Artikel 13 Waarde - Archeologie 2
13.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
13.2 Reguliere bouwvergunningen
-
a. De aanvrager van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 2, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
-
b. Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in het eerste lid genoegzaam blijkt dat:
-
1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
-
2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de bouwvergunning verbonden voorschriften.
-
c. In de situatie als bedoeld in het 13.2. sub b onder 2, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de bouwvergunning verbinden:
-
1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
-
2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
-
3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
-
d. Het bepaalde in 13.2. sub a., b en c zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
-
1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
-
2. een bouwwerk dat minder diep dan 1.60 meter -NAP en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
-
3. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.
-
e. Indien het derde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
13.3 Ontheffing van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 13.2, ten behoeve van bebouwing als toegestaan ingevolge ter plaatse op de verbeelding aangewezen andere bestemmingen, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de archeologische waarden. Alvorens ontheffing te verlenen wordt deskundig advies ingewonnen.
13.4 Aanlegvergunning
13.4.1 Aanlegverbod
Het is verboden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), op of in deze gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
-
a. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 1.60 meter -NAP;
-
b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
-
c. verlagen of verhogen van het waterpeil;
-
d. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 1.60 meter -NAP;
-
e. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 1.60 meter -NAP;
-
f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen op een grotere diepte dan 1.60 meter -NAP .
13.4.2 Uitzonderingen aanlegverbod
Het bepaalde in lid 13.4.1 is niet van toepassing:
-
a. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop lid 13.2 van toepassing is;
-
b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan
-
c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning, of
-
d. werken en werkzaamheden die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
13.4.3 Criteria aanlegvergunning
-
a. De aanvrager van een aanlegvergunning als bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie
2, overlegt een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld.
-
b. Burgemeester en wethouders verlenen de aanlegvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in lid 13.4.3 sub a genoegzaam blijkt dat:
-
1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
-
2. schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de aanlegvergunning verbonden voorschriften.
-
c. In de situatie als bedoeld in lid 13.4.3 sub b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de aanlegvergunning verbinden:
-
1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
-
2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
-
3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
-
d. Indien lid 13.4.3 sub c onder 3 van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
13.4.4 Strafregel
Overtreding van het bepaalde in lid 13.4.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2 van de Wet op de economische delicten.
13.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde -
Archeologie 2 aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
-
a. uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn;
-
b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarde voorziet.