direct naar inhoud van 6.3 Gebiedsindeling
Plan: Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1701.0000BP000000000509-0010

6.3 Gebiedsindeling

Op basis van de afweging dat het landschap randvoorwaardenstellend is, kan worden gekomen tot een bepaalde gebiedsindeling. In de Kadernota zijn vanuit de verschillende landschapstypen en het huidige gebruik drie ontwikkelingsgebieden onderscheiden. Deze gebieden zijn op basis van het bestaande grondgebruik en het vastgelegde beleid, in grote lijnen globaal begrensd. Deze ontwikkelingsgebieden zijn richtinggevend voor de gebiedsindeling. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de gebieden waar de ontwikkeling van de landbouw voorop staat en de gebieden waar landbouw wordt verweven met recreatie, natuur en landschap. In de gebieden waar natuur gebiedsdekkend aanwezig is wordt gesproken over natuurgebieden. De verdere ontwikkeling van de natuur is daarbij de hoofdkoers. In hoofdlijnen wordt aansluiting gezocht bij het POP II, het Beeldkwaliteitsplan en de begrenzing van natuurgebieden van de provincie.

De keuze voor een plansystematiek, waarbij de landschappelijke verscheidenheid het vertrekpunt vormt, kan leiden tot een spanningsveld met de zonering van het POP II, waar immers voor een functionele invalshoek is gekozen. Daar waar er sprake is van een zekere 'discrepantie' tussen de POP-zonering en de toegekende gebiedsbestemming vanuit de Kadernota, is dit nader onderbouwd. In het rapport 'Toetsing Kadernota gemeente Westerveld aan POP II' (Altenburg & Wymenga, januari 2010), opgenomen in bijlage 4, worden voorstellen gedaan voor een nieuwe gebiedsbegrenzing voor die gebieden waar POP II en Kadernota conflicteren. Om inzicht te krijgen in de ecologische waarden van de conflictgebieden is gebruik gemaakt van verschillende bronnen, waaronder verspreidingsgegevens van zeldzame en bijzondere fauna, provinciale gegevens met betrekking tot verspreiding van botanische waarden, de verspreiding van bijzondere landschapselementen, expert judgement en veldbezoeken. Binnen de conflictgebieden is nagegaan welke potentiƫle natuurwaarden in de gebieden aanwezig zijn. De potentiƫle natuurwaarden zijn beschreven in het rapport. Aan de hand van deze natuurwaarden zijn vervolgens voorstellen gedaan voor een eventuele nieuwe begrenzing. De voorgestelde begrenzing is overgenomen in dit bestemmingsplan.

6.3.1 Landbouw en recreatie

Hoofduitgangspunt voor deze gebieden is om landbouw en recreatie, binnen acceptabele, ruimtelijke, natuurlijke en milieutechnische randvoorwaarden ontwikkelingsruimte te bieden. Voor recreatieve ontwikkelingen geldt dat de agrarische hoofdstructuur in stand moet blijven. Deze gebieden komen overeen met zone I en II van het POP II. De gebieden zijn veelal grootschalig en open. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is om de ontwikkelingen af te stemmen op de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Uitgangspunt hiervoor zijn de randvoorwaarden die gelden vanuit het Beeldkwaliteitsplan voor nieuwe ontwikkelingen. In het Beeldkwaliteitsplan is per landschapstype schematisch weergegeven aan welke kwaliteitseisen ontwikkelingen moeten voldoen en op welke wijze het landschap kan worden versterkt. De unieke onvervangbare landschapselementen worden behouden door deze aan te duiden op de verbeelding. De overige worden beschermd binnen de gebiedsbestemming.

Op een aantal onderdelen is binnen de gebiedsbestemming onderscheid aangebracht in de regelingen ten aanzien van de landschappelijke verscheidenheid. Zo zijn meerjarige opgaande teelten en bosaanplant vrijwel overal mogelijk, maar wordt dit binnen waardevolle open gebieden uitgesloten. Deze gebieden worden in principe ook uitgesloten voor de verplaatsing of inplaatsing van agrarische bedrijven. Tevens zijn kassen (ook als ondersteunend glas) en nieuwe kwekerijen niet toegestaan.

6.3.2 Landbouw, natuur en recreatie

Hoofduitgangspunt voor deze gebieden is om de landbouw ontwikkelingsmogelijkheden te bieden in combinatie met de ontwikkeling van recreatie en natuur. Deze gebieden komen grotendeels overeen met zone III en IV van het provinciale streekplan. De beslotenheid van het gebied speelt een belangrijke rol bij ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de verschillende functies wordt gerealiseerd door de inpassing zoals aangegeven in het Beeldkwaliteitsplan te stimuleren en de unieke onvervangbare landschapselementen te behouden door deze aan te duiden op de verbeelding. De overige worden beschermd binnen de gebiedsbestemming. In het Beeldkwaliteitsplan zijn randvoorwaarden opgenomen waaraan ontwikkelingen worden getoetst. Voor natuur geldt het behoud van bestaande natuurwaarden en het streven naar nieuwe ontwikkelingen. Voor het watersysteem geldt dat dit wordt afgestemd op de natuur.

De landschappelijke verscheidenheid binnen het verwevingsgebied wordt versterkt doordat ook binnen deze gebiedsbestemming een regeling is opgenomen ter versterking van de landschappelijke waarden.

6.3.3 Natuur

Hoofduitgangspunt voor deze gebieden is het behouden en verder ontwikkelen van bos en of natuur. In deze gebieden wordt de rust en stilte gewaarborgd en wordt versnippering en verstoring tegengegaan. De bestemming bestaat uit de bestaande natuurgebieden. Hierbij wordt uitgegaan van de vigerende bestemmingen natuur en de feitelijk bestaande situatie. Deze bestemming komt grotendeels overeen met de aangewezen Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn er verspreid over het plangebied kleinere gebieden gelegen. Binnen de gebiedsbestemming is een onderscheid aangebracht tussen bos en natuur, om de verscheidenheid binnen het landschap van de gemeente Westerveld te behouden. Daarnaast is ook een onderscheid aangegeven tussen bosgebieden: bosgebieden met het hoofddoel gericht op het behoud van natuurwaarden en bosgebieden met een grotere verwevenheid van functies, zoals natuur en recreatie. Alle bos- en natuurgebieden moeten aansluitend groter zijn dan 2 hectare, als landschappelijk waardevol aangeduid of in vigerende bestemmingsplannen al een natuurbestemming hebben.

Agrarische cultuurgronden die nog niet daadwerkelijk zijn ingericht voor de beoogde natuurfunctie worden bestemd als agrarisch 1 of 2. Voor deze gebieden geldt een locatiegebonden wijzigingsbevoegdheid naar de natuurbestemming.

6.3.4 Water

De landschappelijke en ecologische waarde van het water wordt steeds belangrijker. Door de belangrijkste waterlopen te bestemmen blijven deze behouden en kan optimale ruimte worden geboden voor de waterafvoerende functie. De landschappelijk waardevolle beekdalen en brongebieden worden specifiek beschermd. Tevens is er aandacht voor de ecologische ontwikkeling van de beekdalen.

6.3.5 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ruimtelijke weerslag van de basisfuncties terug te zien is in de gebiedsindeling. Op grond van het onderscheid in hoofdfunctie, zijn de volgende gebiedsbestemmingen toegekend:

  • 'Agrarisch - 1' komt overeen met de gebieden waarbij landbouw de hoofdfunctie is, en komt overeen met zone I en II van het POP II;
  • 'Agrarisch - 2' komt overeen met de gebieden waar landbouw wordt verweven met recreatie en natuur, en komt grotendeels overeen met zone III en IV van het POP II;
  • 'Bos - 1', 'Bos - 2' en 'Natuur' komen overeen met de bestaande natuur- en bosgebieden en de gronden die in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties;
  • 'Water' komt overeen met de watergangen met een belangrijke waterafvoerende werking en die watergangen die een landschappelijke en natuurlijke betekenis hebben.