direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied correctieve herziening
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.Buitengeb2014cor-0003

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Buitengebied, correctieve herziening van de gemeente Oisterwijk.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand (nummer NL.IMRO. 0824.BPbuitengeb2014cor-on01) met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels, ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden, regels worden gesteld.

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aan- en uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.6 aan-huis-gebonden beroep

het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, dat in een woning of een bijgebouw bij de woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.7 achtererf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

1.8 agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  • a. grondgebonden agrarisch bedrijf :
    • 1. (vollegronds)teeltbedrijf: bedrijfsvoering gericht op de teelt van gewassen die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt; akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
    • 2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
    • 3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
    • 4. grondgebonden  niet-intensieve veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel;
    • 5. paardenhouderij: het fokken van paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en / of melkproductie, handel en / of de gebruiksgerichte paardenhouderij;
    • 6. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
  • b. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
    • 1. glastuinbouw: de teelt van gewassen  bedrijfsvoering (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
    • 2. overig agrarisch bedrijf: het telen van vissen, wormen, insecten en gewassen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) geheel in gebouwen - niet zijnde kassen - plaatsvindt;  intensieve kwekerij: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen;
    • 3. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang waarbij de productie (nagenoeg) niet afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel;
  • c. aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers, schelpdieren en vissen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt.
  • d. overige teelten van gewassen of dieren, al dan niet in gebouwen.
1.9 agrarische deskundige

Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen.

1.10 agrarische hulp- en nevenbedrijf
  • a. een bedrijf dat is gericht op het opslaan van en leveren van goederen aan uitsluitend of overwegend agrarische bedrijven en/of het opslaan en verwerken van producten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder begrepen mestopslagruimten met een regionale functie, maar met uitzondering van mestbewerking;
  • b. een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of -apparatuur (zoals loonbedrijven).
1.11 archeologisch deskundige

een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.

1.12 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.13 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied in het bodemarchief voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten in het verleden.

1.14 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.15 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.

1.16 bedrijfs- of dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.17 beperkt kwetsbare objecten

als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  • a. (agrarische) bedrijfsgebouwen;
  • b. bedrijfswoningen;
  • c. woningen in lintbebouwing (zijnde een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg, doorgaans dubbelzijdig aanwezig).
1.18 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen - of tot stand kunnen komen - met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet  op basis van een verleende omgevingsvergunning voor bouwen.

1.19 bestaande ammoniakemissie

bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de emissiefactoren van het bestaande stalsysteem, waarbij geldt:

  • a. bestaand stalsysteem: het stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan;
  • b. bestaande aantal dierplaatsen: het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan;
  • c. bestaande diersoorten: de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.
1.20 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.21 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.22 Bevi-inrichtingen

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.23 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.24 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.25 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.26 bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

1.27 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.28 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.29 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.30 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.31 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.32 café

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.33 consumentenvuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

1.34 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

1.35 dagrecreatie

vrijetijdsbesteding gedurende de dag zoals sport en spel, wandelen, paardrijden of het houden van een evenement; er is daarbij geen sprake van verblijfsrecreatie.

1.36 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.37 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.

1.38 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.39 detailhandel in volumineuze goederen

detailhandel in de volgende categorieën:

  • a. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  • b. detailhandel in grootschalige goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
  • c. tuincentra;
  • d. grootschalige meubelbedrijven, al dan niet - in ondergeschikte mate - in combinatie met woninginrichting en stoffering;
  • e. bouwmarkten.
1.40 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen.

1.41 dierenpension

een bedrijf gericht op het in pension houden van dieren, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende ondergeschikte activiteiten of voorzieningen: het verzorgen van dieren (zoals bij een trimsalon) en het trainen van dieren.

1.42 discotheek of dancing

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en andere daarmee vergelijkbare evenementen.

1.43 extensieve dagrecreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

1.44 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.45 gebruiksgerichte paardenhouderij

alle vormen van paardenhouderij die niet zijn gericht op agrarische productie.

1.46 geluidsgevoelige objecten

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.47 hobbymatig houden van vee

het houden van vee in geringe aantallen ten behoeve van eigen genot en gebruik.

1.48 hobbymatige paardrijactiviteiten

het hobbymatig houden van paarden en/of pony's hoofdzakelijk ten behoeve van eigen gebruik en ondergeschikt ten behoeve van verhuur en het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

1.49 hoofdfunctie

functie die gelet op de bestemming en ook feitelijk in ruimtelijk en functioneel opzicht als hoofdfunctie op een perceel kan worden aangemerkt.

1.50 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.51 horecabedrijf

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

1.52 hoveniersbedrijf

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

1.53 kampeerboerderij

een (deel van) een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, ingericht voor het verlenen van tijdelijk recreatief verblijf aan steeds wisselende personen die in groeps- of verenigingsverband in het gebouw verblijven.

1.54 kampeermiddelen

tenten, vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.55 kantoor

voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.56 kassen

bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal (ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

1.57 kwetsbare objecten

als kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  • a. woningen, voor zover geen beperkt kwetsbare objecten zoals bedoeld in 1.17;
  • b. verblijfsrecreatieve voorzieningen bestemd voor recreatief nachtverblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.
1.58 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het in een woning of een bijgebouw bij de woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

1.59 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie.

1.60 landschapswaarde

de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.

1.61 manege

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het opfokken en trainen van paarden en/of pony's, het in pension houden van paarden en/of pony's, horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen.

1.62 mantelzorg

alle vormen van langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; bij de mogelijk hiervoor benodigde extra woonruimte dient er sprake te zijn van bewoning door één huishouden.

1.63 mestbewerking

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals door droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygienisatie of indamping van mest.

1.64 milieudeskundige

een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieuhygiëne.

1.65 natuurwaarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

1.66 NEN

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

1.67 nevenfunctie

activiteiten die in ruimtelijk opzicht, functioneel of anderszins ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een bestemmings- of bouwvlak.

1.68 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.69 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (nagenoeg) geheel gesloten dak.

1.70 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de bestemming Verkeer - Railverkeer: de bovenkant van de spoorstaaf;
  • c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.71 permanente standplaats

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende het gehele jaar.

1.72 reëel agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf, dat duurzaam werkgelegenheid biedt aan ten minste een halve arbeidskracht (afhankelijk van het aantal dieren, aard van de gewassen de hoeveelheid grond en inrichting van het bedrijf), waarbij de continuïteit op langere termijn gewaarborgd is.

1.73 ruimtelijke kwaliteitswinst

ruimtelijke meerwaarde die ontstaat door de verbeterde inrichting van het erf, landschaps- en/of natuurontwikkeling, herstel of herkenbaar maken van cultuurhistorische waarden of het vergroten van de toegankelijkheid van het agrarisch gebied ten behoeve van extensieve dagrecreatie.

1.74 seizoensgebonden standplaats

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij het kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, uitsluitend gedurende het zomerseizoen.

1.75 seksinrichting

het bedrijfsmatig- of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt- gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of een verblijfsmiddel, verrichten van seksuele handelingen.

1.76 Staat van Bedrijfsactiviteiten

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.77 Staat van Horeca-activiteiten

de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.78 standplaats

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

1.79 teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te bevorderen, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van producten te verbeteren, nader te onderscheiden in:

  • a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    • 1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m;
    • 2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m;
  • b. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    • 1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden;
    • 2. hoge permanente voorzieningen; voorzieningen zoals kassen, tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m.

Van toepassing op de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1:

1.78 teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te bevorderen, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van producten te verbeteren, nader te onderscheiden in:

  • a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    • 1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m;
    • 2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m;
  • b. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    • 1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden;
    • 2. hoge permanente voorzieningen; voorzieningen zoals stellingen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m.
1.80 verblijfsmiddelen

voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.

1.81 volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf, dat duurzaam werkgelegenheid biedt aan ten minste één volledige arbeidskracht die een hoofdberoep, hoofdbestaan en volledige dagtaak in het bedrijf vindt (afhankelijk van het aantal dieren, aard van de gewassen, de hoeveelheid grond en inrichting van het bedrijf), waarbij de continuïteit op langere termijn gewaarborgd is.

1.82 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.83 voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.84 voorzieningen voor opslag

voorzieningen voor de opslag van onder andere voer, (kunst)mest, water, warmte, CO2 of daarmee vergelijkbare stoffen, nader te onderscheiden in:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals mestsilo's, voedersilo's, sleufsilo's, watertanks en CO2-opslagtanks;
  • b. geen bouwwerken zijnde, zoals mestzakken, verhardingen of foliebassins.
1.85 Wgh-inrichtingen

bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.86 zijerf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

1.87 zomerseizoen

de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

1.88 zorgdeskundige

een als zodanig door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen op het gebied van zorg en indicatiestelling.

1.89 zorgvuldige veehouderij

een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie
  • a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  • b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
2.3 bouwhoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan het hoogste punt dat de rotorbladen kunnen innemen.

2.4 bouwhoogte van andere bouwwerken

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

2.6 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

  • a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
  • b. indien zich - ingeval van een lessenaarsdak - aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
2.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 vloeroppervlakte

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

2.10 bouwdiepte van gebouwen bij ondergronds bouwen

vanaf het peil tot de bovenkant van de ondergronds en laagstgelegen vloer.

2.11 oppervlakte en inhoud bij ondergronds bouwen

de oppervlakte dan wel inhoud van ondergrondse gebouwen wordt bij de in hoofdstuk 2 opgenomen maximaal toelaatbare oppervlakte - dan wel inhoudsmaten meegeteld voor zover niet op dezelfde plaats boven peil een gebouw aanwezig is.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven  (vollegronds)teeltbedrijven, en - buiten bouwvlakken - niet-intensieve veehouderij en paardenhouderij;

en tevens voor:

  • b. ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone': een zoekgebied voor een ecologische verbindingszone;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw': glastuinbouw als hoofdtak;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een niet- intensieve veehouderij en paardenhouderij;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve kwekerij': intensieve kwekerij in gebouwen als hoofdtak;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij': intensieve veehouderij als hoofdtak  en paardenhouderij;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1': voor de bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de niet- intensieve veehouderij en de intensieve veehouderij;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - insectenkwekerij': een wormen- en insectenkwekerij;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij': intensieve veehouderij als neventak;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen': permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang': een kinderopvang, speelboerderij en educatieruimte;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension': een dierenpension;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - zeilvliegterrein': een zeilvliegterrein;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel': het herstel van natuur- en landschapswaarden en de natuurlijke waterloop van de beek;
  • o. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - huisvesting werknemers': de huisvesting van personen die werkzaam zijn op het betreffende bouwvlak;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'verenigingsleven': voorzieningen ten behoeve van een vereniging;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging': voor de bescherming en het veilig stellen van het waterbergend vermogen van de inundatiegebieden;
  • r. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine': ten hoogste één windturbine met bijbehorende voorzieningen met dien verstande dat de rotoren van windturbines ook toegestaan zijn boven gronden zonder de aanduiding 'windturbine';
  • s. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het agrarische bedrijf met inachtneming van de leden 3.4 en 3.5;
  • t. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderij;
  • u. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen;
  • v. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandelpaden en voorzieningen;
  • w. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, ontsluitingswegen voor de windturbines, (natuurvriendelijke) oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1 Binnen het bouwvlak
  • a. binnen bouwvlakken mogen worden gebouwd:
    • 1. gebouwen, kassen, teeltondersteunende voorzieningen en voorzieningen voor opslag - voor zover de opslagvoorziening is aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geen gebouwen' geen gebouwen zijn toegestaan;
    • 2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. tenzij anders is aangegeven, is per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat binnen een bouwvlak reeds aanwezige woning als bedrijfswoning wordt aangemerkt;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m2  
silo's (met uitzondering van mestopslagruimten)     12 m    
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3'   7 m   11 m   1.287 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4'   7 m   11 m   2.947 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 15'   7 m   7 m   130 m2  
bedrijfsbebouwing 1) ten behoeve van een veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'   7 m   11 m   de bestaande oppervlaktemaat  
bedrijfsbebouwing 1) ten behoeve van een intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij'   7 m   11 m   de bestaande oppervlaktemaat  
mestopslagruimten als zelfstandig bouwwerk     6 m   2.500 m³  
biomassa- en mestvergistingsinstallaties   6 m   10 m    
warmtekrachtkoppeling, opslagtanks     8 m    
wateropslagruimten als zelfstandig bouwwerk     6 m    
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   7 m   11m    
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor rijbakken     2m    
erf- of terreinafscheidingen     2 m    
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     6 m    

1) onder bedrijfsbebouwing ten behoeve van de (intensieve) veehouderij wordt verstaan: gebouwen in gebruik voor de huisvesting van vee (niet zijnde hobbyvee);

gebouwen in gebruik ten behoeve van de uitoefening van de (intensieve) veehouderij in de brede zin (zoals bijvoorbeeld een machineberging waarin de machines die gebruikt worden ten behoeve van de veeteelt zijn of worden gestald);

bouwwerken voor de opslag van mest.

  • d. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van het hoofdgebouw ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van het hoofdgebouw ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. de afstand van gebouwen en/of voorzieningen voor opslag - voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde - tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m;
  • f. de afstand van kassen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte aan kassen, permanente tunnels of boogkassen op de gronden zonder de aanduiding 'glastuinbouw' bedraagt ten hoogste 1.000 m² per bouwvlak;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' zijn uitsluitend terreinafscheidingen, en permanente teeltondersteunende voorzieningen, bijbehorende verharde paden, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waterbergingen en natuurlijke waterfilters toegestaan , met uitzondering van kassen, permanente tunnels en boogkassen , toegestaan ; op de gronden tevens aangeduid als 'kas' zijn kassen toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 4 m;
  • i. de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen en overkappingen ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' bedraagt ten hoogste 1.000 m² per bouwvlak;
  • j. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen;
  • k. de gezamenlijke oppervlakte aan kassen op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 16' bedraagt ten hoogste 3 ha.

3.2.2 Buiten het bouwvlak
  • a. buiten bouwvlakken zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
    • 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen en voorzieningen voor opslag met inachtname van het bepaalde onder 3;
    • 3. sleufsilo's ten behoeve van de opslag van ruwvoer in aansluiting op een bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij';
      • ten behoeve van een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
      • en waar binnen het bouwvlak geen ruimte meer aanwezig is voor sleufsilo's;
      • en tot een omvang zoals bepaald in lid 3.4 onder l;
      • waarbij de bouwhoogte van sleufsilo's buiten het bouwvlak niet meer dan 2,5 m mag bedragen;
    • 4. hobbymatig gebruikte paardenbakken, waarbij de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2 m mag bedragen en waarbij sprake moet zijn van landschappelijke inpassing;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn op de gronden met de aanduiding 'windturbine' toegestaan:
    • 1. één windturbine met een bouwhoogte van maximaal 150 m;
    • 2. bijbehorende bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 6 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;
  • d. de bouwhoogte van schutspalen op de gronden met de aanduiding 'verenigingsleven' bedraagt ten hoogste 13 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.

3.2.3 Voorwaardelijke bepaling

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Driehuizerweg 5  is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 7 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en  in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Driehuizerweg 6  is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 8 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Pijendijk 6a  is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 9 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Spoordijk 6 is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 10 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Donkhorst 8 is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 11 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen stal op het vergrote deel van het bouwvlak Oirschotseweg 76 is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 12 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van het containerveld op het vergrote deel van het bouwvlak Broekzijde 14 is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 13 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen kassen op het vergrote deel van het bouwvlak met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 16'  is toegestaan mits de vereiste landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 14 is gerealiseerd dan wel zo spoedig mogelijk na de bouw en uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), volledig wordt gerealiseerd en blijvend onderhouden en in stand wordt gehouden.

Het gebruik van de nieuw te bouwen kassen op het vergrote deel van het bouwvlak met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 16' is toegestaan indien waterbergingsmogelijkheden met een omvang van tenminste 3.500 m2 zijn gerealiseerd en blijvend in stand worden gehouden.

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijking teeltondersteunende voorzieningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder g ten behoeve van kassen, permanente tunnels of boogkassen binnen het bouwvlak tot een gezamenlijke oppervlakte van 5.000 m², met inachtneming van het volgende:

  • a. afwijking is alleen toelaatbaar indien dit voor een doelmatige bedrijfsuitoefening noodzakelijk is;
  • b. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • c. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 m;
  • d. medewerking wordt slechts verleend indien geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.
  • e. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.

3.3.2 Afwijking vergroting bedrijfsbebouwing veehouderij

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder c voor de uitbreiding van bebouwing voor de uitoefening van niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij, met inachtneming van het volgende:

  • a. medewerking wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en uitsluitend voor de ter plaatse toegelaten vormen van veehouderij;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
  • d. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • e. het bepaalde in lid 3.2.1 onder i blijft van toepassing voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • i. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • j. het bepaalde in lid b en i is niet van toepassing op uitbreidingen kleiner dan 100 m2;
  • k. medewerking wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15'.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. op of grenzend aan het bouwvlak;
    • 2. grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is;
    • 3. grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond;
  • b. bij een paardenbak is het gebruikmaken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten, niet toegestaan;
  • c. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling;
  • d. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan;
  • e. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • f. permanente bewoning van verblijfsrecreatieve eenheden is niet toegestaan;
  • g. het gebruik van voorzieningen voor opslag en installaties (waaronder biomassa- en mestvergistingsinstallaties), anders dan ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf, is niet toegestaan;
  • h. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn slechts toegestaan voor een periode van minder dan 6 maanden per jaar;
  • i. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn buiten bouwvlakken niet toegestaan;
  • j. op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - huisvesting werknemers' mag ten hoogste een vloeroppervlakte van 200 m2 gebruikt worden voor de huisvesting van werknemers die werkzaam zijn op het betreffende bouwvlak;
  • k. het gebruik van meer dan één bouwlaag voor het houden van dieren is op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' niet toegestaan met uitzondering van:
    • 1. het houden van legkippen in een volière- of scharrelstal waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • 2. het houden van dieren in maximaal twee bouwlagen op de gronden met de aanduiding 'maximaal aantal bouwlagen';
  • l. erfverhardingen zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij geldt:
    • 1. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn uitsluitend toegestaan in aansluiting op een bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' ,ten behoeve van een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer en waar binnen het bouwvlak geen ruimte meer aanwezig is voor kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen;
    • 2. de oppervlakte van kuilvoerplaten, bijbehorende verhardingen en sleufsilo's zoals bedoeld in lid 3.2.2 onder a mag ten hoogste 0,5 ha per bouwvlak bedragen;
  • m. aan-huis-gebonden beroepen zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m²;
  • n. met betrekking tot de toegestane nevenfuncties, zoals genoemd in lid 3.1 onder q  s, is tabel 3.1 van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend de genoemde nevenfuncties zijn toegestaan waarbij uitsluitend de bestaande, binnen het bouwvlak gelegen bebouwing - al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - benut mag worden tot de omvang zoals vermeld in tabel 3.1;
    • 2. nevenfuncties aangeduid met een + op de betreffende gronden rechtstreeks zijn toegestaan;
    • 3. voor nevenfuncties aangeduid met een O of O* het bepaalde in de leden 3.5.2, 3.5.3 en 3.5.4 van toepassing is;
    • 4. nevenfuncties aangeduid met een O* uitsluitend op percelen met monumenten of cultuurhistorische waardevolle gebouwen, zoals opgenomen in bijlage 4 behorende bij de regels, zijn toegestaan;
    • 5. nevenfuncties aangeduid met een – op de betreffende gronden niet zijn toegestaan;
    • 6. per nevenfunctie is aangegeven in welke 'wetgevingszone - ontheffingsgebied' deze is toegestaan;
    • 7. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

Tabel 3.1.

nevenfunctie   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 1 t / m 5'   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6'   op de gronden met de aanduiding 'reconstructi ewetzone landbouwont wikkelingsge bied 1'   op de overige gronden   maximale omvang binnen bestaande bebouwing  
verbrede landbouw  
verkoop aan huis van (eigen) agrarische producten   +
1 t / m 5  
+   +   +   100 m² vloeroppervlakte  
verkoop aan huis van boerderij- en streekproducten   +
1 t / m 5  
+   +   +   100 m² vloeroppervlakte  
agrarisch natuur- en landschapsbeheer   +
1 t / m 5  
+   +   +   -  
agrarisch waterbeheer (blauwe diensten)   +
1 t / m 5  
+   +   +   -  
sociale functie (resocialisatie therapie, zorgboerderij)   O
1 t / m 5  
O   -   O   500 m²  
agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten  
opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)   +
1 t / m 5  
+   +   +   500 m²  
vis-, escargots- of wormenkwekerij   +
1 t / m 5  
+   +   +   500 m²  
agrarisch handels- en exportbedrijf vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1 t / m 5  
-   -   -   500 m²  
agrarisch hulp- en nevenbedrijf in categorie 1, 2 of 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1 t / m 5  
-   -   -   500 m²  
kenniscentrum, laboratorium verbonden aan de agrarische sector   +
1,2,3  
-   -   -   500 m²  
opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen in de bestaande bebouwing anders dan ten behoeve van het eigen bedrijf   +
1 t / m 5  
+   +   +   500 m²  
agrarische loonbedrijven in categorie 1, 2 of 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1 t / m 5  
-   -   O   500 m²  
veehandelsbedrijven, foeragehandel   O
1 t / m 5  
O   O   O   500 m²  
veearts, hoefsmederij   O
1 t / m 5  
-   -   -   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, vleesverwerking, palingrokerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1 t / m 5  
O   -   O   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten) en de verkoop ervan   O
1 t / m 5  
O   -   O   500 m² ,met maximaal 100 m² vloeroppervlakte voor verkoop  
hoveniersbedrijf, boomverzorgingsbedrijf   O
1 t / m 5  
-   -   O   500 m²  
opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, caravans) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing   O
1 t / m 5  
O   O   O   1.000 m²  
overige bedrijven in de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1,2,3  
-   -   -   500 m²  
recreatieve functies  
kinderboerderij/speelboerderij   O
1,4,5  
O   -   O*   500 m²  
hobbymatige paardrijactiviteiten   +
1 t / m 5  
+   +   +   500 m²  
hobbymatig houden van vee   +
1 t / m 5  
+   +   +   500 m²  
manege/rijschool   O
1 t / m 5  
O   -   O   500 m²  
kano- of roeibootverhuur   -   O   -   O*   500 m²  
fietsenverhuur   O
1 t / m 5  
O   -   O   500 m²  
wandel,- fiets,- of ruiterpaden over het terrein   +
1 t / m 5  
+   +   +   -  
kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)   O
1 t / m 5  
O   -   O*   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in woningen (logies met ontbijt, maximaal 4 kamers)   +
1 t / m 5  
+
 
-   +   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 4 kamers per gebouw   O
4,5  
O   -   O   200 m²  
georganiseerde activiteiten (zoals survivalactiviteiten, kinderfeestjes, boerengolf)   +
1 t / m 5  
+   -   +   500 m²  
kampeerboerderij   O
4,5  
O   -   O*   500 m²  
kleinschalig kamperen   O
1 t / m 5  
O   -   O   200 m²  
overige dienstverlening  
verzorging van mens of dier (zoals kapsalon, schoonheidssalon, trimsalon)   O
1 t / m 5  
-   -   -   100 m²  
natuur- en milieueducatie, bezoekboerderijen, rondleidingen   +   +   +   +   100 m²  
museum/tentoonstellingsruimte   O
1 t / m 5  
O   -   O*   500 m²  
niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en antiekhandel)   O
1 t / m 5  
-   -   O*   200 m²  
dierenpension, hondenfokkerij   -   -   -   O   500 m²  

  • o. wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen is niet toegestaan, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    • 1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie ;

en voorts met dien verstande dat:

    • 1. voor gronden met de aanduiding 'paardenhouderij' geldt dat het bestaande aantal dierplaatsen niet mag worden uitgebreid;
    • 2. voor de locaties genoemd in tabel 1 van bijlage 6 de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen worden aangemerkt en zijn toegestaan;
    • 3. in afwijking van het bepaalde onder 2 voor de locatie genoemd in tabel 2 van bijlage 6 de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen worden aangemerkt en zijn toegestaan;
  • p. het in gebruik nemen van gebouwen - niet in gebruik voor de huisvesting van vee of de opslag en stalling ten behoeve van de veehouderij - bij gemengde bedrijven met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' voor de uitoefening van een niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij is niet toegestaan;
  • q. het in gebruik nemen van gebouwen - in gebruik voor de veehouderij (stalling, opslag) maar niet voor de huisvesting van vee - op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' voor het huisvesten van de betreffende diersoorten is niet toegestaan.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 onder e voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met inachtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in lid 3.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

3.5.2 Afwijking ten behoeve van nevenfuncties met uitzondering van kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden voor de in tabel 3.1 voor de betreffende gronden met een O of O* aangegeven nevenfuncties, met uitzondering van kleinschalig kamperen, met inachtneming van het volgende:

  • a. de bestaande bebouwing - al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - mag worden benut tot de omvang zoals vermeld in tabel 3.1;
  • b. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • f. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • g. zorg wordt gedragen voor het behoud van het monument of het cultuurhistorische waardevolle gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels;
  • h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • i. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;
  • j. in afwijking van het bepaalde onder i is voor de nevenfuncties agrarisch loonbedrijf en hoveniersbedrijf een buitenopslag van 100 m² toegestaan;
  • k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van 500 m² met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut;
  • l. afwijking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing  en de ruimtelijke kwaliteitswinst .

3.5.3 Afwijking ten behoeve van kleinschalig kamperen

Voor de gronden in tabel 3.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen op en in aansluiting op een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt uitsluitend verleend voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen en uitsluitend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak, met dien verstande dat door de toepassing van 3.5.3, 3.5.4, 4.5.3 en/of 4.5.4 de gezamenlijke toename van standplaatsen ten opzichte van de bestaande standplaatsen (bijlage 5) in het gehele plangebied, gedurende de plantermijn, niet meer dan 100 standplaatsen mag bedragen;
  • b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt, al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;
  • c. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • d. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 m;
  • e. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • g. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • h. er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • i. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

3.5.4 Afwijking ten behoeve van uitbreiding kleinschalig kamperen

Voor de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6' die in tabel 3.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O zijn aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van de uitbreiding van kleinschalig kamperen op en/of in aansluiting op een agrarisch bouwvlak met inachtneming van het volgende:

  • a. per bouwvlak zijn ten hoogste 25 seizoensgebonden standplaatsen toegestaan en afwijking wordt uitsluitend verleend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak, met dien verstande dat door de toepassing van 3.5.3, 3.5.4, 4.5.3 en/of 4.5.4 de gezamenlijke toename van standplaatsen ten opzichte van de bestaande standplaatsen (bijlage 5) in het gehele plangebied, gedurende de plantermijn, niet meer dan 100 standplaatsen mag bedragen;
  • b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt, al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;
  • c. nieuwbouw ten behoeve van het kleinschalig kamperen tot maximaal 100 m² is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en indien de bestaande bebouwing niet geschikt is;
  • d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;
  • e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 m;
  • f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • h. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • i. er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • j. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

3.5.5 Afwijking gebruik bedrijfsbebouwing veehouderij

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 onder p en/of q voor het gebruik van bebouwing voor de uitoefening van niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij (waaronder huisvesting van de betreffende diersoorten) met inachtneming van het volgende:

  • a. medewerking wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en uitsluitend voor de ter plaatse toegelaten vormen van veehouderij;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
  • d. het bepaalde in lid 3.2.1 onder i blijft van toepassing voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';
  • e. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3 ;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • i. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • j. het bepaalde in lid b en i is niet van toepassing op in gebruiknames kleiner dan 100 m2;
  • k. medewerking wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15' .

3.5.6 Afwijking ammoniakemissie

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 onder o en een toename van ammoniakemissie als gevolg van wijziging van aanwezige dieraantallen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan als er geen afbreuk wordt gedaan aan bestaande natuurwaarden.

3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • b. het aanbrengen of wijzigen van kaden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • c. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • d. het aanleggen van dammen, kades, duikers, vlonders, schoeiingen of aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • e. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • f. het aanleggen van opslag-, stort-, of bergplaatsen waaronder baggerdepots op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • g. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone'.

3.6.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 3.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. uitgevoerd worden op bouwvlakken;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

3.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor:

  • a. het waterbergend vermogen van gronden met de aanduiding 'waterberging' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast;
  • b. de mogelijkheden voor beekherstel op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • c. de geschiktheid van gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone' voor het verwezenlijken van een ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  • d. alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder.
3.7 Wijzigingsregels
3.7.1 Wijziging ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen een bouwvlak wijzigen en vergroten voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen en het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' zoals bedoeld in 3.2.1 onder h, met dien verstande dat:

  • a. wijziging alleen is toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • b. wijziging is niet toegestaan binnen een afstand van 500 m van de grens van een Natura 2000-gebied zoals begrensd op het moment van vaststelling van het wijzigingsplan en op de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied;
  • c. kassen, permanente tunnels of boogkassen niet zijn toegestaan;
  • d. ten behoeve van stellingen en permanente overkappingsconstructies het bouwvlak tot ten hoogste 2 ha mag worden vergroot, met inachtname van het bepaalde onder f;
  • e. ten behoeve van lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals containervelden) het bouwvlak tot ten hoogste 4 ha mag worden vergroot, met inachtname van het bepaalde onder f;
  • f. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 4 ha;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • h. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • i. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

3.7.2 Wijziging bij bedrijfsbeëindiging

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging, de bestemming Agrarisch wijzigen in de bestemming Wonen - 2 en/of Tuin en/of Agrarisch, zonder bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot;
  • b. het bestemmingsvlak Wonen -2 kleiner is dan het te wijzigen agrarische bouwvlak; het agrarische bouwvlak komt te vervallen;
  • c. bestaande nevenfuncties zoals bedoeld in tabel 3.1 als vervolgactiviteit zijn toegestaan met dien verstande dat een bestaande nevenactiviteit kleinschalig kamperen niet mag worden voortgezet;
  • d. overtollige bebouwing wordt gesloopt waarbij geldt dat:
    • 1. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet behoeft te worden gesloopt;
    • 2. bebouwing in gebruik of in gebruik te nemen voor een neven- of vervolgactiviteit niet behoeft te worden gesloopt;
    • 3. ten minste 200 m2 aan bijgebouwen bij de woning mag worden gehandhaafd;
  • e. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 1 t/m 6' wordt deze aanduiding gewijzigd in 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 1.1 respectievelijk 2.1, 3.1, 5.1 of 6.3';
  • f. wijziging alleen is toegestaan indien aannemelijk is gemaakt dat voortzetting van een agrarisch gebruik niet tot de reële mogelijkheden behoort;
  • g. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'veiligheidszone -leiding' wordt wijziging slechts toegepast als tevens toepassing mag en kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in lid 43.3;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • i. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

3.7.3 Vergroting of vormverandering bouwvlak vollegrondsteeltbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van:

  • a. de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van een vollegrondsteeltbedrijf ;
  • b. de verkleining van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' ten behoeve van de vergroting van de bouwmogelijkheden van een vollegrondsteeltbedrijf;

met inachtneming van het volgende:

  • c. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan tot ten hoogste 2 ha;
  • d. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • e. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • g. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

3.7.4 Vergroting of vormverandering bouwvlak glastuinbouwbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en/of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'glastuinbouw' ten behoeve van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 3,5  2,5 ha waarvan ten hoogste 3   2 ha benut mag worden voor kassen; bij bouwvlakken groter dan 2,5 ha is uitsluitend vormverandering toegestaan waarbij ten hoogste 2 ha van het bouwvlak benut mag worden voor kassen met dien verstande dat voor het bouwvlak waaraan tevens de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 16' is toegekend ten hoogste 3 hectare van het bouwvlak benut mag worden voor kassen;
  • b. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf op de langere termijn noodzakelijk is;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 m;
  • e. wijziging wordt slechts toegepast indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • f. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • g. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

3.7.5 Vergroting glasareaal

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting van de aanduiding 'glastuinbouw' in samenhang met de verkleining van de aanduiding 'specifieke vorm agrarisch-permanente teeltondersteunende voorzieningen' ten behoeve van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf met kassen of andere voorzieningen, met inachtneming van het volgende:

  • a. de vergroting van de aanduiding 'glastuinbouw' gaat gepaard met de verkleining van de aanduiding 'specifieke vorm agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen';
  • b. ten hoogste 2 ha van het bouwvlak mag worden benut voor kassen, het dien verstande dat voor het bouwvlak waaraan tevens de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 16' is toegekend ten hoogste 3 ha van het bouwvlak mag worden benut voor kassen; ten hoogste 3 ha van het bouwvlak mag benut worden voor kassen ;
  • c. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf op de langere termijn noodzakelijk is;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 m;
  • f. wijziging wordt slechts toegepast indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • g. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing ;
  • h. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • i. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

3.7.6 Vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij of niet- intensieve veehouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en/of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij', de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', met inachtneming van het volgende:

  • a. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan ten behoeve van de bouwvlakken met de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' tot ten hoogste 1,5 ha waarbij de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' gewijzigd mag worden in de aanduiding 'intensieve veehouderij'; bij de overige bouwvlakken en bouwvlakken groter dan 1,5 ha is uitsluitend vormverandering toegestaan;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet wordt gewijzigd, met dien verstande dat dit wel is toegestaan indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • e. medewerking voor vergroting wordt slechts verleend indien de mogelijkheden ontbreken om de ontwikkeling binnen het geldende bouwvlak te doen plaatsvinden;
  • f. medewerking voor vergroting wordt slechts verleend indien de vergroting niet leidt tot een onevenredige aantasting van de bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de gronden aanwezige of te verwachten monumenten, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden van de betreffende en naastgelegen gronden;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;
  • h. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • i. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • j. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • k. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat een landschappelijke inpassing met een omvang van ten minste 10 % van de oppervlakte van het bouwvlak zal worden gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden;
  • l. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • m. medewerking aan de uitbreiding of vormverandering ten behoeve de uitbreiding van intensieve veehouderij wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15'.

3.7.7 Beëindiging intensieve veehouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de aanduidingen 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', of 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15'  met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid  te verwijderen indien op het betreffende bouwvlak de intensieve veehouderij of de neventak intensieve veehouderij feitelijk is beëindigd.

3.7.8 Vergroting bouwvlak voor dierwelzijn

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging is uitsluitend toegestaan voor bouwvlakken die bij de vaststelling van het plan een omvang hebben van 1,5 ha of meer en bij de vaststelling al geheel zijn benut;
  • b. wijziging is uitsluitend toegestaan voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1' of reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 1';
  • c. voor de betreffende bouwvlakken mag de wijziging éénmalig en uiterlijk tot 1 januari 2013 worden toegepast;
  • d. vergroting is uitsluitend toegestaan om, met de bestaande omvang van het bedrijf, te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit amoniakemissie huisvesting veehouderij of uit de op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

3.7.9 Vergroting of vormverandering bouwvlak paardenhouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'paardenhouderij' met inachtneming van het volgende:

  • a. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan tot ten hoogste 1,5 ha;
  • b. wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen is niet toegestaan;
  • c. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • f. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • g. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven (vollegronds)teeltbedrijven, en - buiten bouwvlakken - niet -intensieve veehouderij en paardenhouderij;
  • b. behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige landschaps-, natuur en cultuurhistorische waarden;

en tevens voor:

  • c. ter plaatse van de aanduiding 'aquacultuur': aquacultuur in gebouwen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone': een zoekgebied voor een ecologische verbindingszone;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een niet -intensieve veehouderijen paardenhouderij;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij': intensieve veehouderij als hoofdtak  en paardenhouderij;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'modelvliegtuigbaan': een modelvliegtuigbaan ter plaatse van de aanduiding 'kas': teeltondersteunende boogkassen bij een (vollegrondsteelt)bedrijf;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 2': voor de bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de niet -intensieve veehouderij en de intensieve veehouderij;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij': intensieve veehouderij als neventak;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen': permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel': het herstel van natuur- en landschapswaarden en de natuurlijke waterloop van de beek;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderij; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - restaurant': een restaurant;  
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - natuurhutten': verblijfsrecreatie in natuurhutten;
  • n. ter plaatse van aanduiding 'verblijfsrecreatie' aan de Rosepdreef 13: ten hoogste 6 verblijfsrecreatieve eenheden met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • o. ter plaatse van aanduiding 'verblijfsrecreatie' aan de Zandstraat 16 a: ten hoogste 8 verblijfsrecreatieve eenheden met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging': voor de bescherming en het veilig stellen van het waterbergend vermogen van de inundatiegebieden;
  • q. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het agrarische bedrijf met inachtname van de leden 4.4 en 4.5;
  • r. de uitoefening van kleinschalig kamperen op de gronden zoals opgenomen in bijlage 5 met inachtneming van de opgenomen aantallen standplaatsen;
  • s. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen;
  • t. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandelpaden en voorzieningen;
  • u. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
4.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

4.2.1 Binnen het bouwvlak
  • a. binnen bouwvlakken mogen worden gebouwd:
    • 1. gebouwen, niet zijnde kassen, kassen, teeltondersteunende voorzieningen en voorzieningen voor opslag - voor zover de opslagvoorziening is aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde; met dien verstande dat op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geen gebouwen' geen gebouwen zijn toegestaan;
    • 2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 3. boogkassen ter plaatse van de aanduiding 'kas';
  • b. tenzij anders is aangegeven, is per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat een binnen een bouwvlak reeds aanwezige woning als bedrijfswoning wordt aangemerkt;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
silo's (met uitzondering van mestopslagruimten)     12 m    
mestopslagruimten als zelfstandige bouwwerken     6 m   2.500 m³  
biomassa- en mestvergistingsinstallaties   6 m   10 m    
verblijfsrecreatieve eenheden met voorzieningen voor dienstverlening en beheer op de gronden met de aanduiding 'verblijfsrecreatie' aan de Rosepdreef 13   7 m   11 m   210 m2  
verblijfsrecreatieve eenheden met voorzieningen voor dienstverlening en beheer op de gronden met de aanduiding' verblijfsrecreatie' aan de Zandstraat 16 a   7 m   11 m   605 m2
 
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5'   7 m   11 m   3.149 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 6'   7 m   11 m   1.061 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 7'   7 m   11 m   902 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 8'   7 m   11 m   1.196 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 9'   7 m   11 m   12.277 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 10'   7 m   11 m   588 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 11'   7 m   11 m   1.686 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 12'   7 m   11 m   4.063 m2  
bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 14'   7 m   11 m   515 m2  
bedrijfsbebouwing 1) ten behoeve van een veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'       de bestaande oppervlaktemaat  
bedrijfsbebouwing 1) ten behoeve van een intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij'       de bestaande oppervlaktemaat  
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   7 m   11 m    
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor rijbakken     2 m    
erf- of terreinafscheidingen     2 m    
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     6 m  
 

1) onder bedrijfsbebouwing ten behoeve van de (intensieve) veehouderij wordt verstaan: gebouwen in gebruik voor de huisvesting van vee (niet zijnde hobbyvee);

gebouwen in gebruik ten behoeve van de uitoefening van de (intensieve) veehouderij in de brede zin (zoals bijvoorbeeld een machineberging waarin de machines die gebruikt worden ten behoeve van de veeteelt zijn of worden gestald);

bouwwerken voor de opslag van mest.

  • d. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van het hoofdgebouw ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van het hoofdgebouw ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. de afstand van gebouwen en/of voorzieningen voor opslag - voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde - tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m;
  • f. de bouwhoogte van boogkassen op de gronden met de aanduiding 'kas' bedraagt ten hoogste 3 m  afstand van kassen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 3 meter ;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte aan kassen, permanente tunnels of boogkassen bedraagt ten hoogste 1.000 m² per bouwvlak;
  • h. de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen en overkappingen ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' bedraagt ten hoogste 1.000 m² per bouwvlak;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' zijn uitsluitend terreinafscheidingen, en permanente teeltondersteunende voorzieningen, bijbehorende verharde paden, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waterbergingen en natuurlijke waterfilters toegestaan, met uitzondering van kassen, permanente tunnels en boogkassen , toegestaan;
  • j. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

4.2.2 Buiten het bouwvlak
  • a. buiten bouwvlakken zijn uitsluitend toegestaan: 
    • 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, met uitzondering van overkappingen en voorzieningen voor opslag met inachtname van het bepaalde onder 2;
    • 2. sleufsilo's ten behoeve van de opslag van ruwvoer in aansluiting op een bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij':
      • ten behoeve van een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
      • en waar binnen het bouwvlak geen ruimte meer aanwezig is voor sleufsilo's;
      • en tot een omvang zoals bepaald in lid 4.4 onder k;
      • waarbij de bouwhoogte van sleufsilo's buiten het bouwvlak niet meer dan 2,5 m mag bedragen;
    • 3. hobbymatig gebruikte paardenbakken, waarbij de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2 m mag bedragen en waarbij sprake moet zijn van landschappelijke inpassing;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - natuurhutten' toegestaan:
    • 1. 10 verblijfsrecreatiegebouwen met een bouwhoogte van 4 m en een oppervlakte van 60 m² per gebouw;
    • 2. ondergeschikte gebouwen en overkappingen met een bouwhoogte van 3 m en een gezamenlijke oppervlakte van 120 m²;
    • 3. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a is op de gronden met de aanduiding 'modelvliegtuigbaan' een verenigingsgebouw toegestaan met een vloeroppervlakte van 50 m2;
  • d. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  • e. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijking vergroting bedrijfsbebouwing veehouderij

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder c voor de uitbreiding van bebouwing voor de uitoefening van niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij, met inachtneming van het volgende:

  • a. medewerking wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en uitsluitend voor de ter plaatse toegelaten vormen van veehouderij;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
  • d. het bepaalde in lid 4.2.1 onder h blijft van toepassing voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';
  • e. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • i. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 2' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • j. het bepaalde in lid b en i is niet van toepassing op uitbreidingen kleiner dan 100 m2;
  • k. medewerking wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5', 'specifieke bouwaanduiding - 6','specifieke bouwaanduiding - 8', 'specifieke bouwaanduiding - 9', 'specifieke bouwaanduiding - 10', 'specifieke bouwaanduiding - 12' of 'specifieke bouwaanduiding - 14'.
4.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. op of grenzend aan het bouwvlak;
    • 2. grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is;
    • 3. grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond;
  • b. bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten, niet toegestaan;
  • c. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling;
  • d. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan;
  • e. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • f. permanente bewoning van verblijfsrecreatieve eenheden is niet toegestaan;
  • g. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn slechts toegestaan voor een periode van minder dan 6 maanden per jaar;
  • h. het gebruik van voorzieningen voor opslag en installaties (waaronder biomassa- en mestvergistingsinstallaties), anders dan ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf, is niet toegestaan;
  • i. het gebruik van meer dan één bouwlaag voor het houden van dieren is op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' niet toegestaan; met uitzondering van het houden van legkippen in een volière- of scharrelstal waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden ;
  • j. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn buiten bouwvlakken niet toegestaan;
  • k. erfverhardingen zijn buiten bouwvlakken niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij geldt:
    • 1. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn uitsluitend toegestaan in aansluiting op een bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', ten behoeve van een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer en waar binnen het bouwvlak geen ruimte meer aanwezig is voor kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen;
    • 2. de oppervlakte van kuilvoerplaten, bijbehorende verhardingen en sleufsilo's zoals bedoeld in 4.2.2 onder a mag ten hoogste 0,5 ha per bouwvlak bedragen;
  • l. aan-huis-gebonden beroepen zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m²;
  • m. met betrekking tot de toegestane nevenfuncties, zoals genoemd in lid 4.1 onder n  q, is tabel 4.1 van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend de genoemde nevenfuncties zijn toegestaan waarbij uitsluitend de bestaande, binnen het bouwvlak gelegen bebouwing – al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - benut mag worden tot de omvang zoals vermeld in tabel 4.1;
    • 2. nevenfuncties aangeduid met een + op de betreffende gronden rechtstreeks zijn toegestaan;
    • 3. voor nevenfuncties aangeduid met een O of O* het bepaalde in de leden 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van toepassing is;
    • 4. nevenfuncties aangeduid met een O* uitsluitend op percelen met monumenten of cultuurhistorische waardevolle gebouwen, zoals opgenomen in bijlage 4 behorende bij de regels, zijn toegestaan;
    • 5. nevenfuncties aangeduid met een – op de betreffende gronden niet toegestaan zijn;
    • 6. per nevenfunctie is aangegeven in welke 'wetgevingszone - ontheffingsgebied' deze is toegestaan;
    • 7. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties aangegeven in tabel 4.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

Tabel 4.1.

nevenfunctie   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 5.2 '   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6.1 '   op de overige gronden   maximale omvang binnen bestaande bebouwing  
verbrede landbouw  
verkoop aan huis van (eigen) agrarische producten   +   +   +   100 m² vloeroppervlakte  
verkoop aan huis van boerderij- en streekproducten   +   +   +   100 m² vloeroppervlakte  
agrarisch natuur- en landschapsbeheer   +   +   +   -  
agrarisch waterbeheer (blauwe diensten)   +   +   +   -  
sociale functie (resocialisatie therapie, zorgboerderij)   O   O   O   500 m²  
agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten  
opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)   +   +   +   500 m²  
vis-, escargots- of wormenkwekerij   +   +   +   500 m²  
opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen in de bestaande bebouwing anders dan ten behoeve van het eigen bedrijf   +   +   +   500 m²  
veehandelsbedrijven, foeragehandel   O   O   O   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, vleesverwerking, palingrokerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O   O   O   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten) en de verkoop ervan   O   O   O   500 m² , met maximaal 100 m² vloeroppervlakte voor verkoop  
hoveniersbedrijf, boomverzorgingsbedrijf   O   -   O   500 m²  
opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, caravans) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing   O   O   O   1.000 m²  
recreatieve functies  
kinderboerderij/speelboerderij   O   O   O*   500 m²  
hobbymatige paardrijactiviteiten   +   +   +   500 m²  
hobbymatig houden van vee   +   +   +   500 m²  
manege/rijschool   O   O   -   500 m²  
kano- of roeibootverhuur   O   O   O*   500 m²  
fietsenverhuur   +   O   O   500 m²  
wandel,- fiets,- of ruiterpaden over het terrein   +   +   +   -  
kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)   O   O   O*   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in woningen (logies met ontbijt, maximaal 4 kamers)   +   +   +   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 4 kamers per gebouw   O   O   O   200 m²  
georganiseerde activiteiten (zoals survivalactiviteiten, kinderfeestjes, boerengolf)   +   +   +   500 m²  
kampeerboerderij   O   O   O*   500 m²  
kleinschalig kamperen   O   O   O   200 m²  
overige dienstverlening  
natuur- en milieueducatie, bezoekboerderijen, rondleidingen   +   +   +   100 m²  
verzorging van mens en dier (zoals kapsalon, schoonheidssalon, trimsalon)   O   -   -   500 m²  
museum/tentoonstellingsruimte   O   O   O*   500 m²  
niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en antiekhandel)   O   -   O*   200 m²  
dierenpension, hondenfokkerij   -   -   O   500 m²  

  • n. wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen is niet toegestaan, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    • 1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie;

en voorts met dien verstande dat:

    • 1. voor gronden met de aanduiding 'paardenhouderij' geldt dat het bestaande aantal dierplaatsen niet mag worden uitgebreid;
    • 2. voor de locaties genoemd in tabel 1 van bijlage 6 de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen worden aangemerkt en zijn toegestaan;
  • o. het in gebruik nemen van gebouwen - niet in gebruik voor de huisvesting van vee of de opslag en stalling ten behoeve van de veehouderij - bij gemengde bedrijven met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' voor de uitoefening van een niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij is niet toegestaan;
  • p. het in gebruik nemen van gebouwen - in gebruik voor de veehouderij (stalling, opslag) maar niet voor de huisvesting van vee - op de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' voor het huisvesten van de betreffende diersoorten is niet toegestaan.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 onder e voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in lid 4.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

4.5.2 Afwijking ten behoeve van nevenfuncties met uitzondering van kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden voor de in tabel 4.1 met een O of O* aangegeven nevenfuncties, met uitzondering van kleinschalig kamperen, met inachtneming van het volgende:

  • a. de bestaande bebouwing - al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - mag worden benut tot de omvang zoals vermeld in tabel 4.1;
  • b. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • f. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • g. zorg wordt gedragen voor het behoud van het monument of het cultuurhistorische waardevolle gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels;
  • h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • i. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;
  • j. in afwijking van het bepaalde onder i is voor de nevenfunctie hoveniersbedrijf een buitenopslag van 100 m² toegestaan;
  • k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.
  • l. afwijking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst .

4.5.3 Afwijking ten behoeve van kleinschalig kamperen

Voor de gronden die in tabel 4.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O zijn aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen op en/of in aansluiting op een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt uitsluitend verleend voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen en uitsluitend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak, met dien verstande dat door de toepassing van 3.5.3, 3.5.4, 4.5.3 en/of 4.5.4 de gezamenlijke toename van standplaatsen ten opzichte van de bestaande standplaatsen (bijlage 5) in het gehele plangebied, gedurende de plantermijn, niet meer dan 100 standplaatsen mag bedragen;
  • b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;
  • c. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • d. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 m;
  • e. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • g. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • h. er wordt op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • i. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 4.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

4.5.4 Afwijking ten behoeve van uitbreiding kleinschalig kamperen

Voor de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6.1' die in tabel 4.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O zijn aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van de uitbreiding van kleinschalig kamperen op en/of in aansluiting op een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. per bouwvlak zijn ten hoogste 25 seizoensgebonden standplaatsen toegestaan en uitsluitend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak, met dien verstande dat door de toepassing van 3.5.3, 3.5.4, 4.5.3 en/of 4.5.4 de gezamenlijke toename van standplaatsen ten opzichte van de bestaande standplaatsen (bijlage 5) in het gehele plangebied, gedurende de plantermijn, niet meer dan 100 standplaatsen mag bedragen;
  • b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt, al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;
  • c. nieuwbouw ten behoeve van het kleinschalig kamperen tot maximaal 100 m² is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en indien de bestaande bebouwing niet geschikt is;
  • d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 m;
  • f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • h. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • i. er wordt op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • j. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 4.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

4.5.5 Afwijking gebruik bedrijfsbebouwing veehouderij

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 onder o en/of p voor het gebruik van bebouwing voor de uitoefening van niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij (waaronder huisvesting van de betreffende diersoorten) met inachtneming van het volgende:

  • a. medewerking wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en uitsluitend voor de ter plaatse toegelaten vormen van veehouderij;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
  • d. het bepaalde in lid 4.2.1 onder h blijft van toepassing voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';
  • e. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • i. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • j. het bepaalde in lid b en i is niet van toepassing op in gebruiknames kleiner dan 100 m2;
  • k. medewerking wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5', 'specifieke bouwaanduiding - 6','specifieke bouwaanduiding - 8', 'specifieke bouwaanduiding - 9', 'specifieke bouwaanduiding - 10', 'specifieke bouwaanduiding - 12' of 'specifieke bouwaanduiding - 14'.

4.5.6 Afwijking ammoniakemissie

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 onder n en een toename van ammoniakemissie als gevolg van wijziging van aanwezige dieraantallen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan als er geen afbreuk wordt gedaan aan bestaande natuurwaarden.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het blijvend (voor meer dan één groeiseizoen) omzetten van grasland in bouwland;
  • b. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage tenzij ter vervanging van reeds bestaande drainage;
  • d. het graven en dempen van sloten;
  • e. het verwijderen van landschapselementen zoals poelen, moerasjes en ruigten;
  • f. het aanleggen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • g. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone';
  • h. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • i. het aanbrengen of wijzigen van kaden ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • j. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • k. het aanleggen van dammen, kades, duikers, vlonders, schoeiingen of aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • l. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • m. het aanleggen van opslag-, stort-, of bergplaatsen waaronder baggerdepots op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel'.

4.6.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 4.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. uitgevoerd worden op bouwvlakken;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; hieronder wordt in ieder geval verstaan het planten en rooien van boomteeltgewassen op gronden die ten tijde van de terinzagelegging in gebruik zijn voor de boomteelt;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

4.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor:

  • a. de cultuurhistorische, natuur- en/of landschapswaarden zoals omschreven in lid 4.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • b. de geschiktheid van gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone' voor het verwezenlijken van een ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  • c. de mogelijkheden voor beekherstel op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder;
  • d. het waterbergend vermogen van gronden met de aanduiding 'waterberging' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder.
4.7 Wijzigingsregels
4.7.1 Wijziging ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen een op de plankaart aangegeven bouwvlak wijzigen en vergroten voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen en het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' zoals bedoeld in 4.2.1 onder i, met dien verstande dat:

  • a. wijziging alleen is toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • b. wijziging is niet toegestaan binnen een afstand van 500 m van de grens van een Natura 2000-gebied zoals begrensd op het moment van vaststelling van het wijzigingsplan en op de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied;
  • c. kassen, permanente tunnels of boogkassen niet zijn toegestaan;
  • d. het bouwvlak mag tot ten hoogste 1,5 ha worden vergroot;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • f. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. wijziging is slechts toelaatbaar, indien daardoor de aanwezige landschaps-, natuur- en / of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

4.7.2 Wijziging bij bedrijfsbeëindiging

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging, de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 wijzigen in de bestemming Wonen - 2 en/of Tuin en/of Agrarisch met waarden, zonder bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot;
  • b. het bestemmingsvlak Wonen -2 kleiner is dan het te wijzigen agrarische bouwvlak; het agrarische bouwvlak komt te vervallen;
  • c. bestaande nevenfuncties zoals bedoeld in tabel 4.1 als vervolgactiviteit zijn toegestaan met dien verstande dat de bestaande nevenactiviteit kleinschalig kamperen niet mag worden voortgezet;
  • d. overtollige bebouwing wordt gesloopt waarbij geldt dat:
    • 1. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet behoeft te worden gesloopt;
    • 2. bebouwing in gebruik of in gebruik te nemen voor een neven- of vervolgactiviteit niet behoeft te worden gesloopt;
    • 3. ten minste 200 m2 aan bijgebouwen bij de woning mag worden gehandhaafd;
  • e. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6.1' wordt deze aanduiding gewijzigd in 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6.3';
  • f. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 5.2' wordt deze aanduiding gewijzigd in 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 5.1';
  • g. wijziging alleen is toegestaan indien aannemelijk is gemaakt dat voortzetting van een agrarisch gebruik niet tot de reële mogelijkheden behoort;
  • h. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • i. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

4.7.3 Vergroting of vormverandering bouwvlak vollegrondsteeltbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van:

  • a. de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van een vollegrondsteeltbedrijf ;
  • b. de verkleining van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente steunende voorzieningen' ten behoeve van de vergroting van de bouwmogelijkheden van een vollegrondsteeltbedrijf;

met inachtneming van het volgende:

  • c. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan tot ten hoogste 1,5 ha;
  • d. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • e. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • f. wijziging is slechts toelaatbaar, indien daardoor de aanwezige landschaps- en / of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • h. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • i. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

4.7.4 Vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij of niet -veehouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en/of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij', de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' met inachtneming van het volgende:

  • a. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan ten behoeve van de bouwvlakken met de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' tot ten hoogste 1,5 ha waarbij de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' gewijzigd mag worden in de aanduiding 'intensieve veehouderij'; bij de overige bouwvlakken en bouwvlakken groter dan 1,5 ha is uitsluitend vormverandering toegestaan;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet wordt gewijzigd, met dien verstande dat dit wel is toegestaan indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • e. medewerking voor vergroting wordt slechts verleend indien de mogelijkheden ontbreken om de ontwikkeling binnen het geldende bouwvlak te doen plaatsvinden;
  • f. medewerking voor vergroting wordt slechts verleend indien de vergroting niet leidt tot een onevenredige aantasting van de bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de gronden aanwezige of te verwachten monumenten, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden van de betreffende en naastgelegen gronden;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;
  • h. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • i. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • j. medewerking aan een vergroting of vormverandering die tot doel heeft de bouw van gebouwen en mestopslagen ten behoeve van de intensieve veehouderij of de niet -intensieve veehouderij mogelijk te maken, wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • k. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat een landschappelijke inpassing met een omvang van ten minste 10 % van de oppervlakte van het bouwvlak zal worden gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden;
  • l. medewerking aan een vergroting van een bouwvlak tot een oppervlakte van meer dan 1 ha wordt slechts verleend indien tevens ruimtelijke kwaliteitswinst overeenkomstig de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, is veilig gesteld en vastgelegd;
  • m. op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 2' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte 2014 zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  • n. medewerking aan de uitbreiding of vormverandering ten behoeve de uitbreiding van intensieve veehouderij wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5', 'specifieke bouwaanduiding - 6','specifieke bouwaanduiding - 8', 'specifieke bouwaanduiding - 9', 'specifieke bouwaanduiding - 10', 'specifieke bouwaanduiding - 12' of 'specifieke bouwaanduiding - 14'.

4.7.5 Beëindiging intensieve veehouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de aanduidingen 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5 t/m 12 14' met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid  te verwijderen indien op het betreffende bouwvlak de intensieve veehouderij of de neventak intensieve veehouderij feitelijk is beëindigd.

4.7.6 Vergroting bouwvlak voor dierenwelzijn

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging is uitsluitend toegestaan voor bouwvlakken die bij de vaststelling van het plan een omvang hebben van 1,5 ha of meer en bij de vaststelling al geheel zijn benut;
  • b. wijziging is uitsluitend toegestaan voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2';
  • c. voor de betreffende bouwvlakken mag de wijziging éénmalig en uiterlijk tot 1 januari 2013 worden toegepast;
  • d. vergroting is uitsluitend toegestaan om, met de bestaande omvang van het bedrijf, te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit amoniakemissie huisvesting veehouderij of uit de op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

4.7.7 Wijziging waterberging

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden die tevens zijn aangeduid met de aanduiding 'waterberging' wijzigen in de bestemming Water of Natuur, met dien verstande dat wijziging slechts wordt toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven ten behoeve van het water- of natuurbeheer.

4.7.8 Vergroting of vormverandering bouwvlak paardenhouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'paardenhouderij'met inachtneming van het volgende:

  • a. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan tot ten hoogste 1,5 ha;
  • b. wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen is niet toegestaan;
  • c. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • f. er wordt een positieve bijdrage geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken zoals bedoeld in lid 4.1;
  • g. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven  (vollegronds)teeltbedrijven, paardenhouderijen en veehouderij;
  • b. behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige landschaps- cultuurhistorische en natuurwaarden;

en tevens voor:

  • c. ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone': een zoekgebied voor een ecologische verbindingszone;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel': het herstel van natuur- en landschapswaarden en de natuurlijke waterloop van de beek;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging': voor de bescherming en het veiligstellen van het waterbergend vermogen van de inundatiegebieden;
  • f. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandelpaden en voorzieningen;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met dien verstande dat overkappingen en voorzieningen voor opslag niet zijn toegestaan;
  • b. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
5.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  • b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn slechts toegestaan voor een periode van minder dan 6 maanden gedurende een jaar;
  • c. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn niet toegestaan;
  • d. erfverhardingen zijn niet toegestaan;
  • e. agrarisch natuur- en landschapsbeheer en agrarisch waterbeheer (blauwe diensten) zijn toegestaan;
  • f. wandel,- fiets- of ruiterpaden over het terrein zijn toegestaan.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage tenzij ter vervanging van reeds bestaande drainage;
  • b. het graven en dempen van sloten;
  • c. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;
  • d. het verwijderen van landschapselementen zoals poelen, moerasjes en ruigten;
  • e. het blijvend (voor meer dan één groeiseizoen) omzetten van grasland in bouwland;
  • f. het aanleggen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • g. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen zulks indien de oppervlakte 100 m2 of meer bedraagt ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone';
  • h. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • i. het aanbrengen of wijzigen van kaden ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • j. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • k. het aanleggen van dammen, kades, duikers, vlonders, schoeiingen of aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • l. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel';
  • m. het aanleggen van opslag-, stort-, of bergplaatsen waaronder baggerdepots ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel'.

5.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; hieronder wordt in ieder geval verstaan het planten en rooien van boomteeltgewassen op gronden die ten tijde van de terinzagelegging in gebruik zijn voor boomteelt;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

5.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor:

  • a. de natuur-, cultuurhistorische en/of landschapswaarden zoals omschreven in lid 5.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • b. de geschiktheid van gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone' voor het verwezenlijken van een ecologische verbindingszone niet onevenredig worden geschaad; alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen winnen burgemeester en wethouder hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder;
  • c. het waterbergend vermogen van gronden met de aanduiding 'waterberging' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder;
  • d. de mogelijkheden voor beekherstel op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder.
5.5 Wijzigingsregels
5.5.1 Wijziging waterberging

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden die tevens zijn aangeduid met de aanduiding 'waterberging' wijzigen in de bestemming Water of Natuur met dien verstande dat wijziging slechts wordt toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven ten behoeve van het water- of natuurbeheer.

Artikel 6 Bedrijf

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: 

  • a. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - 1 tot en met 6': een bedrijfsactiviteit zoals hierna in de tabel genoemd, behorende tot maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten:

aanduiding   bedrijfsactiviteit  
specifieke vorm van bedrijf - 1   bouwinstallatiebedrijf (algemeen)  
specifieke vorm van bedrijf - 2   groothandel in auto's en motorfietsen, reparatie en service bedrijven  
specifieke vorm van bedrijf - 3   caravanstalling  
specifieke vorm van bedrijf - 4   overige groothandel  
specifieke vorm van bedrijf - 6   gasdrukregel- en meetruimten  

  • b. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - 7 tot en met 9': een bedrijfsactiviteit zoals hierna in de tabel genoemd, behorende tot maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten:

aanduiding   bedrijfsactiviteit  
specifieke vorm van bedrijf - 7   hoveniersbedrijf met b.o. > 500 m² alsmede boomkwekerij  
specifieke vorm van bedrijf - 8   dienstverlening ten behoeve van de landbouw (algemeen)  
specifieke vorm van bedrijf - 9   groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders  

  • c. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - 10 tot en met 13': een bedrijfsactiviteit zoals hierna in de tabel genoemd, behorende tot maximaal categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten:

aanduiding   bedrijfsactiviteit  
specifieke vorm van bedrijf - 10   bouwbedrijf/aannemersbedrijf met b.o. > 2.000 m²  
specifieke vorm van bedrijf - 12   goederenwegvervoerbedrijf  
specifieke vorm van bedrijf - 13   houtzagerij  

  • d. op de gronden zonder aanduiding: nutsvoorzieningen;
  • e. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen;
  • f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.
6.2 Bouwregels

Op deze gronden mag gebouwd worden en gelden de volgende regels:

6.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met in acht name van het bepaalde onder b en c;
  • b. indien meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn bedraagt het aantal bedrijfswoningen ten hoogste het aantal zoals aangegeven op de kaart;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is de bouw van een bedrijfswoning niet toegestaan;
  • d. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m;
  • e. indien gebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van ten minste 3 m;
  • f. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met inachtname van het bepaalde onder g en h, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
alle gebouwen en overkappingen       zie bijlage 1, kolom maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   6 m   10 m    

  • g. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de bedrijfswoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de bedrijfswoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • h. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m met inachtname van het bepaalde onder b en c;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 6' bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt ten hoogste 1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • d. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 meter.

6.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak zoals vermeld in bijlage 1 juncto het bepaalde in lid 6.2.1 onder f voor het bouwen van een groter gebouw of overkapping binnen het bestemmingsvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. het bebouwde oppervlak bedraagt ten hoogste het in bijlage 1, in de kolom met afwijking maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak, genoemde oppervlak;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 m;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.
  • f. afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
6.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabijgelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
  • b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • c. zelfstandige kantoren en detailhandel -  anders dan de verkoop in het klein van in het bedrijf geproduceerde/vervaardigde goederen als niet-zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van het bedrijf - zijn niet toegestaan;
  • d. aan-huis-gebonden beroepen zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m²;
  • e. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • f. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • g. Wgh-inrichtingen en Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan.
6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.4 onder e  f voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 6.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
6.6 Wijzigingsregels
6.6.1 Wijziging Wonen

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging de bestemming Bedrijf wijzigen in de bestemming Wonen - 1 en/of Tuin met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen niet mogen worden vergroot;
  • b. de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd.

6.6.2 Wijziging specifieke vorm van bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen de nadere aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1 tot en met 13' wijzigen ten behoeve van een andere bedrijfsactiviteit met dien verstande dat:

  • a. uitsluitend bedrijven uit de categorie 1 of 2 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan;
  • b. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruik- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Artikel 7 Cultuur en Ontspanning

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Cultuur en Ontspanning aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'theater': uitsluitend een openluchttheater;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - galerie': uitsluitend een galerie;
  • c. ondersteunende voorzieningen en activiteiten zoals dienstgebouwen, cursus- en werkplaatsen, kantoor en horeca tot en met categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
7.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

7.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. bedrijfs- of dienstwoningen zijn niet toegestaan;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte en/of oppervlakte van een gebouw of overkapping bedragen ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'theater'   4 m   8 m   550 m²  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - galerie'   6 m   9 m   775 m²  

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van verlichtingsmasten bedraagt ten hoogste 7 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m.
7.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken geldt dat op de gronden met de aanduiding 'theater' het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken ten behoeve van ondergeschikte horeca is toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m2.

Artikel 8 Detailhandel

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Detailhandel aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. detailhandel en dienstverlening, met uitzondering van detailhandel in volumineuze goederen;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus': uitsluitend detailhandel in volumineuze goederen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg':
    • 1. uitsluitend een verkooppunt voor motorbrandstoffen, met inbegrip van lpg;
    • 2. bij een dergelijk verkooppunt behorende andere detailhandel;
    • 3. een autowasstraat;
  • d. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
8.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

8.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' de bouw van een bedrijfswoning niet is toegestaan;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder c en d, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
alle gebouwen en overkappingen       zie bijlage 1, kolom maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   4 m, tenzij anders op de kaart is aangegeven   maximaal 4 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte    

  • c. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de bedrijfswoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de bedrijfswoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • d. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2,5 m;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak zoals vermeld in bijlage 1 juncto  het bepaalde in lid 8.2.1 onder b voor het bouwen van een groter gebouw of overkapping binnen het bestemmingsvlak, met in achtneming van het volgende:

  • a. het bebouwde oppervlak bedraagt ten hoogste het in bijlage 1, in de kolom met afwijking maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak, genoemde oppervlak;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing, die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 m;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.
  • f. afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
8.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabij gelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
  • b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • c. zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan;
  • d. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • e. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • f. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².
8.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.4 onder e voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in lid 8.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
8.6 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging de bestemming Detailhandel wijzigen in de bestemming Wonen - 1 en/of Tuin met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen niet mogen worden vergroot;
  • b. voor de gronden met de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' wijziging niet mag worden toegepast;
  • c. de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd.

Artikel 9 Horeca

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;

alsmede voor:

  • b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2': tevens een horeca uit categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': uitsluitend een parkeerterrein;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - bezoekerscentrum': tevens een bezoekers- en informatiecentrum met bijbehorende detailhandel en kantoren;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling': tevens een zorginstelling;
  • f. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, terrassen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
9.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

9.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' de bouw van een bedrijfswoning niet is toegestaan;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met inachtname van het bepaalde onder c en d, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
alle gebouwen en overkappingen       zie bijlage 1, kolom maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   4 m, tenzij anders is aangegeven   maximaal 4 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte    

  • c. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de bedrijfswoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de bedrijfswoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • d. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

9.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2,5 m;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
9.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak zoals vermeld in bijlage 1 juncto  het bepaalde in lid 9.2.1 onder b voor het bouwen van een groter gebouw of overkapping binnen het bestemmingsvlak, met in achtneming van het volgende:

  • a. het bebouwde oppervlak bedraagt ten hoogste het in bijlage 1, in de kolom met afwijking maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak, genoemde oppervlak;
  • b. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing, die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 m;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  • e. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed en op eigen terrein wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien;
  • f. medewerking wordt slechts verleend indien geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.
  • g. afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
9.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabijgelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
  • b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • c. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • d. het gebruik van (een deel van) de gebouwen als seksinrichting is niet toegestaan;
  • e. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².
9.5 Afwijken van de gebruiksregels
9.5.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.4 onder c voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 9.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

9.5.2 Afwijking Staat van Horeca-activiteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1 onder a:

  • a. om bedrijven toe te laten in 1 categorie hoger dan op deze gronden in lid 9.1 onder a is toegestaan, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 9.1 onder a genoemd;
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Horeca-activiteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 9.1 onder a genoemd;
  • c. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in lid 9.2 of 9.3.
9.6 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging de bestemming Horeca wijzigen in de bestemming Wonen - 1 en/of Tuin met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen niet mogen worden vergroot;
  • b. de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd.

Artikel 10 Kantoor

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Kantoor aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. kantoren;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
10.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

10.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. bedrijfs- of dienstwoningen zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 8 m;
  • c. de goothoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m;
  • d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 75% van het bestemmingsvlak.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m.

Artikel 11 Maatschappelijk

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven;
  • b. religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'asielzoekerscentrum': een asielzoekerscentrum;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension': een dierenpension;
  • e. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
11.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

11.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. op bestemmingsvlakken waar tevens een bouwvlak is aangegeven worden gebouwen binnen bouwvlakken gebouwd;
  • b. per bestemmingsvlak is ten hoogste één dienstwoning toegestaan met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen dienstwoning is toegestaan;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met inachtname van het bepaalde onder d en e, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
alle gebouwen en overkappingen       100 % van het bestemmingsvlak, tenzij de maatvoeringaanduiding anders aangeeft  
dienstwoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een dienstwoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
kapel   4 m   6 m    
overige gebouwen en overkappingen   6 m, tenzij anders op de kaart aangegeven   maximaal 4 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte    

  • d. de goothoogte van dienstwoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de dienstwoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de dienstwoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij dienstwoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2,5 m;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
11.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden geldt dat aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².

Artikel 12 Natuur

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bos en natuur, heidevelden en vennen;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van aanwezige en potentiële natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden;
  • c. extensief agrarisch gebruik in de vorm van beweiding en voederwinning;
  • d. extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen;
  • e. water, (natuurvriendelijke) oevers en bijbehorende voorzieningen zoals aanlegsteigers;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': tevens voor een parkeerterrein;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein': tevens een oefenterrein voor honden;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging': tevens voor de bescherming en het veiligstellen van het waterbergend vermogen van de inundatiegebieden.
12.2 Bouwregels

Op deze gronden mag gebouwd worden en gelden de volgende regels:

  • a. binnen bouwvlakken mogen gebouwen ten behoeve van natuurbeheer worden gebouwd met een goothoogte van 4 m en een bouwhoogte van 10 m;
  • b. van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein' mag ten hoogste 40 m2 worden bebouwd met gebouwen; op deze gronden mogen gebouwen worden gebouwd met een goothoogte van 4 m en een bouwhoogte van 6 m;
  • c. buiten bouwvlakken mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • d. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
12.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden geldt dat het gebruik van alle gronden met de aanduiding 'parkeerterrein' gezamenlijk, voor meer dan 120 parkeerplaatsen niet is toegestaan.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Natuur zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage tenzij ter vervanging van reeds bestaande drainage;
  • c. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;
  • e. het ophogen ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • f. het aanbrengen of wijzigen van kaden ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'waterberging';
  • g. het aanleggen van dammen, kades, duikers, vlonders, schoeiingen of aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen;
  • h. het aanleggen van opslag-, stort-, of bergplaatsen waaronder baggerdepots.

12.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 12.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

12.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor:

  • a. de natuur-, landschaps- en/of cultuurhistorische waarden zoals omschreven in lid 12.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • b. het waterbergend vermogen van gronden met de aanduiding 'waterberging' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder;
  • c. de mogelijkheden voor beekherstel op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder.

Artikel 13 Recreatie

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dagrecreatieve voorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie': dagrecreatie op speel- en sportvelden;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'manege': uitsluitend een manege;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': uitsluitend een parkeerterrein;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin': uitsluitend volkstuinen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein': uitsluitend een oefenterrein voor honden;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - koetsierderij': uitsluitend een koetsierderij;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – paardenwei: uitsluitend een paardenwei voor eigen, hobbymatig gebruik;
  • i. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • j. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
13.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

13.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten', 'volkstuin', 'dagrecreatie', 'specifieke vorm van recreatie - koetsierderij', of 'specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein' geen bedrijfswoningen zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'parkeerterrein' of 'dagrecreatie' geen gebouwen zijn toegestaan;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder d en e, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'volkstuin'   3 m   4 m   10% van het bestemmingsvlak  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein'   4 m   6 m   100 m²  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - koetsierderij'   4 m   6 m   225 m²  
overige gebouwen en overkappingen   6 m   10 m   25% van het bestemmingsvlak, tenzij de maatvoeringaanduiding anders aangeeft  

  • d. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de bedrijfswoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de bedrijfswoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 m;
  • c. de bouwhoogte van schutspalen op de gronden met de aanduiding 'dagrecreatie' bedraagt ten hoogste 13 14 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
13.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • b. het stallen van paarden op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - koetsierderij' is niet toegestaan;
  • c. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².
13.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.3 onder a voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in lid 13.2.1;
  • g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Artikel 14 Recreatie - Verblijfsrecreatie

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Recreatie - Verblijfsrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verblijfsrecreatie in recreatiewoningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerboerderij': uitsluitend een kampeerboerderij;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein': uitsluitend een kampeerterrein voor ten hoogste 17 seizoensgebonden standplaatsen, 11 permanente standplaatsen en 2 recreatiewoningen met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamphuis': uitsluitend verblijfsrecreatie in een kamphuis;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': permanente bewoning van een recreatiewoning;
  • f. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
14.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

14.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. op de gronden zonder aanduiding 'kampeerboerderij', 'kampeerterrein' of 'specifieke vorm van recreatie - kamphuis' is per bestemmingsvlak ten hoogste één recreatiewoning toegestaan tenzij anders aangegeven;
  • b. recreatiewoningen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijgebouwen bij recreatiewoningen mogen niet worden vergroot, ook niet door beneden peil te bouwen;
  • c. op de gronden met de aanduiding 'kampeerterrein' is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan;
  • d. op de gronden met de aanduiding 'kampeerboerderij' is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan;
  • e. op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamphuis' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  • f. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder g en h, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   11 m   750 m³  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m²  
recreatiewoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   bestaande goothoogte   bestaande bouwhoogte   bestaande oppervlakte en inhoud  
bijgebouwen bij een recreatiewoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   bestaande goothoogte   bestaande bouwhoogte   bestaande oppervlakte en inhoud  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'kampeerterrein'   4 m   8 m   25% van het bestemmingsvlak  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'kampeerboerderij'   4 m   8 m   50% van het bestemmingsvlak  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamphuis'   4 m   8 m   75% van het bestemmingsvlak  

  • g. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de bedrijfswoning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de bedrijfswoning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • h. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
14.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. permanente bewoning van recreatiewoningen is niet toegestaan met uitzondering van de permanente bewoning van recreatiewoningen op de gronden met de aanduiding 'wonen';
  • b. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².
14.4 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'wonen' laten vervallen met dien verstande dat wijziging uitsluitend kan worden toegepast zodra de recreatiewoning langer dan een half jaar onbewoond is, of is geweest. 

Artikel 15 Sport

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Sport aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sportvelden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'motorcrossterrein': uitsluitend een motorcrossterrein;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang': tevens een kinderopvang;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'tennisbaan': uitsluitend tennisbanen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad': uitsluitend een zwembad alsmede het behoud, de versterking en ontwikkeling van aanwezige natuurwaarden;
  • f. de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en (ontsluitings)wegen.
15.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

15.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. bedrijfs- of dienstwoningen zijn niet toegestaan met dien verstande dat op de gronden met de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning is toegestaan;
  • b. gebouwen en overkappingen zijn op de gronden met de aanduiding 'motorcrossterrein' niet toegestaan;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met inachtname van het bepaalde onder d en e, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte   
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen)   7 m   4 m   750 m3  
bijgebouwen bij een bedrijfswoning, inclusief overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   100 m2  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'tennisbaan'   4 m   6 m   15% van het bestemmingsvlak  
gebouwen en overkappingen op gronden met de aanduiding 'zwembad'   4 m   6 m   10% van het bestemmingsvlak  
overige gebouwen en overkappingen   4 m   6 m   10% van het bestemmingsvlak  

  • d. de goothoogte van een bedrijfswoning mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij bedrijfswoningen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.

15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,5 m betreft;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en antennes bedraagt ten hoogste 10 m;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van de verlichting van sportvelden en tennisbanen bedraagt ten hoogste 18 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
15.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden geldt dat aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 80 m².

15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'zwembad' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven en ophogen;
  • c. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

15.4.2 Uitzonderingen van het aanlegverbod

Het verbod van lid 15.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

15.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 15.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuurwaarden zoals omschreven in lid 15.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

15.5 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Sport van de gronden met de aanduiding 'tennisbaan' aan de Moergestelseweg wijzigen in de bestemming Natuur. Wijziging wordt slechts toegepast indien onderhoud en beheer op ontwikkeling van natuurwaarden worden gericht.

Artikel 16 Tuin

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  • b. alsmede ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde': behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige natuurwaarden.
16.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'ecologische waarde' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

16.3.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 16.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

16.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 16.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuurwaarden zoals omschreven in lid 16.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 17 Verkeer

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de A58, A65 en N65: wegen met ten hoogste 2 x 2 doorgaande rijstroken, alsmede vluchtstroken en in- en uitvoegstroken;
  • b. overige wegen: wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden;
  • c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, bruggen en viaducten, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, verkeersgeleiding, informatievoorziening, reclame-uitingen en water.
17.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 10 m.

Artikel 18 Verkeer - Cultuurhistorische waarden

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer - Cultuurhistorische waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen alsmede voet- en fietspaden;
  • b. behoud van de cultuurhistorische waarde zoals deze tot uiting komt in het overwegend onverharde karakter van wegen;
  • c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, verkeersgeleiding, informatievoorziening, reclame-uitingen en water.
18.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 10 m.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Verkeer - Cultuurhistorische waarden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) oppervlakteverhardingen aan te brengen.

18.3.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 18.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

18.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 18.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de cultuurhistorische waarden zoals omschreven in lid 18.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

18.4 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen, indien het gebruik van de gronden daadwerkelijk en feitelijk gericht is op een agrarisch gebruik, de bestemming Verkeer - Cultuurhistorische waarden van gronden wijzigen in de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 of Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2.

Artikel 19 Verkeer - Railverkeer

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer - Railverkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegen en de daarbij behorende bermen, taluds en spoorwegovergangen;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, bruggen en viaducten, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, signalering, (ontsluitings)wegen en water.
19.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van constructies voor bovenleidingen, seinportalen en andere voorzieningen voor beveiliging, signalering of verlichting bedraagt ten hoogste 10 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 2 m.

Artikel 20 Water

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verkeer te water;
  • b. wateraanvoer en -afvoer en de waterberging;
  • c. ontwikkeling van natuurwaarden en aanleg van natuurvriendelijke oevers;
  • d. de ontsluiting van aangrenzende percelen;
  • e. extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen;
  • f. onderhoudspaden, bruggen en dammen.
20.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling of de verlichting bedraagt ten hoogste 2 m.
20.3 Wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Water van de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' wijzigen in de bestemming Agrarisch indien de gronden niet langer aangemerkt kunnen worden als waterbergingsgebied.

Artikel 21 Wonen - 1

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'atelier': tevens een atelier;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landhuis': het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, in een landhuis;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie': ten hoogste 8 verblijfsrecreatieve eenheden met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': bewoning van een bijgebouw;
  • f. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het wonen met inachtneming van lid 21.3 en 21.4;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.
21.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. op de gronden met de aanduiding 'erf' mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • c. bijgebouwen en overkappingen op de gronden met de aanduiding 'erf' mogen niet worden vergroot;
  • d. per bestemmingsvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij anders is aangegeven; daarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste één woning is toegestaan;
  • e. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder f en g, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte   inhoud  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Hildsven 10 en ter plaatse van Oisterwijkseweg 75         900 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Hildsven 10         2.425 m3 , waarvan ten hoogste 1.275 m3 boven peil mag worden gebouwd  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Tilburgseweg 57.         3.200 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Hooge Braaken, Stokeind 15  14.         1.250  3.075 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Hooge Braaken, Stokeind 15.         876 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Moergestelseweg 58.         1.360 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Moergestelseweg 52         930 m³  
extra aanbouw op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Moergestelseweg 52   3,5 m     150 m²    
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Oirschotseweg 12         2.250 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis' ter plaatse van Allemansven 1         1.510 m³  
hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inhoud'   6 m   10 m     750 m³  
bijgebouwen en overkappingen bij de woning op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inhoud'   3,5 m   6 m   125 m²    
hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden niet aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis'   6 m   10 m     600 m³  
bijgebouwen en overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw) bij de woning op de gronden niet aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis'   3,5 m   6 m   ten hoogste 40% van het zij- en achtererf met een maximum van 100 m²    
bijgebouwen en overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw) bij de woning op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis'   3,5 m   6 m   ten hoogste 40% van het zij- en achtererf met een maximum van 150 m²    
gebouwen ten behoeve van het atelier op gronden met de aanduiding 'atelier'   2 m   6,5 m      
verblijfsrecreatieve eenheden met voorzieningen voor dienstverlening en beheer op de gronden met de aanduiding 'verblijfsrecreatie'       925 m2    
erfafscheidingen voor de voorgevel     1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;      
erfafscheidingen elders     2 m      
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 m      

  • f. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • g. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij hoofdgebouwen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.
21.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in het hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van hoofd- en bijgebouwen met een maximum van 80 m²;
  • b. op de gronden met de aanduiding 'atelier' mag de vloeroppervlakte in gebruik ten behoeve van het atelier ten hoogste 125 m2 bedragen;
  • c. ten behoeve van logies met ontbijt mogen ten hoogste 4 kamers worden benut;
  • d. zelfstandige bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van bijgebouwen aangeduid met 'wonen';
  • e. permanente bewoning van verblijfsrecreatieve eenheden is niet toegestaan;
  • f. het gebruik van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • g. bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten niet toegestaan;
  • h. met betrekking tot de toegestane nevenfuncties, zoals genoemd in 21.1 onder e   g, is tabel 21.1 van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend de genoemde nevenfuncties zijn toegestaan waarbij uitsluitend de bestaande bebouwing  -al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - benut mag worden tot de omvang per bouwperceel zoals vermeld in tabel 21.1;
    • 2. op de gronden met de aanduiding 'erf' zijn geen nevenfuncties toegestaan met uitzondering van hobbymatige paardrijactiviteiten en hobbymatig houden van vee;
    • 3. nevenfuncties aangeduid met een + op de betreffende gronden rechtstreeks zijn toegestaan;
    • 4. voor nevenfuncties aangeduid met een O het bepaalde in lid 21.4.2 van toepassing is;
    • 5. nevenfuncties aangeduid met een – op de betreffende gronden niet zijn toegestaan;
    • 6. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties aangegeven in tabel 21.1, tot een maximum van 100 m² per bouwperceel;

Tabel 21.1

nevenfunctie   op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landhuis' of op percelen met een monument of cultuurhistorisch waardevol gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels   op de overige gronden   maximale omvang binnen bestaande bebouwing  
kinderboerderij/speelboerderij   O   -   100 m²  
hobbymatige paardrijactiviteiten   +   +   100 m²  
hobbymatig houden van vee   +   +   100 m²  
kano- of roeibootverhuur   O   -   100 m²  
kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)   O   -   100 m²  
opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, caravans) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing   O   O   500 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in woningen (logies met ontbijt, maximaal 4 kamers)   +   +
met dien verstande dat deze nevenactiviteit niet is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'reconstructiewet zone - landbouwontwikk elingsgebied 2'  
100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in bestaande bijgebouwen tot maximaal 4 kamers per gebouw   O     200 m2  
kampeerboerderij   O   -   100 m²  
museum/tentoonstellingsruimte   O   -   100 m²  
niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en antiekhandel)   O   -   200 m²  

21.4 Afwijken van de gebruiksregels
21.4.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.3 voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • c. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • d. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • e. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 21.2;
  • f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

21.4.2 Afwijking ten behoeve van nevenfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden voor de in tabel 21.1 voor de betreffende gronden met een O aangegeven nevenfuncties met inachtneming van het volgende:

  • a. de bestaande bebouwing - al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - mag worden benut tot de omvang per bouwperceel zoals vermeld in tabel 21.1 waarbij de overtollige bebouwing dient te worden gesloopt;
  • b. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • f. zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf ;
  • g. zorg wordt gedragen voor het behoud van het landhuis, monument of het cultuurhistorische waardevolle gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels;
  • h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • i. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;
  • j. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van 500 m².
  • k. afwijking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst .
21.5 Wijzigingsregels
21.5.1 Extra wooneenheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het maximum aantal wooneenheden van een bestemmingsvlak te vergroten ten behoeve van de splitsing van één hoofdgebouw van meer dan 900 m³ in twee wooneenheden met dien verstande dat:

  • a. wijziging uitsluitend wordt verleend indien de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw in stand blijft en met het toekennen van een bouwaanduiding wordt gewaarborgd;
  • b. wijziging uitsluitend wordt verleend indien overtollige bijgebouwen worden gesloopt;
  • c. wijziging wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • d. wijziging wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 2';
  • e. wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

21.5.2 Extra wooneenheid in monumenten of cultuurhistorisch waardevolle panden

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het maximum aantal wooneenheden van een bestemmingsvlak te vergroten, ten behoeve van de splitsing van één, in bijlage 4 als gemeentelijk monument, rijksmonument of cultuurhistorische waardevol pand aangeduid hoofdgebouw in twee wooneenheden ten behoeve van het behoud van het monument of pand met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging wordt uitsluitend verleend voor zover het karakter van het pand in stand blijft;
  • b. in geval van een cultuurhistorische waardevol pand wordt wijziging uitsluitend verleend indien de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw in stand blijft en met het toekennen van een bouwaanduiding wordt gewaarborgd;
  • c. wijziging uitsluitend wordt verleend indien overtollige niet-cultuurhistorische waardevolle bijgebouwen worden gesloopt;
  • d. na splitsing bedraagt de inhoud per wooneenheid ten minste 400 m³;
  • e. het bepaalde onder a wordt beoordeeld door de gemeentelijke monumentencommissie;
  • f. wijziging wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 2' ;
  • g. wijziging wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • h. wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

21.5.3 Beëindiging bewoning

Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'wonen' laten vervallen met dien verstande dat wijziging uitsluitend kan worden toegepast zodra het bijgebouw langer dan een half jaar onbewoond is, of is geweest.

Artikel 22 Wonen - 2

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten op voormalige agrarische bedrijfslocaties;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein': een kampeerterrein voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' en 'specifieke bouwaanduiding - 1': verblijfsrecreatie in groepsaccommodaties en één vakantiewoning;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' en 'specifieke bouwaanduiding - 2': ten hoogste 8 verblijfsrecreatieve eenheden met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer;
  • e. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het wonen met inachtneming van lid 22.4 en 22.5;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'opslag': de opslag van goederen, vergelijkbaar met op- en overslag behorende tot maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling auto's': de stalling van auto's; 
  • h. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.
22.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. op de gronden met de aanduiding 'erf' mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • c. bijgebouwen en overkappingen op de gronden met de aanduiding 'erf' mogen niet worden vergroot;
  • d. per bestemmingsvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij anders is aangegeven; daarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste één woning is toegestaan;
  • e. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder f en g, ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte   inhoud  
hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en aangebouwde overkappingen   7 m   11 m     600 m³  
bijgebouwen en overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw)   3,5 m   6 m   ten hoogste 40% van het zij- en achtererf met een maximum van 100 m²    
groepsaccommodaties en één vakantiewoning op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'       vergroting is niet toegestaan   vergroting is niet toegestaan  
verblijfsrecreatieve eenheden met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2'       500 m2    
erfafscheidingen voor de voorgevel     1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft;      
erfafscheidingen elders     2 m      
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 m      

  • f. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • g. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij hoofdgebouwen de volgende regels gelden:
    • 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen;
    • 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen.
22.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.2 onder e voor het vergroten van de maximaal toelaatbare oppervlakte bijgebouwen ten behoeve van het stallen van (klein)vee of de opslag van materieel ten behoeve van het onderhoud van het perceel tot een gezamenlijk oppervlakte van de bijgebouwen van ten hoogste 50% van het zij- en achtererf met een maximum van 120 m².

22.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in het hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40 % van de vloeroppervlakte van hoofd- en bijgebouwen met een maximum van 80 m²;
  • b. het gebruik van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • c. zelfstandige bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan;
  • d. permanente bewoning van verblijfsrecreatieve eenheden is niet toegestaan;
  • e. bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten niet toegestaan;
  • f. de handel en/of verkoop van goederen, het ter plaatse uitvoeren van onderhoud en/of reparatie alsmede de be- of verwerking van goederen is ter plaatse van de aanduiding 'opslag' niet toegestaan;
  • g. met betrekking tot de toegestane nevenfuncties, zoals genoemd in lid 22.1 onder e, is tabel 22.1 van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend de genoemde nevenfuncties zijn toegestaan waarbij uitsluitend de bestaande bebouwing – al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - benut mag worden tot de omvang per bouwperceel zoals vermeld in tabel 22.1;
    • 2. op de gronden met de aanduiding 'erf' zijn geen nevenfuncties toegestaan met uitzondering van hobbymatige paardrijactiviteiten en hobbymatig houden van vee;
    • 3. nevenfuncties aangeduid met een + op de betreffende gronden rechtstreeks zijn toegestaan;
    • 4. voor nevenfuncties aangeduid met een O of O* het bepaalde in lid 22.5.2 van toepassing is;
    • 5. nevenfuncties aangeduid met een O* uitsluitend op percelen met monumenten of cultuurhistorische waardevolle gebouwen, zoals opgenomen in bijlage 4 behorende bij de regels, zijn toegestaan;
    • 6. nevenfuncties aangeduid met een – op de betreffende gronden niet zijn toegestaan;
    • 7. per nevenfunctie is aangegeven in welke 'wetgevingszone - ontheffingsgebied' deze is toegestaan;
    • 8. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties aangegeven in tabel 22.1, tot een maximum van 500 m² per bouwperceel, met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing per bouwperceel ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut;

Tabel 22.1

nevenfunctie   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 1.1 t/m 5.1'   op de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 6.3'   op de overige gronden   maximale omvang binnen bestaande bebouwing  
verbrede landbouw  
verkoop aan huis van (eigen) agrarische producten   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   100 m² vloeroppervlakte  
verkoop aan huis van boerderij- en streekproducten   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   100 m² vloeroppervlakte  
agrarisch natuur- en landschapsbeheer   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   -  
agrarisch waterbeheer (blauwe diensten)   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   -  
sociale functie (resocialisatie therapie, zorgboerderij)   O
1.1 t / m 5.1  
O   O
met dien verstande dat deze nevenactiviteit niet is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'reconstructiewetz one - landbouwontwikke lingsgebied 3'  
500 m²  
agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten  
vis-, escargots- of wormenkwekerij   +
1.1 t / m 5.1  
+   -   500 m²  
agrarisch handels- en exportbedrijf vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   500 m²  
agrarisch hulp- en nevenbedrijf in categorie 1, 2 of 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   500 m²  
kenniscentrum, laboratorium verbonden aan de agrarische sector   +
1.1,2.1,3.1  
-   -   500 m²  
opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen in de bestaande bebouwing   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   500 m²  
agrarische loonbedrijven in categorie 1, 2 of 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   500 m²  
veehandelsbedrijven, foeragehandel   O
1.1 t / m 5.1  
O   O   500 m²  
veearts, hoefsmederij   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, vleesverwerking, palingrokerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1.1 t / m 5.1  
O   -   500 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten) en de verkoop ervan   O
1.1 t / m 5.1  
O   -   500 m², met maximaal 100 m² vloeroppervlakte voor verkoop  
hoveniersbedrijf, boomverzorgingsbedrijf   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   500 m²  
opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, caravans) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing   O
1.1 t / m 5.1  
O   O   1.000 m²  
overige bedrijven in de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O
1.1,2.1,3.1  
-   -   500 m²  
recreatieve functies  
kinderboerderij/speelboerderij   O
1.1,4.1,5.1  
O   O*   500 m²  
hobbymatige paardrijactiviteiten   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   500 m²  
hobbymatig houden van vee   +
1.1 t/m 5.1  
+   +   500 m²  
manege/rijschool   O
1.1 t / m 5.1  
O   -   500 m²  
kano- of roeibootverhuur   -   O   O*   500 m²  
fietsenverhuur   O
1.1 t / m 5.1  
O   O   500 m²  
wandel,- fiets,- of ruiterpaden over het terrein   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   -  
kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)   O
1.1 t / m 5.1  
O   O*   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in woningen (logies met ontbijt, maximaal 4 kamers)   +
1.1 t / m 5.1  
+
 
+
met dien verstande dat deze nevenactiviteit niet is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'reconstructiewetz one - landbouwontwikke lingsgebied 3'  
100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 4 kamers per gebouw   O
4.1,5.1  
O   O
met dien verstande dat afwijking niet verleend kan worden voor de gronden met aanduiding 'reconstructiewetz one - landbouwontwikke lingsgebied 3'  
200 m²  
georganiseerde activiteiten (zoals survivalactiviteiten, kinderfeestjes, boerengolf)   +
1.1 t / m 5.1  
+   +   500 m²  
kampeerboerderij   O
4.1,5.1  
O   O*   500 m²  
overige dienstverlening  
verzorging van mens of dier (zoals kapsalon, schoonheidssalon, trimsalon)   O
1.1 t / m 5.1  
-   -   100 m²  
natuur- en milieueducatie, bezoekboerderijen, rondleidingen   +   +   +   100 m²  
museum/tentoonstellingsruimte   O
1.1 t / m 5.1  
O   O*   500 m²  
niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en antiekhandel)   O
1.1 t / m 5.1  
-   O*   200 m²  
dierenpension, hondenfokkerij   -   -   O   500 m²  

  • h. de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling auto's' mogen uitsluitend worden gebruikt voor de kortdurende stalling van auto's gedurende de vakantie van de eigenaren/gebruikers;
  • i. het gebruik of in gebruik laten nemen van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling auto's' voor de stalling van auto's is uitsluitend toegestaan nadat 1.256 m2 aan overtollige voormalige bedrijfsbebouwing op het perceel Oirschotsebaan 73-75 is gesloopt.
22.5 Afwijken van de gebruiksregels
22.5.1 Afwijking mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.4 voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:

  • a. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;
  • c. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;
  • d. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m;
  • e. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 22.2;
  • f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

22.5.2 Afwijking ten behoeve van nevenfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden voor de in tabel 22.1 voor de betreffende gronden met een O of O* aangegeven nevenfuncties met inachtneming van het volgende:

  • a. de bestaande bebouwing  - al dan niet met inpandige bouwactiviteiten - mag worden benut tot de omvang per bouwperceel zoals vermeld in tabel 22.1 waarbij de overtollige bebouwing dient te worden gesloopt;
  • b. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • e. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • f. zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf ;
  • g. zorg wordt gedragen voor het behoud van het monument of het cultuurhistorische waardevolle gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels;
  • h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • i. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;
  • j. in afwijking van het bepaalde onder i is voor de nevenfuncties agrarisch loonbedrijf en hoveniersbedrijf een buitenopslag van 100 m² toegestaan;
  • k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.
  • l. afwijking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

22.5.3 Afwijking ten behoeve van uitbreiding kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van de uitbreiding van kleinschalig kamperen voor de gronden met de aanduiding 'kampeerterrein' gelegen aan de Oirschotseweg, met inachtneming van het volgende:

  • a. er zijn ten hoogste 25 seizoensgebonden standplaatsen toegestaan;
  • b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt, al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;
  • c. nieuwbouw ten behoeve van het kleinschalig kamperen tot maximaal 100 m² is uitsluitend toegestaan indien de bestaande bebouwing niet geschikt is;
  • d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 m;
  • f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 m;
  • h. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • i. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;
  • j. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • k. er wordt op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt.
22.6 Wijzigingsregels
22.6.1 Extra wooneenheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het maximum aantal wooneenheden van een bestemmingsvlak te vergroten ten behoeve van de splitsing van één hoofdgebouw van meer dan 900 m³ in twee wooneenheden, met dien verstande dat:

  • a. wijziging uitsluitend wordt verleend indien de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw in stand blijft en met het toekennen van een bouwaanduiding wordt gewaarborgd;
  • b. wijziging uitsluitend wordt verleend indien overtollige bijgebouwen worden gesloopt;
  • c. wijziging wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • d. wijziging wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 3';
  • e. wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

22.6.2 Extra wooneenheid in monumenten of cultuurhistorisch waardevolle panden

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het maximum aantal wooneenheden van een bestemmingsvlak te vergroten, ten behoeve van de splitsing van één, in bijlage 4 als gemeentelijk monument, rijksmonument of cultuurhistorische waardevol pand aangeduid hoofdgebouw in twee wooneenheden ten behoeve van het behoud van het monument met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging wordt uitsluitend verleend voor zover het karakter van het pand in stand blijft;
  • b. in geval van een cultuurhistorische waardevol pand wordt wijziging uitsluitend verleend indien de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw in stand blijft en met het toekennen van een bouwaanduiding wordt gewaarborgd;
  • c. wijziging uitsluitend wordt verleend indien overtollige niet - cultuurhistorische waardevolle bijgebouwen worden gesloopt;
  • d. na splitsing bedraagt de inhoud per wooneenheid ten minste 400 m³;
  • e. het bepaalde onder a wordt beoordeeld door de gemeentelijke monumentencommissie;
  • f. wijziging wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 3';
  • g. wijziging wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • h. wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

22.6.3 Hervestiging agrarische bedrijven

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Wonen - 2 en de aansluitende bestemmingen wijzigen in een bouwvlak met de bestemming Agrarisch, of Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 ten behoeve van de (her)vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf  (vollegronds)teeltbedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 2 ha;
  • b. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • c. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat voldaan wordt aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag; wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • d. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • e. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;
  • f. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • g. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden;
  • h. indien sprake is van een wijziging naar de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1, dient er een positieve bijdrage te worden geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

Artikel 23 Leiding - Gas - 1

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Gas - 1 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van gasleidingen met een diameter van maximaal 350 mm en een druk van maximaal 40 bar.

23.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 23.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
23.3 Afwijken van bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 23.2  onder b) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten worden toegelaten.

23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas - 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen (waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting) en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontgronden, ophogen en het aanleggen van drainage, rioleringen, kabels of leidingen;
  • e. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

23.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 23.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid  23.2 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

23.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 23.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 24 Leiding - Gas - 2

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Gas - 2 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van gasleidingen, met een diameter van maximaal 1.070 mm en een druk van maximaal 66 bar.

24.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 24.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
24.3 Afwijken van bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 24.2  onder b) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten worden toegelaten.

24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
24.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas - 2 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen (waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting) en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontgronden, ophogen en het aanleggen van drainage, rioleringen, kabels of leidingen;
  • e. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

24.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 24.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 24.2 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

24.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 24.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 25 Leiding - Hoogspanningsverbinding

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden, zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarvan de veiligheidsafstand valt binnen de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding, waaronder in ieder geval zijn begrepen de aanwezige, bestaande hoogspanningsverbindingen.

25.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 25.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
25.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 25.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van afwijking te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

25.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 25.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend, zoals in lid 25.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

25.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 25.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 26 Leiding - Leidingstrook

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Leidingstrook aangewezen gronden, zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse leidingen waarvan de 10-6 plaatsgebonden risicocontour valt binnen de aangegeven aanduiding 'veiligheidszone - leiding', waaronder in ieder geval zijn begrepen de aanwezige, bestaande olieleidingen.

26.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 26.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
26.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 26.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van afwijking te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de Inspectie van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu. de beheerder(s) van de leiding(en) alsmede aan een deskundige die het belang van de buisleidingenstrook kan beoordelen en laten meewegen. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Leidingstrook zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

26.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 26.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend, zoals in lid 26.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

26.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 26.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de Inspectie van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu  de beheerder(s) van de leiding(en) alsmede aan een deskundige die het belang van de buisleidingenstrook kan beoordelen en laten meewegen.

Artikel 27 Leiding - Nafta

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Nafta aangewezen gronden, zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van naftaleidingen met een diameter van maximaal 8 inch en een druk van maximaal 80 bar.

27.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 27.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
27.3 Afwijken van bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 27.2  onder b) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten worden toegelaten.

27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Nafta zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

27.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 27.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend, zoals in lid  27.2 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

27.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 27.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 28 Leiding - Riool

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Riool aangewezen gronden, zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van rioolwaterleidingen.

28.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 28.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
28.3 Afwijken van bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 28.3  onder b) indien het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van afwijking te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Riool zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

28.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 28.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 28.2 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

28.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 28.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 29 Leiding - Water

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Water aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor een drinkwaterleiding.

29.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 29.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
29.3 Afwijken van bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 29.2  onder b) indien het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van afwijking te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Water zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

29.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 29.4.1is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 29.2 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

29.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 29.4.1bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 30 Waarde - Archeologie - 1

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
30.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van een archeologisch monument.

30.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

30.2.1 Bouwen
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 30.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

30.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 30.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

30.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 30.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 30.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

30.2.4 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 30.2.1 onder b, lid 30.2.2 en lid 30.2.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
  • c. een bouwwerk waarvoor de graafwerkzaamheden om het bouwwerk te plaatsen niet dieper reiken dan 0,5 m onder peil.

30.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, verlagen of afgraven van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • f. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem te verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • g. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend het verwijderen van bestaande funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt.

30.3.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het in lid 30.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 30.2 in acht is genomen;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

30.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 30.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
  • b. voor zover de in lid 30.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één of meerdere van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
30.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door:

  • a. de bestemming Waarde - Archeologie - 1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of;
  • b. aan gronden zonder of met een andere archeologische waarde de bestemming Waarde - Archeologie - 1 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 31 Waarde - Archeologie - 2

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
31.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde – Archeologie - 2 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

31.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

31.2.1 Bouwen
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 31.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

31.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 31.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

31.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 31.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 31.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

31.2.4 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 31.2.1 onder b, 31.2.2 en 31.2.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing, vergroting of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, wordt uitgebreid binnen een afstand van maximaal 3 m van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 250 m²;
  • c. een bouwwerk waarvoor de graafwerkzaamheden om het bouwwerk te plaatsen niet dieper reiken dan 0,5 m onder peil.
31.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 2 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, verlagen of afgraven van de bodem, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • f. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt en de bodem te verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • g. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m ;
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend het verwijderen van bestaande funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt.

31.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 31.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 31.2 in acht is genomen;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

31.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 31.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
  • b. voor zover de in lid 31.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één of meerdere van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
31.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door:

  • a. de bestemming Waarde - Archeologie - 2 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of;
  • b. aan gronden zonder of met een andere archeologische waarde de bestemming Waarde - Archeologie - 2 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 32 Waarde - Archeologie - 3

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
32.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologisch waarden.

32.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

32.2.1 Bouwen
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 32.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

32.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 32.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

32.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 32.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 32.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

32.2.4 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 32.2.1 onder b, lid 32.2.2 en lid 32.2.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing, vergroting of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, wordt uitgebreid binnen een afstand van maximaal 3 m van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m²;
  • c. een bouwwerk waarvoor de graafwerkzaamheden om het bouwwerk te plaatsen niet dieper reiken dan 0,5 m onder peil.
32.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
32.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 3 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, verlagen of afgraven van de bodem, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • f. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt en de bodem te verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • g. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend het verwijderen van bestaande funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 1.000 m² of meer bedraagt.

32.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 32.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 32.2 in acht is genomen;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

32.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 32.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
  • b. voor zover de in lid 32.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één of meerdere van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
32.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door:

  • a. de bestemming Waarde - Archeologie - 3 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of;
  • b. aan gronden zonder of met een andere archeologische waarde de bestemming Waarde - Archeologie - 3 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 33 Waarde - Archeologie - 4

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
33.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

33.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

33.2.1 Bouwen
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 33.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

33.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 33.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kunnen het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

33.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 33.2.1 onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 33.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

33.2.4 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 33.2.1 onder b, lid 33.2.2 en lid 33.2.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing, vergroting of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, wordt uitgebreid binnen een afstand van maximaal 3 m van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²;
  • c. een bouwwerk waarvoor de graafwerkzaamheden om het bouwwerk te plaatsen niet dieper reiken dan 0,5 m onder peil.
33.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
33.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 4 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, verlagen of afgraven van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • f. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem te verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • g. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend het verwijderen van bestaande funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.

33.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 33.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 33.2 in acht is genomen;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

33.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 33.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
  • b. voor zover de in lid 33.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één of meerdere van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
33.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door:

  • a. de bestemming Waarde - Archeologie - 4 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of;
  • b. aan gronden zonder of met een andere archeologische waarde de bestemming Waarde - Archeologie - 4 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 34 Waarde - Cultuurhistorie

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
34.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element.

34.2 Bouwregels
34.2.1 Molen Oisterwijk

Voor deze gronden gelden-  ten opzichte van de buiten het plangebied gelegen Oisterwijkse molen  - de volgende regels:

  • a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 m;
  • b. binnen een afstand van 100 m tot 200 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 m;
  • c. binnen een afstand van 200 m tot 300 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 8 m;
  • d. binnen een afstand van 300 m tot 400 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 10 m;
  • e. binnen een afstand van 400 m tot 500 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 12 m;
  • f. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, b, c, d of e indien:
    • 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing;
    • 2. toepassing van de in dit lid onder a, b, c, d of e bedoelde maten de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden;
  • g. indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de andere bestemmingen. 

34.2.2 Molen Moergestel

Voor deze gronden gelden - ten opzichte van de buiten het plangebied gelegen Moergestelse molen  - de volgende regels:

  • a. binnen een afstand van 200 m tot 300 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 m;
  • b. binnen een afstand van 300 m tot 400 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 9 m;
  • c. binnen een afstand van 400 m tot 500 m tot het middelpunt van de molen worden geen bouwwerken opgericht met een bouwhoogte van meer dan 11 m;
  • d. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, b of c indien:
    • 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing;
    • 2. toepassing van de in dit lid onder a, b of c bedoelde maten de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden;
  • e. indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de andere bestemmingen.
34.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
34.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  • b. het ophogen van gronden.

34.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 34.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;
  • c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend;
  • d. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting die als zij volgroeid zijn, niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de gebouwen op hetzelfde bouwperceel zoals in het plan is toegestaan.

34.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen, wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de molendeskundige.

Artikel 35 Waarde - Geomorfologie

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
35.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde- Geomorfologie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de geomorfologische kenmerken die de ontstaansgeschiedenis van het landschap herkenbaar maken.

35.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid  35.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de betrokken geomorfologische waarden, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de aardkundige waarden;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m².
35.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
35.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Geomorfologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen, en ophogen;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • c. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

35.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 35.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 35.2 in acht is genomen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.000 m²;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

35.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid  35.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de geomorfologische waarden zoals omschreven in lid 35.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 36 Waarde - Natuur - Attentiegebied

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
36.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Natuur - Attentiegebied aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de natte natuurparel.

36.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels.

36.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
36.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met bestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied en de bestemming Natuur, Agrarisch of Agrarisch met waarden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen - afgraven en ontginnen - tot een diepte van meer dan 0,6 m;
  • c. het aanbrengen van drainage tenzij ter vervanging van reeds bestaande drainage;
  • d. het verlagen van de waterstand - anders dan door het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen - met uitzondering van grondwateronttrekkingen.

36.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 36.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. uitgevoerd worden op bouwvlakken;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

36.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid  36.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de waterhuishoudkundige situatie niet onevenredig wordt of kan worden aangetast. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de waterbeheerder.

Artikel 37 Waterstaat

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  
37.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waterstaat aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor onderhoud en beheer van de waterstaatkundige functie van het Wilhelminakanaal en voor de waterkering.

37.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid  37.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mogen - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende regels - uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  

Artikel 38 Antidubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, buiten beschouwing.

Artikel 39 Algemene bouwregels

39.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van plankaart en bestemmingsregels worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
39.2 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:

  • a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  • b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  • c. ingeval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  • d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 45.1niet van toepassing.

39.2.1 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 39.2 onder c voor:

  • a. het toestaan van herbouw van een gebouw met dezelfde inhoud dan wel oppervlakte of kleiner, indien de afstand tot perceelsgrenzen:
    • 1. gelijk blijft of wordt verkleind bij een maximummaat;
    • 2. gelijk blijft of wordt vergroot bij een minimummaat;
  • b. het toestaan van uitbreiding van een gebouw tot ten hoogste de maximum diepte, inhoud of oppervlakte, indien de afstand tot perceelsgrenzen:
    • 1. gelijk blijft of wordt verkleind bij een maximummaat;
    • 2. gelijk blijft of wordt vergroot bij een minimummaat;
  • c. afwijking is toegestaan voor zover geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
39.3 Afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen
39.3.1 Aan te houden afstanden tot wegen bij planwijziging

Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg - ter beperking van geluidshinder - in geen geval minder bedragen dan de in de tabel aangegeven afstanden.

  48 dB-contour (in meters uit de wegas)  
A58 (tussen A65 en gemeentegrens Oirschot)   400  
A65 (A58 en aansluiting Burg. Bechtweg)   400  
A65 (tussen aansluiting Burg. Bechtweg en Heukelomseweg/Bosscheweg)   400  
Pannenschuurlaan (tussen N65 en Bedrijfsweg)   135  
Bedrijfsweg (tussen Pannenschuurlaan en Kerkhovenselaan)   95  
Laarakkerweg (tussen Haarenseweg en Oisterwijksedreef)   65  
Heukelomseweg (tussen Tilburgseweg en Driehoevenweg)   85  
Heukelomseweg (tussen Driehoevenweg en Steenstraat)   85  
Heukelomseweg (tussen Steenstraat en A65)   100  
Tilburgseweg (tussen Baksevenweg en bebouwde komgrens)   160  
Moergestelseweg (tussen Burg. Vogelslaan en Europalaan)   75  
Moergestelseweg (tussen Europalaan en Hoevenseweg)   70  
Moergestelseweg (tussen Hoevenseweg en Hondsbergselaan)   65  
Moergestelseweg/Oisterwijkseweg (tussen Hondsbergselaan en restaurant Keyzer Palace)   65  
Moergestelseweg/Oisterwijkseweg (tussen restaurant Keyzer Palace en Heukelomsebaan)   75  
Oisterwijkseweg/Akkerweg (tussen Heukelomsebaan en Tilburgseweg)   70  
Akkerweg (tussen Tilburgseweg en De Sonman)   60  
Vennelaan (tussen Gemullehoekenweg en Zwartewegje)   7  
Vennelaan (tussen Zwartewegje en Posthoornseweg)   10  
Kievitslaan (tussen Zwarteweg en Gemullenhoekenweg)   18  
N65 (tussen Heukelomseweg/Bosscheweg en gemeentegrens Haaren)   400  
Oirschotseweg (tussen De Stappert en Heiligenboom)   65  
Oirschotseweg (tussen Heiligenboom en Heikant)   75  
Oirschotseweg/Spoordonkseweg (tussen Heikant en Beekersberg)   60  
Oirschotseweg/Spoordonkseweg (tussen Beekersberg en Oirschotsebaan)   120  
Oirschotsebaan (tussen Spoordonkseweg en Kollenburgsebaan)   55  
Oirschotsebaan (tussen Kollenburgsebaan en Fransebaan)   60  
Oirschotsebaan (tussen Heikant en Rosepdreef)   55  
Gemullehoekenweg (tussen Rosepdreef en Vennelaan)   50  
Gemullehoekenweg (tussen Vennelaan en Heisteeg)   60  
Heusdensebaan   50  
Haarenseweg   50  
Molenbaan (tussen Kerkhovenbaan en Tulderbaan)   30  
Molenbaan (tussen Tulderbaan en Pannenschuurlaan)   14  
Tulderbaan   26  
Kerkhovenbaan (tussen Tulderbaan en Driehoevenweg)   26  
Steenstraat   26  
Laag Heukelomseweg (tussen Heukelomseweg en Oisterwijksebaan)   27  
Laag Heukelomseweg (tussen Oisterwijksebaan en Baaneind)   16  
Laag Heukelomseweg/Sparrendreef (tussen Baaneind en Hoevenseweg)   20  
Hoevenseweg (tussen Sparrendreef en Moergestelseweg)   15  
Oisterwijksebaan (tussen Apollolaan en Laag Heukelomseweg)   18  
Oisterwijksebaan (tussen Laag Heukelomseweg en Baaneind)   27  
Baaneind (tussen Oisterwijksebaan en Laag Heukelomseweg)   14  
Baksevenweg   75  
Eindhovenseweg/Tilburgseweg (tussen Baksevenweg en Torentjeshoeve)   125  
Vinkenberg (tussen A58 en Aboomsestraat)   55  
Broekzijde (tussen Aboomsestraat en Heuvelstraat)   45  
Broekzijde (tussen Heuvelstraat en Donkhorst)   32  
Heikant   24  
Fransebaan (tussen Oirschotsebaan en Zandstraat)   25  
Kollenburgsebaan   45  
Oostelvoortjes (tussen De Stappert en Stokske)   17  
Stokske (tussen Oostelvoortjes en Waterhoefstraat)   18  
Waterhoefstraat (tussen Stokske en Molenstraat)   18  
Waterhoefstraat (tussen Molenstraat en Oisterwijkseweg)   18  
Heisteeg (tussen Gemullehoekenweg en Bosweg)   10  
Bosweg (tussen Graaf Bernadottelaan en Heisteeg)   10  
Hoevenseweg (tussen Baksevenweg en Heukelomsebaan),
Oisterwijksebaan parallel aan rijksweg 65, Kanaaldijk (ten westen van Heuvelstraat).  
27  
Overige wegen buitengebied   12  

39.3.2 Verkleining van de afstand tot wegen bij planwijziging

Nieuwe woningen ingevolge planwijziging mogen op een kleinere afstand tot de weg worden gebouwd dan in de tabel van lid 39.3.1 is aangegeven, indien blijkt dat op die afstand aan de hogere grenswaarde, voor zover hiervoor ontheffing is verleend bij de vaststelling van het plan, uit de Wet geluidhinder wordt voldaan.

39.3.3 Afstand tot wegen bij herbouw

Ingeval van herbouw van een woning elders binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak mag de afstand van de voorgevel van de nieuwe woning tot de wegas van de wegvakken zoals genoemd in lid 39.3.1, niet minder worden dan de afstand genoemd in de tabel. Indien de afstand van de bestaande woning tot de wegas al minder is dan de afstand genoemd in de tabel, dan mag de te herbouwen woning niet dichter naar de weg worden gebouwd.

39.3.4 Aan te houden afstanden tot spoorwegen bij planwijziging

Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de spoorweg - ter beperking van geluidshinder - in geen geval minder bedragen dan de in de tabel aangegeven afstanden.

spoorwegvak   55 dB-contour (in meters uit het hart van de spoorbaan)  
trajectnummer 710
(Tilburg - Eindhoven)  
525  

39.3.5 Verkleining van de afstand tot spoorwegen bij planwijziging

Nieuwe woningen ingevolge planwijziging mogen op een kleinere afstand tot de weg worden gebouwd dan in de tabel van lid 39.3.4 is aangegeven, indien blijkt dat op die afstand aan de hogere grenswaarde, voor zover hiervoor ontheffing is verleend bij de vaststelling van het plan, uit de Wet geluidhinder wordt voldaan.

39.3.6 Afstand tot spoorwegen bij herbouw

Ingeval van herbouw van een woning elders binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak mag de afstand van de voorgevel van de nieuwe woning tot het hart van het spoorwegvak zoals genoemd in lid 39.3.4, niet minder worden dan de afstand genoemd in de tabel. Indien de afstand van de bestaande woning tot het hart van het spoorvak al minder is dan de afstand genoemd in de tabel, dan mag de te herbouwen woning niet dichter naar de spoorbaan worden gebouwd.

39.4 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak waar gebouwen zijn toegestaan;
  • b. de oppervlakte dan wel inhoud van ondergrondse gebouwen wordt bij de in hoofdstuk 2 opgenomen maximaal toelaatbare oppervlakte - dan wel inhoudsmaten meegeteld voor zover niet op dezelfde plaats boven peil een gebouw aanwezig is;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen bedraagt maximaal 3 m onder peil.
39.5 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het op dat moment geldende gemeentelijke parkeerbeleid bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Artikel 40 Algemene gebruiksregels

De algemene gebruiksregels luiden als volgt:

  • a. het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de bestemmingsomschrijving en de overige regels;
  • b. het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor afwijken van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.

Artikel 41 Algemene aanduidingsregels

41.1 Veiligheidszone - leiding

Binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding' geldt dat kwetsbare objecten niet zijn toegestaan.

Artikel 42 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning voor afwijken kan worden verleend - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%, met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor afwijken niet wordt verleend voor afwijkingen van de voorgeschreven inhoudsmaten van woningen, dienstwoningen en bedrijfswoningen;
  • b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
  • c. afwijking wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 43 Algemene wijzigingsregels

43.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

43.2 Nieuwe natuur

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden wijzigen in de bestemming Natuur of Water met in achtneming van het volgende:

  • a. wijziging kan worden toegepast voor de realisering van de natte ecologische verbindingszone de Reusel, de Voorste Stroom, de Achterste Stroom, (het verlengde van de) Ruysbossche waterloop of het Wilheminakanaal zoals aangegeven in de Verordening Ruimte;
  • b. wijziging kan worden toegepast voor herstel van het beeksysteem van de Reusel, de Voorste Stroom, de Achterste Stroom, de Essche Stroom, de Rosep, de Beerze of het Wilheminakanaal zoals aangegeven in de Verordening Ruimte;
  • c. wijziging kan worden toegepast voor de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur zoals aangegeven in de Verordening Ruimte;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven ten behoeve van het water- of natuurbeheer.
43.3 Veiligheidszone leiding

Burgemeester en wethouders wijzigen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding':

  • a. indien de wetgeving ten aanzien van de externe veiligheid van buisleiding of buisleidingstroken daartoe aanleiding geeft; en/of
  • b. indien een aanpassing van de plaatsgebonden risicocontour daartoe aanleiding geeft.

Artikel 44 Overige regels

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, correctieve herziening' heeft uitsluitend betrekking op:
- onderdelen van de verbeelding van het moederplan, zoals weergegeven op de verbeelding van de correctieve herziening;
- de met een doorhaling in groen (ingetrokken) en aanvulling in geel en paars gemarkeerde onderdelen van de regels van het moederplan.
Het moederplan, zoals dat luidt voorafgaand aan het moment van vaststelling van de correctieve herziening, blijft voor het overige ongewijzigd.  

Artikel 45 Overgangsrecht

45.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwen luidt het overgangsrecht als volgt:

  • 1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • 2. het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • 3. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
45.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.

Artikel 46 Slotregel

Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening'.