direct naar inhoud van 6.6 Landbouw
Plan: Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1701.0000BP000000000509-0010

6.6 Landbouw

De landbouwbedrijven zijn een essentiële drager voor de economische ontwikkeling in het buitengebied. Daarnaast zijn de agrariërs ook deels de beheerders van het landschap. De agrarische bedrijven vormen een onderdeel van de twee agrarische gebiedsbestemmingen. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is drie vormen van agrarische bedrijvigheid aan te duiden binnen de twee agrarische gebiedsbestemmingen:

  • de grondgebonden bedrijven;
  • de niet-grondgebonden bedrijven (in deze gemeente voornamelijk de intensieve veehouderij);
  • de gemengde bedrijven met een grondgebonden en een intensief deel.

Het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven heeft ruimtelijke redenen. Grondgebonden agrarische bedrijven hebben een directe relatie met de omliggende gronden. Vaak zijn dit eigen gronden die kenbaar ruimtelijk deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Deze bedrijven zijn voor het voortbestaan afhankelijk van de kwaliteit van die omgeving. De omstandigheden zoals bodemkwaliteit en grondsoort zijn van invloed op de bedrijfsvoering. De bedrijven kunnen niet zonder meer op iedere plaats in het buitengebied gevestigd worden. Dit in tegenstelling tot de niet-grondgebonden agrarische bedrijven, die zich veelal kenmerken door grootschalige intensieve bebouwing zonder een directe relatie met het omliggende agrarische gebied. Deze agrarische bedrijven hebben in sommige gevallen een bijna industrieel karakter.

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is het agrarisch bedrijf aan te duiden op de verbeelding door te werken met een zogenaamde agrarische bedrijfskavel. Binnen die bedrijfskavel is ruimte voor een 'denkbeeldig' aaneengesloten bouwblok (waarbinnen de bebouwing is geconcentreerd) waarvoor voorwaarden zijn opgenomen in de regels. Bij het leggen van de agrarische bedrijfskavel is rekening gehouden met de landschappelijke inpassingsmogelijkheden, zodat de vorm van de kavel is afgestemd op de bestaande situatie en eventuele uitbreidingsmogelijkheden.

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is de landschappelijke inpassing als randvoorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen mee te nemen. Bij nieuwe bebouwing met een oppervlakte groter dan 500 m2 is via een afwijking waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, de randvoorwaarde opgenomen voor het opstellen van een landschapsplan. De nieuwe ontwikkeling moet aansluiten bij de bestaande bebouwing en de ruimtelijke kwaliteit moet worden vergroot.

6.6.1 Oppervlakte van agrarische bedrijfskavels

Onder de grondgebonden bedrijfsactiviteiten vallen de melkveebedrijven, schapen- en geitenhouderijen, paardenfokkerijen en akker- en tuinbouwbedrijven (sier- en boomteelt is uitgesloten). Uitgangspunt is deze bedrijven de maximale ontwikkelingsmogelijkheden te geven.

In de twee agrarische gebiedsbestemmingen wordt geen onderscheid gemaakt in oppervlakte van de agrarische bedrijfskavels. In zowel het landbouwontwikkelingsgebied als in het verwevingsgebied hebben agrarische bedrijven de ruimte nodig om hun bedrijfsactiviteiten uit te kunnen voeren. In het landbouwontwikkelingsgebied zullen deze activiteiten zich hoogst waarschijnlijk richten op het agrarisch gebruik, binnen het verwevingsgebied is daarentegen ook ruimte nodig voor eventuele nevenactiviteiten. Het onderscheid tussen de gebieden wordt gemaakt doordat binnen de regels voor het verwevingsgebied extra landschappelijke randvoorwaarden zijn opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen.

Alle bestaande agrarische bedrijven in het buitengebied hebben bij recht de mogelijkheid een oppervlakte van 1,5 hectare te bebouwen. In de regels zijn hiervoor de randvoorwaarden opgenomen. Deze randvoorwaarden zijn onder andere gericht op de landschappelijke inpassing. Eén van de randvoorwaarden is dat bedrijfsgebouwen respectievelijk de totale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet groter mogen zijn dan 500 m2 respectievelijk 10.000 m2 behalve als de bestaande oppervlakte groter is. De gevellengte mag niet meer zijn dan 100 m. Er is maximaal één bouwlaag toegestaan voor het stallen van vee. Uitbreiding is mogelijk tot een maximale oppervlakte van 2,0 hectare. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig. Bij wijziging is het mogelijk om uit te breiden tot een maximale oppervlakte van 3,0 hectare. Bij uitbreiding van de bedrijfskavel blijft de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 10.000 m² ongewijzigd. Het gaat alleen om een verruiming van het gebied waarbinnen de bebouwing gesitueerd is/wordt.

Overwegingen die hieraan ten grondslag liggen zijn:

  • de toenemende ruimtebehoefte van bedrijven als gevolg van bijvoorbeeld schaalvergroting. Het bestemmingsplan moet voor zeker tien jaar in ontwikkelingsruimte voorzien;
  • de druk, óók vanuit milieuoptiek, om de bedrijfsmatige activiteiten (zoals voeder- en mestopslag) zoveel mogelijk op de bouwpercelen te concentreren;
  • de toename van de milieudruk te beperken door grenzen te stellen aan de omvang van de bebouwing;
  • de ruimte die agrariërs nodig hebben voor het oprichten van een agrarische neventak (bijvoorbeeld een mini-camping), waarmee een (soms noodzakelijk) aanvullend inkomen kan worden verworven en die past binnen het streven naar plattelandsvernieuwing;
  • de noodzaak om aan de steeds groter wordende landbouwvoertuigen de nodige manoeuvreer- en opslagruimte te bieden.

Om verrommeling en verstening van het landschap tegen te gaan, geldt voor de agrarische bedrijven dat alle bebouwing en bouwwerken behorende bij het agrarisch bedrijf, dus ook mestbassins en kuilopslag, binnen de maximale toegestane oppervlakte moeten worden gerekend. Bij gebleken noodzaak zal een mestbassin buiten het aaneengesloten bouwblok geplaatst mogen worden.

Bij uitbreidingen spelen de volgende ruimtelijke uitgangspunten een rol:

  • het respecteren van de historisch gegroeide landschapsstructuur; hierbij gaat het om de hoofd-oriëntatie van de agrarische bebouwing en het behoud en/of herstel van de landschappelijke structuur;
  • de te behouden afstanden tot ruimtelijke elementen; het gaat daarbij om de situering en uitbreidingsrichting van het bouwblok ten opzichte van de omgeving;
  • een goede infrastructurele ontsluiting: de beste locatiemethode gericht op afbouw van de tweede en/of volgende locaties, waarbij op een vast te leggen moment sloop van de gebouwen zal plaatsvinden;
  • ordening, maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; hierbij wordt gedacht aan de rangschikking en spreiding van gebouwen, de bouwvorm, zoals volume, hoogte, dakvorm en -helling, materiaal- en kleurgebruik en het aanpassen van bestaande bebouwing en opruimen van oude bebouwing en verhardingen;
  • erfinrichting en beheer: de erfbeplanting, de aanleg van natte en droge landschapselementen ten behoeve van de waterhuishouding en het (duurzaam) beheer;
  • uitbreidingen mogen geen significant negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden.

6.6.2 Aanduiding van agrarische bedrijfskavels

Met het leggen van agrarische bedrijfskavels kan de gemeente via het bestemmingsplan sturend optreden en ontwikkelingsmogelijkheden bieden aan de landbouwers. De gemeente Westerveld kiest voor een flexibele manier van bestemmen door te werken met zogenaamde 'zoekgebieden', de agrarische bedrijfskavels. Binnen deze agrarische bedrijfskavels ligt een 'denkbeeldig' aaneengesloten bouwblok; waarbinnen de bebouwing daadwerkelijk plaats moet vinden.

De bestaande grondgebonden agrarische bedrijven hebben een agrarische bedrijfskavel van minimaal 1,5 hectare, de oppervlakte die bij recht wordt geboden, en maximaal 3,0 hectare. De oppervlakte van de agrarische bedrijfskavel is afgestemd op de huidige omvang van het bedrijf26. De huidige omvang van een bedrijf is aan de hand van de bestaande bebouwing berekend en vervolgens verdubbeld. De omvang van de agrarische bedrijfskavel is daarmee gelijk aan de verdubbeling, met een minimale omvang van 1,5 hectare.

Dat betekent dat bij kleine bedrijven, met vaak niet meer bebouwing dan het oorspronkelijke boerderijpand en een kleine schuur, de agrarische bedrijfskavel niet groter zal zijn dan het bij recht gegeven bouwblok van 1,5 hectare. Bij bedrijven met bijvoorbeeld 1,0 hectare aan bestaande bebouwing betekent dit een agrarische bedrijfskavel van 2,0 hectare. De bedrijven die nu al 1,5 hectare of meer aan bebouwing in gebruik hebben, hebben een agrarische bedrijfskavel van maximaal 3,0 hectare gekregen.

Voor alle agrarische bedrijven, waarvan de agrarische bedrijfskavel 2 hectare of meer bedraagt, is het mogelijk om met een omgevingsvergunning uit te breiden naar 2,0 hectare. Bij wijziging kan de omvang van de agrarische bedrijfskavels verder worden vergroot tot een maximum van 3 hectare.

6.6.3 Nieuwvestiging grondgebonden bedrijven

De vraag naar vestigingsruimte voor nieuwe agrarische bedrijfskavels zal naar verwachting beperkt zijn. Uitgangspunt is terughoudend om te gaan met het leggen van nieuwe agrarische bedrijfskavels. In eerste instantie moet bij een aanvraag voor vestiging worden gezocht naar mogelijkheden op eerder vrijgekomen agrarische bedrijfskavels. Toch kan het voorkomen dat zich de vraag voordoet naar een nieuwe agrarische bedrijfskavel. Nieuwvestiging van grondgebonden bedrijven wordt bij wijziging toegestaan binnen de gebiedsbestemming 'Agrarisch 1', uitgezonderd de waardevolle gebieden zoals de essen en de beekdalen. Als dit ter plaatse is van landschappelijk, waterhuishoudkundig en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen en/of landschappelijke waardevolle gebieden ("Waarde - Landschap 1") dan moet met deze elementen rekening gehouden worden. Nieuwvestiging binnen de gebiedsbestemming 'Agrarisch 2' is in beginsel niet toegestaan, uitgezonderd indien het gaat om een bedrijfsverplaatsing binnen een gebiedsontwikkeling. In het laatste geval is sprake van planherziening.

6.6.4 Bouwhoogte en uitstraling van agrarische bedrijfsgebouwen

Voor de agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied wordt uitgegaan van een bouwwijze van één bouwlaag met kap. Op deze wijze wordt een landschappelijk aanvaardbare bouwstijl voorgeschreven.

Voor de goothoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen is uitgegaan van een hoogte van 4,5 meter. Voor deze hoogte is gekozen in verband met de eisen die tegenwoordig aan agrarische bedrijfsbebouwing worden gesteld (onder andere in relatie tot de maatvoering van moderne landbouwmachines). Voor de nokhoogte wordt uitgegaan van 12 meter. Ook deze hoogte hangt samen met de eisen die aan een moderne bedrijfsvoering worden gesteld.

Via een omgevingsvergunning kan een maximale goothoogte van 5,5 meter toegestaan worden als hieraan specifieke bedrijfsbelangen ten grondslag liggen en een nokhoogte van 14 meter. Zo kan bijvoorbeeld voor de opslag van pootaardappelen uit kwaliteitsoogpunt en om redenen van doelmatigheid een hoogte van 5,5 meter noodzakelijk zijn. Dergelijke randvoorwaarden/criteria zijn in dat geval in de regels opgenomen.

6.6.5 Grondgebonden landbouw

Grondgebonden landbouw is een agrarische bedrijfsvoering waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf. In het buitengebied van Westerveld is de grondgebonden landbouw een belangrijke functie. Dit zal ook in de toekomst zo blijven. De prioriteit ligt bij de ontwikkeling van de bestaande agrarische bedrijven ten opzichte van nieuwvestiging. Het bestemmingsplan maakt daarbij geen onderscheid tussen vormen van grondgebonden landbouw zoals akkerbouw, veeteelt, fruitteelt, bollenteelt, boomteelt en houtteelt, tenzij er ruimtelijk aanleiding voor bestaat. Dit kan onder meer het geval zijn bij opgaande teelt als boom- en houtteelt in een open landschap. Het bestemmingsplan biedt de bestaande bedrijven ruimte voor intensivering, specialisatie, schaalvergroting en verbreding, gericht op de grondgebonden landbouw. Wel is een aantal van deze activiteiten gekoppeld aan een nadere afweging of omgevingsvergunning- of wijzigingsprocedure waarbij ruimtelijke voorwaarden gelden.

6.6.6 Niet-grondgebonden landbouw

Nieuwvestiging en uitbreiding

Voor nieuwvestiging van intensieve veehouderij zijn (zowel voor een hoofdtak als voor een neventak) in Westerveld geen mogelijkheden. Naast de milieubelasting (emissies) speelt, vanwege de vereiste bebouwing, ook de ruimtelijke beïnvloeding van de gebiedskenmerken en het landschap een rol (grootschaligheid en bouwmassa). Voor de uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen geeft dit bestemmingsplan zowel voor hoofdtak als neventak mogelijkheden in de landbouwontwikkelingsgebieden. Hierdoor wordt ruimte geboden voor continuïteit van bedrijven met perspectief.

Intensieve veehouderij als neventak

In de gemeente Westerveld worden alleen bestaande intensieve neventakken toegestaan. De gemeente Westerveld kiest er, uit een oogpunt van helderheid, voor om een reële maximale oppervlaktemaat voor de niet-grondgebonden landbouw als neventak te hanteren. Deze maximale maat is 2.000 m² bij recht en 3.000 m² via een omgevingsvergunning. Via een wijzigingsbevoegdheid wordt 4.000 m² mogelijk gemaakt. De maximale maatvoering van 2.000 m² is bij recht van toepassing in zowel de landbouwontwikkelingsgebieden als de verwevingsgebieden. De begrenzing in vierkante meters is vanuit het oogpunt van toetsing en handhaving het meest effectief en efficiënt.

In het verwevingsgebied waar landbouw, natuur en recreatie mogelijkheden hebben om te ontwikkelen, oftewel zone III- en IV-gebieden uit het POP II, mag een neventak alleen uit dierwelzijnsoverwegingen worden uitgebreid. Daarbij mag een extra staloppervlakte toegestaan worden tot een maximum van 25% van het aantal dieren dat gehouden wordt. Dit om tegemoet te komen aan de rentabiliteit van de uitbreiding.

Intensieve veehouderij als hoofdtak

Aansluitend bij het provinciaal beleid is uitbreiding van bestaande bedrijven die intensieve veehouderij als hoofdtak hebben, (zowel in de landbouwontwikkelingsgebieden als de verwevingsgebieden) bij recht alleen mogelijk bij bedrijven gelegen in de POP-zone I en II. De uitbreiding dient verenigbaar te zijn met de milieuwetgeving. Voor de gebieden behorende tot de POP- zone II, geldt tevens dat de uitbreiding mogelijk moet zijn binnen de landschappelijke hoofdstructuur. De uitbreiding van intensieve veehouderij als hoofdtak dient plaats te vinden binnen het aaneengesloten bouwblok van maximaal 2,0 hectare. Voor de intensieve veehouderij geldt ook dat de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet groter mag zijn dan 10.000 m2 ongeacht de grootte van de bedrijfskavel. Tevens mag er ten hoogste één bouwlaag worden gebouwd en gebruikt voor het stallen van vee.

6.6.7 Maneges, paardenhouderijen en -fokkerij

De paardenhouderij kent een grote diversiteit aan verschijningsvormen27. Zo zijn er de puur agrarische bedrijven waar uitsluitend paarden worden gefokt, opgefokt, als hengstenhouderij in gebruik zijn of waar paarden voor de melkproductie worden gehouden. Een paardenfokkerij is een bedrijf waar paarden uit het eigen fokprogramma worden opgeleid, getraind en verhandeld. Deze bedrijven worden, conform het provinciaal beleid, aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf. In meerderheid gaat het echter om bedrijven waar al dan niet in overwegende mate niet-agrarische activiteiten worden ondernomen. Voorbeelden daarvan zijn de trainings- en africhtingsstallen, de sportstallen, de handelsstallen en de pensionstallen en maneges. Veelal betreft het een mengvorm van activiteiten. Het trainen, stallen en verhandelen van paarden van derden in een paardenhouderij of paardenstallen kan niet worden aangemerkt als de exploitatie van een agrarisch bedrijf, omdat de gerichtheid op het voortbrengen van dieren hier volledig ontbreekt. Deze bedrijven zullen in het bestemmingsplan worden opgenomen als paardenhouderij.

Met het onderscheiden in agrarische en niet-agrarische paardenhouderij wordt aan de paardenhouderij een zelfstandige plaats geboden in het buitengebied. Dit doet geen afbreuk aan de zuiver agrarische paardenhouderij. Ook voor bedrijven die in het verleden onder de agrarische bestemming zijn gestart, levert het opnemen van een maatbestemming geen beletsel op. Voor deze groep bedrijven zal alsnog de bestemming die het vereist worden opgenomen.

Naast de hierboven beschreven bedrijfsmatige activiteiten worden maneges en paardenrecreatieverblijven beschouwd als toeristisch-recreatieve bedrijven. Ook mengvormen, zoals een manege met groepsaccommodatie, vallen hieronder. Daarbij wordt gekeken naar de hoofdfunctie.

Voor zover inpasbaar in de omgeving, dienen nieuwe bedrijven te worden gevestigd op voormalige agrarische bouwpercelen, bij voorkeur in de buurt van de kernen. Belangrijke voorwaarde is de landschappelijke inpassing.

Paardenbakken

In het buitengebied worden steeds meer (hobbymatig) paarden gehouden. Aanvragen voor het aanleggen van paardenbakken komen steeds vaker voor. Paardenbakken zijn vaak opvallende elementen in het landschap door hun ligging en materiaalgebruik. Bovendien kan als gevolg van de aanwezigheid van verlichting sprake zijn van hinder voor omliggende woningen. Paardenbakken zijn in het buitengebied bij alle functies met bebouwing toegestaan via een omgevingsvergunning. Voorwaarde is dat er sprake is van`een goede landschappelijke inpassing zoals dit in het Beeldkwaliteitsplan is gesteld. Tevens geldt dat voor de aanleg van paardenbakken een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

6.6.8 'Ruimte voor ruimte'-regeling

Door de veranderingen in de landbouw zijn er steeds meer agrarische gebouwen die hun functie verliezen. De landelijke trend van schaalvergroting heeft ook in Westerveld het aantal agrarische bedrijven laten afnemen. Om de kwaliteit van het landelijk gebied hoog te houden, is er onder andere een 'Ruimte voor ruimte'-regeling opgesteld voor de overbodig geworden en vaak landschapsontsierende gebouwen in het buitengebied.

De 'Ruimte voor ruimte'-regeling houdt in dat in ruil voor het afbreken en opruimen van vrijkomende agrarische gebouwen, het recht op een woonhuis op dezelfde plaats of in een dorpsuitbreiding ontstaat. Er verdwijnt zo overbodig geworden bouwmassa in het landelijk gebied, mede ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit. De gemeente Westerveld kiest voor de minimale oppervlakte van 750 m² van te slopen bedrijfsgebouwen, waarvoor ter compensatie één woonhuis gebouwd mag worden. Op deze manier kan de oorspronkelijke agrarische bebouwing in Westerveld dat veelal een kleinere oppervlakte heeft, ook gebruik maken van de regeling. Daarnaast kiest de gemeente ervoor de salderingsregeling28 niet toe te passen waar in het POP II over wordt gesproken. Clustering van landschapsontsierende bebouwing is bijna onhaalbaar. Door de oppervlakte van de 'Ruimte voor ruimte'-regeling te verlagen, is saldering ook niet noodzakelijk. Het gaat bij deze regeling om kwaliteitsverbetering en niet om kleine gebouwen. Bij het toepassen van de regeling zal worden getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan.

6.6.9 Biogasinstallaties

In een biomassa-/vergistingsinstallatie wordt onder andere biogas (methaan) geproduceerd uit organische stof. Als organische stof worden bijvoorbeeld maïs en mest gebruikt. De opgewekte energie wordt in de praktijk geleverd aan het energiebedrijf. Het restproduct van de maïs en mest wordt gebruikt op het (agrarisch) bedrijf of wordt eventueel verkocht.

In een biomassa-/vergistingsinstallatie is een viertal situaties te onderscheiden:

  • Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten (bijv. maïs) toe. Het digestaat (restproduct) wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt.
  • Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt of naar derden afgevoerd.
  • Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt.
  • Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest van derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt als meststof afgeleverd aan derden.

In navolging op het standpunt van de staatssecretaris worden de categorieën A, B en C beschouwd als een agrarische activiteit, passend bij en gebonden aan een agrarische bestemming. Deze categorieën worden als 'nevenactiviteit mestverwerking' bij een agrarische bestemming in het bestemmingsplan opgenomen. Categorie D wordt niet beschouwd als een bedrijfseigen activiteit. Hier is ruimtelijk maatwerk nodig. Een mogelijkheid voor deze categorie is vestiging op een bedrijventerrein.

Een biomassa-/vergistingsinstallatie kan over het algemeen een sterke toename van (zwaar) verkeer tot gevolg hebben, door de aanvoer van mest en/of biomassa. Uitzondering hierop vormen de installaties 'op boerderijniveau', waarbij zowel co-substraat als mest van het eigen bedrijf komen. Het aanwezige wegennet dient hierop te zijn afgestemd. Voorgesteld wordt daarom in het plan een aparte regeling op te nemen voor een biomassa-/ vergistingsinstallatie, zodat uit ruimtelijk oogpunt sturing aan deze ontwikkeling kan worden gegeven. Ook uit oogpunt van handhaving biedt een aparte regeling meer houvast.

De gemeente beschouwt een biogasinstallatie (categorieën A, B en C) als een nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven waarvoor een omgevingvergunningprocedure gevolgd kan worden. Zodoende kan rekening gehouden worden met landschappelijke en verkeersaspecten. Bij de toepassing van de afwijking door middel van een omgevingsvergunning kan tevens beoordeeld worden in hoeverre nog sprake is van een agrarische activiteit. Wanneer geen sprake meer is van een agrarische activiteit, komt vestiging op het bedrijventerrein in aanmerking. Hier is sprake van maatwerk.

6.6.10 Boomteelt, houtteelt en opgaande meerjarige beplanting

Boomteelt, houtteelt en andere opgaande meerjarige beplanting is een vorm van agrarische productie die, met name in een open landschap, nogal wat ruimtelijke gevolgen heeft. Gezien het karakter van het landschap in het buitengebied van de gemeente Westerveld, voert de gemeente een terughoudend beleid ten aanzien van boomteelt, houtteelt en andere opgaande beplanting in het buitengebied in verband met de impact op het landschap en de natuurwaarden.

In het gehele buitengebied zijn deze vormen van agrarische productie gekoppeld aan een omgevingsvergunning. Hiervoor gelden criteria ten aanzien van de landschappelijke inpassing. Belangrijke landschappelijke waardevolle elementen zoals essen, beekdalen of open gebieden komen niet in aanmerking voor opgaande meerjarige teelten.

6.6.11 Bollenteelt

De bollenteelt kent verschillende vormen:

  • projectmatige locaties, waar hoogwaardige bedrijven worden geconcentreerd en waar de omgevingsfactoren relatief goed kunnen worden beheerst. Deze gebieden zijn te vergelijken met de geconcentreerde glastuinbouwgebieden. Een dergelijke projectlocatie komt binnen de gemeente Westerveld niet voor;
  • de teelt van bollen in de vorm van een wisselteelt. In Westerveld gaat het met name om deze vorm van bollenteelt.

Voor de bollenteelt zijn spoelplaatsen noodzakelijk. Uitgangspunt met betrekking tot deze spoelplaatsen is deze te concentreren op het bouwblok, evenals de andere noodzakelijk bebouwing. Onder voorwaarden is het mogelijk om met een omgevingsvergunning hier gemotiveerd van af te wijken.

6.6.12 Kassen en ondersteunend glas

Het komt steeds vaker voor dat agrarische bedrijven, in het kader van de verbreding van de agrarische bedrijfsvoering, bedrijfsmatige activiteiten met glas uitvoeren.

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat kassen en ondersteunend glas geen onevenredige aantasting van het landschap als gevolg mogen hebben. De bestaande locaties zullen worden inbestemd.

Als ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering mag via afwijking maximaal 500 m² aan kassen worden gerealiseerd op het bouwblok van een bestaand bedrijf, waarbij de noodzaak van het ondersteunend glas moet worden aangetoond. Voor tuinbouwbedrijven en kwekerijen zijn bij via afwijking grotere oppervlaktes toegestaan. Nieuwvestiging van kassencomplexen is niet toegestaan.

6.6.13 Functieverbreding

Door de veranderingen in de landbouw zijn er veel agrarische bedrijven die naast de standaard agrarische werkzaamheden nieuwe activiteiten ontwikkelen. De gemeente wil deze ontwikkeling beleidsmatig ondersteunen door de agrarische ondernemers zoveel mogelijk te ondersteunen bij het rendabel houden van het bedrijf.

Het bestemmingsplan biedt, aansluitend op het streven naar plattelandsvernieuwing, ruimte voor verbreding van de agrarische bedrijven met nevenactiviteiten. De activiteiten zijn genoemd in bijlage 1 bij de regels. Onder andere wordt ruimte geboden aan:

  • een combinatie met recreatie (kleinschalig kamperen) of logiesverstrekking bij agrarische bedrijven;
  • productiegebonden detailhandel;
  • agrarische kinderopvang;
  • welzijnszorg (zorgboerderij);
  • aan-huis-verbonden beroepen;
  • overige niet-agrarische bedrijvigheid in de VNG-categorie 1 en 2.

De aan-huis-verbonden beroepen zullen als niet-agrarische nevenactiviteit bij agrarische bedrijven bij recht worden toegestaan. Overkoepelende randvoorwaarde voor activiteiten binnen het agrarisch gebied is het behoud van de kenmerkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

De nevenactiviteit dient ruimtelijk ondergeschikt te blijven. Financieel hoeft de nevenactiviteit niet ondergeschikt te zijn ten opzichte van de agrarische functie. Er mag nieuwbouw plaatsvinden ten behoeve van de nevenactiviteiten, maar de totale oppervlakte van de nevenactiviteit mag niet meer zijn dan 350 m2 en de totale oppervlakte van de bebouwing voor het agrarisch bedrijf en de nevenactivieit mag niet meer zijn dan 10.000 m2.

Voor het toestaan van bovengenoemde nevenactiviteiten (met uitzondering van de aan-huis-verbonden beroepen) geldt een nader afwegingsmoment in de vorm van een omgevingsvergunningsprocedure, gekoppeld aan ruimtelijke randvoorwaarden. Zo mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van buitenopslag, aantasting van het straatbeeld, et cetera. Ook de aantrekkende werking van verkeer zal nader onderzocht moeten worden.

6.6.14 Schuilstallen

Binnen de agrarische bestemmingen is na afwijking de bouw van een schuilstal mogelijk gemaakt. Voor het bouwen van een schuilstal moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een aantoonbare noodzaak en doelmatigheid zijn van een schuilstal in het kader van dierenwelzijn.

Een schuilstal mag alleen gebruikt worden voor de huisvesting van hobbydieren.

Schuilstallen dienen aan de randen, in de hoek van een perceel, waterlopen, bosschages of langs de laanbeplanting van de weg te worden gepositioneerd, zodanig dat de complete structuur van het perceel niet verandert. Eventueel aansluitend bij bestaande opstanden. De openheid van het landschap mag niet in het geding komen. De materiaalkeuze moet ook worden getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan van de Gemeente Westerveld.


Naast de schuilstal mag geen afdak worden gebouwd, opslag plaatsvinden van goederen, voertuigen, machines, opslag van stro en hooi, behoudens een kleine voorraad, geen wintervoorraad zijnde of gebruik als (huishoudelijke) berging of hobbyruimte. Ook een rijbak, tredmolen, parkeerplaats voor auto's en paardentrailers is een strijdig gebruik. Er mag alleen verharding plaatsvinden ten behoeve van de uitrit. (en in de stal zelf).


Niet alle gebieden lenen zich voor het houden van hobbydieren en hoeven derhalve niet de mogelijkheid te bieden om schuilstallen op te richten. Hierbij kan gedacht worden aan essen, beekdalen (waar een dubbelbestemming op zit), natuur en bosgebieden.

Vorenstaande aspecten zullen worden betrokken bij de afweging om wel of geen toepassing te geven aan de afwijking.