direct naar inhoud van 5.2 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief
Plan: Oisterwijk Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.BPbuitengebied2010-0002

5.2 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief

Naar een bredere functionaliteit

Het beleidskader (hoofdstuk 3) en de analyse van kwaliteiten / functies / ontwikkelingen (hoofdstuk 4) geven aan dat de functie en positie van het landelijk gebied is gewijzigd en gekenmerkt wordt door een brede functionaliteit.

Het landelijk gebied van Oisterwijk beschikt over sterke omgevingskwaliteiten, tot uitdrukking komend in waardevol bos- en natuurgebied en een herkenbaar cultuurlandschap met aantrekkelijke beken en waardevolle bebouwing. Deze kwaliteiten hangen in belangrijke mate samen met de ontginningsgeschiedenis en functie van het gebied. Een verdere versterking van deze omgevingskwaliteiten vindt plaats via ontwikkeling van natuur aansluitend aan of in combinatie met de waterelementen (de Reusel, Voorste Stroom gebied).

Deze omgevingskwaliteiten zijn van grote betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het plangebied en het aangrenzende verstedelijkte gebied (Tilburg en omgeving) en voor de economische potenties van het gebied.

De economische toekomst van het landelijk gebied hangt niet meer alleen af van ontwikkelingen in de landbouw maar ook van de mogelijkheden / ontwikkelingen van het landelijk gebied voor vormen van gebruik als wonen, toerisme en recreatie, niet-agrarische bedrijvigheid / werkgelegenheid en dienstverlening. De sterke omgevingskwaliteiten zijn daarbij van belang voor de slagingskansen van economische ontwikkelingen in bijvoorbeeld de recreatieve sfeer.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met een toenemende waardering / beleving van het landelijk gebied als omgevingsfactor (natuur, landschap, rust, ruimte) en met nieuwe ruimtelijke claims ten behoeve van waterbeheer (waterberging).

Kortom de betekenis van de (grondgebonden) landbouw als belangrijkste sociaal-economische drager van het platteland en verschaffer van werkgelegenheid wordt minder, maar de betekenis van het landelijk gebied voor de samenleving en andere economische sectoren neemt eerder toe dan af.

Deze verschuiving / verandering van positie en functie van het landelijk gebied is ook nadrukkelijk aan de orde in Oisterwijk. Het aantal agrarische bedrijven is afgenomen maar de dynamiek en de behoefte aan ontwikkelingsruimte op de overblijvende bedrijven is des te groter. Sleutelwoorden bij het zoeken naar perspectieven en oplossingen in de agrarische sector zijn schaalvergroting, structuurverbetering en verbreding, dat wil zeggen:

  • schaalvergroting van de landbouw door concentratie van productie op steeds minder maar grotere bedrijven;
  • structuurverbetering van de landbouw door het (via inzet van landinrichting) tot stand brengen van verbetering van verkavelingssituatie, van waterhuishouding en van infrastructuur;
  • verbreding van landbouwontwikkeling door specialisatie en diversificatie binnen de agrarische sector (ruime diversiteit aan teelten) en door niet-agrarische toevoegingen aan de bedrijfsvoering zoals agrarisch natuurbeheer, verkoop-aan-huis en dergelijke.

Deze ontwikkelingen laten overigens onverlet dat wat betreft ruimtegebruik de landbouw ook in de toekomst in ruimtelijk en landschappelijk opzicht een belangrijke economische drager zal blijven van het buitengebied van Oisterwijk en een belangrijke ruimtegebruiker en beheerder van het gebied.

De bredere functionaliteit van het landelijk gebied van Oisterwijk komt in de huidige situatie tot uitdrukking in de aanwezigheid van recreatieve en toeristische voorzieningen, agrarisch verwante bedrijven, niet-agrarische bedrijven en een omvangrijke woonfunctie. Er is een stijgende vraag naar ontwikkelingsmogelijkheden van nieuwe economische activiteiten, getuige ook de reacties van belanghebbenden tijdens inloopbijeenkomsten die de gemeente heeft georganiseerd in mei 2007.

Hoofddoelstelling

Het ruimtelijk beleid zal in moeten spelen op deze verandering van positie en functie van het landelijk gebied. Dit noodzaakt tot een andere benadering van de ruimtelijke ordening en de sturing van het grondgebruik in het buitengebied: minder verdelen en toedelen van ruimte als sturend kader maar veel meer toetsen van activiteiten aan hun economische en ruimtelijk-kwalitatieve bijdrage aan het landelijk gebied. Het ruimtelijk beleid zal daarbij gericht moeten worden op die meer integrale en multifunctionele betekenis en toekomst van het landelijk gebied en op de specifieke kansen en ontwikkelingsrichtingen die daarbij voor Oisterwijk aan de orde zijn en op behoud en verdere ontwikkeling van die sterke omgevingskwaliteiten.

Gelet op het bovenstaande wordt voor het bestemmingsplan Buitengebied de volgende hoofddoelstelling geformuleerd: Behoud en ontwikkeling van de economische vitaliteit en van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

Het gaat daarbij nadrukkelijk om de combinatie en de onderlinge versterking van economische vitaliteit (economisch en sociaal-cultureel kapitaal) en ruimtelijke kwaliteit (ecologisch en sociaal-cultureel kapitaal): zoeken naar een breder sociaal-economisch draagvlak dat tevens bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied; ruimtelijke kwaliteit als vliegwiel voor economische activiteit.

Economische vitaliteit

Versterking van economische vitaliteit richt zich op het waarborgen van een sociaal-economisch goed functionerend platteland. Ondanks de in hoofdstuk 4 beschreven ontwikkelingen met betrekking tot de landbouw blijft de landbouw ook in de toekomst een belangrijke rol spelen als ruimtegebruiker en beheerder van het landelijk gebied van Oisterwijk.

Het versterken van de economische vitaliteit zal zich dan ook in eerste instantie moeten richten op het creëren van de ruimtelijke mogelijkheden voor een ontwikkeling naar verbrede, duurzame en multifunctionele landbouw.

Voor het landelijk gebied van Oisterwijk zal die economische vitaliteit via de volgende drie sporen ingevuld worden: het spoor van duurzame en zo flexibel mogelijke agrarische ontwikkeling, het spoor van versterking van de recreatieve potenties en het spoor van verbrede plattelandsontwikkeling.

Het spoor van de duurzame, flexibele en concurrerende agrarische ontwikkeling richt zich op het in het ruimtelijk beleid ruimte geven aan de landbouw om te kunnen inspelen op de noodzakelijke aanpassingen, veranderingen en perspectieven binnen deze sector (schaalvergroting, verduurzaming, verbreding en vernieuwing van de landbouw). In toenemende mate wordt van de landbouwsector een grote verscheidenheid aan producten en diensten verwacht. Dit betekent een ruimtelijk beleid dat de grondgebonden bedrijfsvormen ruimte en flexibiliteit biedt ten aanzien van uitbreiding, ontwikkeling van neventakken, omschakeling en verandering in grondgebruik of productiewijze (waaronder biologische landbouw). Voor de intensieve veehouderij zal de Verordening Ruimte leidend zijn voor het ruimtelijke beleid.

Van belang is ook de structuurverbetering van de landbouw die met het landinrichtingsproject de Hilver wordt nagestreefd. Het plan omvat concrete maatregelen als kavelverbetering (samenvoegen kavels, vergroten huiskavel, opheffen versnippering), verbetering waterhuishouding (verbetering, ontwatering, tegengaan verdroging) en infrastructurele verbeteringen (afstandsverkorting).

De inzet en uitvoering van dit landinrichtingsproject leidt tot een verbetering van de "accommodatie" waarbinnen de landbouw invulling kan geven aan het spoor van duurzame, flexibele en concurrerende agrarische ontwikkeling.

Het spoor van de versterking van de recreatieve potenties richt zich op verdere stimulering van recreatie en toerisme met een focus op kwaliteit, variatie en duurzaamheid, het toeristisch ontsluiten van cultuur en cultuurhistorie en het versterken van de relatie natuur en cultuur, het ontwikkelen van agrotoerisme waarbij een hoger ambitieniveau van de voorzieningen wordt nagestreefd en een betere beheersing van de stroom van recreanten (groene poorten en recreatieve entrees).

Verbeteren en benutten van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit verhoogt de aantrekkelijkheid en aantrekkingskracht van het gebied waardoor kwaliteitsverbetering van het bestaande recreatieve aanbod kan worden ingezet en ruimte voor nieuwe initiatieven ontstaat.

Het spoor van de verbrede plattelandsontwikkeling richt zich op het benoemen en in het ruimtelijk beleid mogelijk maken van nieuwe economische dragers. De provinciale nota Buitengebied in Ontwikkeling is daarbij richtinggevend. Onlosmakelijk verbonden met de toepassing van nieuwe economische dragers is de bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke kwaliteit

Naast economische versterking is behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit essentieel voor de toekomst van het landelijk gebied. De (culturele) identiteit, cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit van het landelijk gebied zijn wezenlijke onderdelen van en vormen mede voorwaarden voor economische en sociale ontwikkeling.

Het is van belang om die identiteit en kwaliteit voor het landelijk gebied van Oisterwijk te benoemen. In het kader van het bestemmingsplan heeft behoud van ruimtelijke kwaliteitmet name betrekking op het karakteristieke landschappatroon en de ecologische kwaliteit van het buitengebied.

In essentie gaat het bij het karakteristieke landschapspatroon van het plangebied om de volgende elementen (bron: StructuurvisiePlus, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening):

  • Oisterwijkse bossen en vennen;
  • het aangrenzende overgangsgebied ten zuiden van de bossen en vennen waar sprake is van oude akkerbouwcomplexen en historische groenstructuren;
  • de beken de Reusel, Voorste Stroom, Achterste Stroom, Rosep, Beerze en Essche Stroom;
  • het herkenbare, open beekdal van de Reusel en het dal van de Voorste Stroom;
  • de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, archeologische monumenten, molenbiotopen, onverharde wegen en historische lijnen.

Bij de ecologische kwaliteit gaat het met name om (bron: gegevens Ecologische Hoofdstructuur):

  • (het natte gedeelte van) de Oisterwijkse bossen en vennen;
  • het beekdal van de Reusel;
  • de gebieden grenzend aan de Reusel en de Oisterwijkse bossen en vennen die belangrijke leefgemeenschappen van planten en dieren herbergen.

Naast behoud is ook verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van belang. Binnen het plangebied worden de volgende ontwikkeling van kwaliteiten voorzien (bron: Structuurvisie Ruimtelijke ordening, Verordening Ruimte, reconstructieplannen, Nota BIO, StructuurvisiePlus, gebiedsconvenant Groene Mal):

  • ecologische verbindingszones langs (delen) van de Voorste Stroom, de Achterste Stroom, Wilhelminakanaal en de Reusel;
  • realisatie van de ecologische hoofdstructuur en behoud van het buffergebied (groenblauwe mantel);
  • de inrichting van een waterbergingsgebied langs de Reusel;
  • herstellen van de natuurlijke uitstraling van de beken;
  • inrichting van inundatiegebieden;
  • aanleg, op vrijwillige basis, van landschapselementen in het kader van de Groene Mal en Het Groene Woud in het gebied Leemkuilen-Vennen;
  • ontwikkeling van landgoederen in de daarvoor aangewezen gebieden uit de StructuurvisiePlus;
  • versterken en ontwikkelen van cultuurhistorisch waardevolle elementen en gebouwen;
  • versterken van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwingsconcentraties;
  • groene poorten en recreatieve entrees voor de opvang en regulering van bezoekersstromen (minder verstoring, meer ruimte voor natuurontwikkeling).

Conclusie

Bij de genoemde sporen voor invulling van de economische vitaliteit zal de ruimtelijke kwaliteit (het karakteristieke landschapspatroon, de ecologische structuur en de na te streven ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit) het richtinggevend kader vormen.

In bijlage 7 worden de beleidsdoelstellingen, gerangschikt naar ecologisch, sociaal-cultureel en economisch kapitaal weergegeven. Uit bijlage 7 blijkt dat met de vaststelling van het bestemmingsplan buitengebied een uitzonderlijke bijdrage wordt geleverd aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Bij realisering van onderstaande doelen, wordt in de komende jaren een grote vooruitgang geboekt in alle drie de kapitalen; ecologisch, sociaal-cultureel en economisch.