| Plan: | N282 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0784.BPN282-VA02 |
De verkeersafwikkeling op de N282 ter hoogte van Rijen stagneert. De verkeersveiligheid en leefbaarheid in Hulten laten te wensen over. Dit vraagt om een aanpassing van de N282 ter hoogte van Rijen, Hulten en de Reeshof (Bredaseweg). Hier wordt ook de verbreding van het deeltraject Julianastraat - Oosterhoutseweg bij meegenomen.
De afgelopen jaren is in een aantal provinciale en regionale programma's en studies in de provincie Noord-Brabant aandacht besteed aan de verkeersproblematiek op de N282. Een door de provincie Noord-Brabant uitgevoerde verkenning heeft hiervoor de eerste mogelijke oplossingen in beeld gebracht. In 2008 is gestart met een planstudie/MER, waarin wordt onderzocht of en hoe de N282/Bredaseweg moet worden aangepast. Dit MER is in 2011 afgerond.
Daarna heeft nadere uitwerking/detaillering van het voorkeursalternatief uit het MER plaatsgevonden. In deze fase zijn ook nieuwe inzichten ontstaan, mede naar aanleiding van overleggen met belanghebbenden. Dit heeft geleid tot aanpassingen en optimalisaties van het ontwerp van de weg. Dit bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische regeling van de aanpassingen aan de N282 ten gunste van verkeersveiligheid en leefbaarheid ter plaatse en in de directe omgeving.
Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in de gemeente Gilze en Rijen. Het tracé Oosterhoutseweg - Hulten loopt langs de kern Rijen en de noordzijde van de vliegbasis Gilze-Rijen. Dit tracé valt samen met de reeds bestaande N282. Ten westen van Hulten buigt het tracé af naar het zuiden richting de N260. Hier loopt het tracé aan de oostzijde van de vliegbasis.De afbeelding hierna laat de ligging van het plangebied zien.
Daarnaast liggen twee delen van het plangebied, waar natuurcompensatie plaatsvindt, op afstand van de N282 meer zuidelijk. Een perceel ligt ten zuiden van de vliegbasis Gilze Rijen, ten westen van Molenschot aan de Broekstraat. Het ander perceel waar compensatie plaatsvindt, ligt net ten noorden van de A58 ter hoogte van de Raakeindse Kerkweg en de Lage Aard.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
Ter plaatse van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan gelden de volgende bestemmingsplannen:
Het hoofdstuk hierna bevat een omschrijving van de huidige situatie van het plangebied van dit bestemmingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de toekomstige situatie omschreven: het initiatief. Hier wordt ingegaan op o.a. nut en noodzaak van het initiatief en besluitvorming met betrekking tot het initiatief. De twee hoofdstukken daarna bevatten de toetsing van het initiatief. Hoofdstuk 4 bevat de toetsing aan geldend, relevant beleid, waarna in hoofdstuk 5 het initiatief wordt getoetst aan milieu- en omgevingsaspecten.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, heeft een aanvulling op de toelichting plaatsgevonden. Zie hiervoor het Vaststellingsbesluit.
Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van de huidige situatie binnen het plangebied. Ook wordt een omschrijving gegeven van de directe omgeving van het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de verkeerskundige situatie en de ruimtelijke structuur. In de paragraaf over de ruimtelijke structuur wordt ingegaan op de gronden waar natuurcompensatie plaatsvindt. Deze gronden hebben namelijk geen verkeerskundige functie.
De N282 is een provinciale weg die van de A27 bij Breda naar de N260 (Burgemeester Letschertweg) bij Tilburg loopt. Op Tilburgs grondgebied zijn aanpassingen aan de N282 reeds doorgevoerd. Voor dit bestemmingsplan gaat het om het gedeelte in de Gemeente Gilze en Rijen vanaf het kruispunt N282/N631 (Oosterhoutseweg) tot het kruispunt van de N282 met de Burgemeester Letschertweg en de N260a (Burgemeester Ballingsweg). De N282 komt op dit traject langs de kernen Rijen en Hulten. Op de N282 geldt een snelheid van 80 km/uur en er is sprake van 1x2 rijstroken. Aan weerszijden van de weg liggen vrijliggende eenrichtingsfietspaden.
Op en langs de weg ontstaan in de huidige situatie verschillende problemen. Ter hoogte van Rijen is de verkeersafwikkeling een probleem. De verkeersdrukte zorgt voor problemen met de doorstroming op de N282 en met de verkeersafwikkeling van de kruispunten. Daarnaast voldoet de huidige inrichting van de N282 niet aan de richtlijnen en ontwerpeisen voor een duurzaam veilige gebiedsontsluitingsweg. Op sommige plaatsen staan bomen te dicht naast de rijbaan. Daarnaast is de wegmarkering uitgevoerd volgens verouderde richtlijnen. Ter hoogte van Rijen en met name Hulten vinden ook veel erfontsluitende activiteiten plaats op de hoofdrijbaan welke niet stroken met de basisprincipes van een goede duurzaam veilige gebiedsontsluitingsweg. Er zijn voor een regionale gebiedsontsluitingsweg te veel modaliteiten en aansluitingen op de weg aanwezig. De snelheidsverschillen tussen de verschillende modaliteiten en tussen doorgaand verkeer en verkeer dat van en naar de erfontsluitingen gaat, zorgen voor verkeersonveilige situaties.
De kern Hulten ligt direct aan de N282. De N282 is hier dusdanig druk dat het moeilijk oversteken is. Daarnaast veroorzaakt het verkeer geluidsoverlast voor de direct aanwonenden.
De provincie Noord-Brabant heeft het voornemen om samen met de gemeente Gilze en Rijen over te gaan tot de reconstructie van dit deel van de N282. Doel is om de verkeersdoorstroming op wegvakken en kruispunten te verbeteren en de leefbaarheid in de kern Hulten te verbeteren. Dit bestemmingsplan maakt de maatregelen die gepaard gaan met deze reconstructie mogelijk.
In de huidige situatie bestaan de N282 en de N260A uit 1x2 rijstroken waar 80 km/uur geldt. Aan beide zijden van de N282 ligt een vrijliggend fietspad (in principe in één richting bereden). De Oude Baan is een landbouwweg.
De afbeelding hierna geeft de belangrijkste kenmerken en toponiemen ter hoogte van het plangebied weer.
Afbeelding 2: Ligging plangebied en directe omgeving
Bestaande bebouwing, natuur en de Vliegbasis Gilze-Rijen zijn belangrijke omgevingskenmerken van het plangebied. Hierna wordt van west naar oost het plangebied van dit bestemmingsplan omschreven.
Het meest westelijke deel van het plangebied ter hoogte van de kruising N282 - N631 (Oosterhoutseweg) ligt ter hoogte van recreatiepark D'n Mastendol en een hotel aan de noordwest-zijde van het kruispunt. Het traject tussen deze kruising en de kruising ter hoogte van de Julianastraat wordt gekenmerkt door de ligging van bos- en natuur aan de noordzijde en de vliegbasis aan de zuidzijde.
Bij de kruising met de Julianastraat ligt aan de noordzijde het in de omgeving bekende gebouw van Ericsson (bedrijventerrein Haansberg). Aan de zuidzijde van de N282 ligt de toegangsweg naar de hoofdpoort van de Vliegbasis en Café Eeterij 't Vermaeck.
Aan de zuidzijde van dit tracédeel strekt de vliegbasis zich verder uit, afgewisseld met woonbebouwing en bedrijvigheid. Deze bebouwing is geclusterd in het Kraaiennest (zuidelijk deel) aan de Rijense kant van de Vliegbasis en bij de kruising met de Burg. Ballingsweg aan de Hultense kant (woningen en restaurant 't Vliegveld). Daartussen is in het open terrein de Vliegbasis goed te zien, met weer het herkenbare hekwerk en de parallel lopende weg.
Aan de noordzijde van de N282 ligt bedrijventerrein Haansberg. De meeste bedrijven op dit bedrijventerrein worden niet direct via de N282 ontsloten, maar via de Julianastraat, Haansbergseweg en Europalaan. Uitzonderingen zijn Autoschadebedrijf Kemmeren en Motor Centrum Rijen. Deze bedrijven worden via een parallelweg en Haansbergseweg ontsloten op de N282. Aan deze parallelweg ligt ook de woonbebouwing van het noordelijk deel van het Kraaiennest. Met name de woonbebouwing van het Kraaiennest (zowel ten zuiden als ten noorden van de N282) ligt zeer dicht op de weg, zie afbeelding hierna. De woningen aan de zuidzijde zijn hier al opgekocht.
Afbeelding 3: woonbebouwing ter hoogte van Kraaiennest (bron: Google Streetview)
Bij de kruising met de Haansbergseweg ligt verder een restaurant. Het bedrijventerrein strekt zich verder uit richting Hulten tot voorbij de Europalaan. Tussen bedrijventerrein Haansberg en Hulten liggen landbouwgronden. Na de kruising van de N282 met de Burg. Ballingsweg ligt de kern van Hulten.
De kruising N282 / Burg. Ballingsweg / Broekdijk ligt ingesloten tussen bebouwing, waaronder Wegrestaurant 't Vliegveld. De N282 loopt vervolgens door Hulten. Diverse woningen en bedrijven liggen aan beide zijden van de weg en worden rechtstreeks op de N282 ontsloten. In Hulten op enige afstand van de N282 ligt ook basisschool Gerardus Majella waar kinderen uit Rijen, Hulten, Reeshof en buitengebied Tilburg Zuidwest op school zitten. Deze kinderen steken de N282 over (ook m.b.v. brigadiers), maken gebruik van de aanwezige fietspaden of fietsen via de Oude Baan. In de huidige situatie is er geen sprake van een sluitende fietsstructuur.
Het dorpsgezicht van Hulten gaat vervolgens over in het bosrijke aanzicht van Het Blok. Dit gebied maakt deel uit van de EHS. Tussen Het Blok en de kruising met de Burg. Letschertweg liggen landbouwgronden. De wegen Hultenseweg en Hulteneindsestraat ontsluiten het agrarische gebied ten zuiden respectievelijk noorden van de N282 op deze weg. Een tweetal woningen, Café Restaurant Stad Parijs en (voormalige) Baddabing Saunaclub liggen direct aan de weg.
De Oude Baan die vanuit de kern van Hulten richting het oosten gaat, begrenst de noordzijde van Het Blok. In het verlengde van de Oude Baan liggen landbouwgronden, tot aan de gemeentegrens met Tilburg (Burg. Letschertweg / De Reeshof).
Tussen de kruising met de Burg. Ballingsweg en de Burg. Letschertweg strekt het bosgebied Het Blok zich verder naar het zuiden uit; aan de westzijde geflankeerd door landbouwgronden, ecologische verbindingszone de Groote Lei, de Burg. Ballingsweg en de Vliegbasis, en aan de oostzijde door de Burg. Letschertweg en landbouwgronden. Defensie heeft gronden verworven aansluitend op het bosgebied om natuur te ontwikkelen (compensatie voor ontwikkelingen op de Vliegbasis). De verlichting van de aanvliegroute naar de Vliegbasis ligt in het open veld onder Het Blok in het verlengde van de landingsbaan.
De N260A takt ter hoogte van de Broekdijk in Hulten, vanaf de N282 af richting het zuiden. Ten westen van de N260A strekt de vliegbasis zich uit. Ten oosten van de weg liggen agrarische gronden, natuurgebied Het Blok en de zweefvliegclub. De waterloop de Groote Leij ligt eveneens ten oosten van de N260A, van noord naar zuid. Het plangebied houdt op bij de grens met de gemeente Tilburg.
Gronden natuurcompensatie
Op enige afstand van de N282 meer zuidelijk, net ten noorden van de A58 ter hoogte van de Raakeindse Kerkweg en de Lage Aard liggen agrarische gronden waar natuurcompensatie zal plaatsvinden. Deze natuurcompensatie is het gevolg van de aanpassingen aan de N282. Ook ligt aan de zuidwestzijde van de vliegbasis, aan de Broekstraat een aantal percelen waar compensatie plaatsvindt. Ook deze gronden zijn agrarisch in gebruik. Zie ook paragraaf 5.5 van deze toelichting.
In de huidig situatie zijn deze gronden agrarisch in gebruik net zoals de aangrenzende gronden aan de west- en noordzijde. Aan de oostzijde wordt dit deel van het plangebied begrensd door de Raakeindse Kerkweg. Het perceel ten zuiden van dit deel van het plangebied bestaat uit bos dat tankstation Molenheide afschermt. Deze locatie wordt ook wel Lage Aard genoemd.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief omschreven. Eerst wordt ingegaan op de planvorming die vooraf is gegaan en heeft geleid tot het initiatief (ontwerp) zoals dat in dit bestemmingsplan is vertaald. In de eerste paragraaf wordt daarom ingegaan op de nut- en noodzaak van het initiatief en de m.e.r.-procedure zoals deze is doorlopen. Inhoudelijk, wat betreft de toetsing van alternatieven aan milieuaspecten, komt de m.e.r. in hoofdstuk 5 aan bod.
Vervolgens wordt in de tweede paragraaf het concrete initiatief omschreven. Eerst wordt ingegaan op de toekomstige verkeerskundige situatie en de onderbouwing hiervan. Vervolgens is een omschrijving opgenomen van de ruimtelijke / landschappelijke inpassing van het initiatief.
De belangrijkste knelpunten ter hoogte van de N282 zijn enerzijds de hoge I/C-verhoudingen op een aantal wegvakken en anderzijds de erfontsluitende functie van de N282 ter hoogte van Rijen en met name Hulten, waardoor veel modaliteiten samenkomen in combinatie met behoorlijke snelheidsverschillen. Daarnaast zal het verkeersafwikkelingniveau van de kruispunten onvoldoende zijn in de autonome ontwikkeling door de toename van de intensiteiten. De (al slechte) oversteekbaarheid van de weg op ongeregelde locaties neemt door de toename van de intensiteiten verder af.
I/C-verhouding
De I/C-verhouding is de verhouding tussen de intensiteit en de capaciteit op een wegvak, op een weg of op meerdere achtereenvolgende
wegvakken.
Elk wegvak heeft een bepaalde maximale capaciteit, dit is het aantal eenheden voertuigen dat maximaal over een wegvak kan rijden in een
bepaalde periode. De intensiteit is het aantal eenheden voertuigen dat op een bepaald punt in een bepaalde periode passeert. Simpel gezegd
geeft de verhouding aan hoe congestiegevoelig het een bepaald weggedeelte is. Wordt de intensiteit gedeeld door de capaciteit, dan komt daar
een bepaald getal uit.Het getal geeft dus aan hoe congestie- of filegevoelig het gedeelte is. Daarvoor wordt gebruikelijk de I/C-verhouding in
het drukste spitsuur of tijdens alle uren van een spitsperiode bepaald.
Over het algemeen kan gesteld worden dat bij een I/C-verhouding van:
In de afbeelding hierna is in beeld gebracht waar sprake is van welk probleem op de N282/Bredaseweg.
Afbeelding 4: Problemen N282 in kaart gebracht
Verkeersafwikkeling ter hoogte van Rijen
Het verbeteren van de verkeersafwikkeling heeft op de wegvakken ter hoogte van Rijen (en de Reeshof) de eerste prioriteit. Dit betekent het volgende:
In 2014 is het regionale verkeersmodel 'Hart van Brabant' beschikbaar gekomen. Gelet op dit nieuwe verkeersmodel heeft een extra doorrekening van het VKA plaatsgevonden. De resultaten van deze doorrekening zijn opgenomen in de rapportage 'Definitieve doorrekening VKA t.b.v. I/C en 5 kruispuntberekeningen N282.06' door Goudappel Coffeng (22 april 2014). De resultaten van dit onderzoek zijn gepresenteerd aan de gemeente Gilze en Rijen. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente Gilze en Rijen om een evaluatie gevraagd van de kruispuntbeoordeling en de beoordeling op wegvakniveau. De gemeente Gilze en Rijen heeft Antea Group gevraagd om op basis van het nieuwe verkeersmodel Hart van Brabant nut en noodzaak te bepalen van de verbredingen op de N282 en aanvullend het effect op de N282 inzichtelijk te maken dat ontstaat door het vastlopen van de A58. Hierbij zijn zowel wegvakken op de N282 beschouwd als het kruispunt N631-N282.
In het kader van het onderzoek door Goudappel Coffeng in 2014 is er een verkeersanalyse op wegvakniveau uitgevoerd. Op basis van de berekeningen met het regionale verkeersmodel 'Hart van Brabant' blijkt dat in 2030 sprake is van capaciteitsproblemen op de N282 ten oosten van de Europalaan en de Burg. Ballingsweg (N260A) wanneer deze niet wordt uitgebreid naar 2x2 rijstroken. De knelpunten op de N282 zijn ook zichtbaar in de autonome situatie.
In het kader van hetzelfde onderzoek van Goudappel Coffeng is op basis van de verkeerscijfers uit het regionale verkeersmodel 'Hart van Brabant' een kruispuntanalyse uitgevoerd. Uit deze analyse blijkt dat voor een goede verkeersafwikkeling de kruispunten op de N282 met de Julianastraat, Europalaan en de aansluiting op de N260A op de doorgaande richtingen van de N282 dubbele opstelstroken benodigd zijn. Dit geldt voor verkeer in zowel oostelijke als westelijke richting. Hoewel de I/C-verhoudingen op wegvakniveau hiervoor niet altijd aanleiding geven kan op basis van de kruispuntanalyse geconcludeerd worden dat een capaciteitsuitbreiding van de N282 naar 2x2 rijstroken gewenst is. Dit om een diffuus wegbeeld te voorkomen.
In het onderzoek door Antea Group in 2015 is de capaciteit op de A58 tussen aansluiting 12 en knooppunt St. Annabosch gereduceerd om het effect van het vastlopen van de A58 op de N282 inzichtelijk te maken. De capaciteit op de A58 is voor beide richtingen verlaagd met 5, 10 en 15% om bijvoorbeeld een verlaagde capaciteit door een pechgeval na te bootsen. Op wegvakniveau leidt dit niet tot een slechte beoordeling. Alleen op het wegvak Oosterhoutseweg (N631) - Julianastraat is sprake van een matige doorstroming, echter het verkeer kan met ruim 20% groeien ten opzichte van de situatie 2030 voordat de verkeersafwikkeling slecht is. In het onderzoek is uitgegaan van een 1x2 profiel op dit gedeelte van de N282.
In de ochtendspits is er (zonder capaciteitsreductie op de A58) beperkte ruimte voor groei van het verkeer ten opzichte van 2030 voordat de verkeersafwikkeling slecht wordt, namelijk 2%. Door het kruispunt uit te breiden met extra opstelstroken (doorgaande richtingen op de N282) wordt het kruispunt meer robuust.
Vanuit het oogpunt van een eenduidig, uniform wegbeeld, verkeersveiligheidsaspecten, verkeersafwikkeling in de spitsperioden en robuustheid van de wegenstructuur, is de keuze gemaakt om ook het gehele wegvak Oosterhoutseweg - Julianastraat te verbreden naar 2x2 rijstroken.
Leefbaarheid ter hoogte van Hulten
Voor het wegvak ter hoogte van Hulten geldt dat het verbeteren van de leefbaarheid de eerste prioriteit heeft. Dit betekent het volgende:
Fietsverbinding en fietsbrug
De fietsverbinding vanaf de Oude Baan richting Tilburg (Reeshof) is noodzakelijk omdat in de huidige situatie de fietsverbinding vanuit Hulten naar Tilburg wordt onderbroken. Een fietsbrug ten noorden van de kruising Burgemeester Letschertweg - N282 kan deze fietsstructuur aaneengesloten en veilig maken.
Uit tellingen uit 2010 blijkt dat er op een dag ca. 325 fietsers / bromfietsers richting Tilburg gaan en ca. 275 fietsers / bromfietsers vanuit Tilburg richting Hulten / Breda gaan. Tijdens het drukste uur van de dag is er sprake van ruim 60 fietsers / bromfietsers richting Tilburg gaan.
In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan voor de periode 2009 - 2015 is reeds opgenomen dat de gemeente Gilze en Rijen in overleg met de provincie de fiets- en voetgangersoversteek N282 ter hoogte van Hulten (planstudie N282) zal verbeteren. Hieruit blijkt dat dit al geruime tijd een aandachtspunt is, waar in dit bestemmingsplan invulling aan wordt gegeven.
Door de aanpassingen aan de N282, de zogenaamde omlegging, ontstaat er ter hoogte van de met verkeerslichten geregelde kruising Burgemeester Letschertweg - N282 een dermate grote kruising, dat het wenselijk is om langzaam verkeer ongelijkvloers af te wikkelen. Mede gelet op het feit dat de fietsverbinding deel uitmaakt van het regionale fietsnetwerk van de Provincie. Omdat er voornamelijk sprake is van een oost-west relatie voor wat betreft het langzaam verkeer, volstaat het realiseren van een fietsbrug ten noorden van de kruising, parallel aan de N282.
Door het realiseren van de fietsbrug op Tilburgs grondgebied en vanuit Hulten een fietspad hier naartoe, wordt de doorstroming op de Burgemeester Letschertweg ter hoogte van kruising Burgemeester Letschertweg - N282 vergroot. Wanneer tijdens het drukste uur van de dag ca. 60 fietsers / bromfietsers de Burgemeester Letschertweg moeten passeren kan dit tot behoorlijk oponthoud leiden op dit kruispunt. Wanneer fietsverkeer via de brug, wat noordelijker wordt afgewikkeld, wordt dit voorkomen.
Door de aanleg van de fietsverbinding vanaf de Oude Baan richting Tilburg wordt eveneens een veilige fietsroute geboden, waar de fietsers gescheiden worden van het gemotoriseerd verkeer. Wat betreft verkeersveiligheid is in het gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan opgenomen dat de gemeente niet alleen het accent legt op infrastructurele maatregelen, maar meer ook op gedragsbeïnvloeding, educatie en fiets- en schoolroutes.
In CROW publicatie 230 Ontwerpwijzer fietsverkeer (2006) staat over ongelijkvloerse voorzieningen het volgende: ‘Ongelijkvloerse voorzieningen zijn gewenst of noodzakelijk als andere kruispuntoplossingen niet voldoen aan de ontwerpeisen met betrekking tot directheid en veiligheid. Dat geldt niet alleen voor hoofdfietsroutes, maar ook voor het basisnetwerk – zeker voor onderdelen van dat basisnet die (drukke) gebiedsontsluitingswegen of gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of hoger kruisen.’ De Burgemeester Letschertweg is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/uur. De fietsverbinding langs de N282 maakt deel uit van het utilitaire fietsnetwerk van de Provincie Noord-Brabant. Hier geldt dus dat een ongelijkvloerse oplossing gewenst is.
Daarnaast geldt dat het altijd kan voor komen dat de VRI een keer niet werkt. Het is dan voor fietsers (in de situatie zonder fietsbrug) vrijwel onmogelijk om de 5+2 rijstroken ter hoogte van het kruispunt over te steken zonder ongelukken.
Tevens geeft de fietsverbinding, met fietsbrug, invulling aan het belang van goede en snelle fietsverbindingen. Ook de provincie erkent dit belang. Directe routes tussen steden onderling maken daar deel vanuit. Deze routes trekken ook meer fietsers als ze aantrekkelijk zijn! Ook de route Breda-Tilburg is zo'n verbinding. Belangrijk voor de fietsers uit deze steden, maar zeker ook voor de tussenliggende dorpen en kernen. Bij kruisingen van wegen zoals de Burgemeester Letschertweg is een vlotte en veilige oversteek hierbij van cruciaal belang. De fietsbrug maakt zo'n goede, snelle fietsverbinding mede mogelijk.
Ten zuiden van de fietsverbinding richting de fietsbrug is een ecologische verbindingszone voorzien. Hieronder wordt de onderbouwing van deze ecologische verbindingszone aangegeven.
In de periode 2010 - 2012 is de dubbelbaanse weg Burgemeester Letschertweg tussen de Midden-Brabantweg (A261) en Rijksweg (N281) aangelegd. Deze rondweg ten noorden en westen van Tilburg verbindt onder meer de Midden-Brabantweg met de A58. Tegelijkertijd is aan de buitenzijde van de weg een natuurstrook aangelegd. De natuurstrook komt voort uit een gemeentelijke ambitie, beschreven in de Omgevingsvisie Tilburg 2040, om lokale en regionale natuur te behouden en te verbinden. De natuurstrook is via De Wildert (Gemeente Dongen) aangetakt aan het beschermde natuurgebied Huis ter Heide met aangrenzend het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De natuurstrook is eveneens een antwoord op landschappelijke inpassing en versnippering door nieuwe kantoorparken, industrie en infrastructuur. De ca. 40 meter brede natuurstrook passeert autowegen, paden, het treinspoor en het Wilhelminakanaal door aanwezigheid van ecotunnels en een faunabrug. Om aanrijding met fauna te voorkomen en sturing te geven is de natuurstrook in een raster gezet. Gekozen is om tot 10 jaar na oplevering van de natuurstrook geen regulier beheer uit te voeren.
Anno 2015 is de natuurstrook begroeid met riet, ruigte en (wilgen)struweel afgewisseld door open plekken en poelen. De strook heeft daardoor overall een relatief afwisselend karakter van nat tot droog. Een monitoringsplan wordt door de gemeente opgesteld om het gebruik van de natuurstrook in beeld te krijgen. De uitvoering zal in het begin gebeuren met behulp van wildcamera's en mogelijk later aangevuld met veldinventarisatie. Sinds planvorming voor de natuurstrook langs de Burgemeester Letschertweg is het de ambitie van de gemeente Tilburg om aansluiting te krijgen met de NNN. Concreet betekent dit dat de gemeente middels de natuurstrook Burgemeester Letschertweg bij wil dragen aan de verbinding van het beschermde natuurgebied Huis ter Heide met het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag.
Ten zuidwesten van de natuurstrook Burgemeester Letschertweg bevinden zich natte ecologische verbindingszones (waaronder Groote Leij) met aangrenzend NNN, waaronder Het Blok met beheertypen N16.01 Droog bos met productie en L01.01 Poel en kleine historische wateren. Om de afstand van de natuurstrook tot het bestaande NNN te minimaliseren heeft de gemeente Tilburg verzocht enkele agrarische percelen in de Gemeente Gilze en Rijen gedeeltelijk te bestemmen tot natuur waardoor de laatste grote barrière voor natuur in de natuurstrook Burgemeester Letschertweg is weggenomen. De wijziging van de planologische bestemming tot natuur is onderdeel van overkoepelende planvorming.
De inrichting van de natuurstrook dient invulling te geven aan het model Droog Kralensnoer van de Provincie Noord-Brabant en qua kwaliteit en kwantiteit aan te sluiten op de bestaande natuurstrook. Dit model is geschikt voor dieren van droge leefgebieden. Denk daarbij aan dagvlinders, sprinkhanen, reptielen (Levendbarende hagedis) en aan grondgebonden zoogdieren als Egel, Wezel en Das en diverse muizensoorten. Voor een struweelvogel als de Geelgors vormt het een ideaal broedgebied.
Het Droog Kralensnoer bestaat uit een brede corridor of uit een smallere corridor met stapstenen. De bouwstenen zijn: grasland, struweel en bos. De corridor bestaat hoofdzakelijk uit (hei)schraal grasland, brem- en/of braamstruweel en bos. Het is belangrijk dat hierin regelmatig open plekken voorkomen. Een zo breed mogelijke corridor is van groot belang. De minimale breedte is 40 meter.
In 2008 is gestart met een planstudie waarin is onderzocht of en hoe de N282/Bredaseweg moet worden aangepast. Het gaat om het gedeelte bij Rijen en Hulten (N282, provinciale weg in de gemeente Gilze en Rijen) en de Reeshof (Bredaseweg, gemeentelijke weg Tilburg). Niet alleen dient een oplossing te worden gevonden voor de stagnerende verkeersafwikkeling, ook de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in Hulten dienen verbeterd te worden.
Door de verwachte groei van het verkeer zullen de problemen in de toekomst verder toenemen. Ten behoeve van de aanpassing van de N282/Bredaseweg zijn verschillende oplossingen ontwikkeld en onderzocht. Niet alleen is onderzocht of een oplossingsrichting de geconstateerde problemen daadwerkelijk oplost, ook is in kaart gebracht wat de verschillende milieueffecten zijn en welke oplossing de voorkeur heeft. Dit heeft plaatsgevonden in het kader van de procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure). Het Milieueffectrapport (MER) dat als Bijlage 4 bij dit bestemmingsplan is gevoegd, is het resultaat van dit onderzoek.
M.e.r.-plicht
Aangezien de aanpassingen aan de N282 en Bredaseweg volgens het Besluit milieueffectrapportage 1994 m.e.r.-plichtig zijn, wordt de m.e.r.-procedure doorlopen. Deze procedure bepaalt dat voorafgaand aan de besluitvorming eerst een Milieueffectrapport (MER) wordt opgesteld. Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieu een volwaardige plek te geven in de besluitvorming.
De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan voorliggend bestemmingsplan. De m.e.r.-procedure is destijds gestart met de kennisgeving van de startnotitie op 26 juni 2009. De Commissie voor de m.e.r. heeft op 26 augustus 2009 een advies uitgebracht voor de richtlijnen van het MER, waarin wordt aangegeven welke aspecten in het MER aan de orde moeten komen, met inachtneming van de wettelijke eisen voor een MER. De raden van Tilburg (d.d. 9 november 2009) en Gilze en Rijen (d.d. 2 november 2009) hebben de richtlijnen voor het MER vastgesteld, waarbij het advies van de Commissie m.e.r. ongewijzigd is overgenomen. Het MER is in de periode 2009-2011 opgesteld met inachtneming van de vastgestelde richtlijnen.
Na het opstellen van het MER
Sinds de afronding van het MER (d.d. 11 oktober 2011) heeft een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden die geleid hebben tot aanpassing van het voorkeursalternatief. Aangezien het MER gereed is gekomen in 2011, is een aanvulling op dit MER opgesteld (d.d. 3 december 2012). Zie ook Bijlage 4 van deze toelichting. In paragraaf 5.1 van deze toelichting wordt inhoudelijk ingegaan op de m.e.r. en de aanvulling die heeft plaatsgevonden.
Inspraak
Het MER wordt samen met de aanvulling op het MER en de oplegnotitie (alledrie opgenomen in Bijlage 4) bij dit bestemmingsplan ter inzage gelegd. Partijen kunnen inspreken op de keuze voor het VKA dat juridisch-planologisch is geregeld in voorliggend bestemmingsplan. De periode voor de ter inzage legging bedraagt 6 weken. Gedurende deze periode kan een ieder schriftelijk reageren op zowel het bestemmingsplan als het MER, bijbehorende aanvulling en oplegnotitie.
Hierna wordt eerst ingegaan op de toekomstige verkeerskundige situatie. Verschillende verkeersaspecten komen aan bod. Daarna wordt ingegaan op de meer ruimtelijke component van het initiatief.
De N282 wordt op het traject tussen kruispunt N282/N631 (Oosterhoutseweg) en de N260 (Burgemeester Letschertweg) verbreed naar 2x2 rijstroken. Vóór de kern Hulten buigt de nieuwe N282 af naar het zuiden en sluit aan op de N260a (Burgemeester Ballingsweg) richting de N260 (Burgemeester Letschertweg). De Burgemeester Ballingsweg wordt ook verbreed naar 2x2 rijstroken. Het kruispunt N282/Broekdijk wordt anders vormgegeven (T-kruising). Ten zuiden van Burgemeester Ballingsweg 2 wordt een nieuw kruispunt gerealiseerd op de N282, zodat bestemmingsverkeer hier kan afslaan richting de kern Hulten. Ter hoogte van de N260 wordt via een kruispunt met verkeerslichten (VRI) aangesloten op de Burgemeester Letschertweg. De nieuwe verkeersstructuur is weergegeven op de afbeelding hierna.
Afbeelding 5: Herinrichting N282 en omgeving
De N282 in Hulten wordt binnen de bebouwde kom heringericht tot 30 km/uur zone. Ten oosten van de bebouwde kom van Hulten wordt de huidige N282 heringericht ten behoeve van natuurcompensatie. Ten behoeve van de ontsluiting van aanliggende percelen wordt de N282 vanaf Rijksweg 5 en het kruispunt Burgemeester Letschertweg/Bredaseweg heringericht als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/uur.
De Oude Baan en de Hulteneindsestraat (tussen de Oude Baan en de N282) worden verbreed, maar blijven wel erftoegangswegen buiten de bebouwde kom, maximumsnelheid 60 km/uur. De verbreding wordt gerealiseerd vanwege fietsverkeer dat van deze wegen gebruik gaat maken. De Oude Baan wordt alleen toegankelijk gemaakt voor bestemmingsverkeer (geslotenheidsverklaring).
De parallelweg Haansbergseweg (tussen kruispunt N282/Julianastraat en N282/Europalaan) wordt door middel van een VRI aangesloten op de N282 ter hoogte van Rijksweg 98. Voor verkeer richting het westen blijft wel een voorrangskruising beschikbaar ter hoogte van Rijksweg 110.
De N282 en N260a worden ingericht als gebiedsontsluitingsweg 2x2 type I, conform de ontwerprichtlijnen van het CROW. Ook de erftoegangswegen in het plangebied worden ingericht conform de ontwerprichtlijnen van het CROW.
De kruispunten zijn in de huidige situatie uitgerust met verkeerslichten. In het nieuwe ontwerp blijft dat zo; al wordt de vormgeving van de kruispunten wel aangepast aan het nieuwe ontwerp. Ter hoogte van de zweefvliegclub staan in de huidige situatie verkeerslichten op de N260a ten behoeve van de veiligheid bij het landen en opstijgen op de vliegbasis. Deze verkeerslichten worden gehandhaafd in het nieuwe ontwerp. Uitritten worden zoveel mogelijk op de aanwezige parallelvoorzieningen aangesloten. Bij afwezigheid van parallelvoorzieningen worden kavels zoveel mogelijk op het onderliggende wegennet aangesloten.
Gebruik
Wegvakken
De autonome situatie en de plansituatie 2030 zijn doorgerekend met het Regionaal verkeersmodel Hart van Brabant 2014. In tabel 1 zijn de I/C-waarden gegeven voor verschillende wegvakken in het plangebied in de ochtendspits (OS) en avondspits (AS). De locatie van de wegvakken is weergegeven in de afbeelding hierna.
De I/C-waarde geeft de verhouding weer tussen intensiteit en capaciteit en is een maat voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. I/C-waarden lager dan 0,7 duiden op een goede verkeersafwikkeling. Bij I/C-waarden tussen 0,7 en 0,9 is de verkeersafwikkeling matig. Bij I/C-waarden groter dan 0,9 is sprake van een slechte verkeersafwikkeling en I/C-waarden van 1,0 of hoger duiden op structurele congestie van de weg. In tabel 1 zijn I/C waarden lager dan 0,7 groen gemarkeerd; waarden tussen 0,7 en 0,9 zijn oranje en waarden vanaf 0,9 zijn rood.
Te zien is dat er in de autonome situatie hoge I/C-waarden gelden op de N282 tussen de Oosterhoutseweg en de Julianastraat (meetpunt 1), en tussen de Europalaan en de Burgemeester Ballingsweg (meetpunt 3). Op de overige wegvakken zijn de I/C-waarden lager dan 0,7.
Nadat de N282 is verbreed naar 2x2 rijstroken en is aangesloten op de Burgemeester Ballingsweg, nemen de I/C-waarden op het gedeelte van de N282 tussen de Oosterhoutseweg en de Burgemeester Ballingsweg af naar waarden tussen de 0,1 en 0,3. Dit betekent dat de verkeersafwikkeling in 2030 met de nieuwe plannen goed is en dat er nog ruimte is voor groei van het verkeer in de periode daarna.
In de kern Hulten (meetpunt 6) dalen de I/C-waarden tot 0; dit wordt veroorzaakt door de omlegging van de doorgaande route naar Tilburg via de Burgemeester Ballingsweg.
Tabel 1: I/C-waarden voor verschillende wegvakken in het plangebied in de ochtendspits (OS) en avondspits (AS).
Afbeelding 6: locatie telpunten
Zoals in paragraaf 3.1.1 is aangegeven is door Antea Group in 2015 onderzoek uitgevoerd naar de verbreding van de N282 (bron: Verbreding N282 Inzicht in nut en noodzaak, Antea Group, 22 juli 2015, projectnummer 0402534.00). In dit onderzoek is de capaciteit op de A58 tussen aansluiting 12 en knooppunt St. Annabosch gereduceerd om het effect van het vastlopen van de A58 op de N282 inzichtelijk te maken. De capaciteit op de A58 is voor beide richtingen verlaagd met 5, 10 en 15% om bijvoorbeeld een verlaagde capaciteit door een pechgeval na te bootsen. Op wegvakniveau leidt dit niet tot een slechte beoordeling. De I/C-waarden blijven kleiner dan 0,7. Alleen op het wegvak Oosterhoutseweg (N631) - Julianastraat is de I/C-waarde matig, echter het verkeer kan met ruim 20% groeien ten opzichte van de situatie 2030 voordat de I/C-waarde 0,9 is en de verkeersafwikkeling slecht is. In het onderzoek is uitgegaan van een 1x2 profiel op dit gedeelte van de N282. In het huidige plan is het wegvak Oosterhoutseweg (N631) - Julianastraat wel voorzien van 2x2 rijstroken. Dit betekent dat de I/C-waarde op dit wegvak nog een stuk lager is en dat de N282 tot 2030 voldoende robuust is om een goede verkeersafwikkeling te behouden.
Kruispunten
Door Bureau Goudappel Coffeng is in 2014 een aantal kruispuntberekeningen uitgevoerd voor het voorkeursalternatief uit de MER (bron: Definitieve doorrekening VKA t.b.v. I/C en 5 kruispuntberekeningen, Goudappel Coffeng, 22 april 2014, kenmerk NBA302/Wka/2333.02). In dit onderzoek zijn onder andere de volgende kruispunten met COCON doorgerekend, uitgegaan van de verkeersintensiteiten in 2030:
Bij de beoordeling van de capaciteit van de kruispunten is gekeken naar de maatstaven van de provincie Noord-Brabant wat betreft cyclustijden. De beoordelingscriteria zijn te vinden in tabel 2.
Tabel 2: Beoordelingskader cyclustijden Provincie Noord-Brabant.
In de berekeningen van Bureau Goudappel Coffeng is uitgegaan van dezelfde kruispuntvormgeving als in het ontwerp ten behoeve van het bestemmingsplan voor de N282. In tabel 3 zijn de cyclustijden voor de verschillende kruispunten gegeven.
Tabel 3: Cyclustijden voor de kruispunten in het plangebied in 2030 (bron: Definitieve doorrekening VKA t.b.v. I/C en 5 kruispuntberekeningen, Goudappel Coffeng, 22 april 2014).
Op het kruispunt N282 / Oosterhoutseweg (N631) is de verkeersafwikkeling in 2030 matig; het kan de verkeersstromen nog afwikkelen binnen de grenswaarde van 120 seconden, maar er is niet veel meer ruimte voor groei. Voor de overige kruispunten geldt dat de cyclustijden allemaal ruim onder de 90 seconden (voor een drietakskruispunt) blijven en onder de 120 seconden (voor een viertakskruispunt) blijven. Dit betekent dat de verkeersafwikkeling op de kruispunten goed is.
In het onderzoek van AnteaGroup met behulp van COCON de verkeersafwikkeling op het kruispunt N282 / Oosterhoutseweg (N631) onderzocht in de situatie dat de capaciteit op de A58 is verlaagd. De resultaten zijn overgenomen in tabel 4.
Tabel 4: Cyclustijden voor het kruispunt N282 / Oosterhoutseweg (N631) bij capaciteitsreductie op de A58 (bron: Verbreding N282 Inzicht in nut
en noodzaak, AnteaGroup, 22 juli 2015, projectnummer 0402534.00).
In deze tabel is te zien dat bij een reductie van de capaciteit op de A58, de verkeersafwikkeling op het kruispunt N282 / Oosterhoutseweg (N631) als slecht wordt beoordeeld in de ochtendspits.
In de ochtendspits is er (zonder capaciteitsreductie op de A58) beperkte ruimte voor groei van het verkeer ten opzichte van 2030 voordat de verkeersafwikkeling slecht wordt, namelijk 2%. Door het kruispunt uit te breiden met extra opstelstroken voor de richtingen 2 en 8 (doorgaande richtingen op de N282) wordt het kruispunt meer robuust. De cyclustijden worden dan 80 seconden in de ochtendspits en 71 seconden in de avondspits.
In het plangebied ligt in de huidige situatie één bushalte: Hulten, Burgemeester Ballingsweg. De lijnen 130 en 131 (huidige vervoerder is Arriva) halteren hier.
Lijn 130 rijdt van Rijen naar Gilze OC Prinsenbos en vice versa. Deze lijn rijdt op weekdagen acht ritten tussen 07:30 en 18:30 uur. Lijn 131 rijdt van Breda via Rijen naar Tilburg en vice versa. Deze lijn rijdt op weekdagen tussen 06:00 en 22:00 uur ieder uur (buiten de spitsuren) of ieder half uur (in de spitsuren). Beide buslijnen rijden in de huidige situatie al via de N282 en de Burgemeester Ballingsweg rijden; de buslijnen hoeven niet te worden aangepast.
Daarnaast rijdt buslijn 629 door de kern Hulten. Deze bus rijdt van maandag t/m vrijdag één keer per dag van busstation Oosterhout naar Tilburg, halte Stappegoor/Scholen. Deze bus stopt niet in het plangebied, en kan na de verdubbeling van de N282 via de nieuwe route over de N282, Burgemeester Ballingsweg, Burgemeester Letschertweg naar de Bredaseweg rijden.
Afbeelding 7: Uitsnede van de lijnennetkaart West-Brabant 2015 (bron: www.arriva.nl).
De halte Hulten, Burgemeester Ballingsweg, krijgt in het nieuwe ontwerp van de N282 een plek bij het nieuw aan te leggen kruispunt N282/N260a met de Burgemeester Ballingsweg richting de kern Hulten. De bus halteert in haltekommen en bij het kruispunt is gelegenheid voor busreizigers om over te steken.
In de afbeelding hierna is te zien dat de N282 en de N260a beide deel uitmaken van het utilitair fietsnetwerk van de Provincie Noord-Brabant. De oost-west fietsverbinding langs de huidige N282 moet daarom bij de nieuwe ontwikkeling in stand worden gehouden.
Afbeelding 8: Uitsnede van de kaart: Utilitair fietsnetwerk Provincie Noord-Brabant.
Tussen kruispunt N282/Oosterhoutseweg (N631) en kruispunt N282/Julianastraat liggen in de plansituatie vrijliggende éénrichtingenfietspaden aan weerszijden van de N282. Op het traject tussen kruispunt N282/Julianastraat en Hulten wordt aan de noordzijde van de N282 een vrijliggend tweerichtingenfietspad gerealiseerd. Dit fietspad gaat ter hoogte van de Haansbergseweg tijdelijk over in een parallelweg, een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/uur.
Waar de N282 afbuigt naar het zuiden, gaat het vrijliggende tweerichtingenfietspad rechtdoor richting de kern Hulten en sluit daar aan op de nieuw in te richten weg door de kern Hulten, zone 30 km/uur. Ten oosten van de kern Hulten sluit de erftoegangsweg binnen de bebouwde kom aan op de Oude Baan en wordt dan een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. De fietsverbinding loopt via de Oude Baan richting de Hulteneindsestraat. Het fietspad steekt hier over naar een nieuw aan te leggen fietspad dat via een fietsbrug over de Burgemeester Letschertweg kruist en aansluit op het tweerichtingenfietspad ten noorden van de Bredaseweg. De fietsbrug over de Burgemeester Letschertweg valt ligt op grondgebied van de gemeente Tilburg en valt buiten de grenzen van dit bestemmingsplan. Hiermee wordt de oost-west fietsverbinding langs de huidige N282 in stand gehouden.
Vanuit Hulten kunnen fietsers via de Burgemeester Ballingsweg naar het zuiden fietsen, via een vrijliggend fietspad ten westen van de Burgemeester Ballingsweg.De zweefvliegclub en de spotterplaats zijn hierdoor niet per fiets bereikbaar. Vanuit veiligheidsoverweging is ervoor gekozen geen oversteekmogelijkheid te realiseren.
De huidige utilitaire fietsverbindingen worden in het nieuwe ontwerp dus in stand gehouden.
Nabij het kruispunt met de Julianastraat wordt ook aan de zuidzijde van de N282 een vrijliggend tweerichtingenfietspad gerealiseerd, ten behoeve van de bereikbaarheid van de woningen Rijksweg 111C, 113 en 115.
Door de verbreding van de N282 naar 2x2 rijstroken verbetert de bereikbaarheid voor hulpdiensten in het gebied. Door de toename in wegcapaciteit ontstaan minder snel wachtrijen voor de verkeersregelinstallaties op de kruispunten, waardoor de aanrijtijden van de hulpdiensten in de spitsuren zullen verbeteren.
De N282 loopt in de nieuwe situatie niet meer dwars door de kern Hulten. Deze kern blijft echter goed bereikbaar voor hulpdiensten, vanwege het nieuwe kruispunt dat wordt gerealiseerd.
In de huidige situatie rijdt er landbouwverkeer op de N282. Door de beperkte inhaalmogelijkheden op een 1x2 weg, leidt dit tot verkeersonveilige situaties. In het nieuwe ontwerp is geen parallelweg voor landbouwverkeer voorzien, vanwege het ontbreken van ruimte.
Langs de N260a wordt tussen de N260 en huisnummer 2 een parallelweg voor landbouwverkeer gerealiseerd. Hiermee kan de eigenaar op een veilige manier zijn percelen aan de overzijde van de N260 bereiken.
In het plan zijn gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer gescheiden. Waar langzaam verkeersverbindingen de N282 kruisen, wordt gebruik gemaakt van verkeerslichten. Dit is een verkeersveilige oplossing. De verbreding van de N282 en de N260a zorgt ervoor dat inhalen (van bijvoorbeeld landbouwverkeer) veiliger wordt, omdat men niet meer op de andere weghelft komt.
Door de N282 richting het zuiden af te buigen kan de kern Hulten autoluw worden gemaakt. Dit leidt tot een verbetering van de leefbaarheid en verkeersveiligheid in de kern. De nieuwe inrichting van de N282 in Hulten leidt tot lagere snelheden van het gemotoriseerd verkeer, waardoor menging met fietsers mogelijk is. De oversteekbaarheid van de N282 in Hulten verbetert ook, door de lagere verkeersintensiteiten.
Kortom, het plan leidt tot een verbetering van de verkeersveiligheid ten opzichte van de huidige situatie.
Op grond van landschap is een onderscheid gemaakt in de diverse deelgebieden die voorkomen in het gebied waar de N282 conform het principeplan doorheen loopt. Deze deelgebieden zijn op afbeelding 9 weergegeven (in Bijlage 3 is de kaart op groot formaat opgenomen). Er is daarbij naar een groter gebied gekeken dan alleen naar de directe omgeving van de N282.
Afbeelding 9: Landschapskarakteristieken
Onderstaande tabel geeft aan welke landschapskarakteristieken bij de diverse deelgebieden zijn te beschrijven.
Uitgangspunt is dat de weg reageert op het landschap. De landschappelijke inpassing van de weg wordt daarom zo goed mogelijk aangesloten op de landschapskarakteristieken van het gebied waar de weg doorheen loopt. Voor eventueel aanvullende beplanting langs de N282 betekent dit het volgende:
Hierna komt een aantal aspecten aan de orde, in relatie tot de ruimtelijke ligging en inpassing van de wegen binnen dit bestemmingsplan. Het ontwerp van de weg is als Bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Het ontwerp
Bij het bepalen van het dwarsprofiel van de N282 is het handboek wegontwerp van het CROW als uitgangspunt gehanteerd. Natuurlijk is ook de eigendomssituatie in de overwegingen meegenomen, al heeft die geen doorslaggevende rol gespeeld.
Het plangebied van dit bestemmingsplan en daarmee ook de aanpassingen van de wegen vallen voor het grootste deel samen met reeds bestaande wegen.
Gezien de beperkte ruimte die er veelal is binnen het plangebied, is er ook maar in beperkte mate ruimte voor inpassing met groenelementen. Het omliggende landschap is op een aantal plaatsen open van karakter, soms ook mede ingegeven door de ligging in de directe nabijheid van de vliegbasis. Inpassing in bijvoorbeeld hoog opgaand groen, of met bomenrijen sluit hier niet bij aan.
In de obstakelvrije zone van de weg is op een aantal plaatsen een (botsveilige) blokhaag voorzien.
Ook is rekening gehouden met de invliegfunnels van de vliegbasis, conform Europese wet- en regelgeving. Hier is geen sprake van obstakels (beplanting, verlichting, etc.) of verkantingen in het ontwerp, om deze invliegfunnels zo vrij te houden.
Door de verbreding van de bestaande N282 zal tussen Rijen en Hulten boombeplanting verdwijnen. Dit draagt in positieve zin bij aan de relatie met het omliggende landschap. Het omliggende landschap is hier van oudsher immers zeer open.
As van de weg en continuïteit van het wegbeeld
Er is gekozen voor de verbreding aan die zijde waar deze het minst ten koste gaat van waardevol groen en tevens over het minst aantal particuliere gronden loopt.
Het planten van een haag langs het volledige tracé zorgt voor continuïteit van het wegbeeld. Suggestie vanuit landschap is om dit waar mogelijk driedelig uit te voeren; langs de weg en in de middenberm.
Fietspaden
Het fietspad is met name aan de noordzijde van de rijbaan van de N282 ingepast, binnen de obstakelvrije zone van de rijbaan en is nagenoeg overal 3,5 meter breed. Het gaat om een tweerichtingsfietspad. Aan deze zijde liggen immers de meeste bestemmingen.
Met betrekking tot de obstakelvrije zone, tussen de rijbaan en een fietspad, wordt een haag met palen en draad geplaatst om toch enige afdekking van het doorgaande verkeer te geven. Voor de ruimte naast de rijbaan waar geen fietspad ligt, wordt de obstakelvrije ruimte, met betrekking tot de bomen en een eventueel aan te leggen sloot, geheel gerespecteerd. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn zal een bermbeveiliging worden toegepast.
Langs de Oude Baan bestaat de mogelijkheid om een in twee richtingen bereden fietspad aan te leggen, richting Tilburg. De gemeente Tilburg is voornemens een fietsbrug te realiseren over de Burgemeerster Letschertweg ter hoogte van de Reeshof. Voorliggend plan maakt de aansluiting van het fietspad hier mogelijk. Het fietspad wordt te zijner tijd begeleid door een ecologische verbindingszone aan de zuidzijde.
Wegdektype
De weg wordt uitgevoerd met stil asfalt.
Geluidwerende voorzieningen
Op één locatie in het plangebied zijn geluidwerende voorzieningen voorzien. Deze geluidwerende voorzieningen komen ter hoogte van de woningen in de oksel van de N282 en de Burg. Ballingsweg. De geluidwerende voorzieningen worden gerealiseerd in de vorm van een aarden wal.
Afwatering
Ten behoeve van de afwatering worden, daar waar mogelijk bermen met zaksloten aangelegd, aan beide zijden van de weg. Niet overal is hier voldoende ruimte voor. Daarom wordt aan de zuidzijde van het tracé ter hoogte van de militaire vliegbasis en de aansluiting op de Haansbergsweg een waterhuishoudkundige voorziening gerealiseerd, waar water (tijdelijk) kan worden opgevangen en kan infiltreren.
Deze voorziening wordt ingericht als een laagte, waar water opgevangen kan worden. Deze laagte zal met gras begroeid zijn en zal niet altijd als waterhuishoudkundige voorziening in gebruik zijn.
Voor de nadere motivering van de omvang van waterhuishoudkundige voorzieningen en meer technische aspecten, wordt hier verwezen naar paragraaf 5.3 (Waterparagraaf) van deze toelichting van het bestemmingsplan.
Natuur
Ten oosten van Hulten verliest de huidige N282 zijn functie. In de huidige situatie doorsnijdt de N282 hier het natuurgebied Het Blok. De weg zal hier ook worden verwijderd en deel uit gaan maken van het natuurgebied Het Blok. Door de knip in de weg ter hoogte van Het Blok worden de bosgebieden weer met elkaar verbonden.
Ook wordt natuur voorzien in de twee gebieden op afstand van de N282, die ook deel uitmaken van dit bestemmingsplan. Het gaat om een gebied ten zuidwesten van de vliegbasis aan de Broekstraat en een gebied ter hoogte van de Lage Aard. Hier wordt bos aangeplant om zo te voorzien in de natuurcompensatie in het kader van NNN en compensatie in het kader van de Boswet.
Zie ook paragraaf 5.4 Natuur van deze toelichting waar in wordt gegaan op het aspect natuur.
Bomen
Bomen zijn zoveel mogelijk gespaard. Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen monumentale bomen aanwezig.
In dit hoofdstuk komt het voor dit plan relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau aan bod. Het gaat om algemeen, ruimtelijk ordeningsbeleid. Sectoraal beleid en sectorale wet- en regelgeving komen aan bod bij de betreffende thema's of in de bijbehorende onderzoeksrapporten.
Per beleidsdocument is de relatie met voorliggend plan omschreven.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012 en vormt het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt en de focus bepaalt voor de mobiliteitsinvesteringen. Het Rijk gaat gericht investeren in projecten die bijdragen aan een betere bereikbaarheid van de gebieden met de grootste economische verdiencapaciteit voor Nederland. En door weg, spoor, regionaal OV en vaarwegen in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling te bekijken, gaan bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid hand in hand.
De SVIR is de eerste stap naar meer ruimte voor ontwikkeling, het terugbrengen van de bestuurlijke drukte en het schrappen van regelgeving. De tweede stap wordt de Omgevingswet. Deze integreert alle relevante wetten voor de ruimtelijke inrichting. Meer ruimte betekent ook minder en eenvoudigere regels en procedures.
Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport
De MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport)-regio Brabant en Limburg omvat de provincies Noord-Brabant en Limburg met daarin de Brainport Zuidoost Nederland. Opgaven van nationaal belang in dit gebied zijn:
In de nota wordt de ambitie uitgesproken om een betrouwbare en acceptabele reistijd te verzorgen. Een betere bereikbaarheid van de economische kerngebieden in Nederland is van groot belang voor de versterking van de economie. Daarnaast is het van belang om niet alleen het hoofdwegennet te verbeteren, maar ook te werken aan de robuustheid van het onderliggende netwerk. Als er goede alternatieve routes beschikbaar zijn, is het wegennet minder gevoelig voor verstoringen.
Het is de ambitie om, daar waar mogelijk, verkeersstromen te scheiden. Het hoofdwegennet is beschikbaar voor zowel regionaal verkeer als doorgaand verkeer. Het kan kosteneffectief zijn om alternatieven te bieden aan het regionaal verkeer, bijvoorbeeld door het onderliggende wegennet op te waarderen.
Tot slotte wordt er gekeken naar gebiedsgerichte aanpakken. Vanuit het besef dat het hoofdwegennet en onderliggend wegennet een samenhangend netwerk vormt, werken de overheden samen bij de aanpak van knelpunten. Het rijk neemt het initiatief bij knelpunten op het hoofdwegennet. In stedelijke netwerken ligt het voortouw bij de decentrale overheden, in dit geval de provincie Noord-Brabant.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
De verbreding van de N282 geeft invulling aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Hiermee wordt het hoofdwegennet in de provincie verbeterd. Verkeersstromen worden gescheiden doordat de kern Hulten via één kruispunt wordt aangesloten op de N282. De Structuurvisie staat de verbreding van de N282 niet in de weg.
In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met een van de nationale belangen. Het voorgenomen initiatief is in lijn met de structuurvisie, aangezien verder geen nationale belangen in het geding zijn.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 Bro (Ladder voor duurzame verstedelijking) dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, te voldoen aan een drietal voorwaarden, ook wel 'treden' genoemd. De definitie van 'stedelijke ontwikkeling' is: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Dit plan beoogt de reconstructie van de N282 en aanliggende wegen om zo congestieproblemen op te lossen en de leefbaarheid in Hulten te verbeteren. Bij het voorontwerp bestemmingsplan is de ontwikkeling gezien als een nieuw te realiseren stedelijke ontwikkeling en is daarom een motivatie opgenomen ter voldoening aan de verantwoordingsplicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Op basis van jurisprudentie (AbRvS 24 februari 2016, 201501425) wordt een weg echter niet gezien als stedelijke ontwikkeling. De verantwoordingsplicht van artikel 3.1.6, lid 2, Bro is dus niet van toepassing.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Desalniettemin kan wel het volgende aangegeven worden:
De nut en noodzaak voor de ontwikkeling wordt gemotiveerd in paragraaf 3.1. Een deel van de onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. De bestaande weg, wordt deels buiten het stedelijk gebied aangepast. Het overgrote deel van het plangebied heeft al een verkeersfunctie. Trede drie (beoordeling in hoeverre de ontwikkeling mogelijk is op locaties die al ontsloten zijn of ontsloten worden door verschillende modaliteiten op een schaal die passend is bij de beoogde ontwikkeling) is bij deze ontwikkeling niet aan de orde.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. Dé grote uitdaging voor Noord-Brabant is om het (hoog)stedelijk gebied verder te ontwikkelen tot een krachtig netwerk en tegelijkertijd de groene en blauwe waarden van Noord-Brabant te versterken.
Ten aanzien van het aspect mobiliteit wordt in de Structuurvisie uitgegaan van een groei met 40% in de periode tot 2030. De automobiliteit in Noord-Brabant is in de afgelopen 10 jaar met zo'n 25% gegroeid. In de komende jaren zal deze groei zich voortzetten.
De ligging van de stedelijke concentratiegebieden aan internationale assen en de verbinding tussen de verschillende stedelijke concentratiegebieden (door regionale assen) zijn cruciaal voor het economisch functioneren van Brabant. Het creëren van een betere verknoping van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling en bevordering van de bereikbaarheid zijn essentieel. Het landschap dient meer aandacht te krijgen bij de uitbreiding en aanleg van infrastructuur, omdat een goede afstemming van de vormgeving van wegen met de omgeving bijdraagt aan de kwaliteit van Brabant. De bereikbaarheid tussen steden, en tussen steden en omliggende regio's dient te worden verbeterd. Daarbij wordt bestaande weginfrastructuur optimaal benut en infrastructuur uitgebouwd als dat noodzakelijk is.
Nieuwe doorsnijdingen van het buitengebied door infrastructuur worden zoveel mogelijk voorkomen.
In de Gebiedsagenda Brabant 2013 wordt de N282 genoemd als realisatieproject.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
De verbreding van de N282 geeft invulling aan het provinciale beleid.
De provincie geeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Zaken uit de structuurvisie die van provinciaal belang zijn, zijn vastgelegd in de Verordening ruimte. De Verordening Ruimte 2014 bevat regels, waaraan de in de verordening vermelde gemeentelijke planologische besluiten moeten voldoen.
Hierna is een overzicht opgenomen van de artikelen die van toepassing zijn ter hoogte van het plangebied van dit bestemmingsplan. De Verordening gaat ook in op natuur. Deze onderdelen van de Verordening en hoe hier invulling aan is gegeven komen aan de orde in paragraaf 5.5 van deze toelichting en het natuuronderzoek dat is toegevoegd als Bijlage 7.
In onderstaande tabel zijn de voor dit plan van toepassing zijnde artikelen uit de Verordening Ruimte 2014 opgesomd. Daarnaast is aangegeven hoe in het bestemmingsplan en in het MER invulling is gegeven aan deze artikelen.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
In de tabel hiervoor is aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de regels van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant. Het initiatief voldoet aan deze regels en wordt hier dus niet door in de weg gestaan.
De dynamische beleidsagenda is een uitwerking van het Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan. De Dynamische beleidsagenda bevat een gebundeld overzicht van doelen en thema's op tactisch niveau die de provincie Noord-Brabant in de periode 2012-2016 zelfstandig of samen met haar regionale partners wil oppakken.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
De omlegging van de N282 draagt bij aan de volgende doelen van de provincie Noord-Brabant:
Op 21 december 2015 is de Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen vastgesteld. De Structuurvisie schetst de ambitie, visie en strategie voor de langetermijnontwikkeling van de kernen Rijen, Gilze, Molenschot en Hulten.
Ruimtelijke hoofdkeuzes in deze Structuurvisie zijn:
Relatie met voorliggend bestemmingsplan
Herinrichting van de kern Hulten tot nieuwe verblijfsruimte maakt deel uit van de Structuurvisie. Ook wil de gemeente de fietsbereikbaarheid van de kernen bevorderen. De omlegging van de N282 en de daarbij horende herinrichting van de kern Hulten geeft hiermee invulling aan de Structuurvisie Stedelijk Gebied.
Voor het plangebied van de N282 zijn de volgende bestemmingsplannen van kracht:
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op relevante milieugegevens en milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan (en / of het bijbehorende MER). Indien onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van dit bestemmingsplan wordt het onderzoekskader van het betreffende milieuthema genoemd. Vervolgens komen het onderzoek zelf en de relevantie voor het plan aan de orde. De onderzoeksrapportages zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
Wanneer geen onderzoek heeft plaatsgevonden, specifiek voor dit bestemmingsplan, maar het thema wel relevant is voor dit bestemmingsplan, wordt hier wat korter op ingegaan door aan te geven wat de relevantie van het thema voor het plan is.
In Bijlage 4 zijn het oorspronkelijke MER, de aanvulling op het MER en de oplegnotitie opgenomen. In de subparagrafen hierna wordt de essentie van dit onderzoek weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het uitgangspunten van en alternatieven bij de M.E.R studie. Vervolgens zal kort toegelicht worden wat er aan onderzoek is uitgevoerd en wat hiervan de resultaten zijn. Daarna wordt aangegeven wat de consequenties van het onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
Aangezien de aanpassingen aan de N282 en Bredaseweg volgens het Besluit milieueffectrapportage 1994 m.e.r.-plichtig zijn, wordt de m.e.r.-procedure doorlopen. Deze procedure bepaalt dat voorafgaand aan de besluitvorming eerst een Milieueffectrapport (MER) wordt opgesteld. Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieu een volwaardige plek te geven in de besluitvorming. Zie ok paragraaf 3.1.2 van deze toelichting.
Bij de aanvang van het ontwerpproces is een aantal uitgangspunten opgesteld. Hierna
worden de belangrijkste uitgangspunten opgesomd en waar nodig toegelicht:
Alternatieven
Onderstaand zijn de onderzochte alternatieven beknopt beschreven.
Alternatief 1
In alternatief 1 blijft de rijstrookconfiguratie ten oosten en westen van Hulten 1x2. Het dwarsprofiel van de weg wordt aangepast om te voldoen aan de richtlijnen van duurzaam veilig. Bij het wegvak Rijen worden waar nodig parallelwegen toegevoegd voor de ontsluiting van erven. Op de Bredaseweg zijn langs het gehele tracé parallelwegen opgenomen voor langzaam verkeer. Hulten wordt autoluw gemaakt om de leefbaarheid te verbeteren. Voor het autoluw maken van Hulten zijn twee varianten in beeld:
Alternatief 2
Bij alternatief 2 wordt de weg over het gehele tracé uitgebreid. Er komen 2 rijbanen met elk 2 rijstroken (een 2x2 rijstrookconfiguratie). Om verkeersonveilige situaties te voorkomen, worden ter hoogte van (clusters van) erven parallelwegen toegevoegd.
Alternatief 3
Alternatief 3 is een combinatie van alternatieven 1 en 2. Analoog aan alternatief 2 wordt de weg verbreed naar een situatie met 2x2 rijstroken, met uitzondering van Hulten. Net als bij alternatief 1 wordt Hulten autoluw gemaakt:
Alternatief 4
Het alternatief bestaat uit 2x2 rijstroken ter hoogte van Rijen en de Reeshof met een omlegging van de N282 naar het zuiden bij Hulten. De omlegging sluit aan op de Burg. Letschertweg. De Burg. Ballingsweg wordt grotendeels opgeheven. De zuidelijke omlegging van de N282 is een alternatief voor het weggedeelte bij Hulten.
Alternatief 5
Alternatief 5 is tijdens de onderzoeksfase van het MER ontwikkeld en is een combinatie van de alternatieven 3 variant B en 4. Het alternatief bestaat uit 2x2 rijstroken ter hoogte van Rijen en de Reeshof met een korte mlegging van de N282 naar de Burg. Ballingsweg. De Burg. Ballingsweg wordt verbreed naar 2x2 rijstroken. De situatie met verkeerslichten bij de aanvliegroute voor de vliegbasis blijft bestaan. Net als in alternatief 4 is er aan de noordzijde van de kruising van de N282 met de Burg. Letschertweg een fietsersbrug opgenomen.
Van deze 5 alternatieven zijn 3 alternatieven (1-3) afgevallen omdat ze niet aan de doelstellingen voldoen. Alternatief 4 en 5 zijn vervolgens aan de verschillende onderzoeksaspecten getoetst waarna het voorkeursalternatief bepaald is dat het meest overeenkomt met alternatief 5.
Naar aanleiding van een voorlopig toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. is not een tweetal alternatieven onderzocht. Dit leidde niet tot andere inzichten.
Vervolgens zijn optimalisaties aan het VKA doorgevoerd en is er een nieuw verkeersmodel gekomen.
Deze optimalisaties en dit nieuwe verkeersmodel leiden niet tot andere inzichten wat betreft het VKA en de afweging die destijds heeft plaatsgevonden.
Het milieuaspect heeft een volwaardige plaats gekregen in het planvormingsproces. Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen zijn voor het juridisch-planologisch regelen en op termijn realiseren van het geoptimaliseerde voorkeursalternatief. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in deze juridisch-planologische regeling.
Als input voor het akoestisch onderzoek, het onderzoek luchtkwaliteit en de berekeningen stikstofdepositie (die in de paragrafen hierna aan bod komen) is uitgegaan van een verkeersmodel d.d. juni 2015. In september 2015 is de bestuurlijke keuze gemaakt om de verbreding van het traject Oosterhoutseweg - Julianastraat en de daarbij behorende kruispunten (ter hoogte van de Oosterhoutseweg en ter hoogte van de Julianastraat) eveneens mee te nemen. Het verkeersmodel is aan de hand van deze wijzigingen in het ontwerp niet aangepast. Daarom is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Uit deze analyse blijkt dat er op verschillende tracédelen sprake is van een toename van motorvoertuigen per etmaal. Gelet op de mate van toename is op basis van expert judgement niet te verwachten dat de wijzigingen gevolgen hebben voor de uitkomsten van deze onderzoeken. Richting het ontwerp bestemmingsplan zal deze conclusie aangevuld worden met een kwantitatieve onderbouwing.
In Bijlage 5 is het achtergrondrapport met betrekking tot Akoestisch onderzoek opgenomen (Jansen, 2016). In de subparagrafen hierna wordt de essentie van dit onderzoek weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het wettelijk kader van het onderzoek en de regelgeving. Vervolgens komen het onderzoek en de resultaten hiervan aan de orde. Tenslotte wordt aangegeven wat de consequenties van het onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
De geluidswetgeving vanwege wegverkeerslawaai is uitgewerkt in de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder. De geluidwetgeving is van toepassing op de aanleg van een nieuwe weg, de wijziging van een bestaande weg of de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een weg. Het onderzoek dat is uitgevoerd heeft betrekking op de situatie 'wijziging van een bestaande weg' en 'aanleg van een nieuwe weg'.
Correctie ex artikel 110g Wgh
Het beleid van de Nederlandse overheid en de Europese Unie is erop gericht om de geluidsemissie van het verkeer te verminderen. Dit wordt bereikt door steeds strengere eisen te stellen aan de geluidsemissies van voertuigen en banden en door onderzoek naar stillere wegdekverhardingen te stimuleren. In de Wet geluidhinder is in artikel 110g de mogelijkheid geboden om hierop te anticiperen in het geluidsonderzoek, aangezien in het geluidsonderzoek de toekomstige geluidsbelastingen maatgevend zijn. In artikel 110g van de Wgh is bepaald dat op het reken- of meetresultaat een aftrek wordt toegepast in verband met het stiller worden van het autoverkeer. De hoogte van deze aftrek is geregeld in artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012).
Hierdoor bedraagt tot 1 juli 2018 de aftrek voor wegen met een representatief te achten snelheid voor lichte motorvoertuigen van 70 km/h of meer:
Met ingang van 1 juli 2018 vervalt de verruiming van de aftrek en is de aftrek voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/h of meer bedraagt altijd 2 dB.
Voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder bedraagt dan 70 km/h, is de aftrek 5 dB. Bij het bepalen van de geluidswering van de gevels is de aftrek 0 dB.
Grenswaarden bij wijziging van een bestaande weg
Voor alle geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone van een te wijzigen weg moet bij een wijziging van de weg onderzocht worden of er sprake is van reconstructie zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van een reconstructie indien de geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstige maatgevende jaar zonder maatregelen, met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Het toekomstig maatgevende jaar is meestal het tiende jaar na de wijziging.
De hoogst toelaatbare geluidsbelasting is bepaald in artikel 100 van de Wet geluidhinder en artikel 3.3 van het Besluit geluidhinder. In deze artikelen wordt onderscheid gemaakt tussen bestemmingen waarvoor reeds een hogere waarde is vastgesteld en bestemmingen waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld. Daarnaast is voor het bepalen van de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van belang of de weg en/of de geluidsgevoelige bestemming aanwezig of geprojecteerd waren op 1 januari 2007.
De hoogst toelaatbare geluidsbelasting is 48 dB, tenzij er een hogere waarde is vastgesteld of de weg reeds aanwezig of geprojecteerd was op 1 januari 2007.
Indien reeds een hogere waarde is vastgesteld en de heersende waarde is hoger dan 48 dB, geldt als de hoogst toelaatbare geluidsbelasting de laagste waarde van:
Indien geen hogere waarde is vastgesteld en de weg reeds aanwezig of geprojecteerd was op 1 januari 2007 en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, dan is de heersende geluidsbelasting de hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor geluidsgevoelige bestemmingen die op 1 januari 2007 aanwezig of geprojecteerd waren.
Indien sprake is van een reconstructie moeten maatregelen onderzocht worden. Het doel daarbij is om de toekomstige geluidsbelasting zo veel mogelijk terug te brengen tot de hoogst toelaatbare waarde. Indien maatregelen niet voldoende zijn of op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan een hogere waarde worden vastgesteld. De toename van de geluidsbelasting mag niet meer dan 5 dB bedragen, tenzij de geluidsbelasting van een gelijk aantal woningen elders, met een tenminste gelijke waarde vermindert.
Het akoestisch onderzoek richt zich op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen die zijn gelegen in de geluidszone van de weg. Daarnaast is er gekeken naar de wegdekverhardingen, rijsnelheden, kruispuntcorrecties/rotonde correcties, geluidschermen en wallen, saneringssituaties en bestaande gegevens uit eerdere bestemmingsplannen.
Resultaat
Uit de rekenresultaten blijkt dat er ter plaatse van de nieuwe, aangepaste N282 bij geen enkele geluidsgevoelige bestemming sprake is van een reconstructie. De toename van de geluidsbelasting ten opzichte van de grenswaarde bedraagt maximaal 1 dB.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting afkomstig van het deel van de N282 dat als nieuwe wegaanleg moet worden beschouwd volgens de Wet Geluidhinder, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel overschrijdt bij acht bestemmingen. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 60 dB. De maximaal toegestane waarde van 58 dB wordt hiermee overschreden. Naar aanleiding hiervan zijn maatregelen onderzocht. Na het doorrekenen van deze maatregelen blijkt dat uiteindelijk voor zes woningen een besluit hogere waarde dient te worden genomen. Deze procedure is voor vaststelling van voorliggend bestemmingsplan gevolgd.
De maatregelen die doelmatig zijn om de geluidhinder na realisatie van de N282 te beperken betreffen
Hiermee wordt de geluidbelasting teruggebracht tot onder de maximaal te ontheffen waarde.
De grondwal is juridisch-planologisch geregeld in voorliggend bestemmingsplan. Er is verder een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee is geregeld dat de weg niet kan worden gebruikt voor 2 x 2 doorgaande rijstroken voor zover het betreft de N282 en de N260A indien niet is voorzien in de geluidsbeperkende voorzieningen met de vereiste akoestische werking.
In Bijlage 6 is het achtergrondrapport met betrekking tot water opgenomen (Mol, 2016). In de subparagrafen hierna wordt de essentie van dit onderzoek weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het wettelijk kader van het onderzoek en de regelgeving. Vervolgens komen het onderzoek en de resultaten hiervan aan de orde. Tenslotte wordt aangegeven wat de consequenties van het onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de chemische kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en de ecologische kwaliteit van oppervlaktewater. In het gebied West Brabant is onder regie van Waterschap Brabantse Delta per waterlichaam bepaald wat de knelpunten en de KRW-doelen zijn. Vervolgens zijn de maatregelen bepaald om die kwaliteitsdoelen te bereiken. Van elke RWSR-gebied (Regionale WaterSysteem Rapportage) in het waterschap wordt een rapport gemaakt waarin de KRW-maatregelen vastgelegd zijn. Waterschap en gemeenten leggen de KRW-maatregelen in bestuurlijke besluiten vast. Na de besluitvorming zijn de maatregelen in 2009 opgenomen in de "deelstroomgebiedsbeheersplannen" voor de Maas en de Schelde. De KRW is al in 2005 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving en al vanaf 2000 in Europa van kracht. Van belang is dat bij initiatieven tenminste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens 'een hoger doel' niet anders kan.
Nationaal Bestuursakkoord Water
In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water dient in de toekomst de wateropgave (zowel in het stedelijk als ook in het landelijk gebied) te worden uitgewerkt. Hierbij zijn de genoemde werknormen, die afhankelijk zijn van het grondgebruik, maatgevend. Ten behoeve van deze wateropgave kan ruimte voor waterberging benodigd zijn binnen de bestemmingsplangrenzen. Op basis van de thans beschikbare informatie is echter hiervoor nog geen ruimtelijke reservering voorzien. In voorkomende gevallen zal de gemeente deze mogelijke functieveranderingen (bijvoorbeeld dubbelbestemming) door middel van een 'partiële herziening' of een 'afwijking' wijzigen. De watertoets zal dan worden doorlopen, het betreffende 'plangebied' zal worden besproken in het waterpanel en er zal een waterparagraaf worden opgesteld. Op deze wijze is het aspect water ook in de toekomst op een zorgvuldige wijze ingebed in het bestemmingsplan.
Indien sprake is van nieuw verhard oppervlak, wordt op basis van de werknormen in het 'NationaalBestuursakkoord Water' voor het stedelijk gebied T=100 geëist. Het is het meest voor de hand liggend (vaak eenvoudig mogelijk door toestaan van peilstijging tot aan het maaiveld) dat deze wordt meegenomen in de aan te leggen infiltratie/retentievoorziening. Het is alleen toegestaan om deze retentie te realiseren in groenstroken en op straat, als er geen afwenteling plaatsvindt op andere gebieden en geen wateroverlast optreedt in woningen en bedrijven.
Provincie Noord-Brabant
De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het rijksbeleid naar een regionaal beleidskader en voor strategische regionale opgaven. De provincie is opsteller van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021.
De provincie Noord-Brabant werkt aan een gezond leef- en vestigingsklimaat. Wat er op het gebied van water en milieu daaraan kan worden bijgedragen staat in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021.
Een aantal zaken moeten we verplicht in het plan opnemen. Maar de Provincie wil samen met onze partners, gaan voor meer. Het plan kent drie thema's:
Het is de tijdsgeest om samen te werken. De provincie is al een partner van bijvoorbeeld de waterschappen en de milieufederatie, maar ook van bedrijven en burgers. De rol van de provincie verandert. Naast bestuursorgaan zijn we ook steeds meer initiator, facilitator of aanjager.
Het samenvoegen van het milieuplan en het waterplan is een eerste stap naar een integrale aanpak en baant de weg naar één omgevingsvisie. Daarom wordt het plan nauw afgestemd met aangrenzende beleidsvelden zoals natuurbeleid, de energienota, verordening ruimte en het verkeers- en vervoersplan. Het milieu en water van Brabant beschermen en benutten: daar staan wij voor.
De provincie is tevens bevoegd gezag voor vergunningverlening, het toezicht en handhaving van onderstaande grondwateronttrekkingen en -infiltraties:
Ten aanzien van het VGRP heeft de provincie een adviserende en toetsende rol. De provincie kan een aanwijzing opleggen indien er tegenstrijdigheden zijn tussen het VGRP en de provinciale plannen.
Het PMWP staat niet op zichzelf. Er is een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken. Het PMWP vult deze plannen aan waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Bijvoorbeeld met de Programmatische Aanpak Stikstof. Op deze manier werkt de provincie aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.
Het ontwerp-PMWP (en plan-MER) heeft van 10 juni tot en met 21 juli 2015 ter inzage gelegen. Zienswijzen worden voorzien van een reactie en opgenomen in een Nota van Zienswijzen. Daarin staat hoe de zienswijzen worden meegenomen in het definitieve Milieu- en Waterplan. Het is de bedoeling dat Provinciale Staten op 20 november 2015 besluiten over het definitieve Milieu- en Waterplan. De Commissie voor de Milieueffectrapportage zal het Milieueffectrapport toetsen en de binnengekomen zienswijzen betrekken bij haar advies.
Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer,watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen.
Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.
Hemelwaterbeleid
Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen is in de Keurregels van de Brabant Keur in artikel 3.6 ('Verbod afvoer door verhard oppervlak') het verbod opgenomen zonder watervergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen. In de Algemene regels van de Brabant Keur wordt onder hoofdstuk 15 ('Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak') vrijstelling van deze vergunningplicht verleend voor zover:
De rekenregel voor compensatie bedraagt:
benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)
De voorziening voldoet aan de volgende eisen:
Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.
Voor het in kaart brengen van de waterhuishouding van het gebied zijn peilbuizen geplaatst en is de grondwaterstand gemonitord. Aanvullend zijn lokaalpeilbuizen doorlatendheidsmetingen uitgevoerd.
Op basis van de uitgevoerde boringen blijkt dat vanaf het maaiveld tot de maximale verkende diepte de bodem bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand. De doorlatendheid langs het tracé is matig tot goed met waargenomen waarden tussen 0,4 tot 1,7 m/dag.
Uit de grondwaterstandsmetingen komt naar voren dat de grondwaterstand voldoende diep is ten behoeve van de realisatie van de weg en de hemelwatervoorzieningen. Aanvullende ontwateringsmaatregelen zijn op basis van de beschikbare grondwatergegevens niet noodzakelijk. In de directe omgeving zijn geen overige relevante oppervlaktewaterlichamen aanwezig naast de bestaande zakgreppels langs de N282.
Toename verhard oppervlak
Voor de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.
De waterberging wordt gerealiseerd middels droogvallende greppels buiten de kern van Rijen en een infiltratieriool en centrale hemelwatervoorziening in de kern van Rijen. De compensatie is berekend door de toename aan verharding te vermenigvuldigen met 60 mm. Aanvullend op de compensatie eis van het waterschap is het volledige verhard oppervlak (bestaand en toekomstig) getoetst op de T=1 tot en met T=100 neerslaggebeurtenissen. De berekeningen van het benodigde ruimtebeslag is weergegeven in het achtergronddocument water. (Mol, 2016).
Waterkwaliteit
Door het afspoelen van het wegdek met regenwater (run-off) komen verontreinigingen in de berm en het grondwater terecht. Voor de verbreding van de N282 wordt het afstromende hemelwater hoofdzakelijk afgevoerd richting de berm en een centrale voorziening in de kern Rijen. Directe lozing op oppervlaktewater zal niet plaatsvinden. Door het bindend vermogen van de bermbodem zullen de hierin geïnfiltreerde verontreinigingen in de bovenste centimeters worden vastgehouden. Deze laag dient, wanneer de verontreinigingsgraad een bepaald niveau heeft bereikt, worden verwijderd en gecontroleerd worden afgevoerd.
Riolering
De gemeente Gilze en Rijen heeft tekeningen aangeleverd van de huidige riolering. Hieruit blijkt dat het verhard oppervlak van het tracé dat door Rijen loopt aangesloten is op de (gemengde) riolering.
Ten zuiden van de N282 en ten oosten van de N260 loopt een rioolpersleiding van het waterschap. De leiding verzorgt de afvoer van het afvalwater vanuit Molenschot en de Vliegbasis naar de RWZI Rijen.
De leiding ten zuiden van de N282 ligt buiten de verbreding van de weg en buiten het bestemmingsplan. De leiding wordt in dit gedeelte niet beïnvloed door de verbreding van de N282. De bestaande leiding nabij de N260 ligt gedeeltelijk onder de bestaande en de uitbreiding van de weg. De leiding wordt verplaatst naar de oostzijde van de weg, tussen de zakgreppel en de weg in. Hierbij is rekening gehouden met een strook van minimaal 3 m voor toegang tot de persleiding bij onderhoud en calamiteiten. De leiding is opgenomen in het principeplan en op de verbeelding bij dit bestemmingsplan.
In het bestemmingsplan is ruimte gereserveerd ten behoeve van de benodigde waterberging. Verdere dimensionering en inpassing dient uitgevoerd te worden bij het detailleren van het principe ontwerp. Hierbij dient ook naar het beheer en onderhoud van het afwateringsysteem gekeken te worden.
Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht.
In juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. De PAS biedt voor projecten een duidelijk kader met betrekking tot de stikstofdepositie. De PAS geldt echter niet voor plannen. Het ministerie van Economische Zaken (EZ) heeft een handreiking opgesteld hoe met bestemmingsplannen moet worden omgegaan in het kader van de PAS (Ministerie van EZ, 2015). Hierin staat "In formele zin is de PAS niet relevant voor de toets bij bestemmingsplannen zoals in het voorgaande beschreven. De wettelijke regels over de PAS zijn op deze plantoets niet van toepassing." Dit is gedaan omdat het toedelen van ontwikkelingsruimte aan bestemmingsplannen een te groot beslag op de ontwikkelingsruimte voor projecten en andere handelingen zou leggen. Dit komt omdat de maximale ontwikkelingsmogelijkheden van bestemmingsplannen in de daadwerkelijke situatie niet maximaal worden benut. Bovendien gelden bestemmingsplannen 10 jaar en de PAS 6 jaar.
Van toepassing blijft echter dat bij een geringe toename van de stikstofdepositie (0,05 mol N/(ha×jr)) een Passende Beoordeling nodig blijft. Voor een plan gaat dit ook gepaard met een m.e.r.-plicht. Het een en ander is samengevat in afbeelding 10.
Afbeelding 10: Schematisch overzicht van situaties wanneer een plan of project wel of niet onder de PAS valt
In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau de Ecologische Hoofdstructuur (tegenwoordig NNN) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). Het netwerk van het NNN bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in de Barro en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Ruimtelijke ingrepen met significant negatieve effecten zijn niet toegestaan. Het nee, tenzij-regime uit de Nota Ruimte laat alleen onder bepaalde voorwaarden ontwikkelingen toe.
Het Rijk heeft in samenwerking met de provincies het beleidskader Spelregels EHS uitgewerkt. Het Rijk heeft de provincies gevraagd de inhoud van de Spelregels EHS, waaronder saldobenadering, te laten doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. Relevante document voor de Provincie Noord-Brabant is de Verordening Ruimte (Provincie Noord-Brabant, 2015).
De Boswet richt zich op het handhaven van het huidige areaal bos in Nederland. Dit betekent dat bij het kappen van bomen die onder de Boswet vallen, een herplantplicht geldt. Alleen bij een groot maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. De Boswet is van toepassing op bos buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van meer dan 10 are (is gelijk aan 1000 m2) en bomenrijen met meer dan 20 bomen. Verder vallen de volgende beplantingen niet onder de Boswet (artikel 1.4):
De bescherming van planten- en diersoorten is geregeld in de Flora- en faunawet (Ff-wet). In deze wet is het soortenbeschermingsregime uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. Op grond van de Ff-wet geldt dat iedereen voldoende zorg in acht dient te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 2). Daarnaast kent de wet een aantal verbodsbepalingen. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verbodsbepalingen relevant:
Bij ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor beschermde planten en/of dieren kunnen hebben, wordt vooraf getoetst of deze kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, wordt onderzocht of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Indien niet voorkomen kan worden dat een verbodsbepaling wordt overtreden, dan wordt in principe een ontheffing van de verbodsbepaling(en) aangevraagd, tenzij sprake is van een vrijstelling van de verbodsbepalingen.
Op grond van het Besluit en de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet zijn de soorten aangewezen die door de verbodsbepalingen beschermd worden. Op grond van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geldt vervolgens voor bepaalde soorten (de zogenaamde 'tabel 1-soorten') een vrijstelling van de verbodsbepalingen, omdat deze soorten algemeen voorkomen en de gunstige staat van instandhouding van deze soorten niet snel in het geding zal zijn. Als geen vrijstelling geldt, moet een ontheffing aangevraagd worden als een verbodsbepaling wordt overtreden. Als het een 'tabel 2-soort' betreft, dit zijn nationaal aangewezen soorten, dan kan volstaan worden met een 'lichte toets': aangetoond moet worden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort (art. 75, lid 5, Ffwet). Ook kan bij tabel 2-soorten gewerkt worden op basis van een goedgekeurde gedragscode; in dat geval is geen ontheffing nodig. Als het een 'tabel 3-soort' betreft, dit zijn soorten die op Europees niveau zijn aangewezen aangevuld met nationaal aangewezen soorten, dan is sprake van een 'zware toets': aangetoond moet worden dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, dat er sprake is van een in de regelgeving genoemd belang en dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort (art. 75, lid 6, Ffwet). In de uitleg "aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen" van het voormalige Ministerie van LNV is een lijst opgenomen waaruit volgt onder welke tabel de beschermde soorten vallen en dus welk beschermingsregime op hen van toepassing is.
Voor vogels geldt een enigszins afwijkend regime, dat vergelijkbaar is met het beschermingsregime voor tabel 3-soorten. Alle vogels zijn beschermd. Deze bescherming geldt echter in de meeste gevallen feitelijk alleen in het broedseizoen. Alleen dan is immers sprake van een 'vaste rust- en verblijfplaats', het nest, zoals opgenomen in art. 11 van de wet. Indien het niet mogelijk is alle werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, is het mogelijk een ontheffing aan te vragen. Deze wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de drie criteria die ook gelden voor de tabel 3-soorten. Een verschil met de tabel 3-soorten is dat er minder belangen in de regelgeving zijn opgenomen om een ontheffing voor werken in het broedseizoen te kunnen krijgen.
Voor enkele vogelsoorten geldt dat de nestplaats het gehele jaar beschermd is. Dit zijn vogels die hun nest meerdere keren gebruiken, waardoor het nest in principe het gehele jaar beschermd is op grond van art. 11 Ffwet. Welke vogelsoorten in deze groep vallen is te vinden in de "aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten" uit 2009 die is gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) van het Ministerie van EZ. Voor deze soorten zal dus ook buiten het reguliere broedseizoen een ontheffing aangevraagd moeten worden indien de verbodsbepalingen uit art. 11 worden overtreden.
In het kader van de planstudie/MER N282 Rijen-Hulten-Reeshof is een omgevingsinventarisatie gedaan. Hierbij is onderzoek gedaan naar de beschermde natuurwaarden in het plangebied. De resultaten van deze omgevingsinventarisatie zijn in de planstudie verwerkt, maar zijn ook in een separaat rapport weergegeven (Arcadis, 2011b).
Omdat de onderzoeksgegevens inmiddels vijf jaar of ouder zijn en omdat er een optimalisatie aan het VKA heeft plaatsgevonden, is besloten om een actualisatie van de natuurinventarisatie uit te voeren. Deze actualisatie is uitgevoerd aan de hand van de meest recente wet- en regelgeving en beleid (PAS en Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant). De resultaten zijn beschreven in de rapportage 'Actualisatie en aanvulling natuuronderzoek N282 (2015)', zie Bijlage 7. Hieronder wordt kort ingegaan op de diverse aspecten.
De Natuurbeschermingswet beschermt Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. Projecten die leiden tot effecten op de kwalificerende natuurwaarden van deze gebieden (natuurwaarden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn gesteld) zijn niet zonder meer toegestaan. Hierbij gaat het niet alleen om plannen en projecten die binnen de begrenzing van beschermde natuurgebieden plaatsvinden, ook plannen en projecten op enige afstand kunnen gevolgen hebben. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Ulvenhoutse Bos en Regte Heide & Riels Laag en liggen op een afstand van meer dan 6 km. Gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden zijn effecten als gevolg van ruimtebeslag en verandering door geluid, optische prikkels en licht uitgesloten. Alleen het effect van stikstofdepositie reikt mogelijk ver genoeg om tot effecten te leiden.
Met de AERIUS-Calculator is het verschil van de weg ten opzichte van de referentie (huidige situatie) berekend. Uit de berekeningen blijkt dat er voor slechts één Natura 2000-gebied een verandering van de stikstofdepositie optreedt: voor Regte Heide & Riels Laag is een maximale verandering van de depositie voorzien van +0,04 mol N/(ha×jaar). De verandering ten gevolge van het plan is te laag om te leiden tot effecten. Uiteindelijk is het voor het project dan ook niet nodig om een vergunning aan te vragen: het projecteffect ligt onder de 0,05 mol N/(ha×jaar).
In de Nota Ruimte is op landelijk niveau het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) vastgelegd. Het NNN bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt tussen gebieden uitwisseling plaats van planten en dieren. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Ruimtelijke ingrepen met significant negatieve effecten zijn niet toegestaan. Het nee, tenzij-regime uit de Nota Ruimte laat alleen onder bepaalde voorwaarden ontwikkelingen toe.
Tabel 5 geeft het ruimtebeslag weer dat het ontwerp van de nieuwe weg heeft op het NNN als vastgesteld in de Verordening Ruimte 2014 van de Provincie Noord-Brabant. Vanwege de ontwikkeltijd van het Natuurbeheertype N16.01 is het noodzakelijk om oppervlakte te compenseren met een toeslag. De compensatietaakstelling komt daarmee op 13.237 m2.
Tabel 5: Compensatietaakstelling als gevolg van het ruimtebeslag in de NNN
Een deel van de compensatie vindt plaats in Het Blok waar de N282 wordt opgeheven (10.785 m2). Dit deel is herbegrensd als NNN en daarom is het nee-tenzij-principe van toepassing (artikel 5.3.). In het rapport 'Actualisatie en aanvulling natuuronderzoek N282 (2016)' wordt ingegaan op deze toetsing. Compensatie van de overige 2.452 m2 is voorzien ter plaatse van de nog niet gerealiseerde NNN nabij de Molenschotse Heide, ten zuidwesten van de vliegbasis.
Het verleggen van de weg leidt tot ruimtebeslag op de aanwezige EVZ. Het gaat hier om graslanden die overgaan in de natuurlijke oever. Verder neemt de verstoring van licht en geluid door de weg toe als deze dichter bij de EVZ komt te liggen. Mogelijk dat dit afbreuk doet aan de verbindende functie van de EVZ, omdat het voor dieren minder aantrekkelijk wordt om zich langs de EVZ te bewegen. Ten aanzien van de EVZ is het noodzakelijk om maatregelen te treffen zodat het blijvend functioneren van de EVZ gegarandeerd wordt. Door het plaatsen van een afscherming tussen de weg en de EVZ wordt uitstraling van geluid en licht beperkt.
De compensatie is voorzien in het deel van Het Blok waar de N282 uit verdwijnt (vrijkomende ruimte 10.785 m2). Voor dit deel is de procedure herbegrenzing NNN gevolgd en daarom is het nee-tenzij-principe van toepassing (artikel 5.3.). Conform art. 5.2 van de Verordening Ruimte 2014 kunnen GS de begrenzing van de NNN wijzigen teneinde de ecologische samenhang te verbeteren of de NNN duurzaam in te passen in de provinciale structuurvisie. Met deze nieuwe begrenzing dient dus een versterking van de NNN plaats te vinden.
De Boswet richt zich op het handhaven van het huidige areaal bos in Nederland. Dit betekent dat bij het kappen van bomen die onder de Boswet vallen, een herplantplicht geldt. Alleen bij een groot maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. De Boswet is van toepassing op bos buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van meer dan 10 are (is gelijk aan 1000 m2) en bomenrijen met meer dan 20 bomen.
Als gevolg van de planontwikkeling wordt 7.878 m2 bos (=NNN) gekapt. Daarnaast is er sprake van kap van ongeveer 690 bomen. Compensatie in het kader van NNN is reeds voorzien en dit gebeurt al als bos. In Tabel 6 hierna is een overzicht gegeven van de opgave en hoe hier met herplant op verschillende locaties invulling aan wordt gegeven.
Tabel 6: Overzicht van de opgave en hoe herplant op verschillende locaties voldoet aan de opgave
De bescherming van planten- en diersoorten is geregeld in de Flora en faunawet (Ff-wet). In deze wet is het soortenbeschermingsregime uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. Op grond van de Ff-wet geldt dat iedereen voldoende zorg in acht dient te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 2). Daarnaast kent de wet een aantal verbodsbepalingen.
In de rapportage 'Actualisatie en aanvulling natuuronderzoek N282 (2016)' is een overzicht opgenomen van de habitatgeschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten. Vervolgens is een toetsing aan de Ff-wet uitgevoerd. De mogelijke overtredingen van verbodsbepalingen van de Ff-wet zijn in Tabel 7 per soortgroep weergegeven.
Tabel 7: Mogelijke overtreding van verbodsbepalingen Ff-wet
Tabel 1-soorten
Voor soorten van Tabel 1 geldt algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Mogelijke effecten op enkele exemplaren heeft geen invloed op de populatie. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd voor in het gebied aanwezige brede wespenorchis, algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën. Houd echter wel rekening met de zorgplicht (zie § 5.1, Zorgplicht).
Tabel 3-soorten
Voor verstoring en aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten van Tabel 3 is het noodzakelijk mitigerende maatregelen te treffen en een ontheffing aan te vragen. Dit geldt voor de bomen met holtes welke mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het tracé, kan niet worden uitgesloten. Het is dan ook noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren conform het Vleermuisprotocol 2013 van de Gegevensautoriteit Natuur. Pas nadat het voorkomen van vleermuizen is onderzocht, kan de noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen en de noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing met betrekking tot aanwezigheid van verblijfplaatsen worden beoordeeld. Met betrekking tot de functie van het plangebied als foerageergebied en vliegroute dienen maatregelen te worden getroffen om verstoring te voorkomen.
Broedvogels
Voor het verstoren van broedvogels is geen ontheffing mogelijk, mitigerende maatregelen zijn verplicht. Voer kap- en snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit om effecten op broedvogels uit te sluiten. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli.
Bij het verbreden van de weg is er voornamelijk als gevolg van kapwerkzaamheden mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen van de Ff-wet. Om dit te voorkomen dienen onderstaande mitigerende maatregelen in ieder geval in acht te worden genomen:
Daarnaast zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in boomholtes langs het tracé. Op basis van vervolgonderzoek zal moeten blijken of deze daadwerkelijk aanwezig zijn en wat de exacte functie is. Mochten vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan dienen maatregelen te worden uitgevoerd en dient een ontheffing te worden aangevraagd.
Gelet op bovenstaande wordt het volgende geconcludeerd.
In Bijlage 8 is het achtergrondrapport met betrekking tot luchtkwaliteit opgenomen (Arcadis, 2016). In de subparagrafen hierna wordt de essentie van dit onderzoek weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het wettelijk kader van het onderzoek en de regelgeving. Vervolgens komen het onderzoek en de resultaten hiervan aan de orde. Tenslotte wordt aangegeven wat de consequenties van het onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
Wet milieubeheer
De Wet milieubeheer biedt de volgende grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit:
Wanneer een plan voldoet aan een of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.
Bijlage 2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft grenswaarden voor de concentraties in de buitenlucht van o.a. de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6), koolmonoxide (CO) en benzo(a)pyreen (BaP).
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de Rijksoverheid en de centrale overheden samen om overal in Nederland tijdig (binnen de verkregen derogatietermijn) te voldoen aan de Europese grenswaarden voor PM10 en NO2. De derogatie was voor fijn stof (PM10) tot 11 juni 2011 verleend. Voor stikstofdioxide (NO2) is deze tot 1 januari 2015 verleend.
Het NSL bevat niet alleen maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren, maar ook alle ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructurele plannen die de luchtkwaliteit kunnen verslechteren. Al deze maatregelen, ontwikkelingen en plannen zijn doorgerekend met de monitoringstool. Hiermee geeft het NSL een kwantitatieve onderbouwing dat de effecten van de maatregelen voldoende groot zijn om de verslechtering als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkelingen te compenseren.
Projecten die in het NSL zijn opgenomen, kunnen doorgang vinden wanneer het betreffende project zoals het uitgevoerd gaat worden past binnen het NSL of er in ieder geval niet mee in strijd is.
Bestuursorganen dienen rekening te houden met deze grenswaarden bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10), omdat de achtergrondconcentraties van deze stoffen het dichtst bij de grenswaarden liggen. Fijn stof en stikstofdioxide zullen dus in belangrijke mate bepalen of er rond planontwikkeling een luchtkwaliteitsprobleem is.
Voor het onderzoek luchtkwaliteit is gekeken naar de situatie in 2019 (het toetsjaar) en naar de toekomstige situatie in 2030. Voor 2019 (met wegverkeerscijfers van 2030, worstcase berekening) en 2030 (doorkijk naar toekomst) zijn vanwege wegverkeer zowel de concentraties voor stikstofdioxide (NO2) als voor fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) inzichtelijk gemaakt.
De berekeningen zijn uitgevoerd conform Standaardrekenmethode 2 uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het softwareprogramma Geomilieu versie 3.1. Dit model rekent met de op dit moment meest recent beschikbare generieke invoergegevens zoals gepubliceerd door het ministerie van I&M uit maart 2015.
Uit de berekeningen van de luchtkwaliteit langs de wegen in de situatie na de voorgenomen wijzigingen, blijkt dat voor het onderzochte toetsjaar (2019) en voor de doorkijk naar de toekomst (2030) de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2.5) onder de grenswaarden blijven. Daarnaast blijkt ook dat het aantal overschrijdingen van de 24-uurgemiddelde concentratie PM10 onder de wettelijke eisen liggen. Dit project leidt dus niet tot overschrijdingen van de grenswaarden. Daarmee is voldoende onderbouwd dat het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub a Wm).
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).
Waar nodig wordt vervolgonderzoek uitgevoerd en dienen maatregelen te worden getroffen. Er wordt in ieder geval in het kader van het ontwerp bestemmingsplan verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
In Bijlage 9 van deze toelichting en bijlagen 12 en 13 van het MER (zie Bijlage 4) zijn de achtergrondrapporten met betrekking tot archeologie opgenomen (Voeten, 2011 en Arcadis / De Jongh, 2015). In de subparagrafen hierna wordt de essentie van deze onderzoeken weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het wettelijk kader van het uitgevoerde onderzoek en de regelgeving. Vervolgens komen de onderzoeken en de resultaten hiervan aan de orde. Tenslotte wordt aangegeven wat de consequenties van de onderzoeken voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
Verdrag van Malta
Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Grondslag van het verdrag is dat dit archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd:
Monumentenwet 1988
De manier waarop met archeologisch erfgoed wordt omgegaan, is geregeld in de Monumentenwet 1988. Deze wet en de hierop gebaseerde regelgeving bevatten onder meer voorschriften met betrekking tot de opgravingsvergunning, het melden van archeologische vondsten en de archeologische rapportage. Voorts volgt uit artikel 1.1, tweede lid onder a, van de Wet milieubeheer dat bij het opstellen van een milieu-effectrapport de cultuurhistorische waarde mede moet worden beschouwd. Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten gehouden de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming 'waarde archeologie'. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningenstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en voor werken en werkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
Gemeentelijk beleid
Iedere gemeente dient tegenwoordig in het bezit te zijn van een gemeentelijke archeologische beleidsadvies en verwachtingskaart. Middels deze kaart kan snel gekeken worden wat de verwachtingswaarde voor een bepaalde locatie is en vanaf welke oppervlakte en verstoringsdiepte conform het gemeentelijk beleid archeologisch onderzoek verplicht is. Voor dit onderzoek geldt het gemeentelijk archeologie beleid van de gemeente Gilze-Rijen.
Om inzicht te verkrijgen in de aanwezige archeologische resten binnen het plangebied van de nieuwe verkeersituatie bij de N282 zijn bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van verkennende boringen uitgevoerd voor de N282 zelf. Het verkennend booronderzoek is er op gericht de in het hiervoor uitgevoerde bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting te toetsen.
Er zijn binnen het plangebied nergens aanwijzingen gevonden die onomstotelijk wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten. Er zijn nagenoeg geen archeologische indicatoren aangetroffen al mogen hier op basis van een verkennend veldonderzoek geen conclusies aan verbonden worden. Deels intacte bodemprofielen wijzen er wel op dat archeologische resten nog goed bewaard kunnen zijn. Om deze reden wordt vervolgonderzoek nodig geacht.
Ter hoogte van het tracedeel Oosterhoutseweg - Julianastraat blijkt een militair kamp (1831-1837 en mobilisatie van krijgstroepen 1870, 1914-1918 en WO II) aanwezig te zijn geweest. Er wordt daarom de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' ook opgenomen op het deel van het tracé dat door het kamp heen gaat. Voor dit deel wordt eveneens een aanduiding 'militair kamp' opgenomen. In de regels wordt daarbij een bepaling opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'militair kamp' het alleen is toegestaan om `de grond te roeren` als er archeologische begeleiding plaatsvindt. Deze regeling wijkt dus af van de gebruikelijke bepaling dat alleen bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en bij een oppervlakte meer dan 100 m2 archeologisch onderzoek is vereist. Deze ondergrens van 40 cm beneden maaiveld komt voor het deel van het tracé dat door het kamp heen gaat dus te vervallen.
Om de archeologische resten niet zonder meer verloren te laten gaan, wordt ervoor gekozen om een archeologische begeleiding uit te laten voeren ter plaatse van het deel van het tracé dat door het kamp heen gaat. De archeologische begeleiding zal vanaf het klaar maken van het tracé voor de ontwikkeling plaatsvinden omdat de archeologische resten al direct vanaf het maaiveld aanwezig zijn. De precieze afspraken en methodiek worden in een Programma van Eisen beschreven dat door het bevoegd gezag wordt geaccordeerd.
Voor de fietsverbinding aan de oostzijde van het plangebied is separaat een bureauonderzoek uitgevoerd in november 2015 (Arcadis, De Jongh, 2015). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting.
Na uitvoering van het archeologisch onderzoek is naar voren gekomen dat op verschillende locaties op het nieuwe N282 tracé aanvullend archeologisch vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze gebieden zijn voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel.
In de huidige situatie ondervinden de bedrijven in de directe omgeving van het plangebied en de bestaande weg over en weer geen hinder van elkaar in milieukundig opzicht. Er is geen sprake van contouren of belemmeringen die verwoord dienen te worden in voorliggend bestemmingsplan.
Het initiatief tot aanpassen van de N282 kan daarom wat betreft dit thema dan ook gewoon doorgang vinden.
In Bijlage 10 is het achtergrondrapport met betrekking tot externe veiligheid opgenomen (van Kemenade - van den Hoven, 2015). In de subparagrafen hierna wordt de essentie van dit onderzoek weergegeven. Eerst wordt ingegaan op het wettelijk kader van het onderzoek en de regelgeving. Vervolgens komen het onderzoek en de resultaten hiervan aan de orde. Tenslotte wordt aangegeven wat de consequenties van het onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan zijn en of er al dan niet specifieke regels zijn opgenomen naar aanleiding van het onderzoek.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De richtlijnen voor de analyse van de externe veiligheidsrisico's voor aanpassing van transportroutes zijn vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen [1]. In de wet wordt verwezen naar het Besluit externe veiligheid transportroutes [2] waarin norm- en richtwaarden weergegeven zijn voor twee verschillende typen risico's, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de frequentie per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd zou verblijven in de directe omgeving van een transportroute overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op die route. De omvang van het PR is geheel afhankelijk van de aard en omvang van het transport van gevaarlijke stoffen en de ongevalsfrequentie van het transportmiddel op de route. Voor een individu geeft het PR een kwantitatieve indicatie van het risico dat hij loopt wanneer hij zich onbeschermd in de omgeving van een inrichting of transportroute bevindt.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve frequentie per jaar per kilometer transportroute dat tien of meer personen in het invloedsgebied van een transportroute overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die transportroute waarbij een gevaarlijke stof vrijkomt. Het GR is een indicatie van de mogelijke maatschappelijke impact van een ongeval. Het is dus niet bedoeld als indicatie voor individueel gevaar op een bepaalde locatie. De omvang van het GR is afhankelijk van de aard en omvang van het transport van gevaarlijke stoffen, de ongevalsfrequentie van het transportmiddel op de route én de omvang en locatie van de bevolking naast en boven de route.
Voor het groepsrisico geldt geen grens- of richtwaarde, maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde wordt gevormd door de rechte lijn die in een fN-curve van het punt 10 doden, frequentie 10-4 per jaar per kilometer door het punt 100 doden, frequentie 10-6 per jaar per kilometer gaat.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Bevt) dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, vindt de berekening van het groepsrisico plaats door toepassing van de rekenmethodiek transportrisico's.
Verantwoording groepsrisico
Het groepsrisico dient verantwoord te worden indien het groepsrisico:
In de GR verantwoording wordt ingegaan op de maatregelen die genomen (kunnen) worden om het risico te verlagen, de expliciete en transparante bestuurlijke afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de restrisico's, de zelfredzaamheid van aanwezigen en de rampenbestrijding. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn nadere handvatten gegeven voor de GR verantwoording. Als onderdeel van de GR verantwoording moet verplicht gebruik gemaakt worden van de adviesbevoegdheid van de veiligheidsregio.
Bij het onderzoek naar externe veiligheid zijn de volgende drie situaties berekend:
Deze drie situaties zijn getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De hoogte van het plaatsgebonden risico wordt beïnvloed door de aard en intensiteit van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de kenmerken van de weg.
Resultaat
Uit de berekening van het plaatsgebonden risico is naar voren gekomen dat er in alle drie de situaties geen PR 10-6 contour aanwezig is. Er is voor het plaatsgebonden risico geen verhoogd risico. De hoogte van het groepsrisico wordt beïnvloed door de aard en intensiteit van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de kenmerken van de weg en het aantal aanwezigen in het invloedsgebied van de weg. Ook voor de groepsrisico's geldt dat er geen sprake is van een verhoogd risico is. Kort gezegd kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan de normen voor externe veiligheid.
Er zijn bij dit aspect geen consequenties voor het bestemmingsplan. Het aspect externe veiligheid staat de realisatie van voorliggend plan niet in de weg.
In Nederland bestaat geen wetgeving voor hinder of schade door trillingen. Door de Stichting Bouwresearch (SBR) zijn in 1993 richtlijnen opgesteld voor de beoordeling van trtillingshinder/schade. Deze zijn vastgelegd in de zogenoemde SBR-richtlijnen (SBR-richtlijn trillingshinder (2002), Stichting Bouwresearch). Van de richtlijnen is afgeleid dat op een afstand verder dan 50 m van een weg geen trillingshinder verwacht mag worden.
Het aantal woningen dat gelegen is binnen 50 meter van de wegen en waar dus mogelijk trillingshinder kan optreden bedraagt 17. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal zoals in alle gevallen van nieuwe wegaanleg rekening worden gehouden met eventuele trillingsfactoren. Daar waar nodig zal een nulopname plaatsvinden.
Het aspect trillingen als gevolg van de reconstructie heeft geen relevantie voor dit bestemmingsplan. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt hier rekening mee gehouden en waar nodig worden maatregelen getroffen.
De aanwezige (planologisch relevante) kabels en leidingen zijn op de verbeelding weergegeven. In de regels is via dubbelbestemmingen voor deze leidingen aangegeven onder welke voorwaarden gebouwd kan worden op gronden met deze dubbelbestemmingen.
Ter hoogte van het plangebied is sprake van een rioolleiding en een gasleiding, die planologisch relevant zijn. Parallel aan de N260 ligt een rioolleiding, waar rekening mee wordt gehouden bij de aanpassing van de weg.
De beide gebieden, waar natuur is voorzien, worden doorkruist door een gasleiding. Bij de aanleg van natuur binnen deze gebieden wordt rekening gehouden met de aanwezige gasleiding.
Ter hoogte van de Oude Baan ligt een waterleiding. Bij de aanpassingen ter hoogte van de Oude Baan wordt ook rekening gehouden met deze waterleiding.
Met betrekking tot vliegbasis Gilze-Rijen heeft geen onderzoek plaatsgevonden in het kader van dit bestemmingsplan. Het initiatief tot aanpassen van de N282 heeft geen invloed op het functioneren van de vliegbasis. Wel ligt een aantal contouren vanwege de vliegbasis over het plangebied heen. Deze contouren zijn ook opgenomen in het geldende bestemmingsplan buitengebied. Destijds heeft de Staat (ministerie van Defensie) hiertegen beroep aangetekend. Obstakelvrije vlakken, het verstoringsgebied van het ILS en de geluidzones zouden niet geheel juist verwerkt zijn in verbeelding en regels. Naar aanleiding hiervan is een overeenkomst gesloten tussen de gemeente Gilze en Rijen en de Staat.
Voor de regeling van deze contouren in voorliggend bestemmingsplan is uitgegaan van de overeenkomst tussen de Gemeente Gilze en Rijen en de Staat der Nederlanden (het ministerie van defensie).
De regelingen die samenhangen met de overige contouren zoals de munitiebeschermingszone, waartegen geen beroep is aangetekend door de Staat, zijn conform het geldende bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen opgenomen. De regelingen voldoen aan internationale luchtvaartnormen, die in 2004 verplicht zijn gesteld in het tweede structuurschema militaire terreinen (SMT-2). Zie ook paragraaf 7.2 van deze toelichting.
De provincie Noord-Brabant en de gemeente Gilze en Rijen achten milieu en duurzaamheid van groot belang.
In het collegeprogramma 2014-2018 van de gemeente Gilze en Rijen komt het onderdeel duurzaamheid expliciet aan bod. Hierin is opgenomen dat de gemeente naast een stimulerende rol, ook een voorbeeldfunctie heeft op het gebied van duurzaamheid. De gemeente kan een belangrijke rol spelen bij o.a. energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen. In het belang van een goed leef- en werkklimaat koestert de gemeente de groene leefomgeving en wordt er gestreefd naar het vergroten van de biodiversiteit (onder meer door het versterken van de bijzondere natuurwaarden en de realisatie van ecologische verbindingszones).
Om invulling te geven aan deze ambities is het van belang dat het aspect duurzaamheid van de ontwerp- tot en met de uitvoeringsfase een integraal onderdeel uitmaakt van de keuzes die gemaakt worden. Op deze wijze krijgt duurzaamheid een structurele rol toebedeeld gedurende de gehele levenscyclus van een project.
Kernwaarden die voor Gilze en Rijen van belang zijn binnen dit project zijn:
De gemeente Gilze en Rijen is voorstander van de toepassing van instrumenten als DuboCalc (milieueffecten van materialen), BREEAM-infra (certificeren van infra-projecten) en het Duurzaamheidskompas (toetst infra-projecten in verschillende projectfasen op duurzaamheidsaspecten). Deze instrumenten kunnen een bijdrage leveren aan de wens om duurzaamheid binnen dit project concreet en meetbaar maken.
Concreet moet dit een bijdrage leveren aan de algemene beleidsdoelstellingen van Gilze en Rijen, namelijk: energiebesparing, CO2 besparing en toepassing van duurzame energie.
Ook de provincie Noord-Brabant zet in op diverse aspecten van duurzaamheid. Kenmerkend voor het totale provinciale beleid is de balans tussen economie, ecologie en sociaalculturele ontwikkeling. Er wordt gewerkt aan duurzame onderwerpen zoals energie, verduurzamen van primaire landbouwsector en circulaire economie. Ook duurzame bereikbaarheid is een doel. Een goede bereikbaarheid van de Brabantste steden en bedrijventerreinen als ook een goede bereikbaarheid van het platteland is van groot belang voor een vitale economie. Binnen duurzame bereikbaarheid wordt een balans gezocht met ecologische en sociale waarden.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van het iniaitief tot aanpassen van onder andere de N282, zoals juridisch-planologisch mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin ook inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hierna wordt inzicht gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het plan.
De kosten voor het project bestaan uit onder meer kosten voor de aanleg van de weg en bijbehorende voorzieningen, mitigerende en landschappelijke maatregelen, natuurcompensatie, planschade, kosten voor grondverwerving en planvorming. Als provincie is in de Brabants Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport 2016-2020 in totaal ca € 22 mln opgenomen voor dit project.
Het bestemmingsplan vindt zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening. In artikel 3.1 van deze wet is bepaald dat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt. De uitvoering is een taak van burgemeester en wethouders.
Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening bestaat een bestemmingsplan uit (plan)regels en de verbeelding. Deze twee onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd.
Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden en motivatie uiteen worden gezet.
Het bestemmingsplan is een gemeentelijk instrument waarin regels zijn opgenomen voor het gebruik (in de ruime zin van het woord) van gronden en bouwwerken. Zowel de burger als de overheid moet zich houden aan het bestemmingsplan. Door middel van een bestemmingsplan kan een gemeente haar doelstellingen op ruimtelijk ordeningsgebied handen en voeten geven. Dit geschiedt door het leggen van bestemmingen en daarbij aan te geven wat wel en niet is toegestaan.
Binnen de gemeente Gilze en Rijen is er een handboek Ruimtelijke Plannen. Dit handboek sluit aan op de door het Ministerie in samenwerking met onder meer de VNG opgestelde publicatie Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP 2008 (december 2008). Hierin zijn bindende afspraken en aanbevelingen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan vastgelegd. De bindende afspraken hebben onder meer betrekking op naamgeving van bestemmingen, opbouw van regels en opbouw en kleurstelling van de verbeelding.
Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht: het maakt de benodigde aanpassingen aan de N282 en N260A, hiermee samenhangende aanpassingen aan het bestaande wegennet en de benodigde natuurcompensatie mogelijk. Daarnaast is het bestemmingsplan ook behoudend van karakter. Reeds geldende bepalingen, o.a. met betrekking tot de vliegbasis zijn conform het geldende bestemmingsplan buitengebied overgenomen.
Op de verbeelding (schaal 1:1.000) zijn bestemmingen toegekend om zo de aanpassingen aan de N282 en de andere wegen mogelijk te maken. De bestemmingen zijn voorzien van bouwregels. Naast de hoofdbestemming zijn er dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opgenomen om specifieke regelgeving of nadere afwegingen op te nemen. Dit is met name aan de orde voor de regels en mogelijkheden, als gevolg van de aanwezigheid van de militaire vliegbasis en de bescherming van bijvoorbeeld archeologische waarden in het plangebied.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Artikel 2 Wijze van meten
Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikelen 3 t/m 10: diverse bestemmingen ten behoeve van de aanpassingen aan de N282 en de N260A en benodigde aanpassingen aan het aansluitende wegennet.
In deze artikelen zijn de gronden bestemd omwille van de door te voeren aanpassingen aan de bestaande wegen. De bestemmingen sluiten zoveel mogelijk aan op de bestemmingen die nu ter plaatse gelden, volgens het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Daar waar nodig zijn bestemmingen specifiek gemaakt, om zo ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en/of specifiek voor de (gewenste) situatie ter plaatse. Ook zijn bestemmingen aangevuld of specifiek gemaakt omwille van de voorgestane ontwikkelingen. Ter toelichting op diverse bestemmingsartikelen wordt voorts het volgende opgemerkt.
Artikel 3 Agrarisch
De gronden ten zuiden van de fietsverbinding van de Oude Baan richting de nieuw te realiseren fietsbrug op Tilburgs grondgebied hebben in lijn met het geldende bestemmingsplan buitengebied een agrarische bestemming gekregen. De regeling is toegespitst op de situatie ter plaatse. Het inrichten van de gronden voor een ecologische verbindingszone is mogelijk gemaakt binnen deze bestemming.
Artikel 4 Groen
Voor de benodigde te realiseren waterhuishoudkundige voorzieningen ter plaatse van een groen gebied is deze bestemming opgenomen. Alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn hier toegestaan.
Artikel 5 Maatschappelijk - Militaire vliegbasis 2
De bestemming Maatschappelijk - Militaire vliegbasis 2 is specifiek toegekend aan de gronden die door Defensie zijn aangekocht ter hoogte van horecagelegenheid het Vliegveld. Deze gronden zullen gebruikt worden ten behoeve van militaire doeleinden, maar buiten de vliegbasis zijn gelegen. In het bestemmingsplan buitengebied hebben deze gronden een horeca-bestemming die dus zal komen te vervallen.
Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan.
Artikel 6 Natuur
De bestemming Natuur regelt daar waar de N282 komt te vervallen ter hoogte van Het Blok, de ontwikkeling en op termijn het behoud en herstel van de aanwezige natuur en landschapswaarden. Ook zijn de gronden die nodig zijn voor de natuurcompensatie, vanwege de aanpassingen aan de N282, voorzien van de bestemming Natuur. Zo wordt geborgd dat deze natuurcompensatie ook juridisch-planologisch mogelijk is.
Artikel 7 Verkeer
In het plan is voor het verkeer de bestemming Verkeer opgenomen. Binnen de bestemming Verkeer zijn wegen met bijbehorende voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 8,5 m. Binnen deze bestemming is een aanduiding opgenomen ten behoeve van de realisatie van een geluidwal (geluidwerende voorzieningen) ter hoogte van de woningen aan de Burgemeester Ballingsweg. Er is verder een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee is geregeld dat de weg niet kan worden gebruikt voor 2 x 2 doorgaande rijstroken voor zover het betreft de N282 en de N260A indien niet is voorzien in de geluidsbeperkende voorzieningen met de vereiste akoestische werking.
Tevens is een aanduiding opgenomen, waar de weg het dichtst bij de Groote Leij komt te liggen. Ter plaatse van deze aanduiding is een afschermende voorziening mogelijk, om zo de uitstraling van de weg richting de ecologische verbindingszone zoveel mogelijk te beperken.
Het fietspad richting de fietsbrug heeft een nadere aanduiding 'langzaam verkeer' zodat deze gronden enkel bestemd zijn voor realisatie van een pad voor langzaam verkeer.
Artikel 8 Wonen
In het plangebied liggen gronden die behoren bij de woonbestemmingen, maar waarop het bouwen niet is toegetaan.
Artikel 9 Leiding - Gas
In het plangebied liggen gastransportleidingen. Voor de regeling van deze gasleiding heeft afstemming plaatsgevonden met de Leidingbeheerder.
Artikel 10 Leiding - Riool
Ter bescherming van de reeds aanwezige rioolleiding
De in het plangebied aanwezige rioolwatertransportleiding wordt verlegd en met deze dubbelbestemming als zodanig bestemd. Ter bescherming van de aanwezige leiding is een stelsel met omgevingsvergunningen opgenomen. Alvorens burgemeester en wethouders over een verzoek om een omgevingsvergunning beslissen, winnen zij schriftelijk advies in bij de desbetreffende leidingbeheerder.
Artikel 11 Waarde - Archeologie
Bouwen op gronden voorzien van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie is uitsluitend toegestaan indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden voldoende zijn vastgesteld.
Archeologisch onderzoek is niet verplicht voor:
De dubbelbestemming Waarde - Archeologie is ook opgenomen op het deel van het tracé dat door het kamp heen gaat. Voor dit deel is een aanduiding 'militair kamp' opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'militair kamp' is het alleen toegestaan om `de grond te roeren` als er archeologische begeleiding plaatsvindt. Deze regeling wijkt dus af van de gebruikelijke bepaling dat alleen bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en bij een oppervlakte meer dan 100 m2 archeologisch onderzoek is vereist. Deze ondergrens van 40 cm beneden maaiveld komt voor het deel van het tracé dat door het kamp heen gaat dus te vervallen.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 12 Antidubbeltelbepaling
Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
Gebiedsaanduidingen ten behoeve van de militaire vliegbasis
Ten aanzien van de militaire vliegbasis zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen:
Vanwege de aanwezigheid van funnels gelden er hoogtebeperkingen in het plangebied. De hoogtebeperkingen worden, in tegenstelling tot andere bepalingen met betrekking tot bouwhoogten, niet gemeten vanaf peil, maar ten opzichte van NAP. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt op een hoogte van ca. 11 - 16 meter boven NAP.
Deze hoogtebeperkingen zijn over het algemeen erg klein (gebouwen groter dan bijvoorbeeld 30 m tot 100 m niet toegestaan). Het bestemmingsplan maakt dergelijke bouwwerken niet mogelijk.
De overige gebiedsaanduidingen zijn opgenomen vanwege de opslag van munitie en de daarbij behorende gevarenzone en vanwege de geluidscontouren.
Regels zijn wat betreft obstakelvrije vlakken, verstoringsgebied ILS en de geluidzones conform de overeenkomst tussen de Staat en de gemeente Gilze en Rijen. Voor de overige regelingen in dit artikel is aangesloten bij het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen. Zie ook paragraaf 5.13.
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre afgeweken kan worden voor geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering).
Artikel 15 Algemene wijzigingsregel
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.
Ook zijn er wijzigingsbevoegdheden opgenomen in relatie tot de archeologische
waarden in het plangebied; om deze te kunnen laten vervallen, wanneer is aangetoond dat hier geen sprake van is.
Artikel 16 Algemene procedureregel
Bij de voorbereiding van besluiten dienen bepaalde procedureregels in acht te worden genomen. De belangen en rechtsbescherming van de burgers zijn hierdoor beter gewaarborgd.
Ook op basis van het bestemmingsplan worden besluiten genomen. Teneinde rechtsbescherming te waarborgen, is in onderhavig artikel bepaald dat bij de voorbereiding van besluiten de openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.
Artikel 17 Overige regels
In de regels bij bestemmingsplannen wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Zo ook in dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Overgangs en slotregels
Artikel 18 Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 15 lid 1. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met ontheffing van burgemeester en wethouders.
Overgangsrecht gebruik
Lid 18.2 betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.
Artikel 19 Slotregel
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Dit hoofdstuk behandelt de procedure die is doorlopen. Ook wordt ingegaan op de wijze waarop belanghebbenden bij de planvorming betrokken zijn.
Reeds tijdens de MER-onderzoeksfase is gebruik gemaakt van bewonersbijeenkomsten, nieuwsbrieven en de gemeentelijke website om de voortgang van de werkzaamheden te communiceren. Ook zijn in december 2014, maart, juni en november 2015 nieuwsbrieven verspreid in Hulten over de voorgenomen aanpassingen in Hulten ten aanzien van de aansluiting op de N282. Dit is in goed overleg met een bewonerswerkgroep gebeurd.
Tijdens de uitwerking van het principeplan heeft afstemming plaatsgevonden met de betrokken bedrijven en bewoners die direct te maken hebben met de realisatie van dit plan. Van de gesprekken met belanghebbenden zijn verslagen gemaakt die betrokkenen ook hebben gekregen.
Tijdens een bijeenkomst van de werkgroep integraal Dorpsontwikkelingsplan Hulten op 13 januari 2014 zijn de mogelijkheden voor de reconstructie van de Rijksweg verkend.
Tijdens een informatiebijeenkomst op 7 juli 2014 zijn diverse ontwerpvarianten voor de omgeving van Hulten verkend met de bewoners van de kern Hulten. Aan de hand van de reacties heeft een werkgroep zich bezig gehouden met de reconstructie van de Oude Baan (buiten de bebouwde kom) en de aansluiting tussen de Burgemeester Letschertweg. De aanbevelingen van de werkgroep zijn waar mogelijk vertaald naar het principeplan en het bestemmingsplan.
De aansluiting van de Oude Baan op de kern Hulten is in het princieplan zoals bijgevoegd bij het ontwerp bestemmingsplan meer naar het oosten verschoven dan in het voorontwerp bestemmingsplan was opgenomen. Deze verschuiving leidt eveneens op de verbeelding tot een ruimere verkeersbestemming. Door deze wijziging blijft de voorkeursvariant van de werkgroep binnen de bestemming Verkeer mogelijk. Wel leidt de verschuiving tot extra aantasting van natuur (NNN-gebied). Deze aantasting is meegenomen in de berekening van de compensatietaakstelling zoals opgenomen in paragraaf 5.5. De definitieve keuze omtrent de aansluiting vindt plaats bij de herinrichting Hulten, wat wordt opgepakt door de gemeente.
Op 13 januari 2016 (tijdens de periode van ter inzage legging van het voorontwerp bestemmingsplan) hebben gemeente en de provincie Noord-Brabant een inloopavond over het voorontwerpbestemmingsplan gehouden.
Voor dit project is een communicatieadviseur aangesteld. Deze communicatieadviseur geeft namens de provincie en samen met de gemeente vorm aan de communicatie met de omgeving tijdens het vervolgproces.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2015 tot en met 8 februari 2016 ter inzage gelegen en op 13 januari 2016 is hierover een inloopavond georganiseerd. Tegelijkertijd is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverleginstanties.
De inspraak- en vooroverlegreacties zijn van een reactie voorzien en daar waar nodig is het bestemmingsplan naar aanleiding van deze reacties aangepast. Tevens zijn richting ontwerp bestemmingsplan enkele ambtelijke wijzigingen doorgevoerd.
De Inspraaknotitie N282, zoals opgenomen in Bijlage 11 bevat de beantwoording van inspraak- en vooroverlegreacties en geeft de ambtelijke wijzigingen weer.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van dinsdag 21 juni tot en met maandag 1 augustus 2016 ter inzage gelegen. De ingebrachte zienswijzen zijn van een reactie voorzien en daar waar nodig is het bestemmingsplan naar aanleiding van deze reacties aangepast. Tevens is een ambtelijke wijziging doorgevoerd.
De Nota Zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 12, bevat de beantwoording van zienswijzen en geeft de ambtelijke wijziging weer.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, is het plan op een aantal onderdelen aangepast en heeft tevens een aanvulling op de toelichting plaatsgevonden. Zie hiervoor het Vaststellingsbesluit.