De uiterwaarden van de Waal staan hoofdzakelijk in het teken van natuurontwikkeling, waardoor er nauwelijks bebouwing aanwezig is. De enige grootschalige en beeldbepalende bebouwing vormt de steenfabriek bij Passewaaij. Hoog opgaande beplanting komt in beperkte mate voor en is met name aan de voet van de dijk gelegen.

De Waal met de uiterwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De opgave voor Natura-2000 gebieden is met name het verbeteren van de watercondities, verminderen van de belasting met stikstof en verbeteren van de onderlinge verbinding. Centraal staat het beheer en de inrichting van natuurgebieden en herstel van omgevingscondities. Sprekend voorbeeld is het buitendijkse natuurgebied Wetlands-Passewaaij: een uiterwaardennatuur met grote grazers, onder invloed van de dynamiek van de rivier.

Op de plek waar de Waal en het Amsterdam-Rijnkanaal elkaar ontmoeten is sprake van een vrijwel leeg en weinig ontgonnen landschap: de Willemspolder.

DEELGEBIED 1b Karakteristiek van De Linge en het Lingedal

De Linge is de langste geheel in Nederland gelegen rivier. De Linge benedenstrooms van Tiel is op een natuurlijke wijze ontstaan. De Linge is een lange, kronkelige rivier met een kleinschalig, natuurlijk en rustig karakter. De dijken zijn duidelijke en cultuurhistorische waardevolle landschappelijke grenzen. Over het algemeen is er sprake van een scherp contrast tussen het open rivierdal met weinig begroeiing en bebouwing en het meer besloten oeverwallenlandschap. Door de rivierloop is de richting van het gebied (oeverwallen) sterk oost-west georiënteerd.

De rivier en het beekdal hebben vooral een hoge recreatieve, ecologische en cultuurhistorische waarde. Aan de dijken zijn waardevolle dorpsgezichten micro-reliëf, oude beekpassages, bruggen en kleine landschapselementen te vinden.

In het deelgebied liggen kansen voor het versterken van de groenblauwe kwaliteiten en het verbeteren van de recreatieve infrastructuur (bijvoorbeeld verbeteren en aanleggen van routes). Centraal staat de beleving van de samenhang van het Lingedal. De uiterwaarden maken deel uit van de Gelders Natuurnetwerk. Dit gebied kent hoge natuurwaarden. De herkenbaarheid en continuïteit van de dijken is belangrijk.

Ter hoogte van Zoelen komt de Linge samen met de Doode Linge. Dit gebied maakt onderdeel uit van het Nationale Landschap Rivierengebied (nadere toelichting onder oeverwallen- en stroomruggenlandschap). Een deel van het Lingedal vormt onderdeel van de molenbiotoop van de molen 'De Korenbloem'.

Het oeverwallen- en stroomruggenlandschap

De opbouw van het oeverwallen- (hoog) en kommensysteem (laag) is een gevolg van het afzettingsmechanisme van de meanderende Linge. De Linge heeft gezorgd voor een brede oeverwal aan weerszijden van haar waterloop. Naar het westen toe worden de oeverwallen smaller. Stroomruggen zijn oeverwallen langs verdwenen rivierlopen, die zich kenmerken door de van nature gevormde verhoogde ligging. Op de oeverwallen en stroomruggen zijn de nederzettingen ontstaan. Kenmerkend voor de hogere delen zijn de erfbeplantingen, boomgaarden, houtsingels en hagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0007.png"

Het oeverwallen- en stroomruggenlandschap

DEELGEBIED 2a Karakteristieke oeverwallen rondom de Linge

Het oeverwallenlandschap rondom de Linge is een kleinschalig landschap met een slingerende dijk, pittoreske kleine dijkdorpen en een afwisseling van boomgaarden, akkers, weilanden, tuinbouw en fruitteelt. Het gebied heeft van oorsprong een besloten en kleinschalig karakter met een onregelmatige blokverkaveling en een kleinschalig reliëf. De oeverwallen volgen de rivier de Linge en hebben daardoor een sterke oost-west richting.

De bebouwing is karakteristiek vanwege het onregelmatige patroon in de vorm van linten en kleine kernen op de oeverwallen en zijn beeldbepalend voor het gebied. In de kernen is sprake van fraaie beplantingen in de vorm van laanbomen, (monumentale) erfbomen, treur- en leibomen en hagen.

Kenmerkende dorpen aan de Linge zijn Wadenoijen en Kapel-Avezaath. Wadenoijen strekt zich als kleinschalige nederzetting uit langs de Lingedijk en de Vergardeweg. Oorspronkelijk betekent de naam 'doorwaadbare plaats'. Het dorp Kapel-Avezaath is in de middeleeuwen ontstaan op een stroomrug van de Waal. Het landschap rondom Kapel-Avezaath en De Eng wordt gewaardeerd vanwege de openheid en het zicht richting het open Lingedal. Er is sprake van een fijnmazig en gevarieerd Lingelandschap. Juist de afwisseling van boomgaarden, akkers en weilanden maakt dit gebied aantrekkelijk.

DEELGEBIED 2b Karakteristiek stroomruggen en komgebieden

Het zuidelijke deelgebied onderscheidt zich van het gebied rondom de Linge, vanwege het overwegend open (agrarische) landschap, de gestructureerde verkaveling, het beperkte reliëf en de bebouwing die zich overwegend beperkt tot aan centraal gelegen ontginningslinten (zoals de Bommelweg en Bredestraat). Landschappelijke beplanting komt met name voor in de vorm van laanbeplanting en vrijstaande bomen in het landschap. Plaatselijk is sprake van meer besloten beplanting in de vorm van bospercelen en houtsingels.

De Bommelweg vormt een belangrijke structuurdrager in het gebied en is een oude verbinding tussen Est en Wadenoijen. De erven zijn op wisselende onderlinge afstanden aan deze weg gelegen, waardoor de achterliggende openheid zeer zichtbaar aanwezig is. Van oudsher beperkte de bebouwing en beplanting (fruitteelt) zich tot de hoger gelegen stroomrug. Tegenwoordig is er echter een ontwikkeling waar te nemen van groter wordende bedrijven en toenemende fruitteelt richting de openheid van het komgebied.

Ten zuiden van de uitbreidingswijk Passewaay is sprake van een zeer open landschap. De openheid is vergelijkbaar met het gebied rondom de Bommelweg. Echter, de kavels zijn ruimer opgezet en rondom de Bredestraat is sprake van minder erven.

DEELGEBIED 2c Karakteristiek verstedelijkingszone

Tussen Passewaay en de Waalbandijk/Ophemertsedijk is sprake van een kleinschaliger landschap dat onder druk staat van de verstedelijking rondom Tiel. Datzelfde geldt voor een tweede deelgebied tussen de bebouwde kom en de Linge (en ten oosten van de Groenstraat).

Op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan hebben zich in deze deelgebieden al buitenplaatsen en functieveranderingen naar wonen voorgedaan (bijvoorbeeld buitenplaats Nijenrode en woningen aan de Kruisstraat 1 en 5a).

Deze gebieden hebben potentie om zich verder als stedelijk uitloopgebied te ontwikkelen, zowel in de richting van wonen als recreatieve functies.

Kernkwaliteiten

In de gebiedsvisie is per deelgebied nader ingegaan op de kernkwaliteiten. Kortheidshalve wordt daar naar verwezen.

4.1.2 Regeling landschappelijke waarden in bestemmingsplan

Het bestemmingsplan richt zich op het in stand houden van de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied van Tiel en schept randvoorwaarden voor herstel en ontwikkeling.

Daarnaast is het gebruik van de gronden voor de winning van schaliegas niet toegestaan. Dit is in de algemene gebruiksregels opgenomen.

Onderscheid agrarische bestemmingen

In de geldende bestemmingsplannen is onderscheid gemaakt in de bestemming Agrarisch gebied en Agrarisch gebied met hoge landschapswaarden. Dit onderscheid heeft met name betrekking op omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.

In het nieuwe bestemmingsplan is aangesloten bij de landschappelijke deelgebieden, zoals beschreven in paragraaf 4.1.1. Er is één bestemming Agrarisch opgenomen en zijn de deelgebieden door middel van gebiedsaanduidingen weergegeven op de verbeelding. Voor drie deelgebieden zijn de specifieke waarden nader omschreven in artikel 39.2 en komen terug in het vergunningenstelsel voor voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Voor de deelgebieden die vallen onder het rivieren- en uiterwaardenlandschap is gelet op de kenmerken één aanduiding opgenomen. De specifieke landschappelijke aanduidingen uit de geldende regelingen komen te vervallen.

Hiermee wordt recht gedaan aan de geldende rechten, de landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten en is sprake van een overzichtelijke, eenduidige en herkenbare regeling.

Ontwikkelingsmogelijkheden

De landschappelijke en cultuurhistorische deelgebieden spelen ook een rol in de beoordeling van initiatieven. De kernkwaliteiten in de onderscheiden landschappelijke deelgebieden zijn daarbij richtinggevend voor de wijze waarop ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het landschap.

4.1.3 Cultuurhistorische kwaliteiten

In de kadernota cultuurhistorie heeft de gemeente haar verplichtingen en ambities ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie vastgelegd. Het doel van de kadernota is het ontwikkelen en vaststellen van (sectoraal) cultuurhistorisch beleid, maar tevens het bereiken van een integratie met andere beleidsvelden en een integraal planproces. In de kadernota wordt hierbij uitgegaan van de volgende missies:

  • Cultuurhistorie maakt integraal deel uit van de identiteit en de ontwikkeling van Tiel;
  • Het erfgoed is van ons allemaal en Tiel laat haar geschiedenis zien;
  • Behoud door ontwikkeling maakt het mogelijk cultuurhistorie als toegevoegde waarde en niet als beperking te ervaren;
  • Cultuurhistorie wordt vroegtijdig ingezet in de ontwikkelingen.

In 2005 is de kadernota verder uitgewerkt in de vorm van een gebiedsdekkend onderzoek. Op basis hiervan zijn een ‘historisch-geografische en architectuurhistorische kenmerkenkaart’ een ‘archeologische waarden- en verwachtingskaart’ en een ‘geomorfogenetische en archeologische kenmerkenkaart’ opgesteld. De kaart cultuurhistorie laat de verschillende historisch-geografische en architectuurhistorische kenmerken in het buitengebied zien. Deze kaart is doorvertaald in een waarderingskaart. Te zien is dat de Linge en het beekdal aangeduid zijn met een hoge kwaliteit. Ditzelfde geldt voor het zuidelijke deel van de uiterwaarden aan de Waal en de Bredestraat als verbinding tussen de Lingedijk en de Bommelweg. Verder is er voor vrijwel het gehele buitengebied sprake van een redelijk hoge waardering. Dit heeft alles te maken met de vroegere bewoning en gebruik van het gebied, waardoor er sprake is van een rijke bewoningsgeschiedenis die zijn sporen heeft achtergelaten. Voor de overige gebieden geldt een basiskwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0011.png"

De aanwezigheid van de verschillende historisch-geografische en architectuurhistorische kenmerken in het buitengebied maakt dat het behoud, versterking en vernieuwing van deze waarden uitgangspunt is bij de afweging van belangen bij wijziging van bestaande en bij nieuwe vormen van grondgebruik in het plangebied.

Nieuwe Hollandse Waterlinie - Inundatiekanaal

Het inundatiekanaal neemt een bijzondere plaats in de geschiedenis van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). De Nieuwe Hollandse Waterlinie staat op de voorlopige lijst van UNESCO voor 2019. Bij toekomstige ruimtelijke ingrepen aan het kanaal staat duurzaam behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten voorop. Voor het kanaal zelf zit dat met name in het behoud van de historische waterwerken en het cultuurhistorisch profiel. De doorgaande waterlijn kan prima worden benut als recreatieve verblijfsplek en route tussen de Linge en de Waal, met aantakkingsmogelijkheden vanuit de (stedelijke) omgeving. In het bestemmingsplan is een beschermende regeling opgenomen.

Molenbiotoop

Net buiten het plangebied aan de Molenstraat nabij Zoelen is de molen 'De Korenbloem' aanwezig met bijbehorende molenbiotoop. Windmolens met een monumentenstatus vormen een onlosmakelijk onderdeel van de regionale identiteit. Daarom streeft Gelderland naar het behoud en bescherming van molenbiotopen. Met onderhavige ontwikkeling dient hiermee rekening te worden gehouden. De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van het functioneren door middel van een vrije windvang.

Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving van de molen.

In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de Molenbiotoop wordt geen nieuwe bebouwing dan wel beplanting toegestaan, tenzij in de toelichting bij het plan is aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. In het bestemmmingsplan is daarom een beschermende regeling opgenomen.

Waardevolle panden

Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden zijn in de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst vastgelegd. De rijksmonumenten zijn reeds beschermd op basis van de Monumentenwet. Voor de overige gemeentelijke monumenten op basis van de gemeentelijke monumentenverordening en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden is in het plan een regeling opgenomen. Bij eventuele sloop van monumenten dient een gemeentelijke monumentenvergunning te worden aangevraagd.

4.1.4 Archeologie

In 2010 zijn de aanwezige archeologische (verwachtings)waarden juridisch geborgd in het Paraplu-bestemmingsplan Archeologie. Deze archeologische waarden zijn recent herijkt. In het bestemmingsplan buitengebied is deze herijking vertaald in passende bestemmingen.

In het bestemmingsplan is op basis van voornoemd beleid en onderscheid in waarden een aantal dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen waarin is vastgelegd bij welke grondroeringen (minimale oppervlakte en diepte), voorafgaand archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Deze voorwaarden kunnen maatregelen betreffen ten behoeve van behoud van archeologische waarden in de bodem, het doen van opgravingen of begeleiding van de werkzaamheden door een archeoloog.

In het plangebied komen ook archeologische monumenten voor. Bij Passewaaij betreft dit een nederzetting uit de Romeinse tijd en bij de Rijsakkerweg een middeleeuwse dam. Deze zijn ondergebracht in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1.

Verder is in het plan een bevoegdheid opgenomen de dubbelbestemming Waarde – Archeologie te verwijderen, nadat is vast komen te staan dat de bescherming van (potentiële) archeologische waarden niet langer noodzakelijk is.

4.2 Natuur

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998).

De soortenbescherming is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving.

De gebiedsbescherming is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde "Speciale Beschermingszones" op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen worden deze zones aangeduid als het "Natura 2000 netwerk".

Op grond van de Wnb moet wanneer er bij ontwikkelingen sprake is van een "significant (negatief) effect" op een Natura 2000-gebied een zogenoemde "passende beoordeling" worden uitgevoerd, zie paragraaf 5.5.

4.2.1 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland 2018 en Provinciale Omgevingsverordening 2018

Het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het provinciale natuurbeleid. De EHS is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur is uitgewerkt in het Natuurbeheerplan Gelderland (2018) en Provinciale Omgevingsverordening Gelderland (2018).

Beschermingsregime Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse EHS en anderzijds uit een zoekgebied van 7.300 ha voor 5.300 ha nieuwe natuur. Deze zoekruimte voor nieuwe natuur in het GNN is in de Omgevingsvisie opgenomen als toelichtende kaart. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. Het beleid met betrekking tot het GNN is ten eerste gericht op de bescherming en het herstel van de aanwezige natuurwaarden, ten tweede op de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden.

De Groene Ontwikkelingszone

De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit alle gebieden met een andere bestemming dan natuur binnen de voormalige Gelderse EHS. Het beleid met betrekking tot de GO is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones, waaronder landgrensoverschrijdende klimaatcorridors. In de Omgevingsvisie is een toelichtende kaart opgenomen van de verbindingszones. De ontwikkelingsdoelstelling is tweeledig: ontwikkeling van functies in combinatie met versterking van de kernkwaliteiten natuur en landschap.

Kernkwaliteiten GNN en GO

De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en naar behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Natuur en landschap zijn het kapitaal van Gelderland. De opgaven die de provincie en haar partners hierbij zien, zijn:

  • het behouden en mogelijk vergroten van de biodiversiteit (soortenrijkdom) in de natuur;
  • het verbinden van de Gelderse natuur met natuurgebieden in aangrenzende provincies en Duitsland;
  • het betrekken van mensen in een gebied bij het beheer van hun natuur en landschap.

De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk die beschermd en ontwikkeld moeten worden, zijn in de Omgevingsvisie omschreven. De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden.

De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk zijn vervlochten met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond.

De gemeente respecteert de Groene Ontwikkelingszone, maar bestaand agrarisch gebruik moet mogelijk blijven binnen de daar ter plaatse geldende randvoorwaarden vanuit water en natuur.

De kenmerken en waarden van deze gebieden zijn te vinden in bijlage 6 en 7 van de provinciale Omgevingsverordening.

Stiltegebieden

In het zuiden van het plangebied is in de provinciale Omgevingsverordening een stiltegebied aangewezen. In dit gebied gelden beperkingen met betrekking tot het genereren van geluid. Hiervoor zijn enkel regels in de provinciale Omgevingsverordening opgenomen. Hier zijn geen regels aan verbonden die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de omgevingsverordening weergegeven met daarop de contouren van de GNN en GO gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0012.png"

4.2.2 Beschermde soorten

In geval van ontwikkelingen met een toename van het ruimtebeslag zal een initiatiefnemer moeten aantonen dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve consequenties voor de beschermde soorten. Met name bij de sloop van gebouwen vormt dit een aandachtspunt aangezien in sommige gebouwen beschermde soorten zoals vleermuizen en huismussen zijn gehuisvest.

4.3 Water en waterkeringen

4.3.1 Het waterbeleid

Het Rijk heeft met het waterbeleid van de 21e eeuw twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd. Dit zijn de tritsen:

  • vasthouden, bergen en afvoeren;
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms in een stroomgebied wordt vastgehouden. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden.

Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de watertoets, in het Besluit ruimtelijke ordening verankerd. Een 'watertoets' is hierin verplicht gesteld bij de ruimtelijke planvorming.

De watertoets is een overlegverplichting tussen initiatiefnemer en waterbeheerders(s) en geldt voor een structuurplan, bestemmingsplan, afwijking bestemmingsplan en regionaal structuurplan. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Het Waterschap Rivierenland stelt voorwaarden aan de realisatie van nieuwe bebouwing. Zo mag het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) door de planuitvoering niet verslechteren.

Het nieuwe bestemmingsplan maakt geen grootschalige nieuwe bebouwing buiten (agrarische) bouwvlakken mogelijk. Wel laten de regels bouwmogelijkheden toe binnen (agrarische) bouwvlakken en kan bij burgerwoningen (kleinschalige) bebouwing worden toegevoegd. Binnen de watertoets wordt bepaald of er een éénmalige vrijstelling van 1.500 m² aan toename verharding (landelijk gebied) van toepassing is. Deze vrijstelling is mogelijk daar waar het gaat om een particulier (kleinschalig) initiatief. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd, dient het hemelwater afgekoppeld en afgevoerd te worden naar omliggende sloten. Geconcludeerd kan worden dat, ten aanzien van de watertoets, voor het nieuwe bestemmingsplan geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

4.3.2 Watersysteem

Het watersysteem van Tiel is karakteristiek voor het rivierengebied en staat onder invloed van de waterstanden van de Waal en Linge. Naarmate de afstand tot de rivier groter wordt en de deklaag zwaarder, wordt deze invloed gedempt. De geologische bodemopbouw is door regelmatige afzettingen vanuit de rivieren divers. Dicht tegen de dijk, waar de bodem uit zand en zavel bestaat, is de invloed van de rivieren groot.

Waterkeringen

In de gemeente Tiel liggen diverse (primaire) waterkeringen. De aanwezigheid van de waterkeringen brengt, ten behoeve van de veiligheid van de waterkering, enige beperking met zich mee met betrekking tot het gebruik van de gronden. Deze zijn vastgelegd in de zogenoemde 'keurbepalingen' van het Waterschap Rivierenland. De regels in de keur dienen er voor te zorgen dat de waterkerende functie nu en ook in de toekomst naar behoren kan worden vervuld. De keurzone is onder te verdelen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone. De betreffende beschermingszones zijn in het bestemmingsplan voorzien van beschermende regelingen.

Oppervlaktewater

Het oppervlaktewatersysteem heeft als functie om de van nature grote fluctuaties in het grondwater op te vangen. Ook vindt per gebied een specifiek peilbeheer plaats dat volledig is afgestemd op de door de gebruiker te stellen eisen, met andere woorden; het voorkomen van wateroverlast door waterafvoer in natte en wateraanvoer in droge perioden. Het stelsel van watergangen bestaat uit enkele grote weteringen in de komgebieden en vertakkingen daarvan, die doordringen tot in de stroomruggen. Het oppervlaktewatersysteem in de uiterwaarden is beperkt tot kleinere sloten met als functie een versnelde drooglegging van de gronden. Het waterschap hanteert de categorieën A-, B- en C-watergangen. Deze watergangen kennen een kern- en beschermingszone. De afstanden van deze zones zijn bepaald in de Keur van het waterschap. De A-watergangen zijn voor voorzien van de bestemming Water.

In en om het plangebied komen ook sloten en kleinere oppervlaktewateren voor. Deze kleinere watergangen worden in de afzonderlijke bestemmingen geregeld.

Vanuit het waterschap is er steeds vaker de behoefte aan flexibiliteit om bestaande A-watergangen te kunnen verbreden, onder andere met natuurvriendelijke oevers. Ook het aanleggen van nieuwe of verplaatsen van bestaande hoofdwatergangen dient op een flexibele wijze in het bestemmingsplan mogelijk te worden gemaakt. In deze gevallen dient het plan geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de omgeving te veroorzaken. In het bestemmingsplan is daartoe een regeling opgenomen in de bestemming Agrarisch.

Riolering

In het buitengebied van Tiel ligt een aantal rioolwatertransportleidingen van het Waterschap Rivierenland. Voor dit type leidingen geldt aan weerszijden een beschermingszone. Zowel de leiding als deze zone worden in het bestemmingsplan geregeld.

Het beleid van het waterschap is er verder op gericht om schone verharde oppervlakken zoveel mogelijk af te koppelen van de riolering, zodat het hemelwater niet naar de zuivering wordt afgevoerd, maar naar het oppervlaktewater.

In het plangebied ligt eveneens een groot aantal (pers)rioolleidingen van de gemeente. In beginsel dienen alle huishoudens op deze (pers)rioolleiding te worden aangesloten voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater. Hemel- en grondwater mag niet worden aangesloten op de persleiding. In gevallen waarin sprake is van een te ver weg gelegen huishouden, is aansluiting op een IBA-systeem (Individuele Behandeling Afvalwater) toegestaan.

Ontwikkelingen en waterneutraal inrichten

Bij bouwplannen is vaak sprake van een toename van verhard oppervlak. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om deze reden geldt bij bouwplannen met een toename van verhard oppervlak een compensatieplicht om versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen te voorkomen. Op deze wijze wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Daar waar sprake is van een toename van verhard oppervlak, is compensatie aan water vereist. Er is eenmalig een vrijstelling van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) toename van verhard oppervlak mogelijk bij kleinschalige particuliere initiatieven. Tijdens de watertoets en/of een aanvraag voor een watervergunning wordt bepaald of deze eenmalige vrijstelling van toepassing is. Daar waar watergangen mogen worden gedempt, is 100% compensatie aan water aan de orde. In het bestemmingsplan is het dempen van sloten omgevingsvergunningplichtig gemaakt.

Beschermde gebieden

Ten behoeve van de bescherming van het drinkwaterwingebied zijn delen van het plangebied zijn in de provinciale verordening aangewezen als intrekgebied, boringsvrije zone en koude-warmteopslagvrije zone. Hier zijn geen regels aan verbonden die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.

4.4 Agrarisch

4.4.1 Gebiedsvisie Buitengebied

De Gebiedsvisie Buitengebied vormt de basis voor de keuzes voor het agrarisch gebied. In algemene zin is daarbij de volgende hoofddoelstelling van belang:

De gemeente wil in beginsel goede ruimtelijke randvoorwaarden scheppen, teneinde de bestaande agrarische bedrijven in het plangebied te kunnen behouden en waar mogelijk voldoende ruimte te bieden voor ontwikkeling, op een economisch rendabele en duurzame wijze.

De gemeente kiest vooral voor verdere ontwikkeling van de bestaande grondgebonden tuinbouwbedrijven. De niet-grondgebonden tuinbouw (of intensieve tuinbouw), zoals containerteelt, past niet in de grondgebonden karakteristiek van het buitengebied van Tiel en wordt daarom niet mogelijk gemaakt. Ook aan de bestaande veehouderijen wil de gemeente in beginsel ruimte bieden voor ontwikkeling.

Vanwege de mogelijke milieugevolgen op omliggende natuurgebieden is tevens een onderscheid nodig tussen veehouderijen en andere agrarische bedrijven. Paardenhouderijen zijn een bijzondere vorm van veehouderij, door de combinatie van agrarische en niet-agrarische onderdelen (paardenfokkerij versus paardenhouderij) en door de bijzondere ruimtelijke uitstraling (o.a. paardenbakken e.d.).

Tegen deze achtergronden is in dit bestemmingsplan, in aansluiting bij de Gebiedsvisie Buitengebied, onderscheid gemaakt in:

  • grondgebonden agrarische bedrijven zonder vee (fruitteelt en akkerbouw),
  • grondgebonden veehouderijen,
  • intensieve veehouderijen/ niet-grondgebonden veehouderijen.

De ontwikkelingsmogelijkheden per type agrarisch bedrijf worden onderstaand beschreven. Daarbij wordt ook beschreven in hoeverre neventakken zijn toegestaan.

4.4.2 Definitie agrarisch bedrijf

Fruitteelt en akkerbouw

Bestaande grondgebonden fruitteelt- en akkerbouwbedrijven krijgen de mogelijkheid om zich verder te ontwikkelen. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bestaande bouwvlakken te kunnen vergroten naar maximaal 1,5 ha. Voorwaarden hierbij zijn onder andere het aantonen van de noodzaak, een zorgvuldige landschappelijke inpassing (respecteren c.q. versterken kernkwaliteiten) en de uitbreiding mag niet leiden tot hinder voor de omgeving. Voor de bedrijven in de Groenblauwe zone geldt als aanvullend voorwaarde dat een bijdrage moet worden geleverd aan de groenblauwe doelstelling van dit deelgebied.

In de bebouwingslinten moet worden voorkomen dat het karakter wordt aangetast doordat erven aan elkaar groeien. Er dient voldoende doorzicht tussen de erven aanwezig te blijven, waarbij geldt dat de breedte van een erf ook minimaal als vrije ruimte naast het erf aanwezig moet blijven.

Verdere uitbreiding wordt niet uitgesloten, maar hiervoor is een afzonderlijke afweging nodig op basis van het dynamisch afwegingskader in hoofdstuk 5 van de gebiedsvisie. Hiervoor kan zo nodig een afzonderlijke planologische procedure worden gevolgd.

De bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven zijn afgestemd op de bouwmogelijkheden uit de bestemmingsplannen van omliggende gemeenten.

Teelstondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen in de fruitteelt zijn noodzakelijke voorzieningen voor de agrarische bedrijfsvoering. Voorzieningen kunnen bestaan uit overkappingen zoals hagelnetten en dergelijke. Aangesloten is bij de regionale regeling, zoals in 2010 door de regio in samenwerking met Fruitpact is opgesteld.

Teeltondersteunende voorzieningen zijn in beginsel toegestaan. In het bestemmingsplan is onderscheid gemaakt in voorzieningen die bij recht zijn toegestaan, voorzieningen die via een afwijking zijn toegestaan en voorzieningen die niet zijn toegestaan.

De bouwmogelijkheden van de teeltondersteunende voorzieningen zijn afgestemd op de bouwmogelijkheden bestemmingsplannen van omliggende gemeenten.

Veehouderijen

In het gebied bevinden zich enkele melkveehouderijen, paardenhouderijen en gemengde veehouderijen. Op zich wil de gemeente ook ruimte bieden aan verdere ontwikkeling van deze bestaande grondgebonden veehouderijen. Hierbij speelt evenwel het probleem dat het opnemen van uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen leidt tot de verplichting van het opstellen van een milieueffectrapport. De ervaring in andere gemeenten leert dat vervolgens blijkt dat de uitkomst van het planMER zal zijn dat de ammoniakemissie per veehouderij vastgelegd moet worden op de huidige situatie, omdat anders niet gegarandeerd kan worden dat het bestemmingsplan geen effecten heeft in omliggende Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan moet die garantie echter wel bieden, anders is het plan in strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 en niet uitvoerbaar.

De gemeente kiest om in het bestemmingsplan buitengebied geen uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen op te nemen, maar hiervoor per geval een planologische procedure te doorlopen. In beginsel geldt daarbij een maximale omvang van het agrarisch bouwvlak van 1,5 ha. Belangrijk daarbij is dat een initiatiefnemer dan op voorhand een toestemming heeft op grond van de Flora en Fauna wet (een vergunning, melding of een rapport dat aantoont dat de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden niet toeneemt of qua toename onder de drempelwaarde blijft).

Uitbreiding van veehouderijen waarbij er sprake is van een toename van de veestapel (en aangetoond is dat er geen negatieve effecten zijn in omliggende Natura 2000-gebieden) wordt mogelijk gemaakt door deze situaties aan te merken als categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenking van de raad nodig is (overeenkomstig artikel 6.5, lid 3 Besluit omgevingsrecht (Bor)). Hierdoor kan de procedure van de uitgebreide omgevingsvergunning snel worden ingezet en is de procedure vergelijkbaar met een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan.

In het licht van het bovenstaande is ook omschakeling van grondgebonden tuinbouw naar een grondgebonden veehouderij niet wenselijk geacht en ook niet mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan.

Intensieve veehouderij/ niet-grondgebonden veehouderij

Intensieve veehouderij komt zeer beperkt in het gebied voor. De gemeente wil hiervoor ook geen verdere ruimte bieden. Het gemeentelijk beleid richt zich primair op de grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Intensieve veehouderij past daar niet bij. Ook omschakeling naar een intensieve veehouderij/ niet-grondgebonden veehouderij wordt niet toegestaan.

Glastuinbouw

Op dit moment komen er geen glastuinbouwbedrijven voor. De gemeente wil ook geen verdere ontwikkeling van glastuinbouw mogelijk maken. Hiervoor zijn binnen de provincie speciale gebieden aangewezen. En deze liggen niet in Tiel.

Opslag, verwerken en transport

Opslag, verwerking en transport van agrarische producten maakt bij veel fruitteeltbedrijven onderdeel uit van hun bedrijfsvoering. Voor zover deze activiteiten ten behoeve van het eigen bedrijf zijn, is dat toegestaan conform het nu geldende bestemmingsplan.

Steeds meer taken uit de voedselketen worden op het agrarische bedrijf geïntegreerd. Dat betekent dat er ook meer wensen ontstaan om ook opslag, verwerking en transport voor derden te verzorgen.

Uitbreiding van opslag, verwerking en transport voor derden is in afwijking bij omgevingsvergunning toegestaan. Wel dienen de effecten op de leefbaarheid en de verkeersveiligheid te worden afgewogen in het kader van deze afwijking.

Dergelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot een toename van (zwaar) vracht- en landbouwverkeer op de veelal smalle ontsluitingswegen in het buitengebied van Tiel. Hierdoor kan de leefbaarheid en de verkeersveiligheid op de aan- en afvoerwegen in het buitengebied en in de kernen in het gebied worden aangetast. Dit stelt grenzen aan de groei. Of er sprake is van toename van het verkeer is onder andere afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten, de efficiency van het vervoer en andere compenserende maatregelen.

4.4.3 Nader onderscheid grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen

Overeenkomstig de provinciale Omgevingsverordening dient in het bestemmingsplan onderscheid te worden gemaakt in grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen. Daarbij dienen de provinciale definities te worden overgenomen.

De definitie van een niet-grondgebonden veehouderij is fundamenteel een andere definitie dan intensieve veehouderij(tak), zoals voorheen geregeld in het bestemmingsplan. In de nieuwe definitie van niet-grondgebonden veehouderij worden bedrijven die in hoofdzaak niet afhankelijk zijn van het voortbrengend vermogen van omliggende gronden, als zodanig aangemerkt. Daartoe kunnen ook melkveehouderijbedrijven worden gerekend.

Grondgebonden veehouderijbedrijven zijn die bedrijven waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken.

Actualisatie verordening/Gelders Plussenbeleid

In paragraaf 3.2.1 is reeds ingegaan op de het actualisatieplan Omgevingsverordening) waarmee de provincie het beleid voor niet-grondgebonden veehouderijen heeft aangepast (o.a. met het Plussenbeleid). Het geeft aan hoe bij uitbreidingen van niet-grondgebonden veehouders meer oog moet zijn voor duurzaamheid. Dit door een goede dialoog met de omgeving over de uitbreiding. En ook door aanvullende investeringen in maatregelen voor dierwelzijn, milieu en/of ruimtelijke kwaliteit te vereisen.

Gemeenten gaan dit beleid verwerken in hun ruimtelijk beleid. Bestaande uitbreidingsmogelijkheden blijven bestaan totdat een bestemmingsplan geactualiseerd wordt in een gemeente. In het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen voor uitbreiding van bouwpercelen van niet-grondgebonden veehouderijen. Een nadere regeling en/ of uitwerking is in het kader van het bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.

4.4.4 Uitbreidingsmogelijkheden veehouderijen

Om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdigheid zou ontstaan met de Wet natuurbescherming (zie paragraaf 5.5 M.E.R), is voor de veehouderijen de bestaande ammoniakemissie in de planregels vastgelegd.

Het voorkomen van een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de bestaande situatie is vastgelegd in artikel 3.4.3 Strijdig gebruik stikstof. Voor de bestaande situatie geldt als eerste de reeds verleende vergunningen als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (inmiddels Wet natuurbescherming), een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 19d van de wet is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof ten tijde van het vaststelling van het bestemmingsplan. En deze verleende vergunningen/toestemmingen geldt de situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan als peildatum. Een overzicht van deze vergunningen is als bijlage bij de regels opgenomen.
Er zijn echter ook situaties waarin dergelijke vergunningen niet aanwezig zijn. Op dat moment dient de ondernemer aan te tonen wat de bestaande ammoniakemissie is. Daarbij wordt de volgende werkwijze gehanteerd:

  • als eerste wordt bekeken of er in 2016 of 2017 een milieucontrole door de Omgevingsdienst is uitgevoerd, waaruit de bestaande situatie kan worden afgeleid. Als dat het geval is, wordt dat als bestaande situatie aangehouden.
  • Is dat er niet, dan krijgt de ondernemer de mogelijkheid om de bestaande situatie aan te tonen aan de hand van de gegevens die hij heeft ingediend bij het CBS voor de Landbouwtelling 2015 of 2016.
4.4.5 Toekennen agrarische bouwvlakken

Uitgangspunt is om aan functionerende agrarische bedrijven opnieuw een agrarisch bouwvlak toe te kennen, net zoals in het geldende bestemmingsplan.

Als op basis van de inventarisatie blijkt dat er geen sprake meer is van agrarische activiteiten (bijvoorbeeld de milieuvergunning of melding is ingetrokken) is een heroverweging gemaakt.

Agrarische bedrijven die in het geldende bestemmingsplan nog wel een agrarisch bouwvlak hadden, maar geen milieuvergunning of melding meer hebben, hebben wederom een agrarische bestemming gekregen met een nadere aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf'. Het bestaande agrarische gebruik is toegestaan en de bedrijfswoning mag ook door een derde worden bewoond. Daarmee ontstaat er bij alleen wonen geen strijdig gebruik, maar wordt een ondernemer of koper van het voormalig agrarisch bedrijf wel gestimuleerd een bestemmingswijziging aan te vragen als hij/zij geen agrarisch bedrijfsbestemming wenst en met de voormalige bedrijfsgebouwen aan de slag wil voor een andere functie. Immers, aan de wijzigingsbevoegdheid is een sloopregeling gekoppeld. Op deze wijze kan een kwaliteitsslag worden gemaakt en wordt ontstening gestimuleerd.

Het nu meteen leggen van een woonbestemming zou rechtsongelijkheid met zich meebrengen ten opzichte van situaties waarin wel de sloopeis wordt gesteld.

Overigens heeft een functieverandering naar wonen bij voormalige veehouderijen geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beoordeelt een voormalige agrarische bedrijfswoning binnen een woonbestemming (mits het bedrijf na 19 maart 2000 is gestopt) op eenzelfde manier als een bedrijfswoning van een naastgelegen boerderij.

4.4.6 Woon- en zorgfuncties op agrarische bedrijven

Bedrijfswoningen

In principe is bij elk agrarisch bedrijf een bedrijfswoning toegestaan mits er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en de noodzaak daarvoor aanwezig is (bijvoorbeeld levende have met verzorging).

Een tweede bedrijfswoning wordt niet toegestaan, aangezien de technologische mogelijkheden het steeds beter mogelijk maken om een bedrijf op afstand in de gaten te houden. Bovendien bestaat het gevaar dat tweede bedrijfswoningen op den duur worden afgesplitst van het bedrijf en daardoor burgerwoningen worden. Dat is gezien de kans op verrommeling en verdichting van het buitengebied niet gewenst.

Voor bedrijven (zowel agrarisch als niet-agrarisch) waarvan de bedrijfswoning in het verleden is afgesplitst of niet meer in gebruik is als bedrijfswoning, geldt dan ook dat het niet mogelijk is om opnieuw een bedrijfswoning te realiseren.

Huisvesting seizoenarbeiders

Door middel van het paraplubestemmingsplan regionale regelingen (2010) heeft de gemeente Tiel aangegeven op welke wijze het tijdelijk huisvesten van arbeidskrachten kan plaatsvinden. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:

  • Huisvesting van seizoenarbeiders vindt plaats op het agrarisch erf;
  • Huisvesting vindt plaats in agrarische bedrijfsgebouwen;
  • In de piekperioden in de zomer kunnen seizoenarbeiders gehuisvest worden in tijdelijke woonvoorzieningen. De tijdelijke voorzieningen zijn buiten het seizoen niet aanwezig op het erf.

De mogelijkheid voor het realiseren van huisvesting voor seizoensarbeiders is als afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

Zorgboerderijen

Zorgboerderijen waarbij sprake is van een agrarische bedrijfsvoering waarbij mensen met een zorgvraag al dan niet onder begeleiding werken in het agrarisch bedrijf worden gezien als agrarisch bedrijf en zijn dus zonder meer toegestaan. Zorgboerderijen, die primair een woon- of zorgfunctie hebben vallen hier niet onder. Wel zijn er mogelijkheden voor dergelijke zorgboerderijen als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf (zie volgende paragraaf).

4.4.7 Nevenactiviteiten

Veel agrarische ondernemers ontwikkelen tegenwoordig nevenactiviteiten in het kader van de verbrede landbouw. Een niet-agrarische nevenactiviteit kan een belangrijke aanvullende inkomstenbron zijn voor een agrariër. De gemeente wil hiervoor dan ook de ruimte bieden, voor zover het past binnen de prioritaire functies zoals opgenomen in de gebiedsvisie.

Nevenactiviteiten dienen binnen bestaande gebouwen plaats te vinden, met uitzondering van activiteiten die per definitie buiten gebouwen plaatsvinden, zoals kleinschalig kamperen of een theetuin. Voor dergelijke activiteiten buiten gebouwen is een goede landschappelijke inpassing essentieel. Verder mogen nevenactiviteiten niet leiden tot belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven.

Bij kleinschalig kamperen moeten de sanitaire gebouwen binnen het bouwvlak worden geplaatst en in de bestaande gebouwen worden opgenomen. De kampeermiddelen moeten binnen het bouwvlak of direct aansluitend van het bouwvlak worden geplaatst. Ten allen tijde dient het kampeerterrein zorgvuldig landschappelijk te worden ingepast.

In onderstaand overzicht zijn de mogelijkheden voor nevenactiviteiten op hoofdlijnen weergegeven, afhankelijk van de prioritaire functie.

Bedrijven

  • agrarisch verwante bedrijven, zoals loonwerk, veehandel, dierenkliniek
  • aan het buitengebied gebonden bedrijven, zoals hovenier, paardenpension
  • opslag volumineuze goederen en stalling van caravans, boten e.d.

Recreatie

  • kleinschalig kamperen (maximaal 25 mobiele kampeermiddelen op bouwvlak of direct aansluitend van 15 maart tot en met 31 oktober
  • extensieve verblijfsrecreatie (in gebouwen), zoals kampeerboerderijen , pensions en andere overnachtingsmogelijkheden in gebouwen
  • bed & breakfast in de woning en in bijgebouwen
  • extensieve dagrecreatie, zoals verhuur van fietsen of kano's en boerengolf

Horeca en detailhandel

  • horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theetuin
  • verkoop van zelf geteelde of geproduceerde agrarische producten, eventueel in ondergeschikte mate aangevuld met andere agrarische producten (maximaal 250 m²), waaronder land- en boerderijwinkels.
  • bermverkoop van ter plaatse voortgebrachte producten (maximaal 20 m²), zoals kersenstalletjes

Zorgfuncties

  • zorgfuncties, zoals een zorgboerderij in de vorm van dagbesteding, kinderdagopvang en dergelijke

De nevenactiviteiten mogen niet een dusdanige omvang krijgen dat het een hoofdactiviteit wordt. Ondergeschikt betekent in ieder geval dat minder dan de helft van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor nevenactiviteiten mag worden gebruikt.

4.4.8 Functieverandering

Voor de agrarische sector is het steeds moeilijker om een financieel rendabele bedrijfsvoering te realiseren. In veel gebieden in Nederland zijn twee ontwikkelingen waar te nemen. Aan de ene kant vindt er schaalvergroting van agrarische bedrijven plaats en aan de andere kant houden bedrijven op te bestaan. Ook de komende jaren zal er sprake zijn van stoppende bedrijven.

Dat roept de vraag op naar een visie op de hergebruiksmogelijkheden van de vrijgekomen en nog vrijkomende gebouwen, het zogenaamde VAB-beleid (Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing). Functieverandering wordt hierbij gezien als het hergebruiken van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, waarbij de locatie een nieuwe bestemming krijgt.

De gemeente wil voor functieverandering mogelijkheden opnemen uit oogpunt van het behoud van de economische vitaliteit van het buitengebied, waarbij prioriteit wordt gegeven aan functieverandering die bijdragen aan het realiseren van de speerpunten van de regio.

Belangrijk uitgangspunt is dat in gebieden waarin het primaat ligt bij de landbouw, te weten het agrarisch gebied, een functieverandering niet mag leiden tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Tevens wordt het in deze gebieden belangrijk gevonden om vrijkomende opstallen te kunnen gebruiken voor hervestiging van agrarische bedrijven. Door sloop van bedrijfsgebouwen zullen er namelijk geen mogelijkheden voor hergebruik meer zijn. Voor functieverandering waarbij sloop aan de orde is, moet in ieder geval aangetoond worden dat volwaardig hergebruik van het perceel voor agrarische doeleinden niet mogelijk is.

Bij functieverandering liggen in het Agrarisch gebied vooral kansen voor agrarisch verwante bedrijvigheid. Recreatieve functies zijn alleen mogelijk indien deze geen beperking opleveren voor de aanwezige agrarische bedrijven.

Binnen het gemengd landelijk gebied wordt ruimhartig omgegaan met de mogelijkheden voor functieverandering, gelet op de kernkwaliteiten van dit deelgebied.

Voorwaarden

Belangrijke randvoorwaarden daarbij zijn dat dit niet ten koste mag gaan van de ontwikkelingsmogelijkheden van blijvende agrarische bedrijven en de verandering moet leiden tot een versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De functieverandering zal tevens moeten leiden tot het terugdringen van (agrarische) bedrijfsbebouwing in het buitengebied.

In alle gevallen dienen de aanwezige bedrijfsgebouwen, die niet worden hergebruikt, te worden gesloopt.

4.5 Wonen en niet-agrarische bedrijven

Bestaande burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven zijn in het bestemmingsplan vastgelegd en krijgen beperkte bouwmogelijkheden.

In het regionale beleid voor functieverandering zijn ook mogelijkheden opgenomen voor het bouwen van extra bijgebouwen of het vergroten van de inhoud van de woning in geval van sloop van een beperkte hoeveelheid oppervlakte voormalige bedrijfsgebouwen. Ook deze zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Burgerwoningen

Het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied is in principe uitgesloten. Alleen in het kader van functieverandering is de bouw van nieuwe woningen mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan, zoals hergebruik van een voormalig boerderijgebouw (woning met aangebouwde deel) in één of meerdere woningen, of onder voorwaarden zijn ook één tot twee vrijstaande woningen mogelijk, waarbij eventuele karakteristieke gebouwen behouden moeten blijven. Voor het overige dient de bouw van woningen plaats te vinden binnen de bebouwde kommen van de kernen, zodat het landelijke karakter van het buitengebied zoveel mogelijk behouden blijft en agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Bestemmingsvlakken zijn toegekend op basis van de geldende planologische situatie. Paardenweitjes en dergelijke zijn in de aangrenzende agrarische bestemmingen opgenomen. Per bestemmingsvlak is één woning toegestaan tenzij anders is aangegeven.

Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt voor burgerwoningen een maximale inhoudsmaat van 600 m3. Er is echter een tendens gaande om hiermee wat ruimer, mede om tegemoet te komen aan de huidige bouweisen. Er bestaat geen bezwaar om hieraan tegemoet te komen. Een maximale maat van 750 m3 is opgenomen voor woningen en bedrijfswoningen.

Een verdere verruiming is toegestaan, mits er sprake is van voldoende kwaliteitswinst in de vorm van sloop van overtollige bebouwing of versterking van de kernkwaliteiten in de vorm van versterking van het landschap, aanleg recreatieve routes en dergelijke.

Voor bijgebouwen is ruimere regeling opgenomen afhankelijk van de oppervlakte van het woonperceel volgens onderstaande indeling:

  • woonperceel tot 500 m2: max 75 m2 bijgebouwen
  • woonperceel 500-3000 m2: max 100 m2 bijgebouwen
  • woonperceel meer dan 3000 m2: max 150 m2 bijgebouwen

Bij sloop van bestaande bijgebouwen mag per 2 m2 gesloopte bebouwing 1 m2 teruggebouwd worden, ook als dit meer is dan bovenstaande.

In de zone stedelijk uitloopgebied (kaart prioritaire functies) is ruimte voor het realiseren van buitenplaatsen. Hiervoor is een regeling opgenomen die grotendeels aansluit op het geldende bestemmingsplan. Een buitenplaats wordt vormgegeven door een landhuis van allure met bijbehorende bijgebouwen (waarin woningen kunnen worden gerealiseerd) met een omringend, openbaar park. Bij voorkeur wordt de aanleg van een buitenplaats gecombineerd met de sanering van een bestaande bebouwde locatie. Maar ook op een 'maagdelijke' locatie is een buitenplaats aanvaardbaar. In ieder geval mogen omliggende bedrijven en functies door de komst van een buitenplaats niet worden belemmerd. Ten opzichte van het geldende plan is de minimale oppervlakte voor een buitenplaats vergroot om voldoende ruimtelijke kwaliteit te kunnen waarborgen, anderzijds is de minimale oppervlakte bos verminderd om voldoende flexibiliteit te geven in de beoogde inrichting (aansluitend bij de 'ja, mits-benadering').

Voor een aantal buitenplaatsen is reeds een wijzigingsplan vastgesteld. deze wijzigingsplannen zijn geintegreerd in het voorliggende bestemmingsplan. Hierbij zijn ook de voorwaardelijke verplichtingen ten behoeve van de landschappelijke inrichting overgenomen.

De bestemmingen Wonen - Woongroep en Wonen - Woonwagenstandplaats zijn opgenomen voor een tweetal specifieke locaties in het buitengebied. De regeling zijn opgenomen overeenkomstig de geldende regelingen.

Paardenbakken

Tijdens de inventarisatie is gebleken dat er veel paardenbakken zijn gerealiseerd buiten woonbestemmingen (en buiten agrarische bouwvlakken).

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om paardenbakken ook aansluitend aan de woonbestemming toe te staan, op een afstand van maximaal 50 m. Hierbij dient de paardenbak geheel binnen de afstand van 50 m gelegen te zijn. De paardenbakken mogen een maximale omvang hebben van 1.200 m² en dienen landschappelijk goed ingepast te worden.

Lichtmasten bij paardenbakken worden niet toegestaan, vanwege de impact op de omgeving.

Niet-agrarische bedrijven

In het buitengebied komen diverse niet-agrarische bedrijven voor. Deze bedrijven liggen verspreid in het plangebied. De bedrijven hebben soms een binding met de agrarische sector (bijvoorbeeld een agrarisch loonbedrijf). Het kunnen ook bedrijven zijn die vanwege de ruimtelijke of milieuhygiënische uitstraling niet thuishoren in de bebouwde kom. Daarnaast zijn er bedrijven die feitelijk thuishoren op een bedrijventerrein, bijvoorbeeld een aannemersbedrijf. Ondernemers hebben deze bedrijven op deze locatie geleidelijk aan ontwikkeld. Enkele bedrijven hebben zich inmiddels tot een behoorlijke omvang ontwikkeld en genereren veel verkeersbewegingen. Onverkort behouden de ondernemers het recht in het bestemmingsplan hun bedrijf er in de huidige omvang voort te zetten. In het bestemmingsplan komt dit verschil tot uitdrukking door de bestemmingen Bedrijf en Bedrijf - Agrarisch dienstverlenend bedrijf. Voor de steenfabriek is gelet op de specifieke ruimtelijke uitstraling de maatbestemming Bedrijf - Steenfabriek opgenomen. Dit geldt ook voor het verkooppunt motorbrandstoffen, die bestemd is als Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen. Voor de landschappelijke inpassing hiervan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Het landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 4 van de regels.

De uitbreidingsmogelijkheden zijn ontleend aan het regionale beleidskader voor functieverandering. Hierin is aangegeven, dat bestaande niet-agrarische bedrijvigheid die vanwege haar aard en karakter gebonden is aan het buitengebied (agrarisch verwante bedrijven en aan het buitengebied gebonden bedrijven) mag uitbreiden met maximaal 40% van het huidige, legale bebouwd oppervlak, met maximaal 500 m². Er wordt geen onderscheid gemaakt in het gebied waar het bedrijf ligt.

De uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven die niet aan het buitengebied gebonden zijn, zijn afhankelijk van de van het gebied waar zij gevestigd zijn (zie onderstaande tabel).

Gebied   Uitbreiding  
Agrarisch gebied en groenblauwe zone   eenmalig uitbreiden met 20% van het bebouwd oppervlak tot 375 m²  
Gemengd landelijk gebied en stedelijk uitloopgebied   Nu < 500 m²: maximaal 40% van het bebouwd oppervlak.
Nu > 500 m²: over de eerste 500 m² max. 30%;
over de resterende oppervlakte nog eens 10% van het bebouwd oppervlak.  

Uitbreiding op de bestaande locatie van bedrijven die niet aan het buitengebied gebonden zijn, is alleen mogelijk wanneer het bedrijf kan aantonen dat:

  • Uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is voor (het continueren) van de bedrijfsvoering.
  • Uitbreiding leidt tot een vergroting van de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied. Er moet sprake zijn van een duidelijk meerwaarde voor de omgeving ter compensatie van een ontwikkeling die in principe ongewenst is. Hiertoe dient een inrichtings- en beplantingsplan te worden overlegd.

Verdere uitbreiding van niet-agrarische bedrijven dan hierboven aangegeven is afweegbaar via het dynamisch afwegingskader in hoofdstuk 5.

Momenteel wordt door de provincie gewerkt aan een wijziging van de provinciale omgevingsverordening. Dit geeft mogelijk een beperking aan de uitbreidingsmogelijkheden van niet-agrarische bedrijven. Er wordt nog nader beoordeeld in hoeverre dit een vertaling kan krijgen naar het voorliggende bestemmingsplan. Dit vindt in de fase tussen voorontwerp- en ontwerpbestemmingsplan plaats.

Bedrijfswoningen bij niet-agrarische functies

Bij de meeste bedrijven is in de huidige situatie reeds een bedrijfswoning aanwezig. Evenals bij agrarische bedrijven worden verzoeken om tweede bedrijfswoningen niet gehonoreerd.

In situaties dat er nog een bedrijfswoning aanwezig is, wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van een bedrijfswoning. Alleen bij een verblijfsrecreatieve functie kan dit worden overwogen, mits de noodzaak daarvoor afdoende kan worden aangetoond.

4.6 Recreatie, horeca en overige voorzieningen

De bestaande maneges, tuincentra, horeca, maatschappelijke en recreatieve voorzieningen zijn voorzien van een maatbestemming overeenkomstig de geldende regeling.

Het gemeentelijk beleid is gericht op het bevorderen van het toeristische en dagrecreatieve (mede)gebruik van het buitengebied, in vorm van wandelen, fietsen, skates en dergelijke. Het versterken van de toeristische mogelijkheden en de recreatieve routestructuren vormt een uitgangspunt van beleid.

Ook activiteiten die een bijdrage leveren aan de toeristische attractiviteit van het buitengebied worden gestimuleerd.

In het Gemengd landelijk gebied en het stedelijk uitloopgebied zijn nevenactiviteiten en functieveranderingen in de richting van recreatie en toerisme passend. Deze kunnen zijn gericht op dagtoerisme of op toeristische overnachtingsmogelijkheden. In het stedelijk uitloopgebied biedt met name ook het Inundatiekanaal mogelijkheden om toerisme en cultuurhistorie aan elkaar te koppelen.

Ook faciliteert de gemeente initiatieven voor het recreatief medegebruik van gronden buiten agrarische bouwpercelen bijvoorbeeld in de vorm van boerengolf en aanleg van recreatieve routes.

In het stedelijk uitloopgebied liggen er ook kansen voor nieuwe maneges. Hierbij wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van vrijkomende agrarische gebouwen.

In de primaire agrarische gebieden liggen vooral kansen om het agrarische karakter van het gebied te benadrukken, bijvoorbeeld in de vorm van verkooppunten van zelf geteelde of geproduceerde agrarische producten en kleinschalige horeca activiteiten.

4.7 Infrastructuur

Wegen en spoorwegen

De belangrijkste verkeersader die door de gemeente Tiel loopt, is de snelweg A15. In Tiel is de A15 een stroomweg die van west tot oost de gemeente doorkruist.

De nu vaak kleinere, al dan niet slingerende landwegen vormen een duidelijke recreatieve en landschappelijke meerwaarde. Schaalvergroting in de landbouw leidt echter vaak tot groter en zwaarder transportverkeer. Dit vormt een bedreiging voor de toeristische waarde van het buitengebied.

Om die reden dienen bij ruimtelijke ontwikkelingen met een toename van (zwaar) vracht- en landbouwverkeer, de effecten op de leefbaarheid en de verkeersveiligheid te worden afgewogen. In de flexibiliteitsbepalingen wordt dit als voorwaarde opgenomen.

De gemeente Tiel wordt doorsneden door de spoorweg Dordrecht-Elst en de Betuwelijn.

Er zijn twee bestemming opgenomen: Verkeer en Verkeer - Railverkeer. De bestemmingen zijn flexibel, waarin naast de functie van weg- en spoorwegen de gronden tevens zijn bestemd voor fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten, met noodzakelijke voorzieningen.

Hoogspanningsleiding

In het plangebied lopen hoogspanningsleidingen van 150 kV met een privaatrechtelijk geregelde contractstrook van 45 m aan weerszijde van het hart van de leiding. Hier zijn aan weerszijden van de leidingen geen bouwwerken toelaatbaar zonder toestemming van de beheerder en dus is een vermelding op de verbeelding noodzakelijk.

Aardgastransportleidingen

In het plangebied is ook een aantal aardgastransportleidingen aanwezig met een diameter van 6" of 18", met een bebouwingsafstand van respectievelijk 4 en 5 m. Binnen deze zone zijn aan weerszijden van de leidingen geen bouwwerken toelaatbaar zonder toestemming van de beheerder en is een regeling in het bestemmingsplan noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

5.1 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Conclusie

In het bestemmingsplan zijn alleen de bestaande situaties vastgelegd. Specifiek bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dus niet noodzakelijk. Daarnaast zijn ontwikkelingen opgenomen voor zover deze reeds zijn voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing (zo nodig inclusief bodemonderzoek).

5.2 Geluid

Conform de Wet geluidhinder (Wgh) is het noodzakelijk akoestisch onderzoek te doen als nieuwe geluidsgevoelige bebouwing (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen) of uitbreidingen daarvan binnen de geluidszone van een weg, spoorlijn of industrieterrein worden gesitueerd.

Weg- en spoorweglawaai

De Wet geluidhinder stelt grenswaarden voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De grenswaarden zijn van toepassing binnen de wettelijk bepaalde zones langs wegen en spoorwegen. Indien nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een geluidszone worden toegestaan of als er sprake is van de aanleg of wijziging van een weg stelt de Wet geluidhinder de verplichting om een akoestisch onderzoek te verrichten. De bestaande situatie hoeft niet getoetst te worden bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

Nieuwe situaties binnen de zones van deze (spoor)wegen moeten in beginsel voldoen aan de van toepassing zijnde voorkeursgrenswaarde. Daarboven kan in een beperkt aantal gevallen onder voorwaarden een ontheffing worden verleend.

In het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies bij recht toegestaan. Voor zover in de flexibiliteitsbepalingen de toevoeging van nieuwe geluidgevoelige functies is opgenomen, is hiervoor tevens in de afwegingscriteria opgenomen dat dan moet worden voldaan aan de Wet geluidhinder. Nieuwbouw binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten voldoen aan het Bouwbesluit zodat ook via deze weg rekening wordt gehouden met geluid.

Bij de wijzigingsplannen Buitengebied - buitenplaats Nijenrode en Buitengebied - Hamsche Biezen zijn hogere geluidgrenswaarden verleend. Omdat deze woningen nog niet gerealiseerd zijn, is er een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat nog steeds hogere grenswaarden verleend moeten worden, maar dat voor de woning aan de Hamsche Biezen minder dove gevels nodig zijn. De hogere waarden zullen tegelijk met de andere hogere waarden worden verleend voor het besluit om het bestemmingsplan ter inzage te leggen.

Industrielawaai

Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en anderzijds woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

De basis van de zonering voor industrielawaai is gelegen in het bestemmingsplan. Er is sprake van een industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder als in het bestemmingsplan voor een bepaald terrein:

  • in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen
  • én waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van 'grote lawaaimakers'.

Om verwarring met spreektaal te vermijden wordt in het algemeen gesproken over 'gezoneerd industrieterrein'. In onderdeel D van Bijlage I uit het Besluit omgevingsrecht is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Op grond van artikel 40 van de Wet geluidhinder moet tegelijk met het ontstaan van een industrieterrein een zone rond het industrieterrein vastgelegd worden. Daarbij geldt op grond van hetzelfde artikel 40 (en art. 53 voor bestaande zones) dat buiten de zone de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

Buiten de zone gelden er geen beperkingen voor (geluidsgevoelige) bestemmingen. Binnen de zone zijn er wel beperkingen voor het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen. Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Door middel van een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen. Deze verhoging is mogelijk tot een maximale ontheffingswaarde. Deze maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie ter plaatse (zoals nieuwe dan wel bestaande woningen).

Op bedrijventerrein Kellen zijn bedrijven toegelaten die veel geluid kunnen produceren. Op grond van de Wet geluidhinder is daarom rond het terrein een geluidzone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting van alle bedrijven op het een terrein niet meer dan 50 dB(A) mag zijn. Bij het verlenen van een milieuvergunning wordt aan deze zone getoetst zodat deze maximale belasting niet wordt overschreden. Op deze manier wordt overlast bij de omliggende woningen voorkomen.

Aangezien onderhavig bestemmingsplan het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten niet toestaat, leidt dit niet tot problemen ten aanzien van deze geluidgezoneerde terreinen.

Conclusie

Specifiek akoestisch onderzoek is voor dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het bestemmingsplan zijn namelijk alleen de bestaande situaties vastgelegd. Daarnaast zijn ontwikkelingen opgenomen voor zover deze reeds zijn voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing (zo nodig inclusief akoestisch onderzoek). Daar waar het bestemmingplan mogelijkheden biedt via flexibiliteitsbepalingen tot het bouwen van extra woningen of wooneenheden, zal onder andere als voorwaarde worden opgenomen dat zo nodig akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Al met al wordt daardoor voldaan aan de eisen uit de Wet geluidhinder.

5.3 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wm. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 g/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Conclusie

Het bestemmingsplan krijgt een beherend karakter. Er worden beperkte ontwikkelingen toegelaten die niet leiden tot een substantiële toename van het verkeer. De verwachting is dat in de toekomst geen overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen zullen plaatsvinden. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

5.4 Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico's op zware ongevallen voor personen in de omgeving van:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven.

Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. In de relevante regelgeving is de kans op overlijden van 10-6 per jaar vastgelegd als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen (binnen het invloedsgebied) overlijdt als direct gevolg van een ongeval, waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Dit kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Een oriënterende waarde geldt daarbij als ijkpunt.

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan voor een gebied, dat ligt binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet het groepsrisico worden verantwoord. In de regelgeving is aangegeven welke onderdelen daarbij aan bod moeten komen. In ieder geval moet ingegaan worden op de mogelijkheden voor de hulpverlening door de brandweer bij een ongeval met gevaarlijke stoffen en de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. De Veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om over deze mogelijkheden te adviseren.

Relevante risicobronnen en regelgeving

Bedrijven

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven.

Uit de Gelderse signaleringskaart externe veiligheid (EV) blijkt dat alleen het invloedsgebied van het Bevi-bedrijf King Nederland (Stephensonstraat 5) voor een klein deel over het plangebied ligt. Dit betekent dat moet worden getoetst aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico moet worden verantwoord. De PR 10-6 contour rondom dit bedrijf ligt niet over het plangebied, zodat aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Hieronder wordt ingegaan op de verantwoording van groepsrisico.

Daarnaast is geborgd dat een nieuwe Bevi-activiteit, zoals een grote propaantank bij een agrarisch bedrijf, binnen relevante bestemmingen ("Agrarisch", "Bedrijf", "Bedrijf - Agrarisch dienstverlenend bedrijf" en Bedrijf - Steenfabriek") niet of alleen onder voorwaarden wordt toegelaten.

Op grond van het Vuurwerkbesluit moet ook worden getoetst of de voor vuurwerkverkooppunten geldende veiligheidsafstanden (8 meter vanaf de deur van een opslagplaats tot de bestemmingsgrens voor een perceel van derden) in acht worden genomen. Een vuurwerkverkooppunt is in ieder geval toegestaan binnen het tuincentrum aan Zoelensestraat 39a te Kapel-Avezaath. Aan genoemde veiligheidsafstand wordt voldaan.

Tenslotte is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om te toetsen of aan de veiligheidsafstanden rondom andere risicovolle activiteiten kan worden voldaan. Dit geldt met name voor propaantanks bij agrarische bedrijven en gasdrukregel- en meetstations, die zich binnen het plangebied bevinden. Afhankelijk van de inhoud van de propaantanks, de bevoorradingsfrequentie en aard van de te beschermen objecten moeten op grond van het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden van 10 tot 50 meter worden aangehouden vanaf de propaantanks tot aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten van derden. Rond gasdrukregel- en meetstations gelden (veel) kleinere veiligheidsafstanden. Op grond van het Activiteitenbesluit moet in de huidige situatie aan deze veiligheidsafstanden worden voldaan. Aangezien de mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten beperkt zijn en er vaak eenvoudige maatregelen kunnen worden getroffen om aan afstandseisen te voldoen, zal dit plan in een toekomstige situatie naar verwachting ook geen knelpunten opleveren.

Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet, die beiden op 1 april 2015 in werking zijn getreden, zijn van toepassing op al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen op een relevante transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water of de weg. Met name de (geprojecteerde) objecten binnen een zone van 200 meter van een transportroute zijn risicorelevant. Eventueel aanwezige PR 10-6 contouren en/of plasbrandaandachtsgebieden (PAG) liggen binnen deze 200 meter zones.

Uit de Gelderse signaleringskaart EV blijkt dat de volgende transportroutes en/of relevante zones langs deze transportroutes binnen het plangebied liggen:

  • Vrijwel het gehele plangebied ligt binnen het zeer grote invloedsgebied langs de Betuweroute. De PR 10-6 contour ligt op 30 m vanaf het midden van de doorgaande sporenbundel en het PAG reikt tot 30 m vanaf de buitenrand van het spoor.
  • Het invloedsgebied langs de A15 reikt tot 880 meter vanaf het midden van de weg. De PR 10-6 contour ligt op 26 m vanaf het midden van de weg en het PAG reikt tot 30 m vanaf de buitenrand van de weg.
  • Het invloedsgebied langs de Industrieweg reikt tot 355 meter vanaf het midden van de weg. Op basis van eerder uitgevoerde risicoberekeningen ligt de PR 10-6 contour niet buiten de weg. Daarnaast hoeft niet uitgegaan te worden van een PAG.
  • Het invloedsgebied langs de Waal reikt tot 1070 vanaf het midden van de vaarweg. De PR 10-6 contour ligt niet buiten de vaarweg en het PAG (of de vrijwaringszone) reikt tot 25 meter vanaf de begrenzing van de Waal.
  • Het invloedsgebied langs het A'dam-Rijnkanaal reikt tot maximaal 90 meter vanaf de buitenrand van het kanaal. De PR 10-6 contour ligt niet buiten de vaarweg en het PAG (of de vrijwaringszone) reikt tot 25 meter vanaf de begrenzing van de Waal.

Er liggen geen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour langs de genoemde transportroutes, zodat aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Wel zijn meerdere (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten gelegen binnen:

  • een PAG van de Betuweroute, A15 en Waal;
  • de 200 meter zones van de A15, Betuweroute, de Industrieweg en Waal;
  • het invloedsgebied van de A15, Betuweroute, de Industrieweg en de Waal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0013.png"

Relevante transportroutes met PR 10-6 en PAG-zones (rood), meest relevante zones voor het groepsrisico (paars) en invloedsgebieden (lichtgeel).

Hieronder wordt ingegaan op de verantwoording van groepsrisico.

Buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is van toepassing op al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied (of de 1% letaliteitsgrens) van een grote fakkelbrand als gevolg van een breuk van relevante ondergrondse leidingen voor het transport van aardgas. Met name (geprojecteerde) objecten binnen de 100% letaliteitszone zijn risicorelevant. Eventueel aanwezige PR 106 contouren liggen binnen de 100% letaliteitszones.

Op grond van het Bevb moet in het bestemmingsplan ook een belemmeringenstrook (van 4 tot 5 meter aan weerszijden van de leidingen) met een passende regeling worden opgenomen.

Uit de Gelderse signaleringskaart EV blijkt dat de volgende relevante buisleidingen en relevante zones langs deze buisleidingen binnen het plangebied liggen:

  • Een klein deel van de hogedruk aardgasleiding A-555 (nabij Hermoesestraat) ligt binnen het plangebied. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook van 5 m aan weerszijde van de leiding, geen PR 10-6 contour, een 100% letaliteitsgebied tot 190 m vanaf de leiding en een invloedsgebied tot 490 m vanaf de leiding.
  • Enkele delen van de hogedruk aardgasleidingen W-527-01, W-52722 en W-525-01 (ten noorden van de Betuweroute) liggen binnen het plangebied. Deze leidingen hebben een belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijde van de leidingen, geen PR 10-6 contour, een 100% letaliteitsgebied tot 50-70 m vanaf de leidingen en een invloedsgebied tot 95-140 m vanaf de leidingen.
  • Een deel van de hogedruk aardgasleiding W-525-01 (ten zuidoosten van Tiel) ligt binnen het plangebied. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijde van leiding, geen PR 10-6 contour, een 100% letaliteitsgebied tot 70 m vanaf de leiding en een invloedsgebied tot 140 m vanaf de leiding.

Aangezien meerdere (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten gelegen binnen de 100% en 1% letaliteitsgrenzen. Hieronder wordt ingegaan op de verantwoording van groepsrisico.

Verder zijn de relevante belemmeringenstroken weergegeven op de verbeelding en voorzien van een passende regeling. Binnen deze stroken is het vestigen van een gebouw, het aanbrengen van diepwortelende beplanting en dergelijke in principe uitgesloten.

Daarnaast moet op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) rekening worden gehouden met een reserveringsstrook voor nieuwe buisleidingen. Deze strook met een breedte van 70 meter volgt grotendeels het traject van de hoofd aardgastransportleiding A-555. Binnen het plangebied wijkt dit traject echter enigszins af. Overeenkomstig het gestelde in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden geen (nieuwe) belemmerende activiteiten binnen de reserveringsstrook toegelaten.

Verantwoording groepsrisico

Op basis van de vorenstaande informatie kan worden gesteld dat delen van het plangebied binnen de invloedsgebieden van een Bevi-bedrijf, enkele relevante buisleidingen en enkele relevante transportroutes zijn gelegen. Mede naar aanleiding van een advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) is ingegaan op een verantwoording van het groepsrisico.

Omgeving van Bevi-bedrijf King

Op grond van artikel 13 van het Bevi moet in principe worden ingegaan op de personendichtheid in het invloedsgebied, de hoogte van het groepsrisico, mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico, mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en mogelijkheden voor de zelfredzaamheid.

Binnen het deel van het invloedsgebied, dat ligt binnen het plangebied, bevinden zich geen (geprojecteerd) (beperkt) kwetsbare objecten. Dit betekent dat het de personendichtheid binnen het totale invloedsgebied en het groepsrisico niet toeneemt. Daarnaast kan worden aangenomen dat het rekenkundige groepsrisico veel lager is de oriënterende waarde. Daardoor is er geen aanleiding om in te gaan op mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico.

Met betrekking tot de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een grote brand, waarbij gevaarlijke verbrandingsproducten kunnen vrijkomen, merkt de VRGZ op dat voldoende bluswater voor handen is en ook de materiële en personele capaciteit van de brandweer voldoende is voor de bestrijding van een incident. Wel valt te verwachten dat de normtijd voor opkomst van het eerst aankomende voertuig hier wordt overschreden. Het is echter niet aannemelijk dat dit grote gevolgen zal hebben voor het incidentverloop.

Wat de zelfredzaamheid betreft is schuilen in een gebouw de aangewezen handeling bij een brand waarbij gevaarlijke verbrandingsproducten kunnen vrijkomen. In geval van een dergelijk incident dient de omgeving tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. In het algemeen kan gesteld worden dat risicocommunicatie door de gemeente naar haar inwoners belangrijk is om een goede inschatting van het handelingsperspectief bij ongevallen met gevaarlijke stoffen te maken.

Omgeving van transportroutes

Aangezien meerdere (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen binnen een plasbrandaandachtsgebied (PAG), de 200 meter zone en/of het invloedsgebied van de A15, Betuweroute, Industrieweg en Waal moet op grond van het gestelde in het Bevt worden ingegaan op:

  • redenen die er toe hebben geleid om binnen een PAG nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toe te laten, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen,
  • de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid van personen met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van deze transportroutes.

Er hoeft niet ingegaan te worden op de personendichtheid, de hoogte van het groepsrisico en maatregelen ter beperking van het groepsrisico, omdat op grond van vuistregels kan worden vastgesteld dat het groepsrisico niet hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde en/of dit groepsrisico minder dan 10% toeneemt.

Conform artikel 9 van het Bevt is de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Zij gaat akkoord met het toepassen van onderstaande tekst.

De volgende bouwvlakken voor (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen een PAG:

  • Het zuidoostelijk deel van een perceel met bestemming “Bedrijf” aan Staartsestraat 2 (werkplaatsen t.b.v. nutsbedrijf) komt te liggen binnen het PAG van de Betuweroute, welke reikt tot 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer. Dit betekent dat een beperkt kwetsbaar object gevestigd kan worden binnen dit PAG. Volgens het geldend bestemmingsplan heeft dit deel de bestemming “Agrarisch”.
  • Het noordelijk deel van een perceel met bestemming “Wonen” aan Groenedijk-Zuid 8 ligt binnen het PAG van de A15, welke reikt tot 25 m vanaf de buitenste kantstreep van de A15. Dit betekent dat een (beperkt) kwetsbaar object gevestigd kan worden binnen dit PAG.
  • Het noordelijk deel van percelen met bestemming “Wonen” aan Daver 6 t/m 14 ligt binnen het PAG van de A15, welke reikt tot 25 m vanaf de buitenste kantstreep van de A15. Dit betekent dat een kwetsbaar object gevestigd kan worden binnen dit PAG.
  • Het oostelijk deel van een perceel met bestemming “Bedrijf” aan Waalbandijk 18 (steenfabriek) ligt binnen een vrijwaringszone als bedoeld in artikel 2.1.1 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, welke reikt tot 25 m vanaf de buitenrand van de Waal. Deze vrijwaringszone wordt beschouwd als een PAG. Dit betekent dat een (beperkt) kwetsbaar object gevestigd kan worden binnen dit PAG.

Aangezien genoemde bestemmingen reeds zijn toegelaten in geldende bestemmingsplannen, de bestemmingen slechts voor een klein deel liggen binnen een PAG en/of de kans op slachtoffers als gevolg van een plasbrand ter hoogte van deze bestemmingen zeer klein is, worden deze bestemmingen binnen een PAG toegelaten. Bovendien gelden op grond van het Bouwbesluit extra bouweisen bij nieuwbouw van een (beperkt) kwetsbaar object binnen een PAG, waardoor personen binnen deze objecten voldoende zijn beschermd tegen de gevolgen van een plasbrand en/of veilig kunnen vluchten bij een plasbrandscenario.

De bestemmingen voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 200 meter zone van de Betuweroute, A15, Industrieweg en Waal zijn het meest relevant voor het beoordelen van de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het betreft met name:

  • enkele bestemmingen voor woningen en bedrijven aan Zoelensepad (nrs. 3 t/m 18a), Groenedijk (nrs. 3a, 1 en 1a) en Staartsestraat (nrs. 2 en 18a);
  • enkele bestemmingen voor woningen aan Groenedijk-Zuid 8, Lingeweg 2, Daver (nrs. 6 t/m 14) en Zoelensepad (nrs. 45, 47 en 58);
  • een bouwvlak met een agrarische bestemming aan Daver 51, een bedrijfsbestemming aan Daver 4 en een horecabestemming aan Daver 2;
  • enkele bestemmingen voor woningen aan Hamse Biezen (nrs. 1 en 3);
  • een horecabestemming aan Bergakker (nr. 11);
  • enkele bestemmingen voor woningen aan Laageinde (nrs. 9 en 19) en 2 bouwvlakken met een agrarische bestemming aan Laageinde (nrs. 13 en 15);
  • een bouwvlak met een agrarische bestemming aan Lingedijk 32;
  • een bestemming voor een woning aan Lingedijk 34;
  • enkele bestemmingen voor een woning aan Hermoesestraat 12, Zennewijnseweg 21 en 22, Waalbandijk 93, Ophemertsedijk 5, 7 en 11 (nabij de Waal);
  • een bestemming bedrijf (steenfabriek) met enkele bedrijfswoningen aan de Waalbandijk (nabij de Waal).

Daarnaast liggen meerdere bestemmingen, waarbinnen (beperkt) kwetsbare objecten zijn of kunnen worden gevestigd, in het gebied tussen de 200 meter zone en de grens van het invloedsgebied van de A15, Industrieweg, Betuweroute en Waal. Binnen dit gebied kunnen personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen.

Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Op korte afstand van een incident, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten in een richting die is afgekeerd van de relevante risicobron. Dit geldt vooral voor locaties die zijn gelegen binnen 30 meter van een incident, waar brandbare vloeistoffen kunnen vrijkomen, of binnen 200 meter van een incident, waar brandbare gassen kunnen vrijkomen. Buiten deze brand- en explosieaandachtsgebieden is schuilen in een gebouw in eerste instantie een goede optie. In geval van een calamiteit is het van belang om personen binnen het effectgebied tijdig te waarschuwen. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het waarschuwings- en alarmeringspalen (WASpalen) of NL-alert. Binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.

Omgeving van buisleidingen

Aangezien meerdere (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen binnen de 100% en 1% letaliteitsgrenzen van een mogelijk fakkelbrandscenario ter plaatse van enkele relevante buisleidingen (W527-01, W-527-22, W-525-01 en A-555), moet op grond van het gestelde in het Bevb in ieder geval worden ingegaan op:

  • de personendichtheid binnen de invloedsgebieden en de hoogte van het groepsrisico,
  • de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval
  • de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied.

Conform artikel 12 van het Bevt is de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Zij gaat akkoord met het toepassen van onderstaande tekst.

De bestemmingen voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 100% letaliteitszone zijn het meest relevant voor de hoogte van het groepsrisico en het beoordelen van de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het betreft met name:

  • een bestemming voor een bedrijf met woning aan Staartsestraat (nrs. 2);
  • een bestemming detailhandel-tuincentrum met woning aan Groenedijk 3, en een bestemming wonen aan Groenedijk 1 en 1a;
  • een deel van een perceel met bestemming "bedrijf" achter woning Zoelensepad 7;
  • een deel van een bouwvlak met een agrarische bestemming dat ligt achter de woningen aan Zoelensepad 17 en 18;
  • een deel van een bouwvlak met een agrarische bestemming op het adres Groenedijk 18 en 20;
  • een perceel met de bestemming wonen aan Lingedijk 34;
  • een perceel met bestemming wonen aan Hermoesestraat 1 (nabij aardgasleiding A-555).

Daarnaast liggen meerdere bestemmingen, waarbinnen (beperkt) kwetsbare objecten zijn of kunnen worden gevestigd, in het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitsgrens van een mogelijk fakkelbrandscenario.

Gelet op de lage personendichtheid binnen de 100% letaliteitszones en het conserverende karakter van het plan, kan worden aangenomen dat het groepsrisico ruimschoots lager is dan 10% van de oriënterende waarde en het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. Hierdoor hoeft niet ingegaan te worden op mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico.

Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Bestrijding van een gasontsnapping en de waarschijnlijk daarop volgende fakkelbrand is niet mogelijk. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. De inzet van de hulpdiensten zal dan gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden, in zoverre dat mogelijk is. De omgeving van de fakkelbrand valt namelijk door de intense hittestraling niet te betreden door hulpdiensten zolang de fakkel brandt.

Gezien de omvang van het te verwachten effectgebied zal over het algemeen de inzet van een brandweercompagnie (ongeveer honderd man brandweerpersoneel en bijbehorend materieel) noodzakelijk zijn. Conform de landelijke richtlijn vergt het formeren van een brandweercompagnie circa 45 minuten. Gezien de omvang van de brand die bij dit scenario zal ontstaan, is naast menskracht en materieel zeer veel water nodig. Dergelijke grote hoeveelheden bluswater dienen vanuit open water gewonnen te worden. In het buitengebied van Tiel zijn er voldoende locaties waar dit mogelijk is. De bereikbaarheid van het plangebied is goed.

Afhankelijk van de exacte locatie waar een dergelijk ongeval zich voordoet kan het aantal slachtoffers zeer groot zijn. Daarbij kan de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening ver overschreden worden.

Bij het ontstaan van een fakkelbrand ter hoogte van het plangebied is het schuilen in een gebouw, dat (ruimschoots) buiten de 100% letaliteitsgrens van een fakkelbrand is gelegen, in eerste instantie de beste optie. Na enige seconden zal de omvang van de fakkelbrand en daarmee de intensiteit van de hittestraling afnemen. Daarna ontstaat een situatie waarbij een in omvang kleinere fakkel gedurende langeretijd blijft branden. In de directe omgeving van de fakkelbrand is de hittestraling dan echter nog steeds zeer groot. Deze tweede fase duurt voort totdat de leidingbeheerder de leiding heeft afgesloten en het resterende gas uitgestroomd is.

Binnen de 100% letaliteitsgrens zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid echter zeer beperkt. Indien gebouwen niet gaan branden, is binnen schuilen de beste optie. Wanneer het pand toch vlam vat, zal vluchten het enige alternatief zijn, waarbij (zeker binnen de 100% letaliteitsgrens) de kans dat men tijdens de vlucht komt te overlijden aanzienlijk is.

In geval van een calamiteit is het van belang om personen binnen het effectgebied tijdig te waarschuwen. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het waarschuwings- en alarmeringspalen (WASpalen) of NL-alert. Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat.

Risicocommunicatie

Daarnaast heeft de VRGZ geadviseerd om burgers actief te informeren over het handelingsperspectief bij een relevant incidentscenario. Burgers van Tiel worden via lokale media regelmatig geïnformeerd over handelingsperspectieven bij verschillende ongevalsscenario's, waarbij gevaarlijke stoffen (kunnen) vrijkomen.

Nieuwe functies voor verminderd zelfredzame personen en grote groepen personen

Ook heeft de VRGZ geadviseerd om geen nieuwe, in het vigerend plan nog niet toegelaten, functies die specifiek gericht zijn op verminderd zelfredzame personen of grotere groepen mensen toe te laten, in de directe nabijheid van de risicobronnen.

Gelet op dit advies is geborgd dat zorgfuncties (zoals een zorgboerderij in de vorm van dagbesteding, kinderdagopvang en dergelijke) en de huisvesting van seizoenarbeiders niet (zonder meer) zijn toegelaten binnen de 200 meter zone van relevante transportroutes en de 100% letaliteitszones van de relevante buisleidingen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het Bevi-bedrijf King Nederland, enkele hogedruk aardgasleidingen en enkele transportroutes. Meerdere bestemmingen voor (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied van enkele transportroutes, de 200 meter zone van enkele transportroutes en de 100% letaliteitszone van enkele relevante buisleidingen. Dergelijke bestemmingen zijn echter niet gelegen binnen een PR 10-6 contour. Dit betekent dat aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan.

Voor de aanwezige buisleidingen geldt dat belemmeringenstroken zijn weergegeven op de verbeelding en zijn voorzien van een passende regeling. Daarnaast is overeenkomstig het advies van Veiligheidsregio Gelderland-Zuid geborgd dat zorgfuncties en de huisvesting van seizoenarbeiders niet (zonder meer) worden toegelaten binnen relevante risicozones.

Gelet op het conservatieve karakter van het plan, de zeer kleine kans op een relevant incidentscenario ter plaatse van het plangebied, het lage groepsrisico en het toevoegen van enkele specifieke planregels uit oogpunt van de zelfredzaamheid is er aanleiding om het restrisico te accepteren.

5.5 M.E.R

5.5.1 Wettelijk kader

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan:

  • Kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn (artikel 7.2 van de Wet milieubeheer).
  • Mogelijkheden biedt voor activiteiten, waarvan op voorhand niet met zekerheid is vast te stellen dat deze geen significant negatieve effecten kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Als dat niet kan worden uitgesloten dient op grond van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling te worden opgesteld in het kader van het op te stellen planMER (artikel 7.2a van de Wet milieubeheer).
5.5.2 Kaderstelling

Een bestemmingsplan buitengebied waarin ontwikkelingsmogelijkheden zijn opgenomen voor veehouderijen vallen onder deze kaderstelling.

De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig (bijvoorbeeld bij meer dan 200 melkkoeien, 2.000 schapen of 100 paarden). Dit betekent dat bij een concreet initiatief boven die omvang in het kader van de vergunningaanvraag een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure dient te worden doorlopen. Deze m.e.r.-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft.

Een dergelijk bestemmingsplan is daarmee in beginsel kaderstellend voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten.

Planologische mogelijkheden bepalend

Voor het bepalen van het antwoord op de vraag of de veehouderijen ook boven het aantal dieren uitkomen die in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen, moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden in vergelijking met de huidige situatie. Er moet dus enerzijds rekening worden gehouden met de onbenutte ruimte binnen agrarische bouwvlakken en anderzijds moet ook rekening worden gehouden met eventueel opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

In het voorliggende bestemmingsplan buitengebied zijn slechts de geldende agrarische bouwvlakken overgenomen en zijn de veehouderijen afzonderlijk aangeduid. Voor de veehouderijen zijn geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen.

De mogelijkheden binnen de bouwvlakken zijn zodanig gering dat deze niet boven de m.e.r.-drempels komen. Daarmee is er op basis van het onderdeel kaderstelling geen sprake van een m.e.r.-plicht of een m.e.r-beoordelingsplicht.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Hoewel geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide m.e.r.-procedure en de m.e.r.-beoordeling, geeft de Wet milieubeheer aan dat voor de geplande activiteiten wel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Bij een dergelijke beoordeling moet worden gekeken of het project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure.

Het plangebied is niet gelegen binnen de NNN. In paragraaf 5.5.3 wordt beschreven dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. De invloed op bodem, (grond)water en het waterhuishoudkundige systeem is beschreven in paragraaf 5.1 en 4.3. van deze toelichting. Hieruit blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn voor deze onderdelen. Ook op andere onderwerpen heeft het voornemen geen belangrijke, nadelige gevolgen voor het milieu, zo blijkt uit hoofdstuk 5 van deze toelichting. Geconcludeerd kan worden dat het is uitgesloten dat het project belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. De milieugevolgen zijn in de toelichting voldoende in beeld gebracht. Aan de hand van deze uitkomst is er geen aanleiding de uitgebreide m.e.r.-procedure te doorlopen.

5.5.3 Voortoets Wet natuurbescherming

Effecten op Natura 2000-gebieden

In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden:

  • Langs de Waal ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied Waal).
  • Ook langs de Neder-Rijn ligt dit Natura 2000-gebied (deelgebied Uiterwaarden Neder-Rijn).

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.BP00025-va01_0014.png"

In de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000 een zogenaamde 'passende beoordeling' noodzakelijk is. En als er een passende beoordeling noodzakelijk is, leidt dat tevens tot de verplichting tot het opstellen van een planMER.

Effecten op het gebied van stikstof (verzuring en vermesting)

Met name de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen kunnen negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden (uitstoot van ammoniak en toename van de stikstofdepositie in die gebieden), indien de betreffende Natura 2000-gebieden gevoelig zijn voor stikstof. Dit omdat effecten van stikstof op vele kilometers afstand waarneembaar zijn (20-30 km).
Daarbij komt dat de kritische depositiewaarde van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (deelgebied Waal) lager ligt dan de zogenaamde achtergronddepositie. Het betekent dat de natuurkwaliteit in dat gebied al onder de maat is. Dat betekent tevens dat elke toename van stikstofdepositie leidt tot een verdere verslechtering van de natuurkwaliteit van het betreffende Natura 2000-gebied. Elke toename van de stikstofdepositie is dan als significant negatief effect aan te merken op grond van de Wet natuurbeschermingswet.

Het opnemen van uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen in het buitengebied van Tiel zou dus ook negatieve effecten kunnen hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. Om op voorhand te voorkomen dat er negatieve effecten ontstaan, is in het bestemmingsplan een regeling opgenomen waarbij de maximale ammoniakemissie per veehouderij is vastgelegd op de bestaande situatie. Zie daartoe paragraaf 4.4.4 uit deze toelichting. Daarmee zijn negatieve effecten op het gebied van ammoniak (verzuring en vermesting via de lucht) uitgesloten.

Overige effecten

Een groot aantal andere effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten omdat alle activiteiten die mogelijk worden gemaakt binnen dit bestemmingsplan plaatsvinden buiten de Natura 2000-gebieden. Dit betreft:

1. Oppervlakteverlies

2. Versnippering

10. Verandering stroomsnelheid

11. Verandering overstromingsfrequentie

13. Verstoring door geluid

15 Verstoring door trilling

17. Verstoring door mechanische effecten

19. Bewuste verandering van de soortensamenstelling

Storingsfactoren die mogelijk wel relevant zijn voor agrarische activiteiten buiten de in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden zijn verontreiniging en verdroging (storingsfactoren 7 en 8), en optische verstoring (storingsfactor 16).

Verdroging en verontreiniging

Voor de Natura 2000-gebieden in en grenzend aan de gemeente Tiel geldt dat aanpassing van de grondwaterstand in het agrarisch gebied niet van invloed is op het waterpeil van deze gebieden.

Daar de nabij gelegen Natura 2000-gebieden buitendijks liggen, wordt het waterpeil wordt bepaald door het peilbeheer in de grote wateren waarvan zij deel uitmaken. Ook de waterkwaliteit wordt daardoor voor een zeer klein verwaarloosbaar deel veroorzaakt door de in het plangebied gelegen agrarische bedrijven. Daarbij borgen wettelijke voorwaarden voor gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen dat (extra) verontreiniging bij een intensievere bedrijfsvoering zeer beperkt is.

Optische verstoring

Binnen de gemeente Tiel grenst een groot deel van het Natura 2000-gebied aan de bebouwde kom, en een klein deel aan het buitengebied. Bovendien vormt de winterdijk een sterke fysieke scheiding tussen agrarisch gebied en Natura 2000-gebied. Directe optische verstoring kan daardoor worden uitgesloten. Indirect effect van bijv. recreanten van extra minicampings die Natura 2000 gebieden bezoeken is verwaarloosbaar klein vergeleken met uitbreidingen binnen de bebouwde kom. Bovendien waarborgen toegangsregels van het Natura 2000 gebied dat bezoekers de natuur niet verstoren. Tot slot is het mogelijk dat in de open graslanden rondom agrarische bedrijven verstoringsgevoelige watervogels vanuit de Natura 2000 gebieden komen foerageren. Er zijn door de Provincie winterrustgebieden voor ganzen aangewezen in de Groene Ontwikkelingszone, dit betreft binnen de gemeente echter uitsluitend buitendijkse gronden. De binnendijkse gronden zijn van geringere betekenis als foerageergebied en krijgen geen expliciete bescherming.

Op basis van deze gegevens kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten en is het opstellen van een Passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat het op basis van kaderstelling en de voortoets niet nodig is om voor dit plan een milieueffectrapport op te stellen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.

Een groot deel van de toelichting op de bestemmingsregelingen is reeds in de voorgaande hoofdstukken opgenomen. In dit hoofdstuk wordt daarom met name bij enkele technische aspecten en de toepassing van het bestemmingsplan.

6.1 Algemeen

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012)

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden 2012. Onderdeel van de digitalisering is dat alle (nieuwe) bestemmingsplannen op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl worden gepubliceerd. Ook moet van het plan een analoge versie worden vastgesteld. Van een bestemmingsplan is er dus altijd een digitale en een analoge (papieren) (verschijnings)vorm. Deze zijn beide rechtsgeldig. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis.

Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. SVBP 2012 heeft als doel de leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid van bestemmingsplannen voor de gebruiker te vergroten, bijvoorbeeld door het voorschrijven van de namen die voor bestemmingen en aanduidingen mogen worden gebruikt.

De verbeelding en de ondergrond

De verbeelding (plankaart) heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn.

De bestaande situatie in de vorm van onder andere wegen, watergangen en gebouwen wordt als ondergrond op de analoge verbeelding weergegeven. De ondergrond heeft echter geen juridische betekenis. Op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl wordt bijvoorbeeld van een andere ondergrond gebruik gemaakt. De ondergrond heeft uitsluitend een illustratief karakter.

De opbouw van de regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd:

Parkeren

Tot voor kort waren de regelingen met betrekking tot parkeren en parkeernormen geregeld via de Bouwverordening. Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Daarin is geregeld dat in 2018 voor de hele gemeente de regelingen voor het parkeren in de bestemmingsplannen geregeld moeten zijn. Voor nieuwe bestemmingsplannen is dat nu al verplicht. In verband daarmee is in artikel 38.2 een parkeerregeling opgenomen. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden slechts wordt verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals opgenomen in de door de raad op 17 maart 2010 vastgestelde 'Beleidsregels Reserve Parkeerbijdrageregeling', of de rechtsopvolger daarvan.

Opbouw van de regels bij de bestemmingen en dubbelbestemmingen

De regels voor de verschillende bestemmingen en dubbelbestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsomschrijving, waarin is bepaald voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen en er worden situaties gegeven die in strijd met de bestemming worden geacht.

Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van flexibiliteitsbepalingen in de vorm afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden (zie hierna).

6.2 Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen

Naast de gewone bestemmingen zijn in het plan ook enkele dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opgenomen. De regelingen uit de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gelden naast/bovenop de gewone bestemmingen. De dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zijn bedoeld om speciale belangen en waarden in het plangebied te beschermen:

De dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen leiden in principe tot een inperking van de regelingen uit de gewone/onderliggende bestemmingen. Vaak kan pas van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de onderliggende bestemmingen gebruik worden gemaakt als nader onderzoek is verricht en/of het advies van een deskundige in gevraagd.

6.3 Wijze van toetsen

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de manier waarop activiteiten aan het bestemmingsplan getoetst moeten worden. Daarbij wordt met name ingegaan op een aantal in de regels gehanteerde termen. Het gaat daarbij onder meer om ‘open normen’. Deze worden gebruikt omdat het in veel gevallen onmogelijk is om eenduidige harde criteria op te stellen. Enerzijds omdat daarmee de nodige flexibiliteit in een plan wegvalt en anderzijds omdat het bestemmingsplan een momentopname is waarbij vooraf onmogelijk met alle situaties rekening kan worden gehouden.

Werkwijze

Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen de regelgeving van het bestemmingsplan, wordt in de praktijk doorgaans de volgende werkwijze aangehouden:

  • 1. ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • 2. kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt. Betrek hierbij ook de dubbelbestemmingen in de artikelen 25 tot en met 35 en de algemene regels in hoofdstuk 3 van de planregels.
  • 3. beoordeel of het aangevraagde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksregels te worden meegenomen, omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving;
  • 4. luidt het antwoord op punt 3 ja, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels;
  • 5. voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen) dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld;
  • 6. indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend;
  • 7. luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 nee, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunnings- of wijzigingsmogelijkheid. Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid, dan kan het intiatief nader beoordeeld worden aan de hand van het dynamisch afwegingskader. Op basis van dit afwegingskader kan maatwerk worden geleverd bij het beoordelen van initiatieven. Zie hiervoor paragraaf 2.2. Meer informatie over het dynamisch afwegingskader is te vinden in bijlage 1. Uitkomst van deze nadere afweging kan natuurlijk ook zijn dat het initiatief niet passend is of niet passend is te maken.

Onevenredige aantasting

Op een aantal plaatsen in de regels dienen initiatieven getoetst te worden aan de 'open norm' van 'onevenredige hinder' of 'onevenredige aantasting'. Vooral in de criteria bij de flexibiliteitbepalingen (omgevingsvergunnings- en wijzigingsbevoegdheden) en de bepalingen bij de omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden, wordt regelmatig aangegeven dat 'geen onevenredige aantasting' van bepaalde waarden of belangen mag plaatsvinden. Ook op enkele plaatsen in de nadere detaillering van de bestemming en in de nadere eisenregeling worden deze woorden aangetroffen. Deze terminologie vraagt om een op de specifieke situatie toegesneden beoordeling.

Voorbeeld: Wanneer gesteld wordt dat de cultuurhistorische waarde van bebouwing niet onevenredig mag worden aangetast, moet bijvoorbeeld worden gekeken of nieuw op te richten bebouwing de cultuurhistorische bebouwing niet geheel of grotendeels aan het zicht onttrekt.
Cultuurhistorische bebouwing moet immers beleefd worden en het 'inbouwen' is dan ook niet wenselijk.

Bij de beoordeling zullen dus steeds de bestaande situatie, de aanvraag, de tijdelijke gevolgen en de toekomstsituatie tegen elkaar moeten worden afgewogen. Er mag wel sprake zijn van een aantasting, maar deze mag niet dusdanig zijn dat de kwaliteit en/of kwantiteit van de te beschermen waarden in te grote mate afneemt. In de toelichting worden diverse handreikingen geboden ten aanzien van de doelstellingen en belangen die worden behartigd met het bestemmingsplan. Zo is beschreven welke waarden binnen het plangebied voorkomen en wat het karakter van die waarden is.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan betreft hoofdzakelijk het planologisch vastleggen van de bestaande situatie. Voor de gemeente brengt de ontwikkeling van dit bestemmingsplan daarom alleen plankosten met zich mee. Deze kosten worden betaald uit de algemene middelen.

Op grond van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren indien het bestemmingsplan een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mogelijk maakt.

Nieuwbouw of uitbreiding van een woning of een hoofdgebouw zijn onder meer bouwplannen. Het voorontwerp maakt dergelijke bouwplannen niet mogelijk. Het is echter niet op voorhand uitgesloten dat in het bestemmingsplan Buitengebied dergelijke bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt. De vraag rijst of voor deze bouwmogelijkheden een verplichting geldt om een exploitatieplan op te stellen dat de kosten anderszins zijn verzekerd.

Het bestemmingsplan Buitengebied biedt (beperkt) mogelijkheden om agrarische bouwvlakken te vergroten. Door het verruimen van deze bouwvlakken kunnen nieuwe hoofdgebouwen worden gerealiseerd. Gezien het voorgaande zijn ook hoofdgebouwen bouwplannen in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Nota van toelichting bij het Bro wordt gesteld dat de eerste bouwaanvraag, die tot gevolg heeft dat het perceel in gebruik wordt genomen, wordt aangemerkt als de aanvraag voor een hoofdgebouw. Dat er in een later stadium op hetzelfde perceel nog een gebouw wordt gebouwd dat zal fungeren als hoofdgebouw, doet niet ter zake. De exploitatiebijdrage voor het kostenverhaal dient te worden verbonden aan de eerste bouwaanvraag, dus als het agrarisch bouwperceel in gebruik wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat voor bouwmogelijkheden die ontstaan doordat bouwvlakken worden vergroot, geen kostenverhaal nodig is. Er worden immers geen nieuwe bouwvlakken gerealiseerd. Deze gebouwen zijn niet aan te merken als hoofdgebouwen in de zin van artikel 6.2.1 Bro. In voorliggend bestemmingsplan worden in deze zin geen nieuwe bouwplannen mogelijk gemaakt.

Overige ontwikkelingen die zich voordoen in het plangebied zullen uitsluitend onder de wijzigingsregels vallen. Uit het voorgaande blijkt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet hoeft vast te staan dat deze kosten worden verhaald. Bij de toepassing van de wijzigingsregels zal eerst worden bezien of er een kostenverhaalovereenkomst kan worden gesloten.

In het uiterste geval kan worden overwogen om bij wijzigingsbevoegdheden een exploitatieplan vast te stellen.

Voor het bestemmingsplan Buitengebied is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen. De te verhalen kosten zijn anderszins verzekerd of de bouwmogelijkheden zijn niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde, geeft de gemeente het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied vrij voor inspraak.

Na afloop van deze periode maakt de gemeente een verslag op van de ingekomen reacties. In dit afzonderlijke verslag worden de inspraakreacties samengevat en voorzien van een gemeentelijk antwoord.

Tevens heeft de gemeente een informatieavond over het voorontwerpbestemmingsplan georganiseerd.

Het voorontwerp bestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. In deze periode is er een aantal zienswijzen op het plan ingediend. Deze zienswijzen zijn beantwoord door middel van een verslag, welke te vinden is in Bijlage 2.