| Plan: | Zuidhorn - Westerburcht |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1969.BPZU17HERS1-VA01 |
In 2011 werd het verzorgingscentrum Westerburcht aan de W.C. de Withstraat in Zuidhorn gesloopt. Sinds de sloop van het gebouw in 2011 ligt het terrein braak en tracht eigenaar Vestia de gronden te verkopen. Onlangs heeft Vestia met ontwikkelaar Extenzo overeenstemming bereikt over de verkoop van de grond. De eigenaar van de grond heeft het voornemen 19 woningen te realiseren in het gebied.
Op afbeelding 1 wordt de ligging van het plangebied op een luchtfoto weergegeven.
Afbeelding 1 - Ligging plangebied (bron: Googlemaps)
Het plangebied is gelegen tussen de Verlengde Hanckemalaan, de Fanerweg, de Burchtwal en de Gaickingalaan. Het gebied is opgenomen in het bestemmingsplan Kernen Briltil en Zuidhorn van 2011. Het gebied heeft daarin grotendeels een maatschappelijke bestemming. Een deel van het plangebied heeft de bestemming Groen en de bestemming Water. Op afbeelding 2 wordt de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding 2 - Verbeelding vigerend bestemmingsplan
In deze plantoelichting wordt ingegaan op de achtergronden van en de uitgangspunten voor dit nieuwe bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten voor dit plan verwoord. De randvoorwaarden vanuit het milieu-, water- en omgevingsbeleid komen in hoofdstuk 4 aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is gesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 6 is de juridische regeling opgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 afgesloten met een verwerking van de inspraak- en overlegprocedure.
Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplangebied. Gezien de aard van het plan en dat het beleid omtrent straalpaden in paragraaf 2.2 behandeld wordt, is rijksbeleid niet van belang. Er wordt alleen ingegaan op het provinciaal en gemeentelijk beleid dat betrekking heeft op de genoemde ontwikkeling en het plangebied.
Provinciale Staten hebben op 1 juni 2016 de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 en bijbehorende verordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat het omgevingsbeleid van de provincie op het gebied van milieu, verkeer en vervoer, water en ruimtelijke ordening.
Belangrijke punten in het provinciale beleid, relevant voor dit bestemmingsplan, zijn volgens de nieuwe Omgevingsvisie de volgende.
Wat betreft het punt 'nieuwe woningbouw regionaal afstemmen' wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3 waarin het plan aan de regionale Woonvisie Westerkwartier 2015-2020 wordt getoetst. Het beschermen van kwetsbare functies vanuit het oogpunt van externe veiligheid is getoetst door de Omgevingsdienst Groningen en te vinden in paragraaf 4.9.
Wat betreft de ruimtelijke kwaliteit en bundeling van verstelijking is met name getoetst aan de provinciale verordening. Op grond van het rijksbeleid, neergelegd in het besluit Algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte), hebben provincies de taak om in een provinciale verordening het zogenaamde "bestaand bebouwd gebied" aan te wijzen. Achtergrond daarbij is de toepassing van de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking: in dat kader moet eerst gekeken worden naar intensivering, revitalisering en herstructurering van bestaand bebouwd gebied, voordat nieuwe stedelijke bestemmingen worden ontwikkeld. Toepassing van de benadering volgens de ladder is ook verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening.
Voor het plangebied geldt de aanduiding “bestaand bebouwd gebied”. Dit bestemmingsplan voldoet aan het rijks- en provinciaal beleid: de nieuwe woningbouw vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied en is te beschouwen als een goede vorm van herstructurering.
In het voorliggend bestemmingsplan zijn de van toepassing zijnde regels uit de verordening vertaald.
De locatie waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, ligt nu nog in het Bestemmingsplan Kernen Briltil en Zuidhorn (vastgesteld 14-11-2011).
Het plangebied heeft grotendeels de enkelbestemming 'Maatschappelijk'. Daarnaast zijn de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Water' op delen van het gebied van toepassing.
Voor het zuidelijk deel van het plangebied geldt de gebiedsaanduiding geluidzone - weg. Deze aanduiding heeft volgens de planregels vooral tot doel om de geluideffecten van de Fanerweg te regelen. Op het gehele gebied is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' van toepassing. Deze aanduiding geeft de aanwezigheid van een straalpad weer, maar heeft in de praktijk alleen consequenties voor bebouwing hoger dan 25 m.
Op meerdere onderdelen past het nieuwe ontwerp niet binnen de nu nog geldende regeling: volgens de bestemming is wonen niet toegestaan. Daarnaast passen de 19 nieuwe woningen uit het ontwerp niet binnen het huidige bouwvlak. Met het oog hierop wordt in het nieuwe bestemmingsplan de beoogde woningbouw mogelijk gemaakt op basis van het inrichtingsplan.
De Structuurvisie Zuidhorn 2030 geeft het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor de gemeente weer en is een uitwerking van de toekomstvisie. De structuurvisie is door de gemeenteraad bij besluit van 6 juni 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het ruimtelijk kader voor de voormalige gemeente Zuidhorn voor de periode tot 2030 waarin het ruimtelijke programma (ontwikkelingen en ambities) voor de korte en lange termijn zijn vastgelegd.
De voormalige gemeente Zuidhorn is een aantrekkelijke gemeente om te wonen. Uit onderzoek voor de Regio Groningen Assen blijkt dat de Regio Groningen-Assen tot 2040 te maken heeft met groei van de bevolking. Dit geldt zeker voor de voormalige gemeente Zuidhorn. Om te komen tot een evenwichtige spreiding van het woningaanbod in de regio Groningen-Assen maakt de gemeente kwantitatieve en kwalitatieve afspraken over de te bouwen woningen met zowel de regio Groningen-Assen als de provincie Groningen. Een groot deel van de woningbouw wordt gerealiseerd in de woonwijk Oostergast en in de herstructureringslocaties binnen de kom van Zuidhorn.
Het plan is een herstructureringslocatie binnen de kom van Zuidhorn en sluit aan bij de structuurvisie voor het thema wonen. Door te kiezen voor een inbreidingslocatie wordt het landschap ontzien en is er sprake van een ontwikkeling binnen de bestaande contouren van het dorp.
Het woonbeleid van de gemeente is vastgelegd in de Woonvisie Westerkwartier 2015-2020 'Ruimte om te wonen'. Deze woonvisie schetst een perspectief voor het wonen in het Westerkwartier en bevat ambities, opgaven, acties en maatregelen om daar naar toe te werken. De woonvisie is gebaseerd op een woningmarktonderzoek. Tot 2030 wordt een lichte groei van het aantal huishoudens verwacht in het Westerkwartier. In de woonvisie is een raming voor de woningbehoefte opgesteld, zowel voor de kortere termijn (tot 2020) als voor de langere termijn (2021-2025). Er wordt gewerkt met zogenaamde bandbreedtes om te kunnen inspelen op zich voordoende ontwikkelingen en om tussen de gemeenten te wisselen.
In de woonvisie worden ambities genoemd voor woningbouw in het Westerkwartier. Eén van de ambities is: inbreiding gaat voor nieuwe uitbreidingen. Bij nieuwe planontwikkeling (buiten de in deze visie opgenomen plannen) geldt: eerst benutten van (reeds beschikbare of potentiële) inbreidingslocaties, pas als dat niet kan: uitbreiden. Het plan sluit aan bij de woonvisie aangezien er sprake is van inbreiding. Er is voldoende nieuwbouwruimte beschikbaar. Het plan is opgenomen in de afstemmingsafspraken binnen de Regiovisie Groningen-Assen van december 2012.
Het gemeentelijke welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota Gemeente Zuidhorn (2012). Vergunningplichtige bouwaanvragen worden getoetst aan de welstandscriteria in deze nota. Er zijn verschillende typen criteria te onderscheiden: algemene welstandsaspecten en gebiedsgerichte criteria. Algemene welstandsaspecten gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. Gebiedsgerichte criteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen. Voor het plangebied gaan de criteria gelden van de 'planmatig ontwikkelde woonwijken'.
Welstandshalve aspecten (als kleurstelling, erfscheiding, oriëntatie van woningen, inrichting van de openbare ruimte et cetera) zullen op grond van het welstandsbeleid worden beoordeeld.
Binnen het plangebied is het verzorgingscentrum Westerburcht gesloopt. Er is sprake van de realisatie van 19 woningen. Het gaat om koopwoningen waarvan 16 halfvrijstaand en 3 vrijstaand.
Deze woningen worden op de planningslijst Zuidhorn ten laste gebracht van de 20 gereserveerde woningen voor herstructurering. Deze planningslijst die in regionaal verband (regio Groningen-Assen) is afgestemd, wordt gehanteerd bij de uitvoering van het woonprogramma voor Zuidhorn.
Het plangebied ligt in de zuidelijke woonbuurt van Zuidhorn, die aan de noordzijde van de doorgaande Fanerweg is gerealiseerd. Op onderstaande luchtfoto is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 3. Luchtfoto met plangebied (bron: pdokviewer.nl)
Uitgangspunt is om naast 19 woningen ook een weg te realiseren die de Burchtwal en de Gaickingalaan verbindt. Daarnaast bevat het plan een groenstrook en de huidige waterpartij wordt uitgebreid. Er wordt een fietspad en -brug gerealiseerd naar de Verlengde Hanckemalaan.
Het is de bedoeling om de 19 woningen ruim van opzet binnen het plangebied te realiseren (zie afbeelding 4). De vrijstaande woningen krijgen een oppervlakte van circa 70 m2. De halfvrijstaande woningen krijgen een oppervlakte van circa 60 m2. Onderstaand zijn de ontwerpen van de twee verschillende woningentypen weergegeven.
Afbeelding 4. Ruimtelijke opzet plangebied (bron: GEVEKE)
Afbeelding 5. Ontwerp vrijstaande woning (bron: GEVEKE)
Afbeelding 6. Ontwerp halfvrijstaande woning (bron: GEVEKE)
De herontwikkeling van de locatie brengt parkeerbehoefte met zich mee. Het aantal te bouwen woningen bedraagt 19. De voormalige gemeente Zuidhorn hanteert een parkeernorm van 2,3 per woning. Hiervan worden twee parkeerplaatsen op het eigen erf gerealiseerd, waarna 0,3 parkeerplaats voor in de openbare ruimte overblijft. Hierdoor ontstaat er een parkeerbehoefte van zes parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte wordt door parkeren in de berm opgevangen. De vijf parkeerplaatsen die worden verwijderd door het realiseren van de nieuwe weg worden in het noordelijke gedeelte van het plangebied gecompenseerd. Het planvoornemen voorziet hiermee in de parkeerbehoefte.
Door de herontwikkeling van de locatie zullen de Burchtwal en de Gaickingalaan door middel van een 30 km/uur weg worden verbonden. Tevens wordt binnen het planvoornemen een nieuwe fietsverbinding gerealiseerd. Deze verbinding voorziet in de behoefte van de mensen die vanuit het westen van Zuidhorn richting Groningen fietsen.
Naast het feit dat de ontwikkelingen in het plangebied binnen het overheidsbeleid tot stand moeten komen, moet ook rekening gehouden worden met de aanwezige functies in en rond het gebied. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In dit hoofdstuk zijn de randvoorwaarden, die voortvloeien uit de omgevingsaspecten, beschreven.
Vanwege de voorgenomen plannen op het Westerburcht terrein te Zuidhorn is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming.
Quickscan
In het kader van deze toetsing is door bureau Eelerwoude een 'Quickscan flora en fauna' uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 1).
Uit de quickscan is gebleken dat in het kader van gebiedsbescherming geen nader onderzoek nodig is. Wat betreft soortenbescherming kan op basis van de quickscan worden geconstateerd dat het onderzoeksgebied een potentieel habitat is voor een aantal beschermde soorten. Het terrein is mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor een enkele beschermde broedvogel, vleermuizen en mogelijk steenmarter en eekhoorn. Behalve op vleermuizen en broedvogels zijn met de ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve effecten op deze soort(groepen) te verwachten.
Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen te plannen wordt rekening gehouden met de broedvogels. Om te onderzoeken welk effect de ruimtelijke ontwikkeling op vleermuizen heeft is aanvullend onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2).
Aanvullend onderzoek
Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een aantal beschermde vleermuissoorten. Voor deze soorten is de groenstructuur westelijk van het plangebied een belangrijk element. Deze groenstructuur blijft in de toekomstige situatie behouden. Het is noodzakelijk om in de toekomstige situatie rekening te houden met verlichting, uitstraling naar de westelijk gelegen groenstructuur is verboden.
Verblijfplaatsen of aanwijzingen hiertoe zijn niet binnen het plangebied waargenomen en kunnen dan ook worden uitgesloten. Negatieve effecten op verblijfplaatsen zijn dan ook niet aanwezig.
Conclusie
Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze (verlichting en broedvogels) is geen overtreding van de natuurwetten aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. Het plangebied maakt deel uit van een naoorlogse woonbuurt en kent geen cultuurhistorische waarden.
Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. In het kader hiervan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Als er toch archeologische sporen in het gebied geweest zijn, dan zullen die door de sterke verstoringen grotendeels verloren zijn gegaan.
Het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Bij het aantreffen van archeologische sporen of archeologische vondsten tijdens de graafwerkzaamheden moet hiervan direct melding worden gemaakt conform de Erfgoedwet.
Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden.
Waterschappen hebben op grond van de Waterwet een belangrijke taak met betrekking tot het waterbeheer. In een waterbeheerplan geven zij functies aan het water geven waarbij afstemming wordt gezocht met het ruimtelijk beleid. Als leidende principes voor een duurzaam waterbeheer geldt een tweetal ‘tritsen’:
Samen met de betrokken gemeenten in het Westerkwartier en het waterschap Noorderzijlvest is het Waterplan Regio West-Groningen opgesteld.
Voor dit bestemmingsplan is op 6 maart 2017 de digitale watertoets uitgevoerd (Bijlage 4). Het perceel is reeds vanaf 2011 onbebouwd. De ontwikkeling van de woningen en de toegangsweg zorgen voor een versnelde afvoer van hemelwater door toename van verharde oppervlakken van 2.100 m². Hiervoor is een compensatie van 10% van deze oppervlakte noodzakelijk, namelijk 210 m². In de plannen wordt het wateroppervlak vergroot van 700 m² naar 1.800 m² wat een vergroting van 1.100 m² inhoudt. Hiermee is ruimschoots voldaan aan de compensatieverplichting.
Uit de watertoets komen de volgende aandachtspunten naar voren.
Ondiepe storende lagen
Uit de watertoets blijkt dat het plangebied de laag 'ondiepe storende lagen' raakt. In het plangebied komen ondiepe storende lagen voor, die vaak uit klei of leem bestaan, die ervoor zorgen dat hemelwater moeilijk in de grond kan infiltreren. Hierdoor kan er wateroverlast ontstaan bij hevige neerslag. Zonder aanvullende maatregelen is het terrein niet geschikt voor woningbouw. In het projectgebied wordt drainage aangelegd waardoor snelle afwatering bij neerslag mogelijk is.
Riolering
In de watertoets wordt gewezen op het uitgaan van de aanleg van een gescheiden stelsel van de riolering. De initiatiefnemer moet aannemelijk maken dat het omringende watersysteem over voldoende berging- en afvoercapaciteit beschikt. Gezien de toename van het oppervlaktewater, de afname van verhard oppervlak en het feit dat het hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd, is sprake van voldoende berging- en afvoercapaciteit.
Grondwater
Wat betreft grondwater wordt een minimale drooglegging voor woningen met kruipruimte geadviseerd van 1,30 m. Voor woningen zonder kruipruimte, gebiedsontsluitingswegen en groenstroken gelden andere ontwateringsdieptes. In een ruimtelijk plan kan een variërende drooglegging gerealiseerd worden in overleg met het waterschap.
Oppervlaktewater
Het aanwezige oppervlaktewater dient niet alleen voldoende ruimte te hebben voor het afstromende hemelwater, maar ook aan de inrichting dient aandacht te worden besteed. Voor een gezond watersysteem is de inrichting en het beheer van het uit te breiden oppervlaktewater belangrijk. Bij oppervlaktewatersystemen in stedelijk gebied wordt daarom gestreefd naar zo groot mogelijke eenheden. Hier wordt in het plan rekening mee gehouden door het al aanwezige oppervlaktewater in de toekomstige situatie te vergroten.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen.
De Wet geurhinder en veehouderij bepaalt op welke manier geur (stank) van veehouderijstallen in de milieuvergunning moet worden beoordeeld. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er wordt onderscheid gemaakt tussen maximaal toegestane geurbelasting binnen en buiten de bebouwde kom en concentratie en niet-concentratiegebieden. De minimumafstand tussen een veehouderijbedrijf, waarvan de geuremissiefactor niet bekend is, bedraagt binnen de bebouwde kom 100 m en daarbuiten 50 m.
Op 223 m vanaf het plangebied is een agrarisch bedrijf gevestigd (Holtweg 11). De nieuw te bouwen woningen liggen in de bebouwde kom. De afstand tussen het plangebied en het agrarisch bedrijf is meer dan 100 m. Hiermee wordt voldaan aan de minimumafstand uit de Wet geurhinder en veehouderij.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
De woningbouw vindt plaats binnen een woongebied. In de omgeving komt vrijwel alleen maar de bestemming Wonen voor. In de omgeving zijn op een afstand van respectievelijk 167 en 176 m de maatschappelijke functies school en begraafplaats aanwezig. Voor deze functies wordt maximaal een richtafstand van 30 m aangehouden. Aan deze afstand wordt voldaan.
Daarnaast is op een afstand van circa 275 m het bedrijf EP:Prieto gevestigd. EP:Prieto is gelegen aan de Holtweg 1a. Op grond van het bestemmingsplan mag hier een bedrijf gevestigd zijn van de categorie 1 of 2. De maximale richtafstand voor een bedrijf met categorie 2 is 30 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De nieuw te bouwen woningen vormen geen belemmering voor dit bedrijf.
Op 223 m vanaf het plangebied is een agrarisch bedrijf gevestigd. Met betrekking tot geurhinder is in paragraaf 4.4 getoetst aan de minimumafstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Het bedrijf ligt op zodanige afstand dat er voor andere aspecten zoals geluid geen hinder is te verwachten.
Er zijn geen milieubelastende functies in de omgeving die invloed hebben op het woon- en leefklimaat van de nieuw te bouwen woningen. Daarnaast is geen sprake van een belemmering op omliggende bedrijven door de bouw van de woningen.
Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.
Ten behoeve van de nieuwbouw heeft de initiatiefnemer bodemonderzoek laten uitvoeren (Bijlage 5). Daaruit komt naar voren dat er geen verhoogde gehaltes in de grond voorkomen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en naftaleen gemeten. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het terrein zijn er geen milieu hygiënische belemmeringen aanwezig op de onderzoekslocatie. Op het terrein kunnen, op basis van de verkregen resultaten, nieuwe woningen worden gebouwd.
Bij de daadwerkelijke verlening van de omgevingsvergunning wordt dit onderzoek betrokken om te onderbouwen, dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Indien grond dient te worden afgevoerd van de locatie zijn de regels uit het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van de Fanerweg en de Verlengde Hanckemalaan op de te realiseren woningen (Bijlage 6).
Uit het onderzoek blijkt dat de te realiseren woningen grotendeels aan de wettelijke eisen wat betreft geluidhinder vanwege het wegverkeerslawaai voldoen. Voor drie woningen geldt dat de geluidbelasting de norm van 48 decibel met maximaal 3 decibel overschrijdt.
In het akoestisch onderzoek wordt gemotiveerd waarom maatregelen, zoals het aanbrengen van stil asfalt of het plaatsen van een geluidscherm, niet mogelijk is. Daarom wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om voor de woningen een zogenaamde hogere grenswaarde vast te stellen. De wettelijke verplichting om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 decibel blijft van toepassing.
Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken zal het College van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen.
Regelgeving
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben'.
NSL/nibm
Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden.
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de nor-men (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Bestemmingsplan
Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 19 woningen, waarvan 3 vrijstaand en 16 half-vrijstaand. Op grond van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (oktober 2012) is de gemiddelde verkeersgeneratie van dergelijke woningen bepaald op 8,4 ritten per etmaal. De toename van de totale verkeersgeneratie bedraagt afgerond derhalve 160 ritten.
Nibm-tool
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.
Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project.
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2013. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel.
| Grenswaarden luchtconcentraties NO2 en PM10 | |
| Luchtconcentratie | Norm |
| NO2 | |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
| PM10 | |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moest al aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan.
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2 en PM10.
| Achtergrondniveaus luchtkwaliteit | |||
| Stof | 2011 | 2015 | 2020 |
| PM10 | 21,5 µg/m3 | 14,3 µg/m3 | 15,1 µg/m3 |
| NO2 | 14,0 µg/m3 | 10,4 µg/m3 | 9,6 µg/m3 |
Conclusie
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Daarnaast is geconcludeerd dat het een nibm-project betreft.
Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).
Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.
Inrichtingen en buisleidingen
Uit een inventarisatie blijkt dat zich in of in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen en buisleidingen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en leidingen.
Transport
In de nabijheid van het plangebied bevindt zicht de provinciale weg N980 die is opgenomen in het provinciaal Basisnet Groningen. Het plangebied ligt binnen de veiligheidszone 2 van de N980. Voor het plangebied is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Bijlage 7). Uit het resultaat van de risicoberekening komt naar voren dat voor de situatie waar aan beide kanten van de provinciale weg N980 het aantal personen is ingevoerd het berekende groepsrisico onder de oriënterende waarde ligt.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
In de buurt van het plangebied lopen geen kabels of hogedrukleidingen die van belang zijn voor dit bestemmingsplan. Over dit deel van Zuidhorn loopt wel een straalpad. Hoge bebouwing (> 25 m) kan de functie hiervan verstoren, maar is met dit bestemmingsplan niet aan de orde.
Milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. M.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld aan de vaststelling van een structuurvisie, aan een bestemmingsplan of aan het verlenen een vergunning.
In het Besluit m.e.r. zijn in de bijlage onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld.
Op het voornemen is categorie 11.2 uit bijlage I onderdeel D van het Besluit m.e.r. van toepassing: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde (2.000 of meer woningen) wordt niet overschreden.
Conform het gewijzigde Besluit m.e.r. dient voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' te worden uitgevoerd, een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan.
Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet in de meeste gevallen worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie (artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r.). Op 15 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Zuidhorn een besluit genomen in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor bestemmingsplan Zuidhorn - Westerburcht. In dit besluit heeft het college op basis van de ingediende aanmeldnotitie beslist dat een milieueffectrapportage niet is vereist.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Het conceptontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg aan de overlegpartners, zoals Provincie Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest voorgelegd. In hoofdstuk 7 van deze plantoelichting wordt daarvan verslag gedaan. Tevens is op 17 maart 2018 een informatiebijeenkomst voor omwonenden en belangstellenden georganiseerd.
Op dit bestemmingsplan wordt de Crisis- en herstelwet van toepassing verklaard. Hierdoor zal de bestemmingsplanprocedure sneller verlopen.
Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid kan worden geconstateerd dat het hier een bestemmingsplan betreft voor herstructurering van een voormalige terrein met een maatschappelijke functie. De ontwikkeling hiervan vindt plaats door de projectontwikkelaar. De gemeente heeft hier geen financiële bemoeienis mee. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. Met initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst (planschade is een onderdeel van deze overeenkomst) worden afgesloten. Hiermee is de economische haalbaarheid voldoende gewaarborgd en wordt het plan uitvoerbaar geacht.
Dit bestemmingsplan gaat vergezeld van een plankaart (verbeelding). Deze plankaart is op basis van het stedenbouwkundig ontwerp opgesteld. Op deze plankaart zijn aan het plangebied de stemmingen Wonen - 3, Groen, Water en Verkeer gegeven. Deze bestemmingen zijn ook in het geldende bestemmingsplan Kernen Briltil en Zuidhorn 2011 voor de omgeving toegepast.
Uitgangspunten voor de bestemming Wonen - 3 zijn:
Het te realiseren fietspad en naastgelegen groenstroken worden ondergebracht in de bestemming Groen. Het water en de te realiseren fietsbrug krijgen de bestemming Water. De woonstraat die de Burchtwal en de Gaickingalaan verbindt krijgt de bestemming Verkeer. De parkeervakken die worden gerealiseerd vallen eveneens onder de bestemming Verkeer en zijn aangeduid als 'parkeerterein'.
Daarnaast is in aansluiting op het vigerende bestemmingsplanplan een drietal gebiedsaanduidingen toegepast: 'geluidzone - weg' en 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' ter regeling van de respectievelijk de in acht te nemen geluidzone en veiligheidszone van de N980, en 'vrijwaringszone straalpad' in verband met een straalverbinding die over het dorp heen loopt.
In samenwerking met de gemeente heeft de initiatiefnemer op 17 maart 2018 een informatiebijeenkomst georganiseerd over de plannen voor het voormalige Westerburcht terrein.
In het kader van het wettelijk vooroverleg als genoemd in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept van het ontwerpbestemmingsplan aan de vooroverlegpartners ter kennis gebracht. Onderstaand worden de ontvangen reacties en de gevolgen hiervan voor dit bestemmingsplan besproken. De integrale reacties zijn terug te vinden in bijlage 8 van de toelichting bij het bestemmingsplan.
Provincie Groningen
De provincie Groningen geeft aan dat het plan niet stuit op provinciale bezwaren. Het plan is in overeenstemming met de provinciale verordening. Gelet hierop heeft de vooroverlegreactie niet geleid tot aanpassingen in het plan.
Waterschap Noorderzijlvest
Ook het waterschap geeft aan in te stemmen met het plan. Wel geeft aan dat de redeneerlijn moet worden aangepast. Deze aanpassingen zijn doorgevoerd in de toelichting bij dit bestemmingsplan.
Omgevingsdienst Groningen
De Omgevingsdienst Groningen heeft integraal advies gegeven over het plan en hierbij ook de Veiligheidsregio Groningen betrokken (zie bijlage 7). Uit het advies volgt dat het bodemonderzoek aanpassing behoeft. In het onderzoek werd namelijk niet ingegaan op de resultaten van eerder verricht onderzoek ten aanzien van asbestverontreiniging. Inmiddels is duidelijk geworden uit hetzelfde onderzoek dat wordt aangehaald door de ODG dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Het onderzoek is aangepast zodat helder blijkt dat een verdenking op asbest niet aanwezig is op basis van het al eerder verrichte onderzoek.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 24 oktober 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.