direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Woningbouw Dillenburg
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel wijzigingsplan

Aanleiding

In het bestemmingsplan Dillenburg (18 december 2012) is het Programma Dillenburg en de Stedenbouwkundige visie voor het gebied Dillenburg planologisch vertaald. Voor het woongebied aan de zuidzijde was nog geen gedetailleerde invulling bekend. Aangezien de randvoorwaarden voor de ontwikkelingen op dat moment al duidelijk waren is ervoor gekozen om enkele wijzigingsbevoegdheden in het plan Dillenburg op te nemen. Inmiddels is er een stedenbouwkundig ontwerp voor het woongebied, passend binnen de randvoorwaarden. De plancapaciteit betreft de bouw van maximaal 130 woningen.

Met de ontwikkeling van het nieuwe woongebied Dillenburg wordt tevens de infrastructuur in deze omgeving aangepast. De huidige ontsluiting van de kern Drunen via de Prins Hendrikstraat wordt afgesloten. De nieuwe ontsluiting zal plaatsvinden via de meer zuidelijk gelegen Tinie de Munnikstraat die doorgetrokken wordt in de richting van de Lipsstraat.

Doel

De ontwikkelingen zijn niet rechtstreeks toegestaan op basis van het bestemmingsplan Dillenburg. Het voorliggende wijzigingsplan effectueert de wijzigingsbevoegdheden uit dit bestemmingsplan. Het wijzigingsplan bevat enerzijds voldoende flexibiliteit voor de toekomstige woningbouw en anderzijds voldoende rechtszekerheid voor de omwonenden.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van Drunen en is onderdeel van het gebied Dillenburg. Het nieuwe woongebied wordt begrensd door de dillenburgstraat in het westen, de tiny de Munnikstraat in het noorden, de Lipsstraat in het oosten en de Hogeweg in het zuiden. Verder zijn de Prins Hendrikstraat en de Tiny de Munnikstraat onderdeel van het plan. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0001.png"

figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Leeswijzer

In het voorliggende wijzigingsplan staat de toetsing aan de opgestelde wijzigingsregels centraal. In hoofdstuk 2 wordt dan ook eerst ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling. Waarna in hoofdstuk 3 en 4 de toetsing aan de wijzigingsregels plaatsvindt. Als laatste (hoofdstuk 5) wordt de wijze van bestemmen nader verklaard. In hoofdstuk 6 en 7 zijn de financiële en maatschappelijke haalbaarheid toegelicht.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

2.1 Beleidskader

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Beleidskader

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig.

De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.

In de SVIR zijn nationale belangen geformuleerd. Een aantal van deze nationale belangen is juridisch geborgd via het Barro, dat in december 2011 in werking is getreden.

Duurzame verstedelijking

De SVIR beschrijft de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording dient te bevatten dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Om het proces van stedelijke ontwikkelingen op een gewenste wijze te laten plaatsvinden worden stappen voorgeschreven ('de treden van de ladder'). De ladder voor duurzame verstedelijking werkt met de volgende opeenvolgende stappen ('de treden van de ladder'):

  • 1. beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling (aantal hectaren of aantal woningen) gaat het ook om kwalitatieve vraag (bijvoorbeeld een bedrijventerrein waar zware milieuhinder mogelijk is of een specifiek woonmilieu) op regionale schaal;
  • 2. indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten;
  • 3. indien herstructurering of transformatie van bestaand bebouwd gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of deze vraag op locaties kan worden ontwikkeld die passend multimodaal ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Toetsing

De gemeente Heusden maakt deel uit van de regio Noordoost-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het "Regionaal Ruimtelijk Overleg" / RRO samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaars-periode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit 2014. In de planperiode van 2015 tot en met 2024 bedraagt de bouwopgave voor Heusden 2.286 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas van de gemeente, maar ook in de huishoudenverdunning en de verwachte migratie. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave, een woningbehoefte, van 18.900 woningen. Voor de lange termijn -tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen.

 

Door de ligging van de gemeente Heusden, op de rand van de regio Noordoost-Brabant, is er tevens een samenwerking met de regio Hart-van-Brabant. En vooral intensief binnen de subregio de Langstraat, die wordt gevormd door de gemeenten Waalwijk, Loon op Zand en Heusden. Deze gemeenten vormen samen één woningmarkt. Woningbouwplanning en plannen worden binnen de Langstraat actief afgestemd, zowel kwalitatief als kwantitatief. Dit vindt zijn weerslag in de monitor. De 130 geplande woningen in Dillenburg maken deel uit van de geplande en afgestemde woningbouwplannen. Binnen de kern Drunen is de woningbehoefte groter dan het aanbod in de komende jaren. Zowel regionaal als lokaal voldoet dit plan aan een actuele behoefte.

In de planning van de gemeente Heusden zijn in de komende vijf jaar 1.061 (2015-2019) woningen gepland en er zijn 2.201 woningen gepland voor de komende tien jaar (2015-2025). Hiermee blijft de gemeente iets achter op de prognose van de provincie.
Van dit geplande aantal woningen is op dit moment 47% (1.078 woningen) harde plancapaciteit. Deze nog te bouwen woningen zijn opgenomen in vastgestelde bestemmingsplannen. Met de woningen in Dillenburg komt de harde plancapaciteit uit op 53% van het aantal geprognosticeerde woningen de komende 10 jaar. Daarmee blijft er meer dan voldoende flexibele ruimte tussen de woningbouw prognose en de harde plancapaciteit.

Het plan ligt binnen de kern Drunen en in het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is aangetoond dat het voldoet aan een actuele behoefte en gelegen is binnen stedelijk gebied. Er wordt hiermee voldaan aan de eerste 2 treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Verordening Ruimte 2014

Voor het woningbouwgebied Dillenburg, dat ligt binnen bestaand stedelijk gebied, geeft de verordening uitsluitend regels over het aantal woningen en de wijze van verantwoording.

In de verordening Ruimte 2014 is gesteld dat in de toelichting op een bestemmingsplan verantwoord moet worden hoe de woningen zijn afgestemd in regionaal verband en of het onderdeel uitmaakt van de harde plancapaciteit.

Toetsing

Deze toetsing is opgenomen onder de toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking.

Woonvisie 2014-2024

De voorliggende ontwikkeling betreft een uitwerking van het gemeentelijk beleid. Dit beleid is onder meer opgenomen in de gemeentelijke woonvisie. De woonvisie van de gemeente Heusden heeft inzicht gegeven in de kwalitatieve en de kwantitatieve bouwopgave. In kwalitatief opzicht is bij de uitwerking van het wijzigingsplan Dillenburg rekening gehouden met de Woonvisie door een gevarieerd woonprogramma mogelijk te maken. Vanuit kwantitatief oogpunt geeft het voorliggende wijzigingsplan invulling aan de woningbouwbehoefte in de gemeente Heusden.

Welstandsnota Heusden 2012

De gemeente heeft haar welstandsbeleid geactualiseerd in de Welstandsnota Heusden 2012, vastgesteld op 14 februari 2012. Uitgangspunt voor de herziening is dat de gemeente welstand wil loslaten waar dit kan. Dit resulteert in grote gebieden binnen de gemeente die welstandsvrij zijn verklaard, waaronder het plangebied. Er is nu geen welstandstoetsing in het plangebied van toepassing. In de welstandsnota is opgenomen dat per ontwikkelingslocatie wordt bekeken of het noodzakelijk is eisen voor beeldkwaliteit op te stellen. Uitgangspunt is dat betrokken partijen (bewoners, ontwikkellaar) zelf de verantwoordelijkheid voor hun gebouwde omgeving kunnen dragen. Daarnaast zijn de bouwmogelijkheden zorgvuldig afgewogen in het bestemmingsplan. Daarom worden geen aanvullende beeldkwaliteitseisen voor het plangebied opgelegd.

2.2 Beschrijving ontwikkelingskader

De stedenbouwkundige visie uit 2010 vormt het uitgangspunt voor het ontwikkelingskader.

Stedenbouwkundige visie

Door Van den Oever Zaaijer & Partners architecten is een stedenbouwkundige visie gemaakt voor het gebied Dillenburg. Dit stedenbouwkundig plan is in 2010 opgesteld en heeft betrekking op het volledige gebied Dillenburg. Intussen is gebleken dat bepaalde aspecten anders worden ingevuld. De hoofdopzet blijft echter gehandhaafd.

 

De nieuwe woonwijk wordt gekenmerkt door meerdere lineaire structuren, gebaseerd op de huidige structuur van het landschap en gevormd door de openbare ruimte (verkeer, parkeren en groen). Dit raamwerk is zodanig opgezet dat hierbinnen ‘woonvelden’ zullen ontstaan. Deze woonvelden kunnen worden ingevuld met diverse woningtypen. Vrijwel alle woningen worden door middel van een lusvormig stratenpatroon ontsloten vanaf de nieuwe hoofdontsluiting. Daarmee zijn aansluitingen op bijvoorbeeld de Hogeweg en de Dillenburgstraat niet nodig, waardoor enerzijds deze straatprofielen onaangetast kunnen blijven en anderzijds ‘sluipverkeer’ door de wijk wordt voorkomen.


Voor de woningen aan de Hogeweg, is het mogelijk de kavels vanaf de Hogeweg te ontsluiten, om daarmee het karakter van de lintbebouwing te versterken. Het gaat slechts om een tiental woningen, waardoor de verkeerbelasting van de Hogeweg minimaal is en het karakter van de weg niet zal veranderen. Anno 2015 is gebleken dat ontsluiting van de woningen op de Hogeweg niet mogelijk is. Het stratenpatroon is niet berekend op extra verkeer. Doordat de ontsluiting niet plaatsvindt op de Hogeweg worden de woningen ook niet georiënteerd op de Hogeweg. Dat maakt het ook mogelijk om andere woningtypen dan vrijstaand toe te staan. Het woningtype kan nu meer afgestemd worden op dat in het woongebied Dillenburg. Wat wel blijft is noord-zuid gerichte verkaveling, waarbij de percelen onder een hoek met de Hogeweg liggen, net als de bestaande woningen aan de Hogeweg. Tussen de Hogeweg en de nieuwe woningen wordt een groene structuur aangelegd.

In de stedenbouwkundige opzet wordt eveneens rekening gehouden met een gunstige oriëntatie op de zon.

Woningbouwprogramma

In het nieuwe woongebied worden maximaal 130 woningen gebouwd. Dit betreft verschillende type woningen zoals: vrijstaand, twee-onder-een-kap woningen, aaneengebouwde woningen, patio-woningen. In het wijzigingsplan worden geen locaties voor bepaalde woningtypen vastgelegd anders dan ter plaatse van de Hogeweg. In de wijzigingsregels is gesteld dat de woningen aan de Hogeweg vrijstaand moeten worden gerealiseerd. Nu de woningen niet op de Hogeweg zijn georiënteerd zijn ook andere woningtypen toegestaan. Dit biedt flexibiliteit bij de ontwikkeling van het gebied en hiermee kan tegemoet worden gekomen aan woonwensen van de toekomstige bewoners.

Groenzones

Het nieuwe woongebied wordt gekenmerkt door één grote groenzone in het midden van het plangebied. Ook aan de noordzijde van de wijk wordt een forse groene zone gerealiseerd. Elders in het plangebied worden nog kleinere groenelementen gerealiseerd. Deze elementen worden verspreid door de wijk heen aangebracht zodat een groen beeld ontstaat. Aan de zuidzijde van het plangebied grenzend aan de Hogeweg wordt een groenzone opgenomen. In figuur 2.1. is een voorbeelduitwerking van verkaveling opgenomen. Uit deze figuur volgen wel de locaties van de groenelementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0002.jpg"

Figuur 2.1. voorbeeld uitwerking groenzones en verkaveling

Verkeer

Ontsluiting

De Prins Hendrikstraat is de huidige gebiedsontsluitingsweg aan de oostzijde van de kern Drunen. Deze weg gaat aan het verkeer worden onttrokken. De Tiny de Munnikstraat vervangt de Prins Hendrikstraat als gebiedsontsluitingsweg. De Tiny de Munnikstraat dient onder andere als ontsluiting richting de Spoorlaan van de bestaande wijk Braken-oost en de nieuwe woningbouwlocatie Dillenburg. Deze weg zal worden ingericht als een 30 km/uur zone (op basis van het gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan). Vanaf de nieuw te realiseren rotonde Lipsstraat tot de waterpartij wordt de weg ingericht als 50 km/uur zone met vrijliggende fietspaden. Ter hoogte van de waterpartij, net voorbij de noord-zuid verbinding Cees van Delftstraat, komt een overgangsconstructie van 50 naar 30 km/uur.

De vormgeving van de Tiny de Munnikstraat bij de aansluiting met de Dillenburgstraat wordt nog uitgewerkt.

Er komen geen autoverbindingen tussen de woningbouwlocatie en de Dillenburgstraat en de Hogeweg. Wel wordt rekening gehouden met een secundaire ontsluiting van de woonwijk. Deze 2e aansluiting dient uitsluitend als calamiteitenroute.

Prins Hendrikstraat

De Prins Hendrikstraat komt te vervallen als gebiedsontsluitingsweg. Hiermee kan het profiel worden afgewaardeerd en gaat de weg functioneren als langzaam verkeerroute (fietsen/wandelen) naar het recreatiepark en de school.

Langzaam verkeer

Bij de ontwikkeling van de woonwijk wordt van zuid naar noord een langzaamverkeerroute aangelegd naar het recreatiepark De Schroef. Deze route komt aan de westzijde van de waterpartij in de groenzone.

Openbaar vervoer

De bestaande openbaar vervoersljinen richting het centrum van Drunen worden verplaatst van de Prins Hendrikstraat naar de Tiny de Munnikstraat.

Bouwverkeer

Het bouwverkeer moet zo min mogelijk hinder veroorzaken. Om hiervoor te zorgen wordt het bouwverkeer geleid via de nieuwe rotonde aan de Lipsstraat of via de al aangelegde noord-zuid verbinding (Cees van Delftstraat) naar de Prins Hendrikstraat.

Parkeren

In het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij wordt aangesloten op het gemeentelijk parkeerbeleid. In de regels wordt eveneens opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

Parkeerterrein recreatiepark de Schroef

In de huidige situatie is het parkeerterrein ontsloten via de Prins Hendrikstraat. Na aanpassing van de infrastructuur, zoals hiervoor beschreven, wordt het parkeerterrein ontsloten via de Tiny de Munnikstraat en de Cees van Delftstraat. De ingang tot het terrein wordt eveneens verlegd naar de Cees van Delfstraat. Ook wordt het parkeerterrein beperkt uitgebreid.

Hoofdstuk 3 Wijzigingsvoorwaarden

Hierna zijn de wijzigingsvoorwaarden weergegeven van de verschillende wijzigingsgebieden. Per wijzigingsgebied is aangegeven of en hoe aan deze bepalingen wordt voldaan.

20.3 Wro-zone wijzigingsgebied - 1

Voorwaarde   Toetsing  
planwijziging mag alleen worden toegepast in combinatie met het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor de Wro-zone wijzigingsgebied - 2   De planwijziging wordt gecombineerd toegepast. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan.  
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast   Uit de uitgevoerde onderzoeken in hoofdstuk 4 blijkt dat het wijzigen van de bestemming Verkeer in de bestemming Groen geen onevenredige effecten heeft op de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.  
inzicht gegeven in de archeologische waarde   zie paragraaf 4.3; geconcludeerd kan worden dat archeologie geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.  
inzicht gegeven in de bodemhygiëne   zie paragraaf 4.2; geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de woonfunctie.  
een watertoets is uitgevoerd   zie paragraaf 4.1; De paragraaf is opgesteld en wordt voorgelegd aan de waterbeheerder de reactie van het waterschap wordt opgenomen in de nota vooroverleg.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0003.jpg"

Figuur 3.1. Wijzigingsgebied 1

20.4 Wro-zone - wijzigingsgebied - 2

Voorwaarde   Toetsing  
planwijziging mag alleen worden toegepast in combinatie met het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor de Wro zone wijzigingsgebied - 1;   De planwijziging wordt gecombineerd toegepast. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan.  
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig mogen worden aangetast;   Uit de uitgevoerde onderzoeken in hoofdstuk 4 blijkt dat het wijzigen van de bestemming Groen in de bestemming Verkeer geen onevenredige effecten heeft op de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.  
inzicht gegeven in de archeologische waarde   zie paragraaf 4.3; geconcludeerd kan worden dat archeologie geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.  
inzicht gegeven wordt in de bodemhygiëne   zie paragraaf 4.2; geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de woonfunctie.  
inzicht gegeven wordt in de effecten op het akoestisch klimaat   zie paragraaf 4.7 en 4.8  
inzicht gegeven wordt in de effecten op de luchtkwaliteit   zie paragraaf 4.10; De voorgenomen ontwikkeling heeft geen noemenswaardige effecten op de luchtkwaliteit ter plaatse.  
inzicht gegeven wordt in de effecten op de ecologische waarden   zie paragraaf 4.4; in het plangebied zijn geen ecologische belemmeringen aanwezig om het project uit te voeren.  
een watertoets is uitgevoerd   zie paragraaf 4.1 voor het aspect water; de reactie van de waterbeheerder is opgenomen in de nota vooroverleg.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0004.jpg"

Figuur 3.2. Wijzigingsgebied 2

20.5 Wro-zone - wijzigingsgebied - 3

Voorwaarde   Toetsing  
het aantal wooneenheden mag in totaal niet meer bedragen dan 130   In het plangebied worden 130 woningen toegestaan.  
hoofdgebouwen mogen gestapeld worden gebouwd, binnen de gegeven afmetingen voor hoofdgebouwen   Na planwijziging zijn de regels van het bestemmingsplan 'Dillenburg' van de gemeente Heusden van toepassing. Daarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde.  
hoofdgebouwen mogen vrijstaand, half vrijstaand, geschakeld of aaneen gebouwd worden gebouwd, met dien verstande dat woningen aan de Hogeweg uitsluitend vrijstaand mogen worden gebouwd   De genoemde woningtypes zijn toegestaan. De woningen aan de zuidelijke rand worden niet aan de Hogeweg, maar aan de nieuwe interne weg gebouwd. Aan de achterzijde zijn ze door tuinen en een groenstrook van de Hogeweg gescheiden. Nu de woningen niet op de Hogeweg zijn georiënteerd zijn ook andere woningtypen toegestaan. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan.  
de diepte van hoofdgebouwen mag, inclusief aan- en uitbouwen, niet meer bedragen dan 15 meter   voor de diepte van hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen is in de regels bij dit wijzigingsplan opgenomen dat deze niet meer mag bedragen dan 15 meter.  
de breedte van een hoofdgebouw mag, inclusief aan- en uitbouwen, per bouwperceel niet meer bedragen dan 15 meter   de breedte van hoofdgebouwen is vastgelegd in de regels bij dit wijzigingsplan.  
de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de bestemming Verkeer en Verkeer - Verblijf mag niet minder dan 3 meter bedragen   In de regels bij het wijzigingsplan is een bepaling opgenomen dat de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied niet minder dan 3 meter mag bedragen. Deze bepaling geldt voor 50% van de voorgevel van het hoofdgebouw.  
de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 7 meter bedragen   De goothoogte van woningen is overeenkomstig het bestemmingsplan Dillenburg ten hoogste 7 meter.  
de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 11 meter bedragen   De bouwhoogte van woningen is overeenkomstig het bestemmingsplan Dillenburg ten hoogste 11 meter.  
aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend vanaf 3 meter vanaf de voorgevellijn worden gebouwd   In de regels is een bepaling opgenomen waardoor aan- en uitbouwen en bijgebouwen tenminste 3 meter uit de voorgevellijn worden gebouwd.  
de gezamenlijke oppervlakte voor de bestemming Groen mag niet minder bedragen dan 3.500 m²   De oppervlakte van de bestemming Groen betreft 4.161 m2.  
per woning worden tenminste 2 parkeerplaatsen aangelegd   In de regels bij dit wijzigingsplan is opgenomen dat voorzien moet worden in voldoende parkeerplaatsen.  
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast   Uit de uitgevoerde onderzoeken in hoofdstuk 4 blijkt dat het wijzigen van de bestemming Agrarisch in de bestemming Wonen geen onevenredige effecten heeft op de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Om te voorkomen dat de bedrijven op het bedrijventerrein Metal Valley beperkt worden in hun milieurechten wordt voor de woningen een hogere grenswaarde op het gebied van industrielawaai vastgesteld.  
inzicht gegeven wordt in de onderzoeken zoals aangegeven bij wijzigingsgebied - 2   In hoofdstuk 4 zijn de verschillende onderzoeken beschreven.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0005.jpg"

Figuur 3.3. Wijzigingsgebied 3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat voldaan kan worden aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan Dillenburg.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het wijzigingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan 2010-2015

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2010-2015 (2012) staan de doelen en de noodzakelijke ingrepen in het watersysteem van waterschap Aa en Maas. Klimaat en maatschappij veranderen momenteel snel. Om in het beheersgebied van het waterschap ook over vijftig jaar nog steeds comfortabel te kunnen wonen, werken en recreëren moet de komende jaren veel aan het watersysteem gebeuren. De missie van het waterschap hierbij is “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met een open oog voor economische aspecten”. De maatschappelijke doelstellingen voor water, namelijk veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende water, schoon water en natuurlijk en recreatief water, worden gerealiseerd. Samen met gemeenten, provincie en Rijk is bepaald welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gemeenschappelijke ambities waar te maken. Het waterschap richt zich op meerlaagse veiligheid: meer aandacht voor beperking van gevolgen van overstromingen door duurzame ruimtelijke planning en betere organisatorische voorbereiding op een ramp. Preventie van overstromingen blijft echter voorop staan. Knelpunten in het watersysteem worden aangepakt en samen met gemeenten wordt gewerkt aan het voorkomen van wateroverlast in het stedelijk gebied.

Belangrijk uitgangspunt is dat 'vasthouden-bergen-afvoeren' verstandig wordt toegepast. Samenvallen van de afvoerpieken van de Aa, de Dommel en de Maas worden voorkomen. Waterbergingsgebieden worden aangelegd en vooral de wateroverlast in het stedelijk gebied wordt opgelost. Hiermee wordt kans op aanzienlijke schade verkleind. In het landelijk gebied wordt lokaal maatwerk uitgevoerd.

Daarnaast wordt er gezorgd voor water op het gewenste peil voor de functies landbouw, natuur en wonen, er wordt prioriteit gegeven aan het wegwerken van achterstanden in onderhoud (baggeren, kunstwerken). Tevens wordt het beheersinstrumentarium geactualiseerd. Om verdroging en droogteschade te voorkomen, wordt het water zoveel mogelijk vastgehouden in het gebied.

Door afvalwater te zuiveren, het reguleren van lozingen en het stimuleren van goed gedrag, wordt bijgedragen aan schoon oppervlaktewater.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen aan de Dillenburgstraat, Havostraat en de Hogeweg en bestaat in de huidige situatie uit grasland. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit enkeerdgronden met fijn zand. Er is sprake van grondwater trap IV. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand meer dan 0,4 meter onder maaiveld bedraagt en de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert van 0,8 tot 1,2 meter onder maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt 2,3 meter boven NAP.

Waterkwantiteit

Aan de noordzijde van het plangebied, parallel aan de Prins Hendrikstraat is een A-watergang gelegen.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem.

Toekomstige situatie

Algemeen

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 130 woningen en de bijbehorende infrastructuur. Door deze ontwikkeling wordt er 40.462 m² extra verharding gerealiseerd. Waarvan 18.712m² voor verkeersfuncties en 22.750 m² ten behoeve van de woningen. Hierbij is als uitgangspunt gehanteerd dan 75% van de woonfunctie verhard wordt en 100% van de verkeersfunctie.

Bodem en grondwater

Om de benodigde watercompensatie ten gevolge van de verharding te berekenen hanteert het waterschap de volgende rekenregel:

benodigde compensatie(in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)

De gevoeligheidsfactor ter plaatse bedraagt: “1”. Uit deze berekening blijkt dat er 2.428 m³ waterberging gecompenseerd dient te worden. In eerder stadium is ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling waaronder dit plan reeds een grote vijver gerealiseerd. Deze vijver biedt voldoende waterberging om hieraan te kunnen voldoen. De omvang van de totale waterberging is circa 10.400 m³.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen (negatieve) effecten op de waterveiligheid. In de directe omgeving van de ontwikkeling bevinden zich geen waterkeringen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.2 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek en conclusie

Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in een functiewijziging, en daarom is inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse noodzakelijk. In 2011 en 2014 is door MDZ Milieu en Verhoeven Milieutechniek verkennend bodemonderzoek verricht naar de bodemkwaliteit ter plaatse. De onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 1 en 3 van de toelichting.

Uit het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat nader onderzoek noodzakelijk is, in het nader onderzoek wordt geconcludeerd dat maatregelen niet noodzakelijk zijn en dat er vanuit milieuhygienisch oogpunt geen bezwaren ontstaan voor de ontwikkeling. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

Aanleiding

In het kader van het bestemmingsplan Dillenburg is door archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv in februari 2011 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de Dillenburglocatie in Drunen.

Graafwerkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkelingen zorgen voor een bodemverstoring tot op onbekende diepte. De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden.

Resultaten

Uit het bureauonderzoek is het volgende gebleken.

  • Gedurende de jaren ’30 van de vorige eeuw is de ondergrond van het plangebied afgegraven tot onder het archeologische niveau. Het gevolg van deze afgraving is dat vrijwel geen intacte archeologische waarden in de ondergrond kunnen worden verwacht met uitzondering van mogelijk zeer diep reikende sporen van bijvoorbeeld waterkuilen.
  • Op het enige niet afgegraven deel van het plangebied, op de hoek van de Hogeweg en de Lipsstraat, is de ondergrond verstoord geraakt door de aanleg van een weg en kabels en leidingen.

Om deze reden geldt in het gehele plangebied een lage verwachting op intacte archeologische waarden.

Conclusie

Vanwege de lage archeologische verwachting is geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied noodzakelijk.

Cultuurhistorie

In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Bescherming van cultuurhistorische waarden is in verband met het ontbreken ervan niet nodig.

4.4 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In deze paragraaf wordt het effect van de beoogde ontwikkeling op beschermde natuurwaarden beschreven.

Huidige situatie

De gebieden waar planologische veranderingen optreden zijn overwegend in gebruik als grasland. Langs de infrastructuur is boombeplanting aanwezig. Het betreft hier relatief jonge bomen waar geen holten in aanwezig zijn.

Beoogde ontwikkelingen

Voor de beoogde ontwikkeling moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • bouwrijp maken;
  • bouwwerkzaamheden;
  • gebruik van het gebied.

Er worden geen gebouwen gesloopt en er wordt geen open water gedempt.

Onderzoek en toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). In de ruime omgeving (10 km) van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Langstraat en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek gelegen. Vanwege de afstand tot deze gebieden worden op voorhand effecten zoals areaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van de waterhuishouding uitgesloten. Alleen vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie kan niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is met AERIUS Calculator een berekening gemaakt (zie bijlage 2). Uit deze berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden niet toeneemt, de bijdrage is 0 mol N/ha/jr. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en een veldverkenning.

Planten

De graslanden worden intensief gebruikt als weide voor paarden. Op dergelijke percelen komen geen beschermde planten voor.

Vogels

Door de besloten ligging en het intensieve gebruik is een kleine kans dat er broedvogels op de percelen voorkomen. Het betreft hier specifieke vogels als graspieper. Op het sportterrein en langs de randen van het plangebied is veel beplanting aanwezig. Hier zijn diverse soorten broedvogels van struweel, bomen en de urbane omgeving te verwachten.

Voor de beoogde ontwikkeling zal een beperkt aantal bomen worden gerooid. In deze bomen zijn tijdens de veldverkenning geen broedvogels met een vaste nestplaats aangetroffen.

Zoogdieren

In het plangebied zijn algemene zoogdieren te verwachten als mol, veldspitsmuis en veldmuis. Het betreft hier algemene soorten die staan vermeld op tabel 1 van de Flora- en fauna wet. Het gebied vervult wel een functie als foerageergebied voor vleermuizen. Vaste verblijfplaatsen zijn vanwege het ontbreken van natuurlijke holten in bomen niet te verwachten.

Amfibieën

Het intensief beheerde grasland is ongeschikt als landbiotoop voor amfibieën. Door de afwezigheid van open water vervult het plangebied ook geen functie als voortplantingsbiotoop voor amfibieën.

Overige soorten

Als biotoop voor beschermde vissen, reptielen en insecten (vlinders, sprinkhanen en libellen) is de locatie ongeschikt. Genoemde beschermde soortengroepen stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.1. Beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

beschermingsregime Ffw  
tabel 1   tabel 2   tabel 3   vogels  
    bijlage 1 AMvB   bijlage IV HR   cat. 1 t/m 4   cat. 5   overig  
mol en muizen   geen   geen   geen   geen   geen   diverse soorten  

Bouwrijp maken

Het bouwrijp maken van het terrein leidt mogelijk tot verstoring van broedvogels en kleine zoogdieren, zie tabel. Voor de algemene soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt een vrijstelling. Verstoring van broedvogels is niet toegestaan. Wel dient gewerkt te worden volgens de principes van “zorgvuldig handelen”.

De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten of voldoende afstand aan te houden tot nesten. De functie als foerageergebied voor vleermuizen wordt niet aangetast. Deze ligt nu hoofdzakelijk langs de randen van het terrein. Open weilanden zijn niet geschikt als foerageergebied. Het toekomstige patroon van tuinen, straten en groenstroken vormt een geschikt foerageergebied voor een soort als de gewone dwergvleermuis.

Bouw van woningen

De bouw van woningen en bedrijven en de aanleg van infrastructuur zullen, aansluitend op het bouwrijp maken, niet leiden tot een kans op verstoring van beschermde soorten, omdat deze niet aanwezig zijn

Gebruik van het gebied

Het gebruik van het plangebied zal niet leiden tot een kans op verstoring van beschermde natuurwaarden in de omgeving, omdat het gebied binnen de bebouwde kom is gelegen en er geen kwetsbare natuurwaarden aanwezig zijn.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen te beschermen soorten aanwezig zijn en dat daarom voor de beoogde werkzaamheden geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is. Hierbij dient wel gewerkt te worden volgens het principe van zorgvuldig handelen en mogen broedvogels niet verstoord worden. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Flora- en faunawet de uitvoering van de werkzaamheden niet in de weg staan

Wat de gebiedsbescherming betreft mag worden geconcludeerd dat zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als het beleid ten aanzien van het Nationaal Natuurnetwerk geen beletsel vormen voor de ontwikkeling.

4.5 Milieuhinder omliggende functies

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:

  • een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.

Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.

Onderzoek

Bekeken dient te worden of de bouw van 130 woningen gevolgen heeft voor/vanwege omliggende bedrijven/inrichtingen. Rondom het plangebied zijn maatschappelijke en gemengde functies gelegen. Binnen deze functies zijn activiteiten toegestaan die vergelijkbaar zijn met de activiteiten in categorie B van functiemenging. Dergelijke functies kunnen direct naast woningen worden gerealiseerd, met de kanttekening dat ze wel bouwkundig gescheiden moeten zijn. De woningen worden bouwkundig gescheiden van de omliggende functies.

Daarmee kan gesteld worden dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd.

Ten oosten van de ontwikkeling is het bedrijventerrein Metal Valley gelegen. Deze bedrijven beschikken echter niet over een dermate grote richtafstand dat deze reiken tot het plangebied.

Conclusie

Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en omliggende functies geen belemmering vormt voor de uitvoering van het wijzigingsplan.

4.6 Wegverkeerslawaai

Onderzoek

Het plan omvat de realisatie van maximaal 130 nieuwe woningen, de aanleg van nieuwe wegen en de reconstructie van het kruispunt Lipsstraat / Alcoalaan. Bij het mogelijk maken van nieuwe woningen, nieuwe wegen en/of het wijzigen van bestaande infrastructuur moet voldaan worden aan de wettelijke normen uit de Wet geluidhinder (hierna Wgh). Deze toetsing is vastgelegd in de rapportage 'Dillenburg - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai' (Rho adviseurs voor leefruimte, 2015). Deze rapportage is opgenomen in bijlage 4.

Resultaat en conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat ten aanzien van de nieuwe woningen als gevolg van bestaande en nieuwe gezoneerde wegen geen sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast is geen sprake van een overschrijding van de streefwaarde van 48 dB ten aanzien van bestaande woningen als gevolg van de aanleg van nieuwe 30 km/h wegen. Tevens is ten aanzien van bestaande woningen geen sprake van een reconstructiesituatie als gevolg van de aanpassing van het T-kruispunt Lipsstraat / Alcoalaan tot rotonde.

Uit de berekeningen blijkt verder dat ten aanzien van een aantal nieuwe woningen wel sprake is van een overschrijding van de streefwaarde van 48 dB als gevolg van bestaande 30 km/h wegen en het niet gezoneerde deel van de nieuw te realiseren Tiny de Munnikstraat (30 km/h). Uit maatregelonderzoek blijkt dat het treffen van maatregelen niet mogelijk is of leidt tot overwegende bezwaren van verkeerskundige aard. Verder blijkt dat de maximaal acceptabele waarde van 58 dB (nieuwe weg) of 63 dB (bestaande wegen) niet wordt overschreden. Zodoende is ten aanzien van deze 30 km/h wegen sprake van een acceptabel akoestisch klimaat. Een vervolgprocedure in het kader van de Wgh is niet nodig. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.7 Industrielawaai

De gemeente Heusden is voornemens om de woonwijk Dillenburg binnen de geluidszone van industrieterrein Groenewoud te ontwikkelen. Door DGMR is onderzoek gedaan naar de ligging van de hudige 50 en 55 dB(A) contour om ter plaatse van de nieuwe woningen een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. In bijlage 5 bij dit wijzigingsplan is dit onderzoek opgenomen.

Resultaten

Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidsbelasting bij de eerstelijns bouwblokken (zowel op 5 als op 7.5 meter hoogte) ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt precies aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. In figuur 3 zijn de 50 en 55 dB(A) etmaalwaardecontouren weergegeven (berekend op 5 meter boven het maaiveld). Uit de figuur blijkt dat de 50 dB(A) etmaalwaardecontour het plangebied aan de noordoostpunt raakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0006.jpg"

Figuur 4.1. Ligging 55 (rode lijn) en 50 (Groene lijn) dB(A) etmaalwaarde contour

Aangezien de toekomstige woningen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde hoeven in principe geen hogere waarden te worden vastgesteld. Echter, indien deze keuze wordt gemaakt, betekent dit dat de geluidsruimte voor de bedrijven op het industrieterrein in zoverre wordt beperkt dat in westelijke richting geen geluidsruimte meer beschikbaar is. Dit heeft beperkingen tot gevolg voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van bedrijven. De planologische mogelijkheden van het industrieterrein worden hiermee beperkt. Daarom kiest de gemeente ervoor hogere waarden vast te stellen. Voorgesteld wordt om een hogere waarde van 55 dB(A) voor de betreffende woningen vast te stellen.

4.8 Externe veiligheid

Inleiding

De doelstelling van het (externe) veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door

het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De overheid stelt grenzen aan de grootte van externe veiligheidsrisico's, die de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gebieden beïnvloeden. Gevaarlijke stoffen komen voor bij risicovolle bedrijven, waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) inclusief de bijbehorende regeling van toepassing is en bij vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, weg of buisleiding. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg, het binnenwater of het spoor is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande aardgastransportleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing.

Plaatsgebonden risico en het groepsrisico

De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Dit zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de wet en regelgeving is het groepsrisico niet vervat in een vaste grenswaarde of norm. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht, waarbij de oriëntatiewaarde moet worden gezien als richtlijn.

In het kaderstellende bestemmingsplan Dillenburg is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen om voorliggend wijzigingsplan van circa 130 woningen te realiseren. De externe veiligheidsrisico's zijn in het bestemmingsplan Dillenburg voor deze ontwikkeling reeds beoordeeld. De uitkomsten hiervan zijn hieronder beschreven en getoetst aan de huidige wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. De veiligheidsregio heeft m.b.t. deze wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Dillenburg reeds advies uitgebracht op 28 maart, 2011. Mede op basis van dit advies is door de gemeente Heusden het groepsrisico verantwoord in het bestemmingsplan Dillenburg. Aan het einde van deze paragraaf worden de hoofdpunten hiervan en de nadere uitwerking van dit advies binnen het wijzigingsplan nader toegelicht.

Onderzoek

Risicovolle bedrijven

Binnen het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen. Het betreft LPG-tankstation “De Heikant” aan de

Lipsstraat 21 te Drunen. Verder zijn binnen of in de omgeving van het wijzigingsplan geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed kunnen zijn op het plan.

Plaatsgebonden risico

Voor het LPG-tankstation is als bronmaatregel de doorzet van LPG gelimiteerd tot 1.000 m3/jaar. Hiervan

uitgaande geldt een plaatsgebonden risicocontour voor nieuwe ruimtelijke situaties van 45 meter gemeten vanuit het LPG-vulpunt. Het wijzigingsplan betreffende de circa 130 woningen is gelegen buiten de plaatsgebonden risicoafstanden van het LPG tankstation. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen beperking voor het voorgenomen wijzigingsplan.

Groepsrisico

Een deel van de woningen binnen het wijzigingsplan is gelegen binnen het invloedsgebied (een cirkel met een straal van 150 meter vanaf het vulpunt en het reservoir) van het LPG-tankstation. Derhalve is door de SRE Milieudienst een berekening van het groepsrisico uitgevoerd (d.d. 11 februari 2011, projectnummer 496639 ). Uit de resultaten blijkt dat het groepsrisico bij een LPG-doorzet van minder dan 1.000 m3 per jaar, in combinatie met de realisatie van hittewerende coatings op de LPG-tankwagens, de oriënterende waarde niet overschrijdt. Het groepsrisico vormt onder genoemde condities geen beperking voor de voorgenomen plannen binnen het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg

Aan de noordkant van het plangebied ligt op circa 600 meter afstand de autosnelweg A59, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit traject is in het basisnet weg aangemerkt als B17.

Plaatsgebonden risico

Bijlage 1 “tabel Basisnet weg” uit de Regeling basisnet geeft aan dat er geen veiligheidszone (d.i. het maximale plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar) voor deze route is vastgesteld. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico

In het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat er buiten 200 meter vanaf de transportroute geen ruimtelijke beperkingen kunnen worden gesteld aan het ruimtegebruik. Gezien de grote afstand (600 meter) van het wijzigingsplan tot deze risicobron zijn er geen belemmeringen. Het gehele wijzigingsplan ligt buiten het invloedsgebied van de maatgevende stof GF3 (LPG), waardoor de ontwikkelingen geen toename veroorzaken van het groepsrisico. De dodelijke effecten van een ongeluk met de stof LPG kunnen reiken tot ongeveer 355 meter. Over het wegvak B17 worden ook gevaarlijke stoffen met gevaarsindicatie LT2 (liquid Toxisch) vervoerd waarvan de dodelijke effecten kunnen reiken tot circa 880 meter. Omdat deze stoffen beperkt vervoerd worden en de kans op een dergelijk scenario zeer klein is, worden dergelijke stoffen niet meegenomen in de berekening van het groepsrisico. Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden deze stoffen en hun effecten door de veiligheidsregio wel beoordeeld.

Buisleidingen

Op circa 500 meter afstand van het wijzigingsplan is buisleiding: Z-517-12 gelegen van de Nederlandse Gasunie waardoor aardgas wordt getransporteerd. De ontwikkelingen liggen ver buiten het invloedsgebied van deze leiding waardoor deze buiten beschouwing kan worden gelaten.

Verantwoorden groepsrisico

De gemeente Heusden heeft de ambitie om haar inwoners een veilige omgeving te bieden. Het beleid is erop gericht om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Om te komen tot een verantwoord besluit waarbij aan het bovenstaande wordt voldaan is in een vroeg stadium de veiligheidsregio Brabant-Noord in staat gesteld advies uit te brengen op het concept ontwerpbestemmingsplan Dillenburg. Dit advies is op 28 maart 2011 ontvangen. Mede op basis van dit advies is de verantwoording van het groepsrisico in het bestemmingsplan Dillenburg opgesteld.

De veiligheidsregio adviseerde om in de uitwerking van het wijzigingsplan de volgende maatregelen te treffen ter beperking van de risico's.

  • Uitdrukkelijk nagaan welke mogelijkheden er zijn om de gebouwen zodanig vorm te geven, dat er een zo hoog mogelijke weerstand tegen hitte- en drukbelasting ontstaat. Daarmee zijn de gebouwen beter geschikt om in te schuilen.
  • In gebruiksvoorschriften extra aandacht besteden aan vluchtroutes en ontruimingsvoorschriften.
  • Bij het inrichten en aanleggen van infrastructuur zal moeten worden voorzien in voldoende mogelijkheden voor aanwezige personen om het gebied te ontvluchten. De vluchtroute is zo veel mogelijk van de bron af gericht.
  • Door goede risicocommunicatie aan de bewoners en gebruikers kan hen een handelingsperspectief worden geboden in geval van een incident. Hierdoor wordt de zelfredzaamheid vergroot.

Door deze maatregelen mee te nemen in de uitwerking van het wijzigingsplan werd het restrisico aanvaardbaar geacht door het college van B&W van de gemeente Heusden.

In de uitwerking van het wijzigingsplan is door de ontwikkelaar in samenwerking met de gemeente aandacht besteed aan de bovenstaande onderwerpen en zijn deze waar mogelijk meegenomen in het uiteindelijke ontwerp. Om alle zorgvuldigheid te betrachten is het wijzigingsplan ter beoordeling en advies voorgelegd aan de veiligheidsregio.

4.9 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2) 1)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
Fijn stof (PM2.5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³   Vanaf 2015  
fijn stof (PM10) 2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  • De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval.
  • Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd in of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

NIBM

In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.

Onderzoek

Wet milieubeheer

De beoogde ontwikkeling voorziet in maximaal 130 woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De beoogde ontwikkeling voorziet tevens in een aanpassing van de infrastructuur. Hierbij wordt een nieuwe ontsluitingsweg (Tiny de Munnikstraat) aangelegd en komt het wegvak van de Prins Hendrikstraat tussen de Lipsstraat en de Dillenburgstraat te vervallen. Door deze ontwikkeling is sprake van verplaatsing van huidige verkeersstromen maar is er geen sprake van een toename van verkeer.

De beoogde ontwikkelingen dragen dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2015 als in 2020 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.10.

Het maximale gehalte stikstofdioxide bedraagt 25,5 µg/m³ , voor fijnstof PM10 bedraagt dit maximaal 22,3 µg/m³ en voor fijnstof PM2,5 bedraagt dit maximaal 14,7 µg/m³. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 11 dagen. In afbeelding 4.4 zijn de rekenpunten voor het plangebied weergegeven.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0797.WPwondillenburg-VG01_0007.png"

Figuur 4.4. Luchtkwaliteit o.b.v. NSL-monitoringstool.

Direct langs deze wegen wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van de woningen het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan.

Hoofdstuk 5 Toelichting op verbeelding en regels

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische regeling van het wijzigingsplan zoals deze luidt nadat het wijzigingsplan in werking is getreden. Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan Dillenburg van de gemeente Heusden.

Op de verbeelding zijn de gewijzigde bestemmingen weergegeven.

Wijzigingsgebied 3

Voor het nieuwe woongebied zijn de bestemmingen Groen, Tuin, Verkeer - Verblijfsgebied en Wonen opgenomen.

Voor de regels wordt verwezen naar de regels van het bestemmingsplan Dillenburg. In dit wijzigingsplan zijn daarnaast enkele nieuwe regels opgenomen ten behoeve van de identificatie en verwijzing naar dit wijzigingsplan. Voor de verdere uitleg van de regels wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van het bestemmingsplan Dillenburg.

Uit het oogpunt van flexibiliteit is er verder voor gekozen om geen specifieke woningtypen op te nemen. Hierdoor wordt voorkomen dat bij gewijzigde inzichten een nieuwe planologische procedure moet worden doorlopen.

In het wijzigingsplan zijn als regel de afstand tot aan de perceelsgrenzen vastgelegd en de breedte en diepte van een woning (incl. aan- en uitbouwen). Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wijzigingsregels. Het maximale aantal woningen dat in het gebied mag worden gebouwd is tevens aangegeven.

De aansluiting op de ontsluitingsweg met een gebiedsontsluitende functie is met een aanduiding ontsluiting opgenomen. Door deze bepaling wordt tevens voorkomen dat elders de aansluiting op de ontsluitingsweg wordt gerealiseerd.

Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

De omgevingsvergunning waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, leidt tot de

planologische mogelijkheid om nieuwe woningen te bouwen. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie);
  • het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen;
  • het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

Met de ontwikkelaar is een anterieure overeenkomst gesloten over het verhaal van kosten. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet nodig.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Algemeen

In het kader van de ruimtelijke procedure is overleg gevoerd met instanties over de inhoud van het

proces. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is het niet noodzakelijk om naast

het verplichte vooroverleg op grond van het Besluit ruimtelijke ordening extra overleggen te voeren

met de wettelijke overlegpartners.

Inspraak

De voorgenomen ontwikkeling is reeds in het bestemmingsplan Dillenburg als wijzigingsbevoegdheid opgenomen. In het kader van het bestemmingsplan Dillenburg heeft inspraak plaatsgevonden. Hierom is besloten in de gemeentelijke inspraakverordening om geen inspraak te verlenen op een voorontwerp wijzigingsplan. Wel is het voorliggende plan op 8 juni 2015 aan de omwonenden gepresenteerd.

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerp van het wijzigingsplan 'Woningbouw Dillenburg' heeft vanaf 22 oktober 2015 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is 1 zienswijze ingediend.

Samenvatting zienswijze

Indiener verzoekt om zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Drunen, sectie L, nummer 705 mee te nemen in het wijzigingsplan en een woonbestemming op te nemen. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 715 m2.

Reactie gemeente Heusden

Het voorliggende wijzigingsplan is op verzoek van de initiatiefnemer (projectontwikkelaar) in procedure gebracht. Ten tijde van het opstellen van het ontwerpwijzigingsplan was er geen concreet initiatief bekend van de indiener. Door deze zienswijze heeft indiener gemotiveerd aangegeven de bestemming op zijn perceel te willen wijzigen.

Opname van het perceel in het wijzigingsplan dient ruimtelijk te worden afgewogen. Het opnemen van een bestemming Wonen voor de bouw van een vrijstaande woning op het perceel vormt een logische stedenbouwkundige invulling van het perceel op de Dillenburglocatie.

Een bestemming Verkeer-Verblijfsgebied is toegekend aan één van de zijden van het perceel, waardoor een verkeersontsluiting is gegarandeerd.

Uit milieuoogpunt vormt de bouw van de woning geen belemmering. Het totale aantal woningen op de Dillenburglocatie blijft ongewijzigd, waardoor er geen wijzigingen optreden in het kader van de aspecten water, flora- en fauna, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Voor wat betreft de bodemkwaliteit is uit historische bodemgegevens geen verdachte situatie bekend. Indiener zal wel bij een aanvraag omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek moeten overleggen.

De opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor woningbouw in Dillenburg wordt daarmee volledig ingevuld.

Ambtshalve aanpassingen

De plangrens van het wijzigingsplan sluit op enkele onderdelen niet aan op de begrenzing van het wijzigingsgebied 'wro-zone – wijzigingsgebied 3' zoals opgenomen in het bestemminsplan 'Dillenburg'. De afwijking bedraagt maximaal 5 meter. De plangrens wordt aan de noordwestzijde ter plaatse van het politiebureau voorzien van een bestemming Verkeer – Verblijfsgebied. De plangrens wordt aan de oostzijde voorzien van een bestemming Groen.