direct naar inhoud van 7.1 Landbouw
Plan: Buitengebied 2011
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0757.Bp01buitengeb2011-onh1

7.1 Landbouw

De agrarische sector is de belangrijkste economische sector in het buitengebied en voortdurend aan verandering onderhevig, niet in de laatste plaats door recente ingrijpende beleidswijzigingen als de reconstructie en de geurwet.
Het reconstructieplan legt een stevig pakket beleidsuitgangspunten op het buitengebied (en dan met name op de intensieve veehouderijsector), die in dit bestemmingsplan worden doorvertaald. Een en ander overeenkomstig de beleidslijnen in de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011.

Om in te kunnen spelen op de beleidslijnen en dynamiek van de sector zal onderscheid worden gemaakt in de volgende sectoren binnen de land- en tuinbouw:

  • intensieve veehouderijbedrijven;
  • overige agrarische bedrijven (zowel grondgebonden als overig niet-grondgebonden
    agrarische bedrijven).

Intensieve veehouderij = agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in
overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf = een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet
in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde
grond in de directe omgeving van het bedrijf. Niet-grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Een voorbeeld van overig nietgrondgebonden bedrijven zijn intensieve kwekerijen zoals champignonkwekerijen.


Grondgebonden agrarische bedrijf = een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel
of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven en paardenhouderijen zijn doorgaans ook grondgebonden.

7.1.1 Toekenning agrarische bouwkavels algemeen

Bestaande bedrijven zijn op basis van vergunde rechten in kaart gebracht.

Om in aanmerking te komen voor een agrarische bedrijfsbestemming moet er sprake zijn van agrarische bedrijfsactiviteiten. Dat wil zeggen dat er sprake is van agrarische (primaire plantaardige en/of dierlijke) productie. Bovendien moet deze activiteit bedrijfsmatig worden uitgeoefend. Bij de vraag omtrent toekenning van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (hierna ook wel kortweg bouwblokken genoemd) hanteert de Gemeente Boxtel in bestemmingsplan Buitengebied 2006 de volgende indeling:

  • 0-9 nge: burgerwoning;
  • 9-30 nge: eng begrensd agrarisch bouwblok; aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing.
  • >30 nge : volwaardig agrarisch bouwblok.

Alle stallen moeten voldoen aan het Besluit huisvesting, waarin algemene technische eisen staan voor stallen om de uitstoot van ammoniak te beperken.

Het vertrekpunt bij het toekennen van de bouwblokken is het respecteren van in (actuele) bestemmingsplannen toegekende bouwrechten. Voor Boxtel geldt dat de bouwrechten uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2006 (dat gebaseerd is op het Streekplan en het reconstructieplan worden gerespecteerd inclusief de in de planperiode verkregen rechten (zoals bouwblokwijzigingen en bouwvergunningen). Concreet betekent dit dat de bestaande rechten uit het vigerende plan zullen worden gehandhaafd, met inachtneming van het concentratiebeginsel. Hiertoe zijn bepalingen opgenomen in de bouwregels. Wijzigingsbevoegdheden en afwijkingsbepalingen worden uitdrukkelijk niet als onderdeel van de bestaande rechten beschouwd.

Naar aanleiding van een toenemend aantal gevallen van besmetting met Q-koorts hebben Provinciale Staten besloten tot een bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen in geheel Noord-Brabant. In de Verordening Noord-Brabant is dit vastgelegd in artikel 9.8.

In de Nota van wijzigingen Wijziging Verordening ruimte, actualisatie I, van 13 maart 2012 zijn voorstellen gedaan om te komen tot wijziging van de Verordening ruimte 2011 en de vaststelling van de Verordening ruimte 2012. Het betreft onder andere een verlenging van het bouwverbod voor intensieve geiten en schapenhouderijen, naar 1 juni 2013.

7.1.2 Toekenning en uitbreiding intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied

De Verordening Ruimte heeft voor extensiveringsgebieden de volgende regels opgenomen, welke in bestemmingsplan Buitengebied 2011 zijn overgenomen:

  • 1. Binnen gebouwen mag hooguit één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • 2. Uitbreiding van bebouwing binnen het bestaande bouwblok van intensieve veehouderijen is maar mogelijk tot 1 oktober 2010. Vanaf die datum geldt als maximum omvang de bestaande bebouwing op die datum of in de in aanbouw of vergunde bebouwing ("slot op de muur");
  • 3. Het bestaand stedelijk gebied maakt geen deel uit van het reconstructieplan. In de verordening zijn de regels voor intensieve veehouderijen, gelegen in dat gebied, gelijk gesteld met die voor de extensiveringsgebieden. Deze regels zijn overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

7.1.3 Toekenning en uitbreiding intensieve veehouderij in verwevingsgebieden

Voor de toekenning van de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf in verwevingsgebieden geldt dat voor de vaststelling van een bouwblok van een intensieve veehouderij de bouwrechten uit het geldende bestemmingsplannen worden gerespecteerd, inclusief de in de planperiode verkregen rechten (zoals bouwblokwijzigingen en bouwvergunningen).


Duurzame locaties

In de verwevingsgebieden is sprake van een menging van functies van onder meer
landbouw, wonen en natuur. In deze gebieden is vanuit reconstructiedoelstellingen
nieuwvestiging van intensieve veehouderijen niet wenselijk maar moet hervestiging en
uitbreiding wel mogelijk zijn op die plaatsen waar de ruimtelijke kwaliteit of aanwezige
functies zich daartegen niet verzetten. Om de hiervoor noodzakelijke afweging te maken wordt het begrip duurzame locatie gehanteerd. Een duurzame locatie is een bestaand bouwblok met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord is om ter plaatse door te laten groeien.


Het bestemmingsplan sluit aan bij de beleidsregels voor duurzame locaties, maar doet op voorhand geen uitspraken over duurzame locaties. Het begrip duurzame locaties is opgenomen in de begripsbepalingen, maar de beoordeling of in een concreet geval sprake is van een duurzame locatie vindt pas plaats op het moment dat een concrete ontwikkeling zich voordoet.


Het toetsingskader voor ontwikkelingen, de provinciale Handleiding Duurzame locaties, is inmiddels vervallen. In plaats hiervan is in de provinciale verordening een ruimer afwegingskader opgenomen (Verordening ruimte Noord-Brabant 2011, artikel 9.3 onder 2).

In de verordening Ruimte is een definitie opgenomen voor het begrip duurzame locatie: Een locatie voor een intensieve veehouderij is duurzaam als:

    • a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;
    • b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;
    • c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.


Uit onderzoek moet blijken dat er een ruimtelijk-economische noodzaak is voor
hervestiging, omschakeling of uitbreiding. Zuinig ruimtegebruik dient hierbij het
uitgangspunt te zijn. Dit betekent dat verantwoord moet worden dat de uitbreiding van het bouwblok in verhouding staat tot het voorgenomen initiatief en dat geen onnodige ruimte aan het bouwblok wordt toegevoegd. Daarnaast is de integrale omgevingstoets cruciaal. Uit deze toets zal moeten blijken dat de ontwikkeling zowel uit milieuoogpunt als uit ruimtelijk oogpunt verantwoord is. Voor iedere uitbreiding van het bouwblok zal een omgevingstoets gedaan moeten worden en overwogen moeten worden of er sprake is van een duurzame locatie.

Dit ruimer afwegingskader is als zodanig in de regels van het bestemmingsplan opgenomen en biedt voldoende waarborg voor een integrale en zorgvuldige afweging van alle waarden in een gebied. De resultaten in de planMER zullen bij deze afwegingen worden betrokken.

7.1.4 Toekenning en uitbreiding intensieve veehouderij in landbouwontwikkelingsgebied

De vestigingsmogelijkheden binnen het LOG de Oorsprong zijn op grond van de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 komen te vervallen. Het LOG is desondanks op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid. In dit geval betreft het louter een aanduiding zonder ontwikkelingsmogelijkheden.


Op dit moment loopt er nog een procedure voor een lopend initiatief tot verplaatsing naar dit LOG. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben in 2011 afwijzend beslist op het verzoek om omgevingsvergunning voor dit initiatief. Tegen dit besluit loopt op dit moment nog een beroepsprocedure. Mocht de verplaatsing van de intensieve veehouderij toch doorgang vinden, dan dient het bestemmingsplan hiervoor te worden aangepast. Dit bestemmingsplan biedt hiervoor geen wijzigingsbevoegdheid.

7.1.5 Toekenning en uitbreiding overige agrarische bedrijven

Voor de toekenning van de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf in verwevingsgebieden geldt dat voor de vaststelling van een bouwblok van een overig agrarisch bedrijf de bouwrechten uit het geldende bestemmingsplannen worden gerespecteerd, inclusief de in de planperiode verkregen rechten (zoals bouwblokwijzigingen en bouwvergunningen).


Ten aanzien van de uitbreiding van de bouwblokken wordt in grote lijnen het provinciaal beleid gevolgd. Het provinciaal beleid heeft voor grondgebonden agrarische bedrijven geen maxima opgenomen. De gemeente staat onder voorwaarden uitbreiding toe tot 2 ha. Overige nietgrondgebonden bedrijven (niet zijnde intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijven) kunnen uitbreiden tot maximaal 1,5 hectare. Deze maximale oppervlakten zijn exclusief de differentiatievlakken 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen toegestaan' (zie ook paragraaf 7.1.8). In agrarische gebieden met meerwaarde stelt de gemeente bij uitbreiding voorwaarden waarmee de aanwezige waarden worden beschermd.

Wel is in primair agrarische gebieden buiten de groenblauwe mantel omschakeling naar overige niet grondgebonden bedrijf onder voorwaarden mogelijk. Hiertoe is als voorwaarde voor de wijziging bepaald het bestemmingvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ geheel is gelegen binnen de bestemming ‘Agrarisch’ dan wel met ten hoogste één zijde grenst aan de agrarische gebiedsbestemmingen met waarden.

7.1.6 Nieuwvestiging

Onder nieuwvestiging wordt verstaan: het toekennen van de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf op een locatie waar die bestemming nu niet ligt. Ook aangaande nieuwvestiging van bouwblokken is het van belang onderscheid te maken in intensieve veehouderijen en overige agrarische bedrijven; dit in verband met de specifieke beleidsuitgangspunten voor de intensieve veehouderij die uit het Reconstructieplan voortvloeien.

De verwachting is dat in de komende jaren op een aantal agrarische bedrijfslocaties de agrarische bedrijfsactiviteiten door de huidige ondernemer gestaakt worden. In de behoefte aan locaties voor nieuwe of te verplaatsen bedrijven kan worden voorzien door gebruik te maken van deze agrarische bouwblokken (zie paragraaf 7.1.7). Dit bestemmingsplan maakt nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf niet mogelijk.

7.1.7 Hervestiging en omschakeling

In verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden is hervestiging van en
omschakeling naar intensieve veehouderij in principe toegestaan op een duurzame locatie.
Deze dient bij te dragen aan de afwaartse beweging van de intensieve veehouderij, zoals omschreven in het Reconstructieplan. Ook dient er voldaan te worden aan de volgende eisen:

In verwevingsgebieden is hervestiging of omschakeling alleen mogelijk mits er sprake is van een duurzame locatie. Dit betekent dat aangetoond wordt dat er sprake is van:

  • 1. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging of omschakeling ter plaatse;
  • 2. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;
  • 3. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

In ieder geval geldt voor de verwevingsgebieden dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

De omvang van het bouwblok wordt vervolgens aangepast conform de nieuwe bestemming.
Omschakeling naar intensieve veehouderij is onderdeel van de flexibiliteitsbepalingen van dit bestemmingsplan buitengebied.

Omschakeling op een agrarisch bouwblok naar een grondgebonden bedrijf is altijd rechtstreeks mogelijk.

Omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf (niet zijnde intensieve veehouderij of glastuinbouw ) is alleen onder voorwaarden mogelijk in de primair agrarische gebieden buiten de groenblauwe mantel. Hiertoe is als voorwaarde voor de wijziging bepaald dat het bouwblok geheel is gelegen binnen de bestemming ‘Agrarisch’ dan wel met ten hoogste één zijde grenst aan de agrarische gebiedsbestemmingen met waarden.

7.1.8 Teeltondersteunende voorzieningen en kassen

De tuinbouwsector maakt in toenemende mate gebruik van teeltondersteunende
voorzieningen. Teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om de
productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden.


Voorbeelden zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken,
hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten. Het bestemmingsplan is in overeenstemming gebracht met de provinciale Verordening die aansluit bij de beleidsnota Teeltondersteunende Voorzieningen uit 2007. Er is onderscheid tussen permanente teeltondersteunende voorzieningen (teeltondersteunende kassen en overige permanente teeltondersteunende voorzieningen) en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

7.1.8.1 Permanente teeltondersteunende voorzieningen

Permanente voorzieningen zijn teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd worden gebruikt. Deze bestaan uit teeltondersteunende kassen en overige permanente voorzieningen als bakken op stellingen (aardbeien) en containervelden. Deze voorzieningen hebben geen directe relatie met het grondgebruik. De permanente teeltondersteunende kassen en overige voorzieningen mogen daarom in beginsel alleen op het bouwblok.


Teeltondersteunende kassen zijn na afwijken van de bouwregels onder voorwaarden op het bouwblok tot maximaal 5000 m2 toegestaan, met uitzondering van de bouwblokken binnen de agrarische gebiedsbestemmingen met meerwaarden, hetgeen in grote lijnen overeenstemt met de groenblauwe mantel. Rechtstreeks is maximaal 1000 m2 aan teeltondersteunende kassen toelaatbaar.

Eén van de voorwaarden voor een oppervlakte van 5000 m2, luidt dat er sprake is van een volwaardig vollegrondtuinbouwbedrijf of boomkwekerij met een minimaal beteeld oppervlak van 10 hectare. Om de gespecialiseerde kleinere kwekers niet de mogelijkheid te onthouden om een ondersteunende kas te bouwen is in de regeling een staffeling aangebracht.
Teeltondersteunende kassen tot een omvang van 3000 m2 zijn toegestaan wanneer sprake is van een minimaal beteeld oppervlak van 5 hectare; tot 5000 m2 is toegestaan bij een minimaal beteeld oppervlak van 10 hectare.

Eén bedrijf maakt gebruik van overig permanente teeltondersteunende voorzieningen. De ligging van deze voorzieningen buiten het bouwvlak is aangegeven met een apart differentiatievlak op de verbeelding. Een agrarisch bedrijf kan dus naast de 1,5 ha voor het agrarische bedrijf ook een differentiatievlak toegewezen hebben gekregen voor de teeltondersteunende voorzieningen.


Permanente teeltondersteunende voorzieningen kunnen een behoorlijke impact hebben op het landschap. Indien het bouwblok niet voldoende ruimte biedt, kan het bouwvlak hiervoor worden uitgebreid met een aanduidingsvlak. Binnen dit aanduidingsvlak zijn uitsluitend teeltondersteunende voorzieningen toegestaan maar geen bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende kassen of bedrijfswoningen. In het bestemmingsplan is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Binnen de groenblauwe mantel (dus de bestemmingen Agrarisch met Waarden) mag na de wijziging de omvang van het aanduidingvlak 'specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen' niet meer bedragen dan 1,5 hectare, waarbij tenminste 10% van het bestemmingsvlak (grootte na wijziging) wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Op het moment van aanvraag vindt een beoordeling plaats of de uitbreiding met een aanduidingsvlak in relatie tot de te beschermen waarden ter plaatse aanvaardbaar is.

Binnen de EHS zijn deze aanduidingsvlakken voor teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid is niet toepasbaar op gronden die zijn bestemd tot 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap' met de aanduiding 'wro-zone - natuurontwikkelingsgebied'.

7.1.8.2 Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Naast permanente voorzieningen zijn er ook nog tijdelijke voorzieningen (onder andere
folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten). Onder tijdelijk wordt verstaan dat deze teeltondersteunende voorzieningen op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zolang de teelt dit vereist, met een maximum van ongeveer 6 maanden.


Deze tijdelijke voorzieningen hebben in tegenstelling tot permanente voorzieningen wél een directe relatie met het grondgebruik. De oprichting van deze voorzieningen kan daarom buiten het bouwblok plaatsvinden. De impact van tijdelijke voorzieningen is namelijk minder dan van permanente voorzieningen. Het ligt aan het soort gebied of daar een omgevingsvergunning voor is vereist. In meerdere dubbelbestemmingen is voor deze tijdelijke voorzieningen een vergunningplicht opgenomen zodat op lokaal niveau een afweging kan plaatsvinden of de aanwezige waarden niet in het gedrang komen door de tijdelijke voorziening.

In een te verlenen omgevingsvergunning kan bepaald worden voor welke periode deze geldt en in welke perioden binnen het jaar deze voorzieningen mogen worden geplaatst en gebruikt dan wel moeten zijn verwijderd. Dit kan er toe leiden dat een vergunning voor meerdere jaren wordt verleend waarbij de plaatsing van de teeltondersteunende voorzieningen in een betreffend seizoen is toegestaan.


Hoge, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn met het bestemmingsplan niet mogelijk buiten de agrarische bouwvlakken. Uitsluitend lage, al dan niet na een omgevingsvergunning (voormalige aanlegvergunning). De bouwregels bouwregels laten bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een max. hoogte van 1 m. toe. Dit geldt dus ook voor de teeltondersteunende voorzieningen. Boomteelthekken zijn niet nodig in dit gebied.

Tijdelijke voorzieningen zijn buiten het bouwblok mogelijk, voor de duur van de teeltperiode tot een maximum van ongeveer 6 maanden.

Het feit dat de voorzieningen buiten het bouwblok zijn toegestaan, betekent dat de volgende zaken belangrijk worden:

  • 1. de aanwezige natuur en landschapswaarden mogen niet worden geschaad. In bestaande natuurgebieden zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan.
  • 2. in primair agrarisch gebied worden behalve de hoogte geen verdere eisen gesteld.
  • 3. de tijdelijkheid van het gebruik is belangrijk en dit moet goed in de gaten worden gehouden om te voorkomen dat tijdelijke voorzieningen een permanente situatie worden.

7.1.9 Teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie (boomteelt)

Onder boomteeltbedrijven worden verstaan bedrijven gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen, waaronder bomen, maar ook sierheesters in de vorm van volle grondteelt dan wel containerteelt.


In voorliggend bestemmingsplan wordt niet gesproken over boomteelt maar over 'teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie'. Met deze omschrijving is duidelijk dat ook de siergewassenteelt hieronder wordt verstaan.

De regeling in voorliggend bestemmingsplan houdt, kort samengevat, in dat:

  • teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie in primair agrarische gebieden zonder waarden rechtstreeks is toegestaan;
  • teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie niet is toegestaan in het half-open cultuurlandschap voor zover er sprake is van waardevolle beekdalen;
  • teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie rechtstreeks is toegestaan in het overig deel van het half-open cultuurlandschap;
  • teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie niet is toegestaan op bolle akkers en open akkercomplexen;
  • teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie afweegbaar is in kleinschalig cultuurlandschap;
  • binnen de regeling geen differentiatie is naar gelang de hoogte van de teelt.

7.1.9.1 Afweging gebieden

Het bestemmingsplan biedt de teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie mogelijkheden, rekening houdend met de specifieke waarden in het gebied. In de primair agrarische gebieden zonder waarden is teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie rechtstreeks toegestaan.


In gebieden met specifieke waarden dient een nadere afweging plaatsvinden. Deze afweging vindt plaats op basis van een aanvraag voor een omgevingsvergunning waarbij de activiteit in relatie tot specifieke waarden in het gebied worden afgewogen. Hierbij wordt betrokken voor welke concrete activiteit vergunning wordt aangevraagd, de omvang en locatie, de duur van de activiteit etc. Voor zover nodig kunnen ter bescherming van de waarden specifieke voorwaarden aan de vergunning worden verbonden.


Wanneer in een gebied de specifieke waarden zodanig waardevol worden geacht dat teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie hiermee niet verenigbaar is, wordt teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie uitgesloten.


In plan is rekening gehouden met de landschappelijke en visuele openheid en is een afgewogen onderscheid gemaakt tussen gebieden waarin het open karakter wel en niet mag worden aangetast. Deze afweging heeft er toe geleid dat nieuwe teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie wordt uitgesloten in de gebieden waarin het behoud van het landschappelijk open karakter ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en natuurwaarden van groot belang wordt geacht. Het betreft hier de bolle akkers en open akkercomplexen en de beekdalen van de Beerze, Smalwater, Kleine Aa en Essche Stroom.

In het half-opencultuurlandschap is niet zozeer de hoogte van de teelt van doorslaggevend belang maar vooral een evenwichtige balans tussen teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie en gras/bouwland waardoor voldoende open karakter wordt gewaarborgd. Daarom is er voor gekozen om het half-opencultuurlandschap te onderscheiden in meer of mindere waardevolle gebieden waarbinnen teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie wel of niet is toegestaan.

In paragrafen 6.5.3.6 Waarde - Bolle akker, 6.5.3.7 Waarde - Open akkercomplex, 6.5.1.3 Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap en 6.5.1.4 Waarde - Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap is een nadere onderbouwing voor deze gebieden opgenomen.

7.1.9.2 Bestaand gebruik en wisselteelt

Bestaande rechten worden gerespecteerd. Op de percelen waar nu teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie aanwezig is, mag dit gebruik worden voortgezet. Het vigerende bestemmingsplan maakt deze activiteit ter plaatse al mogelijk.


De herplant is op grond van het bestemmingsplan binnen een bepaalde termijn toegestaan. Dit geldt ook voor de gebieden waarin in het bestemmingsplan 2011 teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie wordt uitgesloten. In het bestemmingsplan is vastgelegd dat het gebruik niet (of niet zonder vergunning) mag worden hervat indien dit gebruik voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.


Vanuit de ZLTO en boomteeltsector is verzocht om deze termijn voor meerjarige teelt te verruimen. Alvorens hierover te besluiten is advies ingewonnen van een adviesbureau in deze sector. Uit dit advies blijkt dat voor een goede teeltcyclus herstel van de structuur en de vruchtbaarheid van de bodem van belang is. Ook het tijdstip van grondbewerking en de manier van besmetting dient hierop te worden aangepast. Door een langere rustpauze tussen de teeltcyclus kunnen bodemwerkzaamheden onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd. Vanuit landbouwkundig oogpunt is een periode van rust vanaf begin van de zomer tot het najaar in het daaropvolgende jaar aanvaardbaar, mits de benodigde herstelwerkzaamheden in die periode kunnen worden uitgevoerd. Gesteld kan worden datin het geval van meerjarige teelt geen sprake is van onderbroken gebruik, indien het gebruik is hervat aan het eind van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de teelt is gestaakt.


Na verloop van deze periode kan niet meer worden gesproken van een voorzetting van het bestaand gebruik Wanneer een perceel na verloop van deze periode opnieuw in gebruik wordt genomen, zal op dat moment de toetsing aan het bestemmingsplan moeten plaatsvinden. Dit kan er toe leiden dat opnieuw een vergunning moet worden aangevraagd of dat de teelt op het betreffende perceel niet meer is toegestaan.


7.1.10 Agrarische bedrijfswoning

Bestaande bedrijfwoningen zijn in het plan positief bestemd binnen de bestemming "Agrarisch – Agrarisch bedrijf ". Een bedrijfswoning is noodzakelijk voor een goede agrarische bedrijfsvoering. Woningen die in het verleden als tweede bedrijfswoning zijn gebouwd, worden in principe ook als zodanig in het plan aangemerkt. Hiermee wordt voorkomen dat bij een bedrijf de bouw van extra woningen mogelijk wordt gemaakt die in de loop der jaren aan het agrarisch gebruik worden onttrokken.


Momenteel zijn er uitgebreide mogelijkheden voor communicatie op afstand en snel transport. Daarom is het, ook op de grotere bedrijven, niet langer noodzakelijk dat twee hoofdberoepskrachten op het bedrijf wonen. Vandaar dat er in dit plan geen mogelijkheden zijn opgenomen voor een tweede bedrijfswoning. Mocht een tweede bedrijfswoning toch noodzakelijk zijn, dan zal hiervoor een aparte procedure moeten worden opgestart.

7.1.11 Nevenactiviteiten

In de huidige agrarische sector is een tendens waar te nemen dat de agrariër naast de uitoefening van het agrarische bedrijf (agrarische) nevenactiviteiten wil ontplooien.

Een specifieke vorm van verbrede landbouw is het kleinschalig kamperen (het voormalige kamperen bij de boer).
De gemeente wil deze vormen, mits passend in het buitengebied, ondersteunen. Deze nevenactiviteiten kunnen een directe relatie hebben met de agrarische functie (agro-toerisme, agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaatse geproduceerde producten, de verkoop van streekeigen producten, zorgboerderijen of energieteelt), ook bestaat de mogelijkheid dat activiteiten min of meer los staan van de agrarische functie, maar wel goed passen in het buitengebied van Boxtel (zoals bijvoorbeeld extensieve recreatieve functies, agrarisch verwante functies, agrarisch technische hulpfuncties en binnenopslag). In dit bestemmingsplan wordt ruimte geboden aan nevenactiviteiten die een relatie hebben met de agrarische sector. Dit echter zodanig (via een afwijking) dat geen wildgroei kan ontstaan. Bovendien zullen nevenactiviteiten moeten passen bij de karakteristiek van de gemeente en de betreffende gebiedswaarden.

Kleinschalig kamperen wordt als agrarische nevenactiviteit toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor zover deze bestemming voor het grootste deel grenst aan de gebiedsbestemmingen "Agrarisch met Waarden - Landschap" en/of "Agrarisch met Waarden - Natuur en Landschap".


De ontwikkeling van allerlei nevenactiviteiten is mogelijk op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", mits de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet worden beperkt. Aandachtspunt is eveneens dat eenmaal opgestarte nevenactiviteiten geleidelijk verder worden uitgebouwd tot hoofdfunctie, waarna de agrarische activiteiten worden gestaakt. Daarom zal bij de beoordeling van een voorgenomen nevenactiviteit getoetst moeten worden of deze ook als "vervolgfunctie" in het buitengebied gewenst is.


Daarnaast zijn de bestaande nevenactiviteiten aangeduid op de verbeelding en vastgelegd in de regels. Na afwijken kunnen nieuwe nevenactiviteiten worden opgestart tot een maximale oppervlakte van 1.000m².


Van belang is eveneens dat nevenactiviteiten goed worden ingepast in de omgeving. In een landschapsversterkingsplan dat ingaat op de relatie met de omgeving en gebiedswaarden (zie de ecologische en cultuurhistorische waardenkaarten) dient te zijn aangegeven op welke wijze de aanwezige gebiedswaarden worden versterkt. Deze versterking kan bewerkstelligd worden door de aanleg van landschaps- of natuurlijke elementen, beeldkwaliteit en herstel van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en omgeving. Op deze wijze wordt een positieve bijdrage gegeven aan de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. Een adviescommissie (de WUBBB) zal, soms op grond van een onafhankelijk deskundig advies, het college adviseren over de kwaliteitsverbetering.

7.1.12 Hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven

Het aantal agrarische bedrijven neemt af. Deze tendens doet zich al decennia lang voor en zal zich in de toekomst voortzetten. Veel oorspronkelijke agrarische bebouwing heeft zijn agrarische functie verloren of zal deze in de toekomst verliezen. Bij beëindiging van agrarische bedrijven gaat in veel gevallen de voorkeur uit naar hergebruik van de bebouwing door andere agrarische bedrijven (zie paragraaf 7.1.6). Het bestemmingsplan biedt verder de mogelijkheid de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning te gebruiken. Het bestemmingsplan voorziet in deze mogelijkheid door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient een aanmerkelijke reductie van de oppervlakte van de (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen plaats te vinden, eveneens dient er sprake te zijn van een versterking van de gebiedswaarden ter plaatse.


Omdat hergebruik door andere agrarische bedrijven of sanering van de bedrijfsbebouwing niet altijd mogelijk is, biedt het bestemmingsplan enkele alternatieve gebruiksmogelijkheden. De hoofdlijn van het beleid is dat terughoudendheid zal worden betracht bij het bieden van hergebruiksmogelijkheden in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB). Vanuit de markt zijn er bovendien nog geen signalen ontvangen dat er een sterke behoefte is aan verdergaande hergebruiksmogelijkheden. Bij hergebruik en ontwikkeling van VAB moet versterking van de gebiedswaarden voorop staan.


De gemeente is terughoudend met het concreet aanduiden van bepaalde bedrijfstypen die in de zones toelaatbaar zijn ter vervanging van de agrarische functie. Het gevaar bestaat namelijk dat vooral wordt gekeken naar het bedrijfstype, maar niet naar de gevolgen van het bedrijf voor de ruimtelijke ordening en milieu.


Het zijn juist deze gevolgen die centraal moeten staan in de afweging of een bepaald bedrijf zich kan vestigen op een bestaande locatie. Daar komt bij dat één en hetzelfde bedrijfstype vaak een grote diversiteit aan verschijningsvormen kent door capaciteitsverschillen, verouderingsgraad en wijze van beheer en inrichting. Voorbeelden van hergebruiksmogelijkheden zijn wonen, kleinschalige vormen van recreatie (logies met ontbijt/boerderijkamers), natuur- en landschapsbeheer en -educatie (werkplaats) en binnenopslag.

In alle gevallen zal een belangenafweging plaats moeten vinden. Afhankelijk van de feitelijke situatie kan de afweging leiden tot ruimere dan wel minder ruime mogelijkheden.