Plan: | Buitengebied |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0285.20100-VS00 |
Wegverkeerslawaai en spoorweglawaai
Toetsingskader wegverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk). De breedte van een geluidszone van een weg is in tabel 4.1 weergegeven.
Tabel 4.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh
aantal rijstroken | breedte van de geluidszone (in meters) | ||
buitenstedelijk gebied | stedelijk gebied | ||
5 of meer | 600 | 350 | |
3 of 4 | 400 | 350 | |
1 of 2 | 250 | 200 |
De breedte van de geluidszone wordt hierbij gemeten vanaf de binnenzijde van de kantstreep van de buitenste rijstrook (aan weerszijden van de weg).
In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van binnenstedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden:
In principe dienen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen en de aanleg van nieuwe wegen langs bestaande geluidsgevoelige bestemmingen te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden dan dient onderzoek plaats te vinden naar geluidsreducerende maatregelen. Zijn dergelijke maatregelen onvoldoende doeltreffend of ontmoeten zij overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard, kan - onder voorwaarden - een verzoek worden gedaan bij het bevoegd gezag tot vaststelling van een hogere waarde. De in de Wgh vastgelegde uiterste grenswaarde mag daarbij niet worden overschreden. De hogere waarden moeten zijn vastgesteld, voordat het bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt vastgesteld.
Indien blijkt dat:
zal rekening moeten worden gehouden met de normen die de Wgh stelt ten aanzien van dergelijke situaties.
Toetsingskader railverkeerslawaai
Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. Voor nieuwe woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. De uiterste grenswaarde mag daarbij niet worden overschreden. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
In het buitengebied zijn twee spoorlijnen gelegen. De spoorlijn Apeldoorn-Deventer (traject 270) heeft een onderzoekszone van 300 m. De spoorlijn Apeldoorn-Zutphen (traject 260) heeft een onderzoekszone van 100 m.
Onderzoek en conclusie
Indien en voor zover in het buitengebied nieuwe geluidsgevoelige functies direct of via planwijziging worden toegestaan, is onderzoek noodzakelijk naar de vraag of de Wgh de bouw van die nieuwe functies mogelijk maakt en welke voorwaarden daarbij eventueel gelden.
Omdat in het bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies niet bij recht mogelijk worden gemaakt, is akoestisch onderzoek inzake wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai achterwege gebleven. Via afwijking worden wel mogelijkheden geboden om in voorkomende gevallen een 2e agrarische bedrijfswoning te realiseren. In die gevallen zal moeten worden aangetoond dat voldaan kan worden aan de voorwaarden van de Wet geluidhinder.
Luchthaven Teuge
Toetsingskader
In het aanwijzingsbesluit Luchthaven Teuge (20 maart 1997) is bepaald dat in bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden met de geluidszones van 60 bkl en 50 bkl die voor de luchthaven zijn vastgesteld. Per 1-1-2000 zijn de waarden van de contouren van de geluidszones met 3 bkl verminderd tot respectievelijk 57 bkl en 47 bkl. Met ingang van de wijziging van het Besluit geluidbelasting kleine luchtvaart (BGKL) per 8 juni 1997 is gemotiveerd afwijken mogelijk zonder een hogere waardeprocedure. Verklaring van geen bezwaar volgt als een open plek in bestaande bebouwing wordt ingevuld of zal dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing.
Met het per 1 november 2009 van kracht worden van de Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML) en de AmvB Besluit Burgerluchthavens, is het Besluit geluidbelasting kleine luchtvaart formeel vervallen. Nadat de Minister van I&M per 1-1-2011 de Omzettingsregeling luchthaven Teuge 1-op-1 heeft vastgesteld, is de provincie Gelderland het bevoegd gezag geworden. De provincie moet vóór 1-11-2014 een luchthavenbesluit nemen over luchthaven Teuge waarin de geluidscontour in Lden wordt opgenomen. Tot dat moment geldt het beperkingengebied als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid van de Wet Luchtvaart. Voor dit gebied gelden de ruimtelijke beperkingen, zijnde de 47bkl-contour en de 57 bkl-contour, die opgenomen zijn in het Besluit geluidbelasting kleine luchtvaart (Bgkl), dat op grond van artikel X van de Wet RBML zijn werking behoudt. Binnen de 47 bkl-contour is onder voorwaarden bebouwing mogelijk. Het college van burgemeester en wethouders kan gemotiveerd afwijken voor het bouwen binnen de 47 bkl-contour (luchtvaart geluidszone 2).
Naar verwachting lig(t)gen de toekomstige Lden-contouren van de 48 dB, 56 dB en 70 dB als vermeld in artikel 12 van het Besluit burgerluchthavens dichter bij de luchthaven. De provincie wenst de bestaande bkl-contouren vooralsnog als fictieve grens te handhaven om bebouwing richting de luchthaven te beperken.
Hoogtebeperkingen
Er gelden vanuit de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) hoogtebeperkingen met het oog op de vliegveiligheid. Doel hiervan is het luchtruim op en rond luchthavens vrij te houden van hoge objecten om zodoende de vliegtuigoperaties van en naar de luchthaven veilig te kunnen uitvoeren. Zo wordt voorkomen dat de omgeving van een luchthaven ongecontroleerd wordt volgebouwd. De hoogtebeperkingen zijn gebaseerd op internationale burgerluchtvaart regels en voorschriften.
Onderzoek en conclusie
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies bij recht mogelijk. Via afwijking worden wel mogelijkheden geboden om in voorkomende gevallen een 2e agrarische bedrijfswoning te realiseren. Nieuwe woningen worden uitgesloten binnen de 47- en 57-bkl-zone. Het college van burgemeester en wethouders kan gemotiveerd afwijken voor het bouwen binnen de 47 bkl-contour.
Voor alle gronden waar een hoogtebeperking geldt (zie figuur 4.1) is gekeken of het bestemmingsplan bouwmogelijkheden biedt. In geen enkel geval biedt het bestemmingsplan bouwmogelijkheden die als gevolg van de hoogtebeperking niet zijn toegestaan. De hoogtebeperkingen zijn daarom niet op de verbeelding opgenomen.
Leidingen
In het buitengebied zijn vier planologisch relevante leidingen aanwezig: een gasleiding, een brandstofleiding, een rioolleiding en een bovengrondse hoogspanningleiding. Deze leidingen worden voorzien van een dubbelbestemming waarmee de leiding en de belemmeringenstrook geregeld en beschermd worden.
Radarverstoringsgebied
Het westelijk deel van het buitengebied is gelegen in het radarverstoringsgebied van de radar Nieuw Milligen. Ter voorkoming van radarverstoring gelden hier beperkingen ten aanzien van de hoogte van gebouwen en bouwwerken. Voor nieuw te bouwen gebouwen en bouwwerken die hoger zijn dan 45 m boven maaiveldhoogte dient een radarverstoringsonderzoek uitgevoerd te worden. Als deze gebouwen een vermindering van het radarbereik van meer dan 10% tot gevolg hebben, worden deze gebouwen en bouwwerken niet toegestaan. De maaiveldhoogte ter plaatse van radar Nieuw Milligen bedraagt 35 m boven NAP. De toetsingshoogte bedraagt 80 m boven NAP.
In het bestemmingsplan Buitengebied worden geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk gemaakt van 80 m of meer.
Figuur 4.1 Hoogtebeperkingen vliegveld Teuge
Luchtkwaliteit
Toetsingskader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door het Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:
In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Consequenties voor het bestemmingsplan
In het bestemmingsplan worden bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat alleen rekening wordt gehouden met de autonome ontwikkeling van reeds bestaande functies. Deze ontwikkelingen zijn dermate kleinschalig, dat deze vallen onder het Besluit niet in betekenende mate en dat nader onderzoek inzake luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Uit het planMER blijkt dat binnen de gemeente Voorst geen sprake is van overschrijdingssituaties. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
Bodemkwaliteit
Toetsingskader
Volgens artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied.
Hierbij wordt in het algemeen bij de beoordeling van bestemmingsplannen de richtlijn gehanteerd dat ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, wordt verricht op alle bestemmingen waar een functiewijziging wordt voorzien. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Nieuwe bestemmingen mogen volgens de Woningwet alleen op grond vrij van bodemverontreiniging worden gerealiseerd. Dat is een bodemsamenstelling met een achtergrondwaarde die voldoet aan de kwaliteit AW2000 of Wonen conform de Nota bodembeheer van de gemeente Voorst.
Onderzoek en conclusie
In het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen bij recht mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is om deze reden niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
Milieuhinder agrarische bedrijven
Toetsingskader
- Besluit glastuinbouw
Binnen het plangebied bevinden zich glastuinbouwbedrijven. Met name als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, kunnen in de directe omgeving van glastuinbouwbedrijven milieuhinder en gezondheidsrisico's optreden. Het is daarom gewenst om in nieuwe situaties een zekere afstand tussen gevoelige bestemmingen en kassen aan te houden. In het Besluit glastuinbouw (2002) is aangegeven dat glastuinbouwbedrijven vergunningplichtig zijn, tenzij bepaalde afstanden in acht worden genomen. Deze afstanden zijn afhankelijk van de soort bebouwing in de omgeving van de glastuinbouwbedrijven. Tabel 4.2 geeft hier een overzicht van.
Tabel 4.2 Aan te houden afstand tussen glastuinbouwbedrijf en (gevoelig) object
soort objecten | aan te houden afstand | ||
indien glastuinbouwbedrijf voor 1 mei 1996 is opgericht (met inbegrip van eventuele uitbreidingen) | indien bedrijf na 30 april 1996 is opgericht | ||
categorie I: bijvoorbeeld aaneengesloten woonbebouwing, gevoelig object | 25 m | 50 m | |
categorie II: bijvoorbeeld niet aaneengesloten woonbebouwing, restaurant | 10 m | 25 m |
- Besluit landbouw milieubeheer
Het Besluit landbouw milieubeheer (Blm) is van toepassing op melkrundveehouderijen, akkerbouw- en tuinbouwbedrijven met open grondteelt, gemechaniseerde loonbedrijven, paardenhouderijen, kinderboerderijen, kleinschalige veehouderijen, witloftrekkerijen, teeltbedrijven met eetbare paddenstoelen, spoelbassins en opslagen van vaste mest. Intensieve veehouderijen vallen hier niet onder.
Het Blm bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Blm valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in de onderstaande tabel 4.3 Naast de in de tabel genoemde afstanden, gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke.
Tabel 4.3 Minimale afstanden landbouwbedrijven niet zijnde intensieve veehouderij
inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden | inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden | ||
min. afstand tot objecten cat. I en II | 100 m | 50 m | |
min. afstand tot objecten cat. III, IV en V | 50 m | 25 m |
De indeling van objecten is in tabel 4.4 weergegeven.
Tabel 4.4 Indeling van objecten
object categorie |
omschrijving |
I | 1. bebouwde kom met stedelijk karakter 2. ziekenhuis, sanatorium, en internaat 3. objecten voor verblijfsrecreatie |
II | 1. bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving 2. objecten voor dagrecreatie |
III | 1. verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent |
IV | 1. woning behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn 2. verspreid liggende niet-agrarische bebouwing |
V | 1. woning, behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn |
Overigens zullen de afstanden tot gevoelige objecten in de toekomst nog worden afgestemd op de Wet geurhinder en veehouderij.
- Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader luidt als volgt (zie ook tabel 4.5):
Tabel 4.5 Geldende waarden/afstanden intensieve veehouderijen
concentratiegebied | niet-concentratiegebied | afstand buitenzijde dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object | |||||
binnen bebouwde kom | diercategorieën Rgv | max. 3 ouE/m³ | max. 2 ouE/m³ | min. 50 m | |||
andere diercategorieën | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | |||||
buiten bebouwde kom | diercategorieën Rgv | max. 14 ouE/m³ | max. 8 ouE/m³ | min. 25 m |
Onderzoek en conclusie
In het plangebied is een groot aantal agrarische bedrijven van uiteenlopende aard gevestigd. In de afweging van belangen die noodzakelijk is bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies waaronder het wonen in de nabijheid van deze bedrijven, dient rekening te worden gehouden met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Dat geldt evenzeer bij het mogelijk maken van uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven. Door afstandseisen op te nemen in de regels wordt voorkomen dat door de uitvoering van het bestemmingsplan bestaande agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Stikstofdepositie Natura 2000
PlanMER
De Natura 2000-gebieden in en rond de gemeente Voorst worden bedreigd door verdroging, vermesting en verzuring. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan Buitengebied, is met name de stikstofdepositie als gevolg van de veehouderijen maatgevend voor de beoordeling van de (potentiële) effecten van het bestemmingsplan op Natura 2000. In het planMER en de daarin opgenomen passende beoordeling is een tweetal ontwikkelingsscenario's voor de veehouderijen uitgewerkt en onderzocht. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt aan agrarische bedrijven in theorie kunnen leiden tot een grote stikstofemissie en extra depositie op Natura 2000. In het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. wordt opgemerkt dat het MER geen mitigerende maatregelen of alternatieven beschrijft waarmee deze extra depositie kan worden uitgesloten en daarmee geen uitvoerbaar alternatief. De gemeente Voorst onderschrijft deze conclusie niet. Hierna volgt een toelichting op de wijze waarop in het bestemmingsplan en buiten het bestemmingsplan om wordt gekomen tot een reductie van de stikstofemissie vanuit het buitengebied van de gemeente Voorst.
Beperking stikstofdepositie: in het bestemmingsplan Buitengebied Voorst
In het bestemmingsplan Buitengebied wordt op verschillende manieren de potentiële stikstofdepositie beperkt. De bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan sluiten aan bij de zonering uit het reconstructieplan. Wanneer toekomstige initiatieven plaatsvinden buiten het bouwvlak, dient gebruik te worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid. Bij de wijzigingsbevoegdheden is als voorwaarde opgenomen dat het plan 'milieuhygiënische' inpasbaar is. Hoe met het begrip milieuhygiënisch inpasbaar omgegaan moet worden is beschreven in de juridische planbeschrijving. Dat betekent dat wanneer het college gebruik maakt van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de vergroting van een agrarisch bouwperceel, de uitvoerbaarheid in het kader van de Nb-wet moet worden aangetoond. Verder is naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan etagebouw expliciet uitgesloten.
De gemeente Voorst heeft ervoor gekozen om in het bestemmingsplan, voor wat betreft de directe bouwmogelijkheden, geen vergaande consequenties te verbinden aan de berekende potentiële toename van stikstofdepositie. Om significante negatieve effecten al in het ruimtelijk spoor helemaal uit te sluiten, zouden binnen (grote delen van) het plangebied nieuwe stallen niet bij recht moeten worden toegestaan, of een aantal bestaande grote bronnen moeten worden gesaneerd. Het beperken van vigerende planologische rechten is onaanvaardbaar in het buitengebied van Voorst waar de veehouderijen een belangrijke rol spelen. Om de volgende redenen acht de gemeente dit ook niet noodzakelijk:
Beperking stikstofdepositie: buiten het bestemmingsplan Buitengebied om
Gezien de aard en omvang van de stikstofproblematiek is het onmogelijk om op het niveau van het gemeentelijke bestemmingsplan Buitengebied een sluitende oplossing te bieden. Buiten het bestemmingsplan om zijn er echter diverse sporen waarbinnen (vooruitlopend op het in werking treden van de Programmatische Aanpak Stikstof) gewerkt wordt aan het terugdringen van de stikstofdepositie. Bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale stikstofbank die het mogelijk maakt om voor de uitbreiding of nieuwvestiging van een veehouderij gebruik te maken van saldering.
De gemeente Voorst onderschrijft het belang van het terugdringen van de stikstofdepositie en levert hieraan een actieve bijdrage. Uit CBS-gegevens blijkt dat binnen de gemeente Voorst het aantal intensieve veehouderijen en aantal (intensieve) dieren het afgelopen decennium is gedaald. Voor de grondgebonden veehouderijen is sprake van een afname van het aantal bedrijven, waarbij het aantal dieren vrijwel gelijk gebleven is. De gemeente heeft een actief beleid als het gaat om het intrekken van lege vergunningen. Door het intrekken van deze vergunningen in combinatie met de strenge eisen waaraan nieuwe initiatieven dienen te voldoen, is op gemeentelijk niveau de afgelopen jaren sprake geweest van een reductie van de stikstofemissie in het buitengebied. In de afgelopen 2 jaren is de volledige vergunning van ruim 20 bedrijven ingetrokken. Het aantal kleine agrarische bedrijven is in dit plan met circa 50% verminderd tot ongeveer 50 stuks. Concreet lopen er zeven trajecten van functieverandering waarbij agrarisch bouwperceel wordt verwijderd en wordt omgezet in een woonbestemming. Daarnaast zitten er nog circa 20 functieveranderingstrajecten in de pijplijn. In totaal is hiermee circa 20 ha agrarisch bouwperceel verdwenen en er zal nog meer verdwijnen vanwege de lopende trajecten van functieverandering. Door de uitbreiding die geboden is aan de bestaande agrarische bedrijven met toekomstperspectief is het areaal aan agrarisch bouwperceel met circa 20 ha toegenomen. Daarmee is de uitbreiding aan areaal agrarisch bouwperceel in evenwicht met de afname vanwege bedrijfsbeëindiging. Conclusie is dat er in het nieuwe bestemmingsplan netto geen sprake is van uitbreiding qua oppervlakte agrarisch bouwperceel. Er is in het bestemmingsplan niet geanticipeerd op eventuele ontwikkelingen na 2015 als de melkquota vervallen. Dat wil zeggen dat er geen beperkende maatregelen op voorhand zijn getroffen, maar dat evenmin bedrijven op voorhand uitbreidingsruimte is gegeven. Het is moeilijk te voorzien welke consequenties het afschaffen van de melkquotering heeft voor het bestemmingsplan. De verwachting is dat een uiterst beperkt aantal bedrijven zal doorontwikkelen terwijl het grootste gedeelte zal afbouwen omdat men de ontwikkeling niet mee kan maken. Gezien de afhankelijkheid van grond in verband met de voervoorziening en de mestafzet is het niet de verwachting dat veel bedrijven deze ontwikkelingsstap kunnen zetten. Gezien de onzekerheid op dit moment is er dan ook geen reden om te anticiperen.
Uit deze gegevens blijkt dat enerzijds sprake is van een autonome ontwikkeling van de veehouderijsector in de gemeente Voorst waarbij bedrijven met opvolgers en groeipotentie verder ontwikkelen. Anderzijds stoppen bedrijven hun bedrijfsvoering en worden milieuvergunningen ingetrokken.
Externe veiligheid
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken1 en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
- Risicovolle inrichtingen
Met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Grenswaarden moeten in acht worden genomen, van richtwaarden kan uitsluitend om gewichtige redenen worden afgeweken. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen (op enkele uitzonderingen na), gebouwen waar kwetsbare groepen mensen verblijven en gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn. Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn bedrijfsgebouwen, kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object en winkels/winkelcomplexen die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt. Beide waarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als buitenwettelijke oriëntatiewaarde.
- Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar.
De oriëntatiewaarde voor het GR bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment gemeten per kilometer en per jaar: - 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; - 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; - 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; - enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde). |
Recent is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarmee is in aansluiting op het Bevi ook voor buisleidingen een systematiek met PR en GR geïntroduceerd.
Onderzoek
- Inrichtingen
Binnen het plangebied en in de omgeving bevinden zich verschillende tankstations waar verkoop van lpg plaatsvindt. Daarnaast zijn er binnen de gemeente twee inrichtingen die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen):
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk binnen de PR 10-6-contouren van de verschillende risicovolle inrichtingen. Ook worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied. De uitvoering van het bestemmingsplan zal dan ook geen gevolgen hebben voor de hoogte van het GR.
Het bestemmingsplan sluit de vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen expliciet uit.
- Transport van gevaarlijke stoffen
Over de A1 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit de gegevens uit het bijlagenrapport bij het Basisnet Weg blijkt dat het groepsrisico voor het betreffende wegvak kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Ook over de provinciale wegen binnen het gebied, het spoor en de IJssel vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Het gebied wordt doorsneden door verschillende gasleidingen en een brandstofleiding. De gegevens van de leidingen zijn weergegeven in onderstaande tabel. De risicovolle leidingen zijn met een belemmeringstrook opgenomen op de verbeelding en in de regels.
leiding | soort | PR 10-6 | diameter | druk | invloedssfeer | GR |
N-559-20 | aardgas | 0 m | 8 inch | 40 bar | 95 m | < oriëntatiewaarde |
N-554-01 | aardgas | 0 m | 12 inch | 40 bar | 140 m | < oriëntatiewaarde |
N-554-03 | aardgas | 0 m | 7 inch | 40 bar | 80 m | < oriëntatiewaarde |
A-651 | aardgas | 0 m | 16 inch | 40 bar | 170 m | < oriëntatiewaarde |
defensieleiding | olie | 0 m | 8,63 ich | 80 | 0 m | < oriëntatiewaarde |
De PR 10-6-contouren van de betreffende leidingen bedragen 0 m. Gezien de lage personendichtheden in het gebied, zal het GR in alle gevallen ruimschoots onder de oriëntatiewaarde zijn gelegen. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied langs de leidingen en daarmee tot een toename van het GR. Een berekening van het GR wordt om deze redenen niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er uit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Zone industrielawaai
Voor het industrieterrein Terwolde/Scherpenhof is bij Koninklijk besluit van 26 juli 1991 een geluidszone vastgesteld. De geluidszone heeft betrekking op het bedrijf Betonindustrie Terwolde en de voormalige kartingbaan op het recreatieterrein Scherpenhof. De geluidszone wordt op de verbeelding aangegeven.