direct naar inhoud van 6.5 Gebiedswaarden
Plan: Buitengebied 2011
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0757.Bp01buitengeb2011-onh1

6.5 Gebiedswaarden

Binnen de verschillende gebiedsbestemmingen komen waarden voor die niet noodzakelijkerwijs via de gebiedsbestemming worden beschermd. Aangezien het beleid gericht is op behoud en ontwikkeling van deze specifieke waarden, zijn regels nodig om dit beleid te realiseren. Een voor de realisering van het ruimtelijk beleid belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan buitengebied is het omgevingsvergunningstelsel, gekoppeld aan dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen. De dubbelbestemmingen zien dus niet alleen toe op bescherming van waarden, maar ook op herstel en versterking.

Het doel van dit stelsel is het voorkomen dat bepaalde specifieke waarden binnen gebieden als gevolg van bepaalde werken of werkzaamheden op onevenredige wijze worden geschaad. Dit speelt met name in die gebieden waar sprake is van verweving van functies, zoals in ‘Agrarisch met waarden – Natuur en Landschap’ en ‘Agrarisch met waarden - landschap’.

Het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden is verboden zonder een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, welke wordt afgegeven door het college van Burgemeester en Wethouders nadat een afweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de specifieke waarden.

Een aantal gebiedswaarden volgen rechtstreeks uit de provinciale hoofdstructuur en zijn al aan de orde gekomen in 6.4.1. Zoals in 6.4.1 tevens is aangegeven, heeft de precieze begrenzing op perceelsniveau plaats gevonden op basis van het gemeentelijk beleid, de geconstateerde waarden, het huidige gebruik en recente ontwikkelingen. In 6.5 volgen de doelstellingen per (sub)zonering.

Waar het gaat om de bescherming van de aanwezige waarden betekent dit dat een omgevingsvergunning gevraagd wordt voor bepaalde werkzaamheden in bepaalde gebieden.

Activiteiten binnen de detailbestemmingen (de bouwpercelen) zijn vrijgesteld van vergunningplicht. Deze uitsluiting heeft uitsluitend betrekking op de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden in het bestemmingsplan.

Zodra er sprake is van een activiteit die het bestemmingsplan niet toelaat en waarvoor het bestemmingsplan moet worden aangepast dan wel waarvoor een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan moet worden verleend, geldt deze uitsluiting niet.

6.5.1 Ecologie

In opdracht van de gemeente Boxtel is door ecologisch adviesbureua Goderie de ecologische waardenkaart uit 2006 geactualiseerd en aangepast (Goderie Ecologisch Advies, 3 januari 2011). Dit rapport is als Bijlage 7 toegevoegd.

Op de nieuwe natuurwaardenkaart worden nog maar 6 deelgebieden onderscheiden, namelijk:

  • natuurgebied en bos met natuurwaarde;
  • overig bos;
  • leefgebied van stromend water;
  • leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap;
  • leefgebied van kleinschalig cultuurlandschap;
  • leefgebied van open cultuurlandschap (alleen hogere planten).


Voor de laatste vier onderscheiden leefgebieden is in voorliggend bestemmingsplan een dubbelbestemming met een specifiek omgevingsvergunningstelsel opgenomen.


Voor de natuur- en bosgebieden wordt geen dubbelbestemming opgenomen omdat deze gebieden overeen komen met de gebiedsbestemmingen. De bescherming van de natuurwaarden van deze gebieden vindt plaats via een omgevingsvergunningstelsel binnen de gebiedsbestemmingen zelf.

Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is benodigd ter bescherming van de volgende gebieden met specifieke (potentiële) natuurwaarden conform natuurwaardenkaart of Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant, met in de derde kolom de betreffende dubbelbestemming of gebiedsaanduiding:

Gebiedswaarde
 
Bron   Dubbelbestemming of gebiedsaanduiding  
leefgebied van open cultuurlandschap (alleen hogere planten)   natuurwaardenkaart   Waarde - Waardevolle vegetaties  
leefgebied van stromend water   natuurwaardenkaart   Waarde - Leefgebied soorten van stromend water  
leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap   natuurwaardenkaart   Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap  
leefgebied van kleinschalig cultuurlandschap   natuurwaardenkaart   Waarde - Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap  
attentiegebied EHS   Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant   Waarde - Attentiegebied EHS  
zoekgebied voor ecologische verbindingszones   Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant   Milieuzone - ecologische verbindingen  
natuurontwikkelingsgebied   Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant   Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied  
zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen   Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant   Milieuzone - beekherstel  

6.5.1.1 Waarde - Waardevolle vegetaties

De nieuwe aspectkaart ‘leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap' en 'waardevolle vegetaties' is als volgt tot stand gekomen:

  • Als basis zijn de aspectkaarten uit 2006 gehanteerd: 'leefgebied vogels van half-open cultuurlandschap ', 'gebieden met waardevolle vegetaties' en 'leefgebied taigarietgans';
  • De informatie van deze drie aspectkaarten uit 2006 is vervolgens aangevuld met de nieuwe/ recente(re) inventarisatiegegevens;
  • Op de kaarten is het onderscheid tussen leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap als vlakdekkende categorie (Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap) en de categorie leefgebied hogere planten (Waarde - Waardevolle vegetaties) die veelal is gebonden aan lijnelementen, gehandhaafd. Dit omdat voor beide categorieen verschillende type maatregelen relevant zijn in het kader van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden.

Doelstellingen voor waardevolle vegetaties zijn:

  • behoud en ontwikkeling van vegetaties met natuurwaarden, hierbij moet ook gedacht worden aan extensief gebruikte bermen en slootkanten.
  • abiotische omstandigheden die het voorkomen van waardevolle vegetaties mogelijk maken, dienen behouden te blijven.
  • behoud van de bodem, het reliëf en de waterhuishouding. Veranderingen in de waterhuishouding die gunstig zijn voor het gewenste vegetatietype zijn mogelijk.

6.5.1.2 Waarde - Leefgebied soorten van stromend water

De aspectkaart leefgebied soorten van stromend water is ten opzichte van de natuurwaardenkaart 2006 ongewijzigd gebleven.Als leefgebied van soorten van stromend water zijn de hoofdwatergangen en de watergangen waar beekherstelprojecten spelen aangewezen. Voor deze gebieden is het behoud en de versterking van het stromend karakter en de ecologische kwaliteit van het water van belang. Voorkomen moet worden dat barrières ontstaan door stuwen of andere kunstwerken voor soorten van stromend water.

afbeelding "i_NL.IMRO.0757.Bp01buitengeb2011-onh1_0012.png" 

6.5.1.3 Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap

De nieuwe aspectkaart ‘leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap' en 'waardevolle vegetaties' is als volgt tot stand gekomen:

  • Als basis zijn de aspectkaarten uit 2006 gehanteerd: 'leefgebied vogels van half-open cultuurlandschap ', 'gebieden met waardevolle vegetaties' en 'leefgebied taigarietgans';
  • De informatie van deze drie aspectkaarten uit 2006 is vervolgens aangevuld met de nieuwe/ recente(re) inventarisatiegegevens;
  • Op de kaarten is het onderscheid tussen leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap als vlakdekkende categorie (Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap) en de categorie leefgebied hogere planten (Waarde - Waardevolle vegetaties) die veelal is gebonden aan lijnelementen, gehandhaafd. Dit omdat voor beide categorieen verschillende type maatregelen relevant zijn in het kader van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden.

Voor het ‘leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap' is het van belang dat de natuurkwaliteiten die behoren bij half open agrarisch landschap met kleine landschapselementen behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden, evenals het behoud en de ontwikkeling van extensief gebruikte perceelsranden en overhoekjes. Voor het leefgebied van vogels van open cultuurlandschap dat binnen de gebiedsbestemming "agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurlandschappelijke waarde" valt, is behoud van het agrarisch gebruik met behoud van half open karakter van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0757.Bp01buitengeb2011-onh1_0013.png"

De leefgebieden van soorten van half open cultuurlandschappen zijn kwetsbaar voor een scheve verhouding tussen teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie en grasland/bouwland. Een te groot aandeel teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie tast de afwisseling met open gebieden aan wat mogelijk leidt tot negatieve effecten voor het leefgebied van deze soorten en aantasting van de landschappelijke karakteristiek van een half open landschap.


In de afweging tussen bescherming van de waarden en het ruimte bieden voor de teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie, heeft de gemeente er voor gekozen om binnen het half-open cultuurlandschap een differentiatie aan te brengen. De beekdalen met aangrenzende gronden vormen het gebied waar het areaal grasland nog het meeste voorkomt en waar de landschappelijke openheid als sterkste wordt ervaren.

Het is belangrijk om dit areaal te behouden zodat het half open cultuurlandschap met de daar voorkomende soorten kan blijven bestaan.

Het beekdal van de Beerze, Smalwater en Kleine Aa en het beekdal van de Essche Stroom ligt omgeven door het half open cultuurlandschap. De kenmerken van deze beekdal zijn belangrijk voor de bescherming van deze landschappen. Om deze kenmerken te behouden, kiest de gemeente ervoor om in deze beekdalen geen teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie toe te staan. Dit is de reden dat deze delen van het leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap separaat zijn bestemd (als Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2).

Bij de begrenzing van dit gebied is voor wat betreft de Beerze, Smalwater en Kleine Aa aansluiting gezocht bij de begrenzing van de ecologische verbindingszone volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2006 met een breedte van circa 500 meter. Voor wat betreft de Essche Stroom is een zone van circa 100 meter ten zuiden van de Essche Stroom aangehouden.

Het onderscheid tussen deze twee gebieden is niet gebaseerd op in het landschap zichtbare grenzen. Zoals toegelicht is het onderscheid gebaseerd op de gemeentelijke doelstelling om de meest waardevolle delen van dit landschap extra te beschermen in ruil voor het bieden van ruimere mogelijkheden in de rest van het gebied.

De Beerze, Smalwater en Kleine Aa en een deel van de Essche Stroom vormen onderdeel van de structuurvisie Levende Beerze. Hierin wordt de realisatie van de levende Beerze, een RVZ (Robuuste Verbindingszone), als majeure provinciale opgave geformuleerd.


In de overige gebieden binnen het half-open cultuurlandschap wordt teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie rechtstreeks toegestaan.

6.5.1.4 Waarde - Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap

De nieuwe aspectkaart ‘leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap' is als

volgt tot stand gekomen:

  • Als basis zijn de aspectkaarten uit 2006 gehanteerd: 'leefgebied struweelvogels', 'leefgebied das' en 'leefgebied vlinders';
  • De informatie van deze drie aspectkaarten uit 2006 is vervolgens aangevuld met de nieuwe/ recente(re) inventarisatiegegevens;
  • Op navolgende kaart is geen onderscheid meer gemaakt tussen de verschillende soortgroepen die gebaat zijn bij een kleinschalig cultuurlandschap, omdat de soortgroepen in hoofdlijnen bij dit landschapstype en eenzelfde type omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden gebaat zijn.

Natuurwaarden binnen kleinschalig cultuurlandschap zijn: struweelvogels, dagvlinders, vogels van bosrand en de das.

Van belang voor het dassenleefgebied is het behoud van een afwisselend landschap met voldoende foerageermogelijkheden voor de das, in het bijzonder bestaande uit houtwallen, hagen en voldoende grasland.

Voor het leefgebied vlinders is het behoud van vegetaties met waardplanten en behoud en ontwikkeling van structuurrijke vegetaties van belang. Waardplanten zijn planten die voor een vlindersoort van betekenis zijn als voedselplant voor de rups.

Voor het behoud van het leefgebied struweelvogels is het behoud van houtwallen, boszomen en overgangen van bos naar agrarisch gebied belangrijk, met daarnaast het behoud van kleine bosjes en hagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0757.Bp01buitengeb2011-onh1_0014.png"

Deze - uiteenlopende - soortgroepen hebben met elkaar gemeen dat ze gebaat zijn bij een kleinschalig landschap met veel gradienten; overgangssituaties tussen milieufactoren. Voorbeelden daarvan zijn de overgang van dicht naar open landschap, van droog naar vochtig, van voedselarm naar voedselrijk. (Tijdelijke) teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie kan mogelijk een negatief effect hebben op deze beeldbepalende karakteristieken van het kleinschalig cultuurlandschap, doordat de verhouding tussen openheid en beslotenheid en de daaraan gekoppelde gradientsituaties verschuift. Door verdichting van het landschap kunnen de relaties tussen beschutting (houtwal/ landchapselement) en foerageergebied (insecten/ nectarplanten) verstoord worden (voor vogelsoorten en dagvlindersoorten). Dat kan betekenen dat soorten uiteindelijk verdwijnen. In het geval van grootschalige teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie in dit landschapstype kan zelfs de gehele kleinschaligheid in het geding raken.

Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag worden de volgende afwegingen betrokken:

  • 1. wordt de totale randlengte aan gradientsituaties rondom het initiatief substantieel aangetast;
  • 2. is de kleinschaligheid van het gehele kleinschalig cultuurlandschap in het geding.

6.5.1.5 Waarde - Attentiegebied EHS

In de structuurvisie van de provincie Brabant (Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant) is een Attentiegebied EHS opgenomen. Het attentiegebied EHS en de natte natuurparel zoals deze vroeger was opgenomen in de reconstructieplannen komen qua begrenzing en ook inhoudelijk overeen.

De natuurparels inclusief de beschermingszone zijn in het bestemmingsplan bestemd als 'Waarde - Attentiegebied EHS '. Qua begrenzing en regeling is aan gesloten bij het beleid, zoals verwoord in Structuurvisie en Verordening van de provincie Noord-Brabant.

Natte natuurparels zijn natuurgebieden die bijzonder gevoelig zijn voor de waterkwantiteit en de waterkwaliteit. Deze gebieden worden sterk beïnvloed door de inrichting en het beheer van de omgeving.

De doelstellingen voor deze kwetsbare natuurgebieden zijn enkel te realiseren door in de omgeving ruimtelijke keuzes te maken. Om deze reden is rondom deze natuurparels een beschermingszone van 500 meter opgenomen om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie verder verslechterd. Er mogen in de natte natuurparels of de beschermingszone geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de situatie in de natte natuurparel tot gevolg hebben. Aan deze gebieden is een apart regime voor omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden gekoppeld overneenkomstig het reconstructieplan en de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011.

6.5.1.6 Milieuzone - ecologische verbindingen

De nog te realiseren onderdelen van de EHS in het plangebied betreffen behalve natuurontwikkelingsgebieden ook ecologische verbindingszones.

De EVZ's (zoekgebied voor ecologische verbindingszone) uit de Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant zijn opgenomen in de verbeelding. Aan weerszijden van de beeklopen of wegen is een zone opgenomen waarbinnen de ecologische verbindingszone kan worden aangelegd.

Binnen de agrarische bestemmingen is een wijzigingsbevoegdheid gekoppeld aan de aanduiding Milieuzone - ecologische verbindingen voor het mogelijk maken van een ecologische verbindingszone. Deze kan worden ingezet nadat de grond is verworven en als zodanig is ontwikkeld.

De ecologische verbindingszones verbinden verschillende natuurgebieden met elkaar. Ze bestaan uit veelal langgerekte landschapselementen. De zones moeten zodanig zijn of kunnen worden ingericht, dat planten- of diersoorten zich van het ene naar het andere natuurgebied kunnen verplaatsen.

De breedte en inrichting van de ecologische verbindingszones is afhankelijk van de natuurfunctie die zij vervullen. Er worden natte en droge verbindingszones onderscheiden. Ecologische verbindingszones kunnen op allerlei wijzen gerealiseerd worden. De zones moeten dus zodanig worden ingericht dat de doelsoorten waarvoor de verbindingszone is bedoeld er ook daadwerkelijk gebruik van kunnen maken. Het gebruik als ecologische verbindingszone kan ook niet de enige functie van de strook zijn. Veelal blijft (extensief) agrarisch (mede)gebruik mogelijk.

6.5.1.7 Milieuzone - beekherstel

Om het herstel van een beek mogelijk te maken is de aanduiding Milieuzone - beekherstel opgenomen conform de Verordening van de provincie Noord-Brabant. Op de verbeelding is deze zone opgenomen aan weerszijden van de beeklopen. Deze milieuzone valt samen met verschillende gebiedsbestemmingen.

Beekherstel heeft betrekking op maatregelen zoals hermeandering (herstel erosie-/ sedimentatieprocessen), inrichting van de oevers, aanleg van vispassages en herstel van brongebieden. Om beekherstel te realiseren zal een groot deel van de gronden (25 meter breedte bij de bovenloop en 50 meter bij de middenloop) moeten worden verworven en als natuur worden aangemerkt. Overigens zal een groot deel van deze gronden samenvallen met de begrensde ecologische hoofdstructuur en wordt een groot deel van deze ruimte tevens benut voor waterberging.

6.5.1.8 Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied

Binnen de EHS van de provincie (Verordening ruimte 2011 Noord-Brabant) zijn gebieden opgenomen die nog ontwikkeld moeten worden. Dit zijn de gebieden die binnen het Natuurbeheerplan 2011 het beheertype 'nog om te vormen naar natuur (inrichting)' hebben. Aan de hand van de informatie uit het Natuurbeheersplan 2011 hebben gronden de gebiedsaanduiding Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied  gekregen. Natuurontwikkelingsgebieden zijn landbouwgronden die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur.

Daar waar de ecologische hoofdstructuur nog niet is gerealiseerd, kan geen bestemming Natuur van toepassing zijn. Wel moet de realisatie van de EHS en dùs de mogelijkheid tot wijziging naar de bestemming Natuur door dit bestemmingsplan niet onmogelijk worden gemaakt. In de natuurontwikkelingsgebieden is het van belang dat ruimtelijke ingrepen (werkzaamheden) achterwege blijven, die natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst kunnen frustreren.

Voor deze gronden is daarom een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waardoor op vrijwillige basis de betreffende gronden kunnen worden omgezet in 'Natuur'. Binnen de bestemmingen Agrarisch met Waarden - Natuur en landschap is generiek een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging naar natuur (voor nieuwe natuur) De aanduiding Wro-zone - natuurontwikkelingsgebied is wel opgenomen op de verbeelding, als signaleringsfunctie.

6.5.2 Archeologie

In het bestemmingsplan 2006 waren alle werkzaamheden voor zover deze plaatsvonden in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde omgevingsvergunningplichtig. Om omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden te kunnen verlenen, was een archeologisch onderzoek vereist. De regeling maakte hierbij geen onderscheid naar gebied of naar omvang van de ingreep.


Naar aanleiding van de ingediende beroepen en de contra-expertise, heeft de Raad van State in maart 2009 de beroepen tegen het omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden op dit onderdeel gegrond verklaard.


Aan deze uitspraak liggen kort samengevat de volgende overwegingen ten grondslag :

  • a. het aanlegvergunningstelsel is niet helder;
  • b. er heeft onvoldoende afweging plaatsgevonden tussen de belangen bij de bescherming van de archeologische waarden en de bedrijfsbelangen van de boomkwekers (c.q. agrarische sector);
  • c. er is onvoldoende onderzoek is verricht naar de feitelijke archeologische waarden in het gebied.


Naar aanleiding van deze uitspraak is in 2009 is aan archeologisch bureau RAAP opdracht verleend een onderzoek te doen naar de archeologische waarden binnen de gemeente Boxtel. Dit heeft geresulteerd in het rapport 'Boextel binnen en buiten den Brugghen (RAAP-rapport 2142) uit 2011, welk rapport als Bijlage 6 is opgenomen.

Voor het opstellen van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart heeft in eerste instantie een inventarisatie plaatsgevonden van archeologische vindplaatsen en van de geologische, geomorfologische, bodemkundige en hydrologische gegevens van het grondgebied van de gemeente. Tevens zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd en heeft literatuuronderzoek plaatsgevonden.


Op basis hiervan is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op de verwachtingskaart aangegeven 'hoge', 'middelhoge' of ' lage' archeologische verwachting (de kans op het aantreffen van archeologische resten) betekent dat verwacht wordt dat de relatieve dichtheid aan archeologische verschijnselen respectievelijk groot, gemiddeld of klein is. Deze kaart geeft een meer gedetailleerd beeld dan de IKAW, is meer geënt op lokale omstandigheden en biedt een fijnmaziger onderscheid in gebieden.


De uitgangspunten voor de regeling in dit plan zijn onderstaand kort samengevat:

  • a. archeologische dubbelbestemmingen zijn toegekend, gebaseerd op bovengenoemd rapport met kaart. Dit houdt in dat aan de gebieden waar archeologische waarden voorkomen of worden verwacht de dubbelbestemming archeologische waarde wordt toegekend. Gebieden met een lage archeologische verwachting krijgen geen dubbelbestemming omdat voor deze gebieden geen restricties op dit punt gelden.
  • b. de regeling beperkt zich niet alleen tot de werkzaamheden en werken, niet zijnde bouwwerken. Ook voor bouwwerken (het bouwen) is een vergelijkbare regeling opgenomen. De verplichting hiertoe is vastgelegd in de herziene Monumentenwet.
  • c. een belangrijk nieuw onderdeel is de invoering van ondergrenzen ten aanzien van de verstoring.
    Deze ondergrenzen zijn gekoppeld aan de onderscheiden gebieden op de archeologische verwachtings- en beleidskaart. Deze ondergrenzen hebben zowel betrekking op de verstoringsoppervlakte als op de verstoringsdiepte. De verstoringsdiepte is gesteld op 50 cm onder maaiveld. De verstoringsoppervlakte is afhankelijk van het archeologische (verwachtings)waarde van het gebied.
    Wanneer deze beide ondergrenzen niet worden overschreden, hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In dat geval is voor de betreffende werkzaamheden ook geen omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vereist.
  • d. regeling ten aanzien van het bouwen:
    • 1. archeologische onderzoeksplicht wanneer er sprake is van bouwen binnen de archeologische dubbelbestemming;
    • 2. geen archeologisch onderzoek vereist in het geval van vervanging van bestaande bebouwing, binnen bestaande bouwvlakken en wanneer de ondergrenzen niet worden overschreden;
  • e. regeling ten aanzien van werkzaamheden en werken, niet zijnde bouwwerken:
    • 1. geen vergunning is vereist wanneer de ondergrenzen niet worden overschreden. Ook is geen vergunning vereist voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud (met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande trace's van kabels en leidingen), het normale agrarische gebruik, voor werkzaamheden waarvoor reeds vergunning is verleend en die plaatsvinden in het kader van archeologisch onderzoek.
    • 2. in het geval wel een vergunning is vereist, geldt een archeologische onderzoeksplicht.
  • f. een archeologisch onderzoek is niet vereist indien de archeologisch waarde in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld, bijvoorbeeld door het aantonen van eerdere verstoringen van de bodem of door het aantonen van de dikte van het esdek. Wanneer blijkt dat de dikte van het afdekkend pakket groter is dan de ondergrens van de verstoringsdiepte en wordt aangetoond dat de ingreep beperkt blijkt tot de dikte van het afdekkend pakket, is nader archeologisch onderzoek niet nodig. Bij een esdekmeting moet als uitgangspunt worden uitgegaan van 5 boringen per ha met een boorgrid van 100 bij 50, boringen op de coördinaten (0,0), (0.100), (50.50), (100.0) en (100.100) en 3-dimensionale inmeting.
  • g. de vergunning kan worden verleend wanneer gebleken is dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad of schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
  • h. aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:
    • 1. technische maatregelen tot bescherming van de archeologische waarden.
    • 2. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het aanvullen van bodemvolume bij teelten waarbij grond wordt uitgevoerd, het niet uitvoeren van heiwerkzaamheden of het niet bouwen van kelders;
    • 3. verplichting tot opgravingen;
    • 4. verplichting tot archeologische begeleiding bij uitvoering.


Voorkomende gebieden met specifieke archeologische waarden zijn:

categorie   Bestemmingsplan- categorie   Ondergrenzen verplicht archeologisch onderzoek  
Cat. 1   Wettelijk beschermd monument   Wettelijk geregeld.  
Cat. 2   Gebied van archeologische waarde   Indien dieper dan 50 cm en groter dan 50 m2  
Cat. 3   Gebied van archeologische verwachtingswaarde hoog   Indien dieper dan 50 cm en groter dan 125 m2  
Cat. 4   Gebied van archeologische verwachtingswaarde middelhoog   Indien dieper dan 50 cm en groter dan 500 m2  

Voor ieder gebied is een aparte dubbelbestemming van toepassing:

Bestemmingsplan categorie   Aanduiding/ dubbelbestemming  
Wettelijk beschermd monument   wettelijk beschermd archeologisch monument  
Gebied van archeologische waarde   Waarde - Archeologie - Categorie 2  
Gebied van archeologische verwachtingswaarde hoog   Waarde - Archeologie - Categorie 3  
Gebied van archeologische verwachtingswaarde middelhoog   Waarde - Archeologie - Categorie 4  

Wettelijk beschermde archeologische monumenten zijn op basis van de Monumentenwet 1988 aangewezen als beschermd archeologisch monument, of staan op de voorlopige lijst.

Het betreft gebieden waar archeologische resten van nationaal belang zijn vastgesteld met ondermeer een zeer hoge kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. Voor wettelijk beschermde terreinen is behoud van de bestaande situatie vereist en dient aantasting van de archeologische resten vermeden te worden.

Het beschermingsregime voor deze monumenten staat los van het bestemmingsplan, zij het dat deze zijn opgenomen op de verbeelding met een aanduiding 'wettelijk beschermd archeologisch monument'. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op of, binnen een afstand van 30 m tot die gebieden, ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van de betreffende waardevolle terreinen, maar ook omdat de exacte begrenzingen van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaan.

6.5.2.1 Waarde - Archeologie - Categorie 2

De overige archeologische monumenten (dat wil zeggen zonder wettelijke bescherming) hebben ook oudheidkundige betekenis, maar kennen een minder hoge of onduidelijke kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. Binnen deze gebieden wordt een zeer grote dichtheid aan archeologische resten verwacht. In deze zones dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de archeologische resten leiden.

Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld en kleiner zijn dan 50 m2 zijn in principe vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

6.5.2.2 Waarde - Archeologie - Categorie 3

In deze gebieden geldt op basis van geologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting.

Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot.

Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld en/ of kleiner zijn dan 125 m2 zijn in principe vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

Ook de gemeentelijke aandachtsgebieden zijn hieronder begrepen, voor zover er geen sprake is van bekende waarden maar van hoge verwachtingswaarden. Gemeentelijke aandachtsgebieden zijn gebieden die zowel cultuurhistorisch als archeologisch van belang zijn en op basis van deze combinatie bijzondere aandacht verdienen.

6.5.2.3 Waarde - Archeologie - Categorie 4

In deze gebieden geldt op basis van geologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning, echter de conserveringsomstandigheden zijn minder gunstig. In deze gebieden is de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager dan in de gebieden met een hoge verwachting.

Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld en/ of kleiner zijn dan 500 m2 zijn in principe vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

6.5.2.4 Ondergrenzen

In de Monumentenwet is bepaald dat het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport niet van toepassing is op aanleg- en bouwactiviteiten kleiner dan een oppervlakte van 100 m2. De gemeente kan in het bestemmingsplan een afwijkende andere oppervlakte vaststellen. De gemeente is dus vrij om eigen ondergrenzen te bepalen.


In het bestemmingsplan 2011 zijn ondergrenzen opgenomen, gekoppeld aan de archeologische dubbelbestemmingen. Wanneer deze ondergrenzen worden overschreden is archeologisch onderzoek noodzakelijk.


Deze ondergrenzen hebben betrekking op de verstoringsdiepte en op de verstoringsoppervlakte. Een ingreep is onderzoeksplichtig zodra beide ondergrenzen worden overschreden.

6.5.2.5 Verstoringsdiepte

In het bestemmingsplan 2011 wordt als ondergrens voor de verstoringsdiepte een diepte van 50 cm gehanteerd. Bodemingrepen die niet dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld zijn in het bestemmingsplan vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Een uitzondering hierop vormen ingrepen in de wettelijk beschermde monumenten en werkzaamheden zoals afplaggen.

Ten aanzien van de verstoringsdiepte is tot een wijziging ten opzichte van de voorgestelde ondergrens van 40 cm in het ontwerpbestemmingsplan besloten. Bij amendement is in de raadsvergadering van 10 april 2012 besloten de vergunningsvrije verstoringsdiepte voor werken en werkzaamheden in de drie archeologische dubbelbestemmingen te wijzigen van 40 in 50 cm. Het besluit is gebaseerd op een nadere maatschappelijk afweging tussen het archeologisch belang ten opzichte van het agrarisch gebruik van de gronden.

De keuze voor een ondergrens van 50 cm is gebaseerd op de gemiddelde diepte van een bouwvoor. De bouwvoor heeft gemiddeld een dikte van 0,3 tot 0,5 meter. Hoewel in deze bouwvoor archeologische resten kunnen voorkomen, bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijke context. De waarde van deze resten is in de bouwvoor relatief gering.

Binnen de archeologische regeling is het nodige maatwerk aangebracht. Niet alle werkzaamheden zijn vergunningplichtig wanneer de verstoringsgrenzen worden overschreden.
Het is namelijk niet doelmatig om een activiteit vergunningplichtig te stellen wanneer blijkt dat de archeologische waarden door historisch gebruik al zijn verstoord of wanneer de archeologische waarden door de dikte van het esdek niet worden geraakt. Daarom is in het bestemmingsplan gekozen voor het instrument van melding. Op basis van deze melding kan voor de specifieke situatie worden beoordeeld of een vergunning en daarmee een archeologisch onderzoek wel of niet nodig is.


In de regeling is dit als volgt vastgelegd. Wanneer via een esdekdikte meting kan worden aangetoond dat de verstoringsdiepte van de geplande werkzaamheden niet dieper reikt dan de esdekdiepte is geen vergunning en ook geen archeologisch onderzoek vereist. In dit geval kan worden volstaan met een melding van de meetresultaten op basis waarvan de gemeente vervolgens bevestigt dat geen vergunning is vereist. Bij een esdekmeting moet als uitgangspunt worden uitgegaan van 5 boringen per ha met een boorgrid van 100 bij 50, boringen op de coördinaten (0,0), (0.100), (50.50), (100.0) en (100.100) en 3-dimensionale inmeting. Deze eisen worden in het archeologiebeleid vastgesteld en zijn als zodanig eind 2011 ook afgesproken met de Heemkundekring en de ZLTO.


Met een melding kan ook worden volstaan wanneer via een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal kan worden aangetoond dat de grond ter plaatse reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in de situatie dat in het verleden laanbomenteelt of aspergeteelt heeft plaatsgevonden of dat een ontgronding heeft plaatsgevonden.


Op basis van maatwerk zijn daarnaast in de regeling bepaalde activiteiten vrijgesteld van vergunningplicht. Het betreft hier normaal beheer en onderhoud en normaal agrarisch gebruik.

6.5.2.6 Verstoringsoppervlakte

De ondergrenzen voor de oppervlakten zijn gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze kans is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen.


Voor wat betreft de verstoringsoppervlakte is voor de AMK-terreinen in eerste instantie aangesloten bij de ondergrens van 100 m2 zoals opgenomen in de Wet.


Voor gebieden met een lagere verwachtingswaarde is een hogere ondergrens ten aanzien van de verstoringsoppervlakte te motiveren. Voor gebieden met een hoge verwachtingswaarde is in eerste instantie gekozen voor een ondergrens van 250 m2, omdat de aard van de eventueel te verwachten archeologische resten op een dergelijke beperkte schaal in de meeste gevallen geen wezenlijke inhoudelijke (wetenschappelijke) bijdrage zullen leveren. Vanuit maatschappelijk oogpunt wordt rekening gehouden met het feit dat de kosten van professioneel archeologisch onderzoek bij dergelijke kleine bodemingrepen meestal niet in verhouding staat tot de kosten van het plan. Om nieuwe vindplaatsen met relevante archeologische informatie op te kunnen sporen moet dus ook hier sprake zijn van een minimale omvang.


In gebieden met een middelhoge verwachting is sprake van de combinatie van onderzoekslacune en een op grond van kengetallen verwachte geringe(re) dichtheid aan archeologische vindplaatsen. In deze gebieden is daarom in eerste instantie een ondergrens voorgesteld van 1000 m2.


Op basis van het gezamenlijk voorstel van de Heemkundekring en de ZLTO zijn bovengenoemde oppervlakten gehalveerd. Deze gehalveerde oppervlakten zijn in het bestemmingsplan opgenomen en worden als resultaat van een maatschappelijke weging als zodanig gehandhaafd.

6.5.3 Cultuurhistorie

Aardkundige en cultuurhistorische waarden zijn in het bestemmingsplan 2006 op plankaart 8 als zodanig aangeduid en worden via het aanlegvergunningstelsel beschermd. Vergelijkbaar met de archeologische waarden en natuurwaarden, wordt ook voor de aardkundige en cultuurhistorische waarden in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen.

Aan archeologisch bureau RAAP is door de gemeente opdracht verleend een onderzoek te doen naar de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Boxtel. Dit heeft geresulteerd in het rapport 'Boextel binnen en buiten den Brugghen' (RAAP-rapport 2142) uit 2011, welk rapport als Bijlage 6 is opgenomen.

De dubbelbestemming richt zich niet alleen op het behoud (bescherming) maar ook op de versterking van de waarden (aandachtspunt bij planontwikkelingen, stimuleringsmaatregelen en landschapsversterkings-plannen).


Twee gebieden met aardkundige waarden worden bestemd, namelijk de Kampina en het Dommeldal. Deze twee gebieden staan ook als zodanig op de provinciale aardkundige waardenkaart. In het bestemmingsplan worden voor deze twee gebieden specifieke dubbelbestemmingen opgenomen. Deze dubbelbestemmingen richten zich zowel op de aardkundige als op de cultuurhistorische waarden van deze gebieden.


Op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (rapport 'Boextel binnen en buiten den Brugghen') worden gebieden met een hoge cultuurhistorische ensemblewaardering onderscheiden. Deze gebieden komen overeen met de cultuurhistorische vlakken van provinciaal belang die op grond van de provinciale verordening opgenomen dienen te worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Met betrekking tot de onderbouwing van deze gebieden kan naar het betreffende rapport in Bijlage 6 worden verwezen.

Gebiedswaarde
 
Dubbelbestemming of gebiedsaanduiding  
heidegebied de Kampina   Waarde - Kampina  
beekdal van de Dommel   Waarde - Dommeldal  
landgoed   Waarde - Landgoed  
historische akkercomplex   Waarde - Historisch akkercomplex  
kleinschalig cultuurlandschap   Waarde - Kleinschalig cultuurlandschap  
bolle akker   Waarde - Bolle akker  
open akkercomplex   Waarde - Open akkercomplex  

6.5.3.1 Waarde - Kampina

De cultuurhistorische kenmerken van dit heidegebied zijn de afwateringskanalen, veenwinputten, loopgraven, historische begroeiing en zandwegenstructuur.

Ingrepen zijn toegestaan indien de cultuurhistorische elementen/structuren behouden blijven of versterkt worden.

6.5.3.2 Waarde - Dommeldal

De cultuurhistorische kenmerken van dit beekdal zijn de steilranden, meanders, restanten van meanders, broekbossen, hakhoutbosjes, beemdenstructuur en bijbehorende kavelgrensbeplanting.

Ingrepen die het karakter van het Dommeldal behouden of versterken zijn toegestaan.

6.5.3.3 Waarde - Landgoed

Het betreft landgoederen Sparrenrijk en De Eikenhorst, Venrode, Zegenrode, Halsche Barrier, Wilhelminapark, Velder. De cultuurhistorische kenmerken van deze gebieden zijn de wegen/lanenstructuur, zandwegen, historisch groen en bijbehorende bebouwing.

Ingrepen zijn toegestaan indien het karakter van het landgoed behouden blijft of versterkt wordt.

6.5.3.4 Waarde - Historisch akkercomplex

De cultuurhistorische kenmerken van deze historische akkercomplex (Kleinder Liempde, akkercomplex ten zuiden van Liempde) zijn de kavelstructuur, zandwegenpatroon, kavelgrensbeplanting en slotenpatroon.

Ingrepen zijn toegestaan indien het historisch karakter van het gebied wordt behouden of versterkt.

6.5.3.5 Waarde - Kleinschalig cultuurlandschap

De cultuurhistorische kenmerken van het kleinschalig cultuurlandschap (De Geelders en De Scheeken) zijn de kavelstructuur met bijbehorende begroeiing, zandwegenstructuur en rabatten/slotenpatroon.

Ingrepen zijn toegestaan indien het kleinschalig cultuurlandschap behouden blijft of versterkt wordt.

6.5.3.6 Waarde - Bolle akker

De cultuurhistorische kenmerken van de bolle akkers zijn de bolvormige ligging, zandwegenstructuur en de kavelstructuur met bijbehorende kavelgrensbeplanting. Bolle akkers behoren tot de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. Bij de aanwijzing van de akkers in voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de provinciaal gewaardeerde akkercomplexen.


De bolling van de oude akker beperkt zich tot het individuele akkerperceel, dus tot percelen met een oppervlak van een halve tot twee hectare, die met hun omliggende hagen een meer besloten landschap vormen. In de regel liggen meerdere bolle akkers bij elkaar. Het midden van een akkerperceel kan tot meer dan een halve meter hoger liggen dan de rand van de akker. Het hoogteverschil binnen een perceel komt voort uit een bepaalde manier van akkerbewerking.

Op de bolle akkers werden van oudsher voornamelijk 1-jarig seizoensgebonden akkerbouwgewassen geteeld. Houtachtige beplanting was vrijwel alleen aanwezig in de wegbermen aan de rand van akkers. Deze opgaande beplanting accentueerde de openheid van de akkers van de akkers zelf.

Voor de beleving van het cultuurhistorische karakter van deze bolle akkers is het van belang de openheid en de open zichtlijnen op deze akkers te behouden. Ingrepen zijn toegestaan indien het bolle akkercomplex behouden of versterkt wordt. Ingrepen die (de beleving van) het bolle akkercomplex aantasten (onder andere door het verstoren van open zichtlijnen), dienen vermeden te worden (egaliseren, verwijderen van kavelgrensbeplanting, teelttechnieken waarbij bodemvolume wordt afgevoerd, beplanten met hoog opgaand gewas etc.).

Teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie is derhalve niet toegestaan op de bolle akkers.

6.5.3.7 Waarde - Open akkercomplex

De cultuurhistorische kenmerken van deze open akkercomplexen zijn de zandwegenstructuur en openheid. Open akkers behoren tot de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. Bij de aanwijzing van de akkers in voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de provinciaal gewaardeerde akkercomplexen.

Open akkers zijn aaneengesloten akkergebieden met een oppervlak van 50 tot meer dan 200 hectare. Het gaat het om grote aaneengesloten gebieden waarbij de openheid van het akkercomplex als geheel evidenter is dan bij de bolle akkers.

Vaak worden ze genoemd naar het gehucht waartoe ze behoren. Bij voorkeur werden ze aangelegd op de hogere delen van het landschap (dekzandruggen/plateaus). Oneffenheden en laagten in het onderliggende natuurlijke zandlandschap zijn in de loop van vele eeuwen akkerbeheer weggewerkt. In tegenstelling tot de bolle akkers kennen open akkers geringe hoogteverschillen. In het akkercomplex komen nauwelijks bomen of struiken voor. Open akkercomplexen liggen aanzienlijk hoger dan de omgeving. Het verschil werd nog een extra versterkt door een eeuwenlange bemesting met heideplaggen die ook zand bevatten. Hierdoor ontstaat een dik plaggendek.

Behoud van het verkavelingspatroon en de daarbij behorende versterkende landschapselementen zijn belangrijk in deze gebieden, evenals het behoud van de perceelsgrenzen. Deze patronen hebben een directe relatie met de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. Kenmerkend voor de open akkers is verder het uitgestrekte open karakter ervan.

Ingrepen zijn toegestaan indien het open akkercomplex behouden of versterkt wordt.

Ingrepen die (de beleving van) het open akkercomplex aantasten (onder andere door het verstoren van open zichtlijnen), dienen vermeden te worden (egaliseren, rooien van historisch groen, beplanten met hoog opgaand gewas etc).

Op de open akkers werden van oudsher voornamelijk 1-jarig seizoensgebonden akkerbouwgewassen geteeld. Houtachtige beplanting was vrijwel alleen aanwezig in de wegbermen aan de rand van akkers. Deze opgaande beplanting accentueerde de openheid van de akkers van de akkers zelf.

Evenals op de bolle akkers is teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie dan ook niet toegestaan.