| vastgesteld |
| NL.IMRO.1586.PBBUI013-VG02 |
| Omgevingsvergunning oprichten wooneenheden Eimersweg 8 Lievelde |
| Verleende omgevingsvergunning |
| September 2012 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en Beheer |
| N. Rondeel |
| Tel. 0544-393482 |
Op het perceel Eimersweg 8 in Lievelde is een agrarisch bedrijf gevestigd met een bedrijfswoning en een woongebouw met drie wooneenheden. In het verleden zijn bestemmingsplannen opgesteld voor dit woongebouw met drie recreatiewoningen of noodwoningen. Deze bestemmingsplannen zijn uiteindelijk vernietigd door de Raad van State. Dit betekent dat er nog geen planologisch juridische regeling is voor deze wooneenheden. Met verzoeker is een mogelijkheid gevonden om deze wooneenheden planologisch te regelen op het perceel Eimersweg 8. Dit wordt in het geactualiseerde bestemmingsplan Buitengebied 2011 meegenomen. Voorliggende onderbouwing hoort bij het bestemmingsplan Buitengebied 2011.
Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Lievelde in het landelijk gebied. Aan de noord en westzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden. Aan de oostzijde ligt het perceel Eimersweg 6 en aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Eimersweg. Aan de overzijde van de Eimersweg is een niet agrarisch bedrijf gevestigd en staan woningen. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
Ligging plangebied
Het perceel Eimersweg 8 ligt in het bestemmingsplan Buitengebied 1973 en heeft de bestemming Agrarisch gebied met een bouwblok. Het agrarisch bouwblok is niet helemaal volgebouwd. Ten westen van de huidige bebouwing, parallel aan de Eimersweg, is het bouwblok onbebouwd.
Bestemmingsplan Buitengebied 1973, binnen de rode cirkel ligt het plangebied
Op het perceel is een agrarisch bedrijf gevestigd met een bedrijfswoning. Door de jaren heen is een schuur omgebouwd zodat er in gewoond kan worden. In het gebouw zijn nu drie wooneenheden gevestigd. Deze woningen worden verhuurd aan derden.
Rond het agrarisch bouwblok ligt agrarisch (bouw)land dat bij het perceel Eimersweg 8 hoort. Ten oosten en ten zuiden van het perceel staan woningen.
Het perceel ligt in het buitengebied ten noordwesten van Lievelde op ruim 100 m vanaf de gronden van Erve Kots. Op het perceel is een agrarisch bedrijf gevestigd met een bedrijfswoning. In een voormalige schuur zijn door de jaren heen drie wooneenheden gecreeërd. Deze schuur is geel gearceerd op de afbeelding hierna. Deze wooneenheden worden verhuurd aan derden. Hierdoor zijn er feitelijk vier woningen in het plangebied.
Het agrarisch bedrijf met bedrijfswoning blijft behouden. De schuur die is omgebouwd tot drie woningen wordt gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt één nieuw woongebouw gerealiseerd waarin maximaal drie wooneenheden inclusief bijgebouwen zijn toegestaan. De huidige schuur heeft een hoofdoppervlakte van 135 m2. Het nieuwe woongebouw krijgt dezelfde hoofdoppervlakte van maximaal 135 m2. Eventuele bijgebouwen zijn alleen in het woongebouw toegestaan.
Met het nieuwe woongebouw wordt een woonfunctie nabij een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt en moet voldaan worden aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Dit betekent dat de nieuwe woning een afstand van minimaal 50 m tot het agrarisch bedrijf moet hebben. Het agrarisch bedrijf kan tot de grens van het agrarisch bouwblok komen. Om te voldoen aan de Wgv moet het agrarisch bouwblok worden verlegd. De oppervlakte van het bouwblok zal hetzelfde blijven. Het bouwblok zal alleen meer naar achteren worden gelegd. Door middel van deze omgevingsvergunning kan het agrarisch bouwperceel niet worden aangepast. Verwezen wordt naar het bestemmingsplan Buitengebied 2011 waarin het gewijzigde agrarisch bouwperceel is opgenomen. Op onderstaande afbeelding is met een witte stippelijn globaal de nieuwe ligging van het agrarisch bouwblok weergegeven.
Ten westen van het agrarisch bouwblok, op minimaal 50 m vanaf het nieuwe agrarisch bouwblok, wordt het nieuwe woongebouw toegestaan. Dit is globaal met witte arcering aangegeven op onderstaande afbeelding. De exacte ligging van de woning en de exacte invulling van het perceel is nader bepaald in het landschapsplan en op de verbeelding bij deze omgevingsvergunning.
Globale toekomstige inrichting plangebied
Stedenbouwkundig is de uitbreiding akkoord bevonden.
De beoogde planontwikkeling is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van het Gelders Genootschap. Zij hebben de hoofdopzet akkoord bevonden.
Hieronder zijn enkele schetsen weergegeven van het beoogde woongebouw.
Vooraanzicht woongebouw
Achteraanzicht woongebouw
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
Op 15 december 2010 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke verordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met het streekplan Gelderland 2005 het ruimtelijk beleid. Op de kaart bij de verordening is het plangebied aangewezen als multifunctioneel platteland.
Op 27 juni 2012 heeft Provinciale Staten van Gelderland de eerste herziening van voornoemde verordening vastgesteld. In deze herziening is in hoofdstuk 2 Verstedelijking aangegeven dat Nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts is toegestaan binnen de in artikel 2, onder 2.2 en 2.3 aangegeven gebieden of voorwaarden. Het nieuw te bouwen woongebouw met drie wooneenheden in het buitengebied past niet binnen deze genoemde gebieden en voldoet niet aan de genoemde voorwaarden. In artikel 2, onder 2.6 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om nieuwe bebouwing mogelijk te maken waarbij in de toelichting van het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat sprake is van een ontwikkeling die redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd binnen de in 2.2 genoemde gebieden en deze ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
In paragraaf 2.1 is de aanleiding beschreven om de woningen planologisch juridisch te regelen. De Raad van State heeft in haar uitspraak geconcludeerd dat de bestemming recreatiewoning niet past bij het feitelijk gebruik van de aanwezige 'noodwoningen'. De Raad van State gaf aan dat er een vorm van wonen is gerealiseerd die 'zwaarder is' dan recreatie. Hierdoor kan alleen nog maar de bestemming 'Wonen' worden toegekent aan deze drie wooneenheden.
De huidige 'noodwoningen cq. recreatiewoningen' zijn gerealiseerd in een bedrijfsgebouw gelegen op het agrarisch bouwperceel. Door nu deze woningen een woonbestemming te geven worden er gevoelige objecten gerealiseerd op een agrarisch bouwperceel waardoor de toekomstige ontwikkelingen van het aanwezige agrarisch bedrijf worden belemmerd. De te realiseren wooneenheden dienen derhalve buiten het agrarisch bouwperceel te worden opgericht, waarbij ook voor een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
Bij de keuze van locatie is rekening gehouden met het genoemde in de Ruimtelijke verordening Gelderland. De aangewezen locatie is niet gelegen binnen de zoekzones wonen en werken. Daarnaast is binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte gevonden voor een woongebouw met drie wooneenheden. Het woongebouw met de drie wooneenheden heeft altijd op het agrarisch bouwperceel gestaan en moet nu planologisch worden geregeld. Vanwege de functionele binding met het buitengebied, die altijd is geweest, is het gebouw aan te duiden als functioneel gebonden bebouwing aan het buitengebied. Om een ruimtelijke eenheid te creëren wordt het woongebouw geplaatst buiten het agrarisch bouwperceel maar wel in de nabijheid van bestaande bebouwing. Hierbij is wel gekozen om het woongebouw qua hoofdgebouw niet groter te laten uitvoeren dan het bestaande woongebouw zoals aanwezig was op het agrarisch bouwperceel. Daarbij wordt het gebouw uitgevoerd als een bedrijfsgebouw zodat het gebouw past in haar omgeving. Het gebouw wordt tevens landschappelijk ingepast. In paragraaf 4.4 wordt hier meer aandacht aan besteed. Om er zeker van te zijn dat het landschapsplan ook wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden is met verzoeker een anterieure overeenkomst afgesloten (privaatrechtelijke overeenkomst).
De voorgenomen ontwikkeling voldoet hierbij aan het genoemde in artikel 2, onder 2.6 van de Ruimtelijke verordening Gelderland.
In het gemeentelijk beleid is aangegeven dat nieuwe woningen in het buitengebied zijn toegestaan als er verevening plaatsvindt. De verevening bestaat voornamelijk uit het slopen van een flink aantal vierkante meters van gebouwen. Bij voorliggend plan wordt alleen het bestaande gebouw gesloopt waarin nu de drie wooneenheden zijn gesitueerd. Verzoekers mogen een nieuw gebouw van maximaal dezelfde oppervlakte terugbouwen. Verder vindt er geen verevening plaats. Dit betekent dat dit plan niet voldoet aan het gemeentelijk beleid.
De Raad van State heeft echter aangegeven dat, gezien het gebruik van het perceel, de bestemming Woonbebouwing het meest passend is. Het gebouw wordt namelijk gebruikt voor tijdelijke opvang van bewoners, oftewel er wordt in gewoond. Om aansluiting te vinden bij de uitspraak van de Raad van Staten worden het gebouw aangemerkt als woongebouw.
De al lange tijd bestaande en nog daadwerkelijk bewoonde noodwoningen cq. recreatiewoningen aan de Eimersweg 8 dienen op een goede manier in het bestemmingsplan Buitengebied 2011 geregeld te worden om ongewenste planologische en ruimtelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Vanwege de ontstaansgeschiedenis van het woongebouw, wordt ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden een andere regeling dan de standaard gerechtvaardigt.
Op 31 januari 2011 heeft Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv ter plaatse van de nieuwbouw een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een onderzoeksrapport met nummer MT.21058. Dit rapport is hier bijgevoegd.
Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw. Ten behoeve van de verwerking van de vrijkomende grond wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit.
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. In het "Waterbeheersplan 2007-2010" heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Ja Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Ja |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Wateroverlast
Door de ontwikkelingen in het plangebied zal het verhard oppervlak iets toenemen. Met het plan bestaat de mogelijkheid om bestaand en nieuw verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel, zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Het hemelwater dat op de daken valt, wordt opgevangen en kan elders in de bodem zakken. Bij de erf/tuininrichting wordt er rekening mee gehouden dat het hemelwater in de bodem kan infiltreren. Om wateroverlast te voorkomen, wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel, maar volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren behandeld. Het hemelwater kan ter plaatse in de bodem infiltreren.
Grondwateroverlast
Volgens de wateratlas van de provincie Gelderland is in het plangebied sprake van kwel. De bestaande waterloop wordt niet gedempt. Het verhard oppervlak blijft hetzelfde. De situatie voor het grondwater veranderd niet.
Inrichting en beheer
De sloot die grenst aan het plangebied is in eigendom van het waterschap. Het nieuwe woongebouw wordt dichter bij deze sloot gebouwd. Tussen de sloot en het woongebouw blijft nog een ruimte over zodat de ontwikkelingen geen belemmering zijn voor het reguliere beheer en onderhoud van de sloot.
Volksgezondheid
Het nieuwe woongebouw wordt nabij een bestaande sloot gebouwd. Dit is echter geen diepe sloot, waardoor het verdrinkingsgevaar erg klein is.
De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de gebiedsbescherming van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en de Ecologische Hoofdstructuur. De Flora- en faunawet regelt de soortenbescherming.
Het deel van het perceel waar het nieuwe woongebouw wordt gebouwd is in gebruik als agrarisch land. Hier zal naar verwachting geen beschermde flora en fauna voorkomen. Een onderzoek hiernaar is dan ook niet nodig.
Voor het gebouw dat gesloopt gaat worden, moet wel een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet zijn uitgevoerd voordat het gebouw wordt gesloopt. Dit zal een onderdeel van de sloopvergunning zijn.
Zorgplicht
Op basis van de zorgplicht artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Op grond van het LOP is het perceel gelegen in het ensemble Lievelder krans. Het landschap in dit ensemble is op veel plaatsen nog gaaf en kleinschalig, zelfs de beroemde Lievelder Es is nauwelijks aangetast. In Lievelde ligt ook één van de laatste restanten van het oude heidelandschap: het Lievelderveld, waar door natuurontwikkeling ook weer allerlei karakteristieke en bijzondere planten van de natte heide en heischrale graslanden voorkomen. Het is tevens brongebied van de Lievelderbeek, een geslaagd voorbeeld van beplanting en beperkte natuurontwikkeling uit de Landinrichting en al een ecologische verbindingszone voordat die term was uitgevonden.
Lievelde valt volgens het visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan in de dynamische zone. Voor die zone geldt dat ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken in het buitengebied mogelijk zijn, maar dat dit altijd op een gebiedseigen schaal en met gebiedseigen vormen en beplantingen dient te geschieden: de "voor-wat-hoort-wat-benadering". Als nieuwe functies een verdichting in het landschap tot gevolg hebben, is dat hier in veel gevallen acceptabel, maar er zal voldoende ruimte moeten blijven om geen stadslandschap te worden. Clusters van nieuwe woningen en bedrijfjes in het groen zijn goed denkbaar. Het bestaande landschap moet daarbij als inspiratiebron dienen. Aan de oostzijde van dit deelgebied uit het LOP ligt het plangebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden. Aan de oostzijde van het deelgebied ligt de overgang naar het oude heidelandschap binnen dit landschapsensemble. Met name ten oosten van de N18 dient daarom een overgang plaats te vinden naar het bouwpakket van het Lievelder- en Vragenderveld. Er kan wel veel kleinschaliger gewerkt worden.
Bij de ontwikkeling van het inrichtingsplan is rekening gehouden met het karakter van de Lievelder krans. Initiatiefnemer heeft een landschapsinpassingsplan laten opstellen. Door de in dit rapport aangegeven toegepaste beplanting, die aansluit bij zijn omgeving, worden de kernkwaliteiten van het landschap niet aangetast maar wordt de kleinschalige activiteit, gezien de geringe omvang van het geheel, in de toekomst een onderdeel van dit landschap.
Door bovengenoemde landschappelijke inpassing zullen de aanwezige kernkwaliteiten niet worden aangetast en worden de aangewezen landschapswaarderingen niet aangetast of verstoord.
In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het gebouw dat gesloopt wordt heeft ook geen cultuurhistorische waarden.
Het perceel Eimersweg 8 ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In deze gebieden dienen bodemingrepen dieper dan bouwvoor of bekende bodemverstoring vermeden te worden. Indien behoud niet mogelijk is, dan moet bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld en groter dan 100 m2 vroegtijdig een archeologisch onderzoek plaatsvinden. Met de bouw van het woongebouw zal de bodem dieper dan 30 cm worden verstoord en er wordt meer dan 100 m2 gebouwd. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Synthegra archeologie. Uit dit onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke bodem door verploeging is opgenomen in de bouwvoor. Tijdens het booronderzoek zijn ook geen indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht. Het plan wordt niet belemmerd door archeologie.
Zorgplicht
Bij het afgeven van een omgevingsvergunning dient de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de ambtenaar belast met de cultuurhistorie binnen de gemeente Oost Gelre hiervan per direct in kennis te stellen.
De Wet geluidhinder geeft aan dat de geluidbelasting op de nieuwe geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone berekend moet worden. Voor geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel. Een woning is een geluidgevoelig object.
Om de geluidbelasting op het nieuwe woongebouw te bepalen, is door Ecopart een geluidberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat als het woongebouw op 20m vanaf de as van de Eimersweg ligt, deze voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Het bouwblok van het woongebouw ligt op minimaal 20m vanaf de as van de Eimersweg. Het woongebouw mag ook verder naar achter worden gebouwd. Het nieuwe woongebouw voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:
De hierboven aangegeven grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 ug/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 ug/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 ug/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 ug/ m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 ug/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 ug/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 ug/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 ug/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 ug/ m³ tot 1-1-2010 en 5 ug/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen):
Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het mogelijk maken van een woongebouw met daarin maximaal drie wooneenheden aan de Eimersweg 8 in Lievelde ligt onder het hier genoemde criterium. Hierdoor is het aannemelijk gemaakt dat deze uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen.
Conclusie
Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van het planologisch mogelijk maken van maximaal drie extra woningen aan de Eimersweg 8 te Lievelde.
In de gemeente Oost Gelre is de Verordening geurhinder en veehouderij met bijbehorende Gebiedsvisie Oost Gelre opgesteld. De geursituatie van de veehouderijen in Oost Gelre zijn in deze gebiedsvisie betrokken. In de Gebiedsvisie Oost Gelre is aangegeven dat uit de uitgevoerde berekeningen van de achtergrondwaarden blijkt dat het leefklimaat in en rondom de kernen van Oost Gelre als redelijk tot goed kan worden bestempeld.
Voor dieren waarvoor bij ministeriele regeling geen geuremmissiefactoren zijn vastgesteld (o.a. melkvee > 2 jaar en jongvee < 2 jaar), gelden ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij de afstanden van ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom, gemeten tussen de veehouderij en een geurgevoelig object.
Bij de nieuwe woningen heerst een goed leefklimaat. Het nieuwe woongebouw staat op minimaal 50m van het agrarisch bouwblok. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het Bevi legt veiligheidsafstanden vast tussen risicobronnen en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). De risicobronnen bestaan uit stationaire bronnen (zoals chemische fabrieken, lpg-tankstations) en mobiele bronnen (zoals tankwagen, gasleiding). Tevens beperkt het Bevi het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf.
Volgens de risicokaart van de provincie Gelderland, ligt in de omgeving van het plangebied geen risicobron. Andersom wordt in het plangebied ook geen risicobron mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade en landschappelijke inpassing.
Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp projectafwijking voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen. Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 27 juli 2012 2012 tot en met 6 september 2012. Gedurende deze inzagetermijn is er door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland eenzienswijze ingekomen. Deze zienswijze is in de 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen' verwoord en weerlegd. Deze Nota is hier bijgevoegd.
In artikel 6.18 van het Besluit Omgevingsrecht is voor de projectafwijking (artikel 2.12. eerste lid a, onder 3) overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of projectafwijking Wabo overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Omdat het plan een lange voorbereidende fase heeft gekend waar veel tijd mee verloren is gegaan, is besloten om tijd te winnen door het vooroverleg over te slaan. De provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel hebben het voorontwerp dus niet toegezonden gekregen. Beide diensten kunnen reageren op het ontwerpplan.