direct naar inhoud van Artikel 11 Natuur
Plan: Landelijk Gebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1916.lg2011-0010

Artikel 11 Natuur

11.1 Bestemmingsomschrijving
11.1.1 Algemeen

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding, versterking en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende natuurwaarden, bestaande uit onder meer graslandvegetaties, vegetatie van slootoevers en vogelkundige waarden;
  • b. instandhouding, versterking en/of herstel van ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarden en landschapswaarden, bestaande uit onder meer de openheid, het verkavelings-/slotenpatroon en landschapselementen;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven (gevestigd op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden), ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' (a), voor zover de bedrijfsuitoefening samengaat met natuurbeheer en aan de onder a. en b. genoemde waarden geen afbreuk wordt gedaan;
  • d. extensieve recreatie en bijbehorende voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' (r), voor zover deze functie wordt afgestemd op de onder a. en b. genoemde waarden en aan deze waarden geen afbreuk wordt gedaan;

met de daarbij behorende:

  • e. ontsluitings-/kavelwegen en (wandel)paden;
  • f. wandel-, fiets- en ruiterpaden;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. waterlopen en waterpartijen.

11.1.2 Dubbelbestemmingen

Voor zover de in lid 11.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Leiding - Riool', 'Leiding - Water', 'Waarde - Archeologie hoge verwachting', 'Waarde - Archeologie lage verwachting', 'Waarde- Ecologie' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde lid 11.2.2, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied en de in lid 11.1.1 onder a. en b. genoemde waarden;
  • b. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een natuur- en/of landschapsdeskundige.

11.2.2 Inrichting bestemmingsvlak en maatvoering bebouwing

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 11.2.1 gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden als bedoeld in lid onder 11.1.1 a. en b. mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, die verband houden met de bescherming dan wel ontwikkeling van de daar genoemde waarden van het gebied, waarvan:
  • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 3 m²;
  • b. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' als bedoeld in lid 11.1.1. onder c. mogen tevens voor de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan:
  • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m², met inachtneming van het bepaalde in artikel 3;
  • c. op de gronden ter plaastse van de aanduiding 'recreatie' als bedoeld in lid 11.1.1 onder d. mogen tevens worden gebouwd:
  • een uitkijktoren, waarvan de hoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
  • bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van extensieve recreatie, waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m².

11.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 11.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met:

  • a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het (bouw)perceel dan wel in het gebied;
  • b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied;
  • c. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden;
  • d. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten.

Het een ander met inachtneming van hetgeen in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is beschreven.

11.4 Afwijken van de bouwregels
11.4.1 Schuilgelegenheden, bergingen en sanitaire voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 ten behoeve van het bouwen op deze gronden van gebouwen, zoals schuilgelegenheden, bergingen en/of sanitaire voorzieningen. Voor het bouwen van deze bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van elk gebouw mag niet meer bedragen dan 30 m²;
  • b. de goothoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 2 m en de bouwhoogte niet meer dan 4 m.

11.4.2 Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 11.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover:

  • a. vaststaat dat de afwijking of bebouwing ten dienste is van de bestemming, noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van de onderhavige gronden en geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving;
  • b. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de betreffende gronden dan wel de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen (landschappelijke en/of natuurwaarden);
  • c. de afwijking of bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied en de ter plaatse aanwezige waarden, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een natuur- en/of landschapsdeskundige.

11.4.3 Agrarische hulpgebouwen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 voor het bouwen op de gronden met de aanduiding 'agrarisch' van:

  • a. agrarische hulpgebouwen, waarvan:
  • de oppervlakte per agrarisch bedrijf en per gebouw niet meer bedraagt dan 30 m²;
  • de goothoogte niet meer bedraagt dan 2 m en de bouwhoogte niet meer dan 4 m.

11.4.4 Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 11.4.3 genoemde afwijkingsmogelijkheid indien en voor zover:

  • a. de bebouwing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van een ter plaatse van de gronden met de bestemming 'Agrarisch' gevestigd grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder begrepen logistieke en/of milieutechnische redenen;
  • b. plaatsing van de betreffende bebouwing binnen het bij het betreffende agrarisch bedrijf behorende bouwvlak niet mogelijk en/of doelmatig is;
  • c. de waarden genoemd in lid 11.1.1 onder a. en b. niet in onevenredige mate worden aangetast;
  • d. de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied niet noemenswaardig worden aangetast;

met dien verstande dat:

  • e. burgemeester en wethouders over de noodzaak en doelmatigheid van de bebouwing voor de bedrijfsvoering advies kunnen inwinnen bij een agrarische deskundige;
  • f. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van de bebouwing advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.

11.5 Specifieke gebruiksregels
11.5.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 32, in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden voor bosbouw (behoudens landschapselementen), boomgaarden, Boskoopse cultures en bollenteelt;
  • b. het aanleggen/plaatsen van (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen;
  • c. het plaatsen en/of gebruik van afdekmateriaal, kassen, (kweek)tunnels of daarmee vergelijkbare objecten/bebouwing;
  • d. het aanleggen van draf-/renbanen, paardenbakken, longeer-ruimten en/of andere vergelijkbare voorzieningen voor paarden, alsmede het opbrengen van een laag zand voor het houden van paarden;
  • e. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland;
  • f. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren dan wel het leggen van drainageleidingen;
  • g. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor normaal onderhoud of graslandverbetering, en gebruik voor ruwvoederteelt;
  • h. het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen of enig ander onderkomen of voertuigen.

11.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.6.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de in onderstaande tabel aangegeven (dubbel)bestemming(en), de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

(dubbel)bestemming(en)   werken en werkzaamheden1  
  a.   b.   c.   d.   e.   f.   g.   h.   i.   j.   k.   l.   m    
Natuur   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x    
Leiding - Gas   x   x   x   x   o   x   x   x   x   x   x   o   o    
Leiding - Riool   x   x   x   x   o   x   x   x   x   x   x   o   o    
Leiding - Water   x   x   x   x   o   x   x   x   x   x   x   o   o    
Waarde - Archeologie hoge verwachting   zie artikel 26  
Waarde - Archeologie lage verwachting   zie artikel 27  
Waarde - Ecologie   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x   x    
Waterstaat - Waterkering   x   x   x   x   o   x   x   x   x   x   x   x   x    
Verklaring:
x= omgevingsvergunningplichtige activiteit
o= niet-omgevingsvergunningplichtige activiteit  

¹werken en werkzaamheden:

  • a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden (meer dan 10 cm) in verband met grootschalige verwerking van bagger;
  • c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, tot een oppervlakte van 250 m²;
  • d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het verwijderen van houtgewas, het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepwoelen of diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 m of meer diep);
  • g. het beplanten met houtopstanden of het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting, waaronder begrepen rietplanting (landschapselementen);
  • h. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking;
  • i. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • j. het verwijderen van de natuurlijke vegetatie;
  • k. het aanleggen van oeverbeschoeiingen;
  • l. het wijzigen van het kavelpatroon.

11.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 11.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden;
  • b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend;
  • c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

11.6.3 Toelaatbaarheid omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.6.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft:

  • a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de natuur- dan wel landschappelijke waarden, waarde van beplanting op deze gronden dan wel voor de waarden van de aan de bestemming grenzende gronden;
  • b. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen;
  • c. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;

en indien:

een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, en voor zover aan de orde, de belangen die met de dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas', 'Leiding - Riool', 'Leiding - Water', 'Waarde - Archeologie hoge verwachting', 'Waarde - Archeologie lage verwachting', 'Waarde- Ecologie' en/of 'Waterstaat - Waterkering' worden gediend, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

11.6.4 Advies omtrent omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen alvorens omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen advies inwinnen bij een natuur- en/of landschapsdeskundige of een met betrekking tot de betreffende werken, werkzaamheden en/of gronden meest aangewezen instantie.