direct naar inhoud van Artikel 9 Wonen
Plan: Centrum Heesch
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.BPCentrumHeesch-vg02

Artikel 9 Wonen

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woongebouwen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroep, met dien verstande dat per woning maximaal 40% van de vloeroppervlakte mag worden gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep tot een maximum van 50 m²;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – patio', zijn tevens patiowoningen toegestaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' tevens het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van de op het perceel voorkomende monumentale en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen;
  • d. bijgebouwen, vrijstaand en niet-vrijstaand;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', detailhandel met de daarbij behorende dienstverlening;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk', maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – langzaam verkeer', uitsluitend een route voor langzaam verkeer;

met de daarbij behorende:

  • h. tuinen en erven;
  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende algemene regels:

  • a. de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaande bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende bouwregels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

9.2.2 Hoofdgebouwen

Ten aanzien van het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mogen niet meer woongebouwen worden opgericht dan aangeduid;
  • c. de afstand van woongebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ter plaatse van
      • vrijstaande woningen: aan twee zijden minimaal 3 meter;
      • twee-aaneengebouwde woningen: aan één zijde minimaal 3 meter;
      • aaneengebouwde woningen: aan de niet-aaneengebouwde zijde van de eindwoningen minimaal 3 meter;
  • d. de goot- en bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter respectievelijk 10 meter bedragen, tenzij op de verbeelding een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven;

9.2.3 Bijgebouwen

Ten aanzien van het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen, voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 60 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 70% is;
    • 2. 70 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is;
    • 3. 80 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is;
    • 4. 90 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is;
    • 5. 100 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 800 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is;
  • c. onverminderd het bepaalde onder b. bedraagt de oppervlakte van een bijgebouw bij een woongebouw maximaal 50 m² per bijgebouw. Dit is niet van toepassing op vrijstaande bijgebouwen op bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1000 m²;
  • d. per hoofdgebouw zijn maximaal drie vrijstaande bijgebouwen toegestaan;
  • e. de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande woongebouwen aan één zijde van de woning minimaal 3 meter, voor zover gelegen binnen, naast en binnen een zone van 5 meter achter het bouwvlak;
  • f. bijgebouwen worden gesitueerd minimaal 4 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • g. in hoeksituaties (de zijkant van de woning grenst aan een straat of openbaar groen) mag de bouwgrens door het bijgebouw worden overschreden,
    • 1. tot op de zijdelingse perceelsgrens, indien er geen woningen aan diezelfde zijde in de zijstraat zijn gesitueerd;
    • 2. tot op minimaal 1 meter van de zijdelingse perceelsgrens, indien er woningen zijn gesitueerd aan dezelfde zijde in de zijstraat;
  • h. de goothoogte van niet-vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3,25 meter bedragen;
  • i. de dakhelling van niet-vrijstaande bijgebouwen is niet steiler dan de kap van het hoofdgebouw;
  • j. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag respectievelijk niet meer dan 3,25 meter en 5,5 meter bedragen.

9.2.4 Carports

Ten aanzien van het bouwen van carports gelden de volgende regels:

  • a. carports mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per hoofdgebouw, uitsluitend woongebouw, is maximaal 1 carport toegestaan;
  • c. carports worden gesitueerd maximaal 1 meter voor de (het verlengde van de) voorgevel van het hoofdgebouw;
  • d. de oppervlakte bedraagt maximaal 20 m²;
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,25 meter.

9.2.5 Ondergeschikte onderdelen van woongebouwen

Ten aanzien van het bouwen van ondergeschikte onderdelen gelden de volgende regels:

  • a. de voorgevelrooilijn mag naar de wegzijde toe uitsluitend worden overschreden door ondergeschikte onderdelen van woningen (erkers);
  • b. de horizontale diepte bedraagt maximaal 1,5 m;
  • c. de breedte bedraagt maximaal 60% van de breedte van de totale voorgevel (exclusief overkapping boven de voordeur);
  • d. de afstand tot de voorste perceelsgrens bedraagt minimaal 1,5 meter;
  • e. de goothoogte bedraagt maximaal 0,25 meter boven de bovenzijde van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, met dien verstande dat het doortrekken van een erker aan de voorgevel tot voorbij en aan één zijgevel is toegestaan mits:
    • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt;
    • 2. de breedte aan de zijgevel niet meer dan 1,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt;
    • 3. de diepte aan de zijgevel maximaal gelijk is aan de diepte van het hoofdgebouw.

9.2.6 Overkappingen

Ten aanzien van het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. overkappingen boven de voordeur zijn toegestaan;
  • b. de breedte bedraagt maximaal 120% van de breedte van de entreepartij, tenzij de overkapping één constructie vormt met een erker;
  • c. de horizontale diepte bedraagt maximaal 1,5 m;
  • d. de overkapping betreft een open constructie zonder tot de constructie behorende wanden.

9.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • c. de hoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Afwijkingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2.2 onder c en 9.2.3. onder b en toestaan bij de bouw van patiowoningen:

  • a. een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  • b. een gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen, voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw tot een bebouwingspercentage van 80%;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

9.4 Specifieke gebruiksregels
9.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c. Wabo wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gebouwen en gronden voor bedrijfsmatige activiteiten, anders dan aangegeven in lid 9.1;
  • b. het gebruik van bijgebouwen voor bewoning als zelfstandige woning.

9.5 Afwijken van de gebruiksregels
9.5.1 Afwijkingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 9.4.1, onder a., de nieuwvestiging van aan-huis-verbonden bedrijvigheid toestaan, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het bedrijfsmatige activiteiten betreft genoemd in de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten of voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2;
    • 2. de oppervlakte maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de bebouwing bedraagt tot een maximum van 50 m²;
    • 3. er geen sprake is van onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    • 4. de activiteiten alleen in gebouwen plaatsvinden;
    • 5. er geen detailhandel plaatsvindt behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van aan-huis-verbonden bedrijf.
  • b. lid 9.4.1, onder b. en toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, mits:
    • 1. bewoning in het kader van mantelzorg waarbij de noodzaak door middel van een mantelzorgindicatie is aangetoond, of;
    • 2. bewoning door een alleenstaande ouder met een leeftijd van minimaal 55 jaar die gaat inwonen bij één van zijn/haar kinderen, of;
    • 3. bewoning door een ouder-echtpaar dat gaat inwonen bij één van hun kinderen waarvan ten minste één ouder met een leeftijd van minimaal 55 jaar;

onder de voorwaarden dat:

    • 1. de vloeroppervlakte die voor bewoning wordt gebruikt maximaal 80 m² bedraagt binnen de mogelijkheden van de in artikel 9.2 opgenomen bouwregels;
    • 2. er geen tweede woning ontstaat;
    • 3. het gebruik wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan lid 9.4.1., onder b. sub 1. tot en met 3.