direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nijmegen Oud West 2015
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Alle bestemmingsplannen van de gemeente Nijmegen zijn per 1 juli 2013 geactualiseerd. In deze laatste actualisatieronde is het aantal bestemmingsplannen voor de bestaande stad teruggebracht van (ruim) 600 naar circa 20 bestemmingsplannen.

Het actualiseren van bestemmingsplannen is een wettelijke taak. Bestemmingsplannen moeten om de 10 jaar worden geactualiseerd. De actualisatie van bestemmingsplannen is dan ook een continu proces. Het doel van de actualisatie is dat er steeds een actueel overzicht bestaat van de bouw-en gebruiksmogelijkheden in een gebied.

Het bestemmingsplan voor Nijmegen Oud West is vastgesteld in oktober 2006. Om aan de wettelijke verplichting te voldoen dient er voor oktober 2016 een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied te worden vastgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is niet gewijzigd ten opzichte van het voorgaande plan. Het plangebied Nijmegen Oud West 2015 wordt aan de noordzijde begrensd door de Weurtseweg en de Voorstadslaan; aan de westzijde door de Rivierstraat, Oscar Carréstraat, Schependomlaan, Wolfskuilseweg en de Groenestraat; aan de zuidzijde door de spoorlijn Nijmegen-Den Bosch; en aan de oostzijde door het stationsemplacement, met uitzondering van het deelgebied omsloten door de Fresiastraat, Koninginnelaan, Eerste Oude Heselaan en het stationsemplacement (dit valt in het bestemmingsplan Nijmegen Centrum-Stationsomgeving).

Het plangebied bestaat uit de volgende wijken: Biezen (tot aan de Weurtseweg), Wolfskuil (met uitzondering van de Tunnelweg) en een gedeelte van Hees.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0001.jpg"

kaart: plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan Nijmegen Oud West in 2006 heeft er een aantal ontwikkelingen in het plangebied plaatsgevonden, waarvoor per ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) of projectbesluit is opgesteld. Met dit bestemmingsplan komen het bestemmingsplan Nijmegen Oud West uit 2006 en de postzegelbestemmingsplannen die nadien zijn opgesteld te vervallen. Het bestemmingsplan Nijmegen Oud West 2015-1 (Rozenbuurt) betekent de eerste wijziging van dit bestemmingsplan. In Bijlage 1 is een overzicht van de plannen opgenomen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 vindt een beschrijving van het plangebied plaats. Er wordt ingegaan op de ruimtelijke structuur van het plangebied, cultuurhistorie, archelogie en beeldkwaliteit. In hoofdstuk 3 wordt het ruimtelijk beleidskader beschreven. Er wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijke beleidskader beschreven waarbij wordt ingegaan op de verschillende functies in het plangebied, zowel beleidsmatig als beschrijvend. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welke ontwikkeling de laatste jaren in het plangebied hebben plaatsgevonden of nog zullen plaatsvinden. Voor een tweetal ontwikkelingen is een ruimtelijke onderbouwing opgeomen: de aanleg van park Kraaij aan de Spechtstraat en voor het MKK terrein (Fenikshof). In hoofdstuk 7 komt de plansystematiek aan de orde. Hierin wordt aangegeven hoe de verschillende functies zijn bestemd. Hoofdstuk 8 omvat de retrospectieve toets waarin wordt aangegeven of bestaande situaties in bouw en gebruik in overeenstemming zijn met de vigerende bestemmingsplannen en verleende vergunningen. Tot slot is in hoofdstuk 9 ingegaan op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hierbij wordt ook ingegaan op de overlegreacties.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Ruimtelijke structuur

2.1.1 Algemeen

De ruimtelijk stedenbouwkundige structuur van het plangebied wordt gevormd door drie stedelijke radiale wegen vanuit het centrum en een aantal oude "linten", die nu fungeren als ruimtelijke "dragers" van het gebied. De historische linten verbonden van oorsprong de in het westen gelegen dorpen en kerkdorpen met de stad. Aan deze wegen lag bebouwing met voornamelijk een agrarische of een dienstverlenende functie. Na het afbreken van de stadsmuren rond de binnenstad aan het einde van de 19e eeuw werden aan de linten of uitvalswegen de eerste villa's gebouwd voor de gegoede Nijmeegse burger die de chaos van de binnenstad wilde ontvluchten. Op veel plaatsen is de oorspronkelijke lintbebouwing nog aanwezig. Tussen de linten ontstonden verbindingswegen en de aldus ontstane ruimten werden in opeenvolgende periodes bebouwd met complexmatige woningbouw afgewisseld met kleinschalige bedrijventerreinen. Een aantal van deze wooncomplexen dateert van voor de Eerste Wereldoorlog. De meeste zijn in de periode tussen WO I en WO II gebouwd (interbellum). In de 70-er jaren van de vorige eeuw zijn op een aantal voormalige bedrijventerreinen in het kader van de stadsvernieuwing samenhangende buurtjes gerealiseerd. En ook in het begin van de eenentwintigste eeuw is een aantal bedrijventerreinen getransformeerd tot compacte woongebieden met een duidelijk herkenbaar onderscheidende architectuur.

Het plangebied bestaat overwegend uit laagbouw. Slechts sporadisch is sprake van een enkel gebouw in middelhoogbouw. Aan de Marialaan staat de enige hoogbouw in het gebied. Hier staat sinds de herstructurering van het voormalige bedrijventerrein een woontoren in 15 lagen. Door de dichte, stedelijke bebouwing én functie is dit terrein tot een ruimtelijk zwaartepunt in het gebied geworden.

In het plangebied komen relatief weinig grotere openbare groengebieden voor. Hierdoor is het beeld bij met name de oudere complexen erg steenachtig. Om deze reden vormen de kleine parkjes, plantsoenen en groene enclaves bijzondere plekken in de ruimtelijke structuur. Aan de rand van het gebied Oud West liggen twee parken van enig formaat: het Distelpark en het Florapark. Het Florapark is ontstaan door de groene helling (steilrand) aan de Floralaan ruimtelijk te verbinden met de tuin van villa De Wolfskuyl en het bosfragment aan de Graafseweg. Het Distelpark is in de jaren zestig aangelegd en ten tijde van de realisatie van park West opnieuw ingericht. Het Distelpark vormt nu een uitloper van het naast het plangebied gelegen grootschalige groengebied Park West.

Oud West kan in algemene zin beschreven worden als een tuinstadachtige woonwijk met overwegend eengezinswoningen. Door de gefragmenteerde groei in tijd en locatie is de hoofdstructuur van Oud West als geheel minder helder. Op buurtniveau is de ruimtelijke structuur wel goed herkenbaar. De afleesbare historische structuur en de onderscheidende woningbouwensembles zijn waardevolle kenmerken van het plangebied. De langzaam veranderende opvattingen over de wijze van verkavelen en de relatie tussen privé en openbaar komen goed tot uitdrukking in de opeenvolgende woningbouwcomplexen van vóór maar ook bij de complexen van na de Tweede Wereldoorlog.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0002.jpg"

kaart: ruimtelijke structuur

Globaal gezien zijn de volgende buurten te onderscheiden:

  • Waterkwartier en de Biezen;
  • Omgeving Krayenhofflaan;
  • Omgeving Schependomlaan;
  • Omgeving Koninginnelaan;
  • Wolfskuil;
  • Rozenbuurt.

Overigens dienen de hier genoemde buurten "Waterkwartier en de Biezen" en "Wolfskuil" niet verward te worden met de gelijknamige wijken. Het zijn in dit verband slechts delen van de betreffende wijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0003.jpg"

kaart: buurten

Overigens dienen de hier genoemde buurten "Waterkwartier en de Biezen" en "Wolfskuil" niet verward te worden met de gelijknamige wijken. Het zijn in dit verband slechts delen van de betreffende wijken.

2.1.2 Thema's

Doordat de buurten in verschillende periodes gebouwd zijn, zijn er verschillende ruimtelijke karakteristieken en kenmerken te onderscheiden. In Oud West zijn de volgende stedenbouwkundige thema's herkenbaar:

Historische bebouwingslinten

De historische bebouwingslinten zijn veelal ontstaan voor 1900, buiten de toenmalige stad Nijmegen. Het zijn de eerste bebouwingsconcentraties langs de oude verbindende (land)wegen van en naar omliggende dorpen en buurtschappen zoals Hees, Neerbosch, Brakkenstein en Sint Anna. Langs wegen stond de meer landgebonden, vrijstaande agrarische bebouwing met boerderijen en arbeiderswoningen en kleine bedrijven, overwegend met één tot twee bouwlagen onder een kap. Veel van oorsprong agrarische linten zijn later echter steeds verder verdicht, vaak met bedrijvigheid, industrie en villa´s van de welgestelde Nijmegenaren. Het bebouwingspatroon is vaak grillig, in samenhang met oorspronkelijke landschappelijke structuren. Soms is er sprake van intensievere bebouwing op smallere percelen richting de kern. Het continue element bij linten is de lineaire structuur waarlangs de panden zijn gebouwd; een dijk of een weg. De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen: de oorspronkelijke structuur was open, met veel doorzichten naar het achterliggende gebied.

Bebouwing langs de linten kan vandaag de dag bestaan uit vrijstaande boerderijen en arbeiderswoningen, maar ook uit marginale bedrijvigheid, rijtjeswoningen, winkels of een school, landhuizen en historische of moderne luxe villa's. Langs de linten staan vaak begeleidende bomen die voor samenhang zorgen. In de loop der tijd werd deze bebouwing in het stedelijk gebied opgenomen, maar omdat de bebouwingsstructuur en het historische uiterlijk van de bebouwing soms sterk afwijkt van de latere stadsuitbreidingen zijn de oude bebouwingslinten nog duidelijk herkenbaar. De historische fragmenten hebben vaak een zekere charme, alleen al omdat de structuur van de bebouwing een afwisseling vormt in een gebied dat later verstedelijkt is.

Tuindorpen en tuinwijken

Na invoering van de Woningwet in 1901 werden vrij ruim opgezette, groene arbeiders- en middenstandswijken gebouwd. De negentiende-eeuwse stadsuitleg was rond 1920 volledig ingevuld met hoofdzakelijk particuliere villa's en herenhuizen. De minder bedeelden waren achtergebleven in de sterk verdichtte en overvolle oude stad met benauwde en onhygiënische woonomstandigheden. De gezondheidscommissie hield een pleidooi voor de oprichting van woningbouwverenigingen ten behoeve van de bouw van arbeiderswoningen. Deze woningen moesten bij voorkeur gebouwd worden in West, omdat de nieuwe industrieën zich daar hadden gevestigd. Bovendien was de grondprijs in West laag. Aldus werden grote concentraties arbeiderswoningen complexmatig gebouwd in de wijken Waterkwartier, de Biezen en Wolfskuil. De door de woningbouwverenigingen ingehuurde architecten lieten zich met name inspireren door het tuinstad idee. Dit concept werd voornamelijk toegepast in de stedelijke periferie en was gericht op een doelmatig, gevarieerd en kleinschalig bebouwingsbeeld met de schaal van een dorp.

De kleinschalige woningbouwcomplexen uit de jaren twintig hebben het karakter van tuindorpen: een overzichtelijke en hiërarchische structuur met pleinen, rechte hoofdstraten en korte intieme woonstraten. De gevelwanden met hun doorgaande rooilijn vormen de stevige achtergrond waartegen de tuin tot uitdrukking komt en ze definiëren de straat- en pleinruimtes. Soms is sprake van een 'tuinstadplein': een centraal gelegen plein dat slechts van één of twee kanten toegankelijk is. De toegangen tot het plein en de wijk hebben dikwijls de vorm van een poortwoning. De Amstelstraat is hier nog een goed voorbeeld van. Het Maasplein en het Nachtegaalplein zijn inmiddels vernieuwd.

De meeste wijken of buurten in het plangebied vallen onder de noemer "Tuinwijk". Tuinwijken zijn gerealiseerd in de dertiger tot zestiger jaren van de vorige eeuw. Zij waren gebaseerd op de traditionele blokverkaveling, vaak in de vorm van rijtjeshuizen in bouwblokken met open koppen. Hier en daar zorgt een verspringing in het stratenpatroon voor variatie en ruimte voor plantsoenen of speelplekken. De woningen hebben meestal voor- en achtertuinen. Muurtjes en hekjes vormen een duidelijke begrenzing van het privé terrein. Zowel in de Wolfskuil als in het Waterkwartier treffen we dergelijke beelden aan. Een ander voorbeeld van een tuinwijk is de buurt rond de Schependomlaan. Naast straten of blokken die als complex zijn gebouwd staan er ook individuele woningen in de vorm van vrijstaande of twee-onder-éénkapwoningen. Door de royalere opzet oogt woonomgeving groener. De architectuur van de woningen is vaak eenvoudig maar degelijk. De woningen zijn betrekkelijk ruim. Deze buurten worden over het algemeen hoog gewaardeerd, zeker als het een woonomgeving met woningen uit de dertiger jaren van de vorige eeuw betreft.

Herstructurering en vernieuwing

In Oud West zijn verschillende inbreidingslocaties herkenbaar. De door verlies van functie vrijgekomen plekken (veelal bedrijfslocaties) zijn in verschillende periodes ingevuld met woningbouwensembles. Kenmerkend hierbij zijn de verschillen in karakter en kwaliteit, afhankelijk van de tijd waarin ze gebouwd zijn.

Aan de Voorstadslaan, Weurtseweg, Biezenplein en Waterstraat liggen woningbouwcomplexen die in de jaren 70 van de vorige eeuw in het kader van de stadsvernieuwing zijn gerealiseerd. Kenmerkend is de afwijkende stedenbouwkundige structuur ten opzichte van de tuinwijken. Deze complexen bestaan uit woonerven met een combinatie van gestapelde en grondgebonden woningen in verspringende rooilijnen. Ook de architectuur (materiaal en kleurkeuze) wijkt duidelijk af van die van de tuinwijken. Voorbeelden zijn het woonbuurtje op het voormalig Gelderland-Tielenterrein (Voorstadslaan/Heselaan) en het gebied Havikstraat/Sperwerstraat.

Vanaf de jaren negentig zijn de inbreidingslocaties meer 'marktconform' herontwikkeld, onder invloed van een beoogde privatisering van de woningbouw. Deze locaties hebben een duidelijk imago, dat onder andere naar voren komt in een uitgesproken architectuur. Voorbeeld is het woningbouwcomplex op het voormalige Key-terrein aan de Weurtseweg.

De inbreidingslocaties uit het begin van deze eeuw onderscheiden zich nog sterker van de omliggende tuinwijken door een hogere dichtheid en (appartementen)gebouwen met een eigen, zeer onderscheidende architectuur. Aan de Sperwerstraat is de bedrijfsbebouwing vervangen door een woonhof met studentenwoningen, woon- en zorgappartementen. De nieuwbouw aan de Marialaan bestaat uit appartementen en winkels met een welhaast hoogstedelijk karakter. Ook bij deze inbreidingen zijn door de vormgeving van de bouwmassa's en de samenhang in de architectonische uitwerking daarvan, herkenbare ensembles ontstaan.

Naast de herstructurering van bedrijventerreinen heeft er op een aantal plaatsen de binnen de voor- en naoorlogse buurten (grootschalige) woningvernieuwing plaatsgevonden. Bij de grotere vernieuwingsplannen is hierbij gepoogd nieuwe ensembles in de typologie van het tuindorp of tuinwijk te realiseren, terwijl kleine plannen zich voegen in een bestaand ensemble. Voorbeelden zijn de nieuwbouw aan de Rijn - Lekstraat en het Nachtegaalplein.

2.1.3 Buurten

Hieronder volgt een korte beschrijving van de ruimtelijk herkenbare en samenhangende buurten.

Waterkwartier en de Biezen

Kenmerkend voor deze buurten is de variatie in bebouwing en gebruik. In de wijk komen nog relatief veel bedrijven voor. Qua beeld zorgen ze voor een onderbreking in het grotendeels uniforme karakter met grondgebonden rijtjeswoningen. Een aantal samenhangende complexen is te onderscheiden:

  • woningbouwcomplex tussen Rivierstraat, Industrieweg, Waterstraat, Niersstraat;
  • woningbouwcomplex rondom Maasplein;
  • woningbouwcomplex Amstelstraat e.o.;
  • woningbouwcomplex op voormalig Keyterrein (tussen Biezenstraat en Weurtseweg)

De "dragers" van deze buurt zijn de voormalige linten: de Voorstadslaan, Marialaan, Waterstraat en Biezenstraat. Tussen deze straten zijn gedurende de eerste helft van de vorige eeuw de afzonderlijke buurten gebouwd. Het buurtje rond de Merwede- en Amstelstraat is nog een gaaf voorbeeld van een tuindorp. Dit buurtje is aangewezen als het gemeentelijk beschermd stadsbeeld Waterkwartier. Het overige deel van Biezen/Waterkwartier werd voor en na de Tweede Wereldoorlog successievelijk bebouwd met overwegend strokenbouw volgens het tuinstad idee. Meer recent is na afbraak van bedrijfsterrein Key rondom de behouden fabrikantenvilla een buurtje met een geheel eigen identiteit gebouwd (platte daken en een eigentijdse architectuur). Aansluitend hierop is recentelijk de woonbebouwing aan de Maasstraat en Waalstraat vernieuwd. Na sloop van het kerk/kloostercomplex op de hoek Waterstraat-Biezenstraat is hier een gestapeld nieuwbouwproject gebouwd. Ook aan het Maasplein is een gestapeld woningbouwcomplex gebouwd. Qua uitstraling worden deze complexen gekenmerkt door de periode waarin ze gebouwd zijn. Rond 2009 is een deel van de oorspronkelijke tuinstad woningbouw rond de Rijn- en Lekstraat vervangen. Bij de vervangende nieuwbouw is qua typologie en architectonische uitwerking aansluiting gezocht bij het beeld van omliggende tuinwijk.

Samenvattend zijn de ruimtelijke kenmerken:

  • langs de oude lange lijnen de lintbebouwing, gevarieerd qua volume en gebruik (Voorstadslaan, Marialaan, Biezenstraat, Waterstraat, Krayenhofflaan);
  • strokenbouw aan de tussen deze lange lijnen gelegen woonstraten;
  • inbreidingen op de vrijgekomen voormalige bedrijventerreinen;
  • differentiatie in bebouwing: vooroorlogs, naoorlogs en stadsvernieuwing vanaf de 70er jaren;
  • aanwezigheid van grote en minder grote bedrijfsbebouwing.

Krayenhofflaan

De grens van deze buurt wordt gevormd door de driehoek spoordijk, Voorstadslaan en Marialaan. De bebouwing langs de Eerste Oude Heselaan en de Krayenhofflaan is ontstaan vanaf begin 1900. Deze bebouwing ontstond niet planmatig, maar werd door particuliere eigenaren gerealiseerd. Dit resulteerde in architectonisch diverse bouwstijlen, maar met een eenheid in de opbouw van de panden. Zo liggen aan de Eerste Oude Heselaan een reeks van woningen met een souterrain en een bel-etage. Veel van de woningen dateren uit de dertiger jaren van de vorige eeuw. De Havikstraat en de Sperwerstraat zijn dwarsverbindingen uit de naoorlogse periode met de bij deze tijd behorende eengezinswoningen. De karakteristieke bebouwing in combinatie met laanbeplanting zorgt, mede dankzij de ligging aan het groene spooremplacement, voor een aantrekkelijk woonklimaat. Sinds de zeventiger jaren beëindigden veel bedrijven hun activiteit of verplaatste deze naar elders. De vrijkomende terreinen werden sindsdien benut voor woningbouw. De kenmerken van deze vervangende nieuwbouw zijn weer terug te voeren naar de tijd waarin ze gebouwd zijn: de zeventiger jaren met zijn stadsvernieuwing gebaseerd op de compacte stad gedachte. Smalle straatjes met korte rechtstanden en doodlopende straatjes die het hard rijden van autoverkeer moesten beperken, gebaseerd op de woonerfgedachte (bijv. de Havikstraat en Sperwerstraat). Het complexmatige wijkje tussen de Marialaan en Sperwerstraat is gebouwd op het terrein dat vrijkwam na verplaatsing van de papierfabriek Gelderland-Tielen in de jaren 70/80 van de vorige eeuw. Het bestaat uit een aantal gestapelde en grondgebonden woningen aan verspringende straten die door architectuur en materiaalkeuze als een stedenbouwkundige eenheid gezien kan worden. Hierdoor wijkt het duidelijk af van de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur van dit deel van het plangebied. Hetzelfde geldt voor de vervangende nieuwbouw op voormalige terrein van het bedrijf Hartman aan de Sperwerstraat. De bedrijfshallen zijn hier zeer recentelijk vervangen door een woonhof met studentenwoningen woon- en zorgappartementen. Het voormalige bedrijventerrein rond de Kievitstraat en Koekoekstraat is recentelijk getransformeerd met gestapelde woningen in appartementengebouwen en commerciële functies op de begane grond. Door de hoge, stedelijke dichtheid (vijf tot acht lagen met een accent van 15 lagen), de concentratie van winkels en de afwijkende strakke baksteenarchitectuur vormt het gebied een herkenbaar middelpunt in Oud West. Net als in de rest van Oud West komen er in dit gebied nog sporadisch verspreid gelegen bedrijvigheid voor.

Samengevat zijn de ruimtelijke kenmerken:

  • ligging van de buurt tussen de oude historische wegen Voorstadslaan, Marialaan en Eerste Oude Heselaan;
  • de spoordijk vormt een aantrekkelijke groene rand;
  • gedifferentieerde woningtypologie en herkenbare (architectonische) ensembles;
  • stedelijke bebouwing rondom de Kievietstraat vormt functioneel en fysiek accent in de wijk;
  • op een aantal plaatsen komt nog bedrijfsbebouwing voor.

Omgeving Schependomlaan

Deze karakteristieke buurt wordt begrensd door de driehoek Tweede Oude Heselaan- Molenweg, Distelstraat-Oscar Carréstraat, Industrieweg-Marialaan. Nabij de historische linten Schependomlaan/Voorstadslaan/Dikkeboomweg is rondom een aantal historische villa's van eind 19e eeuw en het parkje "Leeuwensteijn" een aantrekkelijk buurtje ontstaan met vrijstaande of half-vrijstaande herenhuizen, gebouwd in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Een ander ruimtelijk kenmerk is het relatief grote bouwvolume op een kleine kavel. Tussen de Dommelstraat en Industrieweg treffen we een buurtje met strokenbouw aan. Datzelfde geldt voor het buurtje tussen de Patrijsstraat en Fuutstraat. Langs de oude lijnen is een gevarieerd beeld aanwezig: lintbebouwing, gestapelde complexen en bijzondere bebouwing, zoals een wijkcentrum en school e.d. Aan de Molenweg is een winkelconcentratie. De overige gestapelde complexen liggen aan of royaal in het groen.

Samenvattend zijn de ruimtelijke kenmerken:

  • de Schependomlaan en de Voorstadslaan-Dikkeboomweg als historische linten;
  • fraaie laanbeplanting in deze historische linten;
  • aanwezigheid van enkele historische villa's gebouwd na de stadsuitleg aan het eind van de 19e eeuw;
  • grote herenhuizen op relatief kleine kavels uit de dertiger jaren van de vorige eeuw;
  • een gedifferentieerd bebouwingsbeeld langs de historische linten.

Omgeving Koninginnelaan

De grens van deze buurt wordt gevormd door de driehoek Nieuwe Nonnendaalseweg, Tweede Oude Heselaan-Tunnelweg en de spoordijk van het stationsemplacement. Deze driehoek wordt door de Oude Nonnendaalseweg weer in twee parten verdeeld. De Koninginnelaan is een oude landweg met laanbeplanting die in het verleden onderdeel was van een route, die aan de voet liep van de zich naar het westen strekkende steilrand. De bebouwing aan de Koninginnelaan bestaat voornamelijk uit kleine en in verschillende stijlperioden gerealiseerde projecten met een gedifferentieerd gebruik. Op de flankerende en onbebouwde delen zijn tussen 1916 en 1940 complexmatige arbeiderswoningen gerealiseerd. Het complex woningen tussen de Koninginnelaan en het spoor dat werd gebouwd in 1926 (onder de bogen) is in 1980 gesloopt en door nieuwbouw vervangen. Een klein complex van zo'n 48 woningen aan de Tulpstraat, gegroepeerd rond het Badhuis, gebouwd tussen 1919 en 1921 is als ensemble behouden gebleven. Kenmerkend zijn de te onderscheiden samenhangende buurten in een vooroorlogs stratenpatroon, gesitueerd aan de dwarsverbindingen tussen de hoofdstraten. Als ruimtelijke dragers fungeren de historische linten: de Koninginnelaan en Oude Nonnendaalseweg. Aan de Koninginnelaan ligt een aantal winkels. In het noordelijk deel, tussen de Tweede Oude Heselaan en Oude Nonnendaalseweg ligt tussen de woningbouw nog een aantal bedrijfjes. Rond het Nachtegaalplein is de oorspronkelijke vooroorlogse bebouwing in tuindorpstijl recentelijk vervangen door nieuwbouw. De stedenbouwkundige structuur en het poortgebouw, onderdelen van het beschermd stadsbeeld, zijn daarbij bewaard gebleven. Een ander opmerkelijk element in dit plandeel is de Pastoor Zegersstraat. Dit wordt veroorzaakt door de relatief brede en gebogen vorm van het straatprofiel met laanbeplanting. Aan deze laan liggen woningen van één en twee lagen met kap. Alle woningen hebben voortuinen met lage gemetselde tuinmuurtjes, gecombineerd met een hekwerk. Deze straat met zijn gebogen belopen fraaie dwarsprofiel vormt in combinatie met de in goede samenhang daarmee ontworpen woningbouw een waardevol ensemble en maakt eveneens deel uit van het beschermd stadsbeeld Wolfskuil. Vooroorlogse strokenbouw komt verder nog aan de kop van de Koninginnelaan en delen van de Oude Nonnendaalseweg voor. Van het resterende deel van de buurt is de stedenbouwkundige opzet symmetrisch met korte en geknipte toegangswegen. De bebouwing bestaat uit aaneengesloten bouwblokken uit één of twee bouwlagen. Gestapelde bebouwing komt verspreid voor aan de Koninginnelaan en Ridderspoor.

De ruimtelijke kenmerken:

  • het van noord naar zuid lopende hoogteverschil;
  • de laanbeplanting van de Koninginnelaan en de gebogen Pastoor Zegersstraat;
  • het afwijkende profiel van de structuurbepalende lijnen/hoofdstraten;
  • de korte woonstraten als dwarsverbindingen tussen de hoofdstraten;
  • nachtegaalplein e.o. als sterk samenhangende vooroorlogse buurt;
  • klein ensemble rondom het voormalige badhuis aan de Tulpstraat;
  • strokenbouw uit de jaren tachtig;
  • het nagenoeg ontbreken van grotere openbare ruimtes.

Wolfskuil

De grenzen van de Wolfskuil wordt gevormd door de Graafseweg, Wolfskuilseweg, Molenweg en Nieuwe Nonnendaalseweg. De buurt ligt aan de "voet" van de Nijmeegse oost-west lopende steilrand waar de Graafseweg aan de bovenkant en de Floraweg aan de voet is gelegen. In de negentiger jaren vorige eeuw is op deze hellende zone het Florapark aangelegd. Deze zone tussen de Graafseweg en Floraweg is een bijzonder ruimtelijk element met daarin bebouwing die afwijkend is van de overige bebouwing: bebouwing gelegen in een parkachtige omgeving met het voormalige klooster "Villa Nova" en de molen als meest in het oog springende elementen. Binnen de grenzen van de Wolfskuil fungeert de Varenstraat als "ruggegraat". Met uitzondering van de parallel lopende Bosbesstraat staan zes woonstraten haaks op de Varenstraat. Kenmerkend voor dit deel van de Wolfskuil is het naoorlogse verkavelingsmodel met strokenbouw in een halfopen blokverkaveling; de tuinwijk. De meeste huizen zijn grondgebonden eengezinshuizen van twee lagen met kap. Rode en roodbruine baksteen en rode pannen bepalen het beeld. Gestapelde bebouwing komt sporadisch voor aan de Varenstraat, de Bosbesstraat en de Mirthestraat en Wolfkuilseweg. De Varenstraat en de Bosbesstraat hebben een ruim straatprofiel. Dit in tegenstelling tot de andere straten waarvan het straatprofiel verhoudingsgewijs smal is. De straten ogen groen door laanbeplanting en voortuinen. Het oudste deel van de Wolfskuil, het buurtje tussen de Wolfskuilseweg, Floraweg, Distelstraat en Varenstraat, is aan het begin van deze eeuw gesloopt. Aansluitend op de tuinwijkstructuur Wolfskuil zijn hier voornamelijk grondgebonden rijenwoningen met zadelkappen en voor- en achtertuinen. De woningen aan de Wolfkuilseweg wijken hier van af door een meer eigentijdse architectuur en afwijkende typologie (appartementengebouw op hoek Wolfkuilseweg/ Floraweg). Op het kruispunt Varenstraat-Zonnebloemstraat treffen we een paar winkels aan. Aan de noordzijde van de Wolfskuil ligt langs de Molenweg een flat uit de jaren zestig met op de begane grond winkels. Aan het eind van de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw is deze winkelstrip in twee fases uitgebreid tot een (buurt) winkelcentrum met wonen boven winkels.

Samenvattend zijn de ruimtelijke kenmerken:

  • het van noord naar zuid lopende hoogteverschil;
  • het hiërarchische stratenpatroon met strokenverkaveling in half open blokvorm;
  • veel parallel lopende straten tussen de Molenweg en Floraweg;
  • de Varenstraat en Bosbesstraat met hun ruime profielbreedte;
  • aan de Varenstraat/Zonnebloemstraat liggen enkele buurtwinkels.

Rozenbuurt

De Rozenbuurt ligt ingeklemd tussen de spoorlijn Nijmegen-Den Bosch, de Graafseweg en de Groenestraat. Door deze geïsoleerde ligging heeft de Rozenbuurt een eigen identiteit. Bouwkundig gezien maakt het deel uit van het aan de andere kant van de spoorlijn gelegen Willemskwartier. Het is in dezelfde periode ontwikkeld, maar door de barrièrewerking van de spoorlijn is het bij de wijk Wolfskuil gevoegd. Ruimtelijk gezien kent de Rozenbuurt een eigen karakteristiek. De buurt is aan het eind van 1920 gebouwd en heeft een steenachtig karakter, voornamelijk veroorzaakt door het ontbreken van voortuinen. De binnenterreinen met individuele tuinen en schuurtjes zijn nagenoeg geheel omsloten door bebouwing en gemetselde muren. Veel woningen zijn door de eigenaar (Woningstichting) waar mogelijk vergroot. Deels aan de voorzijde (entree), deels door het toevoegen van een extra verdieping. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing is tijdens de stadsvernieuwingsperiode (80er jaren vorige eeuw) vervangen door eigentijdse woningen. Drager van de Rozenbuurt is de Hatertseveldweg. Dit "oude lint" wordt gekenmerkt door gevarieerde bebouwing bestaande uit bedrijfsbebouwing en woonbebouwing uit achtereenvolgende vooroorlogse periodes.

Samengevat zijn de ruimtelijke kenmerken:

  • geïsoleerde ligging;
  • drager is de Hatertseveldweg met een gevarieerd bebouwingsbeeld;
  • het vooroorlogse deel heeft een stenig karakter;
  • weinig groen in de buurt.
2.1.4 Ontwikkelingen grenzend aan het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0004.jpg"

kaart: situering plangebied in omgeving

Stationsomgeving/ Spoorzone

Het stationsgebied ligt tussen 2 werelden, de kleinschalige westelijke tuinstadstructuur (waaronder wijken als Biezen en Wolfskuil) enerzijds en anderzijds het meer stedelijke stadscentrum met aangrenzend de grandeur van de barokke singelstructuur van de 19e eeuwse schil.

Doel van Ontwikkelingsvisie Nijmegen Centraal (2013) is het verbeteren van de relatie tussen station en stad. Waarbij de twee sferen aan beide kanten van het gebied behouden moet blijven. In de visie wordt gestreefd naar een wezenlijke verbetering van de fysieke verbindingen tussen de stadsdelen en het station met entrees aan beide kanten van het spoor. Hierdoor kan het stationsgebied een essentiële schakel worden tussen deze twee stadsdelen.

Aan de oostkant betekent dit onder meer dat de (loop)routes naar en van het centrum (via de Van Schaeck Mathonsingel en de Burgemeester Hustinxstraat) beter herkenbaar en veiliger worden ingericht. Nieuwbouw heeft een stedelijke maat, vormt herkenbare pleinwanden en begeleidt de looproutes naar de binnenstad. Belangrijk daarbij is om interessante functies in de 'plinten' (begane grondzone) van gebouwen toe te voegen, dit ter verbetering van de levendigheid en sociale veiligheid van de routes en de verblijfsruimten. Aan de westzijde van het spoor wordt de ontwikkelvisie op lange termijn een volwaardige entree van de wijk naar het station beoogd, waarbij naast een extra voetgangerstunnel en voorzieningen voor de fiets ook een voorrijd mogelijkheid voor auto's gerealiseerd wordt. Rondom de nieuwe entree aan de westzijde van het station zijn nieuwe ontwikkelingen mogelijk in combinatie met stationsgerelateerde voorzieningen. Het voormalige UWV-gebouw kan daarbij herontwikkeld worden.

Spoorzone

Nieuwe gebiedsontwikkeling is mogelijk in het gebied tussen de bestaande wijken en de rand van het spooremplacement. In dit gebied is er ruimte voor bebouwing en groen. Het spoortalud (de stuwwal) kan toegankelijk gemaakt worden en een belangrijke functie als park en uitloopgebied krijgen voor de aangrenzende wijken Biezen en Waterkwartier. De wijken Biezen en Wolfskuil kennen op bepaalde plekken een gebrek aan groen. Door bij herstructureringsprojecten in die wijken een koppeling te maken met de spoorzone kan ruimte vrijgemaakt worden voor een robuustere groenstructuur. De fietsverbinding (ter hoogte van de huidige stamlijn) die de nieuwe westelijke stationsentree ontsluit tussen de Graafseweg en het Waalfront zal de wijken Wolfskuil en Biezen meer betrekken bij het stationsgebied, dit in combinatie met de toekomstige westelijke entree.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0005.png"

kaart: Ontwikkelingsvisie Nijmegen Centraal- ruimtelijk raamwerk

Mercuriuspark

In het gebied rond de zuidelijke aanlanding van de stadsbrug De Oversteek wordt het geamoveerde bedrijventerrein (Mercuriuspark) en het gebied rond het Vasim-gebouw opnieuw ingericht. Door de aanleg van de stadsbrug ontstaat een interessant perspectief: de oorspronkelijk geïsoleerde ligging van het bedrijventerrein verandert in een sterk openbare, stedelijke entree. Het Mercuriuspark wordt een belangrijk onderdeel van de stedelijke structuur. Het Mercuriuspark wordt daardoor sterk 'beleefbaar' en dit vraagt om een zorgvuldige en aantrekkelijke ruimtelijke inrichting. In het gebied komen hoofdwegen, zoals de Waalbandijk, de Energieweg en het tracé van de stadsbrug De Oversteek samen. Daarnaast grenst het gebied aan het ontwikkelingsgebied Waalfront, Park West en het bedrijventerrein Oostkanaalhaven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0006.jpg"

kaart: Mercuriuspark - verkavelingssuggestie

Stadsbrug

De onlangs gerealiseerde stadsbrug De Oversteek zorgt voor een betere bereikbaarheid en een betere spreiding van het verkeer over de stad, maar ook voor een betere relatie tussen de bestaande stad en het nieuwe stadsdeel de Waalsprong. Samen met de bestaande Waalbrug begrenst de nieuwe brug de Oversteek het gebied van Nijmegen aan de Waal. De ontwerpers van de brug, Ney-Poulissen, hebben een brug ontworpen die zich voegt in het stedelijk weefsel. Bij de aanlanding van de brug aan de zuidoever kan in combinatie met stedelijk programma's (bijvoorbeeld in Vasim) een aantrekkelijke verblijfsplek aan de Waal ontstaan die de verbinding vormt met het Waalfront.

Waalfront

De ontwikkelvisie Waalfront 1.2 beschrijft de ambitie om het oude industriegebied tussen Waterkwartier en Waal om te vormen in een woon-, werk- en recreatiegebied met nieuwe woonmilieus. Het Waalfront wordt een stadswijk met een stedelijk karakter met 2000 nieuwe woningen en voorzieningen, veel openbare ruimte en bijzondere plekken aan de rivier.

Verbinding met het waterkwartier

Het stratenpatroon van het Waterkwartier loopt door in de verkaveling aan de overkant van de Weurtseweg in het gebied van het Waalfront. In het verlengde van de bestaande straten komen nieuwe straten die uitkomen op de nieuwe Waalfrontweg en vervolgens op de boulevard aan de Waal. Nieuwe functies in het Waalfront zoals horeca en praktijk-aan-huiswoningen vervullen ook een rol voor de bestaande woonwijk. Omgekeerd profiteren voorzieningen in het Waterkwartier en de Biezen, zoals de basisschool en de winkels, van het gegroeide aantal bewoners en worden daardoor versterkt. Samen vormen Waterkwartier/De Biezen met het Waalfront een wijk waar mensen niet alleen bij elkaar in de buurt wonen, maar ook in elkaars buurt komen.

et Waalfront wordt voor het autoverkeer ontsloten door een lineair systeem van twee wegen: de bestaande Weurtseweg en een nieuwe stadsweg op de huidige positie van de Waalbandijk. Met een kamachtige structuur bedienen zij ieder een helft van het gebied, waarmee een evenwichtige verdeling van het autoverkeer is gewaarborgd. De verbinding tussen Waterkwartier en Waalfront wordt hecht doordat aan weerszijde direct aan de Weurtseweg wordt gewoond in grondgebonden woningen.

In het Waalfront 1.2 is uitgegaan van het zoveel mogelijk en zolang mogelijk handhaven van bestaande kwaliteiten in het gebied. Dit geldt voor de bebouwing maar evenzeer voor het behouden van groen, monumentale bomen en kades en oevers.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0008.png"

kaarten: raamwerk Waalfront

2.2 Archeologie

2.2.1 Beleid

Archeologische uitgangsprincipes

Archeologie is binnen de planologie een conserverende waarde. Immers, archeologie is een niet aanvulbare waarde, wat wil zeggen wat eenmaal vernietigd is, nooit meer hersteld kan worden. Vandaar dat de omgang met archeologie zo op behoud is gericht. Behoud, bij voorkeur in situ, staat voorop, en dit principe zien we op elk niveau van archeologiebeleid terug.

De wens om archeologie in situ te behouden heeft verschillende achtergronden. Ten eerste het uitgangspunt dat de natuurlijke conservering de beste is en ten tweede dat archeologie in zijn context begrepen moet worden. Een archeologische vondst, of het nu een voorwerp of een structuur is, is een drager van informatie, in relatie tot zijn omgeving. Het zal altijd iets kunnen zeggen over de lokale geschiedenis, vaak over de regionale geschiedenis en soms ook over de nationale geschiedenis of zelfs internationale geschiedenis. Archeologie zonder context heeft duidelijk aan waarde verloren.

Een derde uitgangspunt is de aanname dat toekomstige generaties mogelijk betere vormen van archeologisch onderzoek zullen hebben. Typerend voor gravend archeologisch onderzoek is dat het onderzoek het onderzoeksobject vernietigt: je kunt het maar eenmaal onderzoeken. Dit verklaart de nadruk op het goed documenteren van wat er tijdens het onderzoek aangetroffen wordt, zowel in het veld als nadien bij de uitwerking. Vandaar de hoop dat door nieuwe technieken dit mogelijk zal veranderen. Zouden we nu alles opgraven dan kan men later nooit meer onderzoek doen.

Een vierde en niet onbelangrijk punt is de economische kant van archeologisch onderzoek. Dit kan erg duur zijn, waardoor bijvoorbeeld de economische haalbaarheid van een plan in het geding kan komen. Maatregelen om de bodem niet of maar beperkt te verstoren zijn dan ook economisch zinvol.

Archeologie geeft inzicht in de (lokale) geschiedenis, en kan een belangrijke identiteitsdrager zijn. Het streven is om cultuurhistorische waarden, waaronder archeologie, mee te nemen bij inrichtingsplannen. Gebieden met een grote cultuurhistorische waarde hebben naast een grote leefbaarheid vaak ook een hogere economische waarde.

Rijksbeleid

Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 via de wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007).

Provinciaal beleid

De provincies hebben nog maar een beperkte rol als het om archeologie gaat. Door de Monumentenwet 1988 is de rol van het rijk en de provincies sterk afgenomen, ten gunste van de gemeenten. Deze zijn verantwoordelijk voor het opnemen van archeologie in bestemmingsplannen en voor het daarvan afgeleide vergunningenstelsel. Er zijn enkele uitzonderingen hierop: de provincies zijn verantwoordelijk voor ontgrondingen en kunnen op basis daarvan aan de ontgrondingsvergunning ook voorwaarden stellen die betrekking hebben op archeologie. Tevens is de provincie bevoegd gezag bij inpassingsplannen en bij mer-trajecten op provinciaal niveau.

De provincie Gelderland kent een groot belang toe aan goed archeologisch beleid op gemeentelijk niveau en heeft daarom de instelling van regioarcheologen gefaciliteerd, zodat vrijwel alle Gelderse gemeenten kunnen beschikken over gedegen archeologische ondersteuning bij het opstellen en uitvoeren van archeologisch beleid. Daarnaast heeft de provincie voor een drietal grotere regio's zogenaamde kennisagenda's laten opstellen, om zo de bestaande kennis en kennislacunes inzichtelijk te maken. De provincie Gelderland is verder actief betrokken bij de nominatie van de Romeinse grenszone, de Limes, tot Unesco werelderfgoed. Het is de bedoeling dat de onder deze status vallende terreinen ook planologisch beschermd gaan worden. In het plangebied gaat het daarbij om het wettelijk beschermde deel (terrein Z-01).

Gemeentelijk beleid

Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met Malta en de Monumentenwet 1988, op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen archeologie en lokale identiteit en als bron of inspirator voor toerisme, een economisch belangrijke factor in de economie van de gemeente Nijmegen.

Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen een archeologische beleidskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven. Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden worden overgenomen in (nieuwe) bestemmingsplannen. Nieuwe inzichten worden in deze kaart verwerkt en waar nodig zullen deze zo overgenomen worden in nieuwe bestemmingsplannen.

Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties. Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden, of om de mogelijkheden van archeologie sparend bouwen te bekijken.

2.2.2 Oud West

Archeologische waarden

Het plangebied ligt in een gebied met meerdere archeologische waarden. Het gaat daarbij om de waarde archeologie 0 tot en met 4. Bij waarde 0 is er geen sprake (meer) van behoudenswaardige archeologie, hier zijn dan ook geen regels voor opgenomen. Bij waarde 4 gaat het om archeologische rijksmonumenten. Voor waarde 1 en 4 wordt een gebiedsaanduiding opgenomen. Voor waarden 2 en 3 geldt een dubbelbestemming.

Binnen het plangebied liggen enkele terreinen waarvan al langer de waarde vaststaat. Deze zijn beschreven in de catalogus van terreinen die bij de Nijmeegse Archeologische Beleidskaart hoort. Het gaat om de terreinen Z-01, Z-07 en Z-31.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0009.jpg"

kaart: archeologische waarden. Geel: waarde 1, zalmroze: waarde 2 (dubbelbestemming), oranje: waarde 3 (dubbelbestemming). Gebieden waar geen kleur aan gegeven is hebben geen archeologische waarde (meer). Het beschermde archeologische rijksmonument (Z-01) is in rood met zwarte rand weergegeven.

Terrein Z-01 beschermd archeologisch Rijksmonument, nummer 397576

Dit terrein vormt een klein deel van de in de ondergrond aanwezige Romeinse stad Ulpia Noviomagus. De Romeinse aanwezigheid in Nijmegen en daarmee in Nederland, begint op de Hunerberg in de periode tussen 19 en 16 voor Christus. Dan wordt daar een 42 ha groot legerkamp voor meerdere legioenen en hulptroepen gebouwd. Uiterlijk 10 voor Chr. is dit kamp weer verlaten, en er ontstaan op het Kops Plateau en vrijwel gelijktijdig in het oostelijk deel van het middeleeuwse en moderne stadscentrum nieuwe nederzettingen. Op het Kops Plateau is dit duidelijk sterk militair, in het centrum is dit een civiele nederzetting. Die laatste heeft de naam Oppidum Batavorum gekregen. Deze nederzetting die zich uitstrekte langs de as van de Sint Jorisstraat en het Kelfkensbos, vormde de centrale plaats van de stam der Bataven. Na de Bataafse opstand in de jaren 69-70 na Chr. is deze nederzetting verwoest. De aanleg van een nieuw legioenskamp op de Hunerberg, met bijbehorende militaire stad (canabae legionis) verdringt de locatie voor de Bataafse hoofdstad verder naar het westen. In het laatste kwart van de eerste eeuw na Chr. ontstaat in wat nu Nijmegen west is, een nieuwe hoofdplaats van en voor de Bataven. Deze zal eerst de status van een (civiele) vicus gehad hebben en krijgt rond het kaar 100 als eerste nederzetting in Nederland het stadsrecht. Vanaf dan is het een municipium, een officiële stad met gekozen stadsbestuur, magistraten en regels met betrekking tot belastingen, rechtspraak en het kiezen van het eigen bestuur.

Het aangewezen terrein is slechts een klein deel van deze stad, die tot in de derde eeuw zal bestaan. Ondanks veel waarnemingen en opgravingen is er nog niet veel bekend over deze stad. Veel onderzoek is namelijk niet uitgewerkt, oude vondsten zijn verspreid geraakt over musea en particuliere collecties. Bij recent onderzoek in de Weurtseweg in het begin van 2015 is gebleken dat de stad aan de westkant aanzienlijk groter is geweest. De uitgebroken stadsmuur en de daarvoor liggende gracht bleken veel westelijker te liggen dan voorheen werd gedacht. De noordelijke grens van de stad is nog nooit aangetroffen. Deze stad en het veel kleinere forum Hadriani in Voorburg zijn de enige Romeinse steden in Nederland. Als hoofdstad der Bataven, in combinatie met de typische relatie met de castra en canabae legionis, is het onderdeel van een groep van ongeveer zestig plaatsen in het hele Romeinse rijk, dat zich uitstrekte over drie continenten: Europa, Afrika en Azië en dat gedurende vele eeuwen. Het nationale en internationale belang van Ulpia Noviomagus staat daarmee buiten twijfel.

Terrein Z-07

Terrein Z-07 is in feite niet veel anders dan de rest van de Romeinse stad Ulpia Noviomagus, zoals beschreven onder terrein Z-01, het beschermde archeologische Rijksmonument. Naast de stad zelf omvat het ook de bijbehorende grafvelden uit de Romeinse tijd, die tot nu toe vooral ten zuiden en ten oosten van de stad aangetroffen zijn. Binnen die grafvelden, ten noorden van de Marialaan, ligt ook nog een oudere Romeinse nederzetting. Mogelijk is dit de voorganger van Ulpia Noviomagus en werd het na de bouw van de castra en canabae op de Hunerberg samengevoegd met de overgebleven bewoners van het verwoeste Oppidum Batavorum.

Ook uit andere perioden bevinden zich binnen terrein Z-07 waardevolle resten. Die lopen van meerdere graven uit de steentijd (Klokbekercultuur) tot een nederzetting uit de midden-bronstijd en sporen uit de ijzertijd. Binnen het gebied Z-07, maar buiten het bestemmingsplangebied Oud-West, liggen ook nog de resten van Fort Kraijenhoff en voorgangers. Uit de meer recente geschiedenis kunnen ook sporen voorkomen, met name uit de Tweede Wereldoorlog.

Terrein Z-31 Weg naar Wijchen

Dit terrein hangt nauw samen met de Romeinse stad Ulpia Noviomagus en de verbinding met één van de lokale centra, namelijk Wijchen. Tussen de in het centrum van Wijchen vermoedde vicus (gehucht) en de hierboven al beschreven hoofdstad moet tenminste één weg gelopen hebben. Sinds de jaren 80 van de vorige eeuw zijn er enkele min of meer concrete aanwijzingen voor deze weg, die in elk geval op de Teersdijk duidelijk herkend kon worden. Wegen structureren niet alleen het landschap, ze bepalen ook in hoge mate waar nieuwe nederzettingen en andere menselijke activiteiten zich manifesteren. Een bekend voorbeeld uit de Romeinse tijd is dat de grafvelden zich voornamelijk aan de randen van nederzettingen bevinden, gericht op de (grotere) wegen. In de (vroege) middeleeuwen lijken Romeinse wegen ook nog in gebruik te zijn, zodat ook in die tijd nog boerderijen en dergelijke langs de oude wegen vermoed kunnen worden.

Het tracé van de weg naar Wijchen is voor het grootste deel niet duidelijk, behalve als een brede band waarbinnen hij gelopen zou kunnen hebben. Daarom heeft deze zone ook een lagere waarde in het bestemmingsplan gekregen, namelijk die van een hoge verwachting.

Benodigd onderzoek

Indien een plan op basis van het bestemmingsplan vergunningplichtig is, kunnen voorwaarden ten aanzien van archeologie aan de vergunning worden verbonden. Uitgangspunt hierbij is de verplichting van initiatiefnemer om het bevoegd gezag te voorzien van gegevens die aantonen hoe het met de archeologische waarden is gesteld, zodat een besluit genomen kan worden over hoe hiermee om te gaan bij de planrealisatie. De exacte eisen zullen pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen bekend zijn en welke impact de voorgenomen ingrepen op die waarden hebben. Ten laatste bij de vergunningaanvraag zullen die als concrete plannen bekend moeten zijn.

In samenspraak met het bevoegd gezag kan bepaald worden welke ingrepen wel of niet raadzaam zijn en indien uitgevoerd, welke gevolgen daar vanwege de archeologie voor de initiatiefnemer aan verbonden zullen worden.

Deze maatregelen, en de archeologische onderzoeken die vooraf kunnen gaan aan een dergelijk besluit, worden bij voorkeur als maatwerk toegepast. Ze worden dus zoveel mogelijk per geval bekeken.

Er zijn verschillende opties voor het te verrichten archeologisch onderzoek, die hieronder kort worden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0010.png"

kaart: afbeelding uitgebreid archeologisch onderzoekschema, naar de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

Het ruitje in het midden van de bovenstaande afbeelding staat voor het rapport dat moet aantonen hoe het met de archeologie binnen het plangebied is gesteld. De daarboven staande onderzoekstappen kunnen elkaar opvolgen, maar er kan ook gekozen worden om maar één bepaald soort onderzoek uit te voeren. In het algemeen geldt dat hoe lager men in de boom komt, hoe hoger de kosten worden, maar ook dat de data die gegenereerd worden steeds beter worden.

Op basis van het advies kan de gemeente maatregelen opleggen. Deze variëren van het vrijgeven van het terrein tot het nemen van langdurige fysieke beschermingsmaatregelen. Een andere vorm kan het behoud van de archeologische waarden zijn door middel van een opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd.

Meldingsplicht art. 53 Monumentenwet 1988

Archeologische vondsten gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden, op basis van artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst. Om het documenteren van toevalsvondsten mogelijk te maken verdient het de aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 53 Monumentenwet 1988):

Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze melding kan ook worden gedaan bij de gemeentearcheoloog.

Kansen

Bij ontwikkelingen binnen het plangebied Oud West ontstaan ook kansen om iets met het verleden van dit deel van Nijmegen, en daarmee ook voor heel Nijmegen, te doen. Vanuit de archeologie ligt de voornaamste nadruk in dit gebied op de Romeinse tijd. Het noordelijk deel van Oud West omvat een belangrijk deel van de oudste stad in Nederland: Ulpia Noviomagus. Dit kreeg rond 100 na Chr. als eerste stadsrechten, en was de hoofdstad van de Bataven. Dit zien we archeologisch terug in een stedelijke structuur, met grote tempels, een badgebouw en veel ambachten en handel. En natuurlijk de woonhuizen van de bewoners van de stad. Wonen en werken was vaak gecombineerd binnen hetzelfde perceel, vaak ook in één en hetzelfde gebouw. Veel van de bijzondere vondsten zijn in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden en het Museum Het Valkhof in Nijmegen tentoongesteld. Rondom de stad lagen uitgestrekte grafvelden, die we in een groot deel van het zuidelijk en oostelijk deel van Oud West aantreffen. De Marialaan vormt min of meer de grens tussen dit in het noordelijk deel gelegen complex en het zuidelijk deel waar het archeologisch belang wat diffuser is.

De gemeente Nijmegen wil meer doen met zijn verleden. Bij de inrichting van de openbare ruimte kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met dit deel van het Nijmeegse verleden. Ook bij particuliere ontwikkelingen is het mogelijk te refereren aan het Romeinse verleden. Het hebben en versterken van een historische identiteit is niet alleen een sociaal bindmiddel, het draagt ook bij aan een betere leefomgeving. Locaties met een historische inslag hebben doorgaans hogere economische waarde dan plaatsen zonder een historische achtergrond. Dit vloeit voort uit de belevingswaarde.

2.3 Cultuurhistorie

2.3.1 Beleid

Rijksbeleid

Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen cultuurhistorische gebouwen, objecten en structuren te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en die in het bestemmingsplan te verankeren.

De Monumentenwet 1988 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Voor het wijzigen en slopen van rijksmonumenten is een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten nodig.

Gemeentelijk beleid

Monumentenverordening

De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, identiteitsbepalende objecten en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten nodig.

Nota Cultureel Erfgoed

Het gedachtengoed uit de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening is aanleiding geweest het gemeentelijk erfgoedbeleid te actualiseren. Dit heeft geresulteerd in de Nota Cultureel Erfgoed, die op 15 mei 2013 door de raad is vastgesteld.

Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding.

De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0011.jpg"

kaart: uitsnede cultuurhistorische beleidskaart (versie 1.0.1)

Het bestemmingsplangebied Nijmegen Oud West valt binnen meerdere gebiedstypen van de cultuurhistorische beleidskaart. De beschermde stadsbeelden Waterkwartier en Wolfskuil vallen binnen gebiedstype 4. Het grootste gedeelte van het plangebied valt binnen gebiedstype 2 en een klein gedeelte binnen gebiedstype 3.

gebiedstype 4

In beschermde gebieden (gebiedstype 4) is cultuurhistorie de bepalende factor bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Er is in deze gebieden sprake van een bijzonder karakter, met een samenhang tussen het stedenbouwkundig plan, het bebouwingsbeeld, de architectuur van de bebouwing en eventueel het aanwezige groen. Uitgangspunt is de bestaande situatie zoveel mogelijk te handhaven en ontwikkelingsmogelijkheden af te stemmen op de cultuurhistorische waarden en karakteristieken. Er is gedetailleerde aandacht voor cultuurhistorie. In bestemmingsplannen zorgen planregels en passende functies voor behoud van de cultuurhistorische waarden.

gebiedstype 3

Bij gebiedstype 3 is sprake van een rijke cultuurhistorische gelaagdheid. Het gaat om zowel de grotere schaal, zoals het stedenbouwkundige plan en historische structuren, als om specifieke objecten en om de samenhang tussen de structuren, bebouwing en/of cultuurlandschap. Bij de bebouwing gaat het niet zozeer om de architectuur en het beeld, maar om het silhouet, zoals de situering, de bouw- en goothoogte en de nokrichting. Zowel de zichtbare als de niet-zichtbare geschiedenis van het gebied zal uitgangspunt moeten zijn bij ontwikkelingen. In bestemmingsplannen wordt maatwerk toegepast ten behoeve van de bescherming van cultuurhistorische waarden, indien sprake is van:

  • a. cultuurhistorisch waardevolle structuren;
  • b. cultuurhistorisch waardevolle ensembles;
  • c. cultuurhistorisch waardevolle zones;
  • d. cultuurhistorisch waardevolle gebieden.

ad a. Bij cultuurhistorisch waardevolle structuren gaat het om lijnvormige elementen, zoals bijvoorbeeld wegen, dijken, wallen, lanen en waterlopen.

ad b. Bij cultuurhistorisch waardevolle ensembles gaat het om plekken in het stadsweefsel, die van belang zijn vanwege de historische en/of ruimtelijke samenhang tussen objecten en structuren met bijzondere historisch-geografische en historisch-(steden)bouwkundige waarden. Het betreft complexen, en terreinen en gebieden met een herkenbaar karakter dat relatie houdt met de ontwikkelingsgeschiedenis en die een belangrijk onderdeel vormen van de historische gelaagdheid van de buurt, wijk of stad.

ad c. Bij cultuurhistorisch waardevolle zones gaat het om bebouwingslinten die zich in de periode 1850-1940 geleidelijk hebben ontwikkeld langs historische uitvalswegen, landwegen en enkele nieuw aangelegde straten. Kenmerkend voor het stedenbouwkundig patroon van de bebouwinglinten zijn de kleinschaligheid van de bebouwing, de afwisseling in schaal en maat, en de positie van de gebouwen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de openbare ruimte. Nog bestaande historische bebouwingslinten maken de historische ontwikkeling van Nijmegen voelbaar.

ad d. Vanuit het perspectief van de ontwikkelingsgeschiedenis van Nijmegen kunnen gebieden onderscheiden worden, die vanwege de duidelijk aanwezige gebiedskarakteristiek, de gave stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuren en hoge dichtheid aan waardevolle (beschermde) gebouwen een hoge cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. In deze cultuurhistorisch waardevolle gebieden bestaat een samenhang tussen één of meerdere van de volgende aspecten:

  • historische geografie: (relicten van) het cultuurlandschap;
  • historische stedenbouw: gegroeide of planmatig tot stand gekomen stadsweefsel (ruimtelijke samenhang tussen wegenpatroon, verkavelingsstructuur, bebouwing);
  • historische bouwkunst: beschermde monumenten, karakteristieke gebouwen en/of andere waardevolle objecten;
  • historisch groen: tuinen, parken, landgoederen en of andere waardevolle groenstructuren.

gebiedstype 2

In gebiedstype 2 gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. In bestemmingsplannen wordt maatwerk toegepast ten behoeve van de bescherming van cultuurhistorische waarden, indien sprake is van:

  • a. cultuurhistorisch waardevolle structuren;
  • b. cultuurhistorisch waardevolle ensembles;
  • c. cultuurhistorisch waardevolle zones.

In paragraaf 2.3.3 worden per gebiedstype de cultuurhistorisch waardevolle structuren, ensembles, zones en gebieden beschreven. In paragraaf 2.3.4 wordt gemotiveerd op welke wijze de cultuurhistorische waarden van deze structuren, ensembles, zones en gebieden worden geborgd in dit bestemmingsplan. De beschreven cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied worden weergegeven op een cultuurhistorische waardenkaart. Ook buiten de cultuurhistorisch waardevolle ensembles, zones en gebieden komen cultuurhistorische waarden voor. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient ook dit erfgoed vroegtijdig mee te worden genomen in het ontwikkel- en ontwerptraject. De cultuurhistorische beleidskaart blijft dan ook de basis vormen voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Aandachtslijst Cultureel Erfgoed 

De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld.

Diverse gebouwen en objecten in Nijmegen Oud-West staan op de aandachtslijst. Ook zijn tijdens het burgerparticipatietraject door Wijkvereniging Waterkwartier diverse straten opgegeven voor potentieel stadsbeeld (Eerste Oude Heselaan, Biezenstraat, Bronsgeeststraat, Krayenhofflaan, Oude Weurtseweg, Voorstadslaan). In het collegevoorstel voor vaststelling van de aandachtslijst is aangegeven dat onderzocht zal worden of deze straten beschermwaardig zijn als gemeentelijk stadsbeeld. Omdat deze straten een zeer verschillend karakter hebben, de cultuurhistorische waarde van de bebouwing sterk varieert en er geen sprake is van een samenhang in bebouwingsbeeld, zijn deze straten niet als potentieel stadsbeeld opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart behorend bij dit bestemmingsplan. Wel is het bebouwingslint langs een aantal van deze straten in het kader van dit bestemmingsplan gekwalificeerd als cultuurhistorisch waardevolle zone.

2.3.2 Cultuurhistorische analyse

Vorming van het landschap

Het plangebied ligt net ten westen van de heuvelrug van het Rijk van Nijmegen, waarvan de rand ongeveer langs de Graafseweg loopt. Het grotendeels vlakke land van de rivierendelta van de Maas en de Waal gaat hier in oostelijke richting over in het licht glooiende landschap van de stuwwal, die zijn oorsprong vindt in de opstuwing door het landijs tijdens de Riss-Saale-ijstijd, die ongeveer 250.000 jaar geleden begon. Net ten westen van de stuwwal ligt een zone met diluviaal zand in de ondergrond, afgezet door het smeltwater van het landijs, waarin het zuidwestelijke deel van het plangebied is gelegen. Tijdens die ijstijd, maar vooral er na, was de mens in de omgeving actief als jager. Maar naderhand, zo tussen 7500 en 2000 vC werd hij ook landbouwer, en daarmee begint hij ook duidelijker wijzigingen aan te brengen in het landschap. De natuur raakt nooit helemaal uitgespeeld, maar sinds de ijstijden is het vooral door toedoen van de mens dat het gebied in landschappelijk opzicht uiteindelijk vele wijzigingen ondergaat. De langs de stuwwalrand gelegen gebieden werden door bodemgesteldheid die gunstiger was dan op de stuwwal zelf en door de ligging nabij de lager gelegen vruchtbare rivierdalen al vroeg in gebruik genomen voor de landbouw.

Eerste bewoning

De Romeinse stad Ulpia Noviomagus, die na 69 na Christus werd gebouwd, was gelegen ter plaatse van het huidige Waterkwartier. Omstreeks 100 na Christus schonk keizer Trajanus deze stad stadsrechten én haar naam Ulpia Noviomagus. Er verrezen grote gebouwen, zoals een forum, een openbaar badhuis en meerdere tempels. Pas na het midden van de tweede eeuw werd de stad omgeven met een stenen verdedigingsmuur en een diepe gracht. De bouw er van had waarschijnlijk te maken met de onrust die was ontstaan in het noordwesten van het Romeinse rijk. Korte tijd na de bouw van de stadsmuur werd een groot deel van de stad platgebrand en niet meer herbouwd. Rond 270 werd de stad definitief verlaten en verplaatste de bewoning zich naar het centrum van Nijmegen. Na het vertrek van de Romeinen heeft er, in de Frankische tijd, blijkens archeologische vondsten nog een kleine nederzetting gelegen aan de Voorstadslaan, ongeveer bij de aansluiting met de Biezendwarsstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0012.png"

kaart: weergave van de Romeinse stad Ulpia Noviomagus

Prestedelijk landschap

Een klein deel in het zuid-westen van het plangebied behoorde tot het dorp Hees. Hees werd al in de 11e en 12e eeuw in archieven genoemd en behoorde eeuwenlang tot het rechtsgebied van Nijmegen. Hees is een voorbeeld van een rond oeverwaldorp. Kenmerkend voor de historisch-stedenbouwkundige structuur is de concentrische vorm die bepaald wordt door de ligging van kromme wegen op hogere zandruggen, die in het verleden naast een oude rivierloop waren afgezet. De historische wegen, de Bredestraat-Korte Bredestraat, respectievelijk de Bredestraat-Schependomlaan (vroeger Dorpsstraat genaamd), vormen twee ovale ringen. Deze kromme wegen lagen oorspronkelijk om twee lager gelegen terreinen: 'Het Rot' en 'Het Achterveld'. Het eerste toponiem heeft vermoedelijk de betekenis van 'gerooid bos/ontboste grond', hetgeen aansluit bij de uitleg van de plaatsnaam Hees als 'plaats met jong loofbos en struikgewas, waar vee kon weiden'. Het toponiem 'Het Achterveld' duidt op een ligging van akkers ('veld') op grotere afstand van de hoeven. Vermoedelijk vond de ontginning van deze gronden in een latere fase plaats. Een derde ring wordt gevormd door de Voorstadslaan en Tweede Oude Heseweg.

Het gebied rond Hees werd waarschijnlijk tussen 1200 en 1247 ontgonnen (Brauer & Temeer red., 2011). De bouwlanden werden in deze periode aangelegd op de hogere delen van de oeverwal. Het gebied nabij de dorpskern had een verkaveling van onregelmatige blokken. De huidige Voorstadslaan, Oude Heselaan en Schependomlaan sloten met hun onregelmatige gebogen verloop aan op de onregelmatige blokken van de velden. De ontginningen in het gebied De Biezen vonden plaats in het tweede kwart van de veertiende eeuw (F. Gorissen, 1956). Het toponiem 'De Biezen' dat reeds in 1359 werd vermeld, verwijst naar de moerasachtige gesteldheid van het landschap in het verleden. De gronden nabij de rivier waren natter en werden gebruikt als weide en hooiland. De verkavelingsstructuur was zowel blokvormig als langgerekt. Percelen werden van elkaar gescheiden door sloten en houtsingels. De ontwatering van het gebied, een essentieel element van de ontginning, geschiedde via de Schaapswetering, in de 18de eeuw deels aangeduid als Togtgraft, die ongeveer bij de kruising van de Waterstraat en de Biezenstraat begon, vandaar af westelijk naar de Jonkerstraat slingerde, en daarlangs zuidwestwaarts liep en verder naar Bijsterhuizen en uiteindelijk uitmondend in de Maas.

Het vee dat in De Biezen graasde werd via de Waterstraat (vroeger Hogeweg genaamd) naar het dorp Hees geleid. Deze weg vormde tot het begin van de 17e eeuw tevens een markegrens, die het dorp Hees scheidde van het Heesse Veld (Gorissen, 1956). De vorksgewijze aansluiting van de Voorstadslaan en een inmiddels verdwenen landweg op de Waterstraat hangt samen met de landschappelijke ondergrond en de voormalige agrarische functie, waarbij deze vertakking van wegen bij het verplaatsen van vee tussen het dorp en de weidegronden een praktisch nut had. Hetzelfde geldt vermoedelijk voor de aansluiting die de Oude Nonnendaalseweg maakte op de Tweede Oude Heselaan. Ook deze wegen kwamen aan de rand van het ´Achterveld´ vorksgewijs samen. De Bredestraat heeft in het verleden dienst gedaan om het vee samen te drijven. Op het kadastrale minuut uit 1832 is nog duidelijk zichtbaar dat deze weg zich naar het westen toe verbreedde (vandaar de naam). Aan de rand van het dorp, nabij de aansluiting van de Bredestraat op de eerste ovale ring, lag een brink. Op deze driehoekige ruimte werd het vee gedurende de nacht geplaatst. Opvallend is dat omstreeks 1832 midden op deze brink een huis met erf lag, dat in eigendom van de stad Nijmegen was. Welke functie dit gebouw had is onbekend.

Het plangebied lag eeuwenlang buiten de stad Nijmegen. Dat wil niet zeggen dat er geen bewoning of anderszins gebruik aanwezig was. Er liepen diverse uitvalswegen en landwegen waarlangs bebouwing stond. De hoeven stonden van oudsher op hogere plekken langs de Bredestraat, Korte Bredestraat, Schependomlaan en Voorstadslaan. Bij de aansluiting van de Schependomlaan op de Korte Bredestraat werd omstreeks het midden van de 16e eeuw de Petruskerk gebouwd. Opmerkelijk is het toponiem Voorstadt, waarnaar de Voorstadslaan is genoemd. Deze naam duidt op een concentratie van bebouwing buiten de stadsgrenzen.

De uitvalswegen liepen vanaf de Hezelpoort naar het westen en zuid-westen. Deze oude uitvalswegen en landwegen zijn nog steeds als straten aanwezig, zoals de Biezenstraat, Weurtseweg, Voorstadslaan, Eerste en Tweede Oude Heselaan, Waterstraat (vroeger ook gedeeltelijk Hogeweg genoemd), Dikkeboomweg, Schependomlaan, Molenweg, Oude Nonnendaalseweg, Floraweg (1865: Vuilkuilseweg) en Wolfskuilseweg.

Alleen de uiterste noordoostelijke hoek, tussen de Krayenhofflaan en de Oude Weurtseweg, behoorde tot de vestingwerken. Daar lag, in een natte gracht, het Havenlunet. Het gebied rondom de vesting was van oudsher het terrein van verdedigers en belegeraars. In dit schootsveld mocht niet of slechts beperkt gebouwd worden. Naarmate de reikwijdte van het geschut groter werd, werd ook het gebied waarin niet gebouwd mocht worden groter. De Kringenwet van 1814 gaf daar gedetailleerde regels voor. In de 19e eeuw was het geschut dermate verbeterd dat het krijgsbedrijf ingrijpend veranderde; de verdediging door vestingen was niet langer nodig. Bij wet van 1874 werd de vesting Nijmegen opgeheven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0013.jpg"

kaart van Tranchot en Von Müffling uit 1820, waarop de uitvalswegen en veldwegen te zien zijn, evenals het dorp Hees en de locaties van Wolfskuil en Voorstadt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0014.jpg"

uitsnede van de kaart Parken en Landgoederen uit de Historische Atlas. Het betreffen de locaties van de voormalige landgoederen/buitenverblijven: 1) Villa Leeuwenstein; 2) Mannheim; 3) Kelfkens Hof en Beek; 4) Welgelegen; 5) Bloemendaal

In de 17e en 18e eeuw werd het gebied ten westen en zuidwesten van Nijmegen populair als buitenplaats ter ontspanning, voor de welgestelden uit de stad. In vroeger eeuwen was het gebied buiten de stad nogal eens onveilig, wegens plunderingen als randverschijnsel van oorlogsvoering, maar in de 18de eeuw was het over het algemeen rustig geworden. Naast een huis in de stad lieten de rijken nu buitens inrichten op aangekochte stukken agrarische grond in het gebied rond Hees en Neerbosch. In de 19de en vroege 20ste eeuw komen gaandeweg ook minder prominente lieden en renteniers zich rond Hees en in mindere mate Neerbosch vestigen. Zij laten in het gebied landhuisjes bouwen op percelen van relatief beperkte omvang, gelegen aan de bestaande wegen, waardoor de bebouwing langs deze straten steeds dichter wordt. Ook oud Indiëgangers komen in het gebied wonen, in al dan niet nieuw gebouwde villa's. Vanaf het begin van de 20ste eeuw vestigen zich in Hees tevens kerkelijke instellingen en instituten, zoals Sancta Maria en het Josefklooster.

Verstedelijking na de slechting van de vestingwerken

Na opheffing van de vestingstatus van Nijmegen in 1874 konden de vestingwerken worden afgebroken en kwam het gebied ten westen van de oude stad vrij voor bebouwing en ook de aanleg van de spoorlijn. De rechte verbinding tussen de Weurtseweg en de Graafseweg is ontworpen bij de aanleg van de Staatsspoorlaan van Arnhem naar 's-Hertogenbosch. Op een ontwerptekening van de stadsuitleg zoals Bert Brouwer die in 1878 voorstelde is bij het huidige Krayenhoffpark, het begin van deze laan al aangegeven. Bij raadsbesluit van 23 april 1881 werd de weg, als eerbetoon aan de jonge koningin Emma, Koninginnelaan genoemd. In 1900 werd de naam van het noordelijke deel, tussen de Weurtseweg en de Marialaan, omgedoopt tot Krayenhofflaan.

Na de ontmanteling van de vesting vanaf 1874 is in dit deel van de stad in eerste instantie hoofdzakelijk langs de oude uitvals- en landwegen gebouwd. Nadat in 1879 een groot aantal percelen aan de Voorstadslaan en het begin van de Weurtseweg geveild was, kwam hier de stadsuitbreiding opgang. Er sprake van een gefragmenteerde groei: het gebied werd geleidelijk bebouwd, waarbij bestaande eigendomsverhoudingen in de nieuwe verkavelingen werden opgenomen. Daardoor ontstond een grote variëteit in architectuur en ouderdom van gebouwen. Op enkele plaatsen bleef de 19e-eeuwse landschappelijke bebouwing gehandhaafd. Door de nabijheid van de Nieuwe Haven was het ook een geschikt gebied voor industrievestiging. Er was niet alleen sprake van grootschalige industrie, maar er vestigden zich ook veel kleinschalige bedrijven. Oude industriecomplexen en kleine bedrijfsgebouwen zijn nog steeds in het gebied terug te vinden.

Nadat aanvankelijk de woningbouw door verschillende particulieren plaatsvond, werden er vanaf 1910 verschillende complexen sociale woningbouw gesticht. Na de Eerste Wereldoorlog was daarbij de tuinstadgedachte het leidende ontwerpprincipe. Op basis van verkavelingsplannen werden samenhangende wijkjes gebouwd. Kenmerkend voor de ruimtelijke ontwikkeling was dat deze planmatige stadsuitbreidingen werden gerealiseerd op de voormalige landbouwgronden die tussen de bebouwingslinten lagen. In een periode van zo'n 50 jaar werd het gebied zo geheel opgevuld. In het Waterkwartier en de Wolfkuil zijn nog waardevolle onderdelen van de oudste complexen over. Deze zijn beschermd als gemeentelijk beschermd stadsbeeld.

Vanaf 1934 tot circa 1960 werd gewerkt volgens het integraal uitbreidingsplan van Ir. P.A.M. Siebers. Het uitbreidingsplan van 1934 ging uit van een strikte scheiding tussen woon-, werk- en recreatiegebieden, conform de moderne stedenbouwkundige denkbeelden van de CIAM-beweging in deze periode. De bestaande stedenbouwkundige praktijk, waarbij bedrijven en fabrieken midden tussen arbeiderswoningen werden gebouwd, werd doorbroken door de nieuwe stedenbouwkundige praktijk van functionele zonering.

In de afgelopen decennia is het proces van kleinschalige invullingen en vernieuwingen doorgegaan. Grootschaliger wijzigingen vonden plaats toen een aantal vooroorlogse complexen werd gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Voorbeeld daarvan is het gebied tussen de Wolfkuilseweg en de Floraweg.

2.3.3 Cultuurhistorische waarden

Op de cultuurhistorische waardenkaart die in het kader van dit bestemmingsplan is opgesteld zijn de diverse waardevolle cultuurhistorische elementen, structuren en gebieden aangeduid die aanwezig zijn in het plangebied. Het betreffen niet alleen monumenten en beschermde gebieden, maar ook niet-beschermd erfgoed, zoals opgenomen op de aandachtspandenlijst, waardevolle historische structuren, ensembles en gebieden. Per legenda-item van de cultuurhistorische waardenkaart is in Bijlage 2 een beschrijving opgenomen. Op de molenbiotoop wordt hieronder ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0015.jpg"

kaart: cultuurhistorische waardenkaart

Molenbiotoop

De omgeving (biotoop) van een windmolen is vaak zeer gevoelig. Enerzijds gaat het daarbij om de zichtbaarheid van een molen, anderzijds is vrije ruimte van belang voor een goede windvang. Dit betekent dat bij de inrichting van de omgeving van een molen belemmeringen voor de zichtbaarheid en het maalvaardig functioneren voorkomen dienen te worden. Vooral bij nieuwbouw is het wenselijk om rekening te houden met de belevingswaarde en de eisen die een molen aan zijn omgeving stelt. Bestaande bebouwing in de omgeving van een molen moet gezien worden als een vaststaand gegeven. Begroeiing wordt in het kader van het bestemmingsplan verder buiten beschouwing gelaten.

In de Handleiding Molenbiotoop van Vereniging De Hollandsche Molen is een formule opgenomen waarmee de hoogte kan worden berekend die een obstakel mag hebben op een bepaalde afstand van een molen, zonder te veel windbelemmering te veroorzaken. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale straal van 400 meter van de molenbiotopen.

Formule: H = X/n + cz

H = hoogte obstakel

X = afstand obstakel tot molen

n = 50 voor gesloten gebied

c = constante = 0,2

z = askophoogte

Rondom een molen dient een vrije ruimte van 100 meter aanwezig te zijn. Deze vrije ruimte is nodig om de door de obstakels veroorzaakte turbulentie enigszins teniet te doen. Buiten de 100-meter cirkel loopt een schuin omhoog gaande lijn die aangeeft wat wel en wat niet meer toelaatbaar is als obstakelhoogte.

In het plangebied staat De Witte Molen (ook wel Looimolen genoemd) aan de Looimolenweg 15. Deze stellingmolen uit 1760 is een beschermd rijksmonument en is nog steeds in bedrijf. De Witte Molen heeft een stellinghoogte van 6,0 meter, een gevlucht met een lengte van 25,6 meter en een maaiveldhoogte van circa 23,5 meter boven NAP. De askophoogte bedraagt 18,8 meter (stellinghoogte + helft van lengte gevlucht). De maximale bebouwingshoogte binnen een zone van 100 meter mag 5,8 meter bedragen, gerekend vanaf een hoogte van 23,5 meter boven NAP. De bebouwingshoogte mag elke 100 meter met 2 meter worden verhoogd.

Afstand tot molen   0-100 m   100 m   200 m   300 m   400 m  
Maximaal toegestane hoogte   5,8 m   5,8 m   7,8 m   9,8 m   11,8 m  

Op de cultuurhistorische waardenkaart die in het kader van dit bestemmingsplan is opgesteld, is de molenbiotoop weergegeven door middel van een contour met een straal van 400 meter. Uitgangspunt is dat bij ruimtelijke ingrepen binnen deze contour rekening gehouden wordt met de belevingswaarde en windvang van de molen. De biotoopformule dient daarbij als een leidraad. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwbouw mogelijk dat van invloed is op de molenbiotoop.

2.3.4 Cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan

cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en objecten

Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn beschermd via de Monumentenwet/Monumentenverordening. Voor deze objecten is een bestemming opgenomen die een passende functie mogelijk gemaakt. Als extra bescherming van de cultuurhistorische waarde van deze objecten is er voor gekozen om voor de bouwvlakken maatwerk toe te passen, waarbij uitbreidingsmogelijkheden zoveel mogelijk zijn afgestemd op de beschermde waarden en kwaliteiten. Bovendien is voor rijks- en gemeentelijke monumenten een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte vastgelegd, conform de bestaande situatie.

De gemeente Nijmegen heeft besloten om de bescherming van cultuurhistorische waarden van panden niet te regelen middels het bestemmingsplan, omdat dit via sectorale wetgeving (Monumentenwet/monumentenverordening) geregeld wordt. Dit geldt voor zowel rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten, als voor identiteitsbepalende objecten, stadsbeeldobjecten en bouwhistorie monumenten. De reden hiervoor is, dat het sectoraal beleid een passende bescherming biedt tegen eventuele sloop van beschermde monumenten.

Voor gebouwen en objecten die op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed staan zijn geen beschermende regels in het bestemmingsplan opgenomen. Indien deze gebouwen en objecten met sloop bedreigd worden heeft de gemeente de mogelijkheid een beschermingsprocedure te starten.


gebiedstype 4 - gemeentelijk beschermde stadsbeelden 'Waterkwartier' en 'Wolfskuil'

Voor de beschermde stadsbeelden Waterkwartier en Wolfskuil is het belangrijk dat de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van deze gebieden ook beschermd worden via het bestemmingsplan. Om die reden is aan de gronden binnen de beschermde stadsbeelden de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' gekoppeld. De gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsbeeld. Ter bescherming van cultuurhistorische waarden wordt een omgevingsvergunning verplicht gesteld voor bouw- en sloopactiviteiten. Bij ruimtelijke ingrepen zijn de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten leidend, zoals deze zijn vastgelegd in de gebiedsatlas die behoort bij Bijlage 3 'Toelichting Beschermd Stadsbeeld Waterkwartier' (juni 2004), respectievelijk Bijlage 4 'Toelichting Beschermd Stadsbeeld Wolfskuil' (augustus 2005). Alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt over het verlenen van een omgevingsvergunning, brengt de Commissie Beeldkwaliteit schriftelijk advies uit.

Behalve door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' wordt het behoud van cultuurhistorische waarden die relatie houden met de stedenbouwkundige opzet van beide beschermde stadsbeelden geregeld door maatwerk toe te passen bij het leggen van bouwvlakken en door een maximaal toegestane bouw- en goothoogte op te nemen conform de bestaande situatie. Daarnaast is de bestemming 'Tuin' toegekend aan gronden, die omwille van het behoud van het ruimtelijk beeld niet bebouwd mogen worden. In deze gebieden is parkeren in de tuin niet toegestaan.

gebiedstype 2 en 3 - cultuurhistorisch waardevolle structuren

Het behoud van de historische wegenstructuur in het plangebied wordt geborgd door de betreffende gronden te bestemmen als weg. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die van invloed kunnen zijn op het historisch beloop van deze wegen.

Voor historisch waardevolle groenstructuren die deel uitmaken van de hoofdbomenstructuur wordt in dit bestemmingsplan geen specifieke aanduiding opgenomen. Bescherming van deze groenstructuren is adequaat geregeld middels het gemeentelijk groenbeleid.

gebiedstype 2 en 3 - cultuurhistorisch waardevolle ensembles en gebieden

Voor de cultuurhistorisch waardevolle ensembles, zones en gebieden is het uitgangspunt dat gebruik dat afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden wordt geweerd, terwijl herstel van deze waarden zoveel mogelijk wordt gefaciliteerd. De bestaande situatie heeft als basis gediend bij het leggen van de bestemmingen, waarbij cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk zijn geborgd door maatwerk toe te passen bij het leggen van reguliere bestemmingen. Bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten die onderdeel uitmaken van cultuurhistorisch waardevolle ensembles is geregeld middels de monumentenverordening. Handhaving van monumentale en karakteristieke bomen is geregeld middels het gemeentelijk groenbeleid.

Voor de gronden die liggen binnen het cultuurhistorisch waardevol ensemble 'Florapark' is een specifieke aanduiding "overige zone-cultuurhistorisch waardevol reliëf" opgenomen, gericht op het behoud van het natuurlijk reliëf en de aanwezige cultuurhistorische waarden, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang.

2.4 Beeldkwaliteit

Met de Kadernota Beeldkwaliteit geeft de gemeente aan de kwaliteit en samenhang van het stadsbeeld te willen behouden en versterken. Alle benodigde vakdisciplines zullen daarbij samenwerken en gebiedsgericht worden ingezet. De cultuurhistorie van de stad wordt als inspirator en katalysator gebruikt om nieuwe ontwikkelingen te plaatsen binnen het verhaal van de bestaande stad. Het begrip beeldkwaliteit is verbonden met de mate waarin we een positief of negatief beeld van onze omgeving hebben. Als een omgeving of gebouw een slechte indruk achterlaat kunnen we spreken van een lage beeldkwaliteit. Er is sprake van een hoge beeldkwaliteit wanneer een straat, plein of gebouw een positieve indruk oproept. Structuur, identiteit en belevingswaarde zijn bepalend voor de uiteindelijke beeldkwaliteit. In de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit zijn de ambities voor wat betreft de beeldkwaliteit van de stad vertaald in criteria voor bouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen.

Toetsingsniveau's

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid als het gaat om de beeldkwaliteit van de stad. Hierbij zal zij haar aandacht voornamelijk richten op die gebieden die van belang zijn voor de stad als geheel. Hier zal meer kwaliteit worden verlangd van ontwerpers en opdrachtgevers. In veel woongebieden ligt de verantwoordelijkheid voor de beeldkwaliteit voor een deel bij de bewoners zelf. De inrichting en het onderhoud van de openbare ruimte is in hoofdzaak een taak van de overheid, maar waar het gaat om het bouwen aan en om de eigen woning, heeft de eigenaar de verantwoordelijkheid om er iets goeds van te maken. De gemeente onderscheidt bij de ruimtelijke ontwikkeling van de stad vier zogenaamde toetsingsniveaus: bijzonder, aandacht, luw en vrij. In het gebied Oud West zijn de toetsingsniveaus bijzonder en luw van toepassing. In gebieden waar een bijzonder toetsingsniveau geldt, zal de gemeente een meer actieve rol spelen bij de totstandkoming van nieuwe ontwikkelingen. Er zullen ook hogere eisen worden gesteld aan initiatieven en bouwplannen van derden. In gebieden waar een luw toetsingsniveau van kracht is, zullen minder strenge eisen worden gesteld aan bouwplannen. Er wordt wel gewaakt voor achteruitgang en verlies van bestaande ruimtelijke kwaliteiten.

Het bijzonder toetsingsniveau is van toepassing op de “harten” van de tuindorpen Wolfskuil en Waterkwartier, die vallen onder het beschermingsgebied. Voor het Waterkwartier gaat het om het deel ten noorden van het Maasplein, rondom de Amstelstraat, en voor de Wolfskuil gaat het om het deel rondom het Nachtegaalplein en de Pastoor Zegersstraat. De lintbebouwing langs de Schependomlaan die aansluit bij historische kern van dorp Hees valt binnen tevens binnen het bijzondere toetsingsniveau. Ook de verspreid liggende monumenten vallen onder het bijzondere toetsingsniveau vanwege hun cultuurhistorische waarde. Voor de adressen die een ruimtelijk visuele relatie met de Marialaan en de Graafseweg hebben, geldt vanwege de belangrijke positie in de structuur van de stad het bijzondere toetsingsniveau. Op de overige delen van het plangebied is het luwe toetsingsniveau van kracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0016.jpg"

kaart: toetsingsniveaus

Bouwstenen

In Nijmegen komen samenhangende ruimtelijke eenheden voor met eigen beeldkenmerken. Dit kunnen bijvoorbeeld buurten, wijken of kleinere ensembles zijn. Om de eenheden te kunnen benoemen, is het begrip bouwstenen geïntroduceerd. Het plangebied kan vanuit stedenbouwkundig perspectief worden gekenschetst als een tuinstadgebied. Verder inzoomend op het plangebied zijn de volgende bouwstenen herkenbaar:

  • H2 Historische bebouwingslinten en dorpskernen (Schependomlaan)
  • W1 Tuindorp
  • W2 Tuinwijk
  • W3 Gemengde bebouwing
  • W5 Naoorlogse stempelwijken (Jekerstraat e.o.)
  • W7 Stadsvernieuwing en inbreidingen
  • W8 Woongebieden en inbreidingen vanaf 1990 (Flavus, Sperwerstraat, Kievietstraat)
    V1 Voorzieningen (Molenweg, Waterstraat)
  • G1 Gebouwen en complexen in het groen (Florapark e.o.)
  • G2 Sport- en recreatieterrein (volkstuinen tussen Rozenbuurt en spoorlijn)
  • G4 Stadsparken (Leeuwensteijnpark en Distelpark)

Voor de hele stad zijn in beginsel de algemene beeldkwaliteitscriteria uit de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit van toepassing. Voor de specifieke gebiedstypen ( cq bouwstenen) zijn tevens specifieke gebiedsgerichte toetsingscriteria van toepassing (de bouwsteencriteria).

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0017.jpg"

kaart: bouwstenen

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit tot 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid.

De SVIR laat een sterke focus zien op het herstel van de economie met prioriteit bij de ontwikkeling van de mainports Amsterdam en Rotterdam, de brainport Eindhoven en de greenports met bijbehorende achterlandverbindingen. Voor de topregio's heeft het Rijk een excellente ruimtelijk-economische structuur voor ogen, door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in een goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's en concentratie van de topsectoren. Hiervoor moeten genoeg woningen, bedrijventerreinen en kantoren beschikbaar zijn. En deze moeten passen bij de wensen van bedrijven en hun werknemers. In Nijmegen bevindt zich een van deze topregio's: de Health Valley.

Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Het kabinet heeft in de SVIR 3 rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Hiervan zijn 13 onderwerpen van 'nationaal belang' afgeleid, waarvoor centrale sturing nodig wordt geacht en waarvoor het Rijk verantwoordelijk is en haar bevoegdheden wil inzetten. In vergelijking met eerder rijksbeleid wordt veel aan lagere overheden overgelaten. Planologische besluiten worden niet meer preventief getoetst op de naleving van nationale normen tenzij het de directe belangen van Rijkswaterstaat, het ministerie van Defensie en het ministerie van EL&I inzake weg-en waterbeheer, defensieterreinen rijksinpassingsplannen voor energie-infrastructuur betreft.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn rijksregels opgenomen ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland. Deze zijn van belang voor de inhoud van bestemmingsplannen. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructuurbeleid in 13 nationale belangen. Met de uitbreiding van het Barro en het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is de juridische verankering van de SVIR nagenoeg compleet.

Een deel van het Barro is gebaseerd is op eerdere planolgische kernbeslissingen (pkb's) en beleidsnota's die in de SVIR worden herbevestigd. Deze onderdelen volgen de nahangprocedure en kunnen vervolgens in werking treden. Het betreft de volgende onderdelen:

  • Rijksvaarwegen;
  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie;
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • Electriciteitsvoorziening;
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Ecologische hoofdstructuur;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
  • Ruimtereserving parallelle Kaagbaan.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. Daartoe is een artikellid ingevoegd op grond waarvan overheden nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen dienen te motiveren met behulp van een drietal opeenvolgende stappen.

  • 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Recent is er aan artikel 3.1.6 van het Bro een nieuw lid toegevoegd met als doel om buiten twijfel te stellen dat aan het stellen van regels in onder andere een bestemmingsplan slechts ruimtelijke ordeningsmotieven ten grondslag mogen liggen, en dus geen economische gronden.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0018.png"

figuur: Ladder voor duurzame verstedelijking

3.1.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden via een koninklijk besluit In dit wetsvoorstel (de Wabo) worden de toestemmingen samengevoegd die nodig zijn als een burger of een bedrijf op een bepaalde plek iets wil gaan slopen, (ver)bouwen, oprichten of gaan gebruiken. Het moet daarbij gaan om plaatsgebonden activiteiten die op een of andere manier van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Daartoe zijn ca. 25 vergunningen, ontheffingen en meldingen (toestemmingen) op het gebied van ruimte, bouwen, milieu, natuur en monumenten geïntegreerd tot één omgevingsvergunning. Dit heeft geleid tot de invoering van één loket, één (digitaal) aanvraagformulier, één bevoegd gezag (één aanspreekpunt), één uniforme en in het algemeen ook kortere procedure, één procedure voor bezwaar en beroep en één handhavend bestuursorgaan. De samenvoeging heeft geleid tot een omvangrijke vermindering van het aantal toestemmingen en een daarmee overeenkomende vermindering van administratieve lasten.

Het bij deze wet behorende Besluit omgevingsrecht (Bor) is met ingang van 1 november 2014 gewijzigd. Door deze wijziging is de regeling voor vergunningsvrij bouwen en de mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan (door middel van de zogenaamde kruimelgevallen-regeling), verder uitgebreid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw.

Hoe draagt de provincie bij aan een toekomstbestendig Gelderland? De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

De provinciale hoofddoelen zijn in verschillende hoofdstukken opgenomen en vertaald in provinciale ambities. Afhankelijk van het accent van de ambitie, zijn ze opgenomen onder het deel 'Divers', 'Dynamisch' of 'Mooi' Gelderland:

  • 1. Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Zo heeft het Rivierenland andere regionale economische en culturele motoren dan de Stedendriehoek;
  • 2. Dynamisch Gelderland betreft de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit;
  • 3. Mooi Gelderland betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming danwel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen. Denk aan cultuurhistorie, natuur, water, ondergrond.

Per ambitie is de aanpak op hoofdlijnen beschreven. De nadere invulling vindt plaats via provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Daarmee is de Omgevingsvisie een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. Ofwel: 'de Omgevingsvisie gaat over het speelveld en de spelregels, niet over de uitkomst van het spel.' Uitnodigingsplanologie is sturen op doelen en kwaliteit, niet op de exacte middelen.

Bij het maken van de Omgevingsvisie zijn vier majeure opgaven naar voren gekomen. Het gaat om opgaven die van belang zijn voor heel Gelderland, maar met name in specifieke regio's spelen en in hun aard juist multisectorale aspecten benadrukken. Wat daarbij opvalt is dat de stedelijke gebieden, vanwege de opgaven die daar actueel zijn, meer aandacht krijgen dan voorheen. De provincie ziet voor zichzelf hier een relatief grotere rol dan in de vorige omgevingsplannen. Het gaat daarbij om:

  • de economische kracht van de stedelijke netwerken (Arnhem-Nijmegen, Ede-Wageningen en de Stedendriehoek);
  • de Gelderse corridor (de spoor-, weg en waterverbinding tussen de Rotterdamse haven en het Ruhrgebied);
  • de versterking van de Veluwe als toeristisch aantrekkelijk natuurgebied;
  • de krimp van de bevolking in de Achterhoek.

Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing.

Een goede afweging volgens de ladder vraagt om kennis van de bestaande voorraad. Gekoppeld daaraan zijn er vragen over de opgaven en kwaliteiten in een gebied:

  • past de ontwikkeling bij de doelen in Gelderland? Zo ja:
  • hoe voegt de ontwikkeling extra kwaliteit toe aan een gebied?

 

Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De doelstellingen uit de Omgevingsvisie zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Op 17 oktober 2014 zijn de visie en verordeing in werking getreden. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de Provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De Omgevingsverordening heeft de status van een Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening.

3.3 Regionaal beleid

Sinds 1 juli 2015 bestaat de Stadsregio Arnhem-Nijmegen niet meer als officiële bestuurslaag. Hierdoor is er geen instantie meer direct verantwoordelijk voor het regionale beleid op het gebied van mobiliteit, ruimte, wonen en werken. Voor de beleidsvelden wonen, detailhandel en bedrijventerreinen geldt dat provincie Gelderland in haar omgevingsvisie en omgevingsverordening nog wel verwijst naar de regionale afspraken. Voor deze beleidsvelden worden nog steeds regionale afspraken vastgelegd in gezamenlijk overleg met regiogemeenten en provincie. Ook voor andere beleidsvelden blijft regionaal overleg in veel gevallen noodzakelijk. Voor deze aspecten zal op ad hoc basis regionale afstemming gezocht moeten worden.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Nijmegen 2013, kansen voor ontwikkeling tot 2030

De Structuurvisie 2013 geeft het ruimtelijk beleid weer tot 2020. Het accent zal de komende jaren in de wijken meer op consolidatie en kleinschalige vernieuwing komen te liggen. De focus ligt op behoud, verduurzaming, eigentijdse aanpassingen, herbestemming en transformatie van bestaande woningen en gebouwen naast de ontwikkeling van het Waalfront, Nijmegen CS en de Waalsprong. Duurzaamheid krijgt een prominente rol in deze visie en kent een brede invulling. In de Structuurvisie is gekozen voor duurzame stedelijke ontwikkeling als leidend principe en de de volgende speerpunten:

  • Typisch Nijmegen, de ambitie is om de bestaande en voor Nijmegen unieke kwaliteiten zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. De typerende kwaliteiten zijn: de unieke ligging in het landschap, de ruimtelijke dragers van de stad, de historische gelaagdheid, de dynamiek: Nijmegen is een stad in beweging en de duurzaamheid krijgt een prominente rol in deze visie met een brede invulling;
  • Economische structuurversterking, de ruimtelijke kwaliteit van een stad is afhankelijk van de economische aantrekkingskracht. We willen ruimte bieden voor de ontwikkeling van de economische dynamiek van een wijk. We willen de creativiteit van ondernemers de ruimte geven;
  • Karakteristieke wijken, onze ambitie is om wijken te hebben waarin mensen graag wonen met een variatie in het aanbod van woningen (zowel in woningtype als in prijsklasse).

Onder het speerpunt Karakteristieke wijken is bij de ruimtelijke ambitites aangegeven dat we in In de bestaande wijken willen we alleen nog woonmogelijkheden toevoegen als die iets toevoegen aan de wijk of buurt zoals woningen met zorg aan huis en ontmoetingsmogelijkheden. We zijn terughoudend met verdere inbreiding vanwege het belang dat we hechten aan groene ruimten, speelplekken en waterpartijen in een dichte stedelijke omgeving. In de bestaande stad is de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in de wijken met een voorraad aan verouderde sociale huurwoningen en sociaal-maatschappelijk kwetsbare bewoners. Ook zijn er voorzieningenharten en scholen gebouwd. De komende jaren wordt de herstructurering in de Biezen/Waterkwartier afgerond. Behalve in de Waalsprong, het Waalfront en Nijmegen CS worden de komende jaren geen grote woningbouwontwikkelingen voorzien. In de bestaande stad zetten we in op consolidatie van de bestaande kwaliteiten. Toch zijn ook hier specifieke plekken en gebieden aan te wijzen met een verouderde woningvoorraad, waar de komende jaren een transformatie nodig is. Zo zijn er in de stad verschillende gebieden aan te wijzen. We onderscheiden drie gebieden. In sommige wijken hebben we de ambitie om te investeren (ontwikkelen, transformeren), terwijl andere gebieden zich juist op eigen kracht verder kunnen ontwikkelen (consolideren).

3.4.2 Coalitieakkoord 2014-2018, Samen voor Nijmegen: sociaal, duurzaam en ondernemend

De coalitie wil initiatieven van inwoners, ondernemers en organisaties aanmoedigen. Nijmegenaren krijgen de ruimte om met initiatieven te komen, de rol van de coalitie is het verbinden van initiatiefnemers en het stimuleren van partnerships. De afgelopen jaren zijn al belangrijke stappen gezet om onze stad nog groener en duurzamer in te richten. Dit proces wordt voort gezet. Er is veel draagvlak en initiatief bij bewoners, grote en kleine bedrijven om duurzamer te bouwen en meer natuur en landbouw binnen onze stadsgrenzen te brengen. Wij ondersteunen deze ondersteunen deze initiatieven, geven ruimte en leggen verbindingen.

Onze ambitie is dat Nijmegen een aantrekkelijke woon- en groeistad blijft. Betaalbaarheid en kwaliteit van woningen is daarvoor een belangrijke voorwaarde. Door een goede samenwerking met partners werken we aan een evenwichtige woningvoorraad in Nijmegen. Samen met hen pakken we de bouwopgave om Nijmegen in de toekomst te kunnen laten groeien voortvarend op, met prioriteit voor de Waalsprong en Waalfront. Dat betekent echter niet dat de ontwikkeling van de bestaande stad tot stilstand komt. Maar we gaan scherper beoordelen wat de toegevoegde waarde is van een project op basis van de criteria die door de Raad zijn vastgesteld: strategische maatschappelijke relevantie, versterking voorzieningen, leefbaarheid, verbetering differentiatie woningaanbod, doelgroepenbeleid, stadium ontwikkeling en financieel.

Hoofdstuk 4 Functioneel beleidskader

4.1 Wonen

4.1.1 Woningvoorraad

Het stadsdeel Oud West, bestaat uit oude volkswijken Biezen en Wolfskuil. Ook een deel van Hees valt onder dit stadsdeel. De woningvoorraad bestaat voor het grootste deel uit vooroorlogse huurwoningen in bezit van woningcorporaties. Aan een aantal doorgaande wegen staat vooral particulier woningbezit. De corporatieve voorraad is grotendeels in de jaren zeventig en tachtig gerenoveerd. Het aandeel ouderen in dit stadsdeel is wat lager dan gemiddeld in Nijmegen en het aandeel eenoudergezinnen wat hoger dan gemiddeld. Het plangebied valt uiteen in een tweetal verschillende woonmilieus en een aantal deelgebieden.

Biezen

De wijk Biezen ligt in het stadsdeel Nijmegen-Oud-West. De oude uitvalsweg Voorstadslaan ligt tussen een aantal buurten. Naast het Waterkwartier, tussen 1910 en 1940 als sociale woningbouw ontstaan, zijn er kleinere karakteristieke wijkdelen te onderkennen. Zo is het gebied tussen de Marialaan, Voorstadslaan en Krayenhofflaan in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw bebouwd. Het openbare groen in de meeste delen van de wijk is beperkt. In de loop van de jaren zijn in de wijk herstructureringen doorgevoerd. Aan de westzijde is Park West gerealiseerd. De wijk ligt in het stedelijk compacte woonmilieu.

Wolfskuil

Wolfskuil is een oude volkswijk in stadsdeel Nijmegen-Oud-West begrensd door enkele grote verkeerswegen. Het gebied ten noordoosten van de Nieuwe Nonnendaalseweg is gebouwd in de jaren '10 en '20 van de vorige eeuw. De openbare ruimte kenmerkt zich hier door een aantal grotere lanen en kleinere woonstraten en pleinen (onder andere Nachtegaalplein). Deze lanen volgen de structuur van de oude veldwegen. Het wijkdeel dat soms wordt aangeduid als 'de Kuul' is direct na de Tweede Wereldoorlog gebouwd voor circa 5000 parochianen. Het heet wel de Kuul omdat deze buurt ten opzichte van de oude stuwwal (de Graafseweg) in een kuil ligt. De Rozenbuurt tenslotte hoort statistisch bij Wolfskuil, maar is daarvan min of meer afgesneden door de Graafseweg. De wijk ligt in het stedelijk grondgebonden woonmilieu. In de Rozenbuurt wordt binnenkort gestart met herstructurering.

Hees

Hees is een wijk, ontstaan uit het oude dorp met een kenmerkende losse structuur met enkele mooie lanen met statige panden. De wijk is gebouwd langs oude wegen en heeft een lage bebouwingsdichtheid met veel laagbouwwoningen in de koopsector in een aantrekkelijke groenstructuur. Het is een relatief kleine wijk met in totaal ca. 1.100 woningen, waarvan ongeveer 65% in de koop. De wijk kent behoorlijk wat variëteit maar er zijn geen echte deelgebieden met een eigen karakter of eigen thematiek te onderscheiden. De wijk maakt ook een ruime, groene indruk door het aangrenzende parkgebied Park West met o.m. het Planetenpark, Kometenpark en Distelpark. Door de verschillende bouwperioden heeft de wijk een afwisselend karakter, met vooral een woonfunctie. Het gaat vooral om laagbouw en om koopwoningen.

Herstructurering in Oud West

In Oud-West en het Willemskwartier wordt de herstructurering van de slechte delen van de woningvoorraad voortgezet en nadert het einde. In het Waterkwartier zijn ca. 200 woningen gesloopt en vervangen door nieuwbouw (Rijnstraat, Lekstraat, Waterstraat en Kanaalstraat). In de Wolfskuil gaat het om ca. 260 woningen (o.a. Azaleastraat en Nachtegaalplein) met sloop, nieuwbouw en renovatie. Herstructurering van het Nachtegaalplein was door de crisis uitgesteld, maar is inmiddels in volle gang en zal snel worden afgerond. Inzet was meer differentiatie en kwaliteit in het woningaanbod. Met het "verversen" van de oude voorraad zijn kwaliteitsachterstanden weggewerkt. Meer variatie in het aanbod heeft mogelijk gemaakt dat bewoners die een stap in de wooncarrière willen maken niet per se de wijk hoeven te verlaten en heeft mogelijk gemaakt dat er nieuwe bewoners zijn gekomen. Dat is goed voor de sociale cohesie en zorgt ook voor een breder draagvlak onder winkel- en maatschappelijke voorzieningen. Het voorzieningenniveau heeft een belangrijke impuls gerkregen door de realisatie van een voorzieningenhart in het Waterkwartier. De winkelvoorzieningen zijn versterkt met het project aan de Marialaan/Koekoekstraat/Kievitstraat (MKK). Door de herstructurering is een deel van de goedkope woningvoorraad verdwenen. Compensatie hiervan is noodzakelijk gezien de grote vraag naar dit segment. Dit zal voor het grootste deel in de Waalsprong moeten gebeuren. Hierover zijn afspraken met de woningcorporaties gemaakt.

Ook is Portaal gestart met de herstructurering van de Rozenbuurt. Dit is een geïsoleerd wijkje van goedkope corporatiewoningen grenzend aan het spoor aan de achterzijde en aan de voorzijde aan de snelfietsroute. De eerste plannen zijn gevormd en de wens is om nieuwe, grotere sociale woningen voor de bewoners te bouwen. De wens is ook om meer kwaliteit en groen toe te voegen.

4.1.2 Woonvisie Nijmegen 2009-2020

Het gemeentelijk beleid op het gebied van wonen is vastgelegd in de Woonvisie 2009-2020, Wonen Leeft! In deze nota wordt het woonbeleid uiteengezet, waarbij de volgende strategische keuzes zijn gemaakt voor Nijmegen:

  • ongedeelde stad: voorkomen van een tweedeling tussen de bestaande stad en de Waalsprong en binnen wijken en stadsdelen. Het doel blijft om woonmilieus te realiseren waarin mensen graag wonen, met een positief gewaardeerd woonklimaat, leefbaar, schoon, heel en veilig en met variatie in het aanbod zodat mensen niet noodgedwongen hun wijk uitmoeten als ze aan een nieuwe stap in hun wooncarrière toe zijn. Het behoud van deze doorstromers en stijgers komt de leefbaarheid en sociale structuur ten goede. We richten ons op binnenwijkse wooncarrières en meer treden op de woonladder. Daarvoor is het ook nodig dat het aanbod, de spreiding en de kwaliteit van voorzieningen in orde is. Een ongedeelde stad vraagt om meer dan alleen een gedifferentieerde woningvoorraad;
  • bewoners binden is het tweede centrale uitgangspunt. We willen zorgen dat mensen een positieve keuze kunnen maken. Dat kan alleen als we rekening houden met de individuele wensen en financiële mogelijkheden. Dat kan met een adequaat nieuwbouwbeleid waarbij we ook als kwaliteitsimpuls de kansen benutten om nieuwe bewoners aan te trekken. Dat betekent sterke wijken waar mensen een wooncarrière kunnen maken, die levensloopbestendig zijn en waarin voldoende variatie is in huur en koop, woningtype en prijsklassen. Door een hoge kwaliteit van woningen en woonomgeving en de nodige keuzevrijheid te bieden kunnen bewoners aan Nijmegen gebonden worden. Hierbij spelen ook voorzieningen, economische structuur en cultureel klimaat een rol en zijn de volgende opgaven relevant:
    • 1. het continueren van de wijkaanpak. Om te kunnen blijven voldoen aan wensen van bewoners is het nodig dat verouderde en versleten delen van de stad een kwaliteitsimpuls krijgen. Daarvoor bestaat geen standaardrecept. Soms gaat het om sloop en vervangende nieuwbouw als de kwaliteit van de woningen te slecht is. Maar het kan ook gaan om het geschikt maken van woningen voor ouderen, verkoop van woningen en woningverbetering;
    • 2. realiseren van meer combinaties van wonen en zorg. Dit thema wordt steeds belangrijker. Ten eerste woont onze ouder wordende bevolking steeds langer zelfstandig en ten tweede is de extramuralisering van de zorg een voortgaand proces. Beide trends voeden de opgave om meer combinaties van wonen en zorg in de wijken te realiseren.

In 2014 is er gestart met het opstellen van een nieuwe en meer actuele woonvisie. Sinds 2009, het moment waarop de huidige woonvisie is vastgesteld, is het speelveld en de verhouding tussen partijen behoorlijk veranderd. Tegen deze achtergrond is een nieuwe woonvisie gewenst om in een veranderende omgeving richting en focus te geven aan de opgaven in de stad. Belangrijke onderleggers voor de nieuwe woonvisie zijn nota's "De Nijmeegse Woningmarkt 2013-2020" en het "Planningskader wonen met zorg 2014". Ook loopt er op stadsregionaal niveau nog een onderzoek naar de betaalbaarheid van het wonen. De woonvisie wordt geen blauwdruk, wel een duidelijke richting. Met een helder sturingsperspectief, dat rechtdoet aan de veranderende rol en positie van de overheid.

4.1.3 De Nijmeegse Woningmarktverkenningen 2013-2020

Op 28 februari 2014 is de nieuwe woningmarktverkenningen "De Nijmeegse Woningmarkt 2013-2020" vastgesteld. Deze woningmarktverkenning geeft de richting aan voor diverse locaties in de stad. Oud West ligt in twee woonmilieus. Wolfskuil en Hees liggen in het stedelijk grondgebonden woonmilieu en Biezen ligt in het stedelijk compacte woonmilieu. Op basis van de nieuwe woningmarktverkenningen is in beide woonmilieus in principe geen behoefte aan nieuwe woningtoevoegingen. Een uitzondering daarop is een toevoeging op het gebied van wonen en zorg of als de ontwikkeling een duidelijke meerwaarde heeft voor de wijk. Dit zal per geval bekeken moeten worden.

Studenten, jongeren en starters

Goede en voldoende studentenhuisvesting is belangrijk om onze aantrekkelijkheid als kennisstad te handhaven. De ontwikkeling van het aantal studenten en het aanbod van woonruimte volgen we op de voet. Op basis van nieuwe gegevens kan een koers voor de komende jaren worden uitgezet. Dit zal worden meegenomen in de nieuwe woonvisie. Een aspect dat hier mee samenhangt is de stedelijke discussie over het kamerverhuurbeleid. Het Coalitieakkoord stelt dat kamerverhuur moet aansluiten bij het karakter van Nijmegen als studentenstad, maar niet mag leiden tot overmatige overlast voor buurtbewoners. Op basis van een verkenning van de beleidsopties wordt ingezet op meer communicatie en een aanscherping van de voorwaarden om een pand te mogen verkameren. Dit zal worden uitgewerkt in nieuwe regelgeving, die niet ten koste mag gaan van voldoende aanbod voor studenten. Er wordt al gewerkt aan voldoende aanbod. Zo is het voormalig verzorgingshuis Sonnehaert in 2014 voor de duur van 10 jaar getransformeerd tot studentenhuisvesting (150 eenheden) voor de SSHN (Studentenhuisvesting Nijmegen).

4.1.4 Planningskader Wonen en zorg 2014

Een van de opgaven uit de Woonvisie Nijmegen is extra aandacht voor huisvesting van wonen met zorg. Het grootste deel van de ouderen en mensen met een functiebeperking zal, ook als er gezondheidsproblemen ontstaan, in de eigen wijk willen blijven wonen. Als gevolg van vergrijzing en het ingezette rijksbeleid ten aanzien van de extramuralisering van zorg is er op 11 februari 2014 een nieuw planningskader voor wonen met zorg vastgesteld. Dit planningskader geeft informatie over diverse woningcategorieën en de benodigde aantallen woningen met zorg per woonservicegebied. Het is tevens een richtlijn voor het plannen van toekomstige huisvesting voor zorgbehoevenden in Nijmegen. Voor mensen met een zwaardere zorgvraag (beschermd wonen) worden tegenwoordig geen grootschalige verpleeg/verzorgingshuizen meer gebouwd, maar worden kleinschalige woon-zorgcomplexen gerealiseerd. Daarnaast is er gezien de verandering van het scheiden van wonen en zorg nog behoefte aan woonruimte in de wijken voor andere zorgdoelgroepen die te maken krijgen met dit nieuwe beleid, waaronder psychiatrische patiënten en onder andere jongeren met een verstandelijke beperking. Bij wonen met zorg gaat het niet alleen om het woongebouw, maar ook om het organiseren van een integraal pakket van welzijn, diensten, ontmoeten en zorg geboden binnen de wijk. Inzet voor wonen en zorg: het toevoegen van beschermde woonvormen (woonvormen waar 24-uurszorg aanwezig is); verzorgde woonvormen (waar 24-uurszorg afroepbaar is); en levensloopgeschikte woningen, zoals rolstoelwoningen en rollatorwoningen.

Wonen en zorg in Oud-West

Het aantal ouderen in Oud West zal de komende jaren licht toenemen. De behoefte aan toevoeging op het gebied van wonen met zorg is ook de komende jaren nog aanwezig. Het 'planningskader wonen met zorg' vormt daarvoor het uitgangspunt voor nieuwe initiatieven. Zo is er nog behoefte aan zorgwoningen (beschermd en verzorgd) voor ouderen in dit stadsdeel en er moet nog een groot deel levensloopgeschikte woningen toegevoegd worden. We anticiperen op meer combinaties van wonen en zorg en bij nieuwe ontwikkelingen wordt goed gelet of er mogelijkheden voor beschermd- en/of verzorgd wonen mogelijk zijn. In bestaande complexen is bijvoorbeeld toevoeging van voorzieningen mogelijk om deze woonvormen te realiseren. De locatie van het voormalige tuincentrum Jacobs, Molenweg 49 en 71, ligt momenteel braak om herontwikkeld te worden. Dit plan omvat 87 woningen (levensloopgeschikt) en 22 woningen met zorg. Ook aan de Spreeuwenstraat wordt op het terrein van een voormalige mastrassenfabriek wonen met zorg gerealiseerd.

De laatste jaren is er ook al veel gebeurd. In de Biezen is een nieuwe Voorzieningenhart De Biezantijn geopend met gelijktijdig dertig rolstoelwoningen van Portaal en een brede basisschool. In de Sperwerstraat is een vorm van beschermd wonen voor psychogeriatrische patiënten gerealiseerd. Ook is een woon-zorgcomplex met 70 woningen, ontmoetingsruimte en diverse functies gerealiseerd aan de Kievitstraat (de Griffioen). Daarnaast zijn in de Biezen diverse kleinschalige woonprojecten met begeleid wonen in de wijk aanwezig.

4.2 Economie

4.2.1 Detailhandel

Op wijkniveau speelt de detailhandelsstructuur een belangrijke rol voor bewoners omdat de buurt- en wijkbewinkeling is verweven met de dagelijkse leefomgeving van mensen. De ontmoetingsfunctie van kleine winkels, maar ook van grote supermarkten vormt een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van die omgeving. De supermarkten in de buurt- en wijkwinkelcentra zijn de spil waar het om draait in een buurt- of wijkwinkelcentrum. Binnen de supermarktbranche is sprake van een sterke schaalvergroting. Grotere winkels voldoen beter aan de consumentenwensen. Het toenemende marktaandeel van supermarkten leidt er omgekeerd toe dat vers speciaalzaken in de winkelcentra marktaandeel verliezen. Door schaalvergroting, supermarktoorlogen, specialisering en branchevervaging kan de voorzieningenstructuur onder druk komen te staan. De structuur van de buurt- en wijkbewinkeling in Nijmegen is opgehangen aan een netwerk van supermarkten verspreid over de stad. In het verleden was het beleid logische verzorgingspunten te realiseren onder het motto compact, compleet en comfortabel. Het functioneren van de verzorgingspunten is per buurt- en wijkwinkelcentrum geanalyseerd. Er wordt op dit moment gewerkt aan een herziening van het detailhandelsstructuurbeleid. Naast actualisatie van het huidig functioneren en de structuur wordt hierbij ook o.a. gekeken naar landelijke trends en ontwikkelingen.

Van oudsher zijn in Nijmegen Oud West winkels gerealiseerd langs de doorgaande wegen. In het plangebied is een tweetal winkelcentra gevestigd:

  • Molenweg Noord heeft een belangrijke positie en fungeert als belangrijkste winkelcentrum in het gebied en de naastliggende wijk Wolfskuil. Er zijn twee supermarkten en er is een uitgebreid aanbod van aanvullende winkels;
  • Fenikshof is een nieuwe herontwikkeling van het voormalige bedrijventerrein met een winkelconcentratie die bestaat uit twee supermarkten, een bloemenwinkel en daarnaast een aantal leegstaande panden met een detailhandelsbestemming. Het verzorgingsgebied van dit winkelcentrum is vooral voor de wijk de Biezen en de nieuwe herontwikkeling van het Waalfront.

In het gebied liggen nog diverse solitaire winkelpanden. Een aantal van deze winkels kan overleven door specialisatie. Indien de winkelfunctie wegvalt, zal gekeken moeten worden of dienstverlening, kleine buurtverzorgende bedrijfjes, kleinschalige kantoren of bijvoorbeeld een woonfunctie mogelijk is.

4.2.2 Horeca

Het horecabeleid is 31 oktober 2007 door de Raad vastgesteld. Met betrekking tot horeca is in de Horecanota 'Eten en drinken in Nijmegen', een ruimtelijk-economische visie op de Nijmeegse horeca (januari 2006), een onderscheid gemaakt tussen horeca in het stadscentrum en horeca buiten het stadscentrum. Horeca in Nijmegen Oud West valt in deze laatste categorie. In de woonwijken heeft horeca in de eerste plaats een verzorgende functie. Horeca speelt een rol in de kwaliteit van de dagelijkse leefomgevingen in de wijken en buurten van de stad. Horeca in woonwijken is voor veel bewoners een aantrekkelijke verrijking van hun wijk. In Oud West zijn er vooral horecavoorzieningen bij buurtwinkelcentra en een aantal buurtcafé's. Verder zijn er restaurant 't Sfeerhuis de Looimolen, restaurant Sultan en eetcafé Villa Voorstad.

Nieuwe horeca in de wijken

Nijmegen heeft een aanzienlijk aanbod aan horeca buiten het stadscentrum. De aanwezigheid van voldoende parkeermogelijkheden, sfeer, persoonlijke aandacht en veiligheid zijn factoren die hieraan hebben bijgedragen. De horeca in de Nijmeegse wijken is aanvullend op de horeca in het stadscentrum. De horeca buiten het centrum richt zich op een ander publiek (25+ publiek) dan de horeca in het centrum (jongeren, studenten, toeristen en winkelendpubliek).

De beleidslijn voor de horeca voor de Nijmeegse wijken buiten het stadscentrum is steeds geweest dat horeca de ruimte krijgt, mits het een aanvulling betreft op het bestaande aanbod en gericht is op de bewoners van die wijk. Zo is het voormalige woonzorgcentrum de Sonnehaert omgebouwd naar studentenwoningen. Op de begane grond is een buurtrestaurant gevestigd met voordelige prijzen voor de studenten en de bewoners uit de buurt.

Ondersteunende horeca

Naast reguliere horeca kennen we in Nijmegen ook ondersteunende horeca. Er is sprake van ondersteunende horeca wanneer men in een zaak die geen (planologische) hoofdbestemming horeca heeft iets kan consumeren en daarvoor moet betalen. Het gaat dan om een zaak met een detailhandelsbestemming of de bestemming bijzondere doeleinden, waar een beperkt deel van het oppervlak gebruikt wordt voor het plaatsen van tafels en stoeltjes. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een boekenwinkel met een koffiecorner of om een museum met een restaurant.

4.2.3 Kantoren

We houden rekening met de trend van afnemende en veranderende vraag naar kantoren. De leegstand in Nijmegen bedraagt op peildatum 1 januari 2015 15,6% tegen 17,5% landelijk. Ondanks dat de kantorenmarkt in Nijmegen er, wat leegstand betreft, beter voorstaat dan landelijk, is de problematiek groter geworden. De toename is voor het grootste deel te wijten aan het op de markt komen van oude kantoorpanden en de ontwikkeling van het nieuwe werken waarmee door efficiency en flexibiliteit minder vierkante meters nodig zijn dan voorheen.

Naast de grotere locaties die aangewezen zijn voor kantoren zijn er ook mogelijkheden voor kleinschalige kantoren in de wijken. De vraag naar kleine kantoren kan als volgt worden toebedeeld:

  • tot 1.000 m2 zijn kantoren toegestaan langs singels en hoofdradialen;
  • tot 1.500 m2 kan in het kader van behoud van waardevolle panden (kloosters, scholen, e.d.) een omzetting naar kantoorbestemming plaatsvinden;
  • voor de vraag tot 500 m2 kan worden voorzien in de woonwijken, waarbij de afweging wordt gemaakt of de nieuwe kantoorfunctie bijdraagt aan een evenwichtige ontwikkeling van de wijk. Gelet wordt op toename parkeerdruk, parkeren op eigen terrein en de melding in het kader van milieuwetgeving. Vertrekpunt is het beperken van overlast voor de buurt.

In Nijmegen Oud West komen alleen kleinschalige kantoren voor die vaak gecombineerd zijn met een woonfunctie. Grotere kantoren in gebouwen die volledig als kantoor in gebruik zijn komen alleen voor aan de rand net buiten het gebied bij het station. De kleinschalige kantoren die in het gebied voorkomen zijn meestal gelegen aan de hoofdwegen of radialen in het gebied (zoals Graafseweg, Marialaan en Wolfkuilseweg).

4.2.4 Bedrijven

In Nijmegen Oud West zijn 862 ondernemingen ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. In onderstaande tabel zijn de 10 meest voorkomende sectoren weergegeven. In het gebied waren een aantal kleinere bedrijventerreinen gesitueerd. In de afgelopen jaren zijn deze terreinen herontwikkeld.

Het overgrote deel van de bedrijvigheid bevindt zich in woonhuizen in het gebied. Hierbij gaat het vaak om creatieve ondernemers, diverse soorten advisering en dienstverlening. Dit is toegestaan tot een maximum van 50 m2 oppervlakte en indien het geen overlast veroorzaakt. Daarnaast hebben een aantal van de genoemde bedrijven alleen een postadres ter plaatse en vinden op het adres geen bedrijfsmatige activiteiten plaats.

nr.   categorie   aantal  
1   Gezondheidszorg   98  
2   Kunst   78  
3   Detailhandel (niet in auto's)   76  
4   Onderwijs   66  
5   Holdings (geen financiële), concerndiensten binnen eigen concern en managementadvisering   60  
6   Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy   51  
7   Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie   45  
8   Maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting   41  
9   Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw   38  
10   Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en projectontwikkeling   37  
  Overig   272  
  Totaal   862  

Bron: Provinciale Werkgelegenheids Enquête

4.3 Maatschappelijke voorzieningen

4.3.1 Onderwijsinstellingen

Sinds 2008 is er sprake van doordecentralisatie van de middelen voor onderwijshuisvesting van de gemeente naar de schoolbesturen. De schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de huisvesting. Met de schoolbesturen zijn afspraken gemaakt over de spreiding van de onderwijsvoorzieningen: het streven is gericht op minimaal één basisschool binnen een wijk en minimaal één school voor voortgezet onderwijs per stadsdeel. Voor Nijmegen Oud West is de verwachting dat er in de komende jaren een lichte toename van leerlingen zal optreden in het basisonderwijs in de wijk De Biezen en een stabilisatie in de wijk Wolfskuil. Met de realisatie van vervangende nieuwbouw voor de beide locaties van basisschool Aquamarijn zal de capaciteit voor de komende jaren voldoende zijn.

Het plangebied Oud West huisvest drie basisscholen:

  • 1. basisschool Aquamarijn, 8 groepen. Aquamarijn is gevestigd in de nieuwbouw van de Bredeschool Aquamarijn aan de Biezendwarsstraat. De nieuwe school is direct verbonden met het nieuwe voorzieningenhart De Biezantijn. Medio 2014 is het schoolgebouw aan de Biezendwarsstraat opgeleverd. De voormalige locatie Spechtstraat wordt omgevormd naar een buurtpark;
  • 2. basisschool Michiel de Ruijter, Tweede Oude Heselaan 384: 6 groepen. De Wolfskuil, waarin de school is gelegen, is met 82% van het aantal leerlingen het grootste voedingsgebied van deze school. De overige leerlingen komen uit andere wijken van Nijmegen West.
  • 3. basisschool De Wieken, Floraweg 69: 10 groepen.

4.3.2 Sport, spelen en gezondheid

Sport en beweging geeft mensen plezier, voldoening en draagt bij aan een gezonde leefstijl. Sporten heeft zijn intrinsieke waarde. Maar sporten en bewegen leveren tevens een bijdrage aan gezondheid, welzijn en sociaal-maatschappelijke participatie. Minder overgewicht, minder stress, betere weerstand en het voorkomen van depressie zijn voorbeelden van de gezondheidseffecten van sporten en bewegen. De gemeente Nijmegen geeft, net als de rijksoverheid, prioriteit aan sport en bewegen in de buurt. De focus ligt daarbij op vraaggericht sport- en beweegaanbod realiseren in de buurt, in samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, overheid en bedrijfsleven.

Nijmegen Oud-West heeft een hoge bebouwingsgraad en heeft relatief weinig groen, sport-en speelvoorzieningen in de wijk. Het is daarom van belang om in deze wijk het huidige sport, speel-en beweegaanbod te handhaven. Wij willen tevens stimuleren dat bewoners zich voornamelijk te voet en met de fiets verplaatsen in en naar hun wijk. Hiervoor zijn goede, veilige verbindingen in de wijk noodzakelijk naar:

  • de speelvoorzieningen voor de kinderen in de wijk;
  • de vele sportaccommodaties net buiten het plangebied;
  • naar belangrijke voorzieningen in de wijk (voorzieningenhart).

Daar komt nog bij dat een groeiende groep bewoners niet in groeps-of verenigingsverband maar individueel sport. De ruimtelijke ontwikkeling van de Waalkade, aanpalend aan dit plangebied, biedt hiervoor prachtige mogelijkheden. Hier kunnen de bewoners uit aanpalende gebieden gebruik van maken. Denk daarbij concreet aan hardlopen, fietsen en skeeleren. Het is daarom van belang dat ook van en naar de Waalkade veilige, logische verbindingen gerealiseerd worden.

In het plangebied zijn twee sportaccommodaties aanwezig. Het betreft A-zalen, die speciaal voor het basisonderwijs zijn gebouwd:

  • 1. sporthal De Zwaluw, Zwaluwstraat 220 (aantal zalen: 2)
    De accommodatie wordt gebruikt door Aquamarijn en de Michiel de Ruyterschool. Er is nog voldoende ruimte voor medegebruik.
  • 2. gymzaal Aquamarijn, Biezendwarsstraat 31a (aantal zalen: 1)
    De accommodatie wordt gebruikt door Aquamarijn. De bestaande zaal is geïntegreerd in de nieuwbouw van de basisschool. Er is nog voldoende ruimte voor medegebruik.

Er is geen gebrek aan gymnastiekruimte.

4.3.3 Voorzieningenhart Waterkwartier "De Biezantijn"

De locatie tussen de Waterstraat, Biezenstraat, Biezendwarsstraat, achter het complex aan de Biezenstraat op de locatie van de voormalige Theresiakerk, is het "sociale hart" van het Waterkwartier te noemen. In mei 2014 is het wijkcentrum opgeleverd inclusief 30 zorgappartementen ten behoeve van mensen met een fysieke beperking. Deze woningen zijn door Portaal gebouwd en ook in beheer van Portaal. In het wijkcentrum zijn naast de algemene ruimtes, grote zaal, muziek-/creativiteitsruimte, leskeuken, grand-café en digitale werkruimte ook Driekracht, Portaal en Fysiotherapie Aalsterveld gehuisvest. De doelgroep omvat alle bewoners van de Biezen.

In het plangebied zijn verder het wijkcentrum Titus Brandsma (Tweede Oude Heselaan 386), het buurtcentrum De Driesprong (Fuchsiastraat 10) en wijkcentrum Villanova (Derde van Hezewijkstraat 2) gevestigd.

4.4 Verkeer en vervoer

4.4.1 Nijmegen Duurzaam Bereikbaar

Het Nijmeegse mobiliteitsbeleid is in oktober 2011 vastgesteld in de nota Nijmegen Duurzaam Bereikbaar. De gemeente Nijmegen stelt zich ten doel de bereikbaarheid van de stad te garanderen en te verbeteren. Daarbij is verkeersveiligheid een randvoorwaarde voor nieuw aan te leggen infrastructuur volgens de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Een multimodale aanpak centraal staat daarbij centraal, waarbij de reiziger een keuze wordt aangeboden uit een aantal aantrekkelijke alternatieven: soms is de auto de beste keuze, soms de fiets, soms het openbaar vervoer en soms een combinatie van vervoerswijzen. Daarnaast neemt de gemeente maatregelen om het verkeerssysteem als totaal duurzamer te maken. Hierbij is de samenhang tussen het mobiliteitsbeleid en ruimtelijke ordeningsbeleid van groot belang. Het verstedelijkingsbeleid van de gemeente gaat uit van een concentratie van ruimtelijke ontwikkelingen op een aantal knopen die goed bereikbaar zijn met de fiets en met het openbaar vervoer. Ook nieuwe grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals de Waalsprong, moeten goed ontsloten worden voor fiets, openbaar vervoer en auto. Voor bedrijventerreinen geldt dat deze zoveel mogelijk aan de rand van de stad worden gesitueerd met goede verbindingen naar de rijkswegen. Transferia worden op strategische plekken aan de rand van de stad gerealiseerd waar overstappen op het HOV mogelijk is. Bij elke geplande nieuwe ontwikkeling wordt onderzocht wat de effecten zijn op de bereikbaarheid. Dat kan leiden tot extra maatregelen, de keuze voor een andere locatie of in het meest extreme geval tot het niet doorgaan van de ontwikkeling. Tenslotte richt het beleid zich op maatregelen die leiden tot een betere benutting van de bestaande infrastructuur en het stimuleren van duurzame vervoerswijzen. Waar al deze maatregelen onvoldoende soelaas bieden, komt het vergroten van de capaciteit als optie in beeld.

Door de realisatie van De Oversteek eind 2013 is de verkeersstructuur in de stad ingrijpend veranderd. Hierdoor en door de maatregelen op het rijkswegennet (verbreding A50) zal de doorstromingsproblematiek verschuiven van het gebied ten noorden van de Waal naar de zuid- en westflank van de stad. In het gebied ten zuiden van de Waal en ten oosten van het Maas-Waalkanaal is nu al sprake van hoge verkeersdruk. De ruimtelijke mogelijkheden om nieuwe infrastructuur aan te leggen zijn hier beperkt. De aanleg van De Oversteek wordt daarom door de gemeente Nijmegen aangegrepen om door dynamisch verkeersmanagement het verkeer beter te beheersen en de doorstroming te verbeteren. In de wegenstructuur neemt de S100 als doorstroomroute in de stad daarbij een belangrijke plaats in. Om die doorstroming te garanderen zal waar nodig het verkeer aan de rand van de stad gebufferd worden en worden alternatieven (OV en fiets) en spitsmijden gestimuleerd.

4.4.2 Autoverkeer

Een goede bereikbaarheid van Nijmegen per auto is in de eerste plaats gediend met een goede en betrouwbare afwikkeling van het verkeer op de autosnelwegen rondom de stad. Het is van groot belang dat deze autowegen goed functioneren. Er is dan namelijk geen noodzaak om dóór Nijmegen te rijden als je niet in Nijmegen moet zijn. Al het doorgaande verkeer gaat buiten de stad om, terwijl het bestemmingsverkeer de stad vanuit de beste windrichting kan benaderen. Binnen de stad hanteren we 3 beleidslijnen:

  • doorstromen: met de opening van De Oversteek ontstaan meer mogelijkheden om het verkeer te spreiden en kunnen we beter bijsturen in geval van calamiteiten. Het is een goed alternatief voor een deel van de verplaatsingen door het centrum. De gemeente zet in op een goede doorstroming van het verkeer in de stad via de S100 (zie afbeelding): dit is een aaneengesloten route waarop de doorstroming optimaal is;
  • doseren: als de doorstroming op de S100 op piekmomenten onder druk staat, wordt het verkeer op de invalswegen naar de route toe "gebufferd". De gemeente zet zwaar in op dynamisch verkeersmanagement: we monitoren het verkeer en waar nodig sturen we bij. Zo krijgen we steeds meer grip op verkeer;
  • overstappen: ten noorden, zuiden en westen van Nijmegen bieden we transferia aan waar automobilisten kunnen overstappen op het openbaar vervoer of de (elektrische) fiets.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0019.png"

kaart: Groene route (S100)

De Oversteek en S100 zijn sinds november 2013 in gebruik en laten een verlichting zien op het Nijmeegse wegennet. Deze route raakt het plangebied en is een goed alternatief voor de route door de stad. Maar er zijn nog verschillende werkzaamheden die de bereikbaarheid beïnvloeden, zoals de dijkteruglegging en het groot onderhoud aan de Waalbrug. Daarom zal voor het autoverkeer in sterke mate worden aangestuurd op het zo goed mogelijk managen van de verkeersstromen en het stimuleren van het spitsmijden.

Een goed functionerend hoofdwegennet is van groot belang voor het leefbaar houden van de woongebieden en voor het economisch functioneren van de stad. Hierbij geldt dat op het gehele wegennetfunctie, gebruik en vormgeving op elkaar moeten zijn afgestemd. De woongebieden in Nijmegen Oud West zijn al geheel ingericht en uitgevoerd als 30 km-gebied (duurzaam veilig fase 1). Er wordt nu gestart met duurzaam veilig fase 2, waarbij de aandacht meer komt te liggen op de aanpak van de wegen met een ontsluitende of stroomfunctie. In het categoriseringsplan is nader bepaald welke wegen onder deze categorie vallen. In Nijmegen Oud West zijn de volgende wegen aan te duiden als gebiedsontsluitingswegen:

  • Voorstadslaan (ged.)/Weurtseweg (S101);
  • Marialaan (S102);
  • Graafseweg (S103);
  • Wolfskuilseweg/Groenestraat;
  • Tweede Oude Heselaan/Molenweg;
  • Waterstraat/Kanaalstraat (ged.)

In kader ontwikkeling Waalfront zal de verlengde Waalbanddijk de functie van de Weurtseweg overnemen. De Weurtseweg wordt in de toekomst vanaf de aansluiting op de Kanaalstraat afgewaardeerd tot een fietsstraat. Dit is nog in onderzoek. Het Havenplein wordt in 2015 aangepakt en opnieuw ingericht. De Tweede Oude Heselaan wordt opnieuw ingericht om zo de verkeersveiligheid en leefbaarheid te verhogen. In 2015 wordt dit project opgestart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0020.jpg"

kaart: gebiedsontsluitingswegen

4.4.3 Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer (OV) moet een belangrijke bijdrage gaan leveren aan het verbeteren van de bereikbaarheid van Nijmegen en haar knooppunten. Het streven is een toename van het gebruik van het OV. De kracht van het OV ligt vooral bij zoveel mogelijk gebundelde vervoersstromen, dus wordt vooral de kwaliteit van de stromen met de meeste reizigers verbeterd. Openbaar vervoer moet echter niet alleen een goed alternatief zijn voor de auto (bereikbaarheidsfunctie). Ook degenen die niet over een geschikt, eigen vervoermiddel beschikken moeten per openbaar vervoer naar de belangrijke (sociale) voorzieningen kunnen reizen (sociale functie).

De bestaande spoorwegen vormen de ruggengraat van het OV. Om regionale verplaatsingen beter te kunnen bedienen, wordt StadsregioRail ontwikkeld. StadsregioRail voorziet in meer regionale treinen per uur en extra stations op de verbinding tussen Duiven, Arnhem, Nijmegen en Wijchen. In Nijmegen betreft het de nieuwe stations Lent en Goffert. In aanvulling hierop wordt een netwerk van Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) ontwikkeld. Het HOV bedient de belangrijkste knooppunten en bestemmingen in Nijmegen en omgeving en is vooral geschikt voor afstanden tussen de 3 en 10 kilometer. De voormalige Stadsregio heeft zes te ontwikkelen regionale HOV-lijnen vastgelegd, waarvan er vier liggen op Nijmeegs grondgebied. Inmiddels rijden er twee HOV-lijnen:

  • Breng Direct lijn 300 tussen Arnhem, Huissen, Bemmel, Lent, Nijmegen CS en Heyendaal;
  • Breng Direct lijn 331 tussen Velp, Arnhem, Elst, Oosterhout, Nijmegen CS en Weezenhof.

Als eerste zal de lijn Heijendaal-Nijmegen Centraal-Centrum-Waalsprong worden ontwikkeld. Voor deze verbinding wordt gestreefd naar een tramverbinding, die wordt doorgetrokken naar Bemmel en aansluit op de verbinding Arnhem-Huissen-Bemmel-Nijmegen. Hiervoor zijn en worden doorstromingsmaatregelen getroffen in de vorm van busbanen en het inbouwen van prioriteit bij verkeerslichten. Waar mogelijk wordt de kwaliteit nog verder verbeterd. De nog te ontwikkelen andere twee HOV-lijnen lopen van Nijmegen Centraal Station, via Plein '44 naar Beuningen; en van Beuningen naar Heyendaal via Poort Neerbosch en station Nijmegen- Goffert. Het HOV-lijnennet gaat de knooppunten, transferia en omliggende woongebieden met elkaar verbinden. Hiervoor is ook het normale, onderliggende lijnennet van belang voor de verbinding van de knopen met de wijken en de wijken onderling. De fijnmazigheid van een openbaar vervoer netwerk is van belang voor de bereikbaarheid, maar zorgt er ook voor dat het openbaar vervoer een aantrekkelijk alternatief is voor de auto.

De volgende wegen in het plangebied maken momenteel deel uit van het buslijnennet:

  • Tweede Oude Heselaan;
  • Molenweg;
  • Marialaan;
  • Waterstraat;
  • deel Kanaalstraat;
  • deel Weurtseweg;
  • deel Voorstadslaan;
  • Graafseweg.

De route over de Graafseweg maakt onderdeel uit van de HOV-lijn 331. De doorstroming is bevorderd door de beïnvloeding van verkeerslichten. Voor de middellange termijn wordt gekeken of deze doorstroming verder verbeterd kan worden. De HOV-verbinding Nijmegen-Beuningen is nog niet verder uitgewerkt. Er is nog geen definitief tracé bepaald. Gedacht wordt aan de inzet van de Weurtseweg of de Marialaan. Dit zal samen met vervoerbedrijf Breng en de opdrachtgever van het openbaar vervoer worden uitgewerkt.

4.4.4 Langzaam verkeer

In Nijmegen liggen veel bestemmingen op korte afstand van elkaar. De fiets is hier een goed alternatief voor de auto. Van alle korte ritten (tot 7,5 kilometer) wordt 37% per fiets afgelegd. Dit percentage willen we laten toenemen. De gemeente gaat daarom de komende jaren door met het opwaarderen van het fietsroutenetwerk en het realiseren van snelfietsroutes op de belangrijkste verbindingen. Snelfietsroutes zijn doorlopende en aantrekkelijke fietsroutes dwars door de stad, die woonlocaties verbinden met belangrijke stedelijke bestemmingen, ook vanuit de regio. Snelfietsroutes zijn zo direct mogelijk en bieden de fietser extra kwaliteit in de vorm van doorstroming (voorrang, minder oponthoud, groen bij verkeerslichten), vlakke verharding en aantrekkelijkheid (autoluw, schone lucht, sociale veiligheid, omgeving). Snelfietsroutes proberen we te ontvlechten van drukke autoroutes door woonstraten fietsvriendelijk in te richten. Naast de hoofdfietsroutes moet het de keuze voor de fiets aantrekkelijker worden door de inrichting van parallelle (schone lucht) routes en fijnmazige verbindingen door de verblijfsgebieden. Door de snelfietsroutes willen wij meer forenzen op de (elektrische) fiets krijgen, maar natuurlijk ook voor schoolverkeer of sociaal recreatieve motieven.

Wij werken de komende jaren aan de rest van het fietsnetwerk. Een fijnmazig fietsnetwerk is belangrijk, omdat de fiets een belangrijk onderdeel moet gaan uitmaken van de vervoersketen, het verwisselen van vervoerssysteem, bijvoorbeeld van fiets op trein. Minstens zo belangrijk als goede fietsverbindingen zijn tenslotte goede en veilige stallingen. Het doel van het fietsbeleid is om zoveel mogelijk mensen te laten profiteren van de voordelen van het fietsen. Deze voordelen zijn enerzijds persoonlijk (gezondheid, in de stad vaak sneller) en anderzijds maatschappelijk (bereikbaarheid centrum en voorzieningen, milieu).

De onderliggende doelstelling die hierbij hoort is dat zodanig geïnvesteerd moet worden in de fiets dat men in de stad een goed alternatief heeft voor verplaatsingen met de auto. Deze doelstelling wordt vertaald in een aantal taken:

  • realiseren van directe en samenhangende routes;
  • verhogen van verkeersveiligheid fietsers;
  • realiseren van comfortabele en aantrekkelijke routes;
  • optimaliseren van aansluiting tussen openbaar vervoer en fiets.

Een toename van het fietsgebruik kan bereikt worden door een fietsroutenetwerk te realiseren met een maaswijdte van 400-600 meter, dat de belangrijkste routes voor het fietsverkeer omvat en de voornaamste voorzieningen ontsluit.

De belangrijkste snelfietsroutes door dit gebied zijn:

  • snelfietsroute Centrum-Lindenholt via Tunnelweg, Tweede Oude Heselaan, Schependomlaan ev.;
  • snelfietsroute Nijmegen-Wijchen via Hatertseveldweg-Graafseweg.

De snelfietsroute Nijmegen-Beuningen (via voormalige stamlijn) ligt net buiten het plangebied.

Andere belangrijke onderdelen van het fietsnetwerk in het plangebied zijn:

  • Weurtseweg;
  • Kanaalstraat/Waterstraat;
  • Voorstadslaan/Dikkeboomweg;
  • Marialaan;
  • Molenweg;
  • Wolfskuilseweg/Groenestraat;
  • Kraayenhofflaan/Koninginnelaan.

Een aantal wegen uit deze opsomming behoort tot het hoofdfietsnetwerk en maakt deel uit van het Investeringsprogramma Fietsinfrastructuur. Dit houdt in dat deze routes qua kwaliteit het fietsen nog meer moeten faciliteren. Qua uitvoering staan deze wegen nog niet geprogrammeerd voor de komende twee jaar. Er is nog wel een aantal ontbrekende schakels. Dit betreft de volgende wegen:

  • Oscar Carréstraat;
  • Deel Distelstraat;
  • Schependomlaan.
4.4.5 Expeditieverkeer

Op het gebied van (beroeps)goederenvervoer streeft Nijmegen naar een marktconform beleid, waarbij de overheid de randvoorwaarden schept om de markt tot kwalitatieve oplossingen te verleiden. Het streven is om tot een reductie van het aantal verkeersbewegingen te komen en daarbij zowel CO2-reductie als een gezonde businesscase te realiseren. Dit wordt mede bereikt door transportbedrijven die voorop durven lopen extra te belonen in de vorm van specifieke privileges. Daarnaast is ook afstemming op regionaal niveau van belang. Dit gebeurt door continue afstemming met de markt en omliggende gemeenten (vooral Arnhem). De gemeente Nijmegen werkt mee aan het stimuleringsprogramma Lean&Green en kent tenslotte ook nog de Groene Hub. Dit is een project voor het verduurzamen van het goederen- en busvervoer. In dit project zorgen deelnemers uit de regio Arnhem-Nijmegen ervoor dat lokaal opgewekt groen gas gebruikt wordt voor het openbaar vervoer. Tevens streven we om de bevoorrading steeds meer buiten de spits te laten plaatsvinden, hiermee ontlasten we het rijkswegennet en houden we onze stad goed bereikbaar voor alle modaliteiten.

4.4.6 Parkeren

De afgelopen jaren zijn stedelijke, maar ook regionale en landelijke ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening en economie, van invloed geweest op het parkeerbeleid. Het parkeerbeleid is opgenomen in de parkeernota "Kiezen en Delen; parkeren in Nijmegen, parkeernota 2013-2017" (2012). De Parkeernota biedt voldoende ruimte en mogelijkheden voor maatwerk met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Samen met stakeholders in de stad wordt gewerkt aan een verdere volmaking van de parkeerproducten, hiertoe wordt een marketingplan opgesteld zodat het parkeren meer als een service gezien wordt. Daarbij worden de ontwikkelingen op het mobiliteitsvlak op de voet gevolgd, zoals de ingebruikname van de Oversteek, de vernieuwde Waalbrug, de stadsuitbreiding in Nijmegen Noord en de wenselijkheid van meer transferia. Verder wordt er ruimte gecreëerd voor nieuwe technologische ontwikkelingen op parkeergebied (o.a. routeringsysteem, digitalisering en meer mogelijkheden tot het bieden maatwerk).

Het parkeerbeleid wordt gestuurd op de punten leefbaarheid, aantrekkingskracht van de binnenstad en bereikbaarheid. Daarbij gaan we als leidraad uit van de volgende drie uitgangspunten:

  • leefbaarheid in de wijken: in de wijken is een rechtvaardige verdeling van de schaarse openbare ruimte (waaronder parkeerplaatsen) en het voorkomen van parkeeroverlast wenselijk. Hierbij is maatwerk noodzakelijk, bijvoorbeeld in de tijden waarop parkeerregulering van kracht is, tarieven en specifieke regelingen voor specifieke doelgroepen;
  • bruisende binnenstad: aantrekkelijke, voldoende en goed bereikbare parkeerruimte in en om de binnenstad is erg belangrijk. De bezoekers van onze stad worden gastvrij ontvangen. Parkeren is een onderdeel van de service aan onze bezoekers. Dit betekent voldoende parkeergelegenheid, een kwalitatief hoogwaardig aanbod en duidelijkheid over de tarieven. Parkeren is immers direct gerelateerd aan de levensvatbaarheid van de economische functies en voorzieningen;
  • bereikbare parkeervoorzieningen: vanuit de bereikbaarheid stimuleren we dat verkeersdeelnemers gericht kiezen of zij met fiets, auto of OV reizen. Het parkeerbeleid kan bijdragen aan het bevorderen van het selectieve gebruik van de auto, waarbij de groei van de automobiliteit voor kleinere afstanden wordt beperkt ten gunste van bereikbaarheid, leefbaarheid en luchtkwaliteit. Parkeren in het centrum blijft mogelijk, maar parkeren op afstand vormt een aantrekkelijk alternatief. Het uitgangspunt is dat de automobilist een keuze heeft waar hij zijn auto neerzet: binnen de singels, aan de rand van het centrum of goedkoop aan de rand van de stad in een transferium. Goede communicatie en informatie aan de bezoeker en een goede parkeerroutering zijn essentiële randvoorwaarden.

Verder kent de gemeente Nijmegen een Nota Parkeernormen en de beleidsregels Parkeren. Zowel de Nota Parkeernormen als de beleidsregels Parkeren worden binnenkort herzien. Voordat een bouwplan kan worden uitgevoerd, is een omgevingsvergunning nodig. Bij het beoordelen van een ontwikkeling kijkt de gemeente of rekening is gehouden met het vereiste aantal parkeerplaatsen. Op deze manier wordt overlast in de omgeving zoveel mogelijk beperkt. Soms kan niet worden voldaan aan het realiseren van de opgelegde parkeernorm. Een ontwikkelaar heeft dan de mogelijkheid om de parkeerplaatsen af te kopen. Dit bedrag wordt gestort in het bereikbaarheidsfonds. In de Nota Parkeernormen en in de beleidsregels wordt helderheid gegeven over het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij diverse functies en de werkwijze bij het bepalen van de normen. De omgevingsvergunning wordt getoetst aan de op dat moment geldende parkeernormen. Aangezien de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening zijn vervallen, moeten de parkeerregels in het bestemmingsplan worden opgenomen. Daarbij wordt verwezen naar de beleidsregels Parkeren. De parkeerregels zijn zowel van toepassing op bouwplannen als bij gebruikswijzigingen. In de planregels is opgenomen dat indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, de gewijzigde regels gelden. Er wordt dus altijd getoetst aan de actuele parkeernormen.

In een groot gedeelte van de wijk is een redelijke parkeerdruk aanwezig. In 2011 is er een draagvlakonderzoek gehouden om te polsen of bewoners betaald parkeren zouden willen. Het merendeel was tegen invoering betaald parkeren. Dit is dan ook niet ingevoerd.

Net op de rand van het plangebied Oud West is een nieuwe parkeervoorziening gerealiseerd. Met de komt van de handelskade wordt deze voorziening nog verder uitgebreid om zo het bezoekersparkeren van de handelskade op te vangen. Er zijn nu ongeveer 310 parkeerplaatsen gerealiseerd. Tegen het einde van de bouw van de handelskade worden nog eens 200 parkeerplaatsen extra gerealiseerd.

4.5 Groen, natuur en landschap

4.5.1 Natura 2000 en Natuurbeschermingswet

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. In en om Nijmegen gaat het om de Natura 2000 gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort'.

De Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) is een Nederlandse wet die oorspronkelijk in 1967 is vastgesteld maar in 1998 ingrijpend is gewijzigd. In deze wet is nu de natuurbescherming van specifieke gebieden geregeld. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. De volgende gebieden zijn aangewezen in een aanwijsbesluit en beschermd op grond van de wet:

  • Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden): Uiterwaarden Waal, Gelderse Poort;
  • Beschermde Natuurmonumenten: Oude Waal en Bronnenbos Refter.

In het aanwijzingsbesluit wordt de exacte ligging van het gebied aangegeven en welke habitats in het gebied moeten worden beschermd. De provincie legt per gebied vast welke waarden aanwezig zijn en waar de te beschermen habitats liggen. Voor alle werkzaamheden die schadelijk zijn voor de beschermde habitats moet een vergunning worden aangevraagd.

Dit bestemmingsplan ligt op korte afstand van Natura2000 gebied Uiterwaarden Waal. Aangezien het een actualisatie is van een vigerende bestemmingsplannen worden geen effecten verwacht. Natura2000 en de Natuurbeschermingswet zijn dan ook niet aan de orde voor dit bestemmingsplan.

4.5.2 Flora- en faunawet

Op 1 april 2002 is de Nederlandse Flora- en faunawet in werking getreden. Deze nieuwe wet regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Flora- en faunawet bundelt alles wat te maken heeft met de bescherming van flora en fauna in Nederland die voorheen in verschillende wetten was opgenomen. Ook is de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn (Europees) en het CITES-verdrag (overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten) in de Flora en faunawet verwerkt. Hierdoor heeft Nederland nu één wet voor de bescherming van alle in het wild voorkomende beschermde soorten.

Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Dat betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe zal een ontheffing ex artikel 75 moeten worden aangevraagd. De ontheffingsaanvraag moet onderbouwd zijn door een goed onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. Ook moet aangetoond worden dat er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang.

In de Flora- en faunawet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen zoals bouwactiviteiten altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met de aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Bevoegd gezag voor de Flora- en faunawet is het Ministerie van EZ.

Voor de ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt is een quick scan flora en fauna uitgevoerd (zie paragraaf 6.2).

4.5.3 Ecologische hoofdstructuur (EHS)

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De EHS is in het Streekplan Gelderland 2005-2015 door de provincie vertaald in de Gebiedsplannen Natuur en Landschap. Nijmegen valt binnen het gebiedsplan Rivierenland. De uiterwaarden van de Waal, de stuwwal, de Ooijpolder en de bosgebieden ten zuiden van Nijmegen zijn opgenomen in de EHS evenals een deel van de landbouwgronden die grenzen aan de wijk Weezenhof en het bosgebied van Vogelzang.

Provinciale Omgevingsvisie Gelderland

In de Omgevingsvisie Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels vastgelegd.

Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatieplan gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt.

De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De ecologische verbindingszones (evz's) maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden.

Dit bestemmingsplan ligt echter niet in de EHS en de EHS is dus niet van toepassing voor dit bestemmingsplan.

4.5.4 Groenplan De groene draad (2007)

Het groenbeleid is vastgelegd in "De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen" en heeft als doelstelling:

  • inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang;
  • een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad;
  • vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen;
  • de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma.

De hoofdgroenstructuur en de hoofdbomenstructuur zijn de basis en de ruggengraat van het groen in Nijmegen. Deze structuren houden we dan ook in stand.

De wijken Wolfskuil en Biezen zijn opgezet volgens de tuindorpgedachte. Dit betekent wel een ruime opzet maar niet heel veel groen; de wijken moeten het hebben van laanbeplanting en privé-tuinen. Het Florapark is een belangrijke toevoeging geweest aan de Wolfskuil. Park West is van belang als uitloopgebied en buffer in de richting van het industrieterrein en de havens. Park West vormt geen aaneengesloten park in Nijmegen West, maar is veeleer een kralensnoer of verzameling van deelparken en groenzones. Het totale gebied strekt zich globaal uit tussen het kanaal bij Neerbosch tot aan de Waal en de ontwikkelingen in het Waalfront.

De spoorlijnen vormen als ecologische corridors belangrijke schakels tussen de groengebieden binnen en buiten de stad. Om de continuiteit te garanderen en ecologische kwaliteit te waarborgen moeten aangrenzende groenstroken zoveel mogelijk worden veiliggesteld van bebouwing. De gebieden met de grootste natuurwaarden bevinden zich aan de randen van het plangebied: de achterzijde van het station en de aangrenzende spoorlijnen, Park West en het Florapark en de spoorlijn Nijmegen-Den Bosch.

Wolfskuil

Het Florapark ligt tegen de Graafseweg, op een scherpe overgang van de stuwwal naar het meer vlakke deel van de stad. De grote hoogteverschillen zijn hier zeer karakteristiek en zouden beter benut kunnen worden. Het gebied maakt deel uit van een grotere zone langs de Graafseweg die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van bos en een losse bebouwingsstructuur. Afgezien van het Florapark, met als bijzonder accent de molen, zijn er weinig groenvoorzieningen. Uitzondering is de fraaie laanbeplanting aan de Nieuwe Nonnendaalseweg. Over het algemeen doet de wijk behoorlijk 'stenig' aan. Vooral ten noordwesten van de Nieuwe Nonnendaalseweg bestaat het groen vrijwel alleen uit straatbomen. Het Park Leeuwenstein is een wat vergeten bijzondere plek met een grote diversiteit aan bijzondere bomen. Het ligt aan de Voorstadslaan en wat verscholen achter de woningen aan de Marialaan. Het is de tuin van de voormalige Middelbare Tuinbouwschool die hier tot de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gestaan. De plek herinnert nog aan de Buitenplaats Leeuwenstein uit de 19de eeuw. Het Distelpark maakt deel uit van Park West, dat grenst aan de westzijde van het plangebied. Het Distelpark stamt uit de jaren zestig en is in 2005 heringericht.

Biezen

De wijk Biezen heeft een stenig karakter, waar groen een beperkte rol speelt: slechts 5% van het oppervlak is 'groen'. De bebouwing in de wijk staat vaak dicht aan de straat en heeft veelal een gesloten gevelfront en geen voortuinen. Bovendien ontbreken bomen in sommige straten, waardoor het stenige karakter wordt versterkt. Aan de westkant van de wijk is er wel een groenstrook, maar door de sportvelden en overstortvijver is deze voor veel bewoners niet vrij toegankelijk. Al deze aspecten leiden ertoe dat bewoners het groen missen in de wijk.

De pleinen en parkjes op belangrijke kruispunten van wegen vormen belangrijke oriëntatiepunten in de wijk. Het Krayenhoffpark is hier een mooi voorbeeld van. In het parkje staan een aantal monumentale bomen. Het graf van Generaal Krayenhoff ligt ook in het park. Aansluitend hierop vormen de laanbeplantingen van de doorgaande wegen (Weurtseweg, Marialaan, Kanaalstraat, Voorstadslaan) een continu beeld in de wijk.

Delen van de Biezen en de Wolfskuil zijn aangewezen als beschermd stadsbeeld waarbij naast de architectuur ook de stedenbouwkundige opzet beschermd is. De wegprofielen met de voortuinen en de bomenrijen zijn daarbij ook beschermd. In de Biezen gaat het om het bouwblok tussen de Weurtseweg, Waterstraat, het Maasplein, de IJsselstraat en de Waalstraat. In de Wolfskuil betreft het de woningen aan de Pastoor Zegerstraat, de Merelstraat, Koninginnelaan en de Leeuwerikstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0021.png"

Als uitwerking van het coalitieakkoord 2010-2014 is er op verschillende plekken in Oud West groen toegevoegd. In 2013 zijn door de raad bovendien enkele locaties vastgesteld die vergroend gaan worden met het budget uit de verkoop van Heumensoord. Het gaat in dit bestemmingsplan om de locatie Aquamarijn aan de Spechtstraat.

4.5.5 Handboek stadsbomen (2009)

Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan "De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen". Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen.

De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. De volgende uitgangspunten staan daarbij centraal:

  • optimale inzet van middelen;
  • waarborgen van een vitaal bomenbestand;
  • zorgen voor draagvlak; zorgvuldig afwegen, bewust besluiten en tijdig communiceren;
  • meer bomen en meer kronen. Inzet op kwantiteit en kwaliteit.

Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen. Deze structuur vormt samen met de hoofdgroenstructuur de basis van het groen in Nijmegen. In het plangebied is de hoofdbomenstructuur duidelijk te zien. Zowel hoofdwegen als infrastructuur op wijkniveau worden door bomen begeleid in deze wijken. Enkele stukken verdienen nog een aanvulling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0022.png"

kaart: hoofdbomenstructuur

4.6 Water

4.6.1 Beleid

Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de Wet ruimtelijke ordening en de Waterwet. Binnen de volgende documenten is de watertoets verankerd:

  • Kabinetsnota Anders omgaan met water (december 2000);
  • Bestuursakkoord Water (mei 2011);
  • Landelijke Handreiking Watertoets 3 (RIZA, december 2009);
  • Waterplan Gelderland 2010-2015 (Provincie Gelderland, vastgesteld 11 november 2009);
  • Waterbeheerplan 2010-2015 (Waterschap Rivierenland, vastgesteld 30 oktober 2009);
  • Waterbeheerprogramma 2016-2021 (Waterschap Rivierenland);
  • Grondwaterbeleidsplan Waterschap Rivierenland 2011-2014.

Het plangebied maakt deel uit van de bestaande waterhuishoudkundige inrichting van het gebied De Biezen. Voor dit gebied zijn het "Waterplan Nijmegen (2001), Gemeentelijk Rioleringsplan 2010 t/m 2016 en Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013) " relevant als beleidsstukken en het Waterplan Waalfront 2014 vanwege de gezamenlijk benutting van Park West voor waterberging.

In het kader van de watertoets heeft overleg met het Waterschap Rivierenland plaatsgevonden. Met het Waterschap is deze waterparagraaf overeengekomen.

Waterplan Nijmegen (2001)

Het in juni 2001 vastgestelde Waterplan Nijmegen vormt voor de Nijmeegse waterpartners de inhoudelijke en procesmatige basis voor het samen werken aan een duurzame waterketen, een gezond veerkrachtig watersysteem en een aantrekkelijke leefomgeving in Nijmegen tegen de laagste maatschappelijke kosten. Het plan geeft vanuit een visie op de lange termijn (50 jaar) een beschrijving van het totale waterbeleid voor de middellange termijn (15 jaar) met een programma voor de eerste 5 jaar. Belangrijke doelstellingen zijn:

  • optimalisatie van de waterbeheerketen samen met de waterpartners;
  • gezond maken van de stadswateren;
  • afkoppelen van regenwater op een liefst zichtbare wijze;
  • bevordering van het waterbewustzijn bij de Nijmegenaren.

De doelstellingen uit het Waterplan zijn grotendeels overgenomen in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP 2010 t/m 2016). In 2013 is het Waterplan geactualiseerd met een uitvoeringsprogramma tot 2015. In 2015 wordt naar verwachting een nieuw Waterplan opgesteld.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2010 t/m 2016

Het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2010-2016 geeft invulling aan de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater(overlast). Het GRP beschrijft welke activiteiten en hoeveel geld en personeel nodig zijn om deze zorgplichten uit te voeren.

In het GRP 2010-2016 ligt het accent op meer en beter beheren. Dit betekent onder andere: gegevens goed op orde krijgen en houden; gericht meten aan de riolering en grondwater; en meer maatwerk bij het vaststellen van de juiste maatregelen op het juiste tijdstip. Een aantal andere belangrijke uitgangspunten en activiteiten in het GRP 2010-2016 is:

  • om de kwaliteit van riolering op een goed niveau te houden zetten we vaker in op reparatie en renovatie in plaats van op het volledig vervangen van riolen;
  • we onderzoeken de gevolgen van de klimaatontwikkeling voor water in de stad;
  • we blijven hemelwater afkoppelen van het riool, maar gerichter op het oplossen van regenwateroverlast problemen;
  • bij het afkoppelen van openbare ruimte zoeken we vooral naar combinaties met verbetering van groen. We willen dus vooral bovengronds infiltreren. Zowel voor afkoppelen gebouwen als voor toepassing van vegetatiedaken bij bestaande bebouwing is subsidie mogelijk.
  • voor de financiële structuur kiezen we voor een gesloten systeem en daarbij passend voor een geïntegreerde voorziening voor zowel het spaardeel investeringen, als het onderhoud, als de financiële resultaten op de exploitatie.

Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013)

Het gemeentelijk beleid voor het afkoppelen van hemelwaterafvoer is opgenomen in vastgesteld beleid: Nota Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer (2013).

Na de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 is de beleidsnota aangepast naar de nieuwe wetgeving. De beleidsnota geeft invulling aan hoe bij omgevingsvergunningen een bouwende partij aantoont dat deze naar redelijkheid regenwater op eigen terrein kan verwerken. Daarnaast geeft de beleidsnota regels voor het concrete ontwerp van infiltratievoorzieningen in de openbare ruimte.

Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van 2010 is dat functionele eisen gesteld worden aan het ontwerp van verwerking regenwater op particulier terrein en dat de nota van toepassing is op geheel Nijmegen. Tot dusver waren de regels voor de Waalsprong afwijkend van het overige Nijmegen. Conform het Bouwbesluit is er geen verschil meer in wel of niet verwerken van regenwater bij verschillende rioolstelseltypen. Voor alle riolering geldt dat in principe naar redelijkheid het regenwater op eigen terrein verwerkt dient te worden.

In 2014 worden de handboeken Openbare Ruimte Waalsprong en de rest van Nijmegen geïntegreerd tot één document. De hoofdlijnen van de beleidsnota zullen hierin verwerkt worden.

4.6.2 Waterhuishouding

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Net buiten het plangebied (westzijde) ligt een groot parkgebied, dat tevens als opvangbekken dient voor het te bergen regenwater dat afstroomt uit het plangebied, uit het toekomstig Waalfront en vanaf de nieuwe Stadsbrug.

Grondwater

Aan de noordoostrand van het plangebied bevindt zich nog een grondwaterbeschermingsgebied. Deze grondwaterwinning gaat eind 2015 sluiten. De relevante beschermingsgrens is al teruggebracht tot een 10-jaarszone in de aangrenzende bestemmingsplannen Nijmegen Centrum-Binnenstad en Centrum-Stationsomgeving en zal ook in dit bestemmingsplan terugschuiven tot een 10-jaarszone. Vanwege het aflopen van de grondwaterbescherming is er geen uiteenzetting over de provinciale regels ten aanzien van het drinkwaterbeleid meer opgenomen.

Stopzetting van de grondwaterwinning zal niet direct tot grondwaterproblemen leiden, omdat het grondwater daar voldoende diep zit. Maar het zal wel invloed hebben op de grondwaterstroming in deze noordoosthoek. Nu stroomt het grondwater daar richting de winputten, maar dat zal weer omdraaien naar de oude situatie (stroming oost-west). De gemeente is bevoegd gezag voor bodem en grondwaterkwaliteit. Vanwege de grondwatervervuilingspluimen onder het plangebied moet er bij bouwactiviteiten contact worden opgenomen met de gemeente als de bodem dieper dan 2 meter geroerd wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0023.jpg"

kaart: grondwaterbeschermingsgebied

Uitgangspunt bij nieuwe stedelijke in- en uitbreidingen is dat er grondwaterneutraal wordt gebouwd. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en -stromen in de omgeving niet mogen wijzigen. Het plangebied ligt op een overgang van de stuwwal naar de laaggelegen polder aan de westzijde van de stad. De maaiveldhoogte in het plangebied verloopt van circa 18m+ NAP (oost) naar circa 10m+ NAP (west). De bodemsamenstelling verandert van zandig in lemig en de grondwaterstanden komen dan ook steeds dichter aan het oppervlak. In droge tijden zit het grondwater diep genoeg onder het maaiveld. Echter het lager gelegen noordwestdeel van het plangebied (Weurtseweg-Kanaalstraat) staat onder invloed van periodiek hoge grondwaterstanden als gevolg van hoge rivierstanden op de Waal. Dit komt bijna elk jaar in de winter voor. Het grondwater stijgt daar van circa 7,5m +NAP naar soms 10,5m +NAP, terwijl het maaiveld maar circa 11,5m+ NAP is. Dit is dus maar 1 meter onder maaiveld bij hoge rivierstanden.

Grondwater neutraal bouwen (eis van het Waterschap) kan bereikt worden door:

  • een grondwater gerelateerde locatiekeuze: geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden;
  • maatregelen te treffen bij bouwrijp maken en tijdens de bouw (ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur);
  • een waterproof bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen (bijvoorbeeld kruipruimteloos of waterdichte kelders/souterrains).

Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet het Waterschap in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Als dit onvoldoende soelaas biedt komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Er mag dus ondergronds gebouwd worden, mits er maar voldoende technische maatregelen worden getroffen, zodat de vloer en wanden waterdicht zijn.

Riolering

In het plangebied is over het algemeen een gemengd rioolstelsel aanwezig, dat zowel afvalwater als regenwater afvoert naar het rioolgemaal de Biezen (bij Park West). Door het plangebied lopen ook enkele grote transportriolen vanuit het centrum naar het rioolgemaal. Bij recente nieuwbouw ontwikkelingen zijn al enkele straten met aanpalende woningen "niet aangekoppeld". Het regenwater gaat daar al de grond in. Maar omdat het gaat om geïsoleerde projecten is er nog geen goed functionerend duurzaam gescheiden stelsel aanwezig. Dat is wel de toekomstwens.

Hemelwater

Vanuit het bouwbesluit geldt de eis dat schoon hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt. Om te bevorderen dat duurzaam wordt omgegaan met water mag 'schoon' hemelwater niet aangesloten worden op het bestaande gemengde rioolstelsel. Schoon hemelwater dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Bij verwerking van hemelwater is de beleidsnota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer 2013' van toepassing. Tevens dient waar mogelijk, conform convenant Duurzaam bouwen in het KAN 2000, gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen.

Conclusie

Voor sommige gebieden is een dubbelbestemming waterinfiltratiegebied nodig. Daarnaast lopen er grote transportriolen door het gebied, die ook beschermd moeten worden. Ook is een aanduiding opgenomen voor het grondwaterbeschermingsgebied.

Hoofdstuk 5 Milieu

5.1 Bedrijven

Aanwezige bedrijven in het plangebied Oud West

Voor het plangebied is in Bijlage 5 een overzicht gemaakt van de bestaande bedrijven in het plangebied Oud West. Wanneer deze lijst van aanwezige bedrijven in het plangebied vanuit milieuoogpunt nader wordt bezien, kan worden geconstateerd dat zich, ten opzichte van het vigerende plan, in het plangebied nauwelijks nieuwe "zware bedrijvigheid" heeft gevestigd en er ook geen substantiële uitbreidingen van bestaande bedrijven met een hoge milieucategorie zijn geweest. Dit terwijl anderzijds een aantal potentieel hinderlijke bedrijven in een hogere milieucategorie, ook buiten het plangebied gelegen met invloedssfeer binnen het plangebied, niet langer aanwezig is, of zijn bedrijvigheid heeft ingekrompen.

In het plangebied is echter nog steeds een aantal bedrijven gevestigd dat in principe hinder kan opleveren voor de aanwezige woonbebouwing. Dit komt tot uitdrukking in de SBI-bedrijfscategorie die voor deze bedrijven van toepassing is. In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering"(2009) zijn deze bedrijven in een milieuhindercategorie 3.2 of hoger geplaatst. Deze bedrijven krijgen in dit bestemmingsplan een specifieke aanduiding. Dit houdt in dat het bedrijf in het bestemmingsplan is ingepast, maar dat geen andere bedrijven in milieucategorie 3.2 of hoger zijn toegestaan. Hieronder is een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de bedrijvigheid die milieucategorie 3.2 of hoger scoort en welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan hun positieve bestemming in dit plan. Dit betreft de volgende bedrijven:

H. van Mameren, Oude Weurtseweg 13

Het bedrijf is gelegen aan de Oude Weurtseweg 13, waarbij het gaat om een bestaande situatie van een al lang ter plaatse bestaand bedrijf (eerste bekende revisievergunning werd verleend d.d. 24 februari 1976). Thans valt het bedrijf onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. De meest nabij gelegen woningen bij dit bedrijf zijn reeds op ongeveer 5 meter van de gebouwen van de inrichting gelegen.

In de omgeving van het bedrijf zullen echter geen ontwikkelingen plaatsvinden. Vanwege het ontbreken van een klachtenpatroon en een gunstige handhavingshistorie, kan er echter vanuit worden gegaan dat het bedrijf niet zal zorgen voor overlast.

De Nederlandse ampullenfabriek, Marialaan 108

Ampullenfabrieken zijn met name genoemd onder genoemd in de CBS-categorie lijst onder de categorie 23.19. Maar anders dan de eveneens in deze categorie genoemde "glasbewerkings-bedrijven", worden deze niet meer met name genoemd in de VNG-brochure, waardoor dit soort bedrijvigheid onder de restcategorie "glasfabrieken" valt. Gelet op de karakteristieken van het bedrijf (glas- en glasproducten p.c < 5.000 t/j) valt dit bedrijf dus onder categorie 3.2. Dit bedrijf is gelegen aan de Marialaan 108, waarbij het ook hier gaat om een bedrijf wat hier van oudsher gevestigd is. De oudst bekende revisievergunning dateert van 9 mei 1984 en ook dit bedrijf valt thans onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit.

In de omgeving van het bedrijf hebben zich, ruim binnen de volgens de VNG-brochure geldende milieu-hindercirkels, onlangs ruimtelijke ontwikkelingen voorgedaan (bouw Paladijn, diverse winkels) waarbij de milieuhinder van het bedrijf op basis van maatwerk is beoordeeld. Hierbij werd geconstateerd dat voorzieningen dienen te worden getroffen om de betreffende projecten (tevens de meest belaste objecten in de omgeving van het bedrijf) doorgang te kunnen laten vinden. De aan te brengen voorzieningen zijn uitgewerkt in de melding in het kader van het Activiteitenbesluit van 26 november 2012. Op basis van de in deze melding aangegeven maatregelen konden de betreffende ruimtelijke projecten doorgang vinden. Tijdens de bedrijfscontrole van 25 september 2013 bleek dat alle benodigde maatregelen ook daadwerkelijk conform de regels zijn aangebracht. Op grond hiervan kan worden geconstateerd dat bij het bedrijf, ondanks het feit dat de volgens de VNG benodigde afstanden niet worden gehaald, de milieuoverlast van het bedrijf afdoende is gereguleerd.

Korenmolen de Witte Molen, Looimolenweg 17

De molen is een rijksmonument en dientengevolge kan worden aangenomen dat de milieuhindercirkel die voor windmolens geldt, in principe terughoudend dient te worden aangehouden, daar de in de VNG-brochure genoemde bedrijfscategorie in principe bedoeld is voor commerciële windmolens voor energieopwekking. De in de Staat van bedrijvigheid opgenomen categorie 35 verwijst naar categorie 35.11.2. "Productie van elektriciteit door windenergie". Molenaarsbedrijven (graanmalerijen) worden genoemd onder 10.61, maar onder deze categorie worden in de VNG-brochure enkel "Meelfabrieken" benoemd. De beoordeling van milieuhinder kan dan ook niet plaatsvinden aan de hand van de VNG-methodiek, maar dient te berusten op maatwerk.

Waarschijnlijk mede op grond van reeds van oudsher bestaande planologische belemmeringen rondom een windmolen (molenbiotoop) zijn er maar weinig milieugevoelige objecten in de nabijheid van de "Witte Molen", is er dan ook geen sprake van een klachtenpatroon rondom de molen. Er is, mede gelet op het ontbreken van klachten, maar ook gelet op de overige bestaande maatschappelijke en cultuurhistorische belangen, geen aanleiding geweest om de vigerende bestemming te herzien.

Sportschietverenigingen Willem Tell en Vriendenkring, Koninginnelaan 1

De Politiepost Nijmegen-West, in de volksmond ook wel bekend als het Witte Huus, was een politiedependance van de gemeente Nijmegen. Hoewel de politiepost in dit stadsdeel werd verplaatst, bestaat het oude gebouw van Politiepost Nijmegen-West nog steeds. Ook de oefenruimte voor het gebruik van vuurwapens die op de verdieping van deze politiepost aanwezig was (vergund op 8 maart 1973), is nog steeds in gebruik is door de (particuliere) schietsportverenigingen Willem Tell en SV de Vriendenkring. Hoewel een dergelijke inrichting in principe een hoge milieucategorie kent (een schietinrichting, sbi code 931: binnenbanen: geweer- en pistoolbanen, heeft een milieucategorie 4.1), is gebleken dat de afgelopen jaren geen overlast is veroorzaakt door de schietsportverenigingen. Er zijn geen klachten uit de buurt en zelfs de STON, gevestigd in de benedenverdieping van het gebouw, blijkt geen hinder te ondervinden door het gecontinueerde gebruik van deze binnenbaan.

St. Kopshout, Derde van Hezewijkstraat 23

Ook voor St. Kopshout geldt dat de afstand die conform de VNG-brochure vereist, niet wordt gehaald in de huidige situatie. Ook hier zijn echter bijzondere omstandigheden die maken dat dit, gelet op het ontbreken van een klachtenpatroon en de speciale aard van het bedrijf, geen consequenties heeft voor de continuering van de vigerende bestemming.

Kopshout was één van de vele bedrijfjes die begin jaren tachtig startte op basis van de principes die werden geformuleerd door de Stichting Mens- en Milieuvriendelijk Ondernemen (MeMO). Het doel was op kleine schaal houten meubels van goede kwaliteit te maken. Na een periode in een bedrijvenverzamelgebouw aan de Groenestraat, vestigde Kopshout zich in 1987 aan de Derde van Hezewijkstraat 23. De bewust nagestreefde kleinschaligheid van het bedrijf is echter gebleven, op grond waarvan de typering van de VNG-brochure op basis van de bedrijfscategorie in dit geval leidt tot een flinke overschatting van de mogelijk optredende hinder.

Aanwezige belangrijke bedrijven buiten het plangebied 

In de directe nabijheid van het plangebied is een aantal bedrijven gelegen met een dusdanige belasting van het milieu dat dit ook nog consequenties heeft voor het leefklimaat van Oud-West. Dit betreft een tweetal bedrijven met een zware milieubelasting. Ook is er sprake van de invloed van een geluidgezoneerd industrieterrein, waarmee bij de verdere planvorming rekening moet worden gehouden.

Geluidszone Nijmegen West

Rond de industrieterreinen Noord- en Oostkanaalhavens, Westkanaaldijk en De Sluis ligt de geluidszone Nijmegen West. Een geluidszone is een gebied rondom een industrieterrein waarbuiten de geluidsbelasting van de gezamenlijke bedrijven op het terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone stelt een grens aan de geluidsproductie van bedrijven op het industrieterrein omdat bij vergunningverlening of bij de beoordeling van meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit, bij bedrijven op het industrieterrein, aan deze grens wordt getoetst.

Omgekeerd moet bij woningbouw ook rekening worden gehouden met de zgn. 50 dB(A)-contour. Woningen die zijn geprojecteerd binnen de zonegrens dienen een "Hogere waarde-procedure" te doorlopen, waarmee wordt aangetoond dat door het treffen van maatregelen het woonklimaat bij deze woning nog toereikend is. Dit terwijl op het gezoneerde industrieterrein zelf geen woningen gebouwd mogen worden, omdat het woon- en leefklimaat ter plaatse dit niet toelaat. Dergelijke woningen worden namelijk niet beschermd tegen geluidsoverlast.

Zoals op onderstaande kaart valt te zien, raakt de geluidszone (de 50 dB(A) contour) het plangebied. Binnen deze zone mag geen bebouwing voor geluidsgevoelige functies worden opgericht, tenzij een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder is vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0024.jpg"

kaart: geluidszone Nijmegen West

Bedrijven buiten het plangebied

Met betrekking tot de hinder die mogelijk wordt veroorzaakt door bedrijven en inrichtingen van buiten het plangebied zijn de volgende bedrijven van belang:

  • Slachthuis, Havenweg 2;
  • Smit transformatoren, Groenestraat 336.

Het Slachthuis heeft een hindercirkel over het plangebied betreffende geur. Smit transformatoren heeft een hindercirkel binnen het plangebied betreffende geluid. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van deze bedrijven dient rekening te worden gehouden met de bestaande rechten van deze bedrijven. De bedrijfspanden van het Slachthuis zijn, met het oog op ruimtelijke plannen (woningbouw), inmiddels aangekocht door de gemeente en het bedrijf heeft verhuisplannen kenbaar gemaakt. Ook het bedrijf Smit transformatoren is bezig met een ontwikkeling waarbij de huidige bedrijfsactiviteiten (met bijbehorende geluidsuitstraling) mogelijk reeds op korte termijn worden aangepast. Er zijn in dit bestemmingsplan dan ook geen hindercirkels voor deze bedrijven opgenomen.

Niet gereguleerde milieuhinder

Bij het bepalen van de richtafstanden uit de VNG-brochure is uitgegaan van "gemiddeld" moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. Vergelijkbare uitgangspunten worden ook gehanteerd bij het Activiteitenbesluit en milieuvergunningen, waarin vanuit de Wet milieubeheer en de Wabo beperkingen worden opgelegd aan de bedrijfsvoering van inrichtingen met het oog op (onder meer) de bescherming van omwonenden.

Er blijft dan echter nog een zgn. "restcategorie" over. Voor niet in het Activiteitenbesluit geregelde zaken, of zelfs bewust uitgezonderde milieuhinder, kan (of moet) in het bestemmingsplan een eigen afweging worden gemaakt. Dit geldt voor een aantal milieuaspecten (o.a. stemgeluid en niet-versterkte muziek) die zelfs niet meer, als voorheen, kunnen worden gereguleerd in een "milieuvergunning". De ruimte die het bestemmingsplan zelf biedt, is hierdoor bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven waar deze vormen van overlast evident zijn. Dit geldt dan bijvoorbeeld voor schoolpleinen, terrassen, etc.

De steeds grotere verweving tussen milieu- en ruimtelijke ordeningsregels heeft ertoe geleid dat in jurisprudentie (o.a. ABRvS 200205329/1, Heerhugowaard) thans de mogelijkheid wordt geaccepteerd om direct werkende milieunormen op te nemen in een bestemmingsplan, waarmee wordt voorkomen dat een "goed woon- en leefklimaat" juist door deze aspecten wordt aangetast.

In de regels van het bestemmingsplan is een bepaling opgenomen dat bij ter bescherming van het woon- en leefklimaat nadere eisen gesteld kunnen worden (milieunormen, of concrete milieumaatregelen), om middels maatwerk aan de betrokken belangen recht te doen.

Typering van de aanwezige gebieden

Zoals in de toelichting van de Staat van bedrijvigheid is verwoord, is het onderscheid tussen 'rustige woonwijken', 'gemengd gebied' en 'gebieden voor functiemenging' van groot belang bij de toepassing van milieuzonering bij bestemmingsplannen (zie Bijlage 1 van de regels). In dit kader is dan ook van belang om te weten welke gebieden in het plangebied als zodanig dienen te worden beschouwd. Vanwege de ruimtelijke consequenties die gelden voor een 'gebied met functiemenging', is ervoor gekozen om dit soort gebieden op kaart aan te wijzen. Bij het bepalen van de functiemengingsgebieden is gekeken naar:

  • mate van functiemenging in de bestaande situatie (uitgaande van de planologische mogelijkheden) en de hindercontouren van de toegestane functies;
  • de geluidsbelasting door wegverkeer, railverkeer en industrielawaai;
  • wanneer de contouren van de verschillende functies en wegen elkaar overlappen is veelal sprake van een functiemengingsgebied;
  • parken en grote groenvoorzieningen zijn niet meegenomen;
  • er is een logische begrenzing aangehouden. Daarbij is gekeken naar de stedenbouwkundige- en wegenstructuur en de samenhang tussen deelgebieden.

Soms is bij het bepalen van de functiemengingsgebieden maatwerk nodig. Onderstaand kaartje geeft de functiemeningsgebieden in het plangebied aan.

Gelet echter op de gewenste flexibiliteit die het plan ook beoogt te bieden, is er voor gekozen om de overige 'gemengde gebieden' niet op de verbeelding vast te leggen. Dit alleen al omdat gebieden zich gedurende de planperiode van een bestemmingsplan veelal op vaak moeilijk voorspelbare wijze ontwikkelen. Het niet opnemen van dit gebiedstype hangt echter ook samen met het gegeven dat 'gebieden met functiemenging' die dus wel op kaart zijn aangewezen, sowieso dienen te worden beschouwd als "gemengd gebied".

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0025.jpg"

kaart: functiemengingsgebieden

5.2 Bodem

Het beleid ten aanzien van bodem in bestemmingplannen wordt bepaald door de Wet ruimtelijke ordening en de Wet bodembescherming. Burgemeester en wethouders moeten in het kader van de ruimtelijke ordening onderzoek doen naar de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hieronder valt ook een toets om te bepalen of de bodem geschikt is voor de gewenste ontwikkeling.

Voor iedere locatie binnen het plangebied waar veranderingen in functie of bebouwing plaats gaan vinden moet nagegaan worden of een bodemonderzoek nodig is of niet. Wanneer een onderzoek nodig is, en wij ook geen recent onderzoek in ons bezit hebben, dient het onderzoek door de initiatiefnemer uitgevoerd te worden. Een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd volgens de NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. Een nader bodemonderzoek moet worden opgezet volgens de NTA5755.

Het onderzoek wordt door bureau Bodem en Water van de gemeente Nijmegen beoordeeld. De landelijke Circulaire bodemsanering is hierbij leidend. Daarnaast toetsen wij aan de lokale achtergrondwaarden uit de Nota Bodembeheer van de gemeente Nijmegen (september 2012). Deze werkwijze is vastgelegd in de Beleidsnota Bodem, Gelderse wegwijzer door bodemland: Uitvoering en Toetsing, 2012.

Als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging kan het zijn dat de bodem (gedeeltelijk) moet worden gesaneerd voordat de bestemming kan worden gerealiseerd. In dat geval moeten de saneringskosten in de exploitatie-opzet van het bestemmingsplan worden verwerkt.

5.3 Geluid

Weg- en railverkeer 

Volgens de Wet geluidhinder heeft iedere geluidsbron een eigen zone. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied langs een geluidbron. De zonebreedte van een weg is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De ruimte boven de weg hoort ook bij de zone. De basis voor het bepalen van de breedte van de zone voor spoor is vastgelegd in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder. De breedte van de zone van een spoorweg is afhankelijk van de geluidsbelasting ter plaatse van de referentiepunten.

In het geval van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen geldt voor wegverkeer een voorkeurswaarde van 48 dB en afhankelijk van een binnenstedelijke of buitenstedelijke situatie geldt een maximale grenswaarde van 63 dB en 53 dB. Voor railverkeer geldt een voorkeurswaarde van 55 dB en een maximale grenswaarde van 68 dB. Bij overschrijding van de voorkeurswaarden kan onder voorwaarden een hogere waarde worden vastgesteld.

In en rond het plangebied Nijmegen Oud-West liggen de volgende gezoneerde geluidsbronnen die het gebied kunnen belasten of anders van belang zijn:

  • Weurtseweg (200m)
  • Marialaan (200m)
  • Graafseweg (200m)
  • Wolfskuilseweg/Groenestraat (200m)
  • Tweede Oude Heselaan/Molenweg (200m)
  • Waterstraat/Kanaalstraat (ged.) (200m)
  • Spoorlijn Nijmegen-Arnhem
  • Industrieterrein West-Weurt

30 km/u

Een weg met een maximum snelheid van 30 km/uur heeft geen zone en hoeft dus niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Uit jurisprudentie blijkt dat 30 km/uur wegen bij planologische procedures met het oog op 'goede ruimtelijke ordening' toch akoestisch moeten worden onderzocht. Nabij en binnen het plangebied ligt een aantal relevante 30 km/u wegen zoals de Voorstadslaan.

 

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de Beleidsregels Hogere Waarde Wet geluidhinder. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bij geluidsgevoelige bebouwing de voorkeurswaarde niet te overschrijden. Voor de eerstelijns bebouwing langs belangrijke vervoersassen kan een overschrijding van deze voorkeurswaarde acceptabel zijn. Bijvoorbeeld als deze bebouwing een afschermende werking heeft voor woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing die daarachter liggen. Het beleid is er echter op gericht om hogere waarden spaarzaam toe te staan. Op deze wijze wordt het aantal woningen met een hoge geluidsbelasting zo klein mogelijk gehouden. Waar dat redelijkerwijs mogelijk is worden lagere waarden dan de wettelijke maxima aangehouden.

Oud-West 

Uit globale berekeningen van de gemeente Nijmegen is gebleken dat ter plaatse van bestaande woningen overschrijdingen plaatsvinden van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de doorgaande wegen. Om de leefkwaliteit met betrekking tot het aspect geluid te verbeteren heeft de gemeente Nijmegen het Actieplan geluid opgesteld. Hierin is aangegeven dat een aantal wegen binnen het bestemmingsplan Oud West van stiller asfalt voorzien gaat worden wanneer het wegdek vervangen moet worden (o.a. Graafseweg en Wolfkuilseweg). Daarnaast is er voor de Groenestraat/Muntstraat een zogenaamd saneringsproject gestart. In dat project wordt de geluidswering van saneringswoningen indien nodig verbeterd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0026.png"

kaart: geluidscontouren wegen

Uit globale berekeningen van de gemeente Nijmegen is gebleken dat ter plaatse van bestaande woningen overschrijdingen plaatsvinden van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de spoorlijn. In de onderstaande zijn de geluidscontouren weergegeven vanwege de spoorlijn Nijmegen-Arnhem.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0027.png"

kaart: geluidscontouren spoor

Naast het plangebied Nijmegen Oud-West ligt het gezoneerde industrieterrein West-Weurt. De geluidzone overlapt het plangebied Ter plaatse van bestaande woningen vinden overschrijdingen plaats van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van het industrieterrein (zie kaart in paragraaf 5.1).

5.4 Luchtkwaliteit

Bestaande situatie

De luchtkwaliteit in grote delen van dit plangebied wordt met name zwaar belast door verkeersuitstoot van de grotere doorgaande wegen (zoals Graafseweg, Wolfskuilseweg, Weurtseweg, Tunnelweg, Marialaan en Tweede Oude Heselaan). Overige bronnen zijn voor zover bekend niet relevant of niet aanwezig.

Uit recent luchtkwaliteitsonderzoek van de gemeente Nijmegen blijkt dat langs de Graafseweg en Tunnelweg overschrijding van grenswaarden plaatsvindt. Voor het rekenjaar 2011 is voor NO2 jaargemiddelde de contour ingevoegd. De meeste overschrijdingen vinden plaats op het wegdek. Formeel hoeft boven het wegdek en direct langs de weg (binnen 10 meter van de rand van de weg) niet aan de grenswaarden voldaan te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0028.jpg"

Toetsing aan regelgeving

Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende 2 aspecten:

  • a. het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit;
  • b. het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.

Ad a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit.

In de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen. Deze betreffen de stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, fijn stof (PM10), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, lood en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen overschrijdingen geconstateerd voor de stoffen NO2 en PM10. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen. De grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteitseisen is verder uitgewerkt in AMvB's en Ministeriële regelingen. Bij het faciliteren van ruimtelijke plannen moet volgens de Nederlandse wetgeving de verandering van de luchtkwaliteit door het plan worden getoetst.

  norm   ingangsdatum  
Jaargemiddelde grenswaarde NO2   40 µg/m3   1 januari 2015  
Jaargemiddelde grenswaarde PM10   40 µg/m3   1 juni 2011  
Daggemiddelde grenswaarde PM10   max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3   1 juni 2011  

Tabel: luchtkwaliteit

Een ruimtelijke ontwikkeling kan doorgang vinden indien aannemelijk kan worden gemaakt dat:

  • de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of;
  • de luchtkwaliteit door de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (artikel 5.16.1.b.1° Wm), of;
  • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de ruimtelijke ontwikkeling, de luchtkwaliteit in een gebied rondom het project per saldo verbetert (artikel 5.16.1.b.2° Wm). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, of;
  • de ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in, past binnen, of is in elk geval niet strijdig met een vastgesteld programma zoals het NSL (Wm artikel 5.16.1.d), of;
  • er geen grenswaarden worden overschreden door de ruimtelijke ontwikkeling.

Wat betreft de bijdrage van een plan aan de luchtkwaliteit is het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen (Luchtkwaliteitseisen) van belang, die gelijk met de wetswijziging van kracht is geworden. Plannen die niet meer dan 3% bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5.

Aanvullend aan de actieprogramma's van Rijk, Provincie en Regio heeft Nijmegen een eigen luchtplan, dat onder meer voorziet in doorstromingsmaatregelen voor het wegverkeer; schonere bussen; stimulering transitie naar schonere brandstoffen; stadsdistributie voor het Centrum en privilegebeleid voor toegang naar het Centrum. Bij nieuwe ontwikkelingen zal aangetoond moeten worden dat ten tijde van de realisatie van het bouwplan, eventueel met beschreven en geborgde maatregelen, aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan kan worden.

Voor het onderhavige plan is geen specifiek luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd omdat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Daarmee wordt voor dit aspect voldaan aan de luchtregelgeving.

Ad b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.

Op 16 januari 2009 is het Besluit "gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)" in werking getreden. Met deze Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB) wordt de bouw van zogenaamde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Het besluit heeft als doel het beschermen van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Over gemeentelijke wegen zegt het besluit niets en is derhalve geen beperking voor het plan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties worden dus niet als gevoelige bestemming gezien.

In de landelijke "GGD-Richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid" adviseert de GGD ten aanzien van het bouwen van gevoelige bestemmingen langs drukke gemeentelijke wegen (meer dan 10.000 mvt/etm):

  • geen afstandscriterium;
  • niet bouwen direct langs een drukke weg (dus niet in 1e lijnsbebouwing);
  • GGD heeft het advies "niet in 1e lijnsbebouwing" aangevuld met dat dit minimaal moet gelden binnen 50 meter van de rand van de drukke gemeentelijke weg.

Gemeente Nijmegen conformeert zich zo veel mogelijk aan deze GGD-richtlijn. Indien in het plangebied gevoelige bestemmingen worden gebouwd, dienen deze derhalve niet in de eerste lijnsbebouwing langs bovengenoemde drukke wegen geplaatst te worden.

Aanbevelingen

De verwachting is dat in de toekomst de luchtverontreiniging in dit gebied onder de dan geldende wettelijke normen zal blijven. Desondanks blijft het een locatie met relatief hoge concentraties luchtverontreining. Hierin kan in het ontwerp rekening gehouden worden door:

  • eventuele nieuwe bedrijvigheid aan laten sluiten bij lopende ontwikkelingen zoals stadsdistributie in het stadscentrum danwel aan- en afvoer door middel van schone voertuigen (zoals bijv. op electriciteit, aardgas/groen gas en/of EURO VI-diesel);
  • in de eerstelijns-bebouwing langs de bovengenoemde drukke wegen dienen geen school, kinderdagverblijf, zorginstellingen of zorgwoningen als nieuwe bestemming geplaatst te worden. Dit dient ter bescherming van extra gevoelige groepen;
  • verminderen behoefte verplaatsing: zorgen voor befietsbare en beloopbare afstanden. Het effect is minder en kortere vervoersbewegingen;
  • verbetering en schoner worden van het openbaar vervoer;
  • zorgen voor goede doorstroming van (af- en aanrijdend) verkeer ten behoeve van dit plangebied.

5.5 Externe veiligheid

De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en risicovolle transportroutes. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de volgende risicobronnen; Het spoor Nijmegen-Den Bosch, de Waal het Maas-Waal kanaal, de routering vervoer gevaarlijke stoffen van de gemeente Nijmegen en enkele bedrijven.

Toetsing aan Plaatsgebonden risico (PR)

Onder het PR wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. Voor het plaatsgebonden risico zijn grenswaarden (1 slachtoffer per miljoen jaar) als toetsingswaarden aangegeven voor kwetsbare objecten en als richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten.

Van alle risicobronnen in de omgeving van het onderhavige bestemmingsplan zijn de PR contouren geïnventariseerd. Geen van de risicobronnen heeft een PR contour over het plangebied. De PR is dus geen belemmering binnen het nieuwe bestemmingsplan.

Groepsrisicoverantwoording

Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron. De hoogte van het groepsrisico dient verantwoord te worden. Voor de verantwoording van het groepsrisico rond bedrijven geldt een ander afwegingskader dan de verantwoording van de risico's rond transportroutes.

Bedrijven

Er zijn enkele bedrijven in Nijmegen die met grote hoeveelheden giftige stoffen (TWO) werken en kleinere hoeveelheden zeer giftige stoffen (NXP). De invloedsgebieden van deze opslagen zijn zeer groot (tot 4 km) en liggen dus over een groot deel van Nijmegen. Gezien het feit dat het bestemmingsplan conserverend is en er dus geen bevolking wordt toegevoegd en mede het feit dat de betreffende bedrijven op grote afstand liggen van het bestemmingsplan (buiten de PR 10-8 contour) kan hier worden volstaan met de standaard verantwoording zoals die is opgenomen in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Nijmegen (12 februari 2014).

In het plangebied ligt een gasdrukregel- en meetstation in het parkje ter hoogte van de Varenstraat 5. In het activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden voor deze stations vastgesteld. Voor dit kaststation geldt een veiligheidsafstand van 6 meter tot een kwetsbaar object en 4 meter tot een beperkt kwetsbaar object. Binnen deze veiligheidsafstanden zijn opgenomen op de verbeelding.

De Waal

Over de Waal vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (ongeveer 1500 meter) van de rivier. Uit de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRnvgs, juli 2012), blijkt dat de Waal is gecategoriseerd als zwarte route (belangrijke binnenvaartroute). In de Circulaire wordt onderstaande risicoplafond weergegeven in aantal schepen met gevaarlijke stoffen in beide richtingen per jaar.

Cat. stof en voorbeeld   LF1 Heptaan   LF2 Pentaan   LT1 Acrylnitril   GF3
Ethyleenoxide  
GT3
Ammoniak  
Waal   9882   13958   146   2135   196  

Volgens het CRnvgs is een berekening van het groepsrisico alleen nodig indien het groepsrisico groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dit is te bepalen volgens de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (juni 2014). Hieruit blijkt dat op de Waal 10% maal de oriëntatiewaarde nergens wordt overschreden. Er worden op de Waal immers minder dan 1000 schepen vervoerd met daarin LT2 of GT3. Tevens is de bevolkingsdichtheid veel lager dan 500 personen per ha. Een berekening van het risico is derhalve niet noodzakelijk. Het groepsrisico blijft ver onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van dit lage groepsrisico blijft echter wel noodzakelijk. In de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Nijmegen is aangeven op welk niveau het groepsrisico verantwoord dient te worden. Gezien het feit dat het plangebied op meer dan 90 meter van de oeverlijn van de rivier ligt volstaat in dit geval de verantwoording zoals die is weergegeven in beleidsvisie externe veiligheid van Nijmegen. Dit geldt ook voor de invloed van het Maas-Waal kanaal op het bestemmingsplangebied. Deze invloed is nog vele malen geringer doordat er veel minder transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt dan over de Waal en tevens de afstand tot het plangebied nog groter is.

Routering vervoergevaarlijke stoffen

De routering van het vervoer van gevaarlijke stoffen is door opgenomen in de beleidsvisie van februari 2012. De noordgrens van het huidige bestemmingsplan aan de Weurtseweg ligt op een afstand van 100 meter van deze routering. De invloed op het plangebied in zeer gering. Hier kan dan ook volstaan worden met de verwijzing naar de standaard verantwoording zoals die is opgenomen in de beleidsvisie.

De spoorlijn Nijmegen naar Den Bosch

In de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRnvgs, juli 2012) en ook in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Een deel van het plangebied ligt binnen 200 meter van de spoorlijn Arnhem - Nijmegen - 's-Hertogenbosch. Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Om deze reden is een berekening gemaakt. Uit de berekening groepsrisico blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het bestemmingsplan niet groter wordt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (Risico's spoor Nijmegen Oud- West en -Midden, juni 2014). Gezien het feit dat onderhavige plan een overwegend conserverend plan is, kan worden volstaan met een toelichting op de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid.

De beleidsvisie externe veiligheid geeft aan dat in het gebied van 30 meter aan weerszijde van het spoor zeer kwetsbare objecten niet zijn toegestaan. In het bestemmingsplan zijn in deze zone zeer kwetsbare objecten uitgesloten. In de zone van 30-200 meter zijn zeer kwetsbare objecten alleen toegestaan indien door middel van een uitwerking van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico inzichtelijk is gemaakt dat nieuwe zeer kwetsbare objecten mogelijk zijn. Hierover wordt vooraf schriftelijk advies bij de Veiligheidsregio ingewonnen. Voor beide zones is een aanduiding opgenomen.

Advies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ)

In het advies van de Veiligheidsregio (VRGZ) wordt gewezen op het besluit van de gemeenteraad om middelen vrij te maken voor het verbeteren van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening langs het spoor (26 juni 2014). In afwijking van de beleidsvisie externe veiligheid adviseert de VRGZ om verminderd zelfredzamen niet toe te staan in een zone van 200 meter langs transportassen. In overleg met de Veiligheidsregio is besloten om geen nieuwe zeer kwetsbare objecten toe te staan binnen 30 meter van het spoor en voor de zone van 30-200 meter alleen indien uit de verantwoording van het groeprisico is gebleken dat nieuwe zeer kwetsbare objecten mogelijk zijn. Het advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in Bijlage 6.

Cumulatie en domino effecten

Domino effecten zijn niet te voorzien binnen het huidige bestemmingsplan. Van cumulatie is slechts in zeer geringe mate sprake omdat er diverse zeer kleine risico's op hetzelfde gebied van toepassing zijn. Alle geïdentificeerde risico's zijn echter uitermate gering waardoor de geaccumuleerde risico's (hoewel niet exact te kwantificeren) ook zeer laag en dus aanvaardbaar zullen zijn.

Conclusie

Vanuit de externe veiligheid zijn zeer kwetsbare objecten in de zone van 30 meter aan weerszijden van het spoor uitgesloten en in de zone 30-200 meter alleen toegestaan indien door middel van een uitwerking van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico inzichtelijk is gemaakt dat nieuwe zeer kwetsbare objecten mogelijk zijn.

5.6 Fysieke veiligheid

In het advies van de Regionale Brandweer Gelderland-Zuid (22 mei 2014) wordt gekeken naar de ruimtelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de fysieke veiligheid en het optreden van de brandweer (Bijlage 7). Het betreft de volgende aspecten:

  • de inrichting van de openbare ruimte en de invloed daarop op ontvluchting en zelfredzaamheid;
  • de situering van gebouwen;
  • de bluswatervoorziening;
  • de bereikbaarheid.

Aangezien het een actualisatie van een bestemmingsplan betreft, met zeer beperkte wijzigingen ten opzichte van de bestaande situatie, ziet de brandweer geen reden tot een uitgebreide advisering. Er wordt verwezen naar de algemene randvoorwaarden en richtlijnen die de brandweer hanteert voor bluswater en bereikbaarheid.

Er wordt gewezen op het voornemen van de gemeente om de bluswater- en bereikbaarheidssituatie bij het spoor Nijmegen-Den Bosch te verbeteren. Eventuele toekomstige aanpassingen in het plangebied kunnen relevant zijn aangezien het plangebied voor een deel aan deze spoorlijn grenst. In voorkomende gevallen wordt verzocht om contact op te nemen met de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid.

5.7 Klimaat en duurzaam bouwen

De klimaatverandering noopt tot aanpassingen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeenteraad van Nijmegen heeft haar visie hierop in de Kadernotitie Klimaat, de Duurzaamheidsagenda 2011-2015 en de nota Duurzaamheid in Uitvoering 2013-2017 vastgelegd. Hoofddoelstelling is dat Nijmegen op termijn energieneutraal wordt en dat de stad zich voorbereidt op klimaatverandering. Kernbegrippen hierbij zijn mitigatie en adaptatie.

Mitigatie is het tegengaan en verminderen van negatieve effecten op het klimaat. Dit kan door energiegebruik te beperken en/of duurzame energiebronnen te gebruiken en door gebruik te maken materialen uit vernieuwbare bronnen. Nijmegen streeft er daarom naar om als stad energieneutraal te worden.

Adaptatie is het aanpassen aan de wijzigende omstandigheden zoals extremere weersomstandigheden en een stijgende energieprijs. Voorbeelden hiervan zijn het voorkomen van oververhitting, aandacht voor windklimaat en het realiseren van grotere piekbergingen voor neerslag.

Opwekking duurzame energie

Nijmegen wil in 2045 een stad zijn die in zijn eigen energiebehoefte voorziet. Energiebesparing en duurzame energie zijn de leidraad en iedereen in de stad kan straks meewerken aan deze lange termijn energievisie. Inzetten op duurzaamheid is tegelijk een belangrijke kans voor economische groei. Nijmegen kan in 2045 een energieneutrale stad zijn door 50% energie te besparen en 50% energie duurzaam op te wekken (ten opzichte van totaal stedelijk energieverbruik 2009).

Om op lange termijn als stad volledig duurzaam te kunnen zijn en onafhankelijk van fossiele brandstoffen is er meer nodig dan alleen korte termijn maatregelen. Een transitie naar een duurzame stad vraagt ingrepen op meerdere fronten. De gemeente Nijmegen wil dan ook de komende jaren duurzaamheid verankeren in het gemeentelijke beleid over de volle breedte:

  • een energieneutrale stad: inzetten op energiebesparing en duurzame energiebronnen als zon, wind en groen gas. In het co-creatietraject Power2Nijmegen wordt dit spoor uitgewerkt in samenwerking met andere overheden, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, ondernemers en burgers;
  • een klimaatneutrale organisatie: duurzaam inkopen, volledig wagenpark op groengas en verduurzamen gemeentelijk vastgoed;
  • een duurzame economie: stimuleren van innovatie op het gebied van duurzame energie, creëren van groene werkgelegenheid;
  • duurzame mobiliteit: schone brandstoffen, investeren in fiets en OV;
  • duurzame stedelijke ontwikkeling: duurzaam bouwen, klimaatbestendige wijken, werken aan compacte verstedelijking.

In de gebouwde omgeving zijn voor energiegebruik en oververhitting de oriëntatie van de bebouwing en de manier waarop met de bezonning is omgegaan bepalende factoren. Het microklimaat wordt bepaald door de verhouding tussen bebouwd en begroend oppervlak en de relatie tussen bebouwde en groene structuren. Een goed groenontwerp helpt oververhitting tegen te gaan en vangt neerslag en luchtverontreiniging op. Door groenontwerp en waterhuishouding te combineren kunnen de aanwezige en potentiele ecologische waarden van het gebied vergroot worden.

Verantwoord materiaalgebruik, beperking van energievraag en een verstandige positionering van functies dragen mede bij aan de klimaatdoelstellingen. Nijmegen hanteert de GPR-methodiek om prestaties van gebouwen te in beeld te brengen. Voor woningbouw en utiliteitsbouw liggen kernpunten bij terugdringen van de CO2 uitstoot en aanpassing aan veranderde weersomstandigheden. Bijkomend voordeel hierbij is dat dit leidt tot lagere beheerlasten en een gezondere, comfortabeler gebouw.

Het gebied is onder voorwaarden geschikt voor bodemenergiesystemen zoals Koude-Warmte opslag van het gesloten type. Voor het bepalen van deze voorwaarden zal afstemming gezocht moeten worden met eventuele andere grondwatergebruikers in de omgeving en zal de milieuhygiënische situatie van de bodem en het grondwater mee moeten worden gewogen.

Hoofdstuk 6 Ontwikkelingen en ruimtelijke onderbouwing

6.1 Overzicht ontwikkelingen

6.1.1 Recent gerealiseerde projecten

Hieronder worden de meest omvangrijke projecten genoemd waarvoor de laatste jaren een ruimtelijk ordeningsprocedure is gevoerd en veelal inmiddels gerealiseerd zijn. Dit geeft een beeld van de ontwikkelingen die onlangs in het plangebied hebben plaatsgevonden of binnenkort nog gaan plaatsvinden. Deze ontwikkelingen zijn in dit bestemmingsplan ingepast.

Eerste Oude Heselaan 174-176, voormalig Brezanterrein

Voor het perceel Eerste Oude Heselaan 174-176 is op 2 december 2008 een wijzigingsplan vastgesteld (Nijmegen Oud West 3). Het wijzigingsplan maakt woningbouw mogelijk op deze voormalige bedrijfslocatie mogelijk. Er zijn 9 appartementen en 7 maisonnettes gerealiseerd.

Schependomlaan 18

Voor de locatie Schependomlaan 18 is op 6 oktober 2009 een wijzigingsplan vastgesteld (Nijmegen Oud West 4). Op deze locatie van het voormalige postkantoor van Hees is woningbouw mogelijk gemaakt. Het gaat een appartementencomplex van 10 woningen dat de uitstraling van een vrijstaande villa heeft. Dit bouwplan is inmiddels gerealiseerd.

Omgeving Sperwerstraat en Voorstadslaan

Het plangebied betreft de voormalige locatie van het textielbedrijf Hartmann (voorheen Brocades). Het terrein is ontwikkeld tot een gemengd woongebied met studentenwoningen, appartementen, grondgebonden woningen en een woonzorggebouw voor dementerende ouderen. Het bestemmingsplan is op 13 januari 2010 vastgesteld (Nijmegen Oud West 6). Het bouwplan is inmiddels gerealiseerd.

Kanaalstraat/Waterstraat en Maasstraat/Waalstraat

In het kader van de herstructurering in het Waterkwartier zijn in de Kanaalstraat/Waterstraat en Maasstraat/Waalstraat woningen gesloopt en heeft vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. In totaal omvat de nieuwbouw 98 woningen, waarvan 46 in het betaalbare segment. In totaal zijn 71 grondgebonden woningen gebouwd en 27 appartementen. Op 30 december 2011 is hiervoor een omgevingsvergunning verleend (Nijmegen Oud West 7). Dit bouwplan is inmiddels gerealiseerd.

Nachtegaalplein e.o

Woningcorporatie Portaal herstructureert het gebied rondom het Nachtegaalplein (gebied begrensd door de Tweede Oude Heselaan, de Koninginnelaan en Nieuwe Nonnendaalseweg). De herontwikkeling voorziet in de sloop van in totaal ongeveer 272 woningen, de nieuwbouw van circa 207 woningen (115 in de huur- en 92 in de koopcategorie) en het opknappen van de openbare ruimte in het gebied. Het bestemmingsplan dat de herstructurering mogelijk maakt is op 19 september 2012 vastgesteld (Nijmegen Oud West 8). Dit bouwplan wordt in fasen uitgevoerd. De eerste fase is inmiddels gerealiseerd.

Molenweg 49 en 71 (Jacobsterrein)

Op 18 juni 2013 is een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 87 huurappartementen en 22 eenheden met algemene ruimten ten behoeve van de Driestroom op het perceel Molenweg 49 en 71 (Jacobsterrein) te Nijmegen (Nijmegen Oud West 9). Het bouwplan moet nog worden gerealiseerd.

MKK terrein

Enkele jaren geleden is het voormalige bedrijventerrein omsloten door de Marialaan, Voorstadslaan en Koekoekstraat herontwikkeld. Het gebied is getransformeerd tot een gevarieerd woongebied met winkels en voorzieningen in combinatie met nieuwe (zorg) woningen. De ontwikkeling van de strook grond tussen de woningen aan de Sperwerstraat en het winkelcentrum vormt de laatste fase, passend in de herontwikkeling van het totale gebied. Oorspronkelijk was hier een woonblok van 18 grondgebonden woningen in 3 bouwlagen parallel aan de Sperwerstraat gedacht. Voor dit plan is middels een artikel 19 lid 2 WRO-procedure in 2008 een vergunning verleend. Hiervoor is nu een nieuw plan ontwikkeld (zie paragraaf 6.1.2).

Voorzieningenhart Waterkwartier-De Biezen

Het gebied aan de Waterstraat, Biezenstraat en Biezendwarsstraat en Nierstraat, achter het woningbouwcomplex aan de Biezendwarsstraat, is het sociale hart van de Biezen (het Waterkwartier) te noemen. Hier waren een wijkcentrum, een gemeenschapshuis en een basisschool gevestigd. Op dit terrein is inmiddels een nieuw voorzieningenhart gerealiseerd, bestaande uit een school, sportzaal en wijkcentrum. Daarnaast zijn 30 huurappartementen aan het complex toegevoegd. Het bestemmingsplan is op 5 september 2012 door de raad vastgesteld (Nijmegen Oud West 11). Het bouwplan is inmiddels gerealiseerd.

Sonnehaert, Vlietstraat 22

Op 29 januari 2014 is een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van voormalig bejaardentehuis naar 150 studenteneenheden met ondersteunende voorzieningen (o.a. horecaruimte en fietsenstalling) en het herinrichten van het terrein met een nieuwe entree via de Voorstadslaan (Nijmegen Oud West 14). Het bouwplan is inmiddels gerealiseerd.

Spreeuwenstraat 11

Directe aanleiding voor het bestemmingsplan vormde een verzoek tot herziening van het bestemmingsplan Nijmegen Oud West 8 ten behoeve van het bouwen van een gebouw voor woningen ten behoeve van wonen met zorg (waarvan een gedeelte ook geschikt is voor 24-uurs zorg) op het terrein van een voormalige matrassenfabriek. Het bestemmingsplan is op 1 oktober 2014 vastgesteld (Nijmegen Oud West 15). Het bouwplan moet nog worden gerealiseerd.

Rijn- Lekstraat

Om de herstructurering van de woningen in de Rijn-Lekstraat mogelijk te maken, is op 18 mei 2009 een vrijstelling ex artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend. Er zijn 97 woningen gesloopt en daarvoor zijn 95 woningen teruggebouwd.

6.1.2 Nieuwe ontwikkelingen

Onderstaande ontwikkelingen zijn in dit bestemmingsplan ingepast. Wanneer hiervoor al een postzegelbestemmingsplan is opgesteld, hoeft hiervoor niet opnieuw een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. Wanneer er nog geen ruimtelijk ordeningsprocedure is doorlopen, is in dit bestemmingsplan een ruimtelijke onderbouwing opgenomen (paragrafen 6.2 en 6.3).

Floraweg 51 (Kinderboerderij Kobus)

De directe aanleiding voor het postzegelbestemmingsplan (Nijmegen Oud West-16) is het creëren van een definitieve educatieruimte ter vervanging van de tijdelijke. De nieuwe ruimte vormt een tweede hoofdgebouw naast het bestaande. Na onderzoek is gekozen om de educatieve ruimte in de nabijheid van dit gebouw, centraal op het terrein te situeren. Het bestemmingsplan Nijmegen Oud West-16 is op 21 oktober 2015 vastgesteld. Deze ontwikkeling is in dit bestemmingsplan ingepast.

Spechtstraat: aanleg park De Kraaij  

Het voormalig schoolgebouw aan de Spechtstraat in de wijk De Biezen is gesloopt en er is een nieuw schoolgebouw naast het nieuwe voorzieningenhart aan de Waterstraat gerealiseerd. Het terrein aan de Spechtstraat wordt ingezet wordt om groen aan de wijk toe te voegen. Op dit moment heeft de wijk De Biezen een tekort aan groenvoorzieningen. De aanleg van een park op de schoollocatie aan de Spechtstraat kan dit tekort gedeeltelijk oplossen en daarmee de leefbaarheid in de wijk voor haar bewoners vergroten. Deze ontwikkeling wordt in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld (zie paragraaf 6.2).

MKK terrein (Fenikshof)

In het huidige bouwplan wordt het woonblok versmald en ingevuld met 47 studio's. Hierbij moet het gezamenlijk wonen, waar mensen iets betekenen voor de gemeenschap binnen (en buiten) het woongebouw, centraal staan. Een ontmoetingsruimte in het gebouw waar activiteiten kunnen worden georganiseerd is daarbij ook cruciaal. Het bouwblok ligt op circa 16 meter parallel aan de rijenwoningen aan de Sperwerstraat en bestaat uit 3 bouwlagen. Het gebouw is met de rug naar de woningen aan de Sperwerstraat gesitueerd. Dat wil zeggen dat de tuinen van de woningen op de begane grond grenzen aan de achtertuinen van de bestaande woningen aan de Sperwerstraat. Ook zijn de slaapkamers van de studio's aan deze zijde gelegen. De woonvertrekken (keuken en woonkamer) zijn aan de zijde van het winkelcentrum gelegen. De bouwhoogte van 3 lagen (9 m) zorgt voor een getrapte overgang van de middelhoogbouw in het winkelcentrum naar de lage woningen aan de Sperwerstraat. Het gebouw sluit hiermee aan op de maat en schaal van de Sperwerstraat. Voor dit bouwplan is een omgevingsvergunning (projectbesluit) aangevraagd. Het bouwplan is tevens in dit bestemmingsplan ingepast. In paragraaf 6.3 is een ruimtelijke onderbouwing opgenomen.

6.1.3 Toekomstige ontwikkelingen

Voor onderstaande ontwikkelingen geldt dat deze ontwikkelingen eerst nog verder dienen te worden uitgewerkt. Wanneer er voldoende duidelijkheid is over de gewenste ontwikkeling en en er is voldoende draagvlak voor, kan er een postzegelbestemmingsplan worden opgesteld.

Rozenbuurt

De Rozenbuurt is gesitueerd in een reststrook tussen de Graafseweg en het spoor achter de reeds bestaande bebouwing van de Graafseweg. De Hatertseveldweg was in die tijd al bestaand en werd de scheiding tussen de achterzijde van de bebouwing aan de Graafseweg en de Rozenbuurt. Ten tijden van de bouw van de Rozenbuurt was het zuidelijk gelegen gebied nog open en nagenoeg onbebouwd. Inmiddels is de Rozenbuurt helemaal ingekapseld door woonbuurten en het industrieterrein ten zuiden van de spoorlijn. De woningen in het plangebied zijn verouderd en woningbouwcorporatie Portaal is daarom voornemens ongeveer 56 woningen te slopen en te gaan vervangen door nieuwbouw. Het nieuwe plan bestaat uit circa 40 tot 45 grondgebonden woningen. De geplande woningen bestaan uit 2 bouwlagen en een kap. Het totaal aantal woningen neemt af ten opzichte van de huidige situatie, echter de woninggrootte neemt toe. Voor deze ontwikkeling is een postzegelbestemmingsplan opgesteld (Nijmegen Oud West 2015-1). Dit postzegelbestemmingplan zal na dit bestemmingsplan worden vastgesteld en vormt de eerste herziening van dit bestemmingsplan.

Molenweg (Aldi)

De Aldi aan de Molenweg wil, vanwege de uitbreiding van de AH aan de Molenweg een nieuwe vestiging openen aan de Molenweg. De Aldi is momenteel samen met de AH gevestigd in een pand aan de Molenweg. Albert Heijn wil de huidige Aldi vestiging bij haar winkel betrekken en zal daardoor een omvang van circa 1.600 m² wvo krijgen. Aldi wil echter haar positie in het winkelgebied behouden en wil op of direct achter de voormalige Rabobank-locatie een supermarkt van circa 1.000 m² wvo ontwikkelen. Deze ontwikkeling is niet in dit bestemmingsplan ingepast.

Ontwikkeling gebied gelegen tussen Krayenhofflaan, Weurtseweg en Biezenstraat

Het gebied gelegen tussen het Batava-gebouw en de woningen langs de Bronsgeeststraat zal worden herontwikkeld (met behoud van de bestaande woningen). Dit betreft de gronden van de gemeente Nijmegen. Het heeft de voorkeur om bij herontwikkeling ook het Batava-gebouw te betrekken. De gemeente is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de eigenaar van het gebouw. Deze ontwikkeling is niet in dit bestemmingsplan ingepast.

In het vigerende bestemmingsplan Nijmegen Oud West uit 2006 was voor het gebied rondom het Krayenhoffpark een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van woningbouw. In december 2005 is de notitie Ontwikkelingskaders Krayenhoffpark c.a. vastgesteld. Daarbij is aangegeven dat variant 1 (behoud Witte fabriek, toevoeging van c.a. 23 laagbouwwoningen en uitbreiding van het park) als meest wenselijke ontwikkelingsrichting werd gezien. Verder is aangegeven dat wanneer de financiële haalbaarheid en daarmee de uitvoerbaarheid van deze variant niet kan worden aangetoond, variant 6 (behoud witte fabriek, met toevoeging van 90-100 woningen en uitbreiding parkgebied op binnenterrein) als uitwerkingskader zal gaan dienen. Beide varianten waren met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt.

Deze wijzigingsbevoegdheid is in dit bestemmingsplan komen te vervallen. Op dit moment spelen er ook geen concrete ontwikkelingen. Bovendien wordt op verzoek van de raad terughoudend omgegaan met het opnemen van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten in bestemmingsplannen. Het verdient de voorkeur om bij nieuwe ontwikkelingen een postzegelbestemmingsplan op te stellen. Bij herontwikkeling van het gebied zal er opnieuw naar de gewenste ontwikkelingsrichting worden gekeken. De destijds als meest gewenste aangewezen variant zal daarbij worden betrokken, maar tegelijkertijd zal er opnieuw moeten worden gekeken of dit nog steeds de meest gewenste ontwikkelingsrichting is.

6.2 Park De Kraaij (Spechtstraat)

Voor de aanleg van park De Kraaij aan de Spechtstraat is in deze paragraaf een ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Deze ontwikkeling is in dit bestemmingsplan ingepast.

6.2.1 Aanleiding

Het schoolgebouw aan de Spechtstraat in de wijk De Biezen is leeg komen te staan doordat de Conexus een nieuw schoolgebouw naast het nieuwe voorzieningenhart aan de Waterstraat heeft gerealiseerd. Het oude schoolgebouw is inmiddels gesloopt. Het gemeentebestuur heeft besloten dat het terrein aan de Spechtstraat ingezet wordt om groen aan de wijk toe te voegen. Op dit moment heeft de wijk De Biezen een tekort aan groenvoorzieningen. De aanleg van een park op de schoollocatie aan de Spechtstraat kan dit tekort gedeeltelijk oplossen en daarmee de leefbaarheid in de wijk voor haar bewoners vergroten. Een deel van de opbrengst van de verkoop van Heumensoord zal gebruikt worden voor aankoop van het schoolterrein.

Het resultaat moet een sober en doelmatig wijkpark zijn dat in nauw overleg met wijkbewoners tot stand is gekomen en dat past in het stedelijk weefsel van De Biezen, aansluit op de omgeving en rekening houdt met eventuele toekomstige ontwikkelingen. Hiervoor wordt een inrichtingsplan opgesteld.

6.2.2 Archeologie

Uit archeologisch bureauonderzoek blijkt dat het plangebied binnen een zone ligt waar archeologische vondsten uit diverse perioden aangetroffen zijn. Daaronder bevindt zich het grafveld, dat bij de oudste stad in Nederland hoort: Ulpia Noviomagus. De stad zelf ligt meer noordelijk, het bijbehorende grafveld ligt voornamelijk aan de oost- en zuidzijde. Naast het grafveld uit de Romeinse tijd kunnen er ook sporen en vondsten uit de steentijd, bronstijd en ijzertijd voorkomen. Het gaat daarbij voornamelijk om nederzettingen en grafvelden. Na de Romeinse tijd lijkt het gebied duidelijk minder in gebruik te zijn geweest (zie Bijlage 8: Archeologisch bureauonderzoek, gemeente Nijmegen, 2014).

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0029.png"

Locatie van het park t.o.v. de Romeinse stad Ulpia Noviomagus en het bijbehorende grafveld.

De aanwezigheid van dergelijke behoudenswaardige archeologische waarden maakt het streven naar behoud in situ noodzakelijk. Bij de inrichting van het park dient hiermee rekening gehouden te worden. Het gaat dan om bodemverstorende ingrepen bij zowel de sloop van de bestaande gebouwen, als bij de aanleg van het park, inclusief eventuele bodemverbetering en de keuze van beplanting. Het archeologisch relevante niveau bevindt zich op ca 50 cm beneden het huidige maaiveld. Er dient een afdoende fysieke buffer te zijn tussen de archeologische lagen en het (nieuwe) maaiveld.

In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 opgenomen.

Risico's

Vanwege de specifieke archeologische verwachting op delen van een Romeins grafveld en resten uit andere perioden, kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek bij de inrichting van het park hoog zijn. Grafvelden zijn arbeidsintensief om op te graven, de vondsten kunnen kwetsbaar zijn en geconserveerd moeten worden. Andere vondsten zijn niet uit te sluiten. Om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de geplande ingrepen en de aanwezige archeologie zich tot elkaar verhouden, is nu reeds een bureaustudie opgesteld. Op basis hiervan kan voor het inrichtingsplan tijdig in kaart worden gebracht op welke wijze de archeologische waarden in het plangebied afdoende beschermd kunnen worden, of, indien dit niet mogelijk is, waar en welk archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.

Kansen

De aanwezigheid van geometrische grafstructuren biedt een aanknopingspunt om het park in te richten, met een verwijzing naar het verleden. Het kan daarmee de identiteit van oudste stad van Nederland versterken en deze wijk meer aanzien geven.

6.2.3 Groen
6.2.3.1 Wetgeving en beleid

Natura 2000

Dit bestemmingsplan ligt op voldoende afstand van Natura 2000 dat geen effecten te verwachten zijn. Natura 2000 is dan ook niet aan de orde voor dit bestemmingsplan.

Natuurbeschermingswet

Uit de Quick Scan Spechtstraat, aanleg park de Kraaij (9 juli 2014) is gebleken dat dit bestemmingsplan niet van invloed is op gebieden die onder de Natuurbeschermingswet vallen en derhalve is deze wet dan ook niet aan de orde voor dit bestemmingsplan. Zie Bijlage 9.

Flora en faunawet

Toetsing van de beoogde ingreep aan door de Flora- en faunawet beschermde natuurwaarden laat zien dat enkel voor vleermuizen een negatief effect verwacht wordt. Nader (veld)onderzoek naar de aanwezigheid en gebruik van de planlocatie door gebouwbewonende vleermuizen is nodig.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone (GNN/GO)

Dit bestemmingsplan ligt op voldoende afstand van de GNN/GO om geen effecten te verwachten.

Groenplan De groene draad (2007)

De bestemming Maatschappelijk wordt gewijzigd in een Groenbestemming. Daarmee wordt meer groen toegevoegd aan Nijmegen West. Nijmegen West valt onder de groenarme wijken van Nijmegen. De aanleg van een park heeft een positieve invloed op vermindering van het stenige karakter van de wijk.

Handboek stadsbomen (2009)

In dit bestemmingsplan wordt de hoofdbomenstructuur in stand gehouden.

6.2.3.2 Onderzoek

Broedende vogels 

Sloop van gebouwen en verwijderen van bomen en struiken dienen gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dienen daarom buiten het vogelbroedseizoen te starten of te worden uitgevoerd. Door het onaantrekkelijk maken (en houden) van het plangebied voor en tijdens de bouwfase, kan tevens eventuele (nieuw)vestiging van broedende vogels voorkomen worden.

Vleermuizen

Het gebouw is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen, met name de gewone dwergvleermuis. De sloop van het gebouw kan leiden tot een overtreding van de Flora- en faunawet. Daarom is nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen voorafgaand aan de sloop noodzakelijk.

Aanvullend Vleermuisonderzoek

Naast de QuickScan heeft er een vleermuisonderzoek plaatsgevonden (Bijlage 10 Vleermuisonderzoek school Spechtstraat, Nijmegen 14 november 2014). Om op basis van vleermuisonderzoek zomer-, paar- en winterverblijven uit te sluiten zijn 4 onderzoekrondes conform het vleermuisonderzoeksprotocol 2013 uitgevoerd.

Het plangebied heeft een zeer beperkte betekenis voor de gewone dwergvleermuis, die beschermd is conform Tabel 3 van de AmvB artikel 75 Flora- en faunawet. De betekenis van het te slopen gebouw beperkt zich tot een potentiele paarverblijfplaats en een zomerverblijfplaats, beide van matige kwaliteit. Een incidenteel verblijvende vleermuis wordt niet uitgesloten.

Met de gewone dwergvleermuis dient rekening te worden gehouden, middels het treffen van enkele voorzorgsmaatregelen. Indien bij de werkzaamheden de in deze notitie genoemde maatregelen worden getroffen, wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen. Een ontheffing van de Flora- en faunawet wordt dan niet noodzakelijk geacht. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor deze bestemmingsplanwijziging.

6.2.4 Water

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. De waterberging zal door (reguliere) infiltratie plaatsvinden in de ondergrond binnen het plangebied.

Grondwater

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwater- beschermingsgebied

Riolering/ hemelwater

De huidige riolering binnen het plangebied dient te worden verwijderd. Hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt of dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Voor plannen waarbij geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan worden ingediend. In onderhavig plan is het van belang dat belendende percelen geen wateroverlast zullen hebben. Er dient te worden vastgesteld dat de bodem voldoende doorlatend is. Gegeven de afname van verhard oppervlak behoeft geen nader (voor)overleg met het waterschap te worden gevoerd. Volledigheidshalve is er een digitale watertoets uitgevoerd, waarbij dit is bevestigd.

6.2.5 Bodem

Er heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden (Bijlage 11 Verkennend bodemonderzoek Spechtstraat 4, 19 juni 2014).

Resultaten bodemonderzoek:

  • in de grond is bodemvreemd materiaal aangetroffen: metselpuin, glas, sintels, aardewerk en baksteen. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen;
  • in de grond zijn lichte verontreinigingen met metalen, PAK en PCB aangetoond. Plaatselijk zijn licht verhoogde gehalten aan DDD en DDE aangetoond;
  • ter plaatse van één boring is een matig verhoogd gehalte aan zink gemeten. Dit gehalte is lager dan de lokale achtergrondwaarde (het gehalte dat in de omgeving van de locatie gemiddeld aanwezig is). Een nader bodemonderzoek is daarom niet vereist;
  • in het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aanwezig.

Conclusie:

De lichte en matige verontreinigingen vormen geen risico voor het beoogde gebruik van de locatie als park. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de herinrichting van het terrein de matige zinkverontreiniging toch nader te onderzoeken in verband met de toekomstige, meer gevoelige, bestemming en daarnaast de hergebruiksmogelijkheden en eventuele afvoerkosten van de grond.

6.2.6 Explosieven

Op de risicokaart Bommen en Granaten bevindt het terrein zich op de grens tussen gebieden met een verhoogde en lage kans van aantreffen. De veiligheid ten opzichte van explosieven moet altijd verzekerd zijn voor er grondwerk verricht wordt.

6.2.7 Economische uitvoerbaarheid

Het gebied was eigendom van stichting Conexus maar is inmiddels door de Gemeente Nijmegen aangekocht. Binnen programma Groen & Water is geld gereserveerd voor aankoop, sloop, bestemmingsplanwijziging en aanleg van een parkje en alle daarmee gemoeide kosten. Het budget is voldoende groot om te garanderen dat de voorgestelde planwijziging financieel-economisch uitvoerbaar is. Er zijn bij dit project geen subsidies betrokken.

6.3 MKK terrein (Fenikshof)

Voor de ontwikkeling op het MKK terrein (Fenikshof) is in deze paragraaf een ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Deze ontwikkeling is in dit bestemmingsplan ingepast.

6.3.1 Aanleiding

Enkele jaren geleden is het voormalige bedrijventerrein omsloten door de Marialaan, Voorstadslaan en Koekoekstraat herontwikkeld. Het gebied is getransformeerd tot een gevarieerd woongebied met winkels en voorzieningen in combinatie met nieuwe (zorg) woningen. De ontwikkeling van de strook grond tussen de woningen aan de Sperwerstraat en het winkelcentrum vormt de laatste fase, passend in de herontwikkeling van het totale gebied. Oorspronkelijk was hier een woonblok van 18 grondgebonden woningen in 3 bouwlagen parallel aan de Sperwerstraat gedacht. Voor dit plan is middels een artikel 19 lid 2 WRO-procedure in 2008 een vergunning verleend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0030.png"

foto: centrumgebied (projectgebied is aan de rechterzijde gelegen)

Ligging projectgebied 

Aan de noordzijde van het plangebied ligt aan de Sperwerstraat een rij woningen die bestaan uit twee bouwlagen. De achtertuinen van deze woningen grenzen direct aan het plangebied. Direct zuidelijk van het plangebied ligt het nieuwe winkelhart voor het Waterkwartier. Dit gebouw, bestaande uit woningen en winkels boven een parkeergarage, heeft een hoogte die varieert van 2 tot 5 bouwlagen met appartementen op een plint (begane grond) van commerciële ruimten. Aan de westkant staat schuin op de Voorstadslaan een 5 laags woon-zorggebouw. Het winkelcentrum is gericht naar de Marialaan. Daar heeft de nieuwbouw tevens een (hoogte)accent; een gedeeltelijk 14-laags woongebouw in combinatie een voorzieningenplint en een parkeergarage.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0031.png"

foto: projectgebied

Bouwplan

In het huidige bouwplan wordt het woonblok versmald en ingevuld met 47 studio's met centraal wonen. Centraal wonen is een vorm van gemeenschappelijk wonen waarbij bewoners bewust kiezen om met elkaar te wonen en waarbij de huishoudens over een zelfstandige woning of wooneenheid beschikken en tevens gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten met elkaar delen. Het bouwblok ligt op circa 16 meter parallel aan de rijenwoningen aan de Sperwerstraat en bestaat uit 3 bouwlagen. Het gebouw is met de rug naar de woningen aan de Sperwerstraat gesitueerd. Dat wil zeggen dat de tuinen van de woningen op de begane grond grenzen aan de achtertuinen van de bestaande woningen aan de Sperwerstraat. Ook zijn de slaapkamers van de studio's aan deze zijde gelegen. De woonvertrekken (keuken en woonkamer) zijn aan de zijde van het winkelcentrum gelegen. De bouwhoogte van 3 lagen (9 m) zorgt voor een getrapte overgang van de middelhoogbouw in het winkelcentrum naar de lage woningen aan de Sperwerstraat. Het gebouw sluit hiermee aan op de maat en schaal van de Sperwerstraat. Voor het bouwplan is een bezonningsstudie verricht (Bijlage 12, gemeente Nijmegen, januari 2016). Het bouwplan leidt niet tot extra schaduwwerking voor de rijenwoningen aan de Sperwerstraat.

Bij de herontwikkeling van het terrein tot wijkcentrum is een parkeergarage onder het winkelcentrum gebouwd. De ontsluiting vindt plaats via de Koekoekstraat. De parkeergarage is bestemd voor bewoners, werknemers en bezoekers van het winkelcentrum. Een deel van de parkeerplaatsen in de parkeerkelder (19 plaatsen) is beschikbaar voor bewoners van het nieuwe woonblok. De overige noodzakelijke parkeervoorzieningen voor de woningen worden in de openbare ruimte gerealiseerd. Hiervoor wordt aan de oostzijde achter de woningen aan de Sperwerstraat een parkeerterrein aangelegd. Deze parkeervoorziening wordt via de Sperwerstraat ontsloten. De ontsluiting van de woningen voor langzaam verkeer verloopt via deze insteekweg en aan westzijde vanaf de Voorstadslaan. De uitvoering van de laatste fase van de herontwikkeling zorgt voor een betere stedenbouwkundige samenhang met de omgeving, goede ontsluitingen en voor de vervlechting van het gebied met de wijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0032.png"

kaart: situering nieuwbouw

6.3.2 Toetsing aan ruimtelijk beleid

Rijksbeleid

Aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. op grond waarvan overheden nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen standaard dienen te motiveren met behulp van een drietal opeenvolgende stappen:

(Actuele) regionale behoefte

De te ontwikkelen locatie ligt in het stadsdeel Oud West. De locatie ligt tegen het winkelcentrumgebied aan. Het woonmilieu valt in de categorie stedelijk compact. Het plan levert een bijdrage aan meer kwaliteit en variatie in dit stadsdeel. Ter onderbouwing van de actuele regionale behoefte naar woningen wordt verwezen naar de (regionale) woningmarktonderzoeken, verkenningen en visies. Het meest actuele onderzoek naar regionale behoefte is in afspraken per gemeente binnen de regio vastgelegd (juni 2015). Tussen de gemeentebesturen van de subregio Nijmegen en omstreken zijn afspraken gemaakt over het woningbouwprogramma voor de periode 1 januari 2014 tot 1 januari 2025 op basis van het zogenaamde stoplichtmodel. In deze afspraken is de totale regionale woningbehoefte aangegeven. Voor de gemeente Nijmegen is er sprake van een opgave van ruim 6.569 woningen. In de woningbouwplannen voor de gemeente Nijmegen staan 3.800 woningen gepland in groene plannen tot 2020. Dit betekent dat er nog ruimte is voor toevoeging van extra woningen. Het plan Fenikshof staat oranje aangegeven in het zogenaamde stoplichtmodel en wordt nu omgezet naar groen. De regionale behoefte en deze regionale afspraak geeft de kwantitatieve behoefte aan woningen in Nijmegen weer.

Benutting van beschikbare gronden

Er is hier sprake van herontwikkeling van binnenstedelijk gebied. Het plan voorziet hiermee in een goede benutting van het bestaande stedelijke gebied.

Motivering locatie buiten bestaand stedelijk gebied

De gehele ontwikkelingslocatie valt binnen het bestaande stedelijke gebied van Nijmegen. Stap 3 van de duurzaamheidsladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden.

Provinciaal beleid

De provincie heeft op regionale schaal afspraken met partners over wonen gemaakt. Deze afspraken blijven staan en worden met partijen verder doorontwikkeld. Daarnaast streven de provincie en haar partners er samen naar om vraag en aanbod op de woningmarkt met elkaar in balans te brengen en te houden: hoe kan de woningvoorraad kwantitatief en kwalitatief meegroeien met een veranderende vraag? Zij zien daarbij de volgende opgaven:

  • 1. van bouwen van nieuwe woningen naar benutten van de bestaande voorraad,
  • 2. van aanbod gestuurd naar vraag gestuurd.

Gemeentelijk beleid

In de Structuurvisie 2013 wordt aangegeven dat we terughoudend zijn met het verlenen van medewerking aan nieuwe bouwprojecten. Nieuwbouw moet nadrukkelijk een tekort in de wijk opheffen. Bijvoorbeeld met combinaties van wonen en zorg of woningen voor studenten en jongeren in en bij het centrum van de stad. Of projecten die bestaande woningen vervangen. Deze terughoudendheid geldt zeker ook voor de bouw van nieuwe kantoren en bedrijfsruimtes daar waar elders in de stad forse leegstand is. We kiezen voor aanpassing en herbestemming. We willen bewoners en bedrijven binden aan stad en wijk. Dit is ook een vorm van duurzaamheid. Een aantrekkelijke en prettige woonomgeving zorgt er bijvoorbeeld voor dat mensen lang in hun wijk blijven wonen.

Geconcludeerd wordt dat het hierboven genoemde beleid de voorgenomen deze ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staat.

6.3.3 Archeologie

Waarden en dubbelbestemming

Het plangebied ligt in een gebied waarde archeologie 3. Een waarde archelogie 3-gebied heeft een zeer hoge archeologische waarde, die door de dubbelbestemming beschermd wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0033.jpg"

kaart: uitsnede Archeologische beleidskaart

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied ligt binnen terrein Z-07, een terrein met zeer hoge archeologische waarde. Verreweg het grootste deel van de resten die in dit deel van Nijmegen zijn aangetroffen behoren tot de Romeinse stad Ulpia Noviomagus en de bijbehorende grafvelden. Bij opgravingen aan de Voorstadslaan is een klokbeker gevonden die ongetwijfeld moet hebben toebehoord aan een graf uit de Steentijd. Vermoedelijk lagen dergelijke graven meestal geïsoleerd in het landschap en hoewel sommige met een grafheuvel gemarkeerd zijn geweest, was dat zeker niet altijd het geval. Hoe het graf aan de Voorstadslaan eruit moet hebben gezien, is niet bekend. Ook zijn uit het gebied vondsten uit de Bronstijd bekend.

Binnen het plangebied zijn graven uit de Romeinse tijd te verwachten. Zij maken deel uit van het grote, nabij de Romeinse stad Ulpia Noviomagus gelegen grafveld. In dit grafveld zijn de bewoners van de stad na hun dood begraven. De Romeinse graven die in het verleden in het grafveld zijn aangetroffen, dateren vooral in de periode 70-270 na Chr.. Uit ouder onderzoek blijkt dat in de omgeving bewoning in de IJzertijd en oudere graven verwacht mogen worden. Uit onderzoek van de gemeente Nijmegen aan de Sperwerstraat, in de directe nabijheid van het plangebied, is gebleken dat daar op elke 1000 m2 ca. 50 tot 75 graven zijn aangetroffen.

Benodigd onderzoek

Voorafgaand aan de nieuwe ontwikkelingen dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, allereerst in de vorm van een inventariserend vooronderzoek (IVO) om met name vast te stellen:

  • de begrenzing van het grafveld;
  • of en in welke mate de graven zijn verstoord;
  • aard, omvang en waardering van overige archeologische resten.

Afhankelijk van de plannen zullen bij de vergunningverleningen voorwaarden gesteld worden ten aanzien van archeologie. De exacte eisen zullen pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen, bekend zijn. Het archeologisch onderzoek zal als voorwaarde aan de vergunningverlening gekoppeld worden.

Met het indienen van het door de bevoegde overheid goedgekeurd onderzoeksrapport zal dan aan de gestelde voorwaarden vanwege de archeologie voldaan zijn.

Meldingsplicht art. 53 Monumentenwet 1988

Archeologische vondsten gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden, op basis van artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst.

Om het documenteren van toevalsvondsten mogelijk te maken verdient het de aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 53 Monumentenwet 1988):

Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze melding kan ook worden gedaan bij de gemeentearcheoloog.

6.3.4 Cultuurhistorie

Cultuurhistorisch beleid

De locatie ligt binnen gebiedstype 2 van de cultuurhistorische beleidskaart. Bij gebiedstype 2 gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de aandachtslijst. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt vooral de impact van deze ontwikkelingen op de directe omgeving van de beschermde monumenten meegenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BPa3000-VG01_0034.png"

kaart: Cultuurhistorische beleidskaart

Cultuurhistorische analyse

Het plangebied ligt niet binnen of in de directe omgeving van een rijksbeschermd stadsgezicht of gemeentelijk stadsbeeld. Evenmin komen binnen of in de omgeving objecten voor die beschermd zijn als rijksmonument of gemeentelijk monument.

Het terrein is eeuwenlang in gebruik geweest als bouwland. Omstreeks 1900 werd op een oude perceelgrens de Sperwerweg aangelegd, waarna het blokje woningen (Sperwerstraat 147-162 en Voorstadslaan 261) werd gebouwd, dat thans nog direct ten noorden van het plangebied staat. Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw werd een groot deel van het terrein tussen de Sperwerstraat en Kievitstraat ontwikkeld tot industrieterrein. De bebouwing uit deze periode is met uitzondering van de voormalige smederij aan de Sperwerstraat 143 (1951-1952) gesloopt en vervangen door nieuwbouw.

Conclusie

Er zijn geen cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied die door nieuwe ontwikkelingen bedreigd kunnen worden of uitgangspunten kunnen opleveren voor een nieuwe ontwikkeling van het terrein.

6.3.5 Wonen

Uitbreiding van de woonfunctie op deze locatie is onder voorwaarden mogelijk. Voor deze ontwikkeling kan alleen toestemming worden verleend als een bijdrage wordt geleverd aan de functie wonen met zorg. Voor deze locatie is het zogenaamde Centraal wonen aangewezen. Centraal wonen is een vorm van gemeenschappelijk wonen waarbij bewoners bewust kiezen om met elkaar te wonen en waarbij de huishoudens over een zelfstandige woning of wooneenheid beschikken en tevens gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten met elkaar delen. Een ontmoetingsruimte in het gebouw waar activiteiten kunnen worden georganiseerd is daarbij dan ook cruciaal.

Het gemeenschappelijk wonen is een woonvorm waar een aantal maatschappelijke doelstellingen meer kans heeft om tot ontwikkeling te komen. Zoals: ontplooiingskansen voor ieder individu, emancipatie, bewust omgaan met het milieu, solidariteit en sociale rechtvaardigheid.

6.3.6 Verkeer

Bereikbaarheid

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied voor de realisatie van 48 appartementen sluit aan bij de eerdere realisatie van een winkelcentrum met woningen. Het plangebied wordt omsloten door de Marialaan, Voorstadslaan, Sperwerstraat en Koekoekstraat. De parkeergarage onder het winkelcentrum wordt ontsloten via de Koekoekstraat. De parkeerplaatsen op maaiveld naast het bouwvlak ontsluiten via de Sperwerstraat.

Langzaam verkeer

Het plangebied kan vanuit elke toegang ontsloten worden door fiets en voetganger.

Openbaar vervoer

Voor gebruik van het openbaar vervoer is het plangebied aangewezen op de haltevoorzieningen van de Marialaan. Deze bevinden zich ter hoogte van de Koekoekstraat.

Parkeren

Het aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de beleidsregels parkeren. De beleidsregels zijn een uitwerking van de door Burgemeester en Wethouders vastgestelde parkeervisie (2012) en de hierin verbonden nota parkeernormen gemeente Nijmegen (2012). Het plangebied valt in de sterk stedelijke zone "Schil/Overloopgebied".

De volgende berekening is van toepassing op het bouwplan:

Bestaande situatie 18 grondgebonden woningen met 26 parkeerplaatsen. Hiervan zijn er 19 parkeerplaatsen in de kelder gerealiseerd en 7 elders binnen het plangebied.

Nieuwe situatie 47 woningen zeer klein x 0,85 = 39,95 (40) parkeerplaatsen.

Voor het plan is daarmee een extra parkeerbehoefte van 14 parkeerplaatsen.

Er worden 19 extra parkeerplaatsen naast het pand op maaiveld gerealiseerd. Dit wordt later openbaar terrein. Daarmee worden er voldoende parkeerplaatsen aangelegd. Om de 19 parkeerplaatsen in de kelder te koppelen aan dit plan wordt ontheffing afgegeven bij de omgevingsvergunning.

Verkeersveiligheid

Voor de Marialaan geldt een maximum snelheid van 50 km/h. Voor de Voorstadslaan, Sperwerstraat en Koekoekstraat geldt een maximum snelheid van 30 km/uur.

6.3.7 Natuur en landschap

Rijks- en Europees beleid

Natura2000 en de Ecologische Hoofdstructuur zijn hier niet van toepassing.

Flora- en Faunawet

Gezien de huidige situatie van de locatie (braakliggend terrein in stedelijk gebied) worden geen flora- en faunawaarden van beschermde status verwacht.

Gemeentelijk Groenbeleid

Coalitieakkoord

Vooral in Nijmegen West werken we samen met bewoners gericht aan het realiseren van meer en gevarieerd groen.

De Groene Draad - Kansen voor het Nijmeegse groen - 2007

Voor de Biezen is specifiek opgenomen dat we kansen die zich voordoen bij herstructurering op perceelniveau dienen aan te grijpen om meer gebruiksgroen met speelplekken aan deze wijken toe te voegen. Bij de ruimtelijke planvorming in 2008 was er, omdat het gaat om vervangende nieuwbouw (het te herstructureren plangebied bestond uit bedrijfsterreinen en winkels en er kwam bijna geen groen op voor), geen bezwaar vanuit het groenbeleid om het gehele perceel te bebouwen. Het huidige plan is vergelijkbaar met het oude plan en dus wordt diezelfde lijn van redeneren aangehouden. Toevoeging van groen wordt wel wenselijk geacht.

Handboek Stadsbomen - 2009

De Voorstadslaan behoort tot de hoofdbomenstructuur. De plannen laten zien dat het perceel ontsloten wordt via de Sperwerstraat. Daardoor heeft de ontwikkeling op deze locatie geen invloed op de hoofdbomenstructuur.

Monumentale en waardevolle bomen

Op de Voorstadslaan staan enkele waardevolle/monumentale bomen. Deze bomen moeten behouden blijven. De plannen laten zien dat het perceel ontsloten wordt via de Sperwerstraat. Daardoor heeft de ontwikkeling op deze locatie geen invloed op de bomen langs de Voorstadslaan.

6.3.8 Water

Algemeen

Deze ontwikkeling maakt deel uit van de bestaande waterhuishoudkundige inrichting van het gebied de Biezen. Voor dit gebied zijn het "Waterplan Nijmegen (2001) & Gemeentelijk Rioleringsplan 2010 t/m 2016 & Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013)" relevant. Er vinden geen wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen functie.

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

Grondwater

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Riolering/ hemelwater

De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Marialaan en Voorstadslaan. De riolering is uitgevoerd als gemengd stelsel. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om vuilwater en hemelwater op een verantwoorde manier te verwerken. Vuilwater wordt verplicht op het openbaar riool aan te sluiten. Hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. De gemeente Nijmegen hanteert bij het duurzaam omgaan met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwater'.

Schoon hemelwater dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Bij infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform convenant Duurzaam bouwen in het KAN 2000, gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen.

Voor de eerdere fases (herontwikkeling voormalig bedrijventerrein tot gevarieerd woongebied met winkels en voorzieningen in combinatie met nieuwe (zorg) woningen) is een uitgewerkt Waterhuishoudingsplan opgesteld (Bijlage 13, Grontmij Nederland b.v., 10 april 2008) met bijbehorende revisietekeningen (Bijlage 14 en Bijlage 15). Het betreffende plangebied moet worden aangesloten op de eerdere fases van het plan. Gezien de eerdere vastgestelde planmogelijkheden is er geen toename van verhard oppervlak.

Voor het voorliggende plan is geen vooroverleg met het Waterschap noodzakelijk.

6.3.9 Milieu
6.3.9.1 Bedrijvigheid

De ontwikkelingslocatie valt onder het functiemengingsgebied zoals beschreven in de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering.

Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de beoordeling van mogelijk conflicterende belangen, zoals deze aanwezig kunnen zijn bij de aanwezigheid van bedrijven in de buurt van woonbebouwing, kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening medewerking verleend worden aan een aanvraag om omgevingsvergunning, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • 1. door het project worden bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden om ter plaatse een bedrijf uit te oefenen en te ontwikkelen;
  • 2. ter plaatse van nieuw op te richten woonobjecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat.

De VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” geeft, onder andere door het aangeven van richtafstanden per bedrijfscategorie en harde criteria voor functiemengingsgebieden, invulling aan de bovengenoemde voorwaarden. Bij toetsing aan de brochure is van belang dat in de nabijheid van de beoogde woningen de volgende functies zijn gelegen:

  • winkelpanden onder het gebouw Fenikshof, gelegen op 10 meter van de geprojecteerde nieuwbouw;
  • de Nederlandse ampullenfabriek (NAFVSM B.V.), Marialaan 108, is gelegen op 102 meter van het projectgebied.
  • de Nijmeegse slijperij, Sperwerstraat 143, gelegen op ongeveer 10 meter van het gebied.

Op basis van de VNG-brochure kan worden vastgesteld dat rondom deze bedrijven de volgende afstanden aangehouden moeten worden:

  • detailhandel (niet in auto's), heeft SBI code 47.1, voor dit type bedrijven geldt in het functiemengingsgebied geen afstandseis;
  • de Nederlandse ampullenfabriek heeft SBI code 23.19; voor dit type bedrijven geldt categorie 3.2, waarvoor in casu een minimale afstand geldt van 50 meter;
  • de Nijmeegse slijperij heeft SBI code 25.62, dit type bedrijven (< 200 m2) valt onder categorie B, waarvoor de eis van bouwkundige scheiding geldt.

Geconcludeerd kan dan ook worden dat kan worden voldaan aan de eisen en criteria zoals deze zijn omschreven in de VNG-brochure. Ook kan worden geconcludeerd dat de aanwezige en als zodanig bestemde bedrijvigheid in de nabijheid van het project geen overwegend negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de beoogde nieuwe woningen, maar ook dat de aanwezigheid van de nieuwe woonbestemming/functie geen nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van de bedrijven in de nabijheid van het project.

6.3.9.2 Bodem

De bodemkwaliteit is beoordeeld op basis van het volgende rapport: Nader bodemonderzoek MKK-terrein te Nijmegen (Bijlage 16, Oranjewoud, 8 november 2006). Uit het bodemonderzoek blijkt dat de grond in het plangebied een geroerd profiel heeft en veel bijmengingen (glas, hout, metaal, puin- en kolengruisresten) bevat tot ca. 1,3 meter diepte. In deze bodemlaag overschrijden de gehalten koper, lood, zink en PAK de interventiewaarde (sterk verhoogde gehalten). Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is in de grond een licht verhoogd gehalte asbest aangetoond, de hergebruiksnorm van 100 mg/kg wordt echter niet overschreden. Het grondwater bevindt zich op meer dan 5 meter diepte en is daarom, conform de onderzoeksprotocollen, niet onderzocht. Op basis van het onderzoek blijkt het volume waarin de interventiewaarde voor PAK en zware metalen in de grond wordt overschreden groter is dan 25 m3. Er is daarom sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.

De bodem in het plangebied moet worden gesaneerd alvorens de nieuwe functie kan worden gerealiseerd. Hiervoor moet de initiatiefnemer een saneringsplan indienen waarin de kwaliteit van de grond van de te ontwikkelen locatie en de sanerende maatregelen (onder andere saneringswijze verontreinigde grond en herstel/leeflaag) worden beschreven, of moet de sanering worden gemeld volgens het Besluit Uniforme Saneringen. De saneringskosten zijn in de exploitatieopzet van het plan verwerkt.

6.3.9.3 Geluid

De nieuwe woningbouwlocatie ligt binnen de geluidszones van de Marialaan en de Waterstraat. De Voorstadslaan is een 30 km/uur weg en hoeft daarom niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Het geluid van de Marialaan en de Waterstraat wordt grotendeels afgeschermd door de bebouwing tussen deze wegen en de bouwlocatie. De geluidsbelasting van deze wegen ligt ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB wegverkeerslawaai. De geluidsbelasting van de Voorstadslaan bedraagt ook minder dan 48 dB. Het wegverkeerslawaai vormt dus geen belemmering voor dit plan.

6.3.9.4 Lucht

De luchtkwaliteit in een deel van dit plangebied wordt met belast door de verkeersuitstoot van de Voorstadslaan. Overige bronnen zijn voor zover bekend niet relevant of niet aanwezig. Uit recent luchtkwaliteitsonderzoek van de gemeente Nijmegen blijkt dat langs de bovengenoemde weg geen overschrijding van grenswaarden plaatsvindt. Formeel hoeft boven het wegdek en direct langs de weg (binnen 10 meter van de rand van de weg) niet aan de grenswaarden voldaan te worden.

Voor het onderhavige plan is geen specifiek luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd omdat vooralsnog het plan geen nieuwe ontwikkelingen toelaat die ten opzichte van de bestaande functie een dermate grote verkeersaantrekkende werking hebben dat een verslechtering van meer dan 3% te verwachten is. Daarmee wordt voor dit aspect voldaan aan de luchtregelgeving.

Het plangebied ligt op meer dan 15 meter van de rand van de Voorstadslaan. De toekomstige intensiteiten op de Voorstadslaan bedragen niet meer dan 3000 mvt/etmaal. Daarmee is het geen drukke gemeentelijke weg. Ook blijkt uit de luchtkwaliteitsberekeningen dat geen sprake is van overschrijdingen ter plaatse van de Fenikshof. Ter plaatse wordt voldaan aan de grenswaarden, ook aan de grenswaarden die gelden voor gevoelige bestemmingen.

6.3.9.5 Externe veiligheid

Het plangebied ligt in de (relatieve) nabijheid van een aantal risicobronnen die onderdeel uitmaken van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en ook zijn er enkele “Bevi-bedrijven” aanwezig, waarvan het invloedgebied zich uitstrekt tot het plangebied.

Het Basisnet

Voor het plangebied zijn belangrijke onderdelen van het Basisnet: het spoor Nijmegen-Den Bosch, de Waal en het Maas-Waalkanaal. Het plangebied is echter gelegen op een locatie waarbij veel grotere afstanden aanwezig zijn dan 200 meter ten opzichte van de hierboven genoemde onderdelen van het Basisnet. Op grond hiervan kan de verantwoording van het externe veiligheidsrisico ten aanzien van deze risicobronnen dan ook beperkt blijven tot verantwoordingsniveau 3a van de Beleidsvisie (blz. 33). Verantwoordingsniveau 3 is het lichtste verantwoordingsniveau en bestaat uit een standaard verantwoordingstekst en is dus gelet op het bovenstaande altijd van toepassing voor ruimtelijke projecten in de stad Nijmegen.

Bedrijven

Er zijn enkele bedrijven in Nijmegen die met grote hoeveelheden giftige stoffen (Broekman Logistics) werken en kleinere hoeveelheden zeer giftige stoffen (NXP). De invloedgebieden van deze opslagen zijn zeer groot (tot 4 km) en liggen dus over een groot deel van Nijmegen. Het plangebied bevindt zich echter op grote afstand van de genoemde risicobronnen (resp. 3 en 2,2 km). Op deze afstand is het alleen het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied.

Voor bedrijven op grote afstand van het plangebied, die een invloedgebied over het plangebied hebben op grond van de zeer zeldzame toxische scenario's, heeft de gemeente Nijmegen in de Beleidsvisie bepaald dat het lichtste verantwoordingsniveau van toepassing is. Op grond hiervan kan de verantwoording van het externe veiligheidsrisico dan ook in dit geval beperkt blijven tot verantwoordingsniveau 3a van de Beleidsvisie.

Conclusie

Vanuit externe veiligheid zijn er geen beperkingen voor dit plan.

6.3.9.6 Fysieke veiligheid

In het advies van de Regionale Brandweer Gelderland-Zuid (10 november 2015) met betrekking tot de realisatie van appartementen aan de Fenikshof wordt gekeken naar de ruimtelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de fysieke veiligheid en het optreden van de brandweer (Bijlage 17). Het betreft de volgende aspecten:

Inrichting openbare ruimte: ontvluchting en zelfredzaamheid

Hoe de openbare ruimte is ingericht, is van invloed op de mate waarin hulpdiensten de incidentlocatie kunnen bereiken en betrokkenen bij een incident in staat zijn een locatie te ontvluchten. In dit kader zijn de mogelijkheden voor ontvluchting en zelfredzaamheid binnen het plangebied getoetst. Hierbij gaat het er bijvoorbeeld om dat vluchtroutes in het gebouw/de gebouwen goed aansluiten op de omgeving. Aan de hand van het voorgelegde plan kunnen wat betreft de inrichting van de openbare ruimte geen beperkingen worden geconstateerd.

Situering van gebouwen

In verband met brandveiligheid kan het Bouwbesluit voorwaarden stellen aan de afstand tussen gebouwen onderling en de positionering ten opzichte van elkaar. Op basis van het huidige plan zien wij op voorhand geen bijzondere beperkingen. Eventuele nadere eisen kunnen in het kader van de omgevingsvergunning gesteld worden.

Bluswatervoorziening

Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan de beschikbaarheid van bluswater. Afstand van de bluswatervoorziening(en) tot de brandweertoegang van gebouwen dient maximaal 40 meter te bedragen. De benodigde capaciteit van een dergelijke voorziening is voor de panden in dit plangebied minimaal 30 m3 water per uur. Op basis van het huidige plan zien wij geen beperkingen. Indien het huidige waterleidingnet aangepast wordt, dient dit ter toetsing aan de brandweer toegezonden te worden.

Bereikbaarheid

Wat bereikbaarheid betreft is het voor dit plangebied belangrijk dat de panden in het plangebied langs twee onafhankelijke routes door brandweervoertuigen zijn te bereiken; doodlopende wegen dienen zoveel mogelijk vermeden te worden. Daarbij zijn de dimensionering van de wegen en de bereikbaarheid van de hoofdtoegang van de gebouwen van belang. De afstand van de openbare weg of ontsluitingsweg op particulier terrein tot de toegang van het pand mag volgens het Bouwbesluit 2012 niet meer dan 10 meter bedragen en er dient een opstelplaats voor het voertuig te zijn. Bij de verdere inrichting van de openbare ruimte dient hier aandacht voor te zijn.

Conclusie

De conclusie luidt dat vanuit het oogpunt van fysieke veiligheid de brandweer geen beperkingen ziet ten aanzien van het voorliggende plan, mits rekening wordt gehouden met bovenstaande opmerkingen m.b.t. bluswatervoorziening en bereikbaarheid. De voorwaarden t.a.v. bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en in de nota 'Randvoorwaarden en Richtlijnen Brandweer Nijmegen m.b.t. bluswater en bereikbaarheid' .

6.3.10 Explosieven

Het betreft gebied waar oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Het betreft stedelijk gebied (vooroorlogse wijk) waar na de Tweede Wereldoorlog geen grootschalige grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De veiligheid ten opzichte van explosieven moet altijd verzekerd zijn voor er grondwerk verricht wordt.

6.3.11 Economische uitvoerbaarheid

De voorgestelde ontwikkeling betreft 47 woonappartementen aan de Fenikshof. Deze ontwikkeling heeft betrekking op een particulier terrein. Het terrein is opgenomen in de gemeentelijke planexploitatie G509 Marialaan-Kievitstraat-Koekoekstraat. Met de externe ontwikkelaar is een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarom kan gesteld worden dat deze wijziging financieel-economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 7 Plansystematiek en juridische vormgeving

7.1 Algemeen

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is uitgegaan van de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aan bestemmingsplannen stellen. De Wro en Bro leggen onder meer verplichtingen op ten aanzien van de opzet en presentatie van bestemmingsplannen. Hieruit vloeit onder andere voort dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar moeten zijn. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) is op hetvoorliggende plan toegepast om aan genoemde wettelijke verplichting te voldoen. Ook een aantal algemene bepalingen, welke in hoofdstuk 3 en 4 van de regels is opgenomen (bijvoorbeeld de overgangsregels), is voorgeschreven in het Bro.

Het (juridische deel van het) bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de (plan)regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding visualiseert de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De toelichting heeft geen bindende werking: de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemmingen en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven. Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

planvorm

De planvorm moet er op gericht zijn alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een zodanige bestemmingsregeling dat enerzijds in zekere mate ontwikkelingen mogelijk zijn en anderzijds de ruimtelijke kwaliteit voldoende gewaarborgd blijft. Uitgangspunt is een flexibel en toekomstgericht bestemmingsplan. Dit betekent dat niet alleen het bestaande gebruik van een perceel of pand wordt vastgelegd, maar ook wordt bekeken of op voorhand een ander gebruik aanvaardbaar is. Ook betekent het dat niet alleen de bestaande bebouwing wordt vastgelegd, maar wordt tevens bekeken in hoeverre extra bebouwingsmogelijkheden geboden kunnen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met bestaande planologische mogelijkheden.

planmethodiek

Voor de actualisatie van bestemmingsplannen wordt gebruik gemaakt van het Standaard bestemmingsplan van de gemeente Nijmegen. Het Standaard bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) waarin landelijke standaarden voor planregels en verbeelding zijn geformuleerd. De standaardisatie maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Het bestemmingsplan is zowel in analoge als digitale vorm opgesteld. Bij interpretatieverschillen heeft het digitale bestemmingsplan voorrang.

stedenbouwkundige matrix

De gemeente Nijmegen heeft beleidsregels vastgesteld voor categorieën van gevallen voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning kan worden verleend (artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 20 Wabo, juncto bijlage II, artikel 4 Bor). Deze beleidsregels zijn op 14 juli 2015 in werking getreden. Onderdeel van deze beleidsregels is de stedenbouwkundige matrix waarin de stedenbouwkundige uitgangspunten zijn geformuleerd. Met deze stedenbouwkundige uitgangspunten is ook bij het opstellen van het bestemmingsplan rekening gehouden. Aan de hand van de stedenbouwkundige matrix wordt bijvoorbeeld bepaald waar de grens tussen de bestemmingen Tuin en Wonen ligt, de grootte van het bouwvlak en mogelijkheden om aan- en uitbouwen te realiseren. De stedenbouwkundige matrix heeft alleen betrekking op grondgebonden woningen. Behalve bij de bestemmingen Wonen en Tuin, is ook bij de bestemming Gemengd, voor zover in deze bestemmingen ook grondgebonden woningen voorkomen, rekening gehouden. Het opstellen van een bestemmingsplan is echter maatwerk. Het kan zijn dat het gezien de feitelijke situatie of bestaande planologische mogelijkheden gewenst is om van de stedenbouwkundige matrix af te wijken.

Er wordt een vijftal gebiedstypen onderscheiden waarvoor stedenbouwkundige uitgangspunten zijn geformuleerd. Een gebiedstype vertegenwoordigt een stadsdeel van Nijmegen met een eigen stedenbouwkundige- en architectonische uitstraling en met een eigen identiteit. Bij de stedenbouwkundige matrix is een kaart opgenomen van de stad, ingedeeld in gebiedstypen. In de stedenbouwkundige matrix zijn 5 gebiedstypen opgenomen:

  • historisch gesloten bebouwing;
  • historisch open bebouwing;
  • tuinstad;
  • jaren '70 en '80 wijken;
  • overig.

Het plangebied Oud West bestaat nagenoeg geheel uit het gebiedstype "Tuinstad". Een drietal complexen valt binnen de categorie 'overig': Uiverplaats/Reigerplaats; woningbouwcomplex op voormalig Keyterrein (tussen Biezenstraat en Weurtseweg); en complex hoek Waterstraat-Biezenstraat.

7.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd uit inleidende regels (waar wordt ingegaan op de begrippen en wijze van meten), de bestemmingsregels (waar de bestemmingen en dubbelbestemmingen worden beschreven), de algemene regels (waar de algemeen geldende regels staan) en de overgangs- en slotregels (met het overgangsrecht). In de SVBP 2012 is de indeling van de regels van het bestemmingsplan en de wijze waarop de planregels zijn opgebouwd aangegeven.

Inleidende regels

Bij de inleidende regels wordt ingegaan op de begrippen en de wijze van meten.

Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan komen de volgende enkelbestemmingen voor: Bedrijf, Bedrijf-Nutsvoorziening, Centrum, Cultuur- en ontspanning - Kinderboerderij, Gemengd, Gemengd-1, Groen, Maatschappelijk, Recreatie-Volkstuin, Tuin, Verkeer en Wonen. Daarnaast komen de volgende dubbelbestemmingen voor: Leiding-Hoogspanning, Leiding-Riool, Waarde-Archelogie 2, Waarde-Archelogie 3, Waarde-Cultuurhistorie, Waterstaat-Waterinfiltratiegebied.

Bedrijf

De bestemming Bedrijf is opgenomen voor bestaande bedrijven waarbij geen sprake is van functiemenging. Daarbij wordt verwezen naar de in de bijlage bij de regels opgenomen Staat van Bedrijvigheid (zie Bijlage 1 van de regels). De Staat van Bedrijvigheid (SvB) is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijvigheid (naar hoofdcategorieën), al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal milieucategorieën, veelal direct overgenomen uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering"(2009).

De SvB is in zijn algemeenheid een categorale indeling, waarbij per bedrijfscategorie de mate van milieu-hygiënische hinderlijkheid, aan de hand van een aantal indicatoren (o.a. geur, gevaar, geluid, stof ), wordt aangegeven. In de SvB behorende bij dit bestemmingsplan zijn slechts drie milieuhinder-categorieën opgenomen: 1, 2 en 3.1. Hiervoor gelden specifieke milieuzones, waarvan de straal wordt gegeven in door de zgn. "richtafstanden". Voor de genoemde milieuhinder-categorieën gelden richtafstanden van respectievelijk 10, 30 en 50 meter. Categorie 1 en 2 betreffen bedrijvigheid die wellicht toelaatbaar is tussen of soms zelfs onmiddellijk naast woonbebouwing. Categorie 3.1 betreft in principe kleine tot (middel)grote industrie. Deze categorie betreft activiteiten die slechts toelaatbaar zijn op afstand van woonbebouwing.

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone- functiemengingsgebied' zijn bedrijven zijn toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie A, B of C van de Staat van bedrijvigheid en/of in categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijvigheid. In het plangebied is een aantal bedrijven gevestigd die op basis van hun milieucategorie hinder kunnen opleveren voor de aanwezige woonbebouwing, aangezien deze in milieuhindercategorie 3.2 of hoger vallen. Deze bedrijven krijgen een specifieke aanduiding. Dit houdt in dat dit specifieke bedrijf in het bestemmingsplan is ingepast, maar dat geen andere bedrijven in milieucategorie 3.2 of hoger zijn toegestaan. Dit geldt voor de ampullenfabriek (Marialaan 108). Voor de ampullenfabriek is de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ampullenfabriek' opgenomen (in milieucategorie 3.2).

Ten opzichte van de VNG-publicatie is gekozen voor een afwijkende beoordeling van de hinderaspecten die samen hangen met autohandel- en reparatiebedrijven, benzinestations en aanverwante bedrijven. Deze bedrijfstypen zijn dan ook niet opgenomen in de Staat van bedrijvigheid voor dit gebied. Voor zover in dit bestemmingsplan binnen de bestemming Bedrijf een garagebedrijf voorkomt, is hier de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf' opgenomen. Bestaande garagebedrijven zijn daarmee in dit bestemmingsplan ingepast. Nieuw vestiging van garagebedrijven is niet mogelijk.

Bedrijf-Nutsvoorziening

De bestemming Bedrijf-Nutsvoorziening is opgenomen voor bestaande nutsvoorzieningen, voor zover deze niet onder de algemene regeling voor (Bouw)werken ten algemenen nutte vallen (artikel 22.2).

Centrum

De bestemming Centrum is opgenomen voor de winkelcentra Molenweg Noord en Fenikshof. Binnen deze bestemming zijn de functies bedrijven, cultuur en ontspanning, detailhandel, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Daarbij wordt verwezen naar de Staat van bedrijvigheid. Per winkelcentra zijn 2 supermarkten en 2 horecavoorzieningen mogelijk. In appartementengebouwen zijn bedrijven, cultuur en ontspanning, detailhandel, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen uitsluitend toegestaan op de begane grond. Tevens is wonen toegestaan. Wonen is uitsluitend toegestaan op de verdieping(en).

De bestemming Centrum is vergelijkbaar met de bestemming Gemengd in zoverre dat het gaat om locaties waar meerdere functies zijn toegestaan. Echter een belangrijk onderscheid is dat het bij Centrum gaat om een winkelcentrum en bij Gemengd om veelal verspreid voorkomende functies. Een voordeel van de bestemming Centrum is dat de toegestane economische functies niet locatie gebonden zijn.

Cultuur en ontspanning-Kinderboerderij

De bestemming Cultuur en ontspanning-Kinderboerderij is opgenomen voor Kinderboerderij Kobus (Floraweg 51). De aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - mestopslag' is opgenomen om de locatie van de mestopslag aan te geven.

Gemengd

De bestemming Gemengd is opgenomen voor al die locaties waar meerdere hoofdfuncties zijn toegestaan, met uitzondering van de winkelcentra waarvoor de bestemming Centrum is opgenomen. Binnen de bestemming Gemengd zijn de functies bedrijven, cultuur en ontspanning, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Daarbij wordt verwezen naar de Staat van bedrijvigheid. Er zijn aanduidingen opgenomen voor bestaande functies die niet in de Staat van bedrijvigheid zijn opgenomen. Deze functies zijn alleen op de bestaande locatie toegestaan. Het gaat om een seksinrichting, bandenservicebedrijf, binnenschietbaan, garagebedrijf, meubelmakerij, molen en een timmerwerkplaats. Daarnaast zijn aanduidingen opgenomen om wonen in het algemeen (aanduiding 'wonen') of alleen een specifieke woonvorm toe te staan (bedrijfswoning, zorgwoning, seniorenwoning) toe te staan. Met de aanduidingen 'detailhandel' en 'horeca' is aangegeven op welke locaties detailhandel of horeca is toegestaan. Detailhandel en horeca is uitsluitend toegestaan op de begane grond en in de kelderruimte.

Gemengd-1

De bestemming Gemengd-1 is opgenomen voor woonzorggebouwen waarbij een combinatie plaatsvindt tussen begeleid wonen met permanent aanwezige zorg (24-uurszorg) dat onder de bestemming Maatschappelijk valt en woonvormen die onder de bestemming Wonen vallen. Er zijn aanduidingen opgenomen om wonen in het algemeen (aanduiding 'wonen') of alleen een specifieke woonvorm toe te staan (zorgwoning, seniorenwoning) toe te staan. Dit betreft een woonzorggebouwen aan de Sperwerstraat en de Spreeuwenstraat.

Groen

De in het plangebied voorkomende grotere groenvoorzieningen zijn voorzien van de bestemming Groen. Binnen de overige bestemmingen zijn echter ook groenvoorzieningen mogelijk. Zo zijn bijvoorbeeld binnen de bestemming Verkeer groenvoorzieningen mogelijk, zodat bermen niet als groen bestemd hoeven te worden. Binnen de bestemming Groen zijn ook bijbehorende voorzieningen zoals sport- en speelvoorzieningen, terrassen, hondenuitlaatplaatsen, in- en uitritten en fiets- en voetpaden mogelijk. Tevens zijn wadi's, water, overstortvijvers, rioolbuffers, erfafscheidingen en geluidwerende voorzieningen mogelijk. In de bestemming Groen is parkeren niet toegestaan, met uitzondering van ondergrondse parkeervoorzieningen. Er is een aanduiding 'nutsvoorziening' opgenomen voor het gasdrukmeet- en regelstation in de groenvoorziening ter hoogte van Varenstraat 5. Rondom deze nutsvoorziening zijn veiligheidscontouren opgenomen (4 en 6 meter).

Maatschappelijk

De bestemming Maatschappelijk is opgenomen voor maatschappelijke voorzieningen van enige omvang waarbij geen combinatie met andere functies voorkomt. Daarbij wordt verwezen naar de Staat van bedrijvigheid. Het gehele pand mag ten behoeve van de maatschappelijke voorziening worden gebruikt. Binnen de bestemming Maatschappelijk zijn ook bijbehorende voorzieningen zoals verhardingen, parkeer- en groenvoorzieningen en sport- en speelvoorzieningen mogelijk. Tevens zijn wadi's, water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk.

Recreatie-Volkstuin

De bestemming Recreatie-Volkstuin is opgenomen voor de bestaande volkstuinen. Per volkstuin is een klein gebouw of overkapping toegestaan ten behoeve van de volkstuin.

Tuin

De bestemming Tuin is opgenomen voor tuinen en groenvoorzieningen bij hoofdgebouwen. De bestemming tuin is veelal gelegen vóór en eventueel naast het hoofdgebouw. Voor grondgebonden woningen is in de stedenbouwkundige matrix aangegeven waar de grens tussen de bestemming Wonen en Tuin ligt. Binnen de bestemming Tuin zijn beperkte bouwmogelijkheden voor aan- en uitbouwen opgenomen. De tuin bij een woning mag voor 50% gebruikt worden ten behoeve van parkeren. In overige gevallen mag de tuin geheel worden gebruikt voor parkeren. Wanneer tevens de dubbelbestemming Waarde Cultuurhistorie geldt, is het aanleggen van parkeervoorzieningen vergunningplichtig.

Verkeer

Binnen de bestemming Verkeer vallen wegen met een functie voor verblijf en verplaatsing (waaronder terrassen), verkeerswegen (waaronder busbanen, fiets- en voetpaden), openbaar vervoer (waaronder hoogwaardig openbaar vervoer), kunstwerken (zoals bruggen en andere waterstaatkundige werken), parkeervoorzieningen (waaronder garageboxen en parkeergarages) en fietsenstallingen. Ook zijn bijhorende voorzieningen zoals groen-, sport- en speelvoorzieningen, reclameobjecten, taluds, erfafscheidingen en geluidwerende voorzieningen toegestaan. Tevens zijn wadi's, water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk. Ook binnen de andere bestemmingen zijn verkeersvoorzieningen mogelijk.

Wonen

Binnen de bestemming Wonen is wonen in algemene zin toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- centraal wonen' is uitsluitend centraal wonen toegestaan. Binnen de bestemming Wonen is een aanduiding 'bouwvlak' opgenomen waarbinnen het hoofdgebouw (woning) mag worden opgericht. Aan de hand van de diepte van het achtererf is de grootte van het bouwvlak bepaald. In ieder geval is de bestaande legale situatie bestemd. Waar mogelijk zijn uitbreidingsmogelijkheden geboden. Binnen de aanduiding 'bouwvlak' mogen ook aan- en uitbouwen worden gerealiseerd. Op het erf zijn bouwmogelijkheden voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Leiding-Hoogspanning (dubbelbestemming)

Met deze dubbelbestemming zijn de ondergrondse hoogspanningsleidingen door het plangebied aangegeven. De ondergrondse hoogspanningsleidingen lopen in noordzuid richting door het plangebied. Veelal liggen deze leidingen onder de wegen. Voor de zakelijk rechtstrook is de dubbelbestemming Leiding-Hoogspanning opgenomen (2,5 meter aan weerszijden van elke hoogspanningsleiding). Op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen, in afwijking van het bepaalde in de bijbehorende bouwregels, niet worden gebouwd. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien het belang van de leiding hierdoor niet wordt geschaad. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken- en werkzaamheden vereist. Voorafgaand wordt advies gevraagd bij de leidingbeheerder. Liander N.V. is de beheerder van de hoogspanningsleidingen.

Leiding-Riool (dubbelbestemming)

Met deze dubbelbestemming zijn de hoofdriolen aangegeven. Veelal liggen deze leidingen onder de wegen. Voor dergelijke leidingen geldt een beschermingszone van 6 meter aan weerszijden van de buis, gerekend vanaf de buitenkant van de buis. Op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen, in afwijking van het bepaalde in de bijbehorende bouwregels, niet worden gebouwd. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien het belang van het riool hierdoor niet wordt geschaad. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken- en werkzaamheden vereist. Voorafgaand wordt advies gevraagd bij de leidingbeheerder. De gemeente is de beheerder van de riolen.

Waarde-Archeologie 2 (dubbelbestemming)

In gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt de archeologische dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. Ten behoeve van deze dubbelbestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden opgericht. Indien er ten behoeve van de andere, op de gronden geldende bestemming een bouwwerk wordt opgericht van meer dan 100 m2, een diepte van meer dan 30 cm en meer dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw, dient aan de hand van archeologisch onderzoek of anderszins te worden aangetoond dat er op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk indien, bijvoorbeeld op basis van archiefonderzoek, kan worden aangetoond dat de grond in het verleden al diepgaand verstoord is. Er kan, na advies van de archeologisch deskundige, een omgevingsvergunning worden verleend voor bouwwerken ten behoeve van overige geldende bestemmingen. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vereist. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.

Waarde-Archeologie 3 (dubbelbestemming)

In gebieden van zeer grote archeologische waarde geldt de archeologische dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3. Ten behoeve van deze dubbelbestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden opgericht. Indien er ten behoeve van de andere, op de gronden geldende bestemming een bouwwerk wordt opgericht van meer dan 50 m2, een diepte van meer dan 30 cm en meer dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw, dient aan de hand van archeologisch onderzoek of anderszins te worden aangetoond dat er op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk indien, bijvoorbeeld op basis van archiefonderzoek, kan worden aangetoond dat de grond in het verleden al diepgaand verstoord is. Er kan, na advies van de archeologisch deskundige, een omgevingsvergunning worden verleend voor bouwwerken ten behoeve van overige geldende bestemmingen. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vereist. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.

Waarde-Cultuurhistorie (dubbelbestemming)

Voor de beschermde stadsbeelden Waterkwartier en Wolfskuil is het belangrijk dat de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van deze gebieden ook beschermd worden via het bestemmingsplan. Om die reden is aan de gronden binnen de beschermde stadsbeelden de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' gekoppeld. De gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor behoud, bescherming en/of herstel van de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsbeeld. Ter bescherming van cultuurhistorische waarden wordt een omgevingsvergunning verplicht gesteld voor bouw- en sloopactiviteiten. Sommige activiteiten, zoals inpandige veranderingen en verandering van een achtergevel of achterdakvlak die niet naar een openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, vallen niet onder deze dubbelbestemming. Bij ruimtelijke ingrepen zijn de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten leidend, zoals deze zijn vastgelegd in de gebiedsatlas die behoort bij de 'Toelichting Beschermd Stadsbeeld Waterkwartier', respectievelijk de 'Toelichting Beschermd Stadsbeeld Wolfskuil'. Alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt over het verlenen van een omgevingsvergunning, brengt de Commissie Beeldkwaliteit schriftelijk advies uit. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vereist. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.

Waterstaat-Waterinfiltratiegebied (dubbelbestemming)

De dubbelbestemming Waterstaat-Waterinfiltratiegebied is opgenomen voor de waterinfiltratiegebieden. Op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen, in afwijking van het bepaalde in de bijbehorende bouwregels, niet worden gebouwd. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien het belang van de waterinfiltratie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Tevens is een omgevingsvergunning voor werken- en werkzaamheden vereist. Voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend, wordt advies ingewonnen bij de adviseur water.

Algemene regels

De algemene regels in dit bestemmingsplan bestaan uit:

  • een anti-dubbeltelregel;
  • algemene bouwregels: regels voor beeldende kunst, bouwwerken ten algemenen nutte, jongerenontmoetingsplaatsen en ondergronds bouwen;
  • algemene gebruiksregels (regels voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven, bed en breakfast, buitenschoolse opvang en kinderdagverblijven, evenementen, ondersteunende horeca, productiegebonden en ondergeschikte detailhandel, seksinrichting of escortbedrijf en verkoopstandplaatsen);
  • algemene aanduidingsregels: geluidzone-industrie, milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied, milieuzone-functiemengingsgebied, veiligheidszone-barim 1, veiligheidszone-barim 2, veiligheidszone-vervoer gevaarlijke stoffen 1, veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen 2, wetgevingszone-waarde archeologie 1, wetgevingszone-waarde archeologie 4 en overige zone-cultuurhistorische waardevol reliëf;
  • algemene afwijkingsregels.
  • overige regels (parkeerregels en voorrangsregeling bestemmingen).

Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

In de slotregel staat de officiële naam van dit bestemmingsplan.

7.3 Flexibiliteitsbepalingen

Naast de flexibiliteit, die de rechtstreekse bouw- en gebruiksmogelijkheden reeds bieden, kunnen extra mogelijkheden worden geboden via een omgevingsvergunning en wijzigings- en uitwerkingsbevoegdheden, de zogenaamde flexibiliteitsbepalingen. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen bij de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 2 en Waarde-Archeologie 3 en bij de aanduidingen milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied en wetgevingszone-waarde archeologie 1. Verder zijn in dit bestemmingsplan mogelijkheden opgenomen om met een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels.

Wijzigingsbevoegdheden

Bij de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 2 en Waarde-Archeologie 3 en de aanduiding wetgevingszone-waarde archeologie 1 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om deze dubbelbestemming of aanduiding te kunnen laten vervallen of juist een dubbelbestemming op te kunnen nemen wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn dan wel uit onderzoek juist blijkt dat er ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Bij de aanduiding milieu-grondwaterbeschermingsgebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor wanneer door beëindiging van de waterwinning deze aanduiding kan komen te vervallen

Omgevingsvergunning

Binnen de verschillende bestemmingen, dubbelbestemmingen, algemene regels en overgangs- en slotbepalingen is de mogelijkheid opgenomen om door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van de regels. Het kan hierbij gaan om afwijking van de bouwregels of afwijking van de gebruiksregels. Ook is bij de dubbelbestemmingen het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning) en/of een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (voormalige sloopvergunning) alleen mogelijk na het verlenen van een omgevingsvergunning.

7.4 Aanvullende ruimtelijke instrumenten

Op het moment dat zich een geval voordoet dat niet past binnen de bestaande situatie en waarvoor op grond van het bestemmingsplan ook geen (binnenplanse) omgevingsvergunning kan worden verleend, kan gebruik worden gemaakt van een aantal (wettelijke) instrumenten om af te wijken van het bestemmingsplan. Deze instrumenten worden hieronder nader beschreven.

7.4.1 Vergunningvrij bouwen (of gebruiken)

In bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) zijn activiteiten opgenomen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van vergunningvrije activiteiten:

  • de categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten of planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist (artikel 2). Deze activiteiten zijn op grond van het Bor vergunningvrij, ook al passen ze niet in het bestemmingsplan of de beheersverordening. De activiteiten hebben o.a. betrekking op: bijbehorende bouwwerken, een dakkapel in het achterdakvlak, zonnepanelen, vlaggenmasten, erfafscheidingen, nutsgebouwtjes, dakkapellen, antenne-installaties, straatmeubilair, containers voor huisvuil en installaties voor het regelen van verkeer;
  • de categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist (artikel 3). Deze activiteiten zijn op grond van het Bor vergunningvrij voor zover de activiteiten passen in het bestemmingsplan of de beheersverordening. De activiteiten hebben o.a. betrekking op: bijbehorende bouwwerken, een dakkapel in het voordakvlak, zwembaden bij woningen, openbare speeltoestellen en een veranderingen van een bouwwerk.

Het Bor zelf stelt een aantal beperkingen aan het vergunningvrij bouwen (of gebruiken). Deze beperkingen zijn o.a. van toepassing op:

  • beschermde monumenten (artikel 3a en 4a lid 1);
  • (rijks)beschermde stadsgezichten (artikel 4a lid 2);
  • een gebied dat wegens explosiegevaar of op grond van veiligheidsrisico's onbebouwd moet blijven (artikel 5, lid 3);
  • gebieden met archeologische waarden (artikel 5 lid 4).

Bijbehorende bouwwerken (zoals aan-, uit- en bijgebouwen) mogen alleen vergunningvrij gebouwd worden binnen het 'achtererfgebied'. In artikel 1 is een definitie van het 'achtererfgebied' opgenomen. Wat op grond van het Bor onder 'achtererfgebied' wordt verstaan, kan echter verschillen met wat in het bestemmingsplan onder 'erf' wordt verstaan.

De mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen (of gebruiken) volgens artikel 2 worden door het bestemmingsplan niet ingeperkt, tenzij in het bestemmingsplan een regeling is opgenomen die bebouwing van het erf verbiedt. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer voor (een gedeelte van) het erf de bestemming Groen is opgenomen of een (andere) bestemming of aanduiding die bebouwing uitsluit.

In het bestemmingsplan zijn vaak een of meerdere dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen opgenomen met als doel om bepaalde waarden en/of bepaalde belangen te beschermen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bescherming van archeologische waarden of het belang van een veilige waterkering. Om deze waarden of belangen te beschermen wordt meestal gewerkt met een bouwverbod. Het bouwverbod bij de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen is niet van toepassing op het vergunningvrij bouwen (of gebruiken) volgens artikel 2. Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen hebben wel tot gevolg dat het vergunningvrij bouwen volgens artikel 3 niet mogelijk is. Er moet dan een omgevingsvergunning worden aangevraagd waarbij wordt getoetst of door dit bouwen de te beschermen waarden en belangen niet worden geschaad.

Op het vergunningvrije bouwen (of gebruiken) is geen procedure van toepassing. Deze activiteiten kunnen zonder meer worden uitgevoerd. Vergunningvrije bouwactiviteiten dienen wel te voldoen aan het Bouwbesluit.

7.4.2 Planologische kruimelgevallen

In bijlage II (artikel 4) van het Bor zijn ook de zogenaamde planologische kruimelgevallen opgenomen. Het gaat om bijbehorende bouwwerken die groter zijn dan de vergunningvrije bouwwerken, infrastructurele en nutsvoorzieningen, antennes tot 40m, duurzame energie-installaties, evenementen en gebruiksveranderingen (inclusief inpandige bouwactiviteiten). Voor de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid zijn beleidsregels opgesteld.

Voor de activiteiten die via de kruimelgevallenregeling mogelijk kunnen worden gemaakt geldt de reguliere voorbereidingsprocedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat er een beslistermijn geldt van 8 weken na ontvangst van de aanvraag. Nadat de vergunning is verleend staat tegen de vergunning bezwaar en beroep open.

7.4.3 Projectafwijkingsbesluit

Voor de, op dit moment, onvoorziene omstandigheden, die niet met de voorgaande instrumenten zijn in te passen, biedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de mogelijkheid van het bestemmingsplan af te wijken indien wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voor het afwijken van het bestemmingsplan via dit instrument geldt de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Deze procedure omvat een termijn waarin de ontwerpvergunning ter inzage wordt gelegd en eenieder zijn of haar zienswijze kan indienen. De wettelijke proceduretijd bedraagt 6 maanden (exclusief voorbereidingstijd, opstellen ruimtelijke onderbouwing etc.). Nadat de vergunning is verleend staat hiertegen direct beroep open.

7.4.4 Postzegelbestemmingsplan

Behalve de mogelijkheden uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), kent ook de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) nog een mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Indien zich, na de vaststelling van het bestemmingsplan, op een bepaald perceel een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het bestemmingsplan, kan hiervoor een zogenaamd postzegel-bestemmingsplan worden vastgesteld. Voor dat perceel komt dit (actualisatie) bestemmingsplan dan te vervallen.

Hoofdstuk 8 Retrospectieve toets

Algemeen

Het bestemmingsplan is bindend voor een ieder. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. Doel van handhaven is het verkrijgen van een verbeterde leefbaarheid, veiligheid en verhoogde kwaliteit van de woon- en werkomgeving. Bouwen en gebruik conform het bestemmingsplan is uitgangspunt. Afwijkingen zijn alleen toelaatbaar als daarvoor een omgevingsvergunning voor is verleend.

Handhaving kan plaats vinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Bij deze laatste vorm is het Openbaar Ministerie betrokken. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan een overtreder een last onder dwangsom opleggen. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.

Naast repressieve wordt preventieve handhaving onderscheiden, gericht op het voorkómen dat overtredingen ontstaan. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op bouwen en gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen zoals informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de gebruikers en bouwers.

Aan het hebben van voldoende draagvlak voor het gevoerde beleid kan essentiële betekenis worden toegekend. Bij het opstellen van het bestemmingsplan wordt door regelmatig bestuurlijk en maatschappelijk overleg en het instellen van een projectgroep met vertegenwoordigers van verschillende disciplines gestreefd naar consensus over het te voeren beleid. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (gebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan. Ook voor de rechtszekerheid is het vastleggen van de bestaande toestand belangrijk. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan wordt ruim aandacht besteed aan de (technische) handhaafbaarheid van de regels. Deze dienen eenduidig te zijn.

Een retrospectieve toets geeft aan welke situaties in bouw en gebruik er bestaan die niet in overeenstemming zijn met de vigerende bestemmingsplannen en verleende vergunningen. In deze toets wordt aangegeven:

  • in welke situaties handhavend wordt opgetreden (na de strijdige situatie te hebben gewraakt);
  • in welke situaties een nieuwe bestemming wordt gegeven, of een omgevingsvergunning wordt verleend, waarmee de strijdige situatie gelegaliseerd wordt;
  • in welke situaties wordt gekozen voor het onder het overgangsrecht brengen van de strijdige situatie (hetgeen alleen in uitzonderlijke situaties mogelijk is).

Nijmegen Oud West

In onderstaande tabel is de retrospectieve toets voor het plangebied aangegeven:

Adres:   Situatie:   Acties:  
Graafseweg 228   Handelsvoorraad in voortuin woning   Overtreding beëindigd na aanschrijving.  
Marialaan 100   Bewoning bedrijfspand   Overtreding beeindigd na aanschrijving  
Molenweg 4   Zitgelegenheid gecreëerd in winkel   Gebruikswijziging t.b.v. ondersteunende horeca verleend.  
Nieuwe Nonnendaalseweg 265   Illegale bouw, ingestort asbesthoudend dak   Illegale bebouwing is gesloopt. Ingestorte asbestdaken verwijderd  
Oude Nonnendaalseweg 196   Overschrijding oppervlakte ondergeschikte detailhandel binnen groothandel   Handhavingstraject loopt.  
Rivierstraat 143   Bewoning tuinhuis   Overtreding beeindigd na aanschrijving  
Schependomlaan 18   Bewoning in caravans op achterterrein   Overtreding beeindigd na aanschrijving  
Tweede Oude Heselaan 466b   Bewoning bijgebouw op achterrein   Overtreding beëindigd na aanschrijving  
Waterstraat 220   Gebruik t.b.v. reguliere horeca   Aangeschreven om gebruik te beëindigen  

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid

9.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de beoordeling van de economische uitvoerbaarheid wordt onderscheid gemaakt in (zie ook paragraaf 6.1):

  • recent gerealiseerde projecten;
  • nieuwe ontwikkelingen;
  • toekomstige ontwikkelingen;
  • overig plangebied.

Recent gerealiseerde projecten

Voor de recent gerealiseerde projecten zijn aparte procedures doorlopen. Daarbij is de financiële haalbaarheid zeker gesteld door (anterieure) overeenkomsten en/of grondverkoop aan derden.

Nieuwe ontwikkelingen

De dekking van de kosten van de ontwikkeling Floraweg 51 (kinderboerderij Kobus) vindt plaats door de beschikbaar gestelde gemeentelijke middelen opgenomen in de Stadsbegroting 2015-2018 (voorzieningenplan 2015 - krediet K000234). Dit budget is inmiddels vrijgegeven door het college. Derhalve kan gesteld worden dat deze ontwikkeling financieel-economisch uitvoerbaar is.

De ontwikkeling op het MKK terrein (Fenikshof) en de aanleg van park De Kraaij aan de Spechtstraat wordt in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de economische uitvoerbaarheid (paragraaf 6.2 en 6.3).

Toekomstige ontwikkelingen

In algemene zin kan gesteld worden dat wanneer het gaat om gemeentelijke terreinen of complexen (of delen daarvan) de financiële regie zal lopen via de gemeentelijke grondexploitaties. Daarbij dient sprake te zijn van een sluitende exploitatie. Gaat het daarentegen om ontwikkelingen op particulier terrein dan kan, wanneer de gemeente op een of andere wijze bij het geheel betrokken is, sprake zijn van een tussen de gemeente en ontwikkelaar af te sluiten (anterieure) overeenkomst. Eventuele gemeentelijke kosten, bijvoorbeeld met betrekking tot aanpassingen in het openbaar gebied, worden in deze overeenkomst opgenomen. Voor deze ontwikkelingen worden aparte procedures doorlopen. Als onderdeel van deze procedures zal worden ingegaan op de economische uitvoerbaarheid.

Overig plangebied

Het overige deel van het plangebied heeft een consoliderend karakter. Hier worden dus geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Voor dit deel is afgezien van een onderzoek naar de financieel-economische uitvoerbaarheid.

Conclusie

Aangezien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan anderszins verzekerd is, hoeft er geen exploitatieplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.

9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het concept bestemmingsplan is aan de diverse instanties worden voorgelegd. De resultaten van dit overleg zijn hieronder vermeld.

9.2.1 Provincie Gelderland

De provinciale afdelingen hebben geconstateerd dat er, gezien de conserverende aard van het plan, in het voorontwerp geen provinciale belangen in het geding zijn. Zij zien daarom geen reden hierover advies uit te brengen (zie Bijlage 18).

9.2.2 Waterschap Rivierenland

Het Waterschap heeft aangegeven dat het plan geen ruimtelijk relevante wateraspecten bevat en daarom de watertoets niet verder hoeft te doorlopen. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een postzegelbestemmingsplan wordt opgesteld kan de digitale watertoets worden doorlopen (zie Bijlage 19).

9.2.3 Vitens

Vitens heeft geen aanleiding gezien om te reageren.

9.2.4 Liander

Overlegreactie

De bestemmingsomschrijving van de bestemming waarin de 50 kV-kabelverbindingen zijn gelegen laten de functie 'nutsvoorzieningen' niet toe en voorzien tevens niet in een dubbelbestemming waarmee gebruiksbeperkingen worden gesteld aan de gronden ter plaatse van het tracé van de kabelverbindingen. Verzocht wordt het ontwerp zodanig aan te passen dat aan de gronden waarin de 50 kV-verbindingen zijn gelegen een dubbelbestemming wordt toegekend, voorzien van passende bouwregels en een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, ter bescherming van de verbinding.

Het gasdrukmeet- en regelstation in het plangebied is een type B inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Op dit station zijn de regels uit de Wet milieubeheer en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) van toepassing. In het concept zijn aan de gronden waarop het gasdrukmeet- en regelstation gevestigd is de bestemming 'Groen' en toegekend. Binnen beide bestemmingen is de functie nutsvoorzieningen toegestaan. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van de stations, zie de veiligheidsafstanden in artikel 3.12 lid 6 van het Activiteitenbesluit die gelden voor een kaststation, willen wij u vragen het gasdrukmeet- en regelstation binnen de bovengenoemde bestemming te koppelen aan de functieaanduiding 'nutsvoorziening' op de verbeelding en de daarbij behorende veiligheidscontouren (Barim - zones). Door deze wijze van bestemmen is de aanwezigheid van het gasdrukmeet- en regelstation voor derden zichtbaar en wordt beter geborgd dat de veiligheidsafstanden ten opzichte van respectievelijk kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten nu en in de toekomst in acht worden genomen. De reactie van Liander is opgenomen in Bijlage 20.

Reactie gemeente

Voor de 50 kV-verbindingen in het plangebied is de dubbelbestemming Leiding-Hoogspanning opgenomen. Deze verbindingen zijn daarmee planologisch beschermd. Voor het gasdrukmeet- en regelstation in het parkje ter hoogte van Varenstraat 5 wordt een aanduiding opgenomen en worden de veiligheidscontouren op de verbeelding aangegeven.