direct naar inhoud van Artikel 7 Bedrijventerrein
Plan: Bedrijventerrein Vossenberg 2008
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2008013-f001

Artikel 7 Bedrijventerrein

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Functie

De voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 3.1 tot en met 5.2, met dien verstande dat:
    • 1. de maximaal toegestane categorie per bestemmingsvlak is weergegeven;
    • 2. risicovolle inrichtingen alleen zijn toegestaan, die bestaan op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan;
    • 3. inrichtingen genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer (IVB) van 5 januari 1993 houdende aanwijzing van categorieën inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet Geluidhinder alleen zijn toegestaan in de gebiedsaanduiding geluidszone - industrie;
    • 4. groothandelsbedrijven in motorbrandstoffen niet zijn toegestaan.
  • b. de op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaande bedrijven die vallen in een hogere dan de in het bestemmingsvlak maximaal toelaatbaar geachte categorie zoals aangeduid in de bijlage 2 Overzicht afwijkende bedrijven, met dien verstande dat deze bedrijven alleen als bestaand zijn toegestaan;
  • c. bedrijven die zijn genoemd in de Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiteiten onder de categorie 1 en 2, uitsluitend voor zover bestaand;
  • d. bedrijven die zijn genoemd in de Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorie 2, uitsluitend voor zover het groothandelsbedrijven (behoudens in motorbrandstoffen), autoreparatiebedrijven of bedrijven in een bedrijfsverzamelgebouw betreffen;
  • e. watergebonden bedrijvigheid voorzover gelegen langs het Wilhelminakanaal, met inachtneming van het gestelde onder a en b;
  • f. opslagen en installaties uit het onderdeel 'Opslagen en Installaties' van de Bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, voorzover de feitelijke afstand van de opslagen voor geur, stof, geluid en gevaar overeenkomt met die in de tabel ten opzichte van woningen van derden;
  • g. de opwekking van windenergie (windturbines);
  • h. bouwwerken van algemeen nut.
7.1.2 Aanduidingen

Ter plaatse van de aanduiding:

  • a. bedrijfswoning (bw);
  • b. detailhandel perifeer (dhp) - voor zover dit betreft doe het zelf, plant en dieren en voor w.b de hoofdbranche wonen: keukens, badkamers, wand- en vloertegels;
  • c. horeca van de categorie 2 (h2);
  • d. verkooppunt vuurwerk (sbt-vvp);
  • e. brandweerkazerne (brk);
  • f. groothandel in motorbrandstoffen (sbt-ghm);
  • g. groothandel in vuuurwerk (sbt-ghv).

zijn de voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functie(s).

7.1.3 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. kantines en restauratieve voorzieningen;
  • b. kantoorruimten, zijnde maximaal 20% van het bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel;
  • c. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen zijnde maximaal 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel met een maximum van 100 m²;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • e. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
  • f. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • g. tuinen en erven;
  • h. objecten voor beeldende kunst,

voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 7.1.1 en 7.1.2 genoemde functies.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Bestaande bebouwing welke krachtens een bouwvergunning is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.

7.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het bebouwingspercentage mag per bouwperceel niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • d. tenzij anders is aangegeven door middel van het bouwvlak mag de afstand van de gebouwen tot aan de (zijdelingse) grens van het bouwperceel niet minder dan 5 meter bedragen;
  • e. het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.
7.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd, indien en voor zover de gronden zijn voorzien van de aanduiding ´bedrijfswoning´;
  • b. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan één per bedrijf bedragen;
  • c. voor niet inpandige bedrijfswoningen geldt het volgende:
    • 1. bedrijfswoningen dienen binnen het bouwvlak met de aanduiding ´bedrijfswoning´ te worden gebouwd;
    • 2. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak mag 100 bedragen, tenzij anders is weergegeven;
    • 3. de maximale bouwhoogte bedraagt 10 m, tenzij een andere bouwhoogte is weergegeven.
7.2.4 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van tenminste 3 meter van de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 75 m2;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  • e. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 30 m.
7.2.5 Windturbines

Voor het bouwen/plaatsen van windturbines gelden de volgende bepalingen:

  • a. windturbines mogen uitsluitend worden opgericht binnen de aanduiding wt - windturbine;
  • b. de aanduiding wt - windturbine mag met maximaal 15 meter worden verschoven in binnen het bestemmingsvlak Bedrijventerrein;
  • c. de totale hoogte - nader aangeduid als tiphoogte - van een winturbine mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • d. de rotordiameter van de windturbine gemeten tussen de uiteinden van de wieken dient binnen de aanduiding wt - windturbine te blijven.
7.2.6 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
7.2.7 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen op het onbebouwd erf niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag in het bouwvlak niet meer dan 15 m en op het onbebouwd erf niet meer dan 2 m bedragen.
7.3 Ontheffing van de bouwregels
7.3.1 Ontheffingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 en de ontheffingsvoorwaarden in 7.3.2 ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in artikel 7.2.2 onder a voor bouwen buiten het bouwvlak ten behoeve van entrees, overstekende daken, draagconstructies van de gebouwen, luifels, (draagconstructies van) reclame en hieraan gelijk te stellen voorzieningen tot e maximum van 5% van het onbebouwde erf en een bouwhoogte van maximaal 5 meter;
  • b. het bepaalde in artikel 7.2.2 onder d met betrekking tot een maximale bouwhoogte:
    • 1. voor ten hoogste 25% van het bouwperceel tot 20 m;
    • 2. voor ten hoogste 20% van het bouwperceel tot 25 m;
    • 3. voor ten hoogste 15% van het bouwperceel tot 30 m,

mits de bebouwing niet is gesitueerd binnen de aanduiding ´geen vrijstelling bouwhoogte´;

  • c. het bepaalde in 7.2.7 onder a voor de hoogte en situering van erfafscheidingen in het onbebouwd erf tot een hoogte van maximaal 3 m;
  • d. het bepaalde in 7.2.7 onder b voor de hoogte en situering van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 30 m binnen het bouwvlak en tot een hoogte van maximaal 10 m in het onbebouwd erf voor bouwwerken, geen gebouw zijnde die naar hun aard en bestemming op een onbebouwd erf toelaatbaar zijn;
7.3.2 Ontheffingsvoorwaarden

De in artikel 7.3.1 genoemde ontheffingen kunnen slechts worden verleend, mits:

  • a. dit vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering, de bedrijfspresentatie, de constructie of verschijning van het gebouw of de aard van het bedrijf noodzakelijk is;
  • b. de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad;
  • c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
  • d. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast;
  • f. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond.
7.3.3 Ontheffing t.b.v. windturbines

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 ontheffing te verlenen van het bepaalde in 7.2.5 onder a, zulks onder de volgende voorwaarden:

  • a. de windturbines mogen slechts worden gebouwd binnen de gebiedsaanduiding - wro-zone - ontheffingsgebied;
  • b. het aantal te bouwen/plaatsen windturbines mag niet meer dan 4 bedragen. Bovendien dient het totale vermogen van de windturbines inclusief de onder 4.2.5 toegestane windturbines beneden de 15 megawatt te blijven;
  • c. de totale hoogte - nader aangeduid als tiphoogte - van een winturbine mag niet meer bedragen dan 140 meter;
  • d. uit onderzoeken moet blijken dat de oprichting en het in werking hebben van een windturbine aanvaardbaar is op grond van:

1. landschappelijke en stedenbouwkundige aspecten;

2. de Flora - en faunawet;

3. de Luchtvaartwet;

4. milieuaspecten, zoals externe veiligheid, geluidhinder en slagschaduw;

5. overige in het geding zijnde (veiligheids)aspecten;

  • e. de exacte locatie van de windturbine wordt bepaald op basis van de resultaten van de onder d bedoelde onderzoeken.
7.3.4 Ontheffing bebouwingsafstand t.o.v. perceelsgrens

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 ontheffing te verlenen van het bepaalde in 7.2.2 onder d, mits dit stedenbouwkunidg aanvaardbaar is en uit oogpunt van brandveiligheid niet op bezwaren stuit.

7.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de procedureregels in 26.1nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen;
7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Bedrijventerrein', wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken anders dan genoemd in 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.3;
  • b. het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidzoneringsplichtige inrichting of risicovolle inrichting, in afwijking van het bepaalde in 7.1.1.;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van gronden met de aanduiding bedrijfswoning;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten, anders dan bedoeld in 7.1.3 sub b;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan bedoeld in 7.1.2 sub b en 7.1.3 sub c;
  • f. voor de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid en dienstverlening anders dan volgens het bepaalde in 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.3;
  • g. het splitsen van een bedrijfswoning in twee of meer zelfstandige woonruimten;
  • h. het storten van puin en afvalstoffen, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • i. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming dient;
  • j. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, tenzij deze ter handhaving van de bestemming dient;
  • k. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.
7.5.2 Ontheffing milieucategorie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 ontheffing te verlenen van:

het bepaalde in artikel 7.1 sub a voor het de uitoefening van een bedrijf of een activiteit die niet voorkomt in de tot het plan behorende Bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar die naar aard en invloed op de omgeving overeenkomt met de toegelaten milieucategorieën;

7.5.3 Ontheffing bevi inrichtingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 ontheffing te verlenen van het bepaalde in 7.1.1, sub a voor de uitoefening van een bedrijf of een activiteit behorende bij een bevi inrichting, mits:

  • a. de 10-6 contour voor het PR is gelegen binnen het bouwperceel van de risicovolle inrichting. De contour mag eveneens liggen op aangrenzende gronden met de bestemming Verkeer, Groen of Water;
  • b. er een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en die verantwoording door burgemeester en wethouders aanvaardbaar wordt geacht.
7.5.4 Ontheffing nieuwvestiging autowasplaats

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1 ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 7.1 voor de vestiging van een autowasplaats, mits:

  • a. de verkeersdoorstroming op de openbare weg niet gehinderd wordt;
  • b. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • c. het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.
7.5.5 Ontheffing nieuwvestiging perifere detailhandel

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 7.1 voor de nieuwvestiging van een perifere detailhandelsinrichting indien de inrichting voldoet aan de functie perifere detailhandel zoals omschreven in de begripsbepaling voor ´perifere detailhandel´ en het gronden betreft die in het kader van het gemeentelijk detailhandelsbeleid tevens zijn aangewezen als vestigingslocatie voor perifere detailhandel, te weten: Vossenberg-Oost (tussen Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg, Dongenseweg, Duynsbergseweg en Heieinde); hoofdbranches: doe het zelf, plant en dieren en v.w.b de hoofdbranche wonen alleen keukens, badkamers, wand- en vloertegels.

7.5.6 Ontheffing voor meest doelmatig gebruik

Burgemeester en wethouders verlenen met inachtneming van de procedureregels in artikel 26.1ontheffing van het bepaalde in artikel 7.5.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.