direct naar inhoud van 4.12 Archeologie
Plan: Rijnsburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0537.bpRBGrijnsburg-va01

4.12 Archeologie

Regelgeving en beleid

Wet op de archeologische monumentenzorg/Verdrag van Malta

Het archeologisch bodemarchief is de grootste bron voor de geschiedenis in Nederland. Het Verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van deze archeologische waarden. Het Verdrag is geïmplementeerd in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Op grond van de aangescherpte regelgeving stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Het Rijk heeft de beleidsuitgangspunten ten aanzien van archeologie neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005-2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en de Monumentenwet 1988.

Gemeentelijk archeologiebeleid
Op 20 december 2007 heeft de gemeenteraad van Katwijk de Beleidsnota Archeologie voor de gemeente Katwijk vastgesteld. Omdat de kaarten van het Rijk en de provincie veelal niet precies genoeg zijn, heeft de gemeente Katwijk opdracht gegeven voor de vervaardiging van een eigen meer gedetailleerdere archeologische verwachtingskaart. Gebleken is dat binnen de gemeente Katwijk een gemiddeld hoge archeologische verwachting bestaat. Om de omgang daarmee in goede banen te leiden is het nodig om over een beleidsinstrument zoals een eigen verwachtingskaart te beschikken. Deze kaart en de aanwezigheid van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid maken bovendien dat de gemeente zeggenschap heeft over haar eigen bodemarchief.
In de Beleidsnota Archeologie is het gemeentelijke beleid geformuleerd. Het ontwikkelen van eigen gemeentelijk beleid volgt op de uitvoering van het Verdrag van Malta (1992, vaststelling in Nederland in 2006) en de gewijzigde Monumentenwet 1988 (Wet op de Archeologische Monumentenzorg) die sinds 1 september 2007 van kracht is. Deze wet verplicht de gemeente om archeologische waarden binnen bestemmingsplannen, en bij bodemverstoringen in het kader van bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, mee te wegen en indien archeologische waarden aanwezig zijn, deze conform de Archeologische Monumentenzorg veilig te stellen. Met deze beleidsnota is ook de Gemeentelijke Archeologische Verwachting- en Beleidsadvieskaart vastgesteld. Deze kaart dient als basis en toetsingskaart voor het gemeentelijke archeologiebeleid. Daarnaast is in de beleidsnota opgenomen dat er standaardregels in gemeentelijke bestemmingsplannen moeten worden opgenomen ter waarborging van de bescherming en behoud van archeologische waarden binnen de gemeente Katwijk. In de beleidsnota van de gemeente wordt een aantal zaken onderscheiden te weten:

  • archeologische monumenten;
  • archeologisch waardevol gebied;
  • archeologisch verwachtingsgebied.

Archeologische monumenten
Er bestaan twee soorten archeologische monumenten, 'beschermde monumenten' en 'monumenten'. Het Rijk verzorgt de bewaking over de beschermde archeologische monumenten. Net als voor monumentale gebouwen bestaat voor de archeologische rijksmonumenten een vergunningprocedure. Met betrekking tot terreinen die archeologisch rijksmonument zijn moet voor werkzaamheden en activiteiten die bodemverstoringen tot gevolg kunnen hebben een monumentenvergunning worden aangevraagd. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verstrekt deze monumentenvergunningen. Het Rijk streeft er naar deze rijksmonumenten in te passen in plangebieden door ze vrij van bebouwing te laten en ze anders in te richten, bijvoorbeeld in de vorm van een park.

Archeologische monumenten worden bewaakt door de provincie. Dit zijn terreinen waarvan de archeologische waarde al duidelijk is geworden aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek. Officieel zijn terreinen met een archeologische monumentenstatus niet beschermd, maar dat wil slechts zeggen dat er geen monumentenvergunning vereist is. De provincie bewaakt deze terreinen door ze uit te roepen als attentiegebied of ze te beschermen binnen de besluitvormingsprocedure in het kader van de ruimtelijke ordening. Het liefst ziet de provincie deze terreinen behouden, bijvoorbeeld door te eisen dat in het geval van bebouwing een bouwmethode wordt gebruikt waarbij geen bodemverstoringen plaatsvinden. In sommige gevallen mag een deel van een archeologisch terrein met monumentale status worden opgegraven, maar alleen onder strenge kwaliteitseisen en onderzoeksvoorwaarden.

Archeologisch Waardevol Gebied

Archeologisch waardevolle gebieden zijn gebieden waarvan de archeologische waarde al bepaald is aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek, meestal zijn dit de archeologische monumenten waar de provincie zeggenschap over heeft. Daarnaast zijn de historische dorpskernen van Katwijk, Valkenburg en Rijnsburg archeologisch waardevol gebied. Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het bouwen bestaat voor de archeologisch waardevolle gebieden geen norm voor het afwijken. Indien er sprake is van voorgenomen verstoringen van de bodem is het verplicht vooraf archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Pas na overlegging van een rapport van archeologisch onderzoek aan het bevoegd gezag, over het algemeen de gemeente, kan een vergunning worden afgegeven.

Archeologisch Verwachtingsgebied

Archeologische verwachtingsgebieden zijn gebieden waarvan nog geen bepaling van archeologische waarden bestaat. Daar is dus nog niet eerder archeologisch onderzoek verricht. Wel kan op basis van de geologische geschiedenis van deze gebieden een voorspelling worden gedaan over de mate van verwachting op aanwezige archeologische sporen. Deze verwachting is uitgedrukt in lage, middelmatige en hoge archeologische verwachting. In het geval van een lage archeologische verwachting kan geen archeologisch onderzoek voorafgaande aan de afgifte van een vergunning worden verplicht. Ten aanzien van de gebieden met een middelmatige tot hoge archeologische verwachting is dit echter wel het geval. Het soort archeologisch onderzoek kan per gebied verschillen. Deze verschillen hangen samen met de geologische eigenschappen van het gebied en de te verwachten aard van de archeologie. Net als voor gebieden met een lage archeologische verwachting, bestaat voor bodemverstorende activiteiten met een totaal gebiedsomvang kleiner dan 100 m² een bevoegdheid tot afwijken. Archeologisch onderzoek is dan geen vereiste, dit ongeacht de mate van archeologische verwachting.

Onderzoek

Binnen het plangebied is sprake van zowel archeologisch waardevolle gebieden als archeologische verwachtingsgebieden. Het gebied Kleipetten kent een lage archeologische verwachtingswaarde.
De gehele oude dorpskern van Rijnsburg is een gebied van archeologische waarde. Het oude centrum van Rijnsbrug heeft haar oorsprong in de karolingische tijd (vroege middeleeuwen). Gedurende dit tijdvak had Rijnsburg een zogenaamde Ringwalburg, een verdedigbare nederzetting die in een cirkel gebouwd was. Het dorp Rijnsburg wordt echter pas in de 10e eeuw voor het eerst in historische bronnen genoemd. Binnen de dorpskern is een archeologisch monumentaal terrein opgenomen (AMK-terrein 3074) namelijk ter plaatse en rond de voormalige Abdij van Rijnsburg. Deze abdij werd in 1133 gesticht en in 1573 verwoest tijdens het beleg van Leiden. De abdij is grotendeels opgegraven voorafgaande aan de bouw van het gemeentehuis van Rijnsburg. Binnen het archeologisch monumentaal terrein heeft zich ook een in 1133 door de graaf van Holland gesticht nonnenklooster bevonden. In het huidige kerkgebouw aan het Burgemeester Kooimanplein zijn bouwmaterialen afkomstig van dit klooster verwerkt. Ten tijde van de bouw van het klooster was inmiddels de Oude Vliet van Rijnsburg dichtgeslibd. In de 12e eeuw werd de Nieuwe Vliet gegraven, rond deze handelsweg vormde zich de bebouwing van het laatmiddeleeuwse Rijnsburg. Op diverse locaties binnen het plangebied zijn verspreidde resten uit de latere Middeleeuwen aangetroffen. De historische dorpskern is opgenomen als Archeologisch Waardevol Gebied. Voor dit gebied bestaat geen norm voor het afwijken en in verband met de aanwezigheid van funderingen uit de middeleeuwen is archeologisch vooronderzoek al verplicht bij elk bodemroering vanaf het maaiveld.

Archeologische verwachtingen

Het oude, nu begraven, landschap binnen de oostelijk helft van het bestemmingsplangebied kenmerkt zich als een strandwallenlandschap met strandwalresten en Oude Duinen afgedekt door kwelderafzettingen. Daar waar strandwalresten in de ondergrond aanwezig zijn bestaat een hoge archeologische verwachting op sporen vanaf de nieuwe steentijd (neolithicum) tot in de vroege middeleeuwen. Direct ten noordoosten van het bestemmingsplangebied Rijnsburg bevindt zich een archeologisch rijksmonument op de strandwal, het vroegmiddeleeuwse (merovingisch) grafveld in De Horn. In het strandwallengebied ten Noorden van het Oegstgeesterkanaal is op diverse plekken bewoning uit de ijzertijd op de strandwalflanken aangetroffen. In de bovenliggende kwelderafzettingen kunnen archeologische vindplaatsen met een datering vanaf de ijzertijd voorkomen.
Het oude landschap binnen de westelijke helft van bestemmingsplangebied Rijnsburg bestaat naast het strandwallenlandschap ook uit afzettingen van de Oude Rijn, de oeverwal, crevasses en de restgeul van de Oude Rijn. Ter plaatse van een aanwezige restgeul van de Oude Rijn bestaat slechts een middelmatige verwachting op archeologie vanaf de vroege middeleeuwen. Voor de voormalige oeverwal en crevasses van de Oude Rijn bestaat een hoge verwachting op archeologie vanaf de ijzertijd. Naast het voorkomen nederzettingen kan daar sprake zijn van houten kades en andere waterwerken uit de ijzertijd, de Romeinse tijd of later.
Het gebied dat valt binnen de Kleipetten, binnen het voormalig bestemmingsplan De Kleipetten 2002, kent een lage archeologische verwachting. Binnen dit gebied is sprake van verstoringen tot op grote diepte en zodoende bestaat nog slechts een zeer lage kans op archeologische resten. Voor dit gebied bestaat derhalve geen archeologische onderzoeksverplichting bij bodemroeringen.

Conclusie

Bij elke bodemingreep binnen het plangebied waarbij sprake is van een archeologische verwachting of een hoge archeologische waarde, dient rekening te worden gehouden met een verplicht verkennend archeologisch onderzoek door een daartoe gecertificeerd bureau. Om die reden zijn op de digitale verbeelding de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied' met bijbehorende bestemmingsplanregels opgenomen.