| Plan: | Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1705.201-VG01 |
Bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard'
De Veiling Oost-Nederland die in het verleden op het bedrijventerrein Pannenhuis in Huissen was gevestigd, is begin 2008 gefuseerd met de veiling in Vleuten tot 'Plantion'. Begin 2010 heeft deze onderneming zich in Ede gevestigd en het veilingterrein in Huissen verlaten. Het vrijgekomen perceel is op 1 april 2010 aangekocht door Van Dalen BV. Van Dalen exploiteert al sinds jaar en dag op het naastgelegen perceel een onderneming in onder meer grond-, weg- en waterbouw, sloop, asbestsanering een milieustraat voor afval, containers en reiniging. Op een deel van het verworven terrein wenst Van Dalen B.V. een uitbreiding van haar bedrijfsactiviteiten te realiseren.
De gemeente Lingewaard heeft in december 2009 een samenwerkingsovereenkomst met Van Dalen gesloten waarin zij zich heeft verbonden om zich maximaal in te spannen om het veilingterrein van een bedrijvenbestemming te voorzien waarmee reguliere bedrijvigheid mogelijk wordt gemaakt. Het huidige complex aan bedrijfsgebouwen (bedrijfshallen en kantoorruimte) is al sinds 2010 niet meer conform de vigerende veilingbestemming in gebruik en kan ook niet meer conform de vigerende bestemmingen worden gebruikt. Het voormalige veilingterrein is solitair en verouderd, zodat herontwikkeling vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dringend gewenst is.
Om de herontwikkeling mogelijk te maken is in 2014 het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' opgesteld, waarbij zwaardere bedrijvigheid tot en met milieucategorie 4.2, een puinbreker, evenementen en (via een afwijkingsbevoegdheid) grootschalige detailhandel was toegestaan. Bij uitspraak van 23 september 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het besluit van de gemeenteraad van Lingewaard van 4 december 2014, waarbij het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' is vastgesteld, vernietigd. De Afdeling overwoog daartoe dat de actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a van het Bro van de in het plan voorziene functies niet toereikend was onderbouwd, dat de toegestane evenementen onvoldoende zijn gemotiveerd en dat onvoldoende onderzoek is verricht naar mogelijke stofhinder ten gevolge van de puinbreker die het plan mogelijk maakt.
Bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan'
Op 27 juni 2013 is het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen actualisatie 2013' door de gemeenteraad vastgesteld. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen Gendt - Bemmel, Houtakker I, Agropark I, Pannenhuis I en Looveer. Dit bestemmingsplan is een consoliderend plan in 'enge zin' waardoor vrijwel geen nieuwe ontwikkelingsruimte is geboden aan bedrijven. Om die reden zijn de gronden van het voormalige veilingterrein niet meegenomen in het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen actualisatie 2013' en is een afzonderlijk bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' opgesteld.
Vanwege de korte periode die beschikbaar was voor het opstellen van bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen actualisatie 2013' en het doorlopen van de procedure is ervoor gekozen om hierna een bestemmingsplan op te stellen waarin de gewenste ontwikkelingen die beleidsmatig, ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbaar zijn, kunnen worden meegenomen, ook wel een 'Veegplan' genoemd. Omdat het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' inmiddels was vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak en het 'Veegplan' dient ter opvulling van enkele 'witte vlekken' in het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Actualisatie 2013', is het voormalige veilingterrein meegenomen in het voorontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan'. In dit bestemmingsplan is afgezien van het mogelijk maken van een puinbreker, evenementen en detailhandel.
Op basis van de reactie van de provincie die is ingediend op het voorontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan' is ervoor gekozen om voor het voormalige veilingterrein een separate bestemmingsplanprocedure te doorlopen voor het vervolg. Voorliggend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein' is daarom onder andere faciliterend voor de uitbreiding van Van Dalen BV en maakt logistieke bedrijvigheid mogelijk.
Het plangebied ligt op Bedrijventerrein 't Pannenhuis l. Het terrein bestaat uit een groot deel van het voormalige veilingterrein en beslaat een netto oppervlakte van 13,4 hectare. De groenstrook langs de Veilingweg is ook in het plangebied opgenomen. In onderstaande figuur is de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland)
Ter plaatse van het plangebied gelden, nadat het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' door de Afdeling bestuursrechtspraak is vernietigd, twee verouderde bestemmingsplannen. Het merendeel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Bemmel' uit 1978 en voor het overige deel is het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Bemmel Huissen' uit 1989 van toepassing.
Het plangebied heeft op basis van deze bestemmingsplannen overwegend de bestemming 'Tuinbouwveiling' en is bestemd voor opslag, los- en laadplaatsen, parkeerplaatsen, andere bouwwerken en werken, erven en tuinen, alsmede gebouwen ten dienste van het verhandelen en/of bewaren van fruitteelt- en tuinbouwproducten, bloemen en dienstwoningen voor toezicht en/of beheer. Er is geen specifieke vrijstellingsbevoegdheid voor ander gebruik dan conform de bestemming. Het bebouwingspercentage bedraagt ten hoogste 40% en de bouwhoogte maximaal 12 meter.
De huidige bestemming 'Tuinbouwveiling' is niet meer in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het is uitgesloten dat binnen de planperiode van het nieuwe bestemmingsplan het gebruik overeenkomstig de bestemming 'Tuinbouwveiling' zal worden hervat. Ook sluit de geldende bouwhoogte niet meer aan op de eisen die in de praktijk aan bedrijfslogistieke ruimten worden gesteld.
De vestiging van logistieke bedrijven sluit nauw aan bij de vigerende bestemming die logistieke activiteiten met betrekking tot specifieke producten mogelijk maakt, maar is op basis van de vigerende bestemming niet mogelijk.
In deze toelichting wordt, na dit inleidende hoofdstuk, in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plan. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader en in hoofdstuk 4 worden de milieuaspecten bij het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan uitgewerkt en is in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving opgenomen.
Het voormalige veilingterrein is onderdeel van bedrijventerrein 't Pannenhuis l. Pannenhuis I heeft een netto omvang van 58 hectare. Het plangebied bestaat uit een deel van het voormalige veilingterrein. Het schaalverschil tussen het veilingterrein en de overige bedrijvigheid is kenmerkend. Pannenhuis heeft een zeer divers aanbod aan bedrijvigheid. De bedrijvigheid bestaat grotendeels uit industriële bedrijvigheid, transport-, opslag- en distributiebedrijven en groothandelsbedrijven en volumineuze detailhandel, waaronder diverse autobedrijven.
|
|
Figuur 2.1 Luchtfoto's plangebied (bron: bedrijvenpark Lingewaard)
De bebouwing in het plangebied bestaat uit bedrijfshallen en kantoorruimte. Daarnaast is een groot deel van het terrein in gebruik als parkeerterrein voor vrachtwagens en personenauto's. Het complex vormt momenteel als het ware een enclave binnen het bedrijventerrein. Dit komt met name tot uitdrukking doordat de bebouwing in tegenstelling tot de rest van het bedrijventerrein niet evenwijdig aan maar onder een hoek gedraaid op de weginfrastructuur is gesitueerd.
Het plangebied deed voornamelijk dienst als handelsdistributiecentrum en was onder meer in gebruik als handels-/opslag- en productieruimte van plantmateriaal, alsmede koeling van producten. Daarnaast werden gebouwen verhuurd en periodiek gebruikt voor activiteiten en evenementen. Ook verenigingen maakten met medewerking en toestemming (milieuvergunning) van de gemeente Lingewaard gebruik van de gebouwen. Het complex draagt het karakter van een solitair (verouderd) bedrijventerrein. De keuze van de locatie, de inrichting van het terrein en de vormgeving van de bedrijfspanden zijn destijds gebaseerd op de toenmalige eisen van de veiling. Een aantal gebouwen heeft een beperkte ruimtelijke uitstraling en kwaliteit, omdat het in feite niet meer is dan overdekte buitenruimte. Het terrein is omheind en beveiligd.
Met het voorliggende plan wordt invulling gegeven aan het voormalige veilingterrein (13,4 ha). Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan wordt 55.307 m2 aan bebouwing mogelijk gemaakt. Voor een deel van deze bouwmogelijkheden (28.820 m2) is de invulling bekend. Deze gronden zijn rechtstreeks bestemd. In aansluiting op de wensen van deze potentiële koper wordt met een 'logistieke' bedrijfsbestemming nauw aangesloten bij de geldende bestemming.
Daarnaast voorziet het plan in de uitbreidingsbehoefte van Van Dalen BV zonder nieuwe bouwmogelijkheden. De aanvankelijk voorziene functieverbreding is aanzienlijk beperkt. Van Dalen BV heeft aangegeven af te zien van het mogelijk maken van een puinbreker, evenementen en detailhandel. Ook zijn niet langer activiteiten voorzien die in een zwaardere milieucategorie dan 3.2 vallen.
Het resterende deel van het terrein, met 26.487 m2 aan bouwmogelijkheden, krijgt een uit te werken bedrijfsbestemming. De huidige bestemming 'Veilingterrein' voorziet niet meer in een behoefte. Aan deze bestemming zijn uitwerkingsvoorwaarden verbonden die ondermeer betrekking hebben op het doorschuiven van de Laddertoets op grond van artikel 3.1.6 lid 3 Bro. De uitwerkingsplicht maakt het mogelijk in te spelen op actuele marktvraag.
In totaal wordt in het kader van de beoogde herontwikkeling maximaal 55.307 m2 aan (vervangings)bebouwing mogelijk gemaakt. De herontwikkelingsmogelijkheden zijn gelijk aan de bebouwingsmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Wel is de bouwhoogte gelet op de eisen die in de praktijk aan bedrijfslogistieke ruimten worden gesteld, verhoogd van 12 naar 15 meter. Per saldo worden in vergelijking met de geldende planologische mogelijkheden geen (extra) bouwmogelijkheden toegevoegd, hetgeen nader is onderbouwd in bijlage 1 (laddertoets voormalige veilingterrein).
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het bestemmingsplan relevante vigerende beleidskader. Hierin wordt tevens per relevante beleidskader aangegeven welke gevolgen deze heeft voor het bestemmingsplan. Paragraaf 3.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal- en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van maart 2012 schetst het kabinet in algemene termen hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.
Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie rijksdoelen geformuleerd:
De nationale belangen die juridische doorwerking vragen, zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco).
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Een voorgenomen stedelijke ontwikkeling moet aan deze Ladder worden getoetst.
Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
Toetsing rijksbeleid
Het Barro en de SVIR bevatten geen relevante passages voor dit bestemmingsplan. Voor toetsing aan de Ladder wordt verwezen naar de onderbouwing die door Hekkelman Advocaten is opgesteld. De laddertoets is toegevoegd als bijlage 1. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat het ruimtebeslag niet toeneemt en geen sprake is van een wezenlijke functiewijziging. Dat betekent dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Wel wordt geconcludeerd dat de beoogde herontwikkeling naadloos aansluit op het gedachtegoed dat aan de Ladder ten grondslag ligt: de beoogde herontwikkeling voorziet in transformatie van leegstaande bedrijfsgebouwen. Daarnaast is de behoefte aangetoond vanwege een potentiële koper voor een deel van het terrein. Voor een tweede deel wil eigenaar Van Dalen uitbreiden voor eigen behoefte. Aan deze bedrijfsuitbreiding liggen drie redenen ten grondslag:
Voor de gronden die zijn voorzien van de uit te werken bedrijfsbestemming wordt de laddertoets op grond van artikel 3.1.6 lid 3 Bro doorgeschoven naar het moment dat een uitwerkingsplan wordt opgesteld. In de uitwerkingsregels is opgenomen dat de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gemotiveerd.
Van strijd met de Ladder is geen sprake.
Omgevingsvisie Gelderland 2014 (geconsolideerde versie januari 2018)
De structuurvisie geeft het provinciale ruimtelijke beleid voor de komende jaren op hoofdlijnen aan. De provincie en haar partners streven samen naar behoud en verdere economische ontwikkeling van Gelderland tot een krachtige, duurzame, innovatieve en internationaal concurrerende regio. Een regio die passende werkgelegenheid biedt voor iedereen die wil en kan werken. De opgaven die zij hierbij zien, zijn:
De provincie en haar partners streven samen naar aantrekkelijke werklocaties die bijdragen aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en een goed vestigingsklimaat in Gelderland. Om regionale economische ontwikkelingen te faciliteren zijn voldoende voorraden bedrijventerreinen van de juiste kwaliteiten op de juiste locatie gewenst. Zij zien de volgende opgaven:
Het beschikbare aanbod aan bedrijventerreinen moet kwalitatief aansluiten bij de marktvraag en de regionale en economische ambities en kracht van het gebied. Bedrijven stellen verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. De provincie wil eraan bijdragen dat er voor elk segment voldoende aanbod is in Gelderland. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebonden bedrijven en bedrijven voor de hogere milieucategorie. Dit laatste is nodig zodat er ruimte is voor industrie en recycling van grondstoffen. Ook wil de provincie dat er voldoende ruimte is voor bedrijven die lokaal gebonden zijn aan een specifieke kern of locatie.
De provincie en haar partners zien de logistieke sector en het goederenvervoer als een veelbelovende bedrijfstak binnen een concurrerende, innovatieve en duurzame Gelderse economie vanuit een (inter)nationaal perspectief. De opgave die zij zien zijn:
Nieuwvestiging en uitbreiding van bedrijventerreinen is alleen mogelijk indien dit past binnen een door de regio en GS overeengekomen Regionaal Programma Werklocaties (RPW). Om flexibiliteit in te bouwen is een uitzondering onder de volgende voorwaarden echter mogelijk:
De provincie onderscheidt hierbij twee situaties van nieuwvestiging en uitbreiding van bedrijventerreinen:
Voor beide situaties is de volgende denklijn uitgangspunt voor het maken van afspraken in de RPW’s en bij de beoordeling van initiatieven.
Bedrijf wil uitbreiden op bestaande locatie op een bedrijventerrein
Startpunt is het verkennen van mogelijkheden op de huidige bedrijfskavel door intensivering van het ruimtegebruik. Denk aan meervoudig ruimtegebruik en slimmer inrichten van de locatie. Biedt dit geen mogelijkheden, dan kan gekeken worden naar uitbreiding op het bestaande bedrijventerrein. Zijn er andere kavels beschikbaar of beschikbaar te maken, bijvoorbeeld door middel van stedelijke kavelruil? Is dit geen optie dan zal onderzocht moeten worden of verplaatsing van het bedrijf naar een ander bedrijventerrein reëel is. Mocht dit niet het geval zijn dan is uitbreiding van de huidige contour van het bedrijventerrein, en hiermee het toevoegen van nieuwe bestemmingsplancapaciteit, onder voorwaarden mogelijk. Allereerst dient er een goede ladderonderbouwing te zijn. Ten tweede moet de ontwikkeling regionaal worden afgestemd en passen binnen de afspraken van het RPW of voldoen aan de voorwaarden van de flexibiliteitsbepaling. Tot slot moeten de omgevingskwaliteiten, zoals verwoord in de Omgevingsvisie en – verordening, de uitbreiding mogelijk maken.
Bedrijf zoekt een nieuwe locatie
Als een bedrijf een nieuwe locatie zoekt, is de eerste optie het vastgoed op bestaande terreinen. Worden er geschikte panden aangeboden of zijn deze redelijkerwijs geschikt te maken? Biedt de bestaande voorraad geen mogelijkheden, dan moet er gekeken worden naar de uitgeefbare kavels op bedrijventerreinen met een onherroepelijk bestemmingsplan. Kijk daarbij ook of kavels eventueel geschikt te maken zijn door aanpassing van de verkaveling of aanpassing van de segmentering. Uiteraard moet dit wel passen binnen de regionale programmeringsafspraken. Is ook dit geen reële optie, dan is uitbreiding van een bestaand terrein of ontwikkeling van een nieuw terrein onder voorwaarden mogelijk. Allereerst dient er een goede Ladderonderbouwing te zijn. Ten tweede moet de ontwikkeling regionaal worden afgestemd en passen binnen de afspraken van het RPW of voldoen aan de voorwaarden van de flexibiliteitsbepaling. Tot slot moeten de omgevingskwaliteiten, zoals verwoord in de Omgevingsvisie en – verordening, de uitbreiding mogelijk maken.
Toetsing Omgevingsvisie
In dit geval wordt intensiever gebruik gemaakt van een bestaand kavel midden op een bestaand bedrijventerrein. Ook is de ontwikkeling regionaal afgestemd.
Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerde versie 2018)
De Omgevingsverordening bevat algemene regels en specifieke aanwijzingen waaraan gemeenten moeten voldoen om daarmee de provinciale belangen veilig te stellen. De gemeentelijke bestemmingsplannen moeten met de Omgevingsverordening in overeenstemming worden gebracht.
Artikel 2.3.3.1 Bedrijventerreinen
Artikel 2.3.3.2 Regionale bedrijventerreinen
Artikel 2.3.3.3 Lokale bedrijventerreinen
Toetsing Omgevingsverordening
De bestemmingsregeling sluit aan bij de mogelijkheden die op regionale bedrijventerreinen worden geboden. De ontwikkeling is afgestemd in het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) van de regio Arnhem Nijmegen, dat eind 2017 door de gemeente is vastgesteld. Het definitieve RPW wordt in 2019 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Hierin staan afspraken om het aanbod aan bedrijventerreinen en kantoren in de regio beter te laten aansluiten op de vraag uit de markt. Het (over)aanbod aan bedrijventerreinen in de regio wordt met bijna 150 hectare teruggebracht. Dit om ruimte te maken voor verdere economische groei in de regio.
Voor alle te schrappen terreinen geldt dat de bestemming er op 1-1-2021 af moet zijn; op 1-1-2021 is er evenwicht tussen vraag en aanbod. Tot het moment van evenwicht mogen gemeenten op deze te schrappen terreinen zonder beperking gewoon hectares uitgeven. Nieuwe ontwikkelingen van werklocaties zullen tot het moment van evenwicht echter lastig zijn te onderbouwen volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Een aantal ontwikkelingen kan niet tot 2021 worden bevroren. De regiogemeenten hebben afgesproken dat deze onder voorwaarden door kunnen gaan:
Uitbreiding bestaande bedrijven op bestaande bedrijventerreinen (incl. watergebonden bedrijven)
Als deze uitbreidingen kunnen aantonen dat zij niet kunnen verplaatsen - niet geheel en niet gedeeltelijk - naar een andere locatie dan kunnen zij in principe uitbreiden op de huidige locatie als daar geen ruimtelijk-planologische bezwaren tegen zijn. De uitbreiding moet direct geheel in beslag genomen worden door het bedrijf zelf zodat er geen nieuw aanbod bedrijventerrein op de markt komt.
Ruimtelijk gewenste bedrijventerreinen (inbreiding en transformatie)
Ontwikkeling van een bedrijventerrein dat bijdraagt aan een ruimtelijk gewenste situatie in de zin van inbreiding en transformatie. Het terrein wordt vervolgens op de markt gebracht. Hierbij wordt het Veilingterrein in Huissen expliciet benoemd.
Voorwaarden:
Conclusie
Aan de regionale afstemming is voldaan. Aan de voorwaarden 2 t/m 5 is voldaan en wordt verwezen naar de laddertoets zoals opgenomen in bijlage 1.
Aanpak Steengoed benutten (2016)
De provincie hecht veel waarde aan hergebruik van bestaand stedelijk gebied en geeft daaraan voorrang boven het in gebruik nemen van open ruimte. Om transformatie en hergebruik te stimuleren heeft de provincie het programma SteenGoed benutten opgesteld. De Aanpak SteenGoed Benutten is in juni 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Daarbij geldt wel dat het te herbestemmen gebied een functie krijgt die past op die plek, dat die functie past binnen de regionale programmering en dat de ontwikkeling elders niet voor negatieve effecten zorgt.
Toetsing Aanpak Steengoed benutten
Het gaat hier naar de mening van de provincie om een functie die in principe past op deze plaats. Dat het hier gaat om hergebruik van bestaand stedelijk gebied, en dat reeds jaren lang voortdurende leegstand kan worden opgelost past uitstekend in het provinciale streven naar hergebruik van stedelijk gebied boven het in gebruik nemen van nieuwe uitleglocaties. Gehandeld wordt volgens het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking: inbreiden boven uitbreiden. Daarnaast had het terrein al een logistieke functie.
Aandachtspunten hierbij zijn dat een dergelijke herontwikkeling, al gaat het om bestaand stedelijk gebied, onderbouwd moet worden met een goede laddermotivatie en regionaal afgestemd moet zijn, dus moet passen in de regionale programmering voor werklocaties. Het nieuwe RPW is eind 2017 door de gemeente vastgesteld. Het definitieve RPW moet nog door de provincie worden vastgesteld. Voor de laddermotivatie wordt verwezen naar bijlage 1.
Structuurvisie Lingewaard 2012-2022
In de gemeentelijke structuurvisie wordt aangegeven dat de werkgelegenheid in Lingewaard voortkomt uit verschillende sectoren. De meeste werkgelegenheid is afkomstig uit de sectoren zorg, zakelijke dienstverlening, detail- en autohandel en industrie. Qua interne en externe profilering springt de glastuinbouwsector er echter uit. Er is een opmars waarneembaar van werkgelegenheid in de sectoren handel, bouw, zorg en dienstverlening (voornamelijk zakelijke dienstverlening).
Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als bestaand bedrijventerrein (zie figuur 3.2).
Figuur 3.2 Uitsnede structuurvisiekaart
Pannenhuis is opgedeeld in Pannenhuis I en II. Bedrijventerrein Pannenhuis I is gedeeltelijk gerevitaliseerd. Een groot gedeelte van Pannenhuis I was in gebruik als bloemenveiling. Deze veiling heeft zijn activiteiten beëindigt. Herontwikkeling van dit terrein met opstallen ligt voor de hand. Voorwaarde hiervoor is dat de herontwikkeling in samenhang met het bedrijventerrein Pannenhuis I beschouwd wordt, zodat een toekomstvaste ruimtelijke structuur ontstaat. Daarbij wil de gemeente dat cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteiten worden gerespecteerd en dat de waterhuishouding goed wordt geregeld. Verder streeft de gemeente naar een duurzame en veilige invulling die geen bedreiging voor interne of externe veiligheid vormt.
De gemeente zal bij de herontwikkeling van het voormalig veilingterrein een faciliterende rol vervullen. De herontwikkeling dient voor de gemeente budgetneutraal plaats te vinden. Kostenverhaal zal worden toegepast. Alle ontwikkelingskosten zijn voor risico en rekening van ontwikkelende partij(en).
Toetsing
Herontwikkeling van het veilingterrein geeft invulling aan het gemeentelijk beleid. In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de genoemde voorwaarden.
Ontsluiting plangebied
Het plan voorziet in de realisatie van een ontsluiting van de bedrijfsgronden geheel aan de zuidzijde van het projectgebied, op de Nijverheidsstraat. Deze weg vormt, samen met de noordelijker gelegen Veilingweg de belangrijkste ontsluitingsweg voor bedrijventerrein Pannenhuis van en naar de Karstraat. De provinciale weg N839 leidt in zuidwestelijke richting naar de A15 en in noordelijke richting, via Huissen, naar de N325 bij Arnhem. Vanaf het plangebied bedraagt de afstand naar de regionale ontsluitingswegen en stroomwegen circa 2 kilometer (A15) tot 6 kilometer (N325). De ontsluitingstructuur voor het gemotoriseerd verkeer vanaf het plangebied naar deze belangrijke ontsluitingswegen en stroomwegen is zodoende als goed beoordeeld.
De Nijverheidsstraat betreft een ontsluitingsweg op een bedrijventerrein met een maximum snelheid van 50 km/h. Het kruispunt tussen de Nijverheidsstraat en de Karstraat is vormgegeven als rotonde. De Karstraat (N839) is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg en kent voor de kern Huissen, de bedrijventerreinen Pannenhuis en Agropark en voor het glastuinbouwgebied Bergerden een belangrijke functie. De weg ligt deels binnen (vanaf rotonde in noordoostelijke richting) en deels buiten (ten zuiden van de rotonde) de bebouwde kom. Zoals vaak gebruikelijk op bedrijventerreinen wordt het langzaam verkeer gemengd afgewikkeld met het gemotoriseerd verkeer. Ter hoogte van de rotonde Nijverheidstraat – Karstraat wordt aangetakt op vrijliggende fietsvoorzieningen.
Verkeersgeneratie
Onderhavig plan maakt de herstructurering van 13,4 hectare bedrijventerrein mogelijk op het voormalige veilingterrein. Hierbinnen is tevens de vestiging van logistieke bedrijvigheid toegestaan.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het plangebied in de toekomstige situatie is uitgegaan van kencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Hierbij is voor de maximale verkeersgeneratie ("worst-case") gebruik gemaakt van het beschikbare kencijfer voor een distributiebedrijf omdat dit soort bedrijvigheid het meeste verkeer genereert. Een distributieterrein genereert 170 mvt/weekdagetmaal per netto hectare bedrijventerrein (135 mvt/etmaal met personenauto's en 35 mvt/etmaal met vrachtauto's). Het totale oppervlak (bruto) van het plangebied bedraagt 13,4 hectare. Het netto oppervlak bedraagt circa 77% van het bruto oppervlak. Zodoende geldt een netto oppervlak van 10,3 hectare. Deze gegevens leiden tot een totale verkeersgeneratie van circa 1.750 mvt/weekdagetmaal (1.390 mvt/etmaal met personenauto's en 360 mvt/etmaal met vrachtauto's). Deze gegevens worden omgerekend naar een werkdag op basis van een standaard omrekenfactor van 1,33. Zo bedraagt de verkeersgeneratie op een werkdag 2.330 mvt/etmaal (1.850 mvt/etmaal met personenauto's en 480 mvt/etmaal met vrachtauto's). Deze genoemde aantallen gelden bij een volledige benutting van het terrein.
De verkeersgeneratie van de voormalige bloemenveiling is bekend op basis van gegevens uit het onderzoek naar luchtkwaliteit van Peutz ('Luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingsplan Bedrijvenpark Lingewaard', 2014, zie bijlage 6). De hierin opgenomen verkeersgeneratie is afkomstig uit het akoestisch onderzoek dat is opgesteld in het kader van de vergunningaanvraag voor de bloemenveiling. De verkeersgeneratie bedraagt 1.430 mvt/weekdagetmaal (1.266 mvt/etmaal met personenauto's en 165 mvt/etmaal met vrachtauto's). Uitgangspunt hierbij zijn zes veilingdagen per week en een marktdag. Ook deze gegevens kunnen worden omgerekend naar werkdagen op basis van een omrekenfactor van 1,33. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een werkdag van 1.900 mvt/etmaal (1.680 mvt/etmaal etmaal met personenauto's en 220 mvt/etmaal met vrachtauto's).
Als gevolg van de ontwikkeling (worst-case) zal sprake zijn van een toename van het verkeer. De totale toename (worst-case) van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling bedraagt op een werkdag 430 mvt/etmaal waarvan 170 met personenauto's en 260 met vrachtauto's.
Verkeersafwikkeling
De voormalige bloemenveiling werd ontsloten op zowel de Veilingweg als op de Nijverheidsstraat. Uitgangspunt is dat de verkeersgeneratie gelijkmatig over beide wegen werd afgewikkeld. Op een werkdag betreft dit dan 950 mvt/etmaal via de Veilingweg en 950 mvt/etmaal via de Nijverheidsstraat.
In de nieuwe situatie vindt ontsluiting enkel plaats via de Nijverheidsstraat. Dit is vastgelegd in de regels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. De verkeersgeneratie bedraagt zoals berekend 2.330 mvt/etmaal. Indien de verkeersgeneratie van de niet meer aanwezige bloemenveiling hiermee wordt verrekend, leidt dit op de Nijverheidsstraat tot een toename van 1.380 mvt/etmaal (1.010 mvt/etmaal met personenauto's en 370 mvt/etmaal met vrachtauto's). Op de Veilingweg is sprake van een afname van het verkeer met 950 mvt/etmaal.
In het kader van het onderzoek naar luchtkwaliteit dat is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' zijn intensiteitgegevens bekend voor de Nijverheidsstraat, Veilingstraat en Karstraat in de jaren 2018 en 2024. Op basis van extrapolatie van deze gegevens is de autonome intensiteit bepaald voor het planjaar 2026. In de tabel 4.1 zijn de verkeersintensiteiten opgenomen. Vervolgens is daar de toename als gevolg van de ontwikkeling bij opgeteld.
Tabel 4.1 Verkeersintensiteiten (mvt/etmaal)
| Weg | Intensiteit 2024 autonoom | Intensiteit 2026 autonoom | Intensiteit 2026 incl. ontwikkeling |
| Nijverheidsstraat | 6.200 | 6.400 | 7.780 |
| Veilingweg | 4.080 | 4.240 | 3.290 |
| Karstraat | 22.440 | 23.320 | 23.750 |
De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is het grootst op de Nijverheidsstraat. Het betreft een ontsluitingsweg voor een bedrijventerrein. Dit type wegen beschikt over voldoende capaciteit om ook de toekomstige verkeersintensiteit te kunnen verwerken. Op de Karstraat is sprake van een verkeerstoename van nog geen 2% ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Een dergelijke toename is nauwelijks van invloed op de verkeersafwikkeling op het wegennet. Op de Veilingweg is sprake van een afname van de verkeersintensiteit.
De voor de Karstraat genoemde intensiteiten overstijgen het niveau van 20.000 mvt/etmaal. Voor een vlotte en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer zal de huidige Karstraat worden verruimd.
Parkeren
Het is nog onbekend wat voor type bedrijvigheid zich exact binnen het plangebied zal vestigen. Het aantal m2 aan bruto vloeroppervlak aan bedrijvigheid is zodoende ook nog niet bekend. Het parkeren zal in ieder geval geheel plaatsvinden op eigen terrein. In het bestemmingsplan is voorzien in een maximaal bebouwingsoppervlak waardoor realisatie van parkeervoorzieningen zeker is gesteld. Daarnaast is een artikel in de Algemene bouwregels (voldoende parkeermogelijkheid) opgenomen waarin wordt voorgeschreven dat ten tijde van het beoordelen van de omgevingsvergunningaanvraag bouwen toetsing zal plaatsvinden aan de dan geldende parkeernormen.
Conclusie
Om overlast voor de woonomgeving aan de Kamervoort te voorkomen, zal de ontsluiting van het veilingterrein c.q. toekomstige logistieke bedrijventerrein via de Nijverheidstraat plaatsvinden. Deze ontsluiting is geschikt voor de beoogde functie. Daarnaast blijkt uit de berekening van de verkeersgeneratie en de analyse van de verkeersafwikkeling dat geen sprake zal zijn van knelpunten in de verkeersafwikkeling. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens beoordeeld of sprake kan zijn van een uitstralingseffect op bestaande woningen in de omgeving als gevolg van de toename van het verkeer. Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. In dit onderzoek is als uitgangspunt gehanteerd, dat alle wegen waar sprake is van een intensiteittoename van 25% of meer en waarlangs geluidsgevoelige bestemmingen aanwezig zijn, worden meegenomen in het onderzoek. Bij een toename van de verkeersomvang met minder dan 25% is er namelijk sprake van een geluidstoename van minder dan 1 dB. Een dergelijke toename van het geluid is voor het menselijk gehoor niet waarneembaar.
Onderzoek en conclusie
Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Tevens worden geen nieuwe wegen / aanpassingen aan wegen mogelijk gemaakt waar binnen bestaande geluidsgevoelige functies zijn gelegen. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan hierdoor achterwege blijven.
Om het uitstralingseffect inzichtelijk te maken zijn de verkeersintensiteiten in de autonome situatie in 2026 vergeleken met de intensiteiten in 2026 inclusief de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling. Voor de relevante wegen zijn deze intensiteitgegevens opgenomen in tabel 4.1. Hieruit blijkt een maximale verkeerstoename van 22% (Nijverheidsstraat). Er is zodoende geen sprake van een verkeerstoename van 25% of meer en daarmee niet tot een geluidstoename van meer dan 1 dB. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. In bijlage 2 is een toelichting op de aanpak van milieuzonering opgenomen met behulp van de 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Onderzoek
Onderhavig plan heeft betrekking op het voormalige veilingterrein. Ter plaatse zijn jarenlang bedrijfsactiviteiten uitgeoefend (op- en overslag van goederen, zie ook beschrijving in hoofdstuk 2). Er is derhalve sprake van de herstructurering van een bestaand bedrijventerrein. In de directe omgeving van het plangebied is een aantal (bedrijfs)woningen aanwezig.
Om een milieuzonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig, zodat het omgevingstype kan worden bepaald. Het veilingterrein is onderdeel van een reeds lang bestaand bedrijventerrein Pannenhuis I. Het veilingterrein is grotendeels bestemd voor 'Tuinbouwveiling'. Veilingen voor landbouw- en visserijproducten (SBI 82991) behoren volgens de handreiking tot milieucategorie 4.1. In de toekomstige situatie zijn niet langer activiteiten voorzien die in een zwaardere milieucategorie dan 3.2 vallen. Met voorliggend plan worden bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt, waarbij logistieke bedrijven met een aanduiding worden toegestaan en puinbrekers worden uitgesloten. Deze milieucategorie is mogelijk, gelet op de afstand tussen het plangebied en de (bedrijfs)woningen. De bedrijfswoning gelegen aan de Veilingweg 10 is eigendom van Van Dalen BV. Gelet op het feit dat bedrijfswoningen niet gevoelig zijn voor de eigen inrichting vormt dit geen belemmering. Ter plaatse van de woning gelegen aan de Kamervoort 111 wordt voldaan aan de richtafstanden zoals deze gelden voor de maximale milieucategorie van 3.2.
Om geluidsoverlast vanwege verkeersbewegingen voor de woonomgeving aan de Kamervoort te voorkomen, is een functieaanduiding 'ontsluiting' op de verbeelding opgenomen. Ter plaatse van deze functieaanduiding dient de ontsluiting van het bedrijventerrein via de Nijverheidstraat plaats te vinden. Dit geldt eveneens voor de uit te werken bestemming.
Conclusie
Door de gehanteerde milieuzonering, het uitsluiten van puinbrekers en de vereiste dat de ontsluiting van het bedrijventerrein via de Nijverheidstraat dient plaats te vinden, wordt zorg gedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en worden bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.
Toetsingskader
Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er binnen de 50 dB(A)-contour, de zonegrens van het industrieterrein, geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).
Onderzoek en conclusie
Het plangebied betreft geen gezoneerd industrieterrein waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen. Er is dan ook geen sprake van een geluidzone waar rekening mee moet worden gehouden. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek
Het plangebied is op basis van het historische bodembestand, het bedrijven-/tankenbestand en het bodeminformatiesysteem verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Op de locatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd die zijn beoordeeld voor het vaststellen van de bodemkwaliteit.
Tevens is een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd om te bepalen wat de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem op het perceel na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten was. Op basis hiervan heeft onderzoek plaatsgevonden op een negental verdachte locaties, waaruit twee aandachtlocaties naar voren zijn gekomen waar sprake is van verhoogde concentraties in grond/grondwater. Bij toekomstige ontwikkelingen dient hier rekening mee te worden gehouden. Voor het uiteindelijke gebruik zijn ontgravingen benodigd. Exacte details zijn opgenomen in het verkennend bodemonderzoek (BOOT organiserend ingenieursburo, Verkennend bodemonderzoek I.h.k.v. vaststelling eindsituatie Conform NEN-5740 Locatie Veilingweg 16 Bemmel, P09-0296-53, Elst, 27 mei 2010, zie bijlage 3) dat bij toekomstige ontwikkelingen meegenomen wordt.
Conclusie
Uit de beoordeling van de onderzoeken blijkt dat op de locatie geen milieuhygiënische redenen zijn die een beletsel of beperking vormen ten aanzien van de beoogde bestemmingswijziging (waaronder de in het eindsituatie onderzoek geconstateerde aandachtspunten). Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodemkwaliteit de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor slopen of bouwen dient een actueel bodemonderzoek te worden bijgevoegd.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Onderzoek
In het kader van het opgestelde bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' is onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. In dit onderzoek is uitgegaan van zwaardere bedrijvigheid uit categorie 4.2, een puinbreker en o.a. evenementen. De voorliggende plannen zijn gewijzigd. Uitgangspunt voor het voorliggende plan is dat een deel van het veilingterrein wordt herbestemd waarbij logistieke bedrijvigheid uit maximaal categorie 4.1 rechtstreeks mogelijk wordt gemaakt. Onder voorwaarden is het toegestaan - zoals gebruikelijk bij regelingen voor bedrijventerreinen in bestemmingsplannen - om bedrijven toe te laten uit ten hoogste twee subcategorieën hoger. Voorwaarde hierbij is dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorie. Hierdoor gaat onderstaand beschreven onderzoek (Peutz B.V., Onderzoek externe veiligheid bestemmingsplan Bedrijvenpark Lingewaard ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van het voormalige bloemenveilingterrein aan de Veilingweg 16 te Bemmel, FA 17201-9-RA-001, Mook, 6 juni 2014, zie 2.2) uit van een worst-case situatie.
Uit dit onderzoek blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied enkele risicobronnen zijn gesitueerd. Het betreffen aardgastransportleidingen, een hoogspanningslijn, een aardgas-ontvangstation, vervoer van gevaarlijke stoffen over de Karstraat (N839), de Betuweroute en een drietal inrichtingen met gevaarlijke stoffen (ammoniak koelinstallaties en LPG tankstation).
Karstraat
In het rapport 'Externe veiligheidsrisico's op provinciale wegen in Gelderland' uit januari 2011 is de N839 opgenomen als route gevaarlijke stoffen. Uit deze rapportage blijkt dat deze weg geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 heeft (0 meter). Tevens blijkt dat er over de Karsstraat alleen transport van brandbaar vloeistof plaats vindt (LF1 en LF2). Het invloedsgebied hiervan bedraagt 45 meter en is niet gelegen over het plangebied.
Betuweroute
De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de Betuweroute is gelegen op 30 meter van de buitenste spoorstaaf. Conform het basisnet geldt een toetsafstand van 200 meter voor ruimtelijke ontwikkelingen. Buiten deze 200 m hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het projectgebied. Het projectgebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van de Betuweroute (circa 500 meter). Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk.
LPG tankstation
Het LPG tankstation gelegen aan de Nijverheidsstraat, ten noorden van het projectgebied, is gestopt met de verkoop van LPG. Hiervoor zijn tevens de vergunde rechten ingetrokken. Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk.
Ammoniak koelinstallatie
In de directe omgeving van het projectgebied zijn twee ammoniak koelinstallaties aanwezig. Beide koelinstallaties hebben een inhoud van minder dan 1.500 kg ammoniak (één van 1.400 kg en één van 1.000 kg). Dit houdt in dat beide installaties niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen. Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk. Bovendien is de ammoniakkoelinstallatie die conform de risicokaart in het projectgebied is gesitueerd, inmiddels aldaar niet meer aanwezig
Gasontvangstation
Ten noorden van het projectgebied is een gasontvangstation gesitueerd. Deze installatie heeft een risicoafstand van 15 meter tot kwetsbare objecten. Het projectgebied ligt op een afstand van meer dan 15 meter. Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk.
Hoogspanningslijn
Ten zuiden van het projectgebied is, evenwijdig aan de Betuweroute, een hoogspanningslijn aanwezig. Bij hoogspanningslijnen gaat het om elektromagnetische straling die mogelijk gezondheidsrisico's veroorzaakt. Volgens de netkaart van het RIVM betreft het een hoogspanningslijn van 380 kV met een indicatieve magneetveldzone van 135 meter aan weerszijden. Het projectgebied is gesitueerd op meer dan 135 meter van de hoogspanningslijn. Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk.
Aardgastransportleidingen
Nabij het projectgebied liggen meerdere hoge druk aardgastransportleidingen. Uit informatie van de risicokaart blijkt dat het invloedsgebied van een zestal leidingen over het projectgebied ligt. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen dienen de externe veiligheidsrisico's hiervan kwantitatief te worden vastgesteld. Hiertoe is een kwantitatief onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 geen knelpunt vorm voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit berekeningen van het groepsrisico ten gevolge van de ondergrondse aardgastransportleidingen blijkt dat het groepsrisico ten aanzien van leiding N578-07 ruim onder de oriëntatiewaarde ligt (zelfs < 0,1 maal de oriëntatiewaarde), Voor een dergelijke situatie geldt dan een beperkte verantwoordingsplicht. Ten aanzien van de andere relevante aardgastransportleidingen is de letaliteit binnen het projectgebied lager dan 100%. In een dergelijke situatie geldt tevens een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Bij deze beperkte verantwoording dienen de aspecten hulpverlening (bij een ramp of zwaar ongeval) en zelfredzaamheid nader beschouwd te worden.
Ontwerp Tracébesluit doortrekking A15
Op 5 november 2015 is het ontwerp Tracébesluit van doortrekking A15 gepubliceerd. Dit stuk snelweg zal in de toekomst deel gaan uitmaken van het basisnet. De doortrekking van de A15 is beoogd op circa 420 meter ten zuiden van het plangebied. Conform het basisnet geldt dat er op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het projectgebied. Een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie
Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een BEVI inrichting of transportroute. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor realisatie van het plan. Wel moet er rekening worden gehouden met een belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijde van de aardgastransportleiding gelegen in het plangebied.
Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied is in het kader van het groepsrisico voor de aardgastransportleidingen, A15 en de Betuweroute een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Deze verantwoording is hieronder opgenomen. Aanvullend is in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan' advies gevraagd aan de Omgevingsdienst Regio Arnhem en de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. Dit advies is opgenomen in bijlage 4.
Verantwoording groepsrisico
De gemeente Lingewaard is op grond van het Besluit Externe Veiligheid buisleidingen (artikel 13) verplicht het groepsrisico te verantwoorden. Doordat het groepsrisico voor een aantal aardgastransportleidingen lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de hoogte van het groepsrisico niet meer dan 10% toe neemt, kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft de verantwoording van het groepsrisico (ODRA, Verantwoording groepsrisico bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard', 2014-0051, Arnhem, 25 september 2014, zie bijlage 5) uitgevoerd en daarin het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 3 februari 2014 (kenmerk: 140204-0028) verwerkt.
De hoogte van het groepsrisico is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie op één aardgastransportleiding (A-505) na beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Aardgastransportleiding A-505 heeft in de huidige situatie de normwaarde voor het groepsrisico op 0,432 en in de toekomstige situatie op 0,446. Hierdoor neemt het groepsrisico niet meer toe dan 10 %.
Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrand als gevolg van een externe beschadiging van de leiding. Het projectgebied ligt binnen de 1% letaliteitsafstand van de fakkelbrand. De mogelijkheden voor de rampbestrijding worden onder andere bepaald door de mogelijkheden voor de hulpdiensten om het gebied te bereiken en de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen.
Het advies van VGGM geeft aan dat niet de brandweer de lekkage kan verhelpen maar alleen de Gasunie. De inzet richt zich dan ook op de effectbestrijding van het incident. Door hittestraling ontstaan namelijk secundaire branden en op grotere afstand de dreiging hiervan.
Om secundaire branden te bestrijden is de basisbrandweerzorg afdoende. Hiermee kunnen branden bestreden worden en kunnen waterschermen opgesteld worden om de dreiging hiervan te voorkomen. Door de VGGM is in een mail van 6 augustus 2014 aangegeven dat er voldoende bluswatercapaciteit aanwezig is in de omgeving. De bluswatercapaciteit bedraagt 60 tot 120 m3 per uur. Hiermee is de basisbrandweerzorg gewaarborgd.
Voor het vermogen om zichzelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, of het bestaan van een gevaarlijke situatie wordt de term zelfredzaamheid gebruikt. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.
Het advies van VGGM van 3 februari 2014 geeft aan dat, het hier een bedrijvenpark betreft, het in de verwachting ligt dat de aanwezige personen, mits tijdig gewaarschuwd, zichzelf zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Verder ligt het projectgebied binnen de dekkingscirkel van het sirenenetwerk. Ook is het mogelijk de aanwezige mensen gericht te waarschuwen middels NL-Alert.
In het advies van VGGM wordt verder aangegeven dat in geval van een incident, de aanwezige in het effectgebied de voorkeur geven om richting de (toekomstige) A15 te vluchten. Het lokale wegennet en de brug over de rivier de Linge vormen dan mogelijk een knelpunt, voor de bereikbaarheid van de hulpdiensten en het ontvluchten / evacueren van het projectgebied en de omgeving. Gezien de grote van de ontwikkeling is de gemeente niet bij machten hier een verandering in mogelijk te maken.
Daarnaast is er nog een aantal organisatorische en bouwkundige maatregelen geadviseerd door de VGGM. De standaard brandveiligheidsvoorzieningen worden meegenomen conform bouwbesluit bij de realisatie van nieuwe gebouwen en bij functie wijziging. De overige geadviseerde maatregelen worden gezien de grootte van het risico, de grootte van de ontwikkeling en het feit dat het geen ruimtelijke relevantie heeft, niet nader overwogen.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de gemeente Lingewaard de kleine toename van het groepsrisico voor aardgastransportleidingen acceptabel acht omdat:
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
Er zijn naast de in paragraaf 4.6 beschreven leidingen geen planologisch relevante buisleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.
Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek en conclusie
Om te bepalen in hoeverre de voorgenomen planontwikkelingen al dan niet 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is in het kader van bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' onderzoek uitgevoerd (Peutz B.V, Luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingsplan Bedrijvenpark Lingewaard ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van het voormalige bloemenveilingterrein aan de Veilingweg 16 te Bemmel, FA 17201-8-RA-002, Mook, 20 mei 2014, zie bijlage 6). In paragraaf 4.1 is de toekomstige verkeersgeneratie op basis van dit onderzoek doorberekend. Op basis van dit onderzoek en de bijbehorende toekomstige verkeersgeneratie kan worden geconcludeerd dat:
Derhalve zijn er inzake luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de herbestemming van het plangebied.
Waterbeheer en watertoets
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de planvorming is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkelingen. Door het waterschap is in januari 2011 een watervergunning verleend. Deze watervergunning is recentelijk (januari 2018) verlengd.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
Met het Waterbeheerplan 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Hiermee trekt het Waterschap Rivierenland de lijn door van het vorige waterbeheerplan. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met veranderingen en benutten zij de kansen die zich voordoen in de regio. Om inhoudelijke ambities te bereiken ligt het accent in de periode 2016-2021 onder meer op:
Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen.
In de Beleidsregels van het waterschap is een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2.
Watertoets
In het kader van het opgestelde bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' is in het kader van de watertoets contact opgenomen met de waterbeheerder, het Waterschap Rivierenland over het doorlopen van de watertoets. De waterbeheerder heeft een schriftelijk akkoord gegeven op deze watertoets. Voorliggend plan is ten aanzien van de wateraspecten niet gewijzigd. De watersituatie zal door de beoogde functieverruiming niet wijzigen.
Veiligheid
In het gebied bevinden zich geen waterkeringen die in het kader van de waterveiligheid beschouwd zouden moeten worden. Het plan ligt niet buitendijks of in de kern-, binnenbescherming- of buitenbeschermingszone van een waterkering. Het is daarom niet te verwachten dat de herinrichting van invloed zal zijn op de veiligheid van een waterkering.
In het plangebied bevindt zich wel een A-watergang: de Leutensche Leigraaf. Door een waterbergingsoever te realiseren wordt ingespeeld op een toenemende peilstijging, door meer afvoerend verhard oppervlak. Bij een peilstijging van 0,30 meter boven het streefpeil is de drooglegging 0,70 meter.
Ecologie
De Leutensche Leigraaf is een KRW-waterlichaam, maar de watergang maakt binnen het plangebied geen deel uit van de Gelders Natuurnetwerk. Toch wordt de waterbergingsoever natuurvriendelijk door middel van een terrastalud met de mogelijkheid voor het versterken van het zelfreinigend vermogen van het oppervlaktewater. Dit draagt daardoor bij aan een goede waterkwaliteit. Tevens wordt hiermee een goede ecologische kwaliteit van het water bevorderd. Als de kwaliteit van het oppervlaktewater negatief beïnvloed wordt door de inlaat van vervuild, afgekoppeld, hemelwater, moet er rekening gehouden worden met de aanleg een zuiverende voorziening.
Grondwater
De herinrichting van het plangebied mag niet resulteren in een blijvende grondwaterpeilverlaging of in vervuiling van het grondwater. De veranderingen van het plangebied betreffende de waterhuishouding, hebben geen direct effect op de grondwaterstand. Het maaiveld blijft gelijk, het totaal verhard oppervlak zal toenemen waardoor het afvoerend hemelwater niet direct infiltreert in de grond en afstroomt naar het oppervlaktewater.
Riolering
De huidige riolering op het veilingterrein blijft behouden. Daar waar nodig wordt deze aangepast. Hemelwater en afvalwater moeten zoveel mogelijk van elkaar gescheiden worden gehouden. Hemelwater moet geloosd worden op oppervlaktewater, mits dit kwalitatief aanvaardbaar is. Zodra er sprake is van excessief gebruik van uitlogende materialen of van risicovolle of vervuilende activiteiten op een oppervlak wordt een nadere afweging noodzakelijk. In die gevallen zal maatwerk geleverd moeten worden. Er zal een afweging gemaakt moeten worden tussen aanleg van een verbeterd gescheiden stelsel of aanvullende maatregelen bij de hemelwaterlozing. Voor de afvalwater- en hemelwaterlozingen van de bedrijven is het Activiteitenbesluit van toepassing.
Waterberging
In het kader van de watertoets is bij aanleg van nieuw verhard oppervlak extra waterbergingscompensatie nodig. In verband met versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen is aanleg van extra waterberging van belang. Voor plannen met minder dan 500 m² extra verharding in stedelijk gebied is geen compenserende waterberging vereist. In deze situatie is de extra verharding 2,1 hectare en is watercompensatie verplicht. Deze vindt plaats aan de oostkant van de Leutensche Leigraaf.
Een andere norm is dat de peilstijging bij een gemiddelde regenbui (T=10) maximaal 0,30 meter mag zijn en een drooglegging van 0,70 meter. Uit retentieberekeningen met de geplande situatie blijkt dat de peilstijging van het oppervlaktewater, bij een maximale afvoercapaciteit van het onverhard oppervlak (15 mm/dag), voldoet aan deze randvoorwaarden.
Onderzoek
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming (Wnb) de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
De plannen zijn in het kader van het opgestelde bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Lingewaard' in 2010 getoetst aan de toen geldende Flora- en Faunawet en de daarin verwerkte Europese richtlijnen, de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. In 2014 is dat onderzoek geactualiseerd. In deze onderzoeken (Buro Maerlant Landschap, Ecologie & Ruimtelijke Ordening, Toets Flora- en faunawet UPDATE 2014 Huissen Veilingweg, Dussen, 28 maart 2010, geactualiseerd 27 oktober 2014, bijlage 7) worden de volgende conclusies en aanbevelingen geformuleerd.
Vleermuizen
De bebouwing is op enkele plaatsen waar toegankelijke spouwmuren aanwezig zijn beoordeeld als toegankelijk en geschikt voor gebouwbewonende soorten vleermuizen zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Het betreft het kantoorgebouw in het noorden van het plangebied en de oost- en zuidoostzijde van de veilinghal. Spouwmuren kunnen door vleermuizen worden gebruikt als kraamverblijf, zomerverblijf en paarverblijf. Onzeker is of vleermuizen daadwerkelijk gebruik maken van de bebouwing.
De watergang en groenstrook ten noordwesten van het gebied is in potentie geschikt als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. Ingrepen in deze zone zijn niet gepland, zodat effecten op deze functies uitgesloten zijn.
Indien ingrepen gepland zijn aan het kantoor in het noorden of delen van het veilingcomplex met spouwmuren, wordt aanbevolen dit voor te leggen aan een ter zake deskundige of nader onderzoek noodzakelijk is met een batdetector. Dit wordt bij voorkeur uitgevoerd conform het protocol van de Gegevensautoriteit Natuur. Conform dit protocol dient het onderzoek minimaal te bestaan uit twee veldbezoeken in de periode juni - half juli en twee bezoeken in de periode half augustus – half september. Onderzoeksstrategieën naar bij de conclusies genoemde functies kunnen daarbij optimaal worden gecombineerd. Deze onderzoeksperiode dient vrij strikt te worden gehanteerd, daar onderzoek in minder effectieve perioden geen volledig uitsluitsel geeft.
In de update van 2014 is voor wat betreft vleermuizen aangegeven dat indien het buitenterrein anders wordt ingericht, rekening gehouden dient te worden met eventueel aanwezige vleermuizen in het kantoorgebouw en de oostelijke en zuidoostelijke zijde van de (voormalige) veilinghal. Indien de gevels worden verlicht (dit kan ook reclame zijn), kunnen eventueel aanwezige vleermuizen worden verstoord. Aanwezige beplantingen nabij de bebouwing kan een functie hebben voor vleermuizen in de gebouwen; geleiding, beschutting en eventueel als baltsplaats. Door beplantingen nabij de bebouwing te behouden en te voorkomen dat gevels worden verlicht, zijn effecten op voorhand te voorkomen. Een ter zake deskundige kan hierbij adviseren.
Vogels
In een groenstrook in het noorden van het plangebied is in 2010 een kolonie roeken (jaarrond beschermd) aangetroffen. In 2014 waren er geen nestplekken van de roek meer aanwezig en zijn er evenmin roeken meer in het plangebied aangetroffen. Sporen van overige jaarrond beschermde vogels als uilen of roofvogels werden niet aangetroffen. Als nestplek heeft het plangebied niets te bieden.
In bomen en struiken aan de randen van het plangebied en in enkele plekken rond de bebouwing worden algemene broedvogels verwacht. Het betreft soorten die vrij flexibel zijn in hun plaatskeuze. Effecten op deze soorten zijn te verwachten als groenelementen in het broedseizoen worden verwijderd. Daarom wordt aanbevolen werkzaamheden zoals kappen en snoeien uit te voeren buiten het vogelbroedseizoen, dat globaal loopt van maart tot augustus. Negatieve en/of vergunningsplichtige effecten zijn dan op voorhand uitgesloten. Het verwijderen van opgaande beplantingen voorafgaande aan het broedseizoen is ook een mogelijkheid. Voor het verstoren van broedende vogels wordt in principe nooit ontheffing verleend. Indien de planning het bovenstaande niet toelaat, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ter zake deskundige te worden gecontroleerd op broedende vogels.
Overige soortgroepen
Voor overige beschermde soortgroepen ontbreekt geschikt leefgebied, zodat effecten op voorhand uitgesloten zijn. Voor deze soortgroepen geldt de zorgplicht, waarbij wordt verwacht, dat men voorzichtig omgaat met planten en dieren in het algemeen. In dit kader wordt aanbevolen opgaande vegetaties voorafgaande aan grondwerkzaamheden kort te maaien, zodat dieren het plangebied uit eigen beweging tijdig zullen verlaten.
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en hetgeen hierover is opgenomen in de uitspraak van de ABRvS inzake bestemmingsplan Bedrijvenpark Lingewaard kan worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Bij sloop van de aanwezige panden zullen de uitgevoerde onderzoeken worden geactualiseerd.
Regelgeving en beleid
Erfgoedwet
De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Vanuit nationale wetgeving dienen gemeenten zorg te dragen voor de archeologische waarden in de bodem. Ook de provincie Gelderland onderschrijft in haar structuurvisie dat zorgvuldig dient te worden omgegaan met het bodemarchief.
Onderzoek en bestemmingslegging
Door RAAP is voor de gemeente Lingewaard onderzocht welke archeologische waarden in de gemeente verwacht worden. Deze archeologische verwachtingswaarde is opgenomen in een archeologische beleidskaart (zie figuur 4.1) die een vertaling heeft gekregen in de bij dit bestemmingsplan behorende regels. Deze regeling is gekoppeld aan dubbelbestemmingen die zijn opgenomen op de verbeelding.
Figuur 4.1 Uitsnede Archeologische beleidskaart
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde. Indien bij de uitvoering van grondwerkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, is aanmelding van desbetreffende vondsten bij het bevoegd gezag en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Per 1 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Ook de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein is mer-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de herbestemming van 13,4 ha bedrijventerrein. De beoogde ontwikkelingen zijn dus dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarde blijven. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Ten behoeve van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 8. Op basis van deze notitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbeslissing waarin wordt aangegeven dat geen volledige m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 6.2.1 van het Bro dient, indien er sprake is van één van de in artikel 6.2.1 Bro genoemde bouwactiviteiten, een exploitatieplan te worden vastgesteld. Een exploitatieplan heeft onder meer tot doel om te komen tot een adequaat publiekrechtelijk kostenverhaal en het realiseren van een goede inrichting van de openbare ruimte door middel van het stellen van locatie-eisen. Dit bestemmingsplan biedt geen ruimte voor de in artikel 6.2.1 Bro genoemde bouwactiviteiten. Het plan wordt voor eigen rekening en risico en volledig op eigen terrein gerealiseerd.
Gelet hierop bestaat er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan. Voor de planologische procedure zullen leges worden geheven. Met de initiatiefnemer zal een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten. De economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor het uitvoeren van de plannen op de locatie.
Op grond van de gemeentelijke inspraakverordening zijn de ingezetenen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een inspraakreactie in te dienen op het voorontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan' waarin ook het voormalige veilingterrein is opgenomen. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 februari 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er is ook een goed bezochte inloopavond georganiseerd op 6 maart 2017. Tijdens de termijn van ter inzage legging zijn 24 inspraakreacties ingediend.
Zoals beschreven in de inleiding, is besloten om voor het voormalige veilingterrein een separate bestemmingsplanprocedure te doorlopen voor het vervolg. Voorliggend 'Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein' heeft daarom enkel betrekking op het voormalige veilingterrein. Onderdelen van één reactie hebben (indirect) betrekking op het plangebied van dit bestemmingsplan. Hieronder is daarom alleen een samenvatting en beantwoording opgenomen van deze reactie.
Inhoud inspraakreactie 1 d.d. 15 maart 2017 & 3 april 2017 & 4 april 2017 & 26 april 2017
Beantwoording inspraakreactie 1
In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan' ook toegezonden aan de in het Bro genoemde overlegpartners en andere instellingen en instanties. Reacties zijn ontvangen van Waterschap Rivierenland en de Provincie Gelderland. Hieronder zijn beide reacties
samengevat en beantwoord, voor zover deze betrekking hebben op voorliggend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein'.
Inhoud overlegreactie 1: Waterschap Rivierenland d.d. 21 april 2017
Omdat watercompensatie van het voormalige veilingterrein aan de westzijde van de Leutensche Leigraaf gerealiseerd gaat worden, dient dit gebied te worden toegevoegd aan het plangebied.
Beantwoording overlegreactie 1
De Leutensche Leigraaf is over de volle breedte in het plangebied opgenomen. Ook de groenstrook aan de westzijde van de watergang is aan het plangebied toegevoegd zodat de benodigde watercompensatie binnen het plangebied gerealiseerd kan worden.
Inhoud overlegreactie 2: Provincie Gelderland d.d. 31 mei 2017
Beantwoording overlegreactie 1
Aanpassing 1: begripsbepaling bedrijfs- of dienstwoning
Naar aanleiding van een vraag van een inspreker op het Veegplan Bedrijventerreinen is de begripsbepaling bedrijfs- en dienstwoning aangepast zodat appartementen in de nabijheid van bedrijfswoningen ook als bedrijfswoning kunnen worden verhuurd.
Artikel 1.10 komt als volgt te luiden:
1.10 bedrijfs- of dienstwoning
een woning in een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon die een arbeidsrelatie dan wel gelijksoortige betrekking heeft met een bedrijf waarbij minimaal sprake is van het op regelmatige basis verrichten van arbeid tegen betaling van loon, gevestigd in het gebouw of op het terrein of in de nabijheid van de woning.
Aanpassing 2: archeologische dubbelbestemmigen
Overeenkomstig het op 18 mei 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Lingewaard, 1e herziening' vindt op verzoek van de ODRA een kleine aanpassing plaats binnen de regels van de archeologische dubbelbestemmingen met betrekking tot de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde of werkzaamheden.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein' heeft op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 22 maart 2018 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van ter inzage legging zijn vier zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen zijn in de nota zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. Daarbij is tevens aangegeven of de zienswijzen leiden tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De aanpassingen naar aanleiding van de procedure zijn verwerkt in het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Veegplan, Veilingterrein'. De 'Reactienota zienswijzen' is opgenomen in bijlage 9.
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze is vormgegeven.
Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemming. De omvang van de diverse functies is verankerd in de bestemmingslegging. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Voor de inhoud en opzet van de regels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen actualisatie 2013'.
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
Bedrijventerrein
De grootste deel van gronden van het voormalige veilingterrein is bestemd met de bestemming 'Bedrijventerrein', waarbij een categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten is aangegeven. De toelaatbaarheid van de bedrijven is bepaald, mede aan de hand van de ligging van de bedrijven in de directe omgeving van gevoelige functies. Voor de te vestigen/ toekomstige bedrijven is een passende regeling opgenomen, binnen de huidige milieucategorie. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zodat het bevoegd gezag bedrijven kan toestaan die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voorwaarde hierbij is dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorie.
Naast bedrijven, zijn binnen deze bestemming tevens de bijbehorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding 'ontsluiting' dient de ontsluiting van het bedrijventerrein via de Nijverheidstraat plaats te vinden om overlast voor de woonomgeving aan de Kamervoort te voorkomen.
Bedrijventerrein - Uit te werken
Deze bestemming is toegekend aan de gronden van het voormalige veilingterrein waarvan de invulling nog niet bekend is. Zodra de plannen voor deze locatie concreet zijn, wordt de bestemming uitgewerkt. Daarbij moet worden voldaan aan de uitwerkingsvoorwaarden. In de uitwerkingsregels is o.a. opgenomen dat de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gemotiveerd en ontsluiting via de Nijverheidstraat moet plaatsvinden.
Groen
Hieronder vallen de openbare groenvoorzieningen, voet- en fietspaden alsmede nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Om de groenstroken voor de toekomst veilig te stellen is het enkel mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het groen te realiseren die te maken hebben met de groenfunctie. In deze bestemming is de bouw van kunstobjecten toegestaan.
Water
Binnen deze bestemming zijn de watergangen opgenomen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen die ten dienste staan aan de bestemming, zoals constructies voor bruggen, kademuren en duikers, zijn toegestaan.
Leiding - Gas (dubbelbestemming)
In het plangebied ligt een gasleiding die planologisch relevant is. De regels (met name aan te houden afstanden) met betrekking tot deze leiding zijn verankerd in de regels. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is uitsluitend toegestaan na een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, waarbij, teneinde de leiding veilig te stellen, een zorgvuldige afweging van belangen dient plaats te vinden.
Waarde - Archeologie (dubbelbestemmingen)
Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen is voorzien in dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het college van burgemeester en wethouders aan de archeologische waarden. Vanwege deze archeologische verwachtingswaarde, dient voorafgaand aan werkzaamheden in een aantal gevallen een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau. Indien uit het onderzoek blijkt dat er resten aanwezig zijn, dan dient in overleg met de provinciaal archeoloog te worden bepaald hoe met deze resten wordt omgegaan. Behoud in situ is hierbij echter uitgangspunt.
Waterstaat - Waterstaatkundige functie (dubbelbestemming)
De beschermingszone rondom de A-watergangen (4 m aan weerszijden) is door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' vastgelegd.