direct naar inhoud van 4.3 Natuur
Plan: Oisterwijk Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.BPbuitengebied2010-0002

4.3 Natuur

Huidige situatie

Voor de beschrijving van de natuurwaarden is gebruik gemaakt van provinciale gegevens (gedetailleerde kaarten GHS en achterliggende kaarten van biotopen) alsmede van de informatie behorende bij de aanwijzing tot Natura 2000-gebied. De ontginningsgeschiedenis en abiotische omstandigheden (zie par. 4.1. en 4.2.) zijn mede van invloed (geweest) op de aard van de natuurwaarden.

In het plangebied komen de volgende waardevolle biotopen voor (zie figuur 4.1).

1. Vogels van heide en bossen

Belangrijke gebieden voor bosvogels onderscheiden zich door het voorkomen van vogelsoorten die of kenmerkend zijn voor droge, halfopen bossen, heidegebied en zandverstuivingen of typerend zijn voor natte bossen. De biotoopeisen van bosvogels laten zich moeilijk combineren met een agrarisch grondgebruik en zijn voor de vogelsoorten van de droge bos- en heidemilieus wezenlijk anders dan die voor de natte bossen. Een kleinschalige overgang van het bos naar het agrarisch gebied en de aanwezigheid van moerassige terreinen zijn van belang.

2. Weidevogels, zwanen en ganzen

Weidevogels bevinden zich in open landschappen. Openheid, rust en natte graslanden zijn bepalend voor de aanwezigheid van deze soorten. Zwanen en ganzen gebruiken de natte graslanden vooral om te foerageren. De biotoopeisen zijn aaneengesloten graslanden met vooral in het voorjaar een hoge waterstand, openheid en rust.

3. Vogels van moerassen en kleine wateren

Moerasvogelgebieden worden gekenmerkt door het voorkomen van bedreigde soorten als de bruine kiekendief, zomertaling, roerdomp en rietzanger en door een grote afwisseling in wateroppervlak en opgaande begroeiing. De eisen die moerasvogels aan hun biotoop stellen zijn over het algemeen niet te combineren met een agrarische bedrijfsvoering. Het beheer in de agrarische gebieden rondom de moerasgebieden kan echter op behoud en herstel van de natuurwaarden van het moerasgebied worden afgestemd. De negatieve invloed vanuit de landbouw als gevolg van ontwatering en eutrofiering kan worden beperkt.

4. Struweelvogels

Struweelvogels broeden en foerageren in hagen, houtwallen en struwelen bestaande uit opgaande bomen en struiken met een ondergroei van ruigtekruiden. Ook erfbeplantingen voldoen. Voor de struweelvogels dienen de dichtheid en lengte van landschapselementen in het agrarisch gebied gehandhaafd of uitgebreid te worden.

5. Bijzondere planten en plantengemeenschappen

Met name op de plaatsen waar sprake is van kwel, een afwijkende bodem of minder intensief benutte gronden voor de landbouw (overhoeken, slootkanten) zijn waardevolle planten te vinden.

6. Diersoorten van stromend water

De kerngebieden voor dieren van stromend water zijn geselecteerd op het voorkomen van diersoorten die typerend zijn voor stromend zuiver water. Maatregelen die een positief effect hebben op de aanwezigheid van deze dieren zijn gericht op het reguleren van de piekafvoer, oeverbeheer, waterkwaliteit en op meandering van de waterloop.

7. Dagvlinders natte biotopen

Deze vlinders leven in natte, open moerassige terreinen met dopheide en kruidenrijke graslanden temidden van open tot half open bossen, of ze komen voor in half open bossen met kruidenrijke bermen of weilanden en kleine poeltjes. In graslanden die intensief gebruikt en bemest worden zijn ze slechts in geringe mate aanwezig. De dagvlinders zijn derhalve gebaat bij de aanwezigheid van extensief beheerde vochtige graslandjes met aan de randen van het agrarische gebied hagen of houtwallen voor beschutting.

8. Amfibieën en reptielen

Amfibieën (salamanders, kikkers en padden) en reptielen (hagedissen en slangen) komen voor in droge milieus zoals zandverstuivingen en heidevelden terwijl andere soorten een voorkeur hebben voor kleine plassen, vennetjes en natte heideterreinen. Voor deze diersoorten zijn drie aspecten van belang: kwalitatief goede voortplantingsbiotopen, goede foerageergebieden en veilige en rustige winterverblijfplaatsen. Het streefbeeld bestaat dan ook uit een voortplantingsbiotoop (ven of poel) met in de directe omgeving kleine landschapselementen, graslanden en kruidenrijke zomen. Bescherming van kleine landschapselementen levert een belangrijke bijdrage aan de bescherming en uitbreiding van deze diersoorten.

Natura-2000

De aanwijzing van het gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen tot Natura-2000 gebied (zie ook par. 3.1.) is gebaseerd op het voorkomen van 4 bijzondere natuurlijke habitattypen (soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems, actief hoogveen, kalkhoudende moerassen en bossen op alluviale gronden) en 4 prioritair te beschermen soorten (gestreepte waterroofkever, kleine modderkruiper, kamsalamander en drijvende waterweegbree).

Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Het streven om te komen tot een Ecologische Hoofdstructuur is geconcretiseerd door het aanwijzen van gebieden voor instandhouding dan wel versterking van bestaande natuur, gebieden voor ontwikkeling van nieuwe natuur en de aanwijzing van zones die ecologische verbindingen moeten gaan vormen.

Gronden voor nieuwe natuur zijn daarbij aangewezen als natuurontwikkelingsgebied, reservaatgebied of beheersgebied. Agrarische gebieden die zijn aangewezen als natuurontwikkelingsgebied of reservaatgebied kunnen, op basis van vrijwilligheid, omgezet worden in natuurgebied. Beheersgebieden behouden de agrarische functie, door een aangepast agrarisch gebruik kunnen natuurwaarden worden ontwikkeld.

Bij de realisering van ecologische verbindingszones vervult het waterschap een voortrekkersrol.

Binnen de gehele ecologische hoofdstructuur (bestaande en nieuw te ontwikkelen natuur) zijn de beoogde natuurdoeltypen benoemd in het Natuurgebiedsplan van de provincie Noord-Brabant.

In het gebied rond de Voorste Stroom en de Reusel zijn voornamelijk reservaatsgebieden en natuurontwikkelingsgebieden aangewezen. Het gebied ten oosten van de Oirschotsebaan is hoofdzakelijk aangewezen als beheersgebied.

Samenvattend

Uit figuur 4.1 blijkt dat veel biotopen in combinatie met elkaar voorkomen en dat de meeste gelegen zijn in het Oisterwijkse bossen- en vennengebied en het aangrenzende Kampina. In het gebied Belversche Bergen-Klein Goor-Groot Goor-Balsvoort is een grote soortenrijkdom aanwezig met vogels van heide en bossen, bijzondere planten en plantengemeenschappen, dagvlinders van natte biotopen, amfibieën en reptielen. Opvallend is dat in het grote middengebied rondom het Kolkven en het Voorste Goorven weinig bijzondere dieren worden gesignaleerd (wel bijzondere plantengemeenschappen). Het bosgebied rond het Bergh- of Galgeven vormt een geschikte biotoop voor amfibieën en reptielen. In de bossen bij de Kerkeindse Heide komen met name vogels van heide en bossen voor. Voldoen aan de biotoopeisen en daarmee verder ontwikkelen van natuurwaarden zou in de bestaande bos-, heide- en vennengebieden mogelijk moeten zijn. De bos-, heide- en vennengebieden zijn in de EHS aangemerkt als bestaande natuur.

Diersoorten van stromend water komen voor in de Beerze, een gedeelte van de Rosep en een relatief klein gedeelte van de Reusel.

Het agrarische gebied rondom de natuurgebiedjes in het westelijke gedeelte van het stroomgebied van de Voorste Stroom vormt een waardevolle biotoop voor vogels van moerassen en kleine wateren. Het agrarisch gebruik kan hier een negatieve invloed hebben op het leefgebied door met name eutrofiering en ontwatering. Langs de Voorste Stroom zijn grotere gebieden dan de huidige biotopen aangewezen als natuurontwikkelingsgebied en reservaatgebied.

Het agrarische gedeelte van de Kerkeindse Heide is een leefgebied voor struweelvogels. Behoud van landschapselementen (waaronder erfbeplanting en bermbeplanting) is hier van belang. Het gebied is niet opgenomen in de EHS.

Het agrarische gebied rond de Reusel kent een verscheidenheid aan biotopen met weidevogels, zwanen, ganzen, struweelvogels, bijzondere planten en plantengemeenschappen en een klein gebiedje met dagvlinders van natte biotopen. Bijzonder is het voorkomen van blauwgras en orchideeën in het Helsbroek. De biotoopeisen zijn hier natte graslanden met rust en openheid.

Een aantal biotoopgebieden voor weidevogels, zwanen en ganzen zijn niet opgenomen in de EHS, andere gebieden zijn aangewezen tot natuurontwikkelings- of reservaatgebied. De gronden aan weerszijden van de Reusel, ter hoogte van de kern Moergestel, waar geen bijzondere biotoop is onderscheiden, zijn aangewezen als natuurontwikkelingsgebied.

Bijzonder zijn tot slot de agrarische percelen ten oosten en deels ten westen van de Oirschotsebaan. In of grenzend aan deze gebieden komen bosvogels, weidevogels, zwanen, ganzen, bijzondere planten en plantengemeenschappen, dagvlinders van natte biotopen en amfibieën en reptielen voor. Deze leefgemeenschappen hebben specifieke wensen voor de agrarische gronden; natte graslanden, kleinschalig, extensief, kruidenrijk, begrensd door landschapselementen. De biotoopgebieden zijn grotendeels (maar niet volledig) aangewezen als beheersgebied.

Toekomstige ontwikkelingen

Het toekomstperspectief voor de natuur wordt in belangrijke mate bepaald door de inspanningen in het kader van natuurbeleid en de autonome ontwikkelingen in de landbouw.

Verwezenlijken ecologische hoofdstructuur (EHS)

Het behoud en de versterking van bestaande natuur en de realisering van nieuwe natuur en ecologische verbindingszones is binnen de plantermijn te verwachten aangezien zij tevens een belangrijk onderdeel vormen van de reconstructieplannen (waarin een versnelde realisatie van de EHS en ecologische verbindingszones wordt nagestreefd) en er extra inspanningen worden gedaan voor de realisatie van het Groene Woud. Langs de Reusel zijn agrarische gronden in het kader van de landinrichting toebedeeld aan terreinbeherende instanties. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de EHS- natuurontwikkelingsgebieden.

Groenblauwe mantel

Het behoud en de ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur is mede afhankelijk van de mate waarin het buffergebied rond de EHS wordt voorzien van een planologische bescherming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPbuitengebied2010-0002_0011.jpg"

Figuur 4.1. Biotopen

Autonome ontwikkelingen in de landbouw

Door het aangescherpte milieubeleid wordt de agrarische sector aangespoord om de milieubelasting terug te dringen, met name door het verminderen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mineralenverliezen. Als deze inspanningen succes hebben, neemt de waterkwaliteit toe, hetgeen voor alle relevante ecologische processen in het gebied een positieve ontwikkeling is.

Daarnaast kan de groeiende belangstelling voor agrarisch natuurbeheer binnen de agrarische bedrijven een positieve bijdrage leveren aan de (ontwikkeling van) natuurwaarden in het plangebied. Met betrekking tot natuurvriendelijk perceelsrandenbeheer kan bijvoorbeeld natuurwinst worden geboekt.

Daar staat tegenover dat een verdere intensivering van het grondgebruik, in de vorm van verbetering van de externe productiefactoren voor de landbouw (bijvoorbeeld het dempen van sloten of het aanleggen van verhardingen) of uitbreiding van andere teelten dan akker- en grasland negatieve gevolgen voor de natuurwaarden in het plangebied kan hebben.

Sectorale bouwstenen voor beleid

Op basis van de huidige ecologische kwaliteiten van het plangebied en de autonome en beleidsmatige ontwikkelingen, wordt vanuit natuur de volgende bouwstenen voor het bestemmingsplan geformuleerd:

  • behouden en beschermen van bestaande natuurgebieden en / of gebieden met natuurwaarden (de ecologische hoofdstructuur);
  • ontwikkelen van een bufferzone rond de ecologische hoofdstructuur (groenblauwe mantel);
  • ontwikkelen en realiseren van de ecologische verbindingszones Wilhelminakanaal, Voorste Stroom, Achterste Stroom en (een klein gedeelte van de) Reusel;
  • behouden van de openheid, rust en het natte graslandareaal in het agrarisch gebied rondom de Reusel;
  • behouden en ontwikkelen van bermbeplanting, erfbeplanting en kleinschalige landschapselementen in het agrarische gebied Kerkeindse Heide;
  • behoud en ontwikkeling van kleinschalig landschap met vennetjes of poelen, landschapselementen, extensief gebruikte graslanden en kruidenrijke zomen in het gebied ten oosten en westen van de Oirschotsebaan.