direct naar inhoud van 5.3 Ruimtelijke uitgangspunten
Plan: Westelijke binnenstad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.A1102BPSTD-VG01

5.3 Ruimtelijke uitgangspunten

5.3.1 Stratenpatroon

Het stratenpatroon en de bouwblokverkaveling gaan terug op de 16e, 17e en 19e eeuw en zijn sindsdien grotendeels ongewijzigd. Zij vormen de basis van de stedenbouwkundige structuur en hun behoud is in cultuurhistorisch opzicht van groot belang. In het plangebied wordt dan ook de stedenbouwkundige verkaveling in het huidige patroon gehandhaafd. Medebepalend voor het straatbeeld zijn de rechte voorgevelrooilijnen die eraan bijdragen dat de individueel vormgegeven gebouwen toch één geheel vormen. Om deze reden mag de bebouwing uitsluitend in de (bestaande) voorgevelrooilijn gesitueerd worden.

De binnen de bouwblokken gelegen stegen zijn een belangrijk onderdeel van de stedenbouwkundige structuur en worden beschermd. Ze zijn in de meeste gevallen privé-gebied en niet openbaar toegankelijk en hebben de bestemming ‘Tuin - 2'. Stegen met een openbaar karakter hebben de bestemming ‘Verkeer’.

5.3.2 Parcelleringsstructuur

De bouwblokken zijn onderverdeeld in een fijnmazige structuur van individuele percelen. De meeste percelen zijn afzonderlijk ontwikkeld, waarbij pand en gevel van oudsher een eenheid vormen. Resultaat is het kenmerkende beeld van zelfstandige panden. De panden hebben een ontsluiting met individuele voordeuren met als gevolg een diversiteit van kleinschalige functies en met een positieve invloed op de leefbaarheid van straten. De parcelleringsstructuur is dus niet alleen bepalend voor het gevelbeeld. Hoewel in de loop van de tijd op een aantal plekken percelen zijn samengevoegd vormt dit weefsel – naast het stratenpatroon – nog steeds de basis van de stedenbouwkundige structuur van de binnenstad (zie afbeelding 'actuele kadastrale kaart'). Om deze waardevolle structuur te behouden is het samenvoegen van gebouwen – dit betekent het fysiek koppelen van twee of meerdere gebouwen – en het vergroten van al aanwezige doorbraken niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.A1102BPSTD-VG01_0035.jpg"

Actuele kadastrale kaart

Een uitzondering op dit verbod wordt gemaakt voor de 19e- en 20ste-eeuwse ensembles in de Marnixstraat, aan de Marnix- en de Westerkade. In de 19e- en in de 20-eeuw is de oorspronkelijke structuur van individuele percelen in voorkomende gevallen overschreven door de zogenoemde ensemble- en seriebouw. Het gaat daarbij om grotere architectuureenheden, die over het algemeen wel regelmatig verkaveld zijn, maar vaak niet volgens de oorspronkelijke parcellering. Het betreft een bijzonder type (woonhuis)bouw: huurkazernes of sociale woningbouw. In de architectuur van de gevels van dit type gebouwen is zowel het individuele pand als de individuele woning herkenbaar. Tegelijkertijd maakt het individuele pand ook onderdeel uit van een groter geheel: de compositie van de gevelwand van een deel van een bouwblok, of soms zelfs van een geheel bouwblok. Een reeks identieke panden wordt een serie genoemd, een reeks panden die behoort tot één gevelcompositie is een ensemble. Deze compositie kan sober zijn, maar ook gecompliceerd en stedenbouwkundig verbijzonderd. Niet het individuele woonhuis op het eigen perceel is de norm, maar het grotere geheel van de gevelwand. Series en ensembles komen ook wel eerder voor, maar deze oudere series, die hier verder buiten beschouwing blijven, bestaan overwegend uit individueel bewoonde panden (één huis per perceel). De 19e- en 20e-eeuwse series en ensembles zijn gerealiseerd binnen de contouren van het bouwblok uit de periode van de eerste uitleg en op locaties waar tijdens deze periode andere functies werden uitgeoefend, bijvoorbeeld de bolwerken (defensie) of voormalige industriële terreinen. Ook in deze genoemde gevallen wordt niet gesproken over de oorspronkelijke parcellering, ook al is het strikt genomen wel de eerste woonhuisverkaveling ter plaatse.

Vanwege het hierboven uiteengezette onderscheid wordt voor de 19e- en 20e-eeuwse ensembles een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van het verbod op samenvoeging. De aanleiding hiervoor is dat de hele en halve etagewoningen uit deze complexen dikwijls klein tot zeer klein zijn. Hierdoor voldoen deze over het algemeen niet aan de hedendaagse eisen van wooncomfort en zijn evenmin levensloopbestendig. Voor de duidelijkheid: in de zin van dit bestemmingsplan gaat het hier alleen om het horizontaal samenvoegen van gebouwen. Verticaal samenvoegen binnen een gebouw is volgens dit bestemmingsplan zonder meer toegestaan. Daarnaast moet, indien van toepassing, ook aan de regels voor woningonttrekking worden voldaan.

Dat zeer kleine woningen niet meer voldoen aan de moderne wooneisen is evident, anderzijds is de kleinschaligheid van de bouwblokverkaveling in de westelijke binnenstad een kwaliteit die positief gewaardeerd wordt. Om die reden kan het samenvoegen alleen onder voorwaarden. Ten eerste wordt het samenvoegen alleen toegestaan in bouwblokken aan de Marnixstraat, Marnixkade en Westerkade. Verder mag de samenvoeging ten hoogste twee gebouwen per bouwlaag behelzen. Dit betekent bijvoorbeeld dat binnen een grotere architectuureenheid van tien gebouwen, met op elke bouwlaag één woning, steeds twee aan twee op elke bouwlaag woningen horizontaal mogen worden samengevoegd. Zo ontstaan in de grotere architectuureenheid dan per bouwlaag vijf woningen. Samenvoegen is alleen toegestaan voor woningen. Per pand moet één (functionele) entree/toegang worden gehandhaafd ten behoeve van de leesbaarheid van de structuur.

Uitgesloten zijn kleine ensembles van twee en drie panden. In het geval van samenvoeging binnen een ensemble van twee panden mogen alle woningen (per bouwlaag) worden samengevoegd en ontstaat één woongebouw dat de plaats inneemt van het ensemble. In het geval van samenvoeging van twee woningen in een ensemble van drie panden gaat de symetrische opzet verloren.

5.3.3 Bouwdiepte

De bouwdiepte van de bestemmingen ‘Gemengd’, ‘Centrum’ en 'Maatschappelijk' is bepaald op de gemiddelde bouwdiepte van de bestaande hoofdbebouwing. Hierbij is het uitgangspunt het handhaven van de openheid, zowel binnen de bouwblokken als achter de strokenbouw, zodat een "stille" zijde wordt behouden en het groene karakter van de binnenterreinen en de tuinen beschermd wordt. Waar in de huidige situatie de hoofdbebouwing duidelijk dieper is dan de gemiddelde bouwdiepte of waar monumentale achterhuizen aanwezig zijn, is de bouwdiepte overeenkomstig de huidige situatie vastgelegd.

Onbebouwde gronden aan de achterzijde van bebouwing, gelegen binnen de bestemmingen ‘Gemengd’, ‘Centrum’ en 'Maatschappelijk' mogen worden bebouwd onder de voorwaarde dat de diepte van de uitbreiding maximaal 2,50 meter bedraagt, gemeten vanaf de achtergevel van de minst diepe belending. Deze regel geldt voor iedere bouwlaag. Voor de uitbreiding geldt een maximale bouw- en goothoogte die gelijk is aan de bestaande bouw- en goothoogte van de hoofdbebouwing aan de straatzijde. Afwijking van de regel over uitbreiding is mogelijk voor zover de lichttoetreding in de belendende bebouwing niet in onevenredige mate wordt aangetast. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien tezamen met de buren een omgevingsvergunning voor uitbreiding wordt aangevraagd. Uitbreiding van bebouwing in hoeken van bouwblokken is niet toegestaan en daar waar de tot 'Gemengd' bestemde gronden grenzen aan de bestemming 'Groen', 'Water' of 'Verkeer'.

5.3.4 Binnenterreinen en tuinen

In de grachtengordel en de Jordaan is het gesloten bouwblok de meest voorkomende typologie. De binnenterreinen in deze bouwblokken zijn bestemd tot 'Tuin - 1'. Met name in de Singelgrachtzone komen behalve bouwblokken ook vrijstaande gebouwen en strokenbouw voor, zoals tussen de Marnixstraat en de Lijnbaansgracht, waar de tuin direct grenst aan het water of de openbare ruimte. Deze tuinen hebben de bestemming 'Tuin - 2'. De op de binnenterreinen gelegen hofjes zijn een bijzondere typologie, waarbij de woningen ontsloten worden vanaf de binnenhof. Ook deze binnenhoven hebben de bestemming ‘Tuin - 2’. Voor beide bestemmingen geldt als uitgangspunt dat de bestaande openheid gehandhaafd moet blijven. Voor de binnenterreinen binnen de gesloten bouwblokken met ‘Tuin - 1’ is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het realiseren van schuurtjes. In de tot 'Tuin - 2' bestemde tuinen – de tuinen die grenzen aan de openbare ruimte en de binnenhoven van de hofjes – gaat verdichting ten koste van de beleving van de open ruimte en de kwaliteit van het openbaar gebied. Om het open karakter te behouden is het oprichten van gebouwen niet toegestaan.

De bestaande (bij)gebouwen op binnenterreinen en tuinen zijn bestemd tot 'Tuin - 3'. Deze bebouwing mag worden gehandhaafd en geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot. Bij sloop/nieuwbouw van de hoofdbebouwing dient de bebouwing op gronden met de bestemming 'Tuin - 3' op hetzelfde bouwperceel ook te worden gesloopt en mag deze niet worden teruggebouwd. Bebouwing in tuinen die bestemd is tot 'Tuin - 3' mag niet zelfstandig worden gebruikt. De (onbebouwde) tuinen mogen niet bedrijfsmatig worden gebruikt.

Op gronden met de bestemming 'Tuin - 1' en 'Tuin - 2' mag niet worden geparkeerd. Bij een beperkt aantal gebouwen zijn op de erven/achterterreinen parkeerplekken aanwezig, waarvoor een garagevergunning is verleend (Brandweerkazerne, Raamplein 1). Voor deze terreinen is parkeren wel toegestaan.

Verder is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de bouw van schuurtjes met een maximale bouwhoogte van 2,50 meter en een maximale oppervlakte van 6 m².

De bomen worden beschermd door de gemeentelijke kapverordening, waarbij het criterium 'in het belang van handhaving van natuur-, landschaps- of stadsschoon' bij een aanvraag om een omgevingsvergunning inzake het kappen van een boom zeer strikt wordt toegepast.

Keurtuinen

Binnen de keurblokken gelegen tussen de Heren- en Keizersgracht bevinden zich de keurtuinen. Hun maatvoering is gebaseerd op de keur uit de tijd van de aanleg van de grachtengordel. Voor de keurtuinen gelden al eeuwenlang strengere regels dan voor de overige tuinen. Hierdoor is te verklaren dat deze tuinen vrijwel niet met bebouwing zijn dichtgeslibd zodat hun openheid en gaafheid bewaard is gebleven. Van oudsher zijn wel tuinhuizen aan de achtererfgrens gebouwd. Doel van het bestemmingsplan is om de bijzondere cultuurhistorische waarden te waarborgen en te versterken. De keurtuinen zijn bestemd als 'Tuin - 1' en voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - keurtuin'. De bestaande tuinhuizen hebben de bestemming 'Tuin -3'. Tuinhuizen behoeven niet te worden gesloopt, wanneer de hoofdbebouwing wordt gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.A1102BPSTD-VG01_0036.jpg"

Van de mogelijkheid om voor schuurtjes bij omgevingsvergunning af te wijken kan bij keurtuinen geen gebruik gemaakt worden. Wel biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om af te wijken voor het oprichten van een tuinhuis. Hierbij geldt dat het tuinhuis aan de achtererfgrens moet worden gebouwd en dat de diepte van een tuinhuis niet meer dan 4,25 meter en de hoogte niet meer dan 3,40 meter mag bedragen. Het oprichten van een tuinhuis mag niet tot gevolg hebben dat de cultuurhistorische waarden van de keurtuin worden aangetast. Dit houdt bijvoorbeeld in dat als de huidige achtererfgrens gewijzigd is ten opzichte van de historisch oorspronkelijke achtererfgrens de afwijking niet verleend zal worden.

De wijzigingsbevoegdheid voor parkeergarages is niet van toepassing voor keurtuinen en voor tuinen grenzend aan keurtuinen. Net als voor alle andere tuinen geldt vanzelfsprekend ook voor de keurtuinen dat bedrijfsmatig gebruik (waaronder horeca) van de tuin en van de tuinhuizen niet is toegestaan.

5.3.5 Bouw- en goothoogte

De gevariëerde bouw- en goothoogte van de individuele panden is kenmerkend voor het plangebied. Doel van het bestemmingsplan is om deze karakteristiek te beschermen. Voor alle panden met de ordewaardering orde 1 of orde 2 (zie hoofdstuk 5.5) is de bestaande bouw- en goothoogte de maximaal toegestane bouwhoogte.

Voor de panden met de waardering orde 3, voor panden zonder ordewaardering - dit is de bebouwing van ná 1970 - en voor de open terreinen en onderstukken aan de straat zijn de maximale bouw- en goothoogte aangegeven op de verbeelding. Deze hoogte is gebaseerd op de gemiddelde bestaande bouw- en goothoogte binnen de betreffende gevelwand. Voor orde 3-panden en de gebouwen zonder ordewaardering met een bestaande grotere goot- en bouwhoogte dan aangegeven op de verbeelding, geldt dat deze bestaande grotere goot- en bouwhoogte kan worden gehandhaafd.

Ingeval van ingrijpende verbouw of nieuwbouw van een orde 3-pand worden de resultaten van de zogenaamde 'kwaliteitstoets' bij de beoordeling betrokken (zie hoofdstuk 5.4.4).

Bij orde 1- en orde 2-panden bestaat de mogelijkheid om aan de achterzijde van de bouwhoogte af te wijken tot de bestaande goothoogte die het desbetreffende pand aan de straatzijde heeft. Van deze afwijking kan bijvoorbeeld gebruikt gemaakt worden om (bestaande uitbouwen of andere) lagere bouwdelen te verhogen of om het gebouw (binnen het bestemmingsvlak) in de diepte te vergroten.

Met de hoogtekaart wordt een overzicht gegeven van de gemiddelde bestaande bouw- en goothoogte van de bebouwing in het plangebied. De kaart is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Kapvorm

Naast de gevarieerde bouw- en goothoogte draagt de beëindiging, waaronder de kapvorm, van de gebouwen bij aan het individuele karakter van de panden. Dit is niet alleen van invloed op de gevelwand – een pand met een langskap oogt in de straat anders dan een pand met een dwarskap – maar heeft ook grote betekenis voor het daklandschap. Doel van het bestemmingsplan is om deze waardevolle karakteristiek te bewaren. De orde 1-panden zijn beschermd op grond van de Monumentenwet 1988 of de gemeentelijke Erfgoedverordening. De kappen van orde 2- en orde 3-panden zijn beschermd via de bepalingen van de dubbelbestemming 'waarde cultuurhistorie'. Voor orde 2-panden geldt dat de kap (en de gevel) behouden dient te worden.

In geval van verbouwing van orde 3-panden geldt dat voor zover de oorspronkelijke kapvorm van het pand nog aanwezig is deze gehandhaafd dient te worden. Het ophogen van een orde 3-pand kan uitsluitend als de kapvorm behouden blijft.

Het dagelijks bestuur is bevoegd nadere eisen te stellen aan de afmetingen van de bebouwing, met inbegrip van het aantal bouwlagen en de kapconstructie. Toetsingscriteria hierbij zijn het behoud, herstel en versterking van het stadsbeeld en de licht- en luchttoetreding van de omringende bebouwing.

5.3.6 Minimale bouwhoogten

Gebouwen dienen aan de straatzijde een minimale bouwhoogte te hebben van 9 meter. Omdat behoud en herstel van de gebouwen met een ordewaardering 1, 2 en 3 uitgangspunt is, is deze regel vooral van toepassing voor de categorie “te vervangen gebouwen en te bebouwen gaten” (zie 5.4 Ordewaardering van gebouwen). Mogelijkheid tot afwijken van deze bepaling bestaat indien hierdoor – met het oog op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving – een betere aansluiting op de belendingen wordt bereikt.

Als op de verbeelding een lagere bouwhoogte dan 9 meter is aangegeven en ter plaatse van orde 1- en 2 panden met een bouwhoogte lager dan 9 meter dan geldt deze lagere bouwhoogte.

5.3.7 Straatwand en gevelopbouw

Met betrekking tot de straatwand, de gevelopbouw en de aansluiting op belendingen zijn in het bestemmingsplan onderstaande regels opgenomen om de ruimtelijke structuur van het plangebied te handhaven dan wel te versterken.

Plinthoogte/functie

Kenmerkend voor de (oude) bebouwing binnen het plangebied is de driedeling in het gevelvlak, te weten plint (eerste bouwlaag), gevelvlak en beëindiging, waarbij de eerste bouwlaag hoog is. Dit is een van de factoren die de gevelwanden een zekere statigheid verleent. Verder maakt deze ruime maat een flexibel gebruik van de begane grond mogelijk. De bebouwing uit de stadsvernieuwingsperiode toont dat als de plint te sterk van deze hoogte afwijkt een visuele breuk in de gevelwand ontstaat en vestiging van bepaalde functies op de begane grond niet meer mogelijk is. Om deze redenen schrijft het bestemmingsplan voor dat de eerste bouwlaag een minimale hoogte van 3,50 meter moet hebben, gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld (i.v.m. het straatbeeld). In verband met de uitwisselbaarheid van functies dient de hoogte van de eerste bouwlaag (vanaf de bovenkant begane grondvloer tot de bovenkant van de vloer van tweede bouwlaag) eveneens minimaal 3,50 meter te zijn. Deze maat geldt minimaal in de eerste vijf meter vanaf de voorgevel ten behoeve van goed toegankelijke verblijfs- en/of publieksruimten aan de straat. In de planregels is een mogelijkheid opgenomen om af te wijken indien een lagere eerste bouwlaag beter aansluit bij de karakteristiek van de gevelwand.

De eerste bouwlaag van een gebouw heeft grote invloed op de beleving van de openbare ruimte. Niet alleen het gebruik van de begane grond maar ook transparantie en openheid van de gevel zijn hierbij bepalend. Gesloten gevels verstoren de gewenste openheid en hebben tevens een negatieve invloed op de sociale veiligheid. Om deze reden zijn op de eerste bouwlaag bergingen aan de straatzijde niet toegestaan.

5.3.8 Gevelverkoop en open-puiverkoop

Onder gevelverkoop wordt verstaan het vanuit de gevel van een gebouw – gelegen aan de openbare ruimte – verkopen van goederen of eetwaren. Open-puiverkoop betreft het exploiteren van een winkel of horecabedrijf, waarvan de voorgevel, op straatniveau geheel of grotendeels ontbreekt, dan wel geheel of grotendeels bestaat uit een afsluiting die tijdens de openingsuren kan worden geopend. Deze verkoopvormen hebben negatieve gevolgen, zoals hinder voor het overig gebruik van de openbare ruimte, vervuiling op straat, aantasting van de openbare orde en van het uiterlijk aanzien van het stadsbeeld. Daarom zijn gevelverkoop en open-puiverkoop niet toegestaan.

5.3.9 Gevelvlak

De oudere bebouwing in het plangebied dateert overwegend uit de 16e en 17e eeuw en veel bebouwing in de Singelgrachtzone uit de 19e eeuw. Hoewel door de eeuwen heen vele gevels vervangen of gewijzigd zijn is het straatbeeld zeer homogeen. Naast materialisatie en gevelbreedte is de vlakheid van de gevelwand een belangrijke samenbindende factor. Erkers en kleine balkons komen bijna alleen voor in bebouwing uit de 19e en begin 20e eeuw, in de oudere bebouwing slechts incidenteel.

Om de karakteristiek van de vlakke gevelwanden te behouden is het niet toegestaan erkers of balkons (met uitzondering van de zgn. Franse balkons, die tot maximaal 20 cm buiten de voorgevel uitsteken) aan de voorgevel te construeren.

Uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor straten met 19e eeuwse bebouwing waar balkons en erkers een (beeldbepalende) karakteristiek van de gevelwand vormen. Binnen het plangebied geldt dit alleen aan weerszijden van de Marnixstraat, tussen Nieuwe Passeerdersstraat en Leidsegracht. Voor deze delen van de Marnixstraat is het mogelijk om voor erkers en balkons af te wijken van het bestemmingsplan.

Voor de achtergevel bestaat de mogelijkheid om, ingeval van overschrijding van de bestemmingsgrens, van de regels af te wijken voor balkons tot maximaal 2 meter diep, mits het balkon binnen een hoek van 45 graden vanaf de zijgevels van het desbetreffende perceel wordt gebouwd. Bij de afweging worden ook de gevolgen voor de belendende panden betrokken.

5.3.10 Beëindiging van gebouwen

Voor orde 3 panden en voor gronden/gebouwen zonder ordewaardering (de nieuwbouw van na 1970 en de open terreinen en onderstukken), waarbij de maximale bouw- en goothoogte op de verbeelding is aangegeven, dient boven de maximale goothoogte binnen een hellingshoek van maximaal 60 graden te worden gebouwd. Als ervoor gekozen wordt om een gebouw plat af te dekken dan geldt dat de maximale goothoogte ook de maximale bouwhoogte vormt. Het bestemmingsplan kent een afwijkingsbevoegdheid om de maximale goothoogte met 1 meter te overschrijden. Voorwaarde is dat een overschrijding geen negatieve gevolgen heeft voor het straatbeeld.

Dakopbouwen – ten behoeve van onder andere liften, trappenhuizen en centrale verwarmingsinstallaties – en schoorstenen, afvoerkanalen e.d. kunnen het silhouet van het stadsbeeld verstoren. Ook antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie kunnen het straatbeeld en het daklandschap ernstig verstoren. Om de kwaliteit van het stadsbeeld te waarborgen dient met de plaatsing van antennes zorgvuldig te worden omgegaan.

Installaties dienen zoveel mogelijk binnen het pand te worden aangebracht. Installaties op het dak, zoals koelinstallaties, nieuwe dakopbouwen, antennes, afvoerkanalen, condensatoren en ventilatie-inrichtingen zijn dan ook slechts met een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk.

5.3.11 Dakterrassen

De binnenstad wordt gekenmerkt door een duidelijke scheiding tussen het openbaar gebruik van de openbare ruimte en het privé-gebruik, dat zich achter de voorgevel en op het binnenterrein afspeelt. Ook op binnenterreinen kunnen dakterrassen een uitbreiding van de privésfeer zijn die ten koste gaan van rust en privacy van omwonenden. Om deze redenen zijn dakterrassen niet zonder meer toegestaan.

In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de regels voor het maken van een dakterras. Voorwaarden zijn dat het dakterras gelegen is aan de achterzijde van het hoofdgebouw of dat het dakterras op een aanbouw of een bijgebouw wordt gerealiseerd. Door het dakterras mogen het daklandschap en de kapvorm niet worden aangetast. Verder wordt bij de belangenafweging gekeken of door het dakterras de privacy van de omwonenden onevenredig in het geding komt. Uit ervaring is gebleken dat bedrijfsmatig gebruik meer overlast veroorzaakt. Daarom kan alleen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik gemaakt worden voor dakterrassen ten behoeve van de woonfunctie.

5.3.12 Openbare ruimte

De openbare ruimte is bestemd tot 'Verkeer' of 'Groen'.

Alle straten, openbare stegen en pleinen hebben de bestemming 'Verkeer'. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is het Eerste Marnixplantsoen aangewezen als onderdeel van de hoofdgroenstructuur. Dit plantsoen maar ook de andere grote plantsoenen met een groen karakter, het Tweede Marnixplantsoen en het Karthuizerplantsoen, en de vele kleine buurtparkjes in de Jordaan zijn tot 'Groen' bestemd. Anders dan de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ mag de bestemming 'Groen' niet gebruikt worden voor parkeerplaatsen en voor rijwegen voor autoverkeer. De speeltuinen op het Karthuizerplantsoen en de Madelievenspeeltuin (in het verlengde van de Slootstraat) zijn op de verbeelding aangegeven met een aanduiding.

Op gronden met genoemde bestemmingen mag niet worden gebouwd. Een uitzondering geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming.

Vooral langs de grachten komen stoepen en pothuizen voor, en met name bij monumenten. Bestaande stoepen en pothuizen mogen vernieuwd worden, maar niet vergroot. Nieuwe stoepen en pothuizen zijn niet toegestaan. De mogelijkheid is opgenomen om bij een omgevingsvergunning af te wijken van het verbod te bouwen op gronden met de bestemming ‘Verkeer’, ten behoeve van stoepen en toegangen voor souterrains.

Het bestemmingsplan spreekt zich niet uit over de inrichting van de openbare ruimte maar uitsluitend over het gebruik van de gronden. Behoud en versterking van de waardevolle groenstructuur, alsmede kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte worden onder meer uitgewerkt binnen het kader van het Handboek Inrichting Openbare Ruimte.

5.3.13 Verkeer en parkeren

Verlichting van de parkeerdruk wordt niet gezocht in uitbreiding van parkeerplaatsen. Het gemeentelijk beleid is gericht op het verminderen van het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte, het verminderen van het autogebruik en het verbeteren van het openbaar vervoer.

Om gevels met een gesloten karakter te voorkomen zijn inpandige parkeergarages op de begane grond niet toegestaan en geldt voor ondergrondse parkeergarages dat deze alleen onder gebruikmaking van een in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid zijn toegestaan. Hierbij dient voldaan te worden aan een aantal in de planregels genoemde voorwaarden. Om aantasting van het waardevolle stadsbeeld te voorkomen is één van de voorwaarden dat nieuwe parkeergarages aan grachten, waarvoor een nieuwe entree aan de gracht moet worden gemaakt, niet zijn toegestaan. Ook in de winkelstraten is uitbreiding van inpandig parkeren niet toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid is niet van toepassing voor keurtuinen.

Om de druk op de openbare ruimte te verminderen zijn in de bebouwing fietsenstallingen op de eerste bouwlaag en in de daaronder gelegen bouwlaag zonder meer toegestaan, met uitzondering van de winkelstraten waar panden de bestemming 'Centrum - 2' hebben. Verwezen wordt naar hoofdstuk 6 voor aanvullend beleid en uitgangspunten ten aanzien van parkeervoorzieningen, waaronder inpandige fietsenstallingen.

5.3.14 Gebouwde terrassen

In het plangebied bevinden zich twee gebouwde terrassen behorend bij horecazaken, aan de Westerstraat 264 en aan de Berenstraat 10-12. De terrassen zijn op de verbeelding voorzien van een aanduiding.

Sinds juni 1992 is het gemeentelijk beleid van kracht om geen nieuwe gebouwde terrassen toe te staan, onder andere om privatisering van de openbare ruimte tegen te gaan.

5.3.15 Water

Omdat het water bijdraagt aan het typisch Amsterdamse karakter van het plangebied dient de waterstructuur beschermd te worden. Daarvoor zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan Water.

In hoofdstuk 10 wordt ingegaan op andere belangrijke aspecten met betrekking tot het water.