direct naar inhoud van 6.3 Agrarisch gebruik
Plan: Oisterwijk Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.BPbuitengebied2010-0002

6.3 Agrarisch gebruik

Agrarische bedrijven / agrarisch bouwvlak

Algemene regeling bouwvlakken

Vertrekpunt voor de regeling van bouw- en gebruiksmogelijkheden van agrarische gronden is het provinciale beleid, vastgelegd in de Verordening Ruimte.

Essentieel daarbij is het agrarisch bouwvlak. De agrarische bebouwing (de woning en de bedrijfsgebouwen) dienen geconcentreerd te worden op een aaneengesloten ruimte van circa 1 ha groot: het agrarisch bouwvlak. Deze begrenzing tot 1 ha is nodig om concentratie van bebouwing te waarborgen en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen, zoals verstening, versnippering en verglazing van het buitengebied. Dit agrarisch bouwvlak biedt over het algemeen voldoende ruimte voor de aan een gemiddeld agrarisch bedrijf verbonden bebouwing (circa 3.000 à 3.500 m²). Grondgebonden bedrijven van bovengemiddelde omvang waarbij het bestaande erf groter is krijgen een toegesneden bouwvlak van meer dan 1 ha. Voor zover mogelijk wordt bij de begrenzing van de bouwvlakken rekening gehouden met de wensen die door de betrokken agrariërs naar voren zijn gebracht tijdens de inloopbijeenkomsten en in het vervolg van de procedure.

Flexibiliteit

Om de gewenste grondgebonden agrarische ontwikkelingsmogelijkheden niet onnodig te belemmeren zullen in het bestemmingsplan flexibiliteitsbepalingen opgenomen worden om te kunnen afwijken van de op de plankaart aangegeven begrenzing van de agrarische bouwvlakken. In de Aln gebieden kan vormwijziging, beperkte uitbreiding en vergroting van het bouwvlak overeenkomstig het provinciale beleid met maximaal 15 % worden toegestaan (indien met toepassing van de 15 %-regel het toegestane bouwvlak kleiner is dan 1,5 ha is een maximum oppervlak van 1,5 ha toegestaan).

Uitbreiding van bouwvlakken voor grondgebonden agrarische bedrijven in de zone Agrarisch gebied (A) wordt mogelijk gemaakt met maximaal 50%.

In het bestemmingsplan worden ook flexibiliteitsbepalingen opgenomen om af te kunnen wijken van de voorgeschreven maximale hoogtematen voor gebouwen.

Glastuinbouw

In de zone Agrarisch gebied is uitbreiding van bouwvlakken van glastuinbouwbedrijven overeenkomstig het provinciaal beleid toegestaan. Voor de glastuinbouwbedrijven, geldt dat uitbreiding tot 3 ha netto glas mogelijk is. De mogelijkheid tot uitbreiding zal aan een (wijzigings)procedure worden gekoppeld. In de Aln zones zijn geen glastuinbouwbedrijven gevestigd.

Intensieve veehouderij in verwevings- en extensiveringsgebieden

Bij de toekenning van bouwvlakken en bouwmogelijkheden voor de intensieve veehouderij is de Verordening Ruimte leidend.

Op grond van de Verordening Ruimte moet voor de bedrijven in de extensiveringsgebieden de huidige omvang aan bebouwing voor de intensieve veehouderij worden vastgelegd als zijnde de maximale omvang.

De vigerende bouwmogelijkheden van de bestaande intensieve veehouderijbedrijven in de verwevingsgebieden moeten worden gerespecteerd, hetgeen betekent dat deze bedrijven een bouwvlak overeenkomstig hun vigerende bouwvlak zullen krijgen.

Uitbreiding van bouwvlakken van bestaande intensieve veehouderijbedrijven op de duurzame locaties in de verwevingsgebieden (de locatie waarvan uit een duurzaamheidstoets blijkt dat groei acceptabel is) is mogelijk tot een oppervlakte van 1,5 ha.

Gemengde bedrijven met een neventak intensieve veehouderij kunnen op de duurzame locaties in de verwevingsgebieden niet doorgroeien naar bedrijven met intensieve veehouderij als hoofdactiviteit.

Intensieve veehouderij in landbouwontwikkelingsgebieden

Intensieve veehouderijbedrijven in de landbouwontwikkelingsgebieden krijgen een bouwvlak op maat. Dit bouwvlak is afgestemd op het huidige gebruik, een te verwachten behoefte aan uitbreiding van minimaal 15 % en de wensen van de ondernemer. Het bouwvlak heeft minimaal de afmetingen van het reeds vigerende bouwvlak.

Ook hier heeft de gemeente een nadere afweging op perceelsniveau gemaakt ten aanzien van de bouwvlakken die door de begrenzing van de integrale zonering worden doorsneden.

De mogelijkheden voor omschakeling naar intensieve veehouderij, door ontwikkelen van een neventak en vergroting van bouwvlakken voor intensieve veehouderijbedrijven zijn in het LOG aanwezig. Uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijbedrijven in het LOG is mogelijk tot een oppervlakte van 1,5 ha. De inrichtingsplannen en landschapsplannen voor de beide LOG's zijn hierin bepalend.

Nieuwe agrarische bouwvlakken

Nieuwe bouwvlakken kunnen op basis van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Verordening Ruimte niet worden toegekend.

Omschakeling

Het binnen een bestaand bouwvlak omschakelen naar een andere vorm van agrarische productie is in een aantal gevallen toegestaan. Omschakeling naar een grondgebonden vorm van agrarische productie is algemeen toelaatbaar, omschakeling naar glastuinbouw is niet aanvaardbaar. Omschakeling naar intensieve veehouderij is toelaatbaar in de landbouwontwikkelingsgebieden en op de duurzame locaties in de verwevingsgebieden (de lokaties waarvan uit een duurzaamheidstoets blijkt dat de ontwikkeling van intensieve veehouderij acceptabel is). Deze omschakeling is echter niet rechtstreeks toelaatbaar maar met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is alleen toegestaan voor initiatieven die in overeenstemming zijn met het inrichtingsplan voor het LOG.

Paardenhouderijen

Paardenhouderijen gericht op het fokken, houden, africhten, de handel en / of verkoop van paarden en pony's worden aangemerkt als een agrarische activiteit en krijgen een agrarische bouwvlak toebedeeld. Ook het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden bij agrarische bedrijven wordt aangemerkt als een activiteit, passend bij de bedrijfsvoering. Paardenbakken dienen binnen of aangrenzend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Deeltijdlandbouw en hobbyboeren

Het agrarische beheer van het landelijk gebied vindt, behalve door voltijdsagrariërs, plaats door deeltijdagrariërs (zie hoofdstuk 4). Het gaat daarbij om agrarische bedrijvigheid waar in een aantal gevallen naast het agrarische bedrijf ook arbeid wordt verricht ten behoeve van niet-agrarische activiteiten, al dan niet elders. Met het oog op de gevolgen voor de landbouwkundige structuur van het plangebied is het stimuleren van niet-volwaardige agrarische bedrijven echter niet aan de orde. De bestaande deeltijdbedrijven worden erkend als agrarische bedrijven en krijgen een bouwvlak; nieuwe bouwlocaties voor niet-volwaardige agrarische bedrijven worden niet mogelijk gemaakt.

In toenemende mate combineren niet-agrariërs het "buiten wonen" met het houden van vee voor hobbydoeleinden. Mede om die reden betrekken zij veelal vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen. Deze hobbyboeren kunnen echter niet aangemerkt worden als agrarische bedrijven en derhalve geen agrarisch bouwblok verkrijgen.

(Voormalige) agrarische bedrijfslocaties

Door het ontbreken van mogelijkheden om een nieuw bouwvlak te projecteren neemt het belang van bestaande locaties en voormalige agrarische bedrijfslocaties toe. Met name in de landbouwontwikkelingsgebieden moet uiterst zorgvuldig met de huidige productielocaties worden omgegaan.

Voormalige agrarische productielocaties zijn de locaties waar in de vigerende bestemmingsplannen nog sprake was van een agrarisch bedrijf maar waar, op basis van de huidige inventarisatie sprake is van een ander gebruik (meestal wonen). Handhaving van de vigerende agrarische bestemming en optreden tegen het huidige gebruik is niet reëel.

Bij de toekomstige beëindigingen van agrarische bedrijven kan de gemeente evenmin, ondanks het grote belang van behoud van productielocaties, voortzetting van het agrarische gebruik afdwingen.

In het licht van het voorgaande wil het gemeentebestuur ter plaatse van voormalige agrarische bedrijven het huidige gebruik respecteren en mogelijkheden bieden voor de vestiging van nieuwe of de verplaatsing van bestaande agrarische bedrijven. Hiervoor wordt een toegesneden bestemming opgenomen: Wonen, met de nadere aanduiding voormalig agrarisch bedrijf. Met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid kan de bestemming van deze percelen worden gewijzigd voor de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf of, in het landbouwontwikkelingsgebied, voor de verplaatsing van een intensieve veehouderij.

Agrarische neventakken

Het ontwikkelen van een agrarische neventak is aan de orde indien op een agrarisch bedrijf een andere vorm van agrarische bedrijfsvoering wordt toegevoegd. Ook hier is provinciaal beleid leidend voor de toelaatbare ontwikkelingen. De ontwikkeling van een grondgebonden neventak is toelaatbaar. De ontwikkeling van een neventak glastuinbouw is slechts mogelijk tot de toegestane oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen zoals hierna beschreven. Van een intensieve kwekerij in gebouwen (bijvoorbeeld een champignonkwekerij of een witloftrekkerij) bij wijze van neventak mag de oppervlakte aan bebouwing niet meer dan 1.000 m² bedragen. Voor de ontwikkeling van een neventak intensieve veehouderij gelden de bepalingen uit de Verordening Ruimte: geen mogelijkheden in de extensiveringsgebieden, mogelijkheden in de LOG en op de duurzame locaties in de verwevingsgebieden (de ontwikkeling van een neventak wordt gezien als omschakeling).

Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen zijn constructies waarmee weersinvloeden worden gematigd en die met name worden gebruikt bij de vollegrondstuinbouw, boomteelt en fruit- en sierteelt. Daarnaast kunnen dergelijke voorzieningen worden opgericht ter bestrijding van ziekten en plagen, ter bevordering van de arbeidsomstandigheden, ter verbetering van de inzet van gewasbeschermingsmiddelen en om de productiekwaliteit te verbeteren. Hoewel uit economisch oogpunt gewenst, kunnen teeltondersteunende voorzieningen (TOV) invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van een gebied.

Het beleid voor teeltondersteunende voorzieningen wordt mede bepaald door het provinciale beleid. Hierbij zijn de nota's "Beleidsnota glastuinbouw, inclusief teeltondersteunende kassen" van november 2006 en de "Beleidsnota Teeltondersteunende voorzieningen", vastgesteld door GS op 25 september 2007, van belang. Deze nota's zijn inmiddels vervangen door de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en Verordening Ruimte maar worden beschreven omdat ze de basis vormen voor de bestemmingssystematiek.

Voor teeltondersteunende voorzieningen wordt in dit bestemmingsplan in aansluiting op het (oude) provinciale beleid, onderscheid gemaakt in:

  • hoge, permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • hoge, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • lage, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

In tabel 6.1 is aangegeven wat hieronder wordt verstaan.

Of een teeltondersteunende voorziening als tijdelijk wordt aangemerkt, is afhankelijk van de duur van de periode waarin de voorziening is geplaatst (minder dan zes maanden).

Tabel 6.1. Indeling teeltondersteunende voorzieningen (TOV)

hoge, teeltondersteunende voorzieningen (> 1,5 m)   lage, teeltondersteunende voorzieningen
(< 1,5 m)  
overige TOV  
permanent   tijdelijk   permanent   tijdelijk    
kassen (waaronder tevens tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen)
stellingen
regenkappen  
hagelnetten
schaduwhallen
wandelkappen
regenkappen  
containerteelt   afdekfolies en acryldoek
lage tunnels
insectengaas  
vraatnetten boomteelt-
hekken  

Toelichting bij de tabel:

  • Een tunnelkas (kweekkas of kweektunnel) is een halfronde constructie van lichtdoorlatend materiaal (geen glas), die wordt gebruikt voor het voortrekken, opkweken of veredelen van gewassen. Een gaaskas is gemaakt van gaasdoek, een rolkas is verrijdbaar vanuit een vaste basis.
  • In de aardbeienteelt worden om arbeidstechnische redenen en ook om aantasting van de vrucht te voorkomen, bakken in stellingen gehangen, meestal op ooghoogte. De bakken kunnen zijn voorzien van regenkappen. Na de oogst worden de bakken (en regenkappen) verwijderd, de stellingen blijven doorgaans staan.
  • Regenkappen dienen de oogst te beschermen tegen zware regenval en hagel en dienen vogelvraatschade en schimmelvorming tegen te gaan. Regenkappen zijn niet door wanden omsloten (alleen een overkapping).
  • Hagelnetten bestaan uit netten die gewassen beschermen tegen hagelschade.
  • Een schaduwhal is een overkapping / beschutting, die in de boomteelt wordt gebruikt om schade door de zon tegen te gaan en gewassen te harden.
  • Bij de aardbeien-, bloemen- en boomteelt wordt gebruikgemaakt van menstoegankelijke wandelkappen. In verband met teelt- en oogsthandelingen hebben deze kappen een hoogte van minimaal 2 à 2,5 m.
  • Containerteelt is de teelt in bakken of de teelt op een verharde (betonnen) ondergrond. Hierbij is sprake van een gesloten watersysteem.
  • Afdekfolies bestaan uit materiaal (bijvoorbeeld gaas, plastic) dat het gewas afdekt. Hierdoor wordt schade door insecten en wind- en vorstschade voorkomen. Tevens kan zo de oogst worden vervroegd. Bij toepassing van acryldoek is in tegenstelling tot andere afdekfolies nog luchtuitwisseling mogelijk en kan nog regenwater doordringen.
  • Lage tunnels bestaan uit halfronde bogen tot circa 50 cm hoogte, waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen. Van deze lage, tijdelijke tunnels wordt vooral in de boom- en aardbeienteelt gebruikgemaakt.
  • Insectengaas wordt bij kwekerijen aangebracht om aantasting door luizen te voorkomen.

Permanente teeltondersteunende voorzieningen

De hoge en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan op de agrarische bouwvlakken. Het is mogelijk de bouwvlakken via planwijziging uit te breiden ten behoeve van de realisering van deze voorzieningen. Voor de zone Agrarisch gebied (A) schrijft het provinciale beleid geen maximum oppervlakte voor een bouwvlak na uitbreiding voor en zijn de mogelijkheden voor TOV derhalve ruim. In de zones met de aanduiding Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en / of natuurwaarden (Aln) is de maximale oppervlakte van een bouwlak begrensd op 1,5 ha en is daarmee tevens een grens gesteld aan de omvang van TOV. Aangezien er grote bouwvlakken kunnen ontstaan waarmee het steven naar concentratie van bebouwing teniet kan worden gedaan, wordt de gemeente in overweging gegeven om binnen bouwvlakken differentiatievelden aan te geven. Hiermee wordt binnen een groot bouwvlak, een deelgebied aangewezen uitsluitend voor TOV. In het bestemmingsplan zal de realisatie van permanente teeltondersteunende voorzieningen door een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt tot een maximale omvang van 1,5 ha inAln-gebieden en 4 ha in A-gebieden

Voor de ondersteunende kassen (inclusief permanente tunnels of boogkassen) geldt als aanvullende eis een maximale oppervlaktemaat van 1.000 m² per bedrijf.

In lijn met het herziene provinciale beleid, kan in de zone Agrarisch gebied (A) de oppervlakte van ondersteunende kassen via vrijstelling worden vergroot naar 5.000 m².

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen bouwvlakken als daarbuiten toegestaan. In gebieden met meerwaarde (zone Aln) is het noodzakelijk de toelaatbaarheid te koppelen aan een stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden en eventueel gebruiksverboden. In de zone Agrarisch gebied (A) zijn tijdelijke TOV overal zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden toegestaan. Er wordt geen maximum maatvoering opgelegd door de provincie.

Tabel 6.2. Schema toelaatbaarheid teeltondersteunende voorzieningen

  binnen bouwvlak   buiten bouwvlak  
zone   hoog   laag   hoog   laag  
  permanent   tijdelijk   permanent   tijdelijk   permanent   tijdelijk   permanent   tijdelijk  
A   ja (r+v)   ja (r)   ja (r)   ja (r)   nee   ja (r)   nee   ja (r)  
Aln   ja (r)   ja (r)   ja (r)   ja (r)   nee   ja (a)   nee   ja (a)  

(r) op basis van rechtstreeks bouwrecht toegestaan

(r+v) tot 1.000 m² op basis van rechtstreeks bouwrecht toegestaan, met vrijstellingsbevoegdheid tot 5.000 m²

(a) met toepassing van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Categorie overige teeltondersteunende voorzieningen

Boomteelthekken zijn permanente voorzieningen waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk is en die worden gerekend tot de categorie overige teeltondersteunende voorzieningen. Deze voorzieningen zijn ook buiten bouwvlakken toegestaan. Bij vergunningverlening dient het belang van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden te worden meegewogen.

Voor alle bovengenoemde categorieën van TOV geldt dat bestaande situaties die niet in overeenstemming zijn met het geformuleerde beleid en waaraan eerder medewerking is verleend of waartegen de gemeente niet is opgetreden of niet wenst op te treden, gerespecteerd moeten worden.

Nieuwe agrarische bedrijfswoningen

Veruit de meeste agrarische bedrijven beschikken over een bedrijfswoning. Bij enkele agrarische bedrijven is echter nog geen woning aanwezig, of zijn meerdere bedrijfswoningen aanwezig.

Daar waar een bedrijfswoning niet toelaatbaar wordt geacht, worden geen mogelijkheden geboden om deze te realiseren.

Bij bedrijven waar reeds meer dan één bedrijfswoning aanwezig is wordt de feitelijke situatie gerespecteerd, maar worden geen nieuwe bedrijfswoningen mogelijk gemaakt.

Op agrarische bedrijven kan behoefte ontstaan aan een tweede agrarische bedrijfswoning, met het oog op de bedrijfsomvang en het noodzakelijk geachte permanente toezicht op het bedrijf. Een tweede agrarische bedrijfswoning is alleen noodzakelijk bij zeer grote bedrijven waar minimaal twee volwaardige arbeidskrachten als bedrijfshoofd werkzaam zijn en waar permanent toezicht door twee personen vereist is. Een dergelijke situatie zal in het plangebied alleen in uitzonderingsgevallen aan de orde zijn. Voorts is het risico van afsplitsing en verkoop van de tweede bedrijfswoning aanwezig hetgeen tot nadelige milieuconsequenties kan leiden voor (aangrenzende) agrarische bedrijven.

Er worden in het bestemmingsplan derhalve geen mogelijkheden geboden voor het oprichten van een tweede bedrijfswoning. Indien een tweede agrarische bedrijfswoning werkelijk duurzaam noodzakelijk is, zal dat via een planherziening of een projectprocedure moeten worden gerealiseerd.

Tijdelijke huisvesting seizoenswerknemers

Met name in de intensieve, grondgebonden teelten (vollegrondsgroente teelt, boomkwekerij, fruitteelt) is er, door het ontbreken van voldoende lokale seizoenskrachten, een groeiende vraag naar huisvestingsmogelijkheden voor personeel dat tijdelijk op het bedrijf aan het werk is. Het gaat daarbij om goede, permanente voorzieningen voor een gebruik dat slechts tijdelijk van aard is. Het risico is aanwezig dat de voorzieningen ook permanent gebruikt gaan worden of er een recreatief verblijf ontstaat. Bovendien zijn in Oisterwijk alternatieven aanwezig (binnen de kernen, op de verblijfsrecreatieve terreinen). Vooralsnog wordt daarom niet voorzien in een mogelijkheid om seizoenswerkers tijdelijk te huisvesten op de agrarische bedrijven.

Verlichting in het buitengebied

Vooruitlopend en aanvullend op de "toolkit" met activiteiten en maatregelen die de duisternis in het buitengebied kunnen versterken (op te stellen in het kader van het project "Duisternis in zicht?") worden ook in dit bestemmingsplan regels met betrekking tot verlichting voorgesteld. Duisternis is een belangrijke ruimtelijke kwaliteit, zeker in een gebied met belangrijke landschaps- en natuurwaarden zoals het Oisterwijkse buitengebied. In aanvulling op de regeling in het kader van de milieuwetgeving worden in het bestemmingsplan voorwaarden gesteld aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die invloed kunnen hebben op de duisternis: uitbreiding van glastuinbouw, nieuwe teeltondersteunende voorzieningen, uitbreiding en vestiging van bedrijfsfuncties.