direct naar inhoud van Artikel 5 Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)
Plan: Landelijk gebied Assendelft
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0479.STED3758BP-0301

Artikel 5 Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grondgebonden agrarische veehouderij, waaronder inbegrepen de productiegerichte paardenhouderij;
  • b. één bedrijfswoning per bouwvlak;
  • c. gebruiksgerichte paardenhouderij tot een maximum van tien paarden per bedrijf;
  • d. behoud van de waarden van de Stelling van Amsterdam en Nationaal Landschap Laag Holland zoals grote openheid van het landschap, weidevogelgebied, veenpakketten, historische watergangen, archeologische en cultuurhistorische waarden;
  • e. nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf, zoals weergegeven in lid 5.2.9;
  • f. een (paarden)rijbak binnen het bouwvlak;
  • g. (extensief) dagrecreatief medegebruik;
  • h. opstapplaatsen voor kano's en boten;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens voor een tweede bedrijfswoning;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' tevens voor het behoud van cultuurhistorische waarden;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' tevens voor opslag van veevoer;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport -rijbak' tevens een (paarden)rijbak buiten het bouwvlak;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' tevens voor een windturbine;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' geldt de wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 5.7.3 ten behoeve van splitsing tot twee volwaardige woningen;
  • o. (recreatie) paden, bruggen en steigers;
  • p. groenvoorzieningen;
  • q. voorzieningen ten behoeve van de de openbare nutsvoorzieningen, waterhuishouding en de luchtvaart;
  • r. water;
  • s. en overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.
5.2 Bouwregels

Op en onder de in lid 5.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende regels:

5.2.1 Algemeen

Voor het bouwen gelden in het algemeen de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één grondgebonden veehouderij toegestaan;
  • b. tenzij door middel van een bouwvlak, bouw- of maatvoeringsaanduiding anders is aangegeven mag het bouwvlak voor maximaal 70 % worden bebouwd, met dien verstande dat geurgevoelige objecten niet mogen worden gebouwd zoals bedoeld in het Besluit landbouw milieubeheer/Activiteitenbesluit.
5.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale bebouwingspercentage' is op de verbeelding het maximale toegestane bebouwingspercentage per bouwvlak aangegeven. Indien geen bebouwingspercentage is aangegeven mag het bouwvlak volledig worden bebouwd;
  • c. bedrijfsgebouwen mogen slechts voor één agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. bedrijfsgebouwen dienen ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning te worden gebouwd;
  • e. bedrijfsgebouwen dienen 15 m achter (het verlengde van) de verst van de weg liggende gevel (achtergevel) van een stolpboerderij te worden gebouwd;
  • f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 3 m te bedragen;
  • g. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' is ten hoogste de aangegeven goot-, bouwhoogte en het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan.
5.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: :

  • a. er bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een tweede bedrijfswoning toegestaan;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning is maximaal 750 m³;
  • d. de woning dient voor de bedrijfsgebouwen gebouwd te worden;
  • e. de afstand tussen de as van de weg en de naar de weg gekeerde gevel dient ten minste de bestaande afstand te bedragen;
  • f. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is.
  • g. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte en het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan.
5.2.4 Bijbehorende bouwwerken behorende bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. binnen de bouwvlakken en op de bij de woning behorende erven die liggen binnen deze bestemming en niet grenzen aan het openbaar toegankelijk gebied, mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
  • b. het maximale bebouwingspercentage bedraagt 50% van het achter de achtergevel van het hoofdgebouw gelegen deel van de in lid 1 bedoelde gronden tot een maximum van 75 m². Indien het oppervlak van het erf achter de achtergevel van het hoofdgebouw groter is dan 300 m², mag maximaal 100 m² worden bebouwd; ;
  • c. als het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken groter is dan wat is toegestaan, mag bij nieuwbouw 50% van het surplus (overschot/meerdere) gehandhaafd blijven;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw + 0,30 m ;
  • e. indien het bijbehorende bouwwerk wordt voorzien van een kap dan dient de dakhelling gelijk of kleiner te zijn dan die van de woning;
  • f. de nok van bijbehorende bouwwerken ligt ten minste 1,50 m onder de nok van de woning;
  • g. bijbehorende bouwwerken moeten tenminste 3 m achter de voorgevelrooilijn liggen;
  • h. naast de woning gelegen bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan aan één zijde van de woning niet grenzend aan openbaar toegankelijk gebied;
  • i. de maximale breedte van naast de woning gelegen bijbehorende bouwwerken is 60% van de breedte van de woning met een maximum van 5 m.
5.2.5 Rijbak binnen bouwvlak

Voor het bouwen van rijbakken gelden de volgende regels:

  • a. rijbakken dienen achter de bebouwing gerealiseerd te worden en binnen het bouwvlak;
  • b. de voorziening moet minimaal 400 m² en maximaal 1200 m² bedragen;
  • c. de afstand tussen rijbak en woning van derden bedraagt minimaal 50 m;
  • d. bij de rijbak mogen ten hoogste 6 lichtmasten worden geplaatst met een maximale hoogte van 6 m;
  • e. de lichtbundel van de lichtmasten dient volledig op de rijbak gericht te zijn en is alleen toegestaan tussen 7:00-23:00 uur;
5.2.6 Rijbak buiten bouwvlak

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport -rijbak' gelden de volgende regels:

  • a. rijbakken dienen zo dicht mogelijk achter de bestaande bebouwing gerealiseerd te worden, grenzend aan de eigen woonbestemming;
  • b. de voorziening moet minimaal 400 m² en maximaal 1200 m² bedragen;
  • c. de afstand tussen rijbak en woning van derden bedraagt minimaal 25 m;
  • d. bij de rijbak mogen geen lichtmasten en/of hekwerken worden geplaatst
  • e. de rijbak mag omheind worden met een aarden walletje van maximaal 60 cm hoog, of afgezet worden met linten;
  • f. de rijbak is niet toegestaan binnen het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
5.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak worden opgericht ten behoeve van de op grond van in lid 5.1 functies;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf 3 m achter de voorgevelrooilijn mag niet meer dan 2 m bedragen met dien verstande dat de hoogte van de erfafscheiding vóór de naar de weg gekeerde gevel en het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van voedersilo's mag niet meer bedragen dan 15 m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
  • d. de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 3 m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
  • e. de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 7 m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
  • f. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 10 m bedragen;
  • g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • h. ter plaatse van de aanduiding "windturbine" geldt dat de hoogte van een windturbine (incl. tiphoogte) niet meer mag bedragen dan 40 m en dat er binnen een straal van 50 m geen kwetsbare objecten mogen worden gebouwd.
5.2.8 Ondergronds bouwen

Op de gronden binnen deze bestemming mag ondergronds worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd, eveneens ondergronds mag worden gebouwd, en daarnaast direct aansluitend in- en uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken mogen worden gebouwd en;
  • b. de verticale diepte niet meer mag bedragen dan 3,5 m.
5.2.9 Functies verbrede landbouw en nevenactiviteiten

De volgende functies met bijbehorende omvang ten behoeve van verbrede landbouw en nevenactiviteiten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, tenzij anders is aangegeven:

Functie   omvang   Specifieke eisen  
Agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten      
Imkerij   100 m² bebouwing    
Verkoop van eigen of streekeigen agrarische producten en aan agrarische branche verbonden producten, boerenlandwinkel   200 m² bebouwing    
Kaasmakerij en overige ambachtelijke zuivelverwerking   200 m² bebouwing    
IJsmakerij   100 m² bebouwing    
     
Niet-agrarische bedrijfsactiviteit    
Vergader- workshopruimte   200 m² bebouwing    
Educatie en voorlichting/cursus   200 m² bebouwing    
Opslag uitsluitend voor boten, caravans en oldtimers e.d.,  
 
Uitsluitend statische opslag toegestaan binnen legale bebouwing.

 
Bedrijf aan huis   65 m²
 
 
Agrarische kinderopvang   250 m² bebouwing+speelplaats    
     
Recreatieve functies/ agrotoerisme    
Kinderboerderij   250 m² bebouwd
400 m² onbebouwd  
Onbebouwd en bebouwd samen max 500 m²  
Theetuin, ijssalon
Horeca cat. 1  
150 m² bebouwd
200 m² onbebouwd  
 
Mini-camping   Max. 25 mobiele kampeermiddelen,
Max. 100 m² voorzieningengebouw
Max. 1000 m² terrein
 
Landschappelijke inpassing en passende natuurlijke erfafscheiding.
Aanvullende eisen:
- uitsluitend gedurende de periode van 1 april tot en met 31 oktober
- tussen twee terreinen dient een afstand te worden aangehouden van tenminste 1.000 m.
 
Fietsen- en kanoverhuur
Roeiboot- elektrische boot verhuur  
300 m² bebouwing
Max. 3 vestigingen  
 
Spel op het land, bijv. boerengolf of poldersport
Survival  
200 m² bebouwd ter ondersteuning
 
Ook buiten bouwperceel. Uitsluitend buiten broedseizoen en buiten Natura 2000.  
B&B/logies/trekkershutten   Max. 10 slaapplaatsen
 
 
     
Overige dienstverlening      
Zorgboerderij met dagopvang   250 m² bebouwd
400 m² onbebouwd

 
Onbebouwd en bebouwd samen max 500 m²  
Galerie/ museum   250 m² bebouwd
400 m² onbebouwd  
Onbebouwd en bebouwd samen max 500 m²  
Beauty/sauna/kuur-
oord  
100 m² bebouwd
200 m² onbebouwd  
 
Totaal voor agrarische nevenactiviteiten
 

 
Maximaal 50% van de bestaande bouwmogelijkheden, mits er een recreatieve functie mee wordt uitgeoefend. Bij niet-recreatieve functie geldt een maximum van 500 m²

 
Voor alle functies: parkeren uitsluitend binnen bouwvlak.  

5.2.10 Aanvullende eisen verbrede landbouwactiviteiten

Nevenactiviteiten worden alleen toegestaan indien:

  • a. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
  • b. gezorgd wordt voor voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  • c. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit geen onevenredige beperkingen oplevert ten aanzien van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven en de nevenactiviteit zelf niet omgevingsvergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e. van de Wabo en daarnaast milieuhygiënisch inpasbaar is;
  • d. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de omvang van bouwwerken met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. het landschaps- en bebouwingsbeeld;
  • c. het uitzicht van woningen;
  • d. de verkeersveiligheid.
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Afwijken kano-opstapplaatsen buiten bouwvlak

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3 voor het bouwen van een kano-opstapplaats buiten het bouwvlak, indien geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.

5.4.2 Afwijken serrestallen

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2 voor het verhogen van de goothoogte van serrestallen, waarbij de maximale bouwhoogte blijft gehandhaafd.

5.4.3 Afwijken vergroting bouwvlak

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2 om het bouwvlak te vergroten indien:

  • a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast;
  • b. de noodzaak tot vergroting van het bouwvlak moet worden aangetoond in verband met duurzaam bedrijfsperspectief;
  • c. de oppervlakte van het bouwvlak mag na vergroting maximaal 1,5 ha bedragen;
  • d. onder voorwaarden mag de oppervlakte van het bouwvlak na vergroting maximaal 2 ha bedragen, mits de noodzaak wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
  • e. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
  • f. er nadere stedenbouwkundige eisen worden gesteld qua situering, landschap en bebouwingsbeeld.
5.4.4 Afwijken splitsing agrarische bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.2.3, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1', voor splitsing van de (voormalige bedrijfs)woning in twee separate zelfstandige woningen, mits:

  • a. het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en hergebruik voor agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk is;
  • b. door de splitsing maximaal twee zelfstandige en volwaardige woningen ontstaan;
  • c. indien wordt aangetoond dat er sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en dit bijdraagt aan de instandhouding van de betreffende bebouwing, is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toegestaan;
  • d. de nieuwe woning aanvaardbaar is uit oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;
  • e. het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan verbonden cultuurhistorische waarden niet worden aangetast;
  • f. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels
5.5.1 Afwijken bij bedrijfsbeëindiging

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder a om bij agrarische bedrijfsbeëindiging de volgende functies toe te staan binnen de bestaande bebouwing:

  • a. functiemenging bedrijven categorie A en B1 en B2 zoals genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  • b. horeca categorie 1 zoals genoemd in de Staat van Horeca-activiteiten met een maximale bruto-vloeroppervlakte van 50 m²;
  • c. inpandige caravanstalling;
  • d. zorgboerderij (zelfstandig, dus geen onderdeel van een agrarisch bedrijf);
  • e. zes recreatieappartementen met een vloeroppervlakte van maximaal 80 m², inhoud van maximaal 200 m³ per appartement en maximaal zes locaties in het plangebied.
5.5.2 Afwijken gebruiksgerichte paardenhouderij

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.1 sub c ten behoeve van het in gebruik nemen/bouwen van een gebruiksgerichte paardenhouderij met meer dan 10 paarden, mits:

  • a. de benodigde voorzieningen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. voldaan wordt aan het gestelde in lid 5.2.5;
  • c. geen onoverdekte opslag van goederen, waaronder inbegrepen vervoermiddelen, plaatsvindt;
  • d. de verkeersaantrekkende werking toelaatbaar is gezien de bestaande verkeerssituatie;
  • e. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
5.5.3 Afwijken plattelandswoningen

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder b voor het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning in de zin van de Wet Plattelandswoningen,indien derden niet worden belemmerd.

5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.6.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • b. het aanleggen van dammen, kades en/of duikers, vlonders en schoeiingen;
  • c. het aanleggen en/of verharden van paden;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 50 m²;
  • e. het aanbrengen van bomen en opgaande beplanting;
  • f. het verleggen, graven of dempen van waterlopen en/of waterpartijen;
  • g. het verbreden of verdiepen van plassen, sloten of andere watergangen;
  • h. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen;
  • i. het aanleggen van opslag- of stortplaatsen;
  • j. het scheuren van grasland;
  • k. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen of aanleggelegenheden;
  • l. in de periode tussen 15 maart en 15 juli.
5.6.2 Uitzondering

Het in lid 5.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud of beheer betreffen;
  • b. het activiteiten betreffen die plaatsvinden in het kader van natuurbeheer op basis van een beheersplan ex Natuurbeschermingswet 1998, het bosbeheer of het landschapsonderhoud;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een op grond van andere regelgeving verleende vergunning;
  • e. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare, nutsvoorzieningen.
5.6.3 Voorwaarden voor verlening

De in lid 5.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kwaliteiten van het terrein;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
  • e. er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij de waterbeheerder in het geval van ingrepen in het watersysteem;
  • f. de aan te leggen kavelpaden maximaal een lengte hebben van 900 m en een breedte van 3 m;
  • g. de aan te leggen natuurpaden de uitoefening van agrarische bedrijven niet onevenredig wordt belemmeren;
  • h. de aan te leggen oppervlakteverhardingen maximaal 200 m² bedraagt, met dien verstande dat bij de uitbreiding van het erf bij een agrarische bouwvlak maximaal 3.000 m² mag worden verhard;
  • i. een ophoging uitsluitend noodzakelijk is in verband met het herstel van veenscheuren, het op de hoogte houden van kaden rond percelen of het compenseren van verzakkingen;
  • j. het verleggen, graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen en/of waterpartijen, plassen, sloten of andere watergangen noodzakelijk is voor waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • k. de opslag- of stortplaats slechts een voederkuil betreft voor wintervoer en deze dient zoveel mogelijk aan te sluiten aan het agrarische bouwvlak;
  • l. het scheuren van grasland voor agrarisch beheer nodig is voor de instandhouding van het grasland. De omzetting van grasland in bouwland of het scheuren van grasland ten behoeve van maisteelt is niet toegestaan.
5.7 Wijzigingsbevoegdheid
5.7.1 Wijziging naar Wonen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met in achtneming van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de bestemming 'Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)'te wijzigen naar 'Wonen' met dien verstande dat:

  • a. per bouwvlak ten hoogste een bestaande woning is toegestaan, tenzij ten tijde van het wijzigingsbesluit reeds een tweede (agrarische) bedrijfswoning aanwezig is, dan zijn ten hoogste twee woningen toegestaan;
  • b. deze wijzigingsbevoegdheid alleen kan worden gebruikt indien de 'agrarische' bedrijfsvoering van andere bedrijven hierdoor niet wordt belemmerd;
  • c. voor de overige regels wordt verwezen naar artikel 23 Wonen.
5.7.2 Wijziging verplaatsing bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met in achtneming van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de bestemming ´Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)´ te wijzigen ten behoeve van de verplaatsing van een bestaand bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast;
  • b. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • c. het totaal aantal agrarische bouwvlakken binnen het plangebied mag niet worden vergroot;
  • d. het aantal bedrijfswoningen niet wordt uitgebreid;
  • e. de maximale oppervlakte bedraagt 1,5 ha;
  • f. onder voorwaarden mag de oppervlakte van het bouwvlak na vergroting maximaal 2 ha bedragen, mits de noodzaak wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
  • g. tegelijkertijd moet het bestaande bouwvlak worden verwijderd van de verbeelding;
  • h. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
  • i. er nadere stedenbouwkundige eisen worden gesteld qua situering, landschap en bebouwingsbeeld.
5.7.3 Wijziging ten behoeve van boerderijsplitsing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met in achtneming van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de bestemming Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de splitsing van de (voormalige bedrijfs)woning in twee separate zelfstandige woningen, mits:

  • a. het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en hergebruik voor agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk is;
  • b. door de splitsing maximaal twee zelfstandige en volwaardige woningen ontstaan;
  • c. indien wordt aangetoond dat er sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en dit bijdraagt aan de instandhouding van de betreffende bebouwing, is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toegestaan;
  • d. de vestiging van de nieuwe woning geen onevenredige beperking oplevert van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven;
  • e. de nieuwe woning aanvaardbaar is uit oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;
  • f. het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan verbonden cultuurhistorische waarden niet worden aangetast;
  • g. geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden ten aanzien van de instandhouding of het herstel van de habitattypen en soorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in het ontwerpbesluit en/of het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan'.
5.7.4 Wijziging naar bestemming 'Natuur'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met in achtneming van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de bestemming 'Agrarisch met Waarden - 1 (Omzoom)' te wijzigen in de bestemming 'Bouwregels' ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van natuur, indien sprake is van:

  • a. een wijziging ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en landschapsbeleid, zoals het beleid voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een ecologische verbindingszone, het landschappelijk raamwerk en natuur- en/of landschapscompensatie, danwel;
  • b. de grond is aangekocht met als doel op deze gronden natuur te realiseren