direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
vastgesteld
NL.IMRO.1586.PBBUI008-VG05

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

Bij de gemeente is een verzoek ingekomen om op het perceel Grolsedijk 3 te Lievelde zelfstandige garageboxen en opslagunits te plaatsen voor zowel zakelijke als particuliere doeleinden.

Op het perceel is reeds een opslagloods aanwezig. Deze wordt verbouwd. Daarnaast wordt er een rij nieuwe opslagunits geplaatst. Deze activiteit niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Er wordt daarom een planologische procedure doorlopen waarvoor voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld.

1.1 Ligging projectgebied

Het projectgebied betreft het perceel aan de Grolsedijk 3 te Lievelde, kadastraal bekend gemeente Lichtenvoorde, sectie R, nummer 631. Dit perceel ligt in het buitengebied ten oosten van de bebouwde kom van Lievelde. De nabije omgeving bestaat uit agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen in het buitengebied. Het perceel is gelegen in de directe nabijheid van de provinciale weg N18.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBBUI008-VG05_0001.png"

afbeelding 1 omgeving plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBBUI008-VG05_0002.png"

afbeelding 2 Grolsedijk 3

1.2 Vigerend bestemmingsplan

Het projectgebied ligt in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 1998, met bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden (zonder bouwperceel)'. De gronden zijn bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, bebouwing is niet toegestaan. Op het perceel is reeds lange tijd een opslagloods aanwezig welke in gebruik was door Rijkswaterstaat ten behoeve van de opslag van materialen en materieel alsmede strooizout. Hierdoor zijn de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan van toepassing. Dit wil zeggen dat bestaande bebouwing wel mag worden aangepast doch nieuwbouw niet is toegestaan.

Verzoeker wil naast de bestaande loods een rij garageboxen en opslagunits plaatsen. Door middel van een omgevingsvergunning Wabo is het mogelijk extra bebouwing op het perceel toe te staan.

1.3 Gewenste situatie

Het huidige perceel met opslagloods is lange tijd in gebruik geweest bij Rijkswaterstaat welke het perceel met opslagloods gebruikte voor de opslag van materiaal, materieel en strooizout. Rijkswaterstaat heeft de opslag opgeheven en het perceel verkocht aan verzoeker. Op het perceel is tevens een vakwerkmast ten behoeve van telecommunicatie aanwezig.

Verzoeker wil de bestaande bebouwing bouwkundig aanpassen en de functie ervan wijzigen door de open opslag gesloten te maken, het dak te voorzien van zonnepanelen voor het opwekken van stroom, de aanwezige werkplaats voorzien van een vloeistofdichte vloer, het beter inrichten van de gereedschapsberging, kantine en keuken en het oprichten van een archief. Daarbij zal het terrein beter beveiligd worden. Ten behoeve van de opslag wordt een nieuwe rij opslagunits geplaatst met een maximale lengte van 35 m en een diepte van 10 m oftewel 350 m2.

Het oprichten van een rij opslagunits past niet in het geldende bestemmingsplan. Middels een projectafwijking met een goede ruimtelijke onderbouwing, conform artikel 2.12. lid 1 onder a sub 3 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) kan medewerking worden verleend aan het oprichten van de opslagunits.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBBUI008-VG05_0003.png"

afbeelding 3 gewenste situatie

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Voor het projectgebied geldt een aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat.

2.1 Ruimtelijke verordening Gelderland

Op 15 december 2010 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke verordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening komt in de plaats van het streekplan Gelderland 2005. Op de kaart bij de verordening is het plangebied gelegen in Waardevol landschap binnen het Nationaal Landschap Winterswijk alsmede in de EHS verbindingszone. In de Verordening is aangegeven dat in genoemde gebieden slechts bestemmingen worden toegestaan, voor zover deze de kernkwaliteiten van het gebied, zoals vastgelegd in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten waardevolle landschappen" behouden of versterken.

Uitgewerkte kernkwaliteiten

De Nota Ruimte typeert het Nationaal Landschap Winterswijk als een kampen- en essenlandschap dat wordt gekenmerkt door een bijzondere kleinschalige openheid met een zeer groen karakter. Het zandplateau wordt doorsneden door kleine beekdalen en bevat ook nog enkele restanten van hoogveenontwikkeling en kleine boscomplexen. De weilanden en akkers, hier vaak kampen (eenmansessen), worden omzoomd door houtwallen.

In het Streekplan Gelderland 2005 is Winterswijk aangeduid als Waardevol Landschap. De volgende kernkwaliteiten worden in het streekplan beschreven:

- Kleinschalig, organisch begroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen (oostelijk helft kleinschaliger dan westelijke helft);

- Rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde);

- Meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; overstromingsvlaktes in laagtes;

- Fraaie, open essen (opvallend groot op de plateaurand van Aalten tot Groenlo) en bijzondere broekgebieden;

- Historisch nederzettingspatroon en vervlochten in het landschap: oude boerderijplaatsen (zoals scholtenhoeven), vele gehuchten en grotere nederzettingen.

In de vorm van een streekplanuitwerking heeft de provincie het beleid en de begrenzing van de Nationale Landschappen bepaald. Hierin zijn de kernkwaliteiten voor het waardevol landschap Winterswijk als volgt uitgewerkt:

Kleinschalig, organisch begroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft

- De kleinschaligheid is deels te herleiden tot de kleinschalige geologie en geomorfologie van het Oost-Nederlands Plateau, die sterk afwijkt van het aanliggende dekzandlandschap: met heel karakteristieke structuren van kleine ingesneden beken op korte afstand van elkaar.

- De veel voorkomende NSW-landgoederen (Natuurschoonwet-landgoederen) met hun landerijen zijn karakteristiek voor het landschap. De afwisseling van natuur, bos en landschap en agrarisch gebruik zijn in ecologisch opzicht van grote waarde en geven het gebied het aanzien van een economisch, levend landschap. De landbouw speelt een belangrijke rol in het beheer van het landschap. In het oudhoevige landschap dragen de landgoederen bij aan een besloten, gevarieerd karakter, met een nog sterk aanwezige cultuurhistorische identiteit. In het jonge ontginningenlandschap heeft landgoedvorming plaatselijk eveneens een gevarieerd karakter doen ontstaan, maar hier ontbreken de oude bouwvallen (essen) en oude boerderijen, en valt de strakke, rechte verkavelingsstructuur op. Het grondgebruik, de afwisseling van grasland en akkerbouw naast de houtwalstructuren en de bossen geven het gebied zijn karakteristieke eigenschappen en vormen tezamen een waardevol agrarisch cultuurlandschap. De landbouw is een onmisbare activiteit in het geheel.

- De koeien in de wei vormen een onmisbaar element in het landschap voor onder andere de genietende, recreërende en rustzoekende recreant.

- In de westelijke helft komt tussen de plateaurand Aalten-Groenlo en Winterswijk een komvormige laagte voor waar een afwijkend landschap is ontstaan op voormalig broek en veen. Dit jongere landschap is eveneens kleinschalig maar kent niet de afwisseling met beken, oude bouwlanden en hoeven. Dezelfde soort jongere landschappen komen voor aan de noordrand (o.a. Meddosche veld en Masterveld).

Rijk aan microreliëf (steilranden, essen, eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde)

- De terrasrand ligt tussen Aalten en Groenlo. Bovenop de rand komen grote open escomplexen voor: tussen Aalten en Barlo en bij Vragender, en verspreid talloze kleinere essen; het patroon is grillig met veel gebogen wegen en esranden. Op de terrasrand komen ook jongere heideontginningen met rechthoekige patronen voor, zoals Schaarsheide en Vragenderveld met heel andere patroonkenmerken.

De hoge ligging nodigde in het verleden militaire activiteiten uit waaraan de Besselinkschans bij Lievelde en de vestingstad Groenlo met zijn circumvallatielinie uit de tachtigjarige oorlog nog herinnert.

- Essen, eenmansessen met steilranden komen overal in het gebied voor behalve in de jongere heide-, broek- en veenontginningen.

Meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; overstromingsvlaktes in laagtes

- De structuur van beken en beekjes die samenstromen in de Groenlose Slinge en de Bovenslinge wordt bepaald door de ondergrond en menselijke activiteit.

- langs de beken zijn veel kleine tot middelgrote (loof)bossen gelegen. Op hogere plaatsen langs de beken is het natuurlijke reliëf opgehoogd tot esdekken.

Fraaie, open essen (opvallend groot op de plateaurand van Aalten tot Groenlo) en bijzondere broekgebieden

- Voor de essen zie boven bij 'rijk aan microreliëf'.

- Bijzondere broek- en veengebieden zijn het Korenburgerveen en omgeving en het Wooldsche Veen, die getuigen van kleinschalige turfwinning.

Historiche nederzettingspatroon vervlochten in het landschap: oude boerderijplaatsen (zoals scholtenhoeven), vele gehuchten en grotere nederzettingen

- De enige grote nederzetting in het gebied zelf is Winterswijk dat als een spin in een web van wegen zit. Aan de westrand van het gebied en het plateau liggen Groenlo, Lichtenvoorde en Aalten.

- De vele gehuchten liggen verspreid in het land, de meeste bestaan uit oude en jongere gebouwen, van oorsprong veelal hoeven, in een karakteristieke losse structuur gegroepeerd bij of rond essen en esjes en in veel gevallen aan een beek.

- de verspreid gelegen oude boerderijen hebben veelal een bijbehorende eenmanses.

Wanneer één van de in het geding zijnde kernkwaliteiten worden aangetast, maar andere kernkwaliteiten worden versterkt, en er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten, kan dit acceptabel zijn. Bij toepassing van deze benadering kan het nodig zijn om het plangebied te vergroten om tot een acceptabele uitkomst te kunnen komen. Dat is niet het geval bij aantasting van onvervangbare en/of zeldzame kernkwaliteiten als karakteristieke openheid of sommige verkavelingspatronen. Algemene regels zijn hiervoor niet te geven: het is maatwerk dat Gedeputeerde Staten van geval tot geval zullen beoordelen.

Ingevolge de Streekplanuitwerking Kernkwaliteiten Waardevolle Landschappen (als bijlage bijgevoegd) is onderhavige locatie gelegen in deelgebied 4 waarbij de kernkwaliteit 'Kleinschalig landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lnen, beken, boerderijen; oostelijk kleinschaliger dan westelijk' moet worden beoordeeld. Daarnaast is ingevolge het bestemmingspan "Buitengebied 1998" een landschapswaardering voor het plangebied en omgeving aanwezig welke is gewaardeerd als:

b: houtopstanden;

v: rustige omstandigheden en/of onverharde wegen;

w: waterhuishouding.

Het verzoek is gericht tot het oprichten van 350 m2 aan opslagunits en verbouwing van de bestaande opslagloods. Om de kernkwaliteiten te handhaven of zelfs te versterken en om de in het bestemmingsplan aangegeven landschapswaarderingen te respecteren is door verzoeker een landschappelijk inpassingsplan ingediend. Daarbij is aangesloten bij het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Oost Gelre "Groen licht voor het landschap".

Landschapsplan

Op grond van het LOP is het perceel gelegen in het ensemble Lievelder krans. Het landschap in dit ensemble is op veel plaatsen nog gaaf en kleinschalig, zelfs de beroemde Lievelder Es is nauwelijks aangetast. In Lievelde ligt ook één van de laatste restanten van het oude heidelandschap: het Lievelderveld, waar door natuurontwikkeling ook weer allerlei karakteristieke en bijzondere planten van de natte heide en heischrale graslanden voorkomen. Het is tevens brongebied van de Lievelderbeek, een geslaagd voorbeeld van beplanting en beperkte natuurontwikkeling uit de Landinrichting en al een ecologische verbindingszone voordat die term was uitgevonden.

Lievelde valt volgens het visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan in de dynamische zone. Voor die zone geldt dat ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken in het buitengebied mogelijk zijn, maar dat dit altijd op een gebiedseigen schaal en met gebiedseigen vormen en beplantingen dient te geschieden: de "voor-wat-hoort-wat-benadering". Als nieuwe functies een verdichting in het landschap tot gevolg hebben, is dat hier in veel gevallen acceptabel, maar er zal voldoende ruimte moeten blijven om geen stadslandschap te worden. Clusters van nieuwe woningen en bedrijfjes in het groen zijn goed denkbaar. Het bestaande landschap moet daarbij als inspiratiebron dienen. Aan de oostzijde van dit deelgebied uit het LOP ligt het plangebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden. Aan de oostzijde van het deelgebied ligt de overgang naar het oude heidelandschap binnen dit landschapsensemble. Met name ten oosten van de N18 dient daarom een overgang plaats te vinden naar het bouwpakket van het Lievelder- en Vragenderveld. Er kan wel veel kleinschaliger gewerkt worden.

Bij de ontwikkeling van het inrichtingsplan is rekening gehouden met het karakter van de Lievelder krans. Initiatiefnemer heeft een landschapsinpassingsplan laten opstellen. Door de in dit rapport aangegeven toegepaste beplanting, die aansluit bij zijn omgeving, worden de kernkwaliteiten van het landschap niet aangetast maar wordt de kleinschalige activiteit, gezien de geringe omvang van het geheel, in de toekomst een onderdeel van dit landschap.

Door bovengenoemde landschappelijke inpassing zullen de aanwezige kernkwaliteiten niet worden aangetast en worden de aangewezen landschapswaarderingen niet aangetast of verstoord.

2.2 Gemeentelijk beleid

Het functieveranderingbeleid van de regio Achterhoek is er op gericht om verpaupering van bestaande gebouwen in het buitengebied te voorkomen. Dit kan door het slopen van gebouwen of bestaande gebouwen een andere functie te geven.

Het perceel is gelegen in Multifunctioneel gebied met landschapswaarden en is niet karakteristiek of monumentaal. Daarbij is de activiteit als hoofdfunctie te omschrijven als 'Opslag'. Conform het functieveranderingsbeleid is de genoemde hoofdfunctie toegestaan tot een maximale oppervlakte van 750 m2. In onderhavig geval zal een oppervlakte van maximaal 750 m2 voor de opslag activiteiten worden gebruikt. Hierbij dient wel te worden verevend. Gezien de kleinschalige activiteit is besloten om de landschappelijke inpassing als de verevening te beschouwen.

In een anterieure overeenkomst wordt met verzoeker een afspraak gemaakt om de verevening uit te voeren.

Hoofdstuk 3 Onderzoeken

3.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Wateroverlast

Momenteel is het perceel verhard met klinkers en is er reeds een opslaggebouw aanwezig. De nieuwe opslagunits worden geplaatst op de bestaande terreinverharding zodat dit geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft. Het verharde terrein loopt enigszins af naar het naastgelegen grasveld zodat hemelwater de tijd zal krijgen om te infiltreren in de bodem.

3.2 Bodem

Onderzoek naar de bodemgesteldheid dient te geschieden indien er een verblijfsruimte voor personen wordt opgericht. Opslagunits zijn niet aan te merken als verblijfsruimten voor personen zodat onderzoek naar de gesteldheid van de bodem niet noodzakelijk is.

Ten behoeve van de verwerking van eventueel vrijkomende grond wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit.

3.3 Flora en fauna

De natuur in Nederland wordt beschermd via de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. De Flora- en faunawet regelt de soortbescherming en de Natuurbeschermingswet 1998 de gebiedsbescherming.

Het plangebied ligt niet in de buurt van een beschermd natuurgebied. Gebiedsbescherming is dan ook niet aan de orde.

Een deel van het plangebied wordt voorzien van opslagunits welke op de aanwezige grondverharding worden geplaatst. De overige ruimte blijft ongerept. Gezien de kleinschalige ingreep en de kleine gevolgen voor het plangebied is een flora- en fauna onderzoek niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet behoeft niet te worden aangevraagd.

Zorgplicht

Op basis van de zorgplicht artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

3.4 Cultuurhistorie en archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingswaarde-kaart, is het plangebied gelegen met een middelmatige archeologische verwachting. In deze gebieden moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd als bodemingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 100 m2 plaatsvinden. Met voorliggend plan worden op een aantal plaatsen poeren in de grond gemaakt welke dieper dan 30 cm diep zullen zijn doch tezamen niet meer dan 100 m2 zullen bedragen. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

3.5 Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij een plan waarin een geluidgevoelig object wordt mogelijk gemaakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

Opslagunits zijn niet aan te merken als een geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Ondanks dat het perceel is gelegen naast de provinciale autoweg N18 behoeft een akoestisch onderzoek in het kader van het wegverkeerslawaai niet te worden uitgevoerd.

3.6 Geluidsoverlast

In de nabijheid van het perceel is een woning van derden aanwezig. Om geen geluidsoverlast te ondervinden van de opslagactiviteiten op het tegenoverliggend perceel dient verzoeker te voldoen aan de geluidsvoorschriften zoals gesteld aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Naar verwachting behoeft er van de opslag van goederen of materialen geen geluidsoverlast te worden verwacht.

De goederen en/of materialen ten behoeve van de opslag worden veelal met personenauto's of met kleine vrachtwagens gebracht en gehaald. Deze vervoersbewegingen maken onderdeel uit van het perceel indien deze activiteiten op het perceel plaatsvinden waarbij dus de voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. Het komen en gaan van genoemde vervoersbewegingen maken geen onderdeel uit van de activiteiten op het perceel. Wel worden deze vervoersbewegingen aangemerkt als 'indirecte hinder' waarvoor ook voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen.

Naar verwachting is er van de aan- en afvoerbewegingen van goederen en materialen ten behoeve van de opslag geen overlast te verwachten.

3.7 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.

Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:

  • 1. het aannemelijk is gemaakt dat het uitoefenen van deze bevoegdheden niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit opgenomen grenswaarde;
  • 2. het aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
  • 3. het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
  • 4. de uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 of artikel 5.13 lid 1 vastgesteld programma.

De hierboven aangegeven grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven

Stof   Grenswaarde  
SO2   350 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  125 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
NO2   200 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010  
PM10   40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
  50 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
Lood   0,5 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
CO   10.000 µg/m³ als 8 uursgemiddelde concentratie  
C6H6   10 µg/m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie  

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Het voorliggende plan heeft echter geen groot negatief effect op de lokale luchtkwaliteit, waardoor aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de boven genoemde stoffen ten minste gelijk blijft en de nieuwe activiteiten niet leiden tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde. Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging.

3.8 Externe veiligheid

Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde (beperkt) kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf.

In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd. Wel ligt er een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op de locatie zijn geen verblijfsmogelijkheden aanwezig. Dit wil zeggen dat er niet gedurende een langere periode personen op de lokatie aanwezig zullen zijn. Daarnaast mogen er geen risicivolle stoffen op deze lokatie worden opgeslagen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Anderzijds maakt het project geen risicobron mogelijk.

3.9 Opslag goederen

In verband met de geringe afstand naar woningen van derden is niet alle opslag van goederen en/of materialen mogelijk. Opslag van goederen en/of materialen mogen alleen in de opslagunits plaatsvinden. Buiten opslag is niet toegestaan. Om te voorkomen dat de omgeving overlast zal ondervinden afkomstig van de opslag zijn alleen de opslag van goederen en/of materialen toegestaan overeenkomstig de in het Activiteitenbesluit milieubeheer genoemde type A en B bedrijven. Worden goederen en/of materialen opgeslagen waardoor er een vergunningplicht ontstaat overeenkomstig het genoemde voor type C bedrijven, dan zijn deze opslagen niet toegestaan.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

Het perceel Grolsedijk 3 te Lievelde is gelegen nabij de provinciale weg N18 en grenzend aan de Grolsedijk. Op het perceel is een opslagloods aanwezig welke in gebruik is geweest door Rijkswaterstaat voor de opslag van materiaal en materieel alsmede de opslag van strooizout. Enkele jaren geleden heeft Rijkswaterstaat het perceel buiten gebruik genomen en verkocht aan verzoeker.

In de tussentijd is er een vakwerkmast ten behoeve van telecommunicatie geplaatst. Nu wil verzoeker opslagunits gaan plaatsen met een totale oppervlakte van 350 m2. Deze opslagunits zijn voor zakelijk alsmede particulier gebruik. Het terrein wordt afgesloten met een hekwerk.

Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade en landschappelijke inpassing op het perceel.

Het bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp besluit ligt samen met de ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage. Gedurende deze periode heeft een ieder de gelegenheid om een zienswijze omtrent het plan naar voren te brengen.

Binnen deze periode zijn bij brief van 5 januari 2012 zienswijzen naar voren gebracht door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. De zienswijzen zijn binnen de daarvoor geldende termijn ingekomen en zijn ontvankelijk.

De zienswijze heeft betrekking op de gevraagde ontwikkeling welke plaats vindt in de Ecologische Hoofdstructuur. De door verzoeker ingediende compensatie in de vorm van landschappelijke inpassing wordt door GS te summier geacht en zal geen meerwaarde bieden aan de kernkwaliteiten van de EHS.

Op 3 november 2012 heeft verzoeker een 'anterieure overeenkomst inzake de landschappelijke verevening in relatie met de oprichting van opslagunits en garageboxen aan Grolsedijk 3 te Lievelde' ondertekend. In deze overeenkomst wordt de landschappelijke verplichting om de kernkwaliteiten in de EHS te versterken afgekocht door middel van een geldelijk bedrag. Dit bedrag zal later worden ingezet in nieuwe natuur in de directe nabijheid van het plangebied om daar de EHS te versterken.

Bij mail van 9 november 2012 heeft GS aangegeven met de anterieure overeenkomst akkoord te gaan en de zienswijze in te trekken.