| Plan: | TAM-omgevingsplan Broekdijk 23 Bruchterveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0160.0000TAM0005-VG01 |
Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de percelen aan de Broekdijk 23 en Wijkstraat 1 in Bruchterveld. Op deze percelen staat een kerkgebouw en een pastoriewoning. De wens is om de kerk te slopen en 10 woningen te bouwen. De pastoriewoning blijft behouden. Dit is op basis van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg niet toegestaan.
Om het voornemen mogelijk te maken, dient het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg te worden gewijzigd. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders en toont aan het dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied ligt aan de Broekdijk 23 en Wijkstraat 1 in Bruchterveld. Het gaat om de percelen die kadastraal bekend staan als Ambt-Hardenberg, sectie AA, nummer 419, 420 en 2035 (deels). In de volgende afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: OpenStreetMap) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Het betreft het omgevingsplan van rechtswege, dat geldt sinds 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een nieuw en een tijdelijk deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt gevormd door de besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, de kaarten en besluiten, bedoeld in artikel 3.5, lid 2 en 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en de omgevingsplanregels van rechtswege, bedoeld in artikel 22.2, lid 1, Omgevingswet.
De volgende plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn relevant om de planologische situatie te duiden:
In dit geval zijn met name de regels en verbeelding relevant van de "Beheersverordening Bruchterveld". Deze beheersverordening is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Daarom wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.
De regels uit de "Beheersverordening gemeente Hardenberg, facetregeling parkeren" gaan alleen over het aspect parkeren. Hier wordt in paragraaf 2.3 verder op ingegaan.
In afbeelding 1.2 zijn de geldende bestemmingen van de beheersverordening in het plangebied zichtbaar. Het plangebied is hierin weergegeven met de rode omlijning.
|
| Afbeelding 1.2: Uitsnede geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) |
Maatschappelijk
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere levensbeschouwelijke voorzieningen. De gronden zijn ook bestemd voor onder meer parkeervoorzieningen. Van de bouwregels is relevant dat maximaal 50% van het bouwperceel bebouwd mag worden.
Woongebied
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen.
Zoals in de aanleiding is genoemd is het voornemen om 10 woningen te bouwen. De pastoriewoning blijft behouden. Het bouwen van woningen is niet toegestaan binnen de bestemming 'Maatschappelijk'. Daarnaast wordt het maximale bebouwingspercentage overschreden.
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Deze wijziging vindt plaats door gebruik te maken van de TAM-IMRO. Dit is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) waarmee de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. Juridisch zal dit TAM-omgevingsplan deel uit maken van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg.
Het 'TAM-omgevingsplan Broekdijk 23 Bruchterveld' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. De toelichting maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Zoals in de aanleiding is genoemd toont deze toelichting van het TAM-omgevingsplan aan dat sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet). Binnen een gebied kan sprake zijn van meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en horeca). Deze functies zijn gekoppeld aan een bepaalde locatie. Dit is zichtbaar via het Omgevingsloket (Regels op de kaart). Dit TAM-omgevingsplan moet zorgen dat de functie van de locaties binnen een gebied met elkaar in balans zijn. Deze toelichting toont dit aan.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de bescherming van de gezondheid en het milieu. Hoofdstuk 5 gaat in op de waterbelangen waarna hoofdstuk 6 ingaat op het waarborgen van de veiligheid, waaronder externe veiligheid. Hoofdstuk 7 gaat in op de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De bescherming van de natuur komt in hoofdstuk 8 aan bod. Hoofdstuk 9 gaat in op het behoud van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen. In hoofdstuk 10 passeert de milieueffectrapportage de revue. Hoofdstuk 11 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 12 de algemene conclusie getrokken waarin wordt beoordeeld of het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied ligt in het dorp Bruchterveld. Om het plangebied heen staan woningen. Aan de westkant van het plangebied ligt het sportcomplex van Bruchterveld. In het plangebied zelf staat een kerkgebouw en een pastoriewoning. Het kerkgebouw is niet meer in gebruik. Daarnaast zijn er, aan de kant van de Meester Holtropstraat, een paar grote bomen aanwezig.
Op afbeelding 2.1 is het plangebied vanuit de lucht weergegeven. Hierbij is het plangebied indicatief met rode lijn aangegeven. Afbeelding 2.2 toont het straatbeeld van het kerkgebouw vanaf de Wijkstraat.
|
| Afbeelding 2.1: Luchtfoto van het plangebied (Bron: PDOK) |
|
| Afbeelding 2.2: Straatbeeld kerkgebouw (Bron: Google Maps, september 2023) |
Het plan bestaat uit het slopen van het kerkgebouw en het bouwen van 10 woningen. De pastoriewoning blijft behouden. Het woningbouwprogramma is als volgt:
Om de woningen te kunnen bouwen wordt één boom gekapt: de berk op de hoek van de Meester Holtropstraat en de Broekdijk. De overige bomen in het plangebied blijven staan. Bij het ontwerp van de woningen en buitenruimte is aangesloten bij de omgeving. Voor de levensloopbestendige woningen en de tweekappers is een moderne en ingetogen vertaling gekozen van de bestaande woningen in de omgeving. De twee-onder-één-kapwoningen sluiten daarnaast aan bij de bestaande twee-onder-één-kapwoningen aan de Meester Holtropstraat.
De onderstaande afbeelding laat de gewenste situatie zien.
|
| Afbeelding 2.3: Gewenste situatie plangebied (Bron: Van Pijkeren Bouw Ommen) |
Een nieuwe ontwikkeling kan zorgen voor meer verkeer en meer behoefte aan parkeerplaatsen. Bij het opstellen van plannen moet daarom rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd. Deze paragraaf gaat in op de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte.
Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis op onder andere het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
De berekening van de verkeersgeneratie gebruikt de kencijfers uit de CROW-publicatie. De berekening van de parkeerbehoefte gebruikt de normen uit de 'Parkeernormennota Hardenberg'. Dit is verplicht door de "Beheersverordening gemeente Hardenberg, facetregeling parkeren" (zie paragraaf 1.3.1).
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie worden de kencijfers uit de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' gebruikt. Bij iedere functie in de CROW-publicatie staat een maximum en minimum. Dit is de bandbreedte. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt meestal het gemiddelde gehanteerd. De berekening heeft de volgende uitgangspunten:
| Functie | Verkeersgeneratie per woning | Aantal woningen | Verkeersbewegingen |
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 | 1 | 8,2 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 | 2 | 15,6 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 7,1 | 8 | 56,9 |
| Totale verkeersgeneratie (afgerond) | 81 | ||
In totaal zorgt de ontwikkeling voor 81 verkeersbewegingen. De omliggende straten kunnen deze toename naar verwachting vlot en veilig verwerken.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen uit de 'Parkeernormennota Hardenberg'. De berekening heeft de volgende uitgangspunten:
Voor de parkeernorm is uitgegaan van het gemiddelde.
| Functie | Parkeernorm per woning | Aantal woningen | Parkeerbehoefte |
| Koop, huis, vrijstaand | 2 | 1 | 2 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 1,8 | 2 | 3,6 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 1,6 | 8 | 12,8 |
| Totale parkeerbehoefte (afgerond) | 19 | ||
De vrijstaande woning (bestaande pastorie) kan de parkeerbehoefte op eigen terrein opvangen. Voor de nieuw te bouwen woningen geldt een parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen. Er worden 17 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. De parkeerplaatsen worden deels op eigen terrein gerealiseerd (twee-onder-één-kapwoningen) en deels langs de omliggende straten. Dit staat op afbeelding 2.3. Hiermee kan dus volledig worden voorzien in de parkeerbehoefte.
Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.
Een omgevingsplan bevat regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Dit plan gaat over het toevoegen van 10 woningen. Deze ontwikkeling is zo klein dat er geen nationale belangen worden geraakt. Er is dan ook geen sprake van strijd met de prioriteiten die in de NOVI zijn genoemd. In hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 12 wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de instructieregels uit het Rijk en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een visie voor de lange termijn voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie Overijssel bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.
De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel is er de Omgevingsverordening Overijssel en de Catalogus Gebiedskenmerken.
De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt (hierna: Uitvoeringsmodel). Dit model bestaat uit drie stappen. In deze stappen wordt bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
|
| Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het Uitvoeringsmodel. Ten eerste wordt bepaald of het voornemen past binnen de Omgevingsvisie. Aan de hand van de ontwikkelingsperspectieven wordt bepaald waar de ontwikkeling past. Ten slotte wordt bepaald hoe de ontwikkeling in de visie past, aan de hand van de gebiedskenmerken.
De beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening. Voor dit plan zijn onderstaande artikelen uit de verordening van belang.
|
Artikel 4.4: Principe van concentratie (lid 1) In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. |
Zoals eerder genoemd gaat het plan over het bouwen van 10 woningen. Lees in paragraaf 3.3.2 hoe dit plan voorziet in de lokale behoefte aan woningen.
|
Artikel 4.9: Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit (lid 1) Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. |
Deze toelichting voldoet aan artikel 4.9. De volgende subparagrafen gaan verder in op het Uitvoeringsmodel.
|
Artikel 4.14: Woonafspraken 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. |
In het tweede lid van bovenstaand artikel is het begrip 'nieuwe woningen' uitgelegd. Een ander relevant begrip zijn de zogenaamde 'woonafspraken'. Dit zijn bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt.
Zoals eerder genoemd is de wens om 10 woningen te bouwen. In paragraaf 3.3.2 staat hoe dit plan past binnen de woonafspraken.
Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toetsing van het plan
Het ontwikkelingsperspectief geeft ruimte voor herstructurering. Het bestaande kerkgebouw wordt niet gebruikt. Het plan is om het gebouw te slopen en daarvoor in de plaats 10 woningen te bouwen. De woningen worden gebouwd volgens de meest actuele duurzaamheidseisen. De bouw van woningen zorgt er ook voor dat Bruchterveld vitaal blijft. Het plan is dan ook in overeenstemming met het geldend ontwikkelingsperspectief.
Op basis van de gebiedskenmerken in de vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt in het dorp Bruchterveld. De 'Natuurlijke laag' en de 'Laag van het agrarisch-cultuurlandschap' zijn dan ook niet relevant.
De 'Stedelijke laag'
Het plangebied is op gebiedskenmerkenkaart in de 'Stedelijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Woonwijken 1955-nu'.
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Toetsing van het plan
Bij het ontwerp van de woningen en buitenruimte is aangesloten bij de omgeving. Voor de levensloopbestendige woningen en de tweekappers is een moderne en ingetogen vertaling gekozen van de bestaande woningen in de omgeving. De twee-onder-één-kapwoningen sluiten daarnaast aan bij de bestaande twee-onder-één-kapwoningen aan de Meester Holtropstraat. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de 'Stedelijke laag'.
De 'Laag van beleving'
De 'Laag van beleving' gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit. Op de locatie is het gebiedstype 'Donkerte' van toepassing. Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar ze liever nog wat donkerder te maken.
Toetsing van het plan
Het ontwerp houdt rekening met het beperken van lichtuitstraling. Het ontwerp heeft geen onnodige (sier)verlichting. Verder wordt opgemerkt dat sprake is van herontwikkeling in bestaand bebouwd gebied. In de huidige situatie is ook al sprake van lichtuitstraling in het plangebied. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de 'Laag van beleving'.
Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het beleid van de provincie Overijssel.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor nu en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.
De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval zijn met name het thema 'Hardenberg voor elkaar' relevant.
Hardenberg voor elkaar
Ten aanzien van dit thema heeft de gemeente zes ambities opgesteld, dit betreffen de volgende:
De gemeente staat in de komende jaren voor een woningbouwopgave van 300 nieuwe woningen per jaar. Vanuit kwantitatief oogpunt past het plan (bouw 10 woningen) binnen deze opgave. De gemeente focust vooral op kleine woningbouwprojecten. Dit plan kan ook worden gezien als kleinschalig woningbouwproject. De conclusie volgt dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke omgevingsvisie.
In de woonafspraken voor de komende 10 jaar is met de provincie Overijssel afgesproken dat de harde plancapaciteit in de gemeente Hardenberg 1.529 woningen bedraagt, met een maximale bovengrens van 1.682 woningen. Begin 2017 bedraagt de harde plancapaciteit in Hardenberg ongeveer 1.250 woningen. Met de toenmalige woningbouwprojecten kwam het aantal woningen in 2017 uit op bijna 1.700. Nieuwe plancapaciteit toevoegen of voor zachte plannen een bestemmingsplan in procedure brengen is cijfermatig gezien daarom risicovol. Afgelopen jaren is immers ervaren dat de afzet en daarmee de productie van woningen is gestagneerd en dat een aantal plannen, ondanks een aantrekkende markt, niet of nauwelijks van de grond komt. Met andere woorden: er is sprake van een disbalans tussen vraag en aanbod.
Met deze nota heeft de gemeente het doel om de plancapaciteit voor woningen te verminderen. In de nota heeft de gemeente een deel van de voorziene capaciteit uit de woningbouwprogrammering en de bestemmingsplannen geschrapt. Een en ander zou moeten leiden tot een gunstiger verhouding tussen toegestane groei vanaf 2019 en harde plancapaciteit.
Aan het eind van de nota staat voor iedere kern de harde plancapaciteit voor 2018-2023. Voor de kern Bruchterveld is een capaciteit van 10-15 woningen bepaald.
Toetsing van het plan aan de 'Herprogrammering woningbouw gemeente Hardenberg'
In de beschreven nota is uitgegaan van een overschot aan capaciteit voor woningen in plannen. Uit de gemeentelijke omgevingsvisie blijkt echter dat per jaar 300 woningen gebouwd moeten worden. In het coalitieakkoord 2022-2026 staat een ambitie voor de bouw van 400 woningen per jaar. De geschetste situatie uit de nota is dus inmiddels veranderd.
De geplande bouw van 10 woningen past binnen de capaciteit voor de kern Bruchterveld uit de nota. Omdat op gemeentelijk niveau van een grotere woningbouwopgave wordt uitgegaan dan in de nota kan worden gesteld dat het plan voorziet in de lokale behoefte aan woningen.
Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. In paragraaf 2.3.3 is de parkeerbehoefte berekend. Bij het plan wordt volledig voorzien in de parkeerbehoefte.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
Dit hoofdstuk beschrijft hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).
Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn de waarden bepaald (artikel 22.57).
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De te bouwen woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna volgt de beoordeling op de aspecten weg-, railverkeer- en industrielawaai. Ook het geluid van op zichzelf staande (solitaire) bedrijven komt aan de orde.
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van de Broekdijk. Daarom is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek staat in Bijlage 1. Hieronder staat de conclusie van het onderzoek.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 48 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl.
Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
Het plangebied ligt niet binnen het geluidsaandachtsgebied van een spoorweg of geluidgezoneerd industrieterrein. Deze aspecten hoeven niet verder te worden onderzocht.
Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Activiteiten milieuzonering' (oktober 2024). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.
In dit geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna volgt de toetsing de ontwikkeling op basis van deze uitgave.
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt in het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
Hierbij spelen twee vragen een rol:
Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit plan wordt geen milieubelastende functie mogelijk gemaakt.
Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval gaat het om het bouwen van 10 woningen. De pastoriewoning blijft behouden. Dit plan voegt dan ook milieugevoelige functies toe.
Onderstaande tabel laat de milieubelastende functies in de omgeving zien. Voor de afstand wordt gemeten van de terreingrens van de milieubelastende functie tot de meest nabijgelegen gevel van de te bouwen woningen.
| Adres | Milieubelastende functie | Richtafstand voor geluid | Werkelijke afstand |
| Meester Holtropstraat 3 | Veldsportcomplex (met verlichting) | 50 meter | 35 meter |
| Wijkstraat 2a | Buurt- en clubhuizen | 30 meter | 30 meter |
| Wijkstraat 2 | Basisschool | 30 meter | 55 meter |
| Hoopsteeweg 25 | Fokken en houden van overige graasdieren | 30 meter | 145 meter |
| Broekdijk 42a | Fokken en houden van rundvee | 30 meter | 250 meter |
Veldsportcomplex
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied binnen de richtafstand ligt voor het sportcomplex. De sportvelden zelf liggen op ongeveer 55 meter (en verder) van het plangebied. Daarnaast is in de "Beheersverordening Bruchterveld" een milieuzone aangegeven op een deel van het sportcomplex. In de regels staat dat een intensivering in bebouwing en gebruik niet is toegestaan (artikel 13). Tot slot zijn er aan de Meester Holtropstraat meerdere woningen die op een kortere afstand liggen van het sportcomplex. Met deze punten kan worden gesteld dat in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat deze niet zal verslechteren.
Dit wijzigingsbesluit houdt voldoende rekening met eventuele geluidhinder.
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem.
Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van dit onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. Het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van het plan.
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:
Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:
Het plan is om 10 woningen te bouwen. In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Dit plan draagt dus zeker niet bij aan de luchtverontreiniging. Ook is er geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang.
Geurhinder ontstaat door activiteiten. In artikel 5.92, lid 2 Bkl staat dat een omgevingsplan erin moet voorzien dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Hiervoor moet worden voldaan aan de specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit. Deze staan in artikel 8.20 Bkl. Voor het houden van dieren betekent dit dat aan geurnormen dient te worden voldaan. Indien er geen geurnormen zijn vastgesteld, moet worden voldaan aan de afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 Bkl.
Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van 10 woningen mogelijk gemaakt en wordt de pastoriewoning omgezet naar een reguliere woning. Een woning is een geurgevoelig gebouw. In de omgeving liggen twee agrarische bedrijven die voor geurhinder kunnen zorgen. Deze liggen 145 meter ten zuiden (Hoopsteeweg 25) en 250 meter ten noordoosten (Broekdijk 42a). Op deze percelen is het mogelijk om landbouwdieren te houden. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Hiervoor geldt een vaste afstand van 100 meter. De agrarische bedrijven liggen dus op voldoende afstand. De conclusie is dat in het plangebied geen sprake is van geurhinder. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd gezien worden de agrarische bedrijven niet belemmerd door dit plan.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn. Van enige hinder als gevolg van trillingen is dan ook geen sprake.
Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor dit plan.
De waterbelangen worden op verschillende beleidsniveaus beschermd. Het Europese beleid is vastgelegd in de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG). Hiermee wordt geprobeerd om Europese wateren en de waterkwaliteit verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Het waterschap Vechtstromen heeft, om te voldoen aan de Kaderrichtlijn Water, het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
De beantwoording van de vragen uit de digitale watertoets heeft de 'normale procedure' als resultaat (zie Bijlage 2). De volgende subparagraaf gaat verder in op de waterhuishoudkundige aspecten.
Vanwege de 'normale procedure' is contact gezocht met waterschap Vechtstromen. Het waterschap heeft de volgende adviezen meegegeven:
Het waterschap is verder akkoord met het plan. Hierna wordt op de overige wateraspecten ingegaan.
Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig en het plan voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. In de huidige situatie is het plangebied bijna helemaal verhard. De netto toename van verharding als gevolg van het plan is dan ook minimaal. Het afvalwater wordt, net als in de huidige situatie, afgevoerd naar de riolering.
De waterbelangen worden voldoende beschermd.
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de blauwe ster.
|
| Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving) |
Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied. In de omgeving zijn geen risicobronnen aanwezig.
Het plan houdt in voldoende mate rekening met de omgevingsveiligheid.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit laat het belang zien van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld. De waardering van deze kwaliteiten verschilt per gebied. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten ter plaatse van het plangebied.
Voor de bescherming van de landschappelijke waarden heeft de gemeente Hardenberg het grondgebied ingedeeld in Landschapsidentiteitskaarten, kortweg LIK's. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Bruchterveld en is daarmee niet opgenomen in de LIK. In het plangebied zijn geen landschappelijke waarden aanwezig.
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.
Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Dit plan maakt het bouwen van 10 woningen mogelijk. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels van het Bkl waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Toetsing van het plan
In de "Beheersverordening Bruchterveld" is voor de gronden geen dubbelbestemming over archeologische verwachtingswaarden opgenomen. De gemeente heeft ook het 'Beleidsplan Archeologie' gemaakt. Op de kaart van dit plan ligt het plangebied binnen de zone 'Geen onderzoek (ontgraving)'. Hieruit volgt de conclusie dat archeologisch onderzoek niet nodig is.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.
Toetsing van het plan
In of nabij het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van rijks- of gemeentelijke monumenten die door het voornemen kunnen worden aangetast.
Het kerkgebouw aan de Broekdijk 23 is opgenomen in de 'Inventarisatie karakteristieke objecten en structuren'. Het gebouw is stedenbouwkundig waardevol vanwege de beeldbepalende ligging aan een ruim kerkplein aan de Broekdijk. Ook heeft het pand cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde. Met het plan wordt dit kerkgebouw gesloopt. Bij het ontwerp is gekeken naar de mogelijkheden om het gebouw te behouden. Het transformeren van het gebouw naar woningen is technisch niet mogelijk gebleken. Als het gebouw toch blijft staan betekent dit dat er vrijwel geen woningen op het terrein kunnen worden gebouwd. Initiatiefnemer heeft dan ook verzocht het gebouw te slopen. Dit verzoek is besproken met een afvaardiging van de gemeenteraad en met het Plaatselijk Belang Bruchterveld. Uit deze overleggen is gebleken dat deze partijen in kunnen stemmen met de sloop van het kerkgebouw, mits er woningen worden gerealiseerd bij de lokale behoefte. Daarbij werd gedacht aan woningen voor ouderen (al dan niet met zorg) en starters.
Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht zijn een deel van de te bouwen woningen levensloopbestendig. Een ander deel is bedoeld voor starters. Daarmee is tegemoet gekomen aan de wensen uit het overleg.
Het plan houdt voldoende rekening met de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als een Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is 'Engbertsdijksvenen'. Dit gebied ligt op ongeveer 4,1 kilometer afstand van het plangebied. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-Calculator. De berekening staat in Bijlage 4. Hieronder staat de conclusie van de berekening.
AERIUS-berekening
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In Overijssel kent het NNN geen externe werking.
Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 4,1 kilometer afstand. Er is dus geen sprake van een ontwikkeling in of nabij het NNN. Het plan zorgt niet voor aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is.
Bij de uitvoering van het plan wordt het kerkgebouw gesloopt en wordt een boom gekapt. Dit zijn activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op beschermde plant- en diersoorten. Daarom is door Ecofect een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek staat in Bijlage 5. Hieronder staan de belangrijkste conclusies.
Natuurwaardenonderzoek
Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er mogelijke schadelijke handelingen flora & fauna activiteit Omgevingswet zullen plaatsvinden. Om dit vast te stellen of uit te sluiten is een nadere toetsing noodzakelijk. Concreet betreft het onderzoek naar gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen.
Nadere onderzoeken
Door Ecofect zijn nadere onderzoeken uitgevoerd naar gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. De onderzoeken staan in Bijlage 6 (gierzwaluwen), Bijlage 7 (huismussen) en Bijlage 8 (vleermuizen). Hieronder staan de belangrijkste conclusies.
Nader onderzoek gierzwaluwen
Bij de sanering of sloop van de opstallen wordt er geen schadelijke handeling flora- en fauna-activiteit verricht ten aanzien van de gierzwaluw. Er gaan namelijk geen nesten verloren. Door de ingreep blijft de functie van het leefgebied behouden.
Nader onderzoek huismussen
Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is vastgesteld dat er zes nesten van de huismus in gebruik zijn. Er zal een vergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moeten worden bij het Bevoegd gezag.
Nader onderzoek vleermuizen
Vergunning flora- en fauna-activiteit
Uit het nader onderzoek huismussen blijkt dat een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is om de beoogde werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Deze vergunning is aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Overijssel. Op 13 augustus 2025 heeft de provincie Overijssel de vergunning flora- en fauna-activiteit verleend. Voor zover de initiatiefnemer zich houdt aan de voorschriften bij deze vergunning mogen de voorgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd. Er is daarom geen aanleiding tot het toevoegen van regels in voorliggend TAM-omgevingsplan inzake soortenbescherming.
Het plan leidt tot schadelijke gevolgen voor huismussen, waarvoor door de provincie Overijssel een vergunning flora- en fauna-activiteit is verleend. Voor het overige leidt het plan niet tot schadelijke effecten voor beschermde flora en fauna.
Ten behoeve van het voornemen is onderzocht of het voornemen tot negatieve invloed leidt voor de bomen in het plangebied. Hiertoe is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Deze is uitgevoerd door Pius Floris, het onderzoek staat in Bijlage 9. Hieronder staat de conclusie uit het onderzoek opgenomen.
Bomen Effect Analyse
De sloop- en nieuwbouwplannen hebben belemmerende invloed op enkele bomen in het plangebied. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens het aangeleverde ontwerpdocument, is boom 3 niet te behouden. Het betreft hier een ruwe berk met een matige conditie en toekomstverwachting.
In het rapport staan meerdere maatregelen genoemd die voorafgaand en tijdens de werkzaamheden genomen kunnen worden om duurzaam behoud van de overige bomen mogelijk te maken.
Geconcludeerd kan worden dat met inachtmening van de beschreven maatregelen het voornemen niet tot negatieve gevolgen leidt voor de te behouden boom.
Voor de werkzaamheden is door de provincie Overijssel een vergunning flora- en fauna-activiteit verleend. Voor het overige leidt het plan niet tot schadelijke effecten voor beschermde gebieden en flora en fauna. Vanuit natuurbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een omgevingsplan moet rekening houden met de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen (paragraaf 5.1.7 Bkl). Nadelige gevolgen van activiteiten voor de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen moeten worden voorkomen.
Het plangebied ligt binnen de zone van een persleiding en rioolgemaal (zie paragraaf 5.2.2). Met waterschap Vechtstromen is overleg gevoerd over de gevolgen van het plan voor de waterschapsbelangen. Het waterschap heeft de volgende reactie gegeven:
Het waterschap is verder akkoord met het plan.
Bij de uitvoering van het voornemen zal verder contact worden gezocht met het waterschap. Bovenstaande staat de uitvoerbaarheid van het voornemen niet in de weg.
Geconcludeerd wordt dat binnen het plan in voldoende mate rekening wordt gehouden met de staat en werking van de infrastructuur. Het plan voldoet aan de instructieregel uit paragraaf 5.1.7.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.
M.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig?
De gewenste ontwikkeling kan worden aangemerkt als een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' (J11) uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit Bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen mer-plicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht: er is sprake van de bouw ('aanleg') van woningen (kolom 3). Hieronder wordt nader getoetst aan artikel 11.10, lid 3 Ob.
Beschrijving project en ligging projectgebied
Het plan is om het kerkgebouw te slopen en 10 woningen te bouwen. De bestaande pastoriewoning blijft behouden (zie verder paragraaf 2.2). Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van het dorp Bruchterveld en is in de huidige situatie al deels verhard. Bij de uitvoering van het plan is sprake van een netto toename van ongeveer 400 m2 verharding. Het plangebied ligt op circa 4,1 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en het NNN.
Milieueffecten project
In de vorige hoofdstukken zijn de milieueffecten van het plan beschreven. Hieruit blijkt dat het plan geen grote negatieve gevolgen heeft voor het milieu.
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
In het voortraject is er tussen initiatiefnemer en 'Plaatselijk Belang' meerdere keren contact en afstemming over het plan geweest. Op maandagavond 25 november 2024 is door initiatiefnemer een inloopavond gehouden in het dorpshuis aan de Wijkstraat in Bruchterveld. De inwoners van Bruchterveld zijn door middel van de nieuwsbrief van 'Plaatselijk Belang' hiervoor uitgenodigd. De avond is goed bezocht en de initiatiefnemer heeft de bezoekers bijgepraat over het plan en toelichting gegeven. Het bouwplan is positief ontvangen door de bezoekers. De bezoekers hebben de mogelijkheid gehad om een reactieformulier in te vullen en eventuele interesse voor een woning kenbaar te maken. Hiervoor zijn een twintigtal formulieren ingevuld.
Het plan wordt in het kader van het vooroverleg naar de relevante vooroverlegpartners toegezonden. In deze paragraaf worden de reacties van de betreffende instanties opgenomen.
Tijdens de concept ontwerpfase van het plan is contact opgenomen met waterschap Vechtstromen. Deze heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt.
Dit plan is voor 6 weken als ontwerp ter inzage gelegd. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpplan is ongewijzigd vastgesteld.
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:
Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.