direct naar inhoud van 3.10 Archeologie
Plan: Elst, Vierslag
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0143ELSTvierslag-VSG1

3.10 Archeologie

In de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reƫle verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in de ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland (provincie Gelderland, 2007) is het plangebied gelegen in een gebied met een middelhoge tot hoge kans op archeologische sporen. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland ligt ten oosten van het plangebied een beschermd archeologisch monument (in de zin van de Monumentenwet 1988).

Vanwege de middelhoge tot hoge kans op archeologische sporen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Er zijn in de afgelopen periode verschillende (opeenvolgende) archeologische onderzoeken uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten van deze onderzoek benoemd.

Inventariserend onderzoek

Uit het karterend onderzoek (RAAP-rapport 3366, 2010) is gebleken dat de kans groot is dat er in dit plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Om die reden is in 2010 binnen het plangebied een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (RAAP-rapport 2413, 2011) uitgevoerd.

Tijdens dit proefsleuvenonderzoek zijn in het plangebied in twee fasen in totaal 98 proefsleuven gegraven. Het doel hiervan was om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Hoewel voorafgaand booronderzoek geen archeologische resten had aangetoond, werden, op basis van de landschappelijke ligging van het plangebied en vondsten uit de omgeving, sporen verwacht van kleine, prehistorische vindplaatsen. Deze blijken inderdaad aanwezig te zijn. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn bewoningssporen aangetroffen die op grond van het aardewerk en een C-datering in de Late Bronstijd gedateerd worden. Op een niveau onder deze resten is een tweede archeologisch sporenniveau gevonden waarvan de datering nog onzeker is. Gezien het feit dat de sporen zich op een dieper niveau bevinden, moet de datering in ieder geval ouder zijn dan Late Bronstijd. Er is dus sprake van twee stratigrafisch gescheiden vindplaatsen.

De oudste vindplaats (vindplaats 2) bevindt zich op een diepte tussen 1 en 1,6 m -Mv. Vindplaats 2 wordt afgedekt door een pakket oever- en komafzettingen. Deze afdekking heeft ervoor gezorgd dat de vindplaats zeer goed bewaard is gebleven. De jongste vindplaats (vindplaats 1) ligt op een diepte tussen 0,5 en 1 m -Mv. Ook deze vindplaats is gaaf bewaard gebleven. Sporen van beide vindplaatsen zijn verspreid over diverse proefsleuven aangetroffen, waarbij het niet geheel duidelijk is of de vindplaatsen een aaneengesloten geheel vormen of dat er sprake is van verschillende kleinere vindplaatsen.

Naast de diverse prehistorische resten zijn drie brede greppels uit de Romeinse tijd gevonden. Deze horen mogelijk bij bewoning buiten het plangebied en zijn dus niet direct aan een vindplaats binnen het plangebied te koppelen.

Op basis van de waardering conform de KNA worden de vindplaatsen als behoudenswaardig aangemerkt. Het grote belang van de vindplaatsen schuilt in de informatiewaarde. Vindplaatsen uit de Late Bronstijd zijn nog vrijwel onbekend in de omgeving van Elst, wat nog sterker geldt voor oudere vindplaatsen. Daarnaast gaat het om goed geconserveerde nederzettingen die vermoedelijk relatief kortstondig bewoond zijn geweest (hoge informatiewaarde). Onderzoek van de sporen zal dan ook een belangrijke bijdrage leveren aan de kennis van het bewoningspatroon en nederzettingsstructuur in de late Prehistorie in de omgeving van Elst.

In het onderzoek is geadviseerd om de vindplaatsen tijdens de uitvoering van de nieuwbouw te ontzien en duurzaam te behouden. Indien dit niet mogelijk blijkt, dan dient de vindplaats nader te worden onderzocht door middel van een opgraving. De vindplaatsen zijn gelegen in een kleiige ondergrond welke mogelijk gevoelig is voor zetting. Daarnaast bestaat de kans op 'verblauwing', waarbij de ondergrond gereduceerd wordt met als gevolg dat archeologische sporen minder of zelfs helemaal niet meer zichtbaar zijn. Dit heeft tot gevolg van de kwaliteit van de vindplaats in de toekomst af kan nemen, waardoor het behoud van de vindplaats dus niet gegarandeerd is. Indien wordt besloten om behoud door middel van het ophogen van de ondergrond toe te passen, is het raadzaam om onderzoek te verrichten naar de zettingsgevoeligheid van de ondergrond en de risico's voor verblauwing van de ondergrond.

Aanleiding nader archeologisch onderzoek

Zoals aangegeven was het doen van archeologisch onderzoek, en in laatste instantie het uitvoeren van opgravingen, een voorwaarde bij de vergunningverlening. Op basis van de verstoringsdieptes en een inschatting van de mogelijke verblauwing van de bedreigde terreindelen (een reductieproces waarbij archeologische sporen als het ware oplossen), is geconstateerd dat delen van de bovenste vindplaats bedreigd werden door de aanleg van de huizen, wegen en verhardingen en riolen, terwijl de dieper gelegen tweede vindplaats alleen bedreigd werd door de aan te leggen rioleringen.

Resultaten en conclusies

Er is daarom nader onderzoek uitgevoerd (BAAC bv, Opgraving en archeologisch begeleiding, Vierslag, december 2012, ISSN 1873-9350). De opgravingen ten behoeve van dit onderzoek heeft zich geconcentreerd op twee deelgebieden binnen de vindplaats. Deze twee deelgebieden zijn geselecteerd op basis van het bovengenoemde inventariserend onderzoek. Tevens is het uitgraven van een riooltrace die zich uitstrekt over de hele vindplaats begeleid.

Uit deze opgravingen en de archeologische begeleiding is gebleken dat de verwachtingen uit het eerdere onderzoek niet geheel zijn ingelost. Gebleken is dat de sporen die aan de Romeinse tijd zijn toegeschreven niet uit deze periode komen, maar uit dezelfde periode als de andere sporen, namelijk de (late bronstijd-) vroege ijzertijd.

Met de opgravingen die zijn gedaan, wordt het plangebied vrijgegeven en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel dient bij de bodemverstorende activiteiten rekening eenieder alert te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de Minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988.