direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Mozartweg 54
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00147-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding


Het voorliggende uitwerkingsplan 'Mozartweg 54' is een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Het uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels en gaat vergezeld van deze toelichting. Het plan is een nadere uitwerking van de bestemming 'Uit te werken gebied A' van het bestemmingsplan Randenbroek-Schuilenburg 2007. Het uitwerkingsplan 'Mozartweg 54' voorziet in de bouw van gestapelde woningen.

 

Dit uitwerkingsplan is volgens de IMRO-standaard (informatie model ruimtelijke ordening) opgesteld. Hierdoor is dit plan eenvoudig in te brengen in het gemeentelijk (raadpleeg-)systeem en kan het op eenvoudige wijze worden uitgewisseld met andere overheden zoals de provincie. Deze systematiek sluit ook naadloos aan bij de huidige eisen die aan een uitwerkingsplan worden gesteld.

1.2 Uitwerkingsplan

 

1.2.1 Ligging en begrenzing van het uitwerkingsplan

Het uitwerkingsplan "Mozartweg 54" ligt in de wijk Randenbroek aan de zuidoost kant van Amersfoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0001.png"

ligging plangebied

Het plangebied wordt begrensd door de Ringweg Randenbroek in het noorden, een voetgangerspad tussen Ringweg Randenbroek en Rossinistraat in het oosten, een uitvaartcentrum in het zuiden en de Mozartweg in het westen.

1.2.2 Feitelijke situatie en totstandkoming van het uitwerkingsplan

De locatie Mozartweg 54 is gelegen in Amersfoort in de wijk Randenbroek. Het bisdom heeft de Heilige Geestkerk aan Mozartweg 54 verkocht en op de locatie worden 40 koopappartementen gebouwd met een ondergrondse parkeergarage. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om op de locatie woningbouw te ontwikkelen. De gronden hebben een uit te werken woonbestemming (Uit te werken gebied A). De kaders zijn reeds bepaald in het op 19 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan Randenbroek-Schuilenburg 2007. Om op het perceel te mogen bouwen, moet de bestemming eerst worden uitgewerkt.

1.3 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding (voorheen:plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting begint met een beschrijving van de bestaande situatie in hoofdstuk 2 waarin de huidige functies worden beschreven. In hoofdstuk 3 staan de beleidskaders van het project/bestemmingsplan en in hoofdstuk 4 staat de planbeschrijving. De uitvoeringsaspecten, met name milieubeperkingen, worden in hoofdstuk 5 uiteengezet. De juridische planopzet wordt toegelicht in hoofdstuk 6. Tot slot behandelt hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en staat in hoofdstuk 8 een integrale afweging.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het plangebied, de functies, de kenmerken en de belangen die in het plangebied aanwezig zijn.

De beschrijving van omgevingsaspecten (zoals water, geluid maar ook archeologie) en de gevolgen van de gewenste ontwikkelingen voor deze aspecten, staan genoemd in hoofdstuk 5.

2.2 Bestaande functies

2.2.1 Functies

De roomskatholieke kerk aan Mozartweg 54 is begin jaren '60 gebouwd en in 1963 in gebruik genomen. Het betreft een rechthoekige zaalkerk met een kapconstructie haaks op de lengteas en een opengewerkte klokkentoren. Ongeveer midden jaren '90 is het interieur van de kerk heringericht en is de kerkzaal kleiner gemaakt. Op 22 december 2013 is de laatste viering in de kerk gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0002.png"

De Heilige Geestkerk aan de Mozartweg 54.

2.2.2 Openbare ruimte

Interne ontsluiting
Het plangebied is voor het gemotoriseerd verkeer op het stedelijk hoofdnetwerk aangesloten door de Mozartweg en Ringweg Randenbroek. Voor de Mozartweg geldt een maximale snelheid van 30 km per uur. De Ringweg Randenbroek is een 50 km-weg.


Openbaar vervoer
Nabij het plangebied lopen de buslijnen 8, 17, 80 en 82. De locatie is goed ontsloten via het openbar vervoer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0003.png"

Ontsluiting openbaar vervoer


Parkeren
Voor de kerk is een parkeerterrein gelegen met circa 20 parkeerplaatsen.


Groenvoorzieningen
Aan de noordzijde van het plangebied is een groenstrook gelegen in de vorm van gras. Verder worden de Ringweg Randenbroek en de Mozartweg begeleid door bomen.


Water
Aan de oostzijde van het plangebied is oppervlaktewater gelegen. In paragraaf 5.2 Water wordt daar nader op ingegaan.


Recreatieve fiets- en wandelpaden

Aan de noordzijde bij het oppervlaktewater, is een langzaamverkeersroute gelegen die de Rossinistraat verbind met de Ringweg Randenbroek.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid (met dien verstande dat de relevante milieuwetgeving aan de orde komt in hoofdstuk 5 "omgevingsaspecten"). Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een belangrijke bouwsteen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen. Vanwege de beperkte omvang van de ontwikkeling is een beschrijving van het rijks- en provinciale beleid achterwege gelaten. De ontwikkeling is niet in strijd met het beleid.

3.2 Ruimtelijk beleid

3.2.1 Gemeente
3.2.1.1 Structuurvisie Amersfoort 2030

De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Structuurvisie Amersfoort 2030 op 9 juli 2013 vastgesteld. In de Structuurvisie geeft Amersfoort onder meer aan haar vitaliteit te willen vergroten door de kenniseconomie te versterken en het woonklimaat nog aantrekkelijker te maken. Aangename woonwijken blijven onverminderd aantrekkelijk voor jong en oud, gezin en alleenstaand. Wijken worden aantrekkelijker door werken en voorzieningen waar dat kan meer te mengen. Wijken bieden uiteraard ook rustig en veilig woongenot waar dat hoort.

De openbare ruimte biedt voor mensen mogelijkheden om elkaar te ontmoeten. Vanuit de wijken willen we optimale verbindingen met het groen in de stad en het landschap buiten de stad. Werklocaties zijn voor Amersfoort vitaal en multifunctioneel. De bereikbaarheid daarvan verbeteren we door optimalisering van de infrastructuur. Zo ontstaat een nieuw en duurzaam evenwicht tussen economische dynamiek, de kwaliteit van de leefomgeving en de bereikbaarheid.

Er zijn negen Amersfoortse principes die voor bepaalde plekken in meer of mindere mate van toepassing zijn. Die principes hebben te maken met leefklimaat, bereikbaarheid en economie. Het gaat dan bijvoorbeeld om levendigheid, een goed netwerk van winkels, scholen en ontmoetingsplekken, een gevarieerd woonaanbod, ruimte voor de fiets, keuzevrijheid en mogelijkheden voor vervoermiddelen en functiemenging van wonen en werken.

De onderhavige locatie komt in een gebied te liggen met een gevarieerd aanbod aan woningen en een groen karakter. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten en principes die voor Amersfoort gelden.

In deze Structuurvisie is geen nieuw beleid geformuleerd, maar is het ruimtelijk relevante bestaande beleid in samenhang gepresenteerd. Het gaat in hoofdlijnen om beleidsnota's en ruimtelijke kaders die voor projecten zijn bepaald.

 

3.2.1.2 Woonvisie Amersfoort 2011-2020

In de woonvisie Amersfoort 2011 – 2020 (vastgesteld 27 september 2011) staat beschreven met welk woonbeleid de gemeente aan de slag gaat. Het is een van de bouwstenen voor de structuurvisie waar vooral de ruimtelijke invulling een plek moet krijgen. In de koers voor de Structuurvisie Amersfoort 2030 is als ambitie vastgesteld dat Amersfoort zich verder ontwikkelt tot een duurzame, vitale stad met een centrumfunctie voor de regio. De kracht van Amersfoort zit in de goede mix van stedelijkheid en groene leefbare wijken, met een waardevol historisch centrum in een groene omgeving.


Programma voor de stad

De vraag naar wonen in Amersfoort is en blijft groot. Voldoende nieuwbouw is belangrijk om de doorstroming op gang te houden zodat er in alle segmenten van de markt woningen beschikbaar komen. Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma vormen de uitbreiding van het centrumstedelijk woonmilieu, het versterken van de naoorlogse wijken en de verdere uitbouw van het groenstedelijk wonen in Vathorst.

Alleen voor de grotere nieuwbouwlocaties omschrijven we de gewenste woonmilieus en geven richting aan de wijze waarop deze locaties worden ingevuld (woonmilieuprofiel). Hierin worden de randvoorwaarden voor de planontwikkeling meegegeven over de woningdichtheid, functiemenging, parkeren, financiële doelgroepen en de openbare ruimte. Naast de uitbreiding van het groenstedelijk woningaanbod in Vathorst (sterk gericht op gezinnen) en met de vernieuwingsopgave van Amersfoort Vernieuwt, ligt er een opgave in de uitbreiding van het aanbod centrumstedelijk wonen in Amersfoort. Hiermee versterken wij de positie als stedelijk hart van de regio.


Nieuwbouw in bestaande wijken

Voor andere delen van de stad en bij ontwikkelingen op kleinere locaties zal de nieuwbouw moeten passen binnen het daar aanwezige woonmilieu en ligt voor ons de focus op een zorgvuldig proces van de programmakeuze. Vanuit ons woonbeleid geven wij geen randvoorwaarden mee over het programma op kleine locaties (tot circa 30 woningen). Bij grotere nieuwbouwlocaties in bestaande wijken vragen wij aan de ontwikkelende partijen om op basis van een analyse van de woningbehoefte in de wijk of buurt tot planontwikkeling te komen. Dit moet passen bij de sfeer en schaal van de buurt. Ontwikkelaars en corporaties geven daar zelf invulling aan en wij geven daarvoor alleen een procesvereiste mee.


Dreigend overaanbod appartementen

In het centrumstedelijk wonen is het opvallend dat de behoefte sterk gericht is op eengezinswoningen en niet op appartementen. Wij zullen een Amersfoortse invulling moeten geven aan het compact binnenstedelijk bouwen met een hoog aandeel grondgebonden woningen. Dat vraagt om de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten, zoals stadswoningen met een kleine buitenruimte. Dergelijke stedelijke ontwikkelingen zullen in de zone rond de binnenstad met de centrumstedelijke invloedssfeer worden gerealiseerd. Het gaat om De Kop van Isselt, het Emplacement, De Zonnehof en op een aantal kleinere locaties. Het aandeel appartementen in Vathorst willen we beperkt houden.

Beschikbaarheid van woningen

De woonvisie blijft aandacht houden naar het aanbod van woonruimte voor woonconsumenten die zijn aangewezen op het sociale woningsegment. Daarbinnen is maatwerk nodig voor bijzondere doelgroepen die extra zorg en begeleiding nodig hebben. De gemeente maakt afspraken met de corporaties voor een nieuwe benadering waarbij de focus wordt gelegd op het aantal woningzoekenden dat aan een passende woning wordt geholpen. Het doel hiervan is de zoektijd van actief woningzoekenden te verlagen. Daarvoor krijgen de corporaties de ruimte om woningen te verkopen of te verhuren op een manier die aansluit op de behoefte van de groepen die zijn aangewezen op het sociale woningsegment. Dit maatwerk resulteert in een efficiënte inzet van de sociale voorraad.

Nieuwbouw in de sociale sector

De verwachting is dat de behoefte van het aantal huishoudens dat is aangewezen op het sociale segment de komende jaren op peil zal blijven. Om ook het gemiddelde jaarlijkse aanbod van woningen in het sociale segment op peil te houden zou de sociale woningvoorraad in omvang ook gelijk moeten blijven. Dat betekent dat in principe een gesloopte sociale huurwoning, de vrije verkoop van sociale huurwoningen of een huurverhoging naar de vrije sector gecompenseerd moet worden door nieuwbouw in de sociale sector. Corporaties geven aan dat er momenteel financieel beperkt ruimte is voor groei van de sociale huurvoorraad. De financiering van nieuwe sociale woningen zal betaald moeten worden uit de verkoop van huurwoningen en uit de herontwikkeling van locaties waar sociale huurwoningen zijn gesloopt. Buiten een mogelijke korting op de grondkosten (die in de grondexploitatie wordt gefinancierd uit de opbrengsten van de vrijesectorwoningen) zijn er geen gemeentelijke- of rijkssubsidies voor sociale woningbouw.

Speciale aandacht blijft uitgaan naar de huishoudens die door een lager inkomen zijn aangewezen op het sociale segment. Verschillende partijen en maatschappelijke instellingen richten zich op de huisvesting en zorg voor deze groepen. Wij laten aan deze partijen de ruimte om met hun kennis en ervaring tot de best passende oplossing te komen voor deze doelgroepen.


Functiemenging van wonen en werken

Wij willen ruimte geven voor functiemenging omdat dat past binnen de stedelijke dynamiek en de veranderende woonwensen. De vervlechting van wonen en werken zien we in alle stedelijke woonmilieus, maar met verschillende accenten. Dit is ook de lijn in Visie Werklocaties waar bij werkfuncties een verschuiving zichtbaar is van grootschaligheid naar kleinschaligheid en van formele locaties (kantoor- en bedrijfsterreinen) naar informele locaties (gemengde zones en woonwijken). Functiemenging kan op verschillende schaalniveaus gestalte krijgen: binnen de woning, in de straat, in de buurt, in delen van de stad. De mate van stedelijkheid speelt een rol bij de kansen voor combinaties van wonen en werken. Functiemenging draagt bij aan de reuring, sociale veiligheid, levendigheid en afwisseling in de woonomgeving.


Kwaliteitseisen

De centrumstedelijke compacte invulling van locaties rondom de binnenstad sluit aan bij de duurzaamheidsambitie die uitgaat van intensief ruimtegebruik. Voor een duurzame stad is het daarnaast nodig dat nieuwbouwwoningen voldoende kwaliteit en toekomstwaarde hebben. Vooruitlopend op de komende vergrijzing is levensloopgeschikt bouwen het uitgangspunt. Ook in de bestaande voorraad zijn investeringen nodig om de kwaliteit, aanpasbaarheid, energiezuinigheid en mogelijkheden voor duurzame energieopwekking te verbeteren. Vanuit woonbeleid zijn energiebesparende maatregelen en energiezuinige nieuwbouw belangrijk omdat energielasten een steeds groter onderdeel vormen van de woonlasten. Mensen met lage inkomens wonen veelal in slecht geïsoleerde woningen en worden daardoor extra getroffen door de stijgende energieprijzen. In de bestaande woningbouw is veel energie te besparen door na-isolatie van de woningen. Bij nieuwbouw moet zoveel mogelijk gestreefd worden naar energieneutraal bouwen.


Woonbeleid vanuit een nieuwe bestuursfilosofie

Woningmarktontwikkelingen en nieuwbouw die voor de stad belangrijk worden benoemd, onder de aandacht gebracht bij betrokkenen in de stad, zonder zelf een pasklaar antwoord te geven. Kwalitatief goede en gewilde woningbouw komt tot stand door de interactie tussen woonconsument en marktpartijen. Daarvoor worden minder regels gesteld. De gemeente heeft het vertrouwen dat marktpartijen, woningcorporaties, zorgpartijen en de bewoners zelf hun eigen rol en verantwoordelijkheid nemen.

3.2.1.3 Huisvestingsverordening

Op 24 november 2014 is de Huisvestingsverordening 2014 in werking getreden. Deze verordening vertaalt het beleid van de woonvisie naar meer concrete regelgeving. Zo zijn in deze verordening onder andere regels over de verdeling van woonruimte, inschrijving woningzoekenden, urgentie, kamerverhuur en splitsing opgenomen.

3.2.1.4 Nota parkeernormen

In de nota parkeernormen Amersfoort 2009 (bijgesteld op 23 september 2014) zijn specifieke parkeernormen geformuleerd voor diverse functies. Ze geven een indicatie van het aantal auto's dat bij een bepaalde functie geparkeerd wordt in een bepaalde tijdsperiode. De normen worden gebruikt voor nieuwbouwsituaties of bij functiewijzigingen, waarvoor een vergunning of ontheffing dient te worden verkregen. In de parkeernormen wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in het autobezit. Vanuit de hoofddoelstelling uit het parkeerbeleidsplan ‘bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefbaarheid' is het van belang dat er strikte bepalingen worden gehanteerd voor parkeren. Parkeren moet indien mogelijk zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden zodat een ontwikkeling geen extra parkeerdruk in het openbaar gebied geeft. De belangrijkste voorwaarde is dan ook dat het aantal parkeerplaatsen volgens de norm moet worden aangelegd. Hiervoor zijn in Nota Parkeernormen Amersfoort normen opgenomen per type voorziening. In het parkeerbeleidsplan is tevens aangegeven dat bij het opstellen van parkeerbalansen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot meervoudig gebruik van parkeerplaatsen.

Relatie met voorliggend plan

Het gemeentelijke beleid voor parkeren ligt ten grondslag gelegen aan de uitwerking van voorliggend plan wat inhoudt dat moet worden voldaan aan de norm. De geldende parkeernorm ligt daarom vast in de regels bij dit uitwerkingsplan. In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt nader op het parkeren ingegaan.

3.2.1.5 Bomenbeleid

Voor het kappen van bomen is in de meeste gevallen een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen nodig. De grondslag voor deze omgevingsvergunning staat in artikel 2.2, lid 1 onder g van de Wabo. Dit is verder uitgewerkt in de artikelen 4.10 t/m 4.12 van afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke verordening (APV). Bij de besluiten over het al dan niet verlenen van de vergunning worden alle relevante aspecten gewogen. Hierbij gaat het om de natuurwaarde, landschappelijke waarde, beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, waarde voor de leefbaarheid en de waarde voor de directe omgeving (stadsschoon). Wanneer een of meerdere van deze waarden in het gedrang komen, wordt de vergunning geweigerd.

3.2.1.6 Welstandsnota en beeldkwaliteitsplan

Volgens de Woningwet moeten bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is, voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Welke eisen dit zijn, heeft de gemeente vastgesteld in de Welstandsnota. Het doel van de nota is om zoveel mogelijk vrijheid te geven om bouwplannen uit te voeren maar daarnaast de stad haar eigen karakter laten behouden en zo mogelijk te versterken. Daarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen individueel belang en algemeen belang. De commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) is ingesteld om de kwaliteit van Amersfoort te bewaken. Dit doet zij mede aan de hand van de Welstandsnota. De definitieve plannen voor de diverse woningbouwclusters dienen eveneens geaccordeerd te worden door de CRK.

3.3 Conclusie

De ontwikkeling van onderhavige woningbouwlocatie past binnen de beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Stedenbouwkundige visie en/of Planbeschrijving

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de gebiedsvisie op het plangebied beschreven. De visie bestaat uit verschillende elementen die vertegenwoordigd dienen te worden in het plangebied, zoals wonen, verkeer en groen.

4.2 Ruimtelijke opbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0004.png"

indicatieve schets Mozartweg 54

Op de locatie Mozartweg 54 worden 40 appartementen gerealiseerd in een gebouw met 7 verdiepingen. De basis voor dit plan is gelegd in de uit te werken woonbestemming in het vigerende bestemmingsplan Randenbroek-Schuilenburg 2007. Op de betreffende locatie staat nu nog een kerkgebouw. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan werd voorzien dat deze kerk binnen een afzienbare tijd zou worden gesloten en door de parochie zou worden afgestoten. Gevraagd werd om op deze locatie woningbouw mogelijk te maken. Er lag op dat moment nog geen concreet bouwplan, wel was er een schetsontwerp vervaardigd dat de contouren van de beoogde nieuwbouw in beeld bracht. Die schets vormde de basis voor de uitwerkingsregels.

Uitgangspunt was een solitair appartementengebouw dat in hoogte aansluit bij de flats, haaks op de Ringweg Randenbroek, maar verder met een meer bescheiden footprint van maximaal 27 x 27 m. Parkeren diende onder het gebouw te worden opgelost, met uitzondering van bezoekersparkeren, dat op maaiveld mag worden gesitueerd.

Het nu voorgestelde gebouw voldoet grotendeels aan de uitwerkingsregels. Een uitzondering is de afmeting van de footprint. Deze meet 29,34 x 19,7 m. Dat wijkt in enige mate af van de voorgeschreven 27 m breedte. Daar staat tegenover dat de kop van het gebouw (19,7 m) aanzienlijk smaller uitvalt wat, samen met de tweedeling van de 'brede' gevel door het centrale trappenhuis, het gebouw een relatief slanke opzet geeft. In stedenbouwkundig opzicht een verbetering ten opzichte van het eerdere, meer kubusvormige schetsontwerp. Met de voorgestelde maatvoering is het ook mogelijk om de afstand tussen het appartementengebouw en het naastgelegen uitvaartcentrum te verruimen en een meer groen karakter te geven. Dat komt de inpassing van het gebouw in de omliggende groene ruimte ten goede. Tezamen met de verdere doorwerking van het gebouw wordt ook een inrichtingsplan voor de buitenruimte opgesteld dat onder andere zorg moet dragen voor samenhang met het omringende openbare groen.Het parkeren wordt ondergronds opgelost, conform de uitwerkingsregels, met enkele parkeerplaatsen voor bezoek op maaiveld.

Het programma omvat 37 appartementen met een bvo van meer dan 80 m2 en 3 appartementen kleiner dan 80 m2.

Parkeren

De parkeernorm voor appartementen bedraagt:

1,3 parkeerplaats per appartement groter dan 80 m2;

1,1 parkeerplaats per appartement kleiner dan 80 m2.

Het aantal parkeerplaatsen komt daarmee op:

37 * 1,3 = 48,1

3 * 1,1 = 3,3

Totaal 51,4 parkeerplaats.

Op eigen terrein worden op maaiveld 12 parkeerplaatsen aangelegd. De parkeergarage biedt ruimte aan 39 parkeerplaatsen.

Inrichtingsplan

Volgens de regels van de bestemming 'Uit te werken gebied A' van het bestemmingsplan Randenbroek-Schuilenburg 2007 dient de uitwerking van de bestemming mede te geschieden op basis van een integraal inrichtingsplan van het terrein rondom de bebouwing. Uitgangspunt is een zo groen mogelijke inrichting, waarbij de bestaande bomen zo veel mogelijk worden gehandhaafd. Daarnaast moet het plan een voetgangersroute omvatten, die aansluit op de kruising Mozartweg/Ringweg Randenbroek. Door Ontwerpburo Horti Verde is een ontwerp terreinrichting gemaakt (zie bijlage 1) wat voldoet aan de gestelde randvoorwaarden.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In het kader van de ontwikkeling van een gebieden moet onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen of - en zo ja welke - omgevingsgerelateerde belemmeringen er in het plangebied aanwezig zijn. In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten behandeld.

5.1 Bodem

5.1.1 Bodemkwaliteit

Voor de ontwikkeling van het plangebied dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is. In opdracht van Plané Vastgoedontwikkeling B.V. te Rotterdam is door Hofstede CS Milieuadviseurs een verkennend- en nader bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage 'Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en nader bodemonderzoek conform NTA 5755' d.d. 9 januari 2017 (zie Bijlage 2 Bodemonderzoek).

Bodem

Tijdens het verkennend bodemonderzoek is een sterke verontreiniging met polychloorbifenylen (PCB) in de grond vastgesteld. Doel van het nader onderzoek was vervolgens het afperken van de aangetroffen sterke verontreiniging en het beoordelen of deze milieuhygienische consequenties oplevert.

De locatie ligt in de wijk Randenbroek, ten zuidoosten van het Centrum. Tot eind jaren '50 van de vorige eeuw was het landgebruik nog agrarisch (akkers en weilanden). Van oost naar west was een (puin)pad gesitueerd. Eind jaren '50 is de wijk ontwikkeld en bouwrijp gemaakt. De 'Heilige Geestkerk' is omstreeks 1960 gebouwd. Ten oosten van het kerkgebouw, ligt een ondergrondse huisbrandolietank met een grootte van 6.000 liter. De tank is in mei 1991 geleegd, inwendig gereinigd en afgevuld met zand.

Het verkennend bodemonderzoek is conform de NEN 5740 uitgevoerd. Gelet op de beschikbare voorinformatie is het onderzoek opgezet volgens de onderzoeksstrategie voor 'een kleinschalige onverdachte locatie' (ONV). Bij het onderzoek is rekening gehouden met het tracé van het voormalige (puin) pad en er is een boring tot 2,0 meter diepte geplaatst bij de ondergrondse tank. Het nader bodemonderzoek in verband met de PCB-verontreiniging is uitgevoerd in de geest van NTA 5755:2010.

De resultaten van het bodemonderzoek kunnen als volgt worden samengevat:

  • de bodem bestaat tot op 3,0 meter beneden maaiveld uit zand. Tot 1,0 meter diepte is het zand zwak humeus. Het niveau van het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 1,2 tot 1,5 meter beneden het maaiveld;
  • in enkele boringen is een zeer zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. Verder zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond aangetroffen. Ook bij bemonstering van de peilbuizen zijn geen bijzonderheden waargenomen;
  • op het overgrote deel van de locatie zijn grond geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde stoffen aangetroffen. Incidenteel komen enkele zware metalen (kwik en plaatselijk lood) in licht verhoogde gehaltes voor;
  • op het noordoostelijke terreindeel is een matige- tot sterke verontreiniging met PCB in de grond aangetroffen. In de kern is de verontreiniging afgeperkt op 2,0 meter diepte. Voor het overige blijkt de matig- tot sterk verontreinigde grond vooral aanwezig in de bodemlaag tot 0,5 meter diepte. De totale omvang van de matige- tot sterke verontreiniging bedraagt grofweg 200 m3. Hiervan is circa 70 m3 sterk belast. Er is sprake van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' – het volume-criterium uit de Wet Bodembescherming wordt overschreden;
  • het grondwater is plaatselijk licht beïnvloed met xylenen en naftaleen. PCB zijn niet verhoogd gemeten in het grondwater.

Bij het huidige terreingebruik en -inrichting levert de verontreiniging geen risico's op. Gezien de geplande herontwikkeling ligt het voor de hand om voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden de verontreinigde grond te ontgraven en af te voeren. Voor deze werkzaamheden moet een saneringsplan worden opgesteld.

5.1.2 Conventionele explosieven

Uit de Risicoprofielkaart van gemeente Amersfoort blijkt dat deze locatie in onverdacht gebied ligt. De rode vlekken op de Mozartweg aan de noordzijde van Ringweg Randenbroek zijn van bomkraters uit maart '45. Het zuidelijke deel van de Mozartweg is niet geraakt door gevechtshandelingen. Er is dus geen nader NGE (Niet Gesprongen Explosieven) onderzoek nodig, de reguliere werkzaamheden kunnen hier direct uitgevoerd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0006.png"

5.2 Water

5.2.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

5.2.2 Tweede Nationaal Waterplan (2016-2021)

Het Tweede Nationale Waterplan (NWP2) is de opvolger van de vierde nota waterhuishouding en het Nationeal Waterplan (NWP) en geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. Het NWP2 is het rijksplan voor het waterbeleid. Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

5.2.3 Bodem- Water en Milieuplan 2016-2021

Het beleidsterrein bodem, water en milieu is de laatste jaren sterk in ontwikkeling geweest. De wetgeving voor bodem, water en milieu is aan verandering onderhevig, internationaal zijn er regels en afspraken bij gekomen en nationaal zijn wetten samengevoegd en vereenvoudigd. Bovendien zijn bevoegdheden tussen overheden verschoven. Het veranderingsproces dat zich voltrekt, levert een vernieuwde provinciale beleidsinsteek op. Deze is veel meer dan voorheen gericht op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. De gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. In dit kader is het 'Bodem- Water en Milieuplan 2016-2021' opgesteld. Hierin richt de provincie zich op het behoud en verder verbeteren van het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat in de provincie.

Voor bodem, water en milieu betekent dit dat er gestreefd wordt naar:

  • een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden;
  • bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied;
  • een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden;
  • een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.


De rol van stedelijke gebieden wordt steeds belangrijker. In stedelijke gebieden wonen, werken en recreëren mensen relatief dicht op elkaar waardoor ogenschijnlijk kleine ontwikkelingen relatief veel effect op de fysieke leefomgeving (kunnen) hebben. Om te komen tot een duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem is het vinden van een balans, tussen de groei van het gebruik enerzijds en de bescherming van de leefkwaliteit anderzijds, noodzakelijk. Ook het inspelen op de gevolgen van de klimaatverandering wordt een steeds belangrijkere factor bij de inrichting van gebieden. Zowel in het landelijk als het stedelijk gebied neemt de urgentie toe van het treffen van voorzieningen om wateroverlast door hoge neerslagintensiteiten te voorkomen, overstromingsrobuust te bouwen en het vasthouden van water om droogteperioden te overbruggen.

Ten aanzien van grondwater is de doelstelling dat de grondwatervoorraad mag benut worden, zonder dat deze wezenlijk wordt aangetast of andere belangen worden geschaad. Het stand still-beginsel - het op peil houden van de huidige hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater - is de minimale ambitie voor het beleid. Het kan echter nodig zijn om lokaal de grondwaterkwantiteit of -kwaliteit te verbeteren (step forward), bijvoorbeeld omdat er anders negatieve effecten optreden op natuur die van grondwater afhankelijk is.

5.2.4 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Eem

Het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Vallei en Veluwe geeft de koers aan die het waterschap de komende jaren gaat varen. Voor waterkeringen, landelijk gebied, stedelijk gebied en waterketen zijn er programma's opgesteld. De maatregelen zijn hierin op hoofdlijnen beschreven. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied.

5.2.5 Waterplan gemeente Amersfoort 2005-2015

Het Waterplan Amersfoort 2005-2015 is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. Het plan is gezamenlijk opgesteld door de Gemeente Amersfoort, Waterschap Vallei & Eem en Hydron Midden-Nederland. Het Waterplan Amersfoort is gebaseerd op een integrale beschouwing van het systeem van oppervlaktewater, ondiep grondwater en de waterketen vanaf de inzameling van afvalwater tot en met de zuivering van afvalwater. Aan de hand van drie streefbeelden wordt geschetst hoe het waterbeheer er in 2030 uit zou moeten zien: water met allure, water van de wijk en water voor natuur. Het gaat hierbij met name om het oppervlaktewatersysteem en het ondiepe grondwater en de interactie tussen de waterketen en het oppervlaktewatersysteem.

5.2.6 Gemeentelijk rioleringsplan 2012-2021

In 2008 is de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet is een wijziging van de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet op de waterhuishouding. Laatstgenoemde wet is in 2009 overgegaan in de Waterwet. Met de vaststelling van deze nieuwe wetgeving zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het:

  • a. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
  • b. Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt.
  • c. Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater.

De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken is door de gemeente Amersfoort vastgelegd in het Gemeentelijke Rioleringsplan 2012-2021.

5.2.7 Watertoets

Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.

5.2.8 Water in relatie tot het plangebied

Huidige situatie

Nabij het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Het betreft hier de waterpartij aan de Ringweg-Randenbroek. In de huidige situatie heeft de vijver een waterbergende functie. De vijver vormt een communicerend vat met het omliggende regenwaterstelsel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0008.png"

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie zal de waterpartij zijn huidige afmetingen behouden. Geadviseerd wordt om het regenwater van het projectgebied af te koppelen en direct af te voeren naar de vijver. Binnen het plangebied zal geen toenamen plaatsvinden van verhard oppervlak. Hieronder is dat nader uitgewerkt.

Oppervlakte bestaande situatie:

bestaande gebouw:     1.203 m2

bestrating:                          615 m2

Totaal:                             1.818 m2

Oppervlakte nieuwbouw situatie:

parkeerdek + hellingbaan: 823 m2

gebouw:                           579 m2

parkeren in het groen:         90 m2

bestrating:                         105 m2

Totaal:                           1.597 m2

Aangezien de hoeveelheid verhard oppervlak afneemt, hoeft er dus geen extra waterberging gecreëerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0009.png"

Hemelwater

Voor het hemelwater dat valt in het plangebied gelden twee belangrijke principes:

Vasthouden - bergen – afvoeren

Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen een plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen/geïnfiltreerd en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Binnen dit project wordt geadviseerd om het regenwater af te voeren naar de waterpartij achter het appartementencomplex. Infiltreren in de bodem is in verband met de hoge grondwaterstand niet mogelijk.

Schoon houden - scheiden - schoon maken

Het is van belang dat het grondwater wordt beschermd tegen vervuiling. Om hieraan bij te dragen mogen bij de ontwikkeling van het terrein geen uitloogbare materialen worden gebruikt zoals koper, lood, zink en geïmpregneerd hout op plekken waar die met regenwater in aanraking kunnen komen.

Grondwater

De huidige grondwaterstanden in het gebied variëren tussen 0,7 tot 1,4 meter onder maaiveld. Om problemen door grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen moeten eventuele kelders en parkeergarages tot aan maaiveld waterdicht zijn. Onderzoek naar klimaatgevolgen heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ten gevolge van klimaatontwikkelingen op verschillende locaties in Amersfoort nog ongeveer 20 tot 30 gaat stijgen. In onderstaande is het worst case scenario te zien voor Amersfoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0010.png"

Riolering

In de omgeving van het projectgebied is een gescheiden rioolsysteem aanwezig.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Wettelijk kader

Uit de Wet luchtkwaliteit volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).


Ad. 3 Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Eén van die categorieën zijn woningbouwlocaties. Indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer bedraagt dan 3000 woningen dan is er sprake van een NIBM project. Indien een voorgenomen ontwikkeling binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig mits de voorgenomen ontwikkeling niet valt onder het Besluit gevoelige bestemmingen.


Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Met deze amvb wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen', zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardenhuizen, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein.

5.3.2 Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied

Binnen het plangebied worden maximaal 40 woningen mogelijk gemaakt, zodat dit project aangemerkt kan worden als zijnde 'niet in betekenende mate'.

 

5.4 Bedrijven- en milieuzonering

Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen.

Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

5.4.1 Bedrijven- en milieuzonering in relatie tot het plangebied

Aan de overzijde van de Mozartweg zijn, naast woningen, een bloemist en een horecazaak gevestigd. Volgens het bestemmingsplan is hier horeca a toegestaan. Boven deze bedrijven zijn woningen aanwezig. Omdat er nu al woningen dichterbij de bedrijven liggen dan de nieuwe woningen, zullen de nieuwe woningen geen belemmering vormen voor de bedrijven. Andersom is het niet te verwachten dat de nieuwe woningen hinder ondervinden van deze functies, die op minstens 20 meter afstand zijn gelegen. Volgens de handreiking Bedrijven en milieuzonering is de richtafstand voor detailhandel en voor lichte horeca 10 meter. Hier wordt voor de nieuwe woningen aan voldaan.

Aan de Mozartweg 58 is een uitvaartcentrum aanwezig. Aan de andere zijde van de woningbouwlocatie is een school aanwezig. Er wordt niet overal aan de richtafstanden voor geluid voldaan. Omdat het niet gewenst is om de nieuwe woningen te verschuiven, worden maatregelen aan het gebouw getroffen, om toch aan de geluidsnormen te voldoen. Meer over het geluid is te lezen in paragraaf 5.6.7.

 

5.5 Externe veiligheid

5.5.1 Beleid en normstelling

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verboden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen.

5.5.2 Situatie in het plangebied

Voor het onderhavige plan is beoordeeld of er sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die zijn aangewezen in het BEVI, waaronder LPG-tankstations, transportroutes over weg, spoor en water en door leidingen. In de omgeving van het plan vinden geen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaats. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmering op voor het plan.

5.6 Geluid

5.6.1 Wet geluidhinder

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor- ) wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van de Wgh aan de orde:

  • het bestemmen van gronden voor nieuwe of gewijzigde geluidgevoelige objecten nabij (spoor-) wegen en industrieterreinen;
  • het bestemmen van gronden voor de realisatie of wijziging van (spoor-) wegen (met uitzondering van rijksinfrastructuur, zie § 5.8.2) en industrieterreinen;
  • het wijzigen van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wgh werkt met een systeem van voorkeursgrenswaarden en maximaal toegestane geluidsbelastingen. Indien een voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Hierbij mag de geluidsbelasting nooit hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.

5.6.2 Swung 1

Per 1 juli 2012 is Swung 1 in werking getreden. Het gaat om een wijziging van de Wet milieubeheer die onder andere heeft geresulteerd in de invoering van geluidsproductieplafonds voor rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen). Een geluidsproductieplafond geeft de toegestane geluidsproductie (geluidwaarde in Lden) vanwege een weg of spoorweg aan. Geluidsproductieplafonds gelden op referentiepunten langs rijkswegen en spoorwegen. De ligging van de referentiepunten, de grenswaarden en de bijbehorende gegevens zijn opgenomen in een openbaar, elektronisch toegankelijk geluidsregister. De wegbeheerders (Rijkswaterstaat en Prorail) moeten aan de grenswaarden op de referentiepunten voldoen en dat jaarlijks aantonen. De nieuwe regels zijn, wat de rijksinfrastructuur betreft, in plaats gekomen van de regels in de Wet geluidhinder omtrent de aanleg en reconstructie van een weg en de aanleg of wijziging van een spoorweg. Bij bouwen langs rijkswegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder gelden, maar moet bij de berekening van de geluidsbelasting gebruik gemaakt worden van de brongegevens uit het register. Ook op decentraal beheerde wegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder van toepassing.

5.6.3 Verkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (Wgh art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg (zie onderstaande tabel).

Tabel zones langs wegen

  aantal rijstroken   zonebreedte (meter)  
stedelijk gebied   1 of 2   200  
  3 of meer   350  
buitenstedelijk gebied   1 of 2   250  
  3 of 4   400  
  5 of meer   600  

In geval van een nieuwe of gewijzigde weg of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

5.6.4 Spoorweglawaai

Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

5.6.5 Industrielawaai

Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

5.6.6 Geluidsnota gemeente Amersfoort

De gemeente heeft beleid opgesteld met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden (Geluidsnota gemeente Amersfoort, vastgesteld op 11 november 2006). Hierin zijn criteria en voorwaarden opgenomen die aan de hogere grenswaarde worden verbonden.

5.6.7 Geluid in relatie tot het plangebied

Wegverkeerslawaai

In het kader van dit uitwerkingsplan is het wegverkeerslawaai van belang. Het plangebied ligt niet in de zone van spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. Het plangebied ligt in de bebouwde kom en wordt aangemerkt als binnenstedelijk gebied. Het bouwplan ligt in de zone van de rijksweg A28 en van enkele stedelijke wegen. Het bouwplan is 25 meter hoog en ligt tussen de Mozartweg, Rossinistraat, Wagnerstraat en de Ringweg Randenbroek.

De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor nieuw te projecteren woningen binnen een zone van een bestaande weg bedraagt 48 dB. Volgens de Wet geluidhinder is het echter mogelijk onder voorwaarden een ontheffing te krijgen van deze voorkeurgrenswaarde.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek (zie 3) wordt geconcludeerd dat er knelpunten zijn ten gevolge van het geluid van wegverkeer. Om deze knelpunten op te lossen, zijn aanpassingen aan het ontwerp of aanvullende geluidwerende voorzieningen vereist. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek is omschreven welke oplossingenrichtingen mogelijk zijn. Bij de nadere uitvoering moet met name rekening gehouden worden met:

  • er dient een oplossing voor de vereiste dove gevel te worden gevonden:
  • wijzigen van de woningplattegronden, waarbij alle verblijfsruimten grenzen aan de zijgevels noordoost- of zuidwestgevel), of:
  • afscherming van (een deel) van de noordwestgevel, bijvoorbeeld door realisatie van schermen voor de ramen van de slaapkamers of het realiseren van een loggia/bouwkundige suskast met afscherming ter plaatse van de slaapkamers;
  • de realisatie van hoge gesloten borstweringen en absorberende plafonds ter plaatse van de balkons of de realisatie van serre-achtige constructies;
  • het realiseren van zware akoestische voorzieningen (bijv. zwaar geluidsisolerend glas) in de gevels van de verblijfsruimten van de woningen.

Activiteitenbesluit / VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" 

Uit het geluidsonderzoek blijkt dat het langtijdsgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 56 dB(A) bedraagt vanwege de aanwezige school (of andere gelijkwaardige maatschappelijke voorziening). Om de toekomstige bewoners te beschermen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat er voorzieningen worden getroffen. Doordat het niet mogelijk en gewenst is dat het bouwblok verder gesitueerd wordt van de school, kunnen maatregelen aan de gevel een oplossing bieden. Deze maatregel moet dan zodanig zijn uitgevoerd dat het hierachter gesitueerde te openen geveldeel voldoet aan de waarde van 50 dB(A). Met deze waarde wordt aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening en aan acceptabel woon en leefklimaat voldaan.

In het uitwerkingsplan wordt vastgelegd dat de Noordwest gevel als dove gevel uitgevoerd moet worden. Verder wordt vastgelegd dat te openen delen aan zowel de noord-oost gevel als de zuid-oost gevel dienen te zijn voorzien van een gevelscherm of een gelijkwaardige oplossing die ten minste 6 dB(A) geluidswering heeft. De andere punten worden bij de omgevingsvergunning verder uitgewerkt.

5.7 Duurzaamheid

5.7.1 Beleid

Rijksbeleid

In 2021 moeten alle nieuwbouw gebouwen voldoen aan de BENG normen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebow). De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) methodiek wordt vervangen door de BENG berekeningsmethodiek. Om Europese afspraken omtrent het beperken van klimaatverandering te behalen moet de gemeente stevige vermindering  CO2- uitstoot  en forse beperking van energieverbruik gaan realiseren. Het landelijke beleid  is om in 2050 CO2 arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken. Gemeente Amersfoort heeft ambitie om  in 2030 al de klimaatneutrale gemeente te zijn. Amersfoort heeft onlangs Green Deal Ardgasvrije  Wijken getekend (maart 2017) en in mei 2017 is de motie van de raad aangenomen over 'Aardgasloze Nieuwbouw' 

Het rijk zet ook stappen naar een 'aardgasloze', gebouwde omgeving. Het rijk gaat de wettelijke verplichting om nieuwbouw woningen aan te sluiten op het gasnet vanaf januari 2018 laten vervallen.

Gemeentelijk beleid

In 2030 wil  Amersfoort een stad zonder CO2 uitstoot zijn. Deze ambitie van een Duurzame Stad vraagt een aanpak, die alle betrokken partijen verbindt en helpt deze ambities te realiseren. Er moet vergaande  samenwerking en afstemming tussen alle ontwikkelende partijen plaats gaan vinden  om   lange termijnopgaven - zoals  klimaat-  en energieneutrale stad in 2030 te kunnen realiseren.

Om CO2  (klimaat neutrale)  wijken  te realiseren moet de gemeente kiezen voor alternatieve, duurzame energiebronnen zoals zon,  wind, aardwarmte en restwarmte .

Bij alle  nieuwbouwplannen wordt per locatie  keuzes gemaakt in het verduurzamen van de lokale warmtevoorziening.     

5.7.2 Duurzaamheid algemeen

Vanuit natuur, milieu en ecologie zijn (ecologische duurzaamheid) doelstellingen geformuleerd voor het wonen, werken en recreëren in Amersfoort. Milieuvriendelijk bouwen, beperken van energie- en watergebruik, integraal waterbeheer, stimuleren van openbaar vervoer, klimaatbestendig bouwen( minimaliseren van bestrating en het regenwaterdirect infiltreren , circulair bouwen (grondstoffenproblematiek en circulaire economie)  en beperken van automobiliteit zijn daarbij uitgangspunten. Omdat Amersfoort wil ruimte bieden aan een verscheidenheid aan leefvormen en behoeften, óók voor toekomstige generaties, is flexibiliteit het uitgangspunt; de wijk moet veranderingen in de tijd kunnen opnemen, technisch solide zijn en in beeld en gebruiksmogelijkheden blijven appelleren aan de behoeften. Flexibiliteit van de basisstructuur is één duurzaamheidaspect en richt zich op de functionele duurzaamheid. Flexibel betekent hier dat woningen zonder grote (milieu)problemen kunnen worden aangepast, gesplitst of samengevoegd of zelfs van functie kunnen veranderen. Compact bouwen rond haltes, stations en centrumvoorzieningen draagt bij aan het beperken van de mobiliteit en leidt tot energiebesparing.

5.7.3 Economische en sociale duurzaamheid

Economische duurzaamheid richt zich op de fysieke en functionele levensduur van de wijk. Duurzaamheid in deze zin betekent het voorkomen van kapitaalvernietiging door slijtage en gebrek aan flexibele gebruiksmogelijkheden. Maar evenzeer moet gedacht worden aan de aanwezigheid van economische functies, gericht op het functioneren van de wijk. De mogelijkheid van hun ontwikkeling mag niet worden beperkt door de ruimtelijke structuur en de (afwezigheid van) relaties en verbindingen.

Vanuit het oogpunt van sociale duurzaamheid zijn aan de wijk gehechte bewoners nodig. De basis hiervoor is een aangename wijk, waar het woongenot wordt bepaald door de woning en de woonomgeving en door de voorzieningen en relaties. De verscheidenheid en menging van leefstijlen, de vele functionele mogelijkheden, het kunnen veranderen van woning binnen de wijk (wooncarrière), de vrije keuzes in individualiteit en collectiviteit zijn enkele van de aspecten die hiertoe bijdragen. 

5.7.4 Energievisie Mozartweg (Algemeen)

Er zijn diverse mogelijkheden om aan de landelijke en gemeentelijke ambities op het gebied van energie te voldoen. Er zal daarom een keuze moeten worden gemaakt voor een energieconcept. Hierbij kan worden gekozen voor lokale of collectieve oplossingen. Voor elke nieuw te ontwikkelen locatie dient over een  adequate  energievisie nagedacht worden  die per gebied, de bestaande kansen en kwaliteiten in kaart brengt.

Geadviseerd wordt om  optimaal gebruik gemaakt te maken van passieve zonne-energie door een optimale zongerichte verkaveling en ontwerp, bouwtechnische maatregelen (onder andere extra isolatie, toepassen van zonneboilers, geclusterd compact bouwen en warmteterugwinsystemen uit ventilatielucht). Er wordt gestreefd naar maximale  energie inzet, afkomstig van duurzame bronnen (zon, warmte- en koude opslag, biomassa).

5.7.5 Grondstoffen en afval

De inzet bij de nieuwe planontwikkelingen  richt zich enerzijds op het beperken van het gebruik van grondstoffen en anderzijds - ontwikkelen/toepassen van principes van  circulaire bouw. In 2050 moet de Nederlandse Economie immers 100% circulair zijn. De grootste afvalstromen  (tussen 30% a 40%) zijn voornamelijk van de bouwindustrie afkomstig.  Dit betekent zorgvuldige, weloverwogen    materiaaltoepassing bij de realisatie van de wijk (beton, zand, hardhout) als het gebruik van energie en water.

Er wordt naar gestreefd het milieu niet  te belasten met afvalstoffen en met vervuiling van bodem, water en lucht.

MPG

Vanaf januari 2018  is een MPG berekening De MilieuPrestate Gebouwen voor woningen en kantoren verplicht.  De MPG methodiek geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100m². De MPG is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Na jaren van ervaring opdoen met de Milieuprestatieberekening Gebouw (MPG) is MPG  vanaf 1-1-2018 verplicht, het resultaat moet voldoen aan de grenswaarde van 1,0 €/m2bvo per jaar. Met de MPG is een belangrijke stap gezet om de effecten van het gebruik van grondstoffen in de bouw serieus als criterium geaccepteerd te krijgen.

Uitlogende bouwmaterialen

Voor uitlogende bouwmetalen (koper, lood en zink) voor zover deze worden toegepast op plaatsen die zijn blootgesteld aan weersinvloeden, geldt een toepassingsverbod gebaseerd op het gemeentelijk bodembeleid (Nota bodembeheer 2013)

Daarnaast dient uitsluitend FSC of PEFC  gecertificeerde hout of gemodificeerd hout (Plato, of geacetyleerd hout Accoya) te worden toegepast.

Huishoudelijke  Afval Ophaalsysteem

Amersfoort wil in 2030 een stad zonder afval zijn. Een integraal, op duurzaamheid gericht, afvalbeheer behelst een samenhang tussen de wijze van afvalinzameling en de daaruit voortvloeiende stedenbouwkundige maatregelen. Afvalinzameling in het plangebied gebeurt bovengronds. De gemeente heeft  beleid voor de inzameling van afval bij huishoudens in de laagbouw en de hoogbouw in Amersfoort.   Het raadsvoorstel en bijbehorend Uitwerkingplan nieuwe afvalinzameling zijn op 6 december 2016 vastgesteld in de raad. Dus dit afvalbeleid geldt ook voor alle nieuwe bouwlocaties. Hierin is omgekeerd inzamelen uitgewerkt voor laagbouw, voor hoogbouw worden binnenkort ook richtlijnen uitgewerkt.

Wat is 'omgekeerd inzamelen'?

Amersfoort gaat de komende jaren over op 'omgekeerd inzamelen'. Hierbij worden papier en GFT (groente, fruit en tuinafval), PMD (plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons) voortaan aan huis opgehaald. De afvalcontainers voor deze grondstoffen worden op eigen terrein geplaatst. Amersfoorters brengen voortaan het restafval zelf weg naar ondergrondse containers in de buurt. Deze ondergrondse afvalcontainers worden wel in openbare ruimte gesitueerd. Dit betekent dat bewoners geen minicontainer aan huis meer krijgen voor restafval. In plaats daarvan komt een minicontainer met oranje deksel aan huis; deze is voor PMD.

Er moeten gemiddeld 100 huishoudens worden aangesloten op een ondergrondse restafvalcontainer. Deze ondergrondse restafvalcontainer moet binnen 150 meter liggen van de huishoudens. Standaard moet er bij elke nieuwbouw ontwikkeling in overleg met  ROVA een nieuwe afval ophaalsysteem ontwikkeld worden. 

5.7.6 Groene daken en gevels

Het realiseren van groene daken (vegetatiedaken) en gevels wordt sterk aanbevolen. Behalve een waarde voor planten en dieren heeft dit ook een functie voor waterberging waardoor piekbelasting op de riolering wordt verminderd. Bovendien helpen groene daken en gevels hittestress te voorkomen en vangen ze fijnstof, wat een positief effect heeft op de luchtkwaliteit. Het toepassen van natuurvriendelijke maatregelen, zogenaamd "natuurinclusief bouwen", wordt aanbevolen (te vinden in de checklist Natuurvriendelijke maatregelen in de bouw).

5.7.7 Duurzaamheid in relatie tot het plangebied

Bij de ontwikkeling van het plangebied is hetgeen in de vorige paragrafen is geschreven over duurzaamheid het uitgangspunt. Amersfoort heeft  de ambitie om in 2030 een stad zonder CO2 uitstoot te zijn. Dit betekent dat bij alle nieuwbouw projecten vanaf nu wordt gestreefd  naar  energie neutrale en aardgasloze ontwikkeling.  Bij de lopende projecten en projecten waar de aargasloze ontwikkeling technisch niet mogelijk is, wordt een uitzondering gemaakt. Bij  de nieuwe wijkuitbreidingen wordt  maximaal  ingezet op energie afkomstig van duurzame bronnen (zon, warmte- en koude opslag, maximale warmtevraag beperking  door zeer hoge isolatiewaarde van woningen). Om aan deze  gemeentelijke duurzaamheidambitie te voldoen is het belangrijk dat al op stedenbouwkundig niveau keuzes gemaakt worden, voor de  duurzame  energie-infrastructuur (bijvoorbeeld All- Electric energienetten, of duurzame warmtenetten), indien van toepassing.

5.8 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Hierin zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet samengevoegd. Met de inwerkingtreding wordt het decentralisatieproces van het natuurbeleid formeel afgerond. Daarmee hebben de provincies de regie over het natuurbeleid in de regio, waarbij ook bevoegdheden van het Rijk naar de provincies zijn overgedragen. Uiteindelijk zal de nieuwe Wet natuurbescherming worden opgenomen in de Omgevingswet.

Versterking regionaal natuurbeleid

De decentralisatie van deze verantwoordelijkheden naar provincies geeft provincies meer mogelijkheden hun natuurbeleid vanuit een eigen regionale benadering en in samenspraak met regionale partners te versterken. Goed regionaal ingebed natuurbeleid draagt bij aan het behouden, ontwikkelen en verbinden van de natuur. Provincies stellen hiertoe onder meer een eigen provinciale natuurvisie op. In de op grond van de nieuwe wet opgestelde provinciale verordeningen zijn de provinciale regels voor bescherming van gebieden (Natura 2000), dieren en bomen opgenomen.

Extra verantwoordelijkheden provincies

Voor onderdelen van de oude natuurwetgeving, zoals ontheffingen in het kader van schadebestrijding, waren provincies al verantwoordelijk. Deze provinciale verantwoordelijkheden worden uitgebreid met verantwoordelijkheden die tot 1 januari 2017 nog aan het rijk toebehoorde. Dit betreft met name de verlening van vergunningen en ontheffingen in het kader van de bescherming van dieren, planten bij ruimtelijke ingrepen. Voortaan moet bijvoorbeeld ook het kappen van bomen ook bij de provincie worden gemeld en zien zij toe op de uitvoering van de herplantplicht. In beide gevallen worden provincies ook verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Tot 1 januari lagen al deze verantwoordelijkheden nog bij het Rijk (i.c. de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).

Faunabeheer en faunaschade

Het faunabeheerplan wordt het centrale plan voor het gehele faunabeheer. Populatiebeheer, schade- en overlastbestrijding en de jacht op de wildsoorten moeten conform het faunabeheerplan wordt uitgevoerd. De provincies stellen in hun verordeningen regels vast waar deze faunabeheerplannen aan dienen te voldoen. Het faunabeheerplan wordt opgesteld door de faunabeheereenheid. De wet natuurbescherming regelt dat in het bestuur van de faunabeheereenheden ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zijn. Provincies hebben hierover afspraken gemaakt met de faunabeheereenheden. De verlening van tegemoetkomingen voor faunaschade is naar de twaalf afzonderlijke provincies gedecentraliseerd. Tot 1 januari 2017 was hiervoor een zelfstandig bestuursorgaan (het Faunafonds) verantwoordelijk. De provincies hebben met elkaar afgesproken dat zij de uitvoering van deze taak gezamenlijk vorm blijven geven in de gezamenlijke uitvoeringsorganisatie BIJ12.

5.9 Flora en Fauna / ecologie

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de 'toets in het kader van gebiedsbescherming' en de 'toets in het kader van soortenbescherming'.

5.9.1 EU-Vogelrichtlijn / 1979 en EU-Habitatrichtlijn / 1992

De bescherming van de natuur is in Europees verband vastgelegd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen dragen zorg voor zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming. Nederland heeft de richtlijnen geïmplementeerd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet van 1968 en 1998 (gebiedsbescherming) en de Flora- en faunawet (soortenbescherming). De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Vogelrichtlijngebieden die het rijk heeft vastgesteld, de Habitatrichtlijngebieden die het rijk bij de Europese Commissie heeft aangemeld, de beschermde natuurmonumenten en de staatsnatuurmonumenten. Ruimtelijke ingrepen die in deze gebieden plaatsvinden dan wel in de nabijheid van beschermde natuurgebieden, moeten worden getoetst op hun effecten op deze gebieden.

5.9.2 Boswet

Op bosgebieden buiten de bebouwde kom (volgens de definitie van de Boswet) en groter dan 10 are of - bij rijbeplanting - meer dan 20 bomen, is de Boswet van toepassing. De Boswet beoogt het areaal bos in Nederland in stand te houden. Als bos waarop de Boswet van toepassing is, gekapt wordt is men altijd verplicht tot heraanplant, tenzij er sprake is van een goedgekeurd bestemmingplan. Als dat het geval is, moet compensatie van het betreffende bosareaal elders plaatsvinden. De provincie Utrecht is bevoegd gezag voor naleving van de Boswet.

5.9.3 Toets in het kader van gebiedsbescherming

De toets in het kader van gebiedsbescherming vindt zijn oorsprong in de Natuurbeschermingswet 1998 en draagt zorg voor de bescherming van natuurwaarden. De wet kent drie typen gebieden:

  • Natura 2000-gebieden;
  • Beschermde natuurmonumenten;
  • Gebieden die de Minister van LNV aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen (met uitzondering van verplichtingen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn).

Plannen dan wel projecten in deze gebieden, maar ook daar buiten in verband met de zogenaamde externe werking, kunnen vergunningplichtig zijn.

Naast de gebiedsbescherming die voortkomt uit de Natuurbeschermingswet 1998 kennen we de gebiedsbescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is door de provincie Utrecht begrensd in diverse natuurgebiedsplannen. Waarbij de meest recente versie nu het Natuurbeheerplan 2011 is. In het Streekplan heeft de EHS een zogenaamde Groene Contour gekregen, de grenzen van de EHS zijn daarbij bijna volledig overgenomen uit het natuurbeheerplan.

Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van gebieden die binnen de groene contour vallen en die per saldo significant negatieve gevolgen hebben voor de te behouden waarden en kenmerken, zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het “nee, tenzij” principe). Op basis van een afweging tussen het te beschermen belang en het met het plan of project gemoeide belang wordt al dan niet toestemming verleend door de provincie. Wordt een plan of project na afweging van belangen toch toegestaan, dan moet een besluit worden genomen over mitigerende (mitigeren is verzachten of verlichten) en compenserende maatregelen (het zogenaamde compensatiebeginsel). Als de mitigerende maatregelen onvoldoende zijn, moeten compenserende maatregelen worden getroffen: maatregelen waarmee nieuwe waarden worden gecreëerd die vergelijkbaar zijn (in kwantiteit of kwaliteit) met de verloren gegane waarden.

5.9.4 Gebiedsbescherming in relatie tot het plangebied

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Amersfoort en maakt geen onderdeel uit van de EHS, Natura 2000-gebied of een Beschermd Natuurmonument. De ingreep vindt lokaal plaats binnen de bebouwde kom en er worden geen uitstralende effecten verwacht met negatieve effecten op de te beschermen waarden in omliggende natuurgebieden.

5.9.5 Toets in het kader van soortenbescherming

De toets in het kader van soortenbescherming is met de wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet (1 juli 2002) wettelijk vastgelegd. Bij elk plan dat ingrijpt op standplaatsen van planten of verblijfplaatsen van dieren, dient getoetst te worden wat het effect is op beschermde soorten, die met name genoemd zijn in de Flora- en faunawet.

5.9.6 Flora- en Faunawet

De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in een aantal bij de Flora en faunawet behorende besluiten.

Dat houdt in dat bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met de gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor de instandhouding van de beschermde soort.

Sinds 22 februari 2008 is een nieuwe AmvB in werking getreden die voorziet in een wijziging van het "Besluit beschermde dier- en plantensoorten". Deze AMvB, betekent dat het ontheffingsregime is aangepast. Met de inwerkingtreding van dit besluit zal sprake zijn van een drietal categorieën beschermingsniveaus:

  • Niveau 1: een algemene vrijstelling van in Nederland algemeen voorkomende soorten;
  • Niveau 2: een algemene vrijstelling met gedragscode voor een aantal beschermde soorten;
  • Niveau 3: streng beschermde soorten.


Tegen deze wettelijke achtergrond worden de nieuwe ontwikkelingen beoordeeld in relatie tot wettelijk beschermde planten en dieren en hun natuurlijke omgeving.

Indien het voortbestaan op locatie van beschermde soorten planten of dieren uit categorie 2 en 3 door een ingreep negatief beïnvloed worden, is het daarnaast nodig ontheffing aan te vragen van verboden handelingen op grond van de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag hierin is het Ministerie van LNV. De afweging van het belang van rode lijstsoorten vindt plaats in het spoor van de ruimtelijke ordening.

5.9.7 Flora- en Faunawet in relatie tot het plangebied

Op 22 juni 2018 is een tussenrapportage ten aanzien van de soortenbescherming aangeleverd, zie bijlage 4. Hieruit is gebleken dat de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluw in de te slopen bebouwing niet op voorhand kan worden uitgesloten. Het afdoend onderzoek naar huismussen is inmiddels afgerond. Uit de resultaten van het afdoend onderzoek is gebleken dat binnen de planlocatie geen nestplekken van de huismus aanwezig zijn. Binnen de planlocatie c.q. in de directe omgeving van de planlocatie zijn tijdens de inventarisaties geen huismussen aangetroffen.


Het afdoend onderzoek naar vleermuizen en gierzwaluwen zal in het voorjaar en in het najaar van 2018 worden afgerond. In de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat niet eerder met de sloop mag worden begonnen, dan de het onderzoek is afgerond en indien nodig de ontheffing is verkregen.

5.10 M.e.r. beoordeling

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).


Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden.

De ontwikkeling aan Mozartweg 54 is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zodat geen m.e.r.-plicht geldt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt een stedelijke ontwikkeling van woningen vermeld onder D 11.2. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied betreft en 2000 of meer woningen omvat. Omdat in het geval van de ontwikkeling aan Mozartweg 54 niet wordt voldaan aan deze criteria, is geen m.e.r.-beoordeling nodig.

Wanneer toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, geldt de verplichting voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling ook voor activiteiten waarvan de drempelwaarde niet wordt overschreden. In deze gevallen moet gemotiveerd worden of een m.e.r.-beoordeling al dan niet nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten; daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De in hoofdstuk 5 van de toelichting van het uiterkingsplan Mozartweg 54 beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie van alle onderzoeken is dat nadelige milieugevolgen als gevolg van de plannen voor Mozartweg 54 5 zijn uitgesloten.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit uitwerkingsplan valt onder een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling van bevat namelijk 40 appartementen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, wordt gepubliceerd in de Staatscourant en de digitale gemeenteberichten. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerp uitwerkingsplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het uitwerkingsplan. Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.


5.11 Archeologie

5.11.1 Beleid

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (als onderdeel van de Monumentenwet 1988) in werking getreden. Op grond van de Monumentenwet is de raad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Archeologische beleidskaart
Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op de archeologische beleidskaart, die op basis van archeologische waarnemingen en vondsten en landschappelijke en historische gegevens tot stand is gekomen. De archeologische beleidskaart is samen met de erfgoedverordening door de gemeenteraad op 28 september 2010 vastgesteld. Deze beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Naast Rijksmonumenten en gemeentelijke ondergrondse monumenten zijn er gebieden met een hoge archeologische waarde aangewezen. Ook is er een verdeling gemaakt tussen gebieden met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachting. Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet nemen we in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet.

Regeling in bestemmingsplan

Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming.

De nummering van de gebieden in de regels van het bestemmingsplan komt niet overeen met de nummering op de archeologische beleidskaart. Hieronder volgt een opsomming van de gebieden met de benaming die ze hebben op de archeologische beleidskaart en in het bestemmingsplan.

Benaming op Archeologische beleidskaart   Benaming in bestemmingsplan  
Archeologisch waardevol gebied 1   Wordt beschermt via Monumentenwet, wordt niet opgenomen op de verbeelding en ook niet in de regels van het bestemmingsplan.  
Archeologisch waardevol gebied 2   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 1"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 3   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 2"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 4   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 3"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 5   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 4"  

Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is. De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.

5.11.2 Archeologie in relatie tot het plangebied

Archeologisch waardevolle gebieden

Binnen het plangebied bevinden zich geen wettelijk beschermde archeologische monumenten of bekende archeologische waarden. Wel zijn er archeologische verwachtingen.


Archeologisch waardevolle verwachtingsgebieden

Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (Archeologische waardevol verwachtingsgebied 4 (middelhoog. In het bestemmingsplan geldt de volgende nummering: dubbelbestemming archeologie 3 (middelhoog). In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 500m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00147-0301_0011.png" Uitsnede Archeologische Beleidskaart met locatie plangebied en legenda van de in de uitsnede aangegeven gebieden.

Archeologische verwachtingen

Het plangebied ligt hoogstwaarschijnlijk op een dekzandvlakte tussen twee dekzandruggen in. Op historische kaarten is ten oosten een erf aanwezig, maar het plangebied zelf is in gebruik geweest als bouwland. Tijdens verschillende archeologische onderzoeken in de directe omgeving zijn voornamelijk resten gevonden uit de vroege Prehistorie en de Nieuwe Tijd. Uit de bodemkundige, historische en archeologische gegevens blijkt dat er een middelmatige tot lage verwachting is op het aantreffen van resten van jagers-verzamelaars. De kans op het aantreffen van resten van de boeren is eveneens middelmatig tot laag.

De kerk ter plaatse van het plangebied is eind jaren '50 van de vorige eeuw gebouwd. Onder deze kerk zijn kelders aanwezig. Ook is het gebouw tot op circa 1,5 meter onder maaiveld gefundeerd. Dit betekent dat de bodem goeddeels is verstoord door de bouw van de kerk. Een intact natuurlijk bodemprofiel zal niet meer worden aangetroffen. Daarmee is de kans op het aantreffen van intacte vindplaatsen van zowel de jagers-verzamelaars als de boeren zeer klein.

Omdat de kans op het aantreffen van (intacte) archeologische vindplaatsen zeer klein is, is bepaald dat voorafgaand aan de werkzaamheden binnen het plangebied Mozartweg 54 geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden. Er geldt dus een ontheffing van archeologisch onderzoek. Aangezien het echter nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens grondverzet een archeologische 'toevalsvondst' wordt gedaan,is het wenselijk de uitvoerder van dit grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de Gemeente Amersfoort, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

6.1.1 Wat is een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bepaalt hoe de gronden gebruikt mogen worden, of er ergens gebouwd mag worden en wat voor bebouwing dat mag zijn. Het gaat om het toelaten van bepaalde gebruiksmogelijkheden (toelatingsplanologie). De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mag de functie die het bestemming geeft uitoefenen. Dit houdt in dat de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een aangewezen bestemming daadwerkelijk te realiseren, maar ook dat de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen die in strijd is met de gegeven bestemming, of in strijd met het bestemmingsplan mag bouwen.

Het is belangrijk om voor de toekomstige en bestaande bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen die zo veel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient, met andere woorden, flexibel en doelmatig te zijn, en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover, dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming.

6.1.2 Waaruit bestaat een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit:

  • De verbeelding (voorheen plankaart).
  • De regels (voorheen voorschriften).
  • De toelichting.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin staat hoe een plan tot stand is gekomen, een beschrijving van het gebied en wat de bedoelingen van de gemeente zijn in het plangebied.

6.1.3 Principe-opzet plangebied

In het voorliggende plan heeft een en ander geleid tot de volgende principe-opzet:

  • Aan de gebruiker van gronden en opstallen worden zo veel mogelijk vrijheden gegeven om zijn eigen beleid te voeren, zonder dat de overheid daarin regels stelt. Deze vrijheden worden zonder beperking als recht in het plan geformuleerd.
  • Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht iets beperktere mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan in dat geval wel verruimde mogelijkheden; het is in dit soort situaties niet goed mogelijk om vooraf te bepalen onder welke voorwaarden en in welke situaties deze extra mogelijkheid zal kunnen worden toegekend. Daarom zijn ze voorwaardelijk in het plan opgenomen, in de vorm van een “afwijkingsbevoegdheid”. Het kan in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn nadere eisen te stellen om bepaalde, met name genoemde, waarden te beschermen. De procedure is gelijk aan die voor een afwijking.
6.1.4 Procedurebepalingen bij afwijking en wijziging

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat in afdeling 3.4 bepalingen over de openbare voorbereidingsprocedure van een groot aantal uiteenlopende besluiten van bestuursorganen. De procedure is van toepassing als dat bij wettelijke regel is bepaald, of als het bestuursorgaan (in casu het gemeentebestuur) dit zelf heeft bepaald. Uit praktische overwegingen is het zinvol zoveel mogelijk die uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen in de gevallen dat een procedure, met o.a. publicatie van het ontwerp-besluit en bezwaarmogelijkheden, nodig wordt geacht.Het voorliggende bestemmingsplan bevat enige afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die qua “zwaarte” en reikwijdte directe gevolgen kunnen hebben voor andere belanghebbenden dan de aanvrager van de afwijking.

6.2 Dit uitwerkingsplan

Dit uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt nog een nadere uitleg gegeven over de regels in het bestemmingsplan.

6.2.1 Uitwerkingsregels moederplan

Het bestemmingsplan "Randenbroek-Schuilenburg 2007" vormt als het ware een soort 'moederplan' voor het onderhavige uitwerkingsplan. In artikel 18 is de bestemming 'Uit te werken gebied A (Mozartweg 54)' opgenomen. In lid 2 is bepaald dat aan de volgende voorwaarden voldaan dient te worden:

  • a. Er mogen appartementen worden gebouwd alsmede een gebouw ten dienste van religieuze doeleinden;
  • b. De hoogte van de onder lid 1. genoemde gebouwen mag maximaal 26m bedragen;
  • c. De gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven bouwblok en bovendien mag het bebouwingspercentage ten hoogste zoveel bedragen als op de plankaart is aangegeven;
  • d. De gebouwen moeten rank en oprijzend worden en dienen te worden opgericht binnen een vlak van 27 x 27m;
  • e. In de parkeerbehoefte dient te worden voorzien volgens de in de gemeentelijke bouwverordening opgenomen normen. Het parkeren dient te geschieden in een gebouwde ondergrondse parkeervoorziening, met dien verstande dat maximaal 12 parkeerplaatsen op maaiveld mogen worden gerealiseerd;
  • f. De auto-ontsluiting van het gebied moet plaatsvinden vanaf de Mozartweg;
  • g. De uitwerking van de bestemming dient mede te geschieden op basis van een integraal inrichtingsplan van het terrein rondom de bebouwing. Uitgangspunt is een zo groen mogelijke inrichting, waarbij de bestaande bomen zo veel mogelijk worden gehandhaafd. Daarnaast moet het plan een voetgangersroute omvatten, die aansluit op de kruising Mozartweg/Ringweg Randenbroek.

Omdat het niet wenselijk is om op hele korte afstand van het terrein van de school te bouwen, is het bouwvlak aan de zijde van de waterplas ingekort ten opzichte van het bestemmingsplan Randenbroei-Schuilenburg 2007. Het oorspronkelijke bouwvlak had een oppervlakte van 1350 m2. Hiervan mocht maximaal 43% gebouwd worden, wat neerkomt op 581 m2. Nu het bouwvlak kleiner wordt (1060 m2), wordt om de maximale maat van het gebouw (581 m2) mogelijk te maken, het maximale bebouwingspercentage verhoogd naar 55%.

In de schetstekeningen is te zien dat gedacht wordt aan realisatie van een gebouw van circa 29 x 20 meter. Dat overschrijdt daarmee de maximale maat van 27 x 27 m. Nadat het uitwerkingsplan van kracht is geworden, kan met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid de maximale maat van 27 m verruimd worden tot maximaal 29,70 meter.

6.2.2 Regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels.
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Elk artikel kent de volgende opzet: eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw-en/of gebruiksregels.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en een bepaling uitsluiting aanvullende werking bouwverordening.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Hieronder volgt een uitleg van een aantal bestemmingen die het bestemmingsplan kent. Sommige bestemmingen spreken voor zich en worden daarom niet nader toegelicht. Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Functieaanduidingen en bouwaanduidingen worden opgenomen in het artikel van de bestemming waarin ze voorkomen. Gebiedsaaanduidingen hebben een eigen artikel omdat deze aanduidingen zich meestal over meerdere bestemmingen uitstrekken.

6.2.2.1 Wonen

In het plangebied komen 4 woonbestemmingen voor, elk aangeduid met een nummer. Deze woonbestemmingen worden voor alle bestemmingsplannen gebruikt zodat een eenduidige bestemmingsregeling ontstaat voor de woningen in Amersfoort.

  • Wonen-1: deze bestemming is gegeven aan de aaneengesloten woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming steeds om een rij woningen. Daar binnen zijn de woningen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels. Daar buiten, maar binnen de bestemmingsgrens, mogen de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd, waarbij ook weer voldaan moet worden aan een aantal regels.
  • Wonen-2: deze bestemming is gegeven aan de twee-onder-één-kap-woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming steeds om een blok van twee woningen. Daar binnen zijn de woningen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels. Daar buiten, maar binnen de bestemmingsgrens, mogen de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd, waarbij ook weer voldaan moet worden aan een aantal regels.
  • Wonen-3: deze bestemming is gegeven aan de vrijstaande woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming om één woning. Daar binnen is de woning toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels. Daar buiten, maar binnen de bestemmingsgrens, mogen de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd, waarbij ook weer voldaan moet worden aan een aantal regels.
  • Wonen-4: deze bestemming is gegeven aan de gestapelde woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming om het gebouw. Daar binnen is de bebouwing voor gestapelde woningen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels. Daar buiten, maar binnen de bestemmingsgrens, mogen alleen bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd op de plekken waar op de verbeelding een bouwaanduiding "bijgebouwen" [bg] is opgenomen, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels.

In alle woonbestemmingen is een regeling opgenomen voor beroepen en bedrijven aan huis. Deze regeling biedt de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen.

In het onderhavige uitwerkingsplan komt alleen de bestemming 'Wonen-4' voor aangezien uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan.

6.2.2.2 Waarde - archeologie (dubbelbestemming)

Het voorliggende plangebied is een gebied met een middelhoge archeologische verwachting binnen de bebouwde kom. In de regels en op de verbeelding is hiervoor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie categorie 3" opgenomen. Bouwen en/of het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en), is uitsluitend toegestaan - al dan niet onder bepaalde voorwaarden - nadat overleg heeft plaatsgevonden met een gemeentelijk archeoloog.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Inleiding

Bij de beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan gaat het zowel over het overleg dat bij de voorbereiding van het plan gevoerd is, als om de economische uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid speelt ook de handhaving een belangrijke rol.

7.2 Economische uitvoerbaarheid

Het uitwerkingsplan "Mozartweg 54” maakt de ontwikkeling mogelijk van 40 appartementen. Gelet op het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (= Besluit ruimtelijke ordening) aangewezen bouwplan is voorgenomen.Hiermee worden de bouwplannen bedoeld, die zijn omschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Het vaststellen van een exploitatieplan kan achterwege blijven als de kosten ‘anderszins verzekerd zijn’.

Mozartweg 54 is in eigendom van een ontwikkelaar. Tussen de gemeente en de ontwikkelaar wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het opstellen van een exploitatieplan kan daarom achterwege blijven. Inkomsten uit verkoop en plankosten lopen via de grondexploitatie.

7.2.1 Exploitatieplan of overeenkomst

Gemeenten zijn op grond van de Wro verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen. Ingeval de gemeente de uitgeefbare gronden in eigendom heeft, vindt verhaal van de kosten van de grondexploitatie plaats door verkoop van bouwrijpe grond. Ingeval de gemeente niet over de gronden beschikt, kan de gemeente een overeenkomst over grondexploitatie aangaan waarbij de grondeigenaar zich verbindt de kosten van grondexploitatie aan de gemeente te voldoen. Indien het niet mogelijk is het kostenverhaal bij overeenkomst te verzekeren dient er, gelijktijdig met het bestemmingsplan, een exploitatieplan vastgesteld te worden. In dat laatste geval worden de kosten van de grondexploitatie verhaald door een financiële voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden. Kostenverhaal met behulp van een exploitatieplan wordt het verplichte kostenverhaal genoemd, in tegenstelling tot het vrijwillige kostenverhaal bij overeenkomst. Overeenkomsten die tot stand komen voorafgaand aan de vaststelling van een exploitatieplan worden anterieure overeenkomsten genoemd. Ook na vaststelling van een exploitatieplan is het mogelijk een overeenkomst over grondexploitatie aan te gaan. Laatstbedoelde overeenkomsten worden posterieure overeenkomsten genoemd.

7.2.2 Conclusie

Met de ontwikkelaar wordt een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project in beginsel voor rekening en risico van de ontwikkelaar. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de ontwikkelaar aan de gemeente vergoed. Het bestemmingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.3.1 Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept-uitwerkingsplan is daarom voor commentaar toegestuurd naar de Regionale Uitvoeringsdienst RUD en het waterschap Vallei en Veluwe. Het concept is bovendien voorgelegd aan de Veiligheidsregio Utrecht.

Het uitwerkingsplan is in overeenstemming met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan Randenbroek-Schuilenburg 2007. Dat plan is in 2007 vastgesteld. Over dit plan (en daarmee over de uitwerkingsregels) is overleg gevoerd met diverse instanties en bestond voor iedereen de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen.
Er zijn geen reacties ontvangen waaruit blijkt dat de mogelijke ontwikkelingen in het voorliggende plangebied onacceptabel zijn. Daarom is het vooroverleg ook beperkt tot de bovengenoemde instanties.

7.3.2 Wettelijk (voor)overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In oktober 2017 hebben de volgende instanties het concept ontwerpuitwerkingsplan ontvangen met het verzoek om in het kader van artikel 3.1.1 Wro te reageren op het plan:

1. Veiligheidsregio Utrecht

2. Waterschap Vallei en Veluwe

Ad.1 Veiligheidsregio Utrecht

Veiligheidsregio Utrecht heeft op 27 oktober 2017 een reactie gegeven in het kader van het vooroverleg. De reactie is hieronder samengevat en van antwoorden voorzien.

  • a. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen per weg, spoor, water of buisleiding dan wel van objecten die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Reactie gemeente

De opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.

  • b. Naast externe veiligheid is ook gekeken naar de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. De te realiseren appartementen en garage zijn allemaal goed bereikbaar. Het plangebied is in voldoende mate voorzien van bluswatervoorzieningen. Geadviseerd wordt om de ontwikkelaar bij de verdere uitwerking van het bouwplan in overleg te laten treden met de brandweer over de relatie van de bereikbaarheid en bluswatervoorziening met eventueel aan te brengen (brand)veiligheidsvoorzieningen in en rond het bouwwerk.

Reactie gemeente

De opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen en wordt doorgegeven aan de ontwikkelaar.

Ad.2 Waterschap Vallei en Veluwe

  • a. Gevraagd wordt om welk oppervlakte regenwater naar de vijver wordt afgekoppeld. Tevens wordt gevraagd in hoeverre hier al met het waterschap afspraken over zijn gemaakt.

Reactie gemeente

In totaal gaat het om ongeveer 1.400 m2. In de huidige situatie wordt er meer water afgevoerd naar de vijver. De vijver vormt namelijk een communicerend vat met het omliggende regenwater-rioolstelsel.\

  • b. Het waterschap zal geen vergunning velenen voor (het lozen van water afkomstig van) een parmanente onttreking van grondwater ten behoeve van de parkeergarage. Een tijdelijke onttrekking ten behoeve van de bouw is wel mogelijk.

Reactie gemeente

De parkeergarage moet als een gesloten bak worden gebouwd. Van permanente onttrekking mag dus geen sprake zijn.

  • c. Uit het plan wordt niet duidelijk wat de omvang (lengte, breedte, diepte) van de parkeergarage zal zijn.

Reactie gemeente

De afmeting van de parkeerplaats en bergruimtes zijn in totaal 1.446 m2. De parkeergarage/kelder heeft een diepte van 3,5 m.

7.3.3 Procedure uitwerkingsplan

Het uitwerkingsplan zal de procedure doorlopen zoals die is bepaald in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat het uitwerkingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. De uitkomsten van deze terinzagelegging zullen in dit hoofdstuk worden verwerkt. De verwachting is dat hiermee de maatschappelijke uitvoerbaarheid bevestigd wordt.

.