direct naar inhoud van 5.5 Bodem
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

5.5 Bodem

5.5.1 Bodem in het mer

Voor de beoordeling van de aspecten geologie en geomorfologie zijn in het MER de beoordelingscriteria “wijziging maaiveldverloop” en het al dan niet kunnen toepassen van een “gesloten grondbalans” geformuleerd. In alle alternatieven (behalve het nulalternatief) wordt het huidige maaiveldverloop aangepast. Ophoging van te laag gelegen terreindelen vindt plaats door de hoger gelegen delen af te graven. Hierbij geldt voor alle alternatieven als uitgangspunt dat gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans.
In het MMA wordt er echter tevens vanuit gegaan dat de aanwezige leemlagen zoveel mogelijk in stand blijven. Dit betekent dat de ontwatering van de lager gelegen nattere delen op een andere wijze moet plaatsvinden en dat een gesloten grondbalans in dit alternatief lastiger te realiseren is.
Bij het aspect bodem is voor de beoordeling van de alternatieven gebruik gemaakt van de criteria “verstoring bodemopbouw”, “aantasting bijzondere bodemtypen”, “optreden zettingen”, “aantasting leemlagen” en “beïnvloeding bodemkwaliteit”. In het MMA worden de ingrepen in de bodem beperkt tot die gebiedsdelen waar dat absoluut noodzakelijk is, waardoor de bodem in het plangebied zo min mogelijk wordt verstoord. Leemlagen worden daardoor niet of nauwelijks aangetast en er zullen geen zettingen optreden. Het nulplusalternatief scoort op een aantal van bovengenoemde criteria eveneens relatief positief, maar dat wordt volledig veroorzaakt door het feit dat het plangebied in dit alternatief kleiner is. De bodemkwaliteit verbetert in alle alternatieven. Doordat het huidige agrarisch gebruik verdwijnt, zal de hoeveelheid nutriënten in de bodem ook afnemen. Bijzondere bodemtypen zijn niet aanwezig in het plangebied.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een bodemmilieukundig onderzoek gedaan. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek opgenomen.
Bijlage 4 Bodemonderzoeken bevat de gehele rapportage van het bodemmilieukundig onderzoek.

Grond

Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er ter plaatse van de locatie tegenover Rauwbrakenweg 38 sprake is van een ernstige bodemverontreiniging van tenminste 32 m3 sterk verontreinigde grond (gehalten boven interventiewaarden). Deze verontreiniging betreft een met zware metalen en PAK verontreinigde laag van circa 0,2m onder een asfaltverharding ter plaatse van een (voormalig) parkeerterrein. Het is waarschijnlijk dat deze verontreinigde laag over het gehele oppervlak van het parkeerterrein aanwezig is, waarmee het volume sterk verontreinigde grond circa 180 m3 bedraagt.

Voordat er ontwikkelingen binnen dit gebied uitgevoerd kunnen worden dienen de volgende acties ondernomen te worden:

  • 1. actualisatie bodemonderzoek: het laatst bekende bodemonderzoek is uitgevoerd in 2001. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming, zijnde de gemeente Tilburg, zal dit onderzoek niet in behandeling nemen vanwege de ouderdom van het onderzoek. Naar alle waarschijnlijkheid zullen de conclusies van het uit te voeren bodemonderzoek, gezien de aard van de verontreiniging, niet significant anders zijn dan in 2001 geconcludeerd.
  • 2. Alvorens er grondverzet op de locatie kan plaatsvinden dient de initiatiefnemer in het bezit te zijn van een door bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan voor de betreffende verontreiniging. In plaats van een saneringsplan kan voor deze situatie mogelijk volstaan worden met een BUS-melding in plaats van een saneringsplan. Een BUS-melding is een gestandaardiseerd proces met een kortere proceduretijd en is bedoeld voor dit soort kleinschalige verontreinigingen.

Daarnaast dient er bij de planvorming en uitvoering rekening gehouden te worden met extra kosten en de invloed op de grondbalans die de sanering met zich mee zal brengen.

Binnen het plangebied zijn verder geen verhoogde parameters boven streefwaarden aangetroffen. Bij eventueel grondverzet dient rekening gehouden te worden met de eisen uit het bouwstoffenbesluit waardoor ontgraven grond niet zonder meer her te gebruiken is.

Grondwater

In diverse, binnen dit onderzoek geplaatste en geanalyseerde peilbuizen, zijn verhoogde gehalten zware metalen (chroom, koper, cadmium, nikkel, zink) ten opzichte van de streefwaarden (en incidenteel ten opzichte van de tussenwaarden) aangetoond.
Deze verhogingen zijn echter te relateren aan verhoogde achtergrondgehalten binnen het onderzoeksgebied en leveren voor de ontwikkeling geen restricties op.