| Plan: | Gooweg sectie D. nr. 2636 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0576.WP201500019-0003 |
In het kader van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" 1e herziening opgenomen "Ruimte- voor-Ruimte" regeling, heeft het college van burgemeester en wethouders op 26 februari 2013 besloten om medewerking te verlenen aan het ruimte voor ruimte-verzoek van de heer S. Pennings, Herenweg 348a te Noordwijkerhout (hierna te noemen: initiatiefnemer).
In het ruimte voor ruimte-verzoek is aan de gemeente gevraagd om medewerking te verlenen aan de bouw van drie compensatiewoning op het perceel van initiatiefnemer aan de Gooweg in Noordwijkerhout in ruil voor de sloop van glasopstanden en bedrijfsbebouwing op een 4-tal locaties in de Duin- en Bollenstreek. Het ging om locaties aan de Gerleeweg / Het Laantje en De Boender 18 in Noordwijk, de Schulpweg 55 in Noordwijkerhout en de Herenweg 230a in Noordwijkerhout.
Op 26 november 2013 is het wijzigingsplan Gooweg sectie D nr.0197 met identificatienummer NL.IMRO.0576.WP2013000111-0003 vastgesteld.
Het perceel van initiatiefnemer aan de Gooweg in Noordwijkerhout is echter geschikt voor het realiseren van vier woningen. Deze vierde woning is niet in het wijzigingsplan meegenomen vanwege het ontbreken van voldoende vierkante meters aan te slopen bebouwing. Inmiddels heeft initiatiefnemer 1.205 m2 aan te slopen bebouwing aangekocht van het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk. Door het slopen van deze gebouwen wil hij invulling geven aan de vierde bouwkavel op zijn perceel aan de Gooweg.
De beoogde ontwikkeling op het perceel aan de Gooweg kan mogelijk worden gemaakt door gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid Ruimte-voor-Ruimteregeling van artikel 27 lid 13 van het bestemmingsplan Buitengebied zoals dat luidt na de 1e herziening.
Het voorliggende wijzigingsplan maakt de bouw van de vierde compensatiewoningen op het perceel aan de Gooweg in Noordwijkerhout juridisch-planologisch mogelijk.
Het plangebied van de compensatiewoning ligt aan de Gooweg in Noordwijkerhout (sectie D. nr. 2636) ten zuidwesten van het dorp Noordwijkerhout. Aansluitend aan het plangebied, aan de zuidwestzijde, worden de drie compensatiewoningen ontwikkeld waarvoor initiatiefnemer in eerdere instantie een wijzigingsprocedure heeft doorlopen. In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied aan de Gooweg globaal aangegeven.
Figuur 1: globale ligging plangebied Gooweg
De te slopen bedrijfsbebouwing ligt op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk. Door middel van het onderhavige wijzigingsplan wordt het bouwvlak van dit perceel wegbestemd met uitzondering van de bedrijfswoning. In figuur 2 is de globale ligging het plangebied van dit perceel weergegeven.
Figuur 2: globale ligging plangebied Zilkerbinnenweg 23
Zowel de locatie aan de Gooweg als de locatie aan de Zilkerbinnenweg 23 liggen in het bestemmingsplan “Buitengebied 1e herziening” (vastgesteld op 25 september 2008) van de gemeente Noordwijkerhout. De gronden binnen het plangebied aan de Gooweg zijn bestemd voor agrarische doeleinden (bollenteelt). De gronden binnen het plangebied aan de Zilkerbinnenweg 23 zijn bestemd als bouwvlak ten behoeve van een bollenteeltbedrijf. Voor beide locaties geldt tevens een bestemming op gebiedsniveau, die aangeeft dat sprake is van een primair agrarisch gebied.
In artikel 26 primair agrarisch gebied (zone l) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om onder voorwaarden de bestemming voor bouwvlakken van de voor agrarische doeleinden, bollenteelt bestemde gronden te wijzigen ten behoeve van de bestemming Woondoeleinden (W) en agrarische doeleinden, bollenteelt zonder bouwvlak. In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 1e herziening' is een wijzigingsbevoegdheid Ruimte-voor-Ruimteregeling opgenomen. Hiermee kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden de agrarisch bestemde gronden wijzigen in de bestemming Woondoeleinden (W), Tuinen (T), Erven (E) en Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab). Van de wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer het nieuwe ontwikkelingsplan binnen de wijzigingsregels valt. In paragraaf 6.1 wordt het ontwikkelingsplan getoetst aan de wijzigingsregels. Een uitsnede van de vigerende plankaart van het perceel aan de Gooweg is als figuur 3 opgenomen en de uitsnede van de plankaart van de Zilkerbinnenweg 23 als figuur 4.
Figuur 3: uitsnede van de plankaart perceel Gooweg
Figuur 4: uitsnede van de plankaart perceel Zilkerbinnenweg
De voor de nieuwe ontwikkeling vereiste bestemming 'Wonen' en 'Tuinen' (overeenkomstig SVBP2012) is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om die reden moet een wijzigingsplan worden opgesteld.
In de gebiedsvisie, hoofdstuk 2, wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de juridische vormgeving beschreven. In hoofdstuk 4 is het relevante beleid beschreven en in hoofdstuk 5 zijn de resultaten van de relevante milieuonderzoeken opgenomen. In hoofdstuk 6 vindt de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de wijzigingsregels plaats en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.
Het perceel sectie D. nr. 2636 aan de Gooweg is altijd in gebruik geweest als bollengrond. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 15 a 68 ca. Het perceel wordt ontsloten door middel van de parallelweg langs de Gooweg.
Schuin tegenover het perceel is een agrarisch bedrijf gelegen. De afstand tussen de bedrijfsgebouwen op dit perceel en de geplande woningen op het perceel van initiatiefnemer is circa 90 meter. Ten zuidwesten van de planlocatie bevinden zich de drie reeds gerealiseerde bouwvlakken waarop compensatiewoningen gebouwd zullen worden dan wel inmiddels zijn gebouwd. De afstand van het dichtstbijzijnde bouwvlak tot aan het perceel is circa 10 meter. In figuur 5 zijn de 3 reeds gerealiseerde kavels en het agrarisch bedrijf gelegen tegenover de planlocatie te zien.
Figuur 5: gerealiseerde en nog te realiseren bouwkavel(s)
In het vigerende bestemmingsplan is de locatie bestemd voor Agrarische doeleinden bollenteelt zonder bouwmogelijkheden.
De rechten om aan de Gooweg in Noordwijkerhout de compensatiewoning te kunnen bouwen worden betrokken van het perceel Zilkerbinnenweg 23 in de Zilk. Op dit Perceel worden de volgende gebouwen gesloopt:
Onderstaand is een luchtfoto van het perceel weergegeven (zie figuur 6) waarop de te slopen bebouwing is aangeven.
Figuur 6: luchtfoto te saneren perceel
In totaal wordt er 1.205 m2 aan bebouwing gesloopt. Om in aanmerking te kunnen komen dient er minimaal 1.000 m2 aan bedrijfsgebouwen te worden gesloopt. Geconcludeerd wordt dat initiatiefnemer ruim voldoende aan bedrijfsbebouwing sloopt om in aanmerking te komen voor een compensatiewoning.
Op 17 september 2003 is door Provinciale Staten van Zuid-Holland de nota "Ruimte-voor-Ruimte in Zuid-Holland" vastgesteld. Doel van de regeling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied door de sloop van (agrarische) bedrijfsgebouwen en kassen die niet in het landelijk gebied passen en de landschappelijke kwaliteit tenietdoen.
Het beleid van de gemeente Noordwijkerhout, zoals vastgesteld in het vigerende bestemmingsplannen 'Buitengebied' (vastgesteld op 28 april 2005) en 'Buitengebied 1e herziening' (vastgesteld op 25 september 2008), is dat uitsluitend gebruik gemaakt kan worden van de Ruimte-voor-Ruimteregeling door bedrijven die gelegen zijn de in zones I en II. Het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 ligt in zone II. Het perceel aan de Gooweg ligt in zone 1. Beide locaties komen in aanmerking voor de ruimte-voor-ruimteregeling.
De nieuw te bouwen woning worden gerealiseerd op het perceel sectie D. nr. 2636 aan de Gooweg te Noordwijkerhout. Onderstaand is een kadastrale kaart afgedrukt waarop het perceel is aangegeven (zie figuur 7).
Figuur 7: kadastrale kaart perceel (gearceerd weergegeven)
Op het perceel van initiatiefnemer zijn reeds drie ruimte voor ruimte-kavels ontwikkeld. In figuur 8 is de verbeelding toegevoegd van deze drie kavels. De bouwkavel die door middel van het onderhavige bestemmingsplan wordt gerealiseerd ligt aansluitend aan de meest noordelijke kavel.
Figuur 8: verkaveling van de drie gerealiseerde compensatiewoningen
De woning wordt aan de zijde van de parallelweg, die langs de Gooweg ligt, gebouwd. De woning krijgt een eigen ontsluiting op deze parallelweg. Met de bouw van de compensatiewoning en het aanleggen van erfverharding en tuinen verdwijnt aan de Gooweg 1.568 m2 aan bollenteeltareaal.
Goothoogte compensatiewoning Gooweg
De nieuw te bouwen woning aan de Gooweg staat op enige afstand van omliggende woningen, maar zal zich qua straatbeeld hier toch in moeten voegen. Er dient een samenhangend straat- en gevelbeeld te ontstaan ondanks de individualiteit in verkaveling, woningdichtheid en bouwstijl. Het is daarom wenselijk dat de bouwmassa een gelijk beeldkwaliteit geeft. De goothoogte en de bouwhoogte zijn hierbij doorslaggevend.
De bouwkavel, die door middel van het onderhavige wijzigingsplan wordt gerealiseerd, grenst direct aan de bouwkavels van de drie compensatiewoningen, de Van der Weijdenlaan 13 en de rijwoningen aan de Van der Weijdenlaan even genummerd. De compensatiewoning zal zich dan ook esthetisch tussen deze woningen moeten kunnen voegen. Het gaat hier om individuele woningen en aaneengebouwde woningen in een blok. De individuele woningen bestaan uit één bouwlaag met kap en de aaneengebouwde woningen uit twee bouwlagen en een kap. De drie compensatiewoningen hebben allen een goothoogte van 4 meter. De vrijstaande woning aan de Van der Weijdenlaan heeft een goothoogte van ongeveer 3 meter. De aaneengebouwde woningen aan de Van der Weijdenlaan hebben een goothoogte van ongeveer 6 meter.
Ten aanzien van de compensatiewoning wordt qua goothoogte aangesloten bij de reeds gerealiseerde bouwkavels. Een iets hogere goothoogte in dit deel van het gebied ten opzichte van de standaard goothoogte van 3 meter in het buitengebied, is wenselijk omdat de dominante woningen in het straatbeeld dit ook al hebben. Een goothoogte van 4 meter is op deze locatie beter passend in het straatbeeld.
Aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk wordt het agrarisch bouwvlak (Ab(b)) wegbestemd. Deze gronden krijgen de agrarische bestemming bollenteelt (Ab). In totaal gaat het om een oppervlakte van circa 6.500 m2. Per saldo is er sprake van een toename aan bollenteeltareaal als gevolg van het onderhavige wijzigingsplan.
De bedrijfswoning van de locatie aan de Zilkerbinnenweg 23 krijgt de bestemming "Wonen". Aan de woning wordt een bouwvlak toegekend. Aan de voorzijde van de woning (strook grond tussen de woning en de weg) wordt de bestemming "Tuin" toegekend.
Ingenieursbureau Rodewijk heeft een landschappelijk advies opgesteld waarin is beoordeeld of per saldo sprake is van landschappelijke kwaliteitswinst door de sanering van de bebouwing op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk en de bouw van de compensatiewoning aan de Gooweg in Noordwijkerhout. Het Landschappelijk advies is als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Ingenieursbureau Rodewijk heeft de volgende beleidsuitgangspunten geformuleerd op basis waarvan de waardering en de toetsing van het plan plaats vind:
Gooweg
Het gebied aan de Gooweg in Noordwijkerhout, waar de compensatiewoning is gepland, is door de Gemeente Noordwijkerhout aangewezen als locatie voor het realiseren van meerdere woningen in het kader van de Ruimte voor ruimte regeling. Eerder zijn in deze strook reeds een aantal vrijstaande woningen ontwikkeld en gerealiseerd. Steeds zijn hier landschappelijke adviezen voor opgesteld. Door RBOI is reeds een aantal jaar geleden een stedenbouwkundige visie opgesteld voor de bewuste te bebouwen strook. Deze visie is door de Gemeente Noordwijkerhout aangenomen en wordt momenteel als uitgangspunt gebruikt. Het clusteren van de compensatiewoningen op een landschappelijk verantwoorde locatie is positief. Op andere kwetsbare plekken verrommeling uit het landschap opruimen, zoals voor dit advies van toepassing is, kan in de basis positief worden genoemd.
Zilkerbinnenweg 23
Het saneren van de opstallen vergroot de open ruimte ter plekke. Een substantieel bebouwd oppervlakte wordt hier aan het open landschap toegevoegd. De netto bebouwde ruimte is voor de regeling in feite wel minimaal omdat hier sprake is van het saneren van alleen schuurruimte en geen kasruimte. Daarnaast is het bedrijf onderdeel van een bebouwingscluster van meerdere woningen en bedrijven. Dit cluster blijft ondanks het saneren van de opstallen grotendeels gehandhaafd. Vanaf de Zilkerbinnenweg zal wel een extra doorzicht ontstaan, met name vanuit noordelijk in zuidelijke richting.
De Toetsing en de waardering aan de 6 beleidsuitgangspunten (zie hiervoor) zier er als volgt uit:
De twee belangrijkste uitgangspunten uit de ISG te weten: ‘openheid actief vergroten’ en ‘versterken doorkijk vensters’ wordt door deze ontwikkeling in feite ingevuld voor deze locatie.
Conclusie en advies
Ingenieursbureau Rodewijk beschouwt deze ontwikkeling op ruimtelijk en landschappelijk gebied, gelet op de analyse en de waardering, positief in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling.
De keuze om de compensatiewoningen te clusteren aan de Gooweg acht Ingenieursbureau Rodewijk vanuit een landschappelijk oogpunt een logische keuze. Het werkt het verspreid plaatsen van dergelijke woningen op kwetsbare plekken in het landschap tegen. Het is wel wenselijk om het open landschappelijke karakter van de Gooweg verder te stimuleren.
Als aandachtspunt adviseren wij rekening te houden met inpassing van de nieuwe woning conform de regionale normen voor landschappelijke beplanting. Concreet kan gedacht worden aan een beukenhaag, een houtsingel, enkele groepen bomen en heesters en de toepassing van leibomen.
Als gevolg van het plan wordt er één burgerwoning toegevoegd aan de locatie Gooweg en wordt de bestemming van de bestaande woning van aan de Zilkerbinnenweg omgezet in 'Wonen".
De agrarische bedrijfsbebouwing aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk wordt gesloopt. Ten opzichte van de situatie waarin de locatie nog als agrarisch bedrijf in gebruik was, nemen het aantal verkeersbewegingen van en naar deze locatie af.
Het aantal benodigde parkeerplaatsen conform de geldende parkeernorm bedraagt 2 per woning. Zowel op de locatie aan de Gooweg als op de locatie aan de Zilkerbinnenweg moeten twee parkeerplaatsen worden aangelegd. Het bijbehorend erf bij de woningen biedt meer dan voldoende ruimte om met 2 auto's te parkeren. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm.
Voor de betreffende percelen geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 1e herziening' Noordwijkerhout. In het bestemmingsplan is bepaald dat van de Ruimte-voor-Ruimteregeling uitsluitend gebruik gemaakt kan worden door bedrijven die gelegen zijn in primair agrarisch gebied zones I en II.
Binnen deze gebiedszones is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (artikelen 26 en 27). In de artikelen 26, 27 en 28 worden in tabel 1 respectievelijk tabel 2 onder het kopje "overig" de toepassing van de Ruimte-voor-Ruimteregeling mogelijk gemaakt door middel van planwijziging. In de bijbehorende voorschriften worden in lid 17, respectievelijk lid 10 en lid 12 de van toepassing zijnde voorwaarden opgenomen. In hoofdstuk 6 is een overzicht opgenomen van de criteria waar het te ontwikkelen plan aan dient te voldoen conform de regels van het vigerende bestemmingsplan.
Het onderhavige wijzigingsplan is het resultaat van het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid. Bij het opstellen van een wijzigingsplan dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels. Het wijzigingsplan vormt daarom geen zelfstandig nieuw bestemmingsplan.
Op het onderhavige wijzigingsplan zijn de regels van toepassing van: Het bestemmingsplan 'Buitengebied' vastgesteld op 28 april 2005 en het bestemmingsplan 'Buitengebied, 1e herziening' vastgesteld door de gemeenteraad op 25 september 2008.
Wettelijke vereisten
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de juridisch bindende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat ruimtelijke plannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Bestemmingsvlak en bouwvlak
In het bestemmingsplan 'Buitengebied, 1e herziening' Noordwijkerhout waren de gronden in het plangebied aan de Gooweg bestemd voor Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab). Door middel van het voorliggende wijzigingsplan wordt de bestemming "Agrarische doeleinden bollenteelt " gewijzigd in de bestemming 'Wonen' en 'Tuinen'. Binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' wordt een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woningen gebouwd mogen worden.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied, 1e herziening' Noordwijkerhout waren de gronden in het plangebied aan de Zilkerbinnenweg 23 bestemd voor Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab) met een bouwvlak (b). Door middel van het voorliggende wijzigingsplan wordt de bestemming "Agrarische bollenteelt bouwvlak (Ab(b)) " gewijzigd in de bestemming Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab). Het bouwvlak wordt wegbestemd. Ter plaatse van de woning wordt de bestemming "Wonen" opgenomen. Aan de woning wordt tevens een bouwvlak toegekend. Tussen de weg en de woning wordt de bestemming "Tuin" opgenomen.
Verbeelding
Op de verbeelding zijn door middel van een stippellijn de plangebieden begrensd. Op het perceel aan de Gooweg is de bestemming 'Wonen' is door middel van de letteraanduiding 'W' aangegeven. De bestemming 'Tuinen' is door middel de van letteraanduiding 'T' aangegeven. Het bouwvlak is aangegeven door middel van een zwarte lijn. Op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 is de bestemming "Agrarische doeleinden bollenteelt" door middel van de letteraanduiding "Ab" aangegeven. De bestemming 'Wonen' is door middel van de letteraanduiding 'W' aangegeven. De bestemming 'Tuinen' is door middel de van letteraanduiding 'T' aangegeven
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 4.1 besteedt aandacht aan het Rijksbeleid. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het provinciaal beleid en het regionaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. In paragraaf 4.4 is het gemeentelijk beleid beschreven en paragraaf 4.5omvat de conclusies ten aanzien van het ruimtelijk beleidskader voor het plangebied. Het in dit hoofdstuk samengevatte ruimtelijk beleidskader is niet uitputtend.
Nota Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld door de Tweede Kamer. De SVIR bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.
De SVIR heeft betrekking op:
Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.
Nota Belvedère (1999)
In deze nota heeft het Rijk het beleid ten aanzien van de cultuurhistorie aangegeven. De strategie van de Belvedère gedachte is "behoud door ontwikkeling". De locatie aan de Gooweg is geen onderdeel van een Belvedèregebied.
De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dat geeft houvast voor andere ruimtelijke plannen en voor investeringen in ruimte en netwerk. Het geeft ook duidelijkheid over de randvoorwaarden die de provincie daaraan stelt. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:
De huidige ruimtelijke situatie – gecombineerd met de vier rode draden - vormt het vertrekpunt voor de Visie ruimte en mobiliteit.
Mobiliteit en bebouwde ruimte
De ontwikkeling van mobiliteit en de ontwikkeling van de bebouwde ruimte raken en versterken elkaar. De provincie koppelt de ruimtelijke ontwikkeling aan het op orde brengen en opwaarderen van het mobiliteitsnetwerk. De nog beschikbare capaciteit op dat netwerk helpt om keuzes te maken over verdichting en concentratie in de bebouwde ruimte. Zo wordt zowel het mobiliteitsnetwerk als de bebouwde ruimte beter benut. Het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid dragen beide bij aan de concurrentiekracht van Zuid-Holland. Het behalen en benutten van schaal en clustervoordelen is daarbij een belangrijke voorwaarde voor een gevarieerde en innovatieve economie. Schaal en clustervoordelen bepalen in hoge mate de agglomeratiekracht. Ze ontstaan bij een concentratie van wonen, werken en (kennis)voorzieningen in centra en vervoersknooppunten, en uitstekende verbindingen met en tussen die centra en knooppunten.
Bebouwing in de groene ruimte
Behalve agrarische bebouwing en de bebouwing in dorpen, buurtschappen en bebouwingslinten, herbergt de groene ruimte een scala aan andersoortige bebouwing. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om solitaire woningen en bedrijven, recreatieve bebouwing, attractieparken, verblijfsrecreatiecomplexen, jachthavens, verspreid glas, nieuwe landgoederen, enzovoort. Nieuwe bebouwing heeft al gauw een grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de groene ruimte. De provincie is in beginsel terughoudend ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe bebouwing en bijbehorende functies en elementen in de groene ruimte. Incidentele, kleinschalige stedelijke functies (zoals wonen of bedrijvigheid) kunnen onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit worden gerealiseerd aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied of in bestaande linten. Richtinggevend hierbij is of een dergelijke ontwikkeling te beschouwen is als inpassing of aanpassing. Grootschalige stedelijke functies in de groene ruimte worden in het handelingskader voor ruimtelijke kwaliteit beschouwd als transformatie-opgaven. Deze zijn, conform het handelingskader, mogelijk na instemming van de provincie.
De provincie geeft ruimte aan nieuwe functies in leegstaande of vrijkomende agrarische en niet-agrarische bebouwing, mits de ruimtelijke kwaliteit en andere specifieke waarden ter plekke worden behouden en de verkeersdruk niet toeneemt. Nieuwe bebouwing, bijvoorbeeld voor verblijfsrecreatie, jachthavens en nieuwe landgoederen, is mogelijk indien de ruimtelijke kwaliteit en andere specifieke waarden ter plekke worden behouden of verbeterd.
Ladder van Duurzaamheid
De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de “ladder voor duurzame verstedelijking” om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden. De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het “bestaand stads- en dorpsgebied” (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD.
Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies. Kortom: wonen en werken buiten BSD zijn mogelijk en wenselijk. Voor gebiedseigen ontwikkelingen, die de bestaande ruimtelijke kwaliteit in stand houden of verbeteren, beslist de gemeente voortaan zelf.
Artikel 2.1.7 Bollenteeltgebied
De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Binnen het bollenteeltgebied bevinden zich ook bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen met erf en de eventuele kassen van de bollenteeltbedrijven.
Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit
Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen bij de aard en schaal van het gebied en 2) moeten voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
De drie soorten ontwikkeling die de provincie onderscheid zijn:
In artikel 2.1.7 lid 4 van de Verordening Ruimte (Greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’ woningen) is bepaald dat een bestemmingsplan ook kan voorzien in greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’ woningen als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek.
Andere ontwikkelingen binnen het bollenteeltgebied
Het bollenteeltgebied is primair bedoeld voor bollenteeltbedrijven. Voor enkele voorziene andere ontwikkelingen zijn specifieke regels opgenomen: handels- en exportbedrijven,greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’-woningen. Daarnaast is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor onvoorziene ontwikkelingen.
Ruimte-voor-Ruimteregeling, na evaluatie
In de herziening van de Ruimte voor Ruimteregeling, na de evaluatie is aangegeven dat bij gebiedsgerichte (projectmatige) toepassingen van 'Ruimte voor Ruimte', waarbij de gemeentelijke en provinciale overheid actief met de regeling aan de slag gaat, heeft compensatie elders, nadrukkelijk de voorkeur. In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet voor compensatielocaties waar sprake is van de bouw van aanzienlijke aantallen compensatiewoningen worden gezocht naar locaties aansluitend aan de woonkern of andere bebouwingsclusters zoals lintbebouwing.
Op basis van een structuurplan of -visie is een gebiedsgerichte regeling mogelijk (maatwerk).
Het ruimte voor ruimte-project betreft een kleinschalige, incidentele (stedelijke) ontwikkeling. Aangezien de ruimtelijke kwaliteit door het saneren van 1.205 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanzienlijk verbeterd, is het toevoegen van één extra woning in het lint aan de Gooweg en het toevoegen van circa 6.500 m2 aan bollenteeltgrond op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid.
De ontwikkelingen vinden buiten BSD gebied plaats. Er is sprake van een gebiedseigen ontwikkeling. De bevoegdheid om over dergelijke ontwikkelingen te beslissen ligt bij de gemeente.
Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG)
De raden van de zes Greenportgemeenten hebben op 10 december (Hillegom) en op 17 december 2009 (Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen) de Intergemeentelijke structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek vastgesteld. De structuurvisie vervangt het 'Pact van Teylingen' en het 'Offensief van Teylingen'. De ISG is voor de Greenportgemeenten van de Duin- en Bollenstreek een wettelijk zelfbindend kader voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied tot 2030 en geldt als toetsingskader voor toekomstige bestemmingsplannen.
De Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) B.V. geeft samen met de aandeelhoudende Greenportgemeenten verder vorm aan de inhoud en uitvoering van het meerjarenprogramma, dat voortvloeit uit de ISG. De ISG is gericht op het creëren van een vitale Greenport met een vitaal landschap. Hiervoor zijn de volgende ambities en uitgangspunten opgesteld:
Vigerend bestemmingsplan
In de door de gemeenteraad van Noordwijkerhout vastgestelde vigerende bestemmingsplannen 'Buitengebied' (vastgesteld op 28 april 2005) en 'Buitengebied 1e herziening' (vastgesteld op 25 september 2008), zijn de binnen het plangebied gelegen gronden aan de Gooweg bestemd voor agrarische doeleinden bollenteelt. De binnen het plangebied gelegen gronden aan de Zilkerbinnenweg 23 hebben de bestemming Agrarisch bollenteelt waarop een bouwvlak is aangegeven.
Voor deze gronden geldt tevens een bestemming op gebiedsniveau, die aangeeft dat sprake is van een primair agrarisch gebied. In artikel 26 Primair Agrarisch gebied (zone l) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om onder voorwaarden de bestemming voor bouwvlakken van de voor agrarische doeleinden, bollenteelt bestemde gronden te wijzigen ten behoeve van de bestemming Woondoeleinden (W), Tuinen (T) en agrarische doeleinden (Ab).
In het bestemmingsplan 'Buitengebied 1e herziening' is een wijzigingsbevoegdheid Ruimte-voor-Ruimteregeling opgenomen. Hiermee kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden de agrarisch bestemde gronden wijzigen in de bestemming Woondoeleinden (W), Tuinen (T), Erven (E) en Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab). Van de wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer het nieuwe ontwikkelingsplan binnen de wijzigingsregels valt.
Rapport "Open Geest"
Bureau Vista heeft in 2003 onderzoek gedaan naar de openheid van het landschap, de uitkomsten zijn beschreven in het rapport "open Geest". Dit rapport is een uitwerking van het Landschapsbeleidsplan Duin- en Bollenstreek. Het gebied rondom de Gooweg (Noordwijkerhoutse geest) wordt in Open Geest middelmatig gekwalificeerd door de korte zichtlijnen en de vierkante vorm van het gebied. Het zicht op de duinenrij en de overgang naar het landgoed Nieuw Leeuwenhorst worden als positief ervaren. Het gebied rondom de Gooweg is landschappelijk minder kwetsbaar en daardoor meer geschikt voor de bouw van compensatie woningen, mits rekening wordt gehouden met de landschappelijke structuur en landschappelijke inpassing.
Op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk worden opstallen gesloopt. De totale oppervlakte die het betreft is 1.205 m2. De opstallen op deze locatie zijn ouder dan de peildatum van 1 januari 2007.
De ontwikkeling heeft op ruimtelijk en landschappelijk gebied, gelet op de analyse en de waardering, een positief effect. Zie ook het advies van ingenieursbureau Rodewijk (bijlage 1).Het plan voldoet aan het provinciaal beleid.
Het verlies aan bollenteeltareaal aan de Gooweg wordt gecompenseerd door het toevoegen van bollenteeltgrond op de locatie aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk. Per saldo neemt de oppervlakte aan grond met de bestemming "Agrarische bollenteelt toe met circa 4.932 m2 (ca. 6.500 m2 - 1.568 m2).
Het project voldoet aan de structuurvisie aangezien het areaal aan bollengrond in tact wordt gelaten. Deze neemt zelfs behoorlijk toe. Tevens wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan en opruimen van verrommeling door de sloop van overbodig geworden schuren en een schuurkas. Het wijzigingsplan is derhalve in overeenstemming met het regionale beleid.
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van strijdigheid met het vigerende beleidskader.
Hoewel in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied en het bestemmingsplan Buitengebied 1e herziening reeds is bepaald dat op de betreffende locatie een wijziging van de bestemming gerealiseerd mag worden, ontslaat dit de gemeente niet om te onderzoeken of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hiertoe wordt in onderstaande paragrafen een onderzoek naar verschillende relevante milieuaspecten uitgevoerd. Het voorliggende plan betreft een wijzigingsplan op basis van het op 28 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 1e herziening. In het kader van dat bestemmingsplan is reeds uitvoerig onderzoek verricht naar een groot aantal milieuaspecten. Waar nodig is nu onderzoek verricht.
Uitgangspunt voor het wijzigingsplan is dat geen strijdigheid ontstaat met de wetgeving ten aanzien van de gebiedsbescherming (gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998, ecologische hoofdstructuur) en de soortenbescherming (Flora- en faunawet).
Gebiedsbescherming
Gebiedsbescherming in Nederland is geregeld middels de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998, welke in 2005 in werking is getreden. De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van gebieden en percelen met de status ´Nationaal Park´, 'Beschermd Natuurmonument' en van gebieden die door de Minister van EL&I zijn aangewezen ter uitvoering van internationale verdragen en verplichtingen, zoals het beschermingsprogramma Wetlands.
Op grond van Europese verplichtingen regelt deze wet ook de bescherming van daartoe aangewezen speciale beschermingszones (SBZ) op basis van de Habitat- en Vogelrichtlijn. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie (EU), opgezet door de lidstaten. Natura 2000 wordt op haar beurt weer gevormd door de in de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992 aangewezen gebieden.
Soortenbescherming
De soortenbescherming vindt primair plaats via de Flora- en faunawet. Op grond van deze wet mogen beschermde dieren en planten - die in de wet zijn aangewezen - niet gedood, gevangen, verontrust, geplukt of verzameld worden en is het niet toegestaan om nesten, holen of andere vaste verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, vernielen of te verstoren. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor (bedreigde) soorten die vermeld staan op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en voor een aantal Rode Lijstsoorten zijn de ontheffingsvoorwaarden zeer streng.
De Flora- en faunawet is onverkort van kracht. Dit betekent dat op het moment dat nieuwe activiteiten aan de orde zijn ook - in het kader van de Flora- en faunawet - de mogelijke effecten op de te beschermen soorten worden meegewogen.
De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik dan wel van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
De Flora- en faunawet is in zoverre voor de onderhavige ontwikkeling van belang, dat bij de voorbereiding van het project moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg staat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
De plangebieden vallen buiten de begrenzing van de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (pEHS) welke op een afstand (770 meter) van het plangebied aan de Gooweg gelegen is. Het dichtst nabij gelegen Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid. Dit gebied bevindt zich op een afstand van 1,8 km van het plangebied (zie figuur 9). De aard en omvang van de ruimtelijke ingreep zijn zodanig dat externe werking valt uit te sluiten. De Natuurbeschermingswet is dan ook niet van toepassing.
Figuur 9: Plangebied (middelpunt in cirkel) in relatie tot de pEHS (links) en tot Kennermerland Zuid (rechts).
Door IDDS uit Noordwijk is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnummer 12065670/NHO/rap1). De quickscan heeft tot doel na te gaan of er in het plangebied aan de Gooweg mogelijk beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen, of zich (mogelijk) in het plangebied vaste broed-, schuil- of verblijfplaatsen van beschermde soorten bevinden, en of zich mogelijk vogelnesten in het plangebied bevinden welke jaarrond beschermd zijn. Tevens is de ecologische relatie onderzocht van de planlocatie met de directe omgeving, en met eventueel nabij gelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Het rapport waarin de bevindingen van de quickscan zijn verwerkt is als bijlage 2 aan de toelichting toegevoegd.
Soortenbescherming
Vanuit het bureauonderzoek (zie bijlage 2) komt naar voren dat de verwachting met betrekking tot het aantreffen van beschermde soorten in het plangebied erg laag is. Het plangebied is ongeveer 1.2 hectare groot en bestaat uit braakliggend akker. Ten tijde van het veldbezoek (22 juni 2012) bleek de akker recentelijk geploegd. Er stond geen tot nauwelijks vegetatie op de akker. De akkerranden waren zeer smal. Hierop stond wel enige vegetatie. Aan de slootkant is een vrij smalle oeverstrook welke met kruiden en riet is begroeid.
Amfibieën en reptielen:
Op grond van de verspreidingsatlassen is het niet waarschijnlijk dat zich Tabel III-soorten uit deze soortgroepen nabij het plangebied bevinden. De oever van de wetering is geschikt voor amfibieën. Bevissing van de sloot en slootbodem met een schepnet (methode RAVON) heeft geen indicaties opgeleverd voor strikt beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn de Groene kikker en de Bruine kikker waargenomen. Deze licht beschermde soorten zijn vrijgesteld met betrekking tot ruimtelijke ingrepen. De zorgplicht blijft echter van kracht. Voorgesteld wordt de oever vrij te houden van bouwactiviteiten over een breedte van minstens vijf meter, waarmee aan deze zorgplicht uitvoer wordt gegeven.
Vissen & Aquatische macrofauna:
De Kleine modderkruiper (tabel II Flora- en faunawet) komt mogelijk voor in de aangrenzende watergang. De wetering is daarom bevist met schepnet om de aanwezigheid van deze soort aan te tonen dan wel, voor zover redelijk, uit te kunnen sluiten. Het seizoen was daartoe gunstig. De sloot/wetering maakte een gezonde indruk, met vangst als Winde, Blankvoorn, Snoek, Drie- en Tiendoornige stekelbaars en Blei. Deze soorten zijn niet aanvullend beschermd. Kleine modderkruiper is daarbij niet aangetroffen, maar kan niet worden uitgesloten. De watergang zal echter niet worden verlegd of worden aangepast. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet nodig.
Zoogdieren:
Op grond van verspreidingsonderzoek kan men om en nabij het plangebied onder andere de Egel, Huisspitsmuis, Mol, Haas, Rosse woelmuis, Woelrat, en Veldmuis mogelijk aantreffen. Deze soorten zijn licht beschermd. Met betrekking tot de door de initiatiefnemer voorgenomen activiteit geldt hiervoor vrijstelling (Tabel I van de Ff-wet). Wel is de zorgplicht van belang. Bij verstoring dienen de dieren een veilig heenkomen te kunnen vinden, dan wel hiertoe in staat worden gesteld.
Het open en onbeschutte karakter van het plangebied maakt het plangebied ongeschikt voor vleermuizen. Slechts langs de oprit naar het perceel staat van een vijftal vrij jonge Italiaanse populieren, voor vleermuizen ongeschikt. Het is mogelijk dat de Wetering voor migratie wordt gebruikt. Het is dan ook van belang geen avondverlichting op het wateroppervlak te laten schijnen, zowel tijdens de bouwfase, als tijdens bewoning.
Vogels:
Tijdens het veldbezoek bleek het perceel recentelijk geploegd. Nesten of sporen daarvan waren daardoor niet langer vindbaar. Omdat grondbroeders mogelijk van de akker gebruik maken, dient de het perceel voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt voor broedvogels te worden gemaakt, door het nemen van verstorende maatregelen. Tijdens het broedseizoen zelf is dit verboden, hierop zijn geen uitzonderingen mogelijk. Indien geen nesten in het plangebied aanwezig zijn, kunnen sloop- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd in het plangebied. Grofweg loopt het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli, maar is afhankelijk van de daadwerkelijke aanwezigheid van broedparen.
Broedvogels, zoals de Wilde eend, maken zeer waarschijnlijk gebruik van de oevervegetatie. Het verdient dan ook de voorkeur de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien men toch tijdens het broedseizoen wil bouwen, dient overleg met het Waterschap plaats te vinden over mogelijkheden de oever ongeschikt te maken voor broedvogels voorafgaande aan het broedseizoen door middel van verstorende maatregelen. Broedvogels mogen in ieder geval niet tijdens nestbouw en nestzorg worden verstoord.
In de houtopstanden die als erfafscheiding fungeren met het woonperceel aangrenzend aan het plangebied bestaan uit Italiaanse populier, Meidoorn, en Els, zijn geen nesten aangetroffen van soorten waarvan de nesten jaarronde bescherming genieten.
Vaatplanten:
De oever van de wetering bestaat uit een smalle strook (± 1m) kruiden-met-riet vegetatie. Soorten als Echte valeriaan, Gele lis, Smeerwortel en Gevlekte waterscheerling komen voor, naast Riet. Tevens komt Zwanenbloem voor in de oevervegetatie. Deze laatste soort is licht beschermd (tabel I Ff-wet). Er zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen in het plangebied. De Rietorchis, die mogelijk wel kan worden verwacht, is aanvullend beschermd (tabel II Ff-wet), maar komt met zekerheid niet in het plangebied voor.
Vlinders:
In het plangebied worden op basis van verspreidingsgegevens en op basis van aangetroffen vegetatiekenmerken (waardplanten) van het plangebied geen Tabel II of Tabel III dagvlinders verwacht.
Libellen & Juffers:
Libellen komen mogelijk voor in de nabijheid van het plangebied. Strikt beschermde libellen en juffers worden niet verwacht op basis van verspreidingsgegevens. In het water zijn tijdens bevissing niet nader gedetermineerde juvenielen (larven) aangetroffen.
Kevers:
Er worden geen beschermde kevers verwacht in het plangebied. Deze zijn verder ook niet waargenomen.
Conclusies
Conclusie gebiedsbescherming
Vanwege de ligging van de plangebieden ten opzichte van de provinciale Ecologische Hoofdstrutuur en het Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid is de Natuurbeschermingswet niet van toepassing.
Conclusie soortenbescherming
In het plangebied aan de Gooweg, waar de compensatiewoning wordt gebouwd, zijn geen strikt beschermde soorten aangetroffen tijdens het veldbezoek dat 22 juni 2012 plaatsvond. Strikt beschermde soorten werden op grond van aanwezige habitatkenmerken verder ook niet verwacht. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Het is de verwachting dat typische vogelsoorten geassocieerd met akkers en bollengrond van het plangebied gebruik maken. Het ontbreekt in het te verstoren deel van het plangebied aan geschikte biotopen voor overige strikt beschermde land/ of luchtgebonden soorten.
De watergang zal niet worden aangetast. Hierin komt mogelijk de beschermde Kleine modderkruiper voor. Hiervoor zijn dus geen aanvullende maatregelen nodig, mits men een verstoringsvrije zone van 5 meter breed aanhoudt. De watergang kan als migratieroute voor vleermuizen dienen. Het is daarom van belang dat tijdens bouw, maar ook tijdens bewoning, het wateroppervlak niet door kunstlicht wordt beschenen na zonsondergang. De Flora- en faunawet staat uitvoer van de plannen niet in de weg. Er dienen voor aanvang van het broedseizoen wel verstorende maatregelen te worden uitgevoerd om te voorkomen dat broedvogels van het perceel gebruik gaan maken. Broedparen zelf mogen namelijk niet worden verstoord.
In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Monumentenwet gewijzigd. De bescherming van archeologische waarden is geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die onderdeel uitmaakt van de Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, moet het wijzigingsplan uiteindelijk een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een aanlegvergunningenstelsel.
Onderzoek
Door IDDS is in juni 2012 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Gooweg in Noordwijkerhout (rapportnummer 1416). Het volledige rapport is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.
Bureauonderzoek
Op de bodemkaart van 1982 (Stichting voor Bodemkartering 1982) staat de bodem in het plangebied aangegeven als een kalkhoudende enkeerdgrond met een grondwatertrap II*. Een dergelijke bodem is typisch voor de bollengronden in de Bollenstreek. Voor de teelt van bloembollen moet de bodem optimaal bestaan uit zwak humeus, kalkrijk, matig fijn zand en een grondwaterstand van 50 cm -mv.
Het humusgehalte wordt bij de bollenteelt op peil gehouden door bemesting en het omspitten van de bovengrond. Door het omspitten ontstaat een humeuze A-horizont van meer dan 50 cm en daarom wordt de bodem geclassificeerd als een enkeerdgrond. De grondwaterstand wordt sterk gereguleerd. Deze regulering wordt op de bodemkaart aangeduid met een asterix bij de grondwatertrap.
Op een bodemkaart van de Bollenstreek (van der Meer 1952) staat de noordelijke helft van het plangebied aangegeven als omgespoten. Dit betekent dat het kalkrijke zand uit de ondergrond is opgezogen en bovenop het oorspronkelijke kalkloze maaiveld is gelegd. De zuidelijke helft van het plangebied staat aangegeven als kalkloze zanderijgronden. Zanderijgronden zijn afgegraven strandwallen.
Op grond van de provinciale en gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten wordt verwacht dat het plangebied op een strandwal ligt en dat er daarom een middelhoge tot hoge kans is op het aantreffen van archeologische waarden vanaf het Neolithicum. Met name resten uit de Bronstijd, Ijzertijd en Middeleeuwen zijn veelvuldig aangetroffen op deze strandwal. Uit de geomorfologische kaart, bodemkaart, de hoogtekaart en historische kaarten blijkt echter dat het plangebied is afgegraven en gebruikt voor bollenteelt.
Tot het einde van de 18e eeuw was in het gebied nog de natuurlijk situatie van met lage duinen en waarschijnlijk begroeid met bos aanwezig. In de 19e eeuw is het gebied ontgonnen en in gebruik genomen, met waarschijnlijk een vorm van bosbouw. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw bleef het plangebied begroeid met bos. In de jaren 30 of 40 van de 20e eeuw werd het gebied waarschijnlijk afgegraven, zoals te zien is aan de steilranden langs de Gooweg op de topografische kaart uit 1951. Ook de geomorfologische kaart en de bodemkaart van de Bollenstreek maakt melding van het afgraven (zanderij) van het plangebied.
Uit het AHN blijkt dat het maaiveld van het plangebied ruim 2 m lager is komen te liggen. De bodemkaart van de Bollenstreek geeft aan dat de bodem in de jaren 50 in een deel van het plangebied nog kalkloos was. Een ander deel was omgespoten om kalkrijk zand omhoog te halen. Omdat op de bodemkaart uit 1982 staat dat het tegenwoordig gaat om kalkrijke bodems is het aannemelijk dat het hele plangebied uiteindelijk is omgespoten. Omspuiten reikt meestal tot een diepte van enkele meters. In Moerman (2007b) wordt melding gemaakt van sporen van omspuiten tot een diepte van 2,5 m op een perceel ten zuidwesten van het plangebied.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de archeologische verwachting voor het plangebied zeer laag is. Hoogstwaarschijnlijk is het plangebied in de 20e eeuw met ruim 2 m afgegraven en daarna nog eens tot ongeveer 2,5 m diep omgespoten. De archeologische resten die oorspronkelijk verwacht mochten worden op de strandwal zijn daarmee volledig verdwenen of verstoord.
Aan de hand van het bureauonderzoek is geconstateerd dat er geen archeologische resten aanwezig zullen zijn in het plangebied. Er wordt geadviseerd om in het plangebied geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat, mede gezien de klimaatveranderingen, op een duurzamer wijze met het waterbeheer dient te worden omgegaan. De speerpunten voor een duurzaam waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging, het afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.
Waterschapsbeleid
Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan 4 (WBP) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen het accent op de uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het WBP sorteert voor op deze ontwikkelingen.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat de ruimtelijke ontwikkeling in strijd is met het duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. In deze Beleidsregels is het beleid van het Hoogheemraadschap nader uitgewerkt. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van het water in de bodem.
De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als water-kwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren, bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen in kwetsbare gebieden, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van water naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Waterschap gebouwd en opgeslagen mag worden. De toestemming voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is geregeld in de watervergunning.
Hiermee is de Keur een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen.
In artikel 3.1.4. van de Keur is bepaald dat het zonder vergunning van het bestuur verboden is in het beheergebied van Rijnland:
In het kader van de Watertoets merkt het Hoogheemraadschap van Rijnland op dat (onderdelen van) het plan vergunningplichtig is op grond van de Keur van Rijnland. Bij de realisatie van het project zal een watervergunning aangevraagd moeten worden bij het Hoogheemraadschap.
Huidige situatie waterhuishouding
Het plangebieden liggen in het landelijk gebied van Noordwijkerhout. In het plangebied zijn geen knel- en aandachtspunten inzake de waterkwaliteit en de waterkwantiteit bekend.
Het hemelwater dat in de plangebieden neerkomt op het onverharde oppervlak wordt opgenomen in de bodem door middel van infiltratie.
Toekomstige situatie waterhuishouding
Als gevolg van de toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte verdwijnt een oppervlakte van 970 m2 aan schuurruimte en 235 m2 aan schuurkas. Ter compensatie worden één woning gebouwd met een oppervlakte van circa 300 m2. De gesloopte opstallen staan op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk. Het peilgebied aan de Zilkerbinnenweg is een andere dan het peilgebied aan de Gooweg.
Het onderhavige wijzigingsplan maakt de bouw van één compensatiewoning mogelijk. De oppervlakte van deze compensatiewoning, inclusief erfverharding, is kleiner dan 500 m2. Het is daarom op basis van de Keur niet noodzakelijk om een Watervergunning aan te vragen voor de extra verharding die wordt gerealiseerd.
Voor de bouw van de woning worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Conclusie
De oppervlakteverharding zal als gevolg van de toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte per saldo afnemen. Op het perceel aan de Gooweg wordt minder dan 500 m2 aan verharding gerealiseerd. Er is geen compensatie nodig in de vorm van oppervlaktewater.
De in dit wijzigingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben verder geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Het wijzigingsplan inclusief de waterparagraaf is ter toetsing overlegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. De resultaten van dit overleg zijn in deze waterparagraaf verwerkt.
Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende wijzigingsplan.
In de Wet milieubeheer is luchtkwaliteit opgenomen in titel 5.2 luchtkwaliteitseisen. In de wet is, door middel van criteria, een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3% van de grenswaarde ( = 1,2 µg/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof.
Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het onderhavige plan hierdoor "niet in betekenende mate" bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
Toetsing regionaal beleidskader voor Duurzame stedenbouw
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is per 1 augustus 2009 in werking getreden. Hiervoor is een digitale monitoringstool beschikbaar gesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Het wijzigingsplan maakt de realisatie van een nieuwe woning mogelijk. Deze ontwikkeling valt binnen een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde. Formele toetsing kan daarom achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel inzicht gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nslmonitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Met deze tool is gekeken naar de luchtkwaliteit direct langs de Gooweg, een maatgevende weg die in de omgeving van het plangebied ligt. Uit informatie van de monitoringstool blijkt dat gedurende de hele planperiode direct langs deze wegen aan de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof wordt voldaan. In 2015 wordt dus direct langs de wegen aan de dan geldende grenswaarden voldaan. Aangezien concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg af ligt, zal ook ter plaatse van het plangebied aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden voldaan. Ter plaatse van de plangebieden is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het plan voldoet aan de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteitseisen. Verder wordt voldaan aan de ambities uit het regionaal beleidskader duurzame stedenbouw. Hierdoor zijn er geen belemmeringen voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, door spoorwegverkeer, en/of door inrichtingen (industrielawaai) het milieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting, dan wel een, door het college vast te stellen, nader bepaalde waarde (hogere waarde). Voor het vaststellen van een nader bepaalde waarde zijn plafondwaarden vastgelegd in de Wet geluidhinder.
Gevoelige objecten
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Ten gevolge van het verkeer op de N206 (autoweg = buitenstedelijk) bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB.
De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 28 of 33 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van de aftrek conform artikel 3.6 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 is gebruikgemaakt.
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Voor wegen met 1 of twee rijstroken binnen de bebouwde kom is de geluidzone 200 meter breed. Voor dergelijke wegen buiten de bebouwde kom is de breedte van de geluidszone 250 meter.
Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Gooweg. Het plangebied ligt op circa 280 meter uit N206 en derhalve buiten de geluidszone van deze weg. De Van der Weijdenlaan ligt op een afstand van meer dan 200 meter en is een 30 km zone weg zonder zonebreedte.
Rekenmethodiek en invoergegevens
Verkeersgegevens
De gehanteerde verkeersintensiteiten en verdelingen van de Gooweg zijn afkomstig van de gemeente Noordwijkerhout, van het jaar 2011. De etmaalintensiteiten zijn opgehoogd met een autonome groei van 3% per jaar. Met behulp van dit groeipercentage zijn de verkeersintensiteiten van 2011 opgehoogd tot het jaar 2023.
De verkeersintensiteit op de van der Weijdenlaan is laag. Gezien de afstand tot het plangebied en de verwachte intensiteit zal de geluidsbelasting ten gevolge van deze weg voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Deze geluidsbelasting is daarom niet verder onderzocht. In tabel 1 zijn de rijsnelheden, de zonebreedtes en de gehanteerde aftrek weergegeven.
Tabel 1: Verkeersgegevens
De in de tabel genoemde correctie zijn achtereenvolgens:
Een negatieve waarde is een reductie, een positieve waarde een ophoging.
Berekening geluidbelasting op de gevels
Door Sain milieuadvies is de geluidsbelastingen ten gevolge van het wegverkeer berekend volgens Standaard Rekenmethode II op basis van het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. De resultaten van het akoestisch onderzoek (projectnummer 2013-3018-0) zijn als bijlage 4 aan de toelichting toegevoegd. Het gebruikte programma is Geomilieu V2.13 van DGMR. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de uitgangspunten bij de modellering.
Met behulp van het opgestelde rekenmodel zijn de geluidsniveaus (Lden) berekend op de bouwblokken.
In tabel 2 staat een overzicht van de hoogste geluidsbelastingen Lden op de geplande nieuwe woningen. Overschrijdingen van de maximale grenswaarde zijn vet gedrukt.
Tabel 2: Geluidsbelasting, Lden in dB ten gevolge van de Gooweg
De geluidsbelasting op de voorgevels ten gevolge van de Gooweg overschrijdt de maximale grenswaarde van 53 dB, met toepassing van aftrek ex art. 110g Wgh. De geluidsbelasting op de zijgevels overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Overdrachtsmaatregelen zijn gezien de grote afstand en verhoogde ligging van de Gooweg niet haalbaar.
Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting
Bronmaatregelen liggen niet binnen de invloedssfeer van de aanvrager en de kosten zijn niet in verhouding tot de planomvang. Geluidsreductie tot de voorkeursgrenswaarde zou alleen kunnen middels een lang scherm langs de Gooweg. Omdat het hier maar om enkele woningen gaat, zijn de kosten van deze maatregel niet in verhouding tot de planomvang. De Wet geluidhinder biedt voor dit soort situaties de mogelijkheid hogere waarden (vanwege de Gooweg) vast te stellen.
Door de voorgevels uit te voeren als dove gevels kan er, mits er hogere waarden worden verleend, op de geplande locatie gebouwd worden.
Omdat de voorkeursgrenswaarde slechts vanwege één weg overschreden wordt, is de gecumuleerde geluidsbelasting niet onderzocht.
Conclusie
De geluidsbelasting Lden op de nieuwe woningen ten gevolge van de Gooweg is onderzocht voor het jaar 2023. Hieruit volgt:
De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid gekeken te worden naar:
Voor heel Nederland is een risicokaart opgesteld. De risicokaart heeft een signalerende functie voor risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Op basis van de risicokaart van de provincie Zuid-Holland is gekeken naar risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied (zie figuur 10). De globale ligging van het plangebied is door middel van een blauwe rechthoek aangegeven.
Onderzoek
Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe omgeving van de plangebieden geen risicovolle inrichtingen liggen. Ook liggen hier geen spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen. Het spoor Leiden - Haarlem ligt op ongeveer 1 kilometer afstand van de locatie aan de Zilkerbinnenweg.
Over de N206 en de N443 vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand van het plangebied aan de Gooweg tot de N206 bedraagt ongeveer 280 m en tot de N443 ongeveer 740 m. Voor beide wegen ligt de PR 10-6-risicocontour niet buiten de wegas. De PR 10-8-risicocontour ligt op 21 m buiten de wegas. Het plangebied ligt dus buiten de risicocontouren van beide wegen. In de huidige situatie wordt voldaan aan de oriënterende waarde voor het groepsrisico.
De rode stippen op de risicokaart (zie figuur 10 en 11) geven de bovengrondse opslagtanks aan die bij de verschillende kwekerijbedrijven aanwezig zijn. De risicocontour van deze tanks liggen op grote afstand van de plangebieden.
Figuur 10: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland perceel Gooweg
Figuur 11: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland perceel Zilkerbinnenweg
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende wijzigingsplan.
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied.
De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.
Onderzoek
Door IDDS is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het perceel aan de Gooweg (rapportnummer 1206E450/RKO/rap1). Doel van het onderzoek is vast te stellen of het voormalige, dan wel het huidige, gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Het complete rapport is als bijlage 5 toegevoegd aan deze toelichting.
Vooronderzoek
Op basis van het vooronderzoek kan worden afgeleid dat, op en in de nabijheid van het onderzoeksterrein geen aandachtspunten aanwezig zijn met betrekking tot het veroorzaken van een mogelijke bodemverontreiniging. Wel is door het agrarisch gebruik de paramater OCB's een aandachtspunt.
Veldonderzoek
De veldwerkzaamheden zijn op 6 juli 2012 uitgevoerd. Op 13 juli heeft bemonstering van het grondwater plaatsgevonden.
Naar aanleiding van de verkregen onderzoeksresultaten blijkt met betrekking tot de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie het volgende:
Lithologisch onderzoek:
De bodem van het terrein bestaat globaal vanaf het maaiveld tot de geboorde diepte van 2 meter (-mv) uit zand.
Organoleptisch onderzoek:
Aan het bodemmateriaal zijn zintuigelijk geen relevante bijzonderheden waargenomen die gerelateerd kunnen worden aan een bodemverontreiniging. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuigelijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
Grondwater:
De gemeten zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen van het grondwater vertonen geen afwijkende waarden ten opzichte van een natuurlijke situatie.
Chemische analyses:
In de vier grondmengmonsters zijn geen overschrijdingen gemeten ten opzichte van de achtergond- en interventiewaarden uit de toetsingstabel (Wet bodembescherming).
In het grondwater zijn geen overschrijdingen gemeten ten opzichte van de streef- en interventiewaarden uit de toetsingstabel (Wet bodembescherming).
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Bovengrond
Ondergrond
Grondwater
Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie worden gehandhaafd. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
In de VNG-uitgave wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende omgevingstypen. Voor het plangebied en omgeving is sprake van een gebied met functiemenging. De VNG-uitgave gebruikt dit omgevingstype om gebieden te typeren waar sprake is van meerdere functies die zorgen voor een bepaalde levendigheid maar ook voor een bepaalde milieubelasting. In een dergelijk gemengd gebied wordt de vestiging van milieubelastende activiteiten op een kortere afstand dan in woongebieden, mogelijk geacht.
Voor agrarische bedrijfsgebouwen en kassen geldt een richtafstand van 30 m voor een rustige woonwijk en 10 m voor gemengd gebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied. Wanneer in een gemengd gebied minimaal 10 m wordt aangehouden tussen woningen en kassen/ bedrijfsgebouwen, zal ter plaatse van de woningen sprake zijn een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de compensatiewoning wordt gerealiseerd op een afstand van circa 90 m ten opzichte van het tegenover gelegen bedrijf wordt voldaan aan deze richtafstand. Daarom is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In een straal van 50 m rond het plangebied aan de Gooweg liggen geen bedrijfsgebouwen van derden. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gelegen aan Gooweg 10, aan de overzijde van de Gooweg ten opzichte van het plangebied.
Ten opzichte van de bedrijfsgebouwen is op grond van de Wet milieubeheer een minimale afstand nodig van 25 m tot de geprojecteerde woningen. Met het aanhouden van de afstandseis uit het Activiteitenbesluit wordt het bedrijf aan de Gooweg 10 niet belemmerd wordt in zijn bedrijfsvoering.
Ten zuiden - zuidwesten van het plangebied aan de Zilkerbinnenweg 23 is op korte afstand bebouwing aanwezig. Dit betreft echter voormalige agrarische bebouwing. De bebouwing ligt buiten een bouwvlak. De woning aan de Zilkerbinnenweg 21 die bij deze bebouwing behoort is bestemd voor woondoeleinden. De voormalige agrarische bebouwing kan derhalve slechts worden gebruikt voor privé doeleinden. Er is daarom geen sprake van een minimaal aan te houden afstand ten opzichte van deze locatie.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorliggende paragrafen zijn opgenomen. Voor het wijzigingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Noordwijkerhout heeft het Regionaal Duurzaam Bouwen 'plus' Pakket als gemeentelijk beleid vastgesteld. Hierin is onder andere voor woningen opgenomen dat er moet worden voldaan aan een GPR-score (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) van 7 en het basispakket woonkeur. Verder heeft de gemeente het Klimaatprogramma 2008-2012 vastgesteld. Bij de GPR-berekening dient een score van 7 gehaald te worden.
GPR Gebouw® 4
Om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van nieuwbouwprojecten stimuleert de gemeente Noordwijkerhout het gebruik van GPR Gebouw® 4. GPR Gebouw® 4 is een relatief eenvoudig instrument waarmee prestaties kunnen worden gemeten, compleet met rapportcijfers van 1 tot 10. Een score van 6,0 is representatief voor het wettelijke niveau van het Bouwbesluit. Dit instrument kijkt breder dan alleen energie. De GPR-lijst kan online worden ingevuld. Omdat de Milieudienst IJmond diensten verleent aan de gemeente Noordwijkerhout, worden de kosten van het gebruik van GPR Gebouw® 4 gedragen door de Milieudienst IJmond. De ambitie van de gemeente Noordwijkerhout is een 7,0 score op het thema energie en gemiddeld een 7,0 voor de thema's milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.
Conclusie
Overeenkomstig het landelijk beleid en het beleid van de gemeente Noordwijkerhout dient duurzaam te worden gebouwd. Als duurzaamheid van het begin van het project wordt meegenomen, is het veel eenvoudiger dan dat het later moet worden ingepast. Duurzame maatregelen maken de woningen comfortabeler en resulteren in een betere toekomstwaarde. Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning wordt een GPR-berekening verlangd door de gemeente Noordwijkerhout.
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de criteria waar het te ontwikkelen plan aan dient te voldoen conform de regels van het vigerende bestemmingsplan.
| Regel | Wijziginsgplan | |
| Artikel 26 lid 13 wijzigingsbevoegdheid Ruimte-voor-Ruimteregeling | ||
| lid a | Planwijziging wordt uitsluitend toegepast indien de (voormalige) (agrarische) bedrijfsgebouwen en de (verspreid liggende) kassen worden gesloopt, waarbij 'papieren glas' geen recht geeft op toepassing van de wijzigingsbevoegdheid en de te slopen bedrijfsgebouwen en kassen voor 1 januari 2007 moeten zijn opgericht; | Voldoet, alle agrarische bedrijfsgebouwen zijn / worden gesloopt. Deze gebouwen zijn voor 1 januari 2007 opgericht. |
| lid b | Planwijziging wordt uitsluitend toegepast indien de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbetert en geen aantasting plaatsvindt van bestaande of te ontwikkelen bijzondere waarden (landschappelijke, natuurweten-schappelijke of cultuurhistorische waarden) op het perceel of in de directe omgeving daarvan; | Voldoet. De gewenste ontwikkeling leidt volgens het opgestelde Landschapsadvies tot een landschappelijke kwaliteitswinst. |
| lid c | Karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mag niet worden gesloopt; | Voldoet. Er is geen karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. |
| lid d | Bij de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (niet zijnde kassen) dient aangetoond te worden dat de agrarische functie niet meer vervuld kan worden; | De omvang van het agrarisch bedrijf aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk is zodanig klein geworden dat voortzetting van de bedrijfsactiviteiten niet meer tot de mogelijkheden behoort. |
| lid e | Voor de sloop van iedere 1.000 m² bedrijfsbebouwing of 5.000 m² kassen één woning kan worden teruggebouwd met een maximum van drie woningen; | Voldoet. In totaal wordt 970 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt en 235 m2 aan schuurkas. |
| lid f | De inhoudsmaat van de woningen inclusief aanbouwen en bijgebouwen maximaal 750 m³ mag bedragen, met dien verstande dat indien meer dan 1.000 m² bebouwing en/of meer dan 5.000 m² kassen worden gesloopt, de inhoudsmaat van de woning evenredig groter mag zijn, waarbij als ondergrens geldt een percentage van 'ontstening' van per saldo 90% dan wel van 'ontglazing' van per saldo 98%; | Voldoet. De compensatiewoning krijgt een maximale inhoud van 750 m3. Verder zijn de regels van het vigerende bestemmingsplan van toepassing op het wijzigingsplan. |
| lid g | Indien sprake is van sloop op meerdere percelen, dient per perceel minimaal 250 m² bebouwing of 1.000 m² kassen te worden gesloopt; | N.v.t. Er worden alleen opstallen gesloopt op het perceel aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk. |
| lid h | De bestaande bedrijfswoning mag omgezet worden naar een burgerwoning; | De bedrijfswoning aan de Zilkerbinnenweg 23 in De Zilk krijgt de bestemming "Wonen". |
| lid i | Ter plaatse van de te realiseren woning(en)een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogelijk is; | Uit hoofdstuk 5 van het wijzigingsplan blijkt dat ook na wijziging sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. |
| lid j | De ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving mogen niet onevenredig worden belemmerd; | Voldoet. Binnen de richtafstand van ten minste 25 m liggen geen agrarische bedrijven. Er worden derhalve geen agrarische bedrijven beperkt in hun ontwikkelingsmogelijk- heden. |
| lid k | Alle bedrijfsbebouwing inclusief kassen die zich op het perceel van de te bouwen woning (en) bevindt dient gesloopt te worden; | Voldoet, alle agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. |
| lid l | Het gehele bouwvlak waar de nieuwe woning (en) en (mogelijk) de bestaande bedrijfswoning gesitueerd zijn, dienen voorzien te worden van de bestemming Woondoeleinden (W), Tuinen (T), Erven (E), de overige gronden worden bestemd voor Agrarische doeleinden bollenteelt (Ab) zonder bouwmogelijkheden; | Voldoet, er worden geen andere bestemmingen in het wijzigingsplan opgenomen, anders dan in lid l genoemd. |
| lid m | Een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid ter toetsing wordt voorgelegd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder d en j van dit voorschrift wordt voldaan en aan de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag of voldaan wordt aan het gestelde onder b en aan de milieudeskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder j wordt voldaan. | Voldoet. Er is een landschapsadvies opgesteld door Ingenieursbureau Rodewijk (zie bijlage 1). Een agrarisch deskundige van Rombou heeft geconcludeerd dat de agrarische functie niet meer vervuld kan worden. In paragraaf 5.8 is beoordeeld dat omliggende bedrijven niet worden gehinderd in de bedrijfsvoering. De milieudienst IJmond heeft deze paragraaf beoordeeld en akkoord bevonden. |
Vanwege de akoestische situatie is aan het wijzigingsplan een regeling voor een dove gevel voor de voorgevel aan de verbeelding en de regels toegevoegd betreffende de compensatiewoning aan de Gooweg.
Het beoogde plan voldoet aan voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan.
Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen.
Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
Uitvoerbaarheid
Het plan is een particulier initiatief dat zal worden uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar.
Anterieure overeenkomst
Ten behoeve van het wijzigingsplan heeft initiatiefnemer met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Door middel van deze overeenkomst is geregeld dat de kosten die verband houden met het wijzigingsplan voor rekening zijn van initiatiefnemer. Tevens zijn in de overeenkomst afspraken gemaakt over de locatie van de woning en de te slopen bebouwing. Een exploitatieplan is daarom niet nodig.
In de voorbereiding van het besluit betreffende het wijzigingsplan is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat de aanvraag gedurende zes weken ter inzage ligt, waarbinnen eenieder schriftelijk zijn zienswijze kenbaar kan maken.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf woensdag 24 juni 2015 voor 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.