Plan: | Reek Zuid - 2023 |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.1991.bpree2023reekzuid-VG01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Reek Zuid - 2023" van de gemeente Maashorst.
Sinds 2011 geldt het bestemmingsplan Reek-Zuid dat voorziet in het ontwikkelen van woonwerk kavels tussen de 750 m² en 1.775 m². De gemeente heeft de gronden in eigendom en sinds 2011 heeft de gemeente deze woon-werkkavels in de verkoop. Om verschillende redenen viel de vraag naar deze woonwerkkavels de afgelopen jaren tegen. De wens van de gemeente is dan ook om vraag op Reek-Zuid maximaal te faciliteren door het vigerende bestemmingsplan ‘Reek Zuid - 2011’ te herzien zodat de lopende (gewenste) initiatieven gerealiseerd kunnen worden en er meer flexibiliteit ontstaat.
Hiervoor wenst de gemeente onder andere een deel van het plangebied herbestemd worden naar ‘Bedrijf’ in plaats van ‘Wonen-Werken-1’. Ook zijn tussentijds vergunningen verleend die niet rechtstreeks pasten in het bestemmingsplan, maar wel gewenst waren. Deze ontwikkelingen zijn in dit bestemmingsplan opgenomen.
Voorgaande functieveranderingen passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zal op verschillende delen moeten worden herzien.
Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actueel bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan biedt de ruimte voor de verwachtingen in de komende tien jaar.
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
LIGGING PLAANGEBIED
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
BEGRENZING PLANGEBIED
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Zeeland, sectie L, nummers 490, 829, 830, 831, 939, 958, 961, 962, 963, 964, 965, 966, 967, 968, 969, 971, 978, 986, 987, 989, 990, 991, 992, 993, 994, 995, 996, 1009, 1010, 1011, 1212, 1013, 1014, 1015, 1016. De oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 4 ha. De gronden zijn deels in eigendom van de gemeente Landerd en deels in particulier eigendom.
Ter plaatse van het plangebied vigeren de bestemmingsplannen "Reek-Zuid 2011", vastgesteld door de gemeenteraad op 15 maart 2012 en "Parapluplan wonen en parkeren Landerd", vastgesteld op 27 juni 2019. Daarnaast zijn ter plaatse van waterberging abusievelijk ook de bestemmingsplannen "Buitengebied" en "Buitengebied, herziening 1" vastgesteld (15 maart 2013 en 1 oktober 2015). Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding van "Reek Zuid - 2011". De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Ter plaatse van het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Werken - 1', 'Wonen - Werken - 2', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor:
Wonen | - | het wonen in woningen; | |
- | de uitoefening van aan huis gebonden beroepsmatige activiteiten in of bij een woning door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot ten hoogste 40% van het oppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum van 45 m²; | ||
- | parkeervoorzieningen, waarbij minimaal 2 parkeerplaatsen per woning op eigen perceel gerealiseerd dienen te worden; | ||
Wonen - Werken - 1 | - | wonen in vrijstaande bedrijfswoningen; | |
- | industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten; | ||
- | ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' zijn industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan; | ||
- | administratieve dienstverlening die ondergeschikt is en ten dienste staat van de bestemmingsomschrijving als bedoeld in sub b; | ||
- | productiegebonden detailhandel die ten dienste staan van en ondergeschikt is aan de bedrijven en bedrijfsactiviteiten als genoemd in sub b tot een maximum van 10% van het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf; | ||
- | in- en uitritten; | ||
- | parkeervoorzieningen, waarbij minimaal 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte op eigen perceel gerealiseerd dienen te worden; | ||
- | groenvoorzieningen. | ||
Wonen - Werken - 2 | - | wonen op de verdieping; | |
- | industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten; | ||
- | administratieve dienstverlening die ondergeschikt is en ten dienste staat van de bestemmingsomschrijving als bedoeld in sub b; | ||
- | productiegebonden detailhandel die ten dienste staan van en ondergeschikt is aan de bedrijven en bedrijfsactiviteiten als genoemd in sub b tot een maximum van 10% van het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf; | ||
- | in- en uitritten; | ||
- | parkeervoorzieningen, waarbij minimaal 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte op eigen perceel gerealiseerd dienen te worden; | ||
- | groenvoorzieningen. | ||
Verkeer - Verblijf | - | buurtwegen en daarmee verband houdende voorzieningen; | |
- | perceelontsluitingswegen en daarmee verband houdende voorzieningen; | ||
- | rijwiel- en voetpaden en daarmee verband houdende voorzieningen; | ||
- | parkeervoorzieningen; | ||
- | afvalcontainers; | ||
- | groenvoorzieningen; | ||
- | water, waterbergingen en watergangen; | ||
- | speelvoorzieningen; | ||
- | jongerenontmoetingsplaatsen; | ||
- | voorzineingen van beeldende kunst; | ||
- | voorzieningen van algemeen nut. | ||
Groen | - | groenvoorzieningen; | |
- | plantsoenen en groenstroken; | ||
- | watergangen en -partijen (waterberging); | ||
- | rijwiel- en voetpaden; | ||
- | speelvoorzieningen; | ||
- | in- en uitritten; | ||
- | jongerenontmoetingsplaatsen; | ||
- | voorzieningen van beeldende kunst; | ||
- | voorzieningen van algemeen nut. |
Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' geldt gedeeltelijk de aanduiding 'bouwvlak', waarbinnen de hoofdgebouwen gebouwd moeten worden.
Ter plaatse van de bestemming 'Wonen - Werken - 1' geldt gedeeltelijk de aanduiding 'bouwvlak', waarbinnen de hoofdgebouwen gebouwd moeten worden. Tevens geldt gedeeltelijk de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'.
Ter plaatse van de bestemming 'Wonen - Werken - 2' geldt gedeeltelijk de aanduiding 'bouwvlak', waarbinnen de hoofdgebouwen gebouwd moeten worden.
Voor het gehele plangebied gelden de parkeerregels uit het bestemmingsplan "Parapluplan wonen en parkeren Landerd". Met dit bestemmingsplan is een uniforme regeling vastgesteld waarin de parkeernormen, regels voor laden en lossen en de maatvoeringen voor parkeerplaatsen vastliggen voor de diverse functies.
Zoals hiervoor aangegeven is abusievelijk over de aan de oostzijde gelegen waterberging in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming 'Agrarisch' opgenomen. Omdat de waterberging behouden dient te blijven zal in voorliggend bestemmingsplan het betreffende plandeel weer bestemd worden als bestemming 'Groen'.
Conclusie
De voorgenomen herbestemmingen zijn niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan.
Het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1) dient als kader- en toetsingsdocument ten aanzien van welstand. Dit biedt de mogelijkheid om inspirerend en sturend te zijn op het gebied van beeldkwaliteit.
Tevens dient het document als kader voor privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de grondafnemers t.a.v. erfafscheidingen, materialen en bestrating in het openbaar gebied.
Veel onderdelen van dit beeldkwaliteitsplan zijn overgenomen uit het beeldkwaliteitsplan Reek-Zuid uit 2012. Dit omdat de invulling en het beeld van Reek-Zuid dat toen is opgenomen in het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan nog steeds van
toepassing is. Het doel van dit nieuwe beeldkwaliteitsplan is om meer vrijheden te creëren in de indeling van de percelen.
De ruimtelijke kwaliteit en de opzet van het gebied als Woon-Werk plek blijft behouden en zal ook in de uitstraling gelijk blijven aan de oorspronkelijke plannen.
Historie
Het rivierlandschap van de Maas vormt het decor voor het dorp Reek. Ontstaan op de hoger gelegen oeverwallen is Reek een van de kernen in de meanderende reeks langs de Maasoevers. Aan de noord- en zuidzijde is het dorp vanouds omgeven door lager gelegen en dus natte gronden, die vroeger ook regelmatig overstroomden. Op de oeverwallen werd de grond verkaveld in grote vierkante akkers voor de landbouw, de lager gelegen gronden werden gebruikt voor de hooiproductie.
Reek is net als Schaijk te typeren als een straatdorp: ter hoogte van een kruising krijgen de landwegen het karakter van een straat door de bebouwing aan weerszijden van de weg. De Noordhoek en Mgr. Borretstraat waren nog niet zo lang geleden onderdeel van de provinciale route die dwars door Reek leidde. De Mgr. Suijsstraat vormt ook tegenwoordig de hoofdverbinding met Schaijk. Later is de Rijksweg aangelegd als doorgaande verbinding tussen Oss, Grave en Nijmegen.
Bestaande situatie
Het plangebied ligt in de hoek van de Mgr. Borretstraat met de Rijksweg. Waar de Mgr. Borretstraat aansluit op de Rijksweg is een tijd geleden een rotonde gerealiseerd. De Mgr. Borretstraat vormt de toegang tot de kern Reek vanaf de Rijksweg. Aan de oostkant van deze toegangsweg is sprake van een mix van bedrijven en wonen. Het 10 jaar geleden vastgestelde bestemmingsplan Reek Zuid - 2011 omvatte een mix van bedrijven, woningen in combinatie met werken en reguliere woonbestemmingen. Een groot deel van de kavels is echter onbebouwd gebleven en ligt in de huidige situatie braak.
STEDENBOUWKUNDIGE OPZET
Het stedenbouwkundig plan van Reek-Zuid sluit qua verkaveling en bebouwing aan op de bestaande lintstructuur van de Mgr. Borretstraat door middel van enkele reguliere woonpercelen. Vanaf deze straat loopt de toegangsweg het gebied in. Het noordelijke gedeelte van Reek-Zuid wordt bepaald door Woon-Werk kavels, deze zijn aanwezig aan beide zijde van de straat.
In het plangebied wordt een aantal woon-werkkavels gerealiseerd van verschillende afmetingen. Op elke kavel wordt een woning en een losstaand bedrijfspand gerealiseerd.
Het zuidelijke deel moet aansluiten bij de woonwerkfunctie in omliggende woonwerkgebied, waar werken best zichtbaar mag zijn. De voorgevel dient wel voor 60% een representatieve uitstraling te hebben.
De ontsluiting van het gebied verloopt in het plangebied via een lus die aansluit op de hoofdontsluiting van het dorp, de Mgr. Borretstraat.
Aan de noord, oost- en zuidgrenzen van het plangebied wordt de groene opgaande beplanting in stand gehouden. Deze beplanting zorgt voor een overgang richting het buitengebied en tevens voor een afschermende werking. Hierdoor zullen de bedrijfspanden geen beeldbepalende elementen zijn vanaf de provinciale weg of vanaf het buitengebied.
In paragraaf 3.2 van het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1 en onderstaande afbeelding) is het plan uitgewerkt in 5 deelgebieden:
DEELGEBIEDEN BEELDKWALITEIT
Deelgebied 1 'Aan het lint'
Het deelgebied 1 'Aan het lint' is bestaande bebouwing aan de Mgr. Borretstraat. Deze bebouwing zal conform de huidige situatie worden behouden of worden gebouwd. Tevens is de toegangsweg tot het plangebied aan de Mgr. Borretstraat gelegen.
Deelgebied 2 'Aaneengesloten werken met wonen'
Binnen dit deelgebied worden kleinschalige geschakelde woonwerkcombinaties gerealiseerd. Dit zijn woningen gesitueerd boven bedrijfsunits. Dit gebouw wordt projectmatig ontwikkeld.
Deelgebied 3 'Woon + werk'
Op de kavels binnen dit deelgebied staan vrijstaande woningen bij een vrijstaand bedrijfspand (kaveloppervlak 750-1500 m2). Een woning zonder losse bedrijfsbebouwing is mogelijk mits de bedrijfsmatige functie inpandig in de woning is op te lossen waarbij de uitstraling van het geheel het beeld heeft van een woonfunctie. De woningen staan aan de voorzijde van het perceel en zijn hierdoor beeldbepalend voor de omgeving. Wanneer een perceel aan twee zijde grenst aan openbaar gebied zal de woning in deze hoek van het perceel moeten worden gerealiseerd. Om aan de sluiten bij de kleinschalige dorpse opzet is het van belang dat zowel de woningen als de bedrijfspanden los van elkaar staan en niet aan elkaar vast worden gebouwd.
Deelgebied 4 'Werken'
Op de kavels binnen dit deelgebied worden alleen bedrijfspanden gerealiseerd zonder woningen. Om een goede aansluiting met de woonomgeving te realiseren zal de uitstraling van de gevel die gelegen is richting openbaar gebied een hoogwaardige / representatieve uitstraling moeten krijgen. Wanneer er meerdere gevels gelegen zijn richting het openbaar gebied (hoek percelen) zullen dus meerdere gevels een representatieve uitstraling moeten krijgen.
Kantoorpand
Aan de zuidzijde van het plangebied is het gewenst een kantoorpand toe te staan. Een kantoor op deze plek is niet toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan Reek-Zuid 2011. Het is gewenst hier een kantoorpand op deze plek mogelijk te maken omdat een kantoorfunctie hier aansluit bij de gewenste lage milieubelasting richting de bestaande woning en past in zijn gemengde omgeving met wonen, wonen-werken en alleen werken. Verder heeft de beoogde kantoorfunctie een kwalitatief hoogwaardige uitstraling van perceel en gebouw, wat zeer wenselijk is in een gebied waar ook gewoond wordt.
Het kantoorpand krijgt aan alle zijden een hoogwaardige kwalitatieve uitstraling, net als de perceelsinrichting. Met de ligging van het pand op 6 meter van de voorste perceelsgrens is het kwalitatief hoogwaardige pand bepalend in het straatbeeld en wordt goed aansluiting gevonden bij het geprojecteerde pand op naastgelegen perceel dat ook relatief dicht tegen de voorste perceelsgrens is gesitueerd. Het parkeren vindt plaats aan de zijkant en achterkant van het gebouw, waardoor er minder auto's het straatbeeld bepalen. Zowel in het bestemmingsplan als in het beeldkwaliteitsplan is voor de bedrijvigheid aan de zuidkant van het gebied opgenomen een minimale afstand van representatieve bebouwing tot de voorste perceelsgrens van 5 meter. Daar mag representatieve bebouwing worden gerealiseerd en het bedrijfsfunctionele gedeelte dient op 2 meter achter de voorgevel te worden gerealiseerd.
Om het kantoor op deze plek mogelijk te maken is in artikel 3.1 van de regels onder f opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' een kantoor is toegestaan. Ook op de verbeelding is hier de aanduiding 'kantoor' opgenomen.
Bedrijfsbebouwing
Het is belangrijk dat de bedrijfsgebouwen in het gebied los van elkaar gerealiseerd worden om het kleinschalige karakter op Reek-Zuid te behouden. Bij het reeds vergunde bedrijfsverzamelgebouw mag wel aaneengesloten worden gebouwd. De kleinschaligheid wordt geborgd door een bebouwingsvrije zones van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens in de regels op te nemen. Bij het bedrijfsperceel aan de zuidzijde van het plangebied is een afstand van 2 meter tot de zijdelingse perceelsgrens acceptabel omdat het kantoorpand op naastgelegen perceel al op ruime afstand van de perceelsgrens is voorzien. Zowel het kantoorpand als het bedrijfspand in de zuidelijke strook mogen tot op 1 meter van de achterste perceelgrens worden gebouwd, omdat ten zuiden daarvan voldoende open ruimte is. Het kleinschalige karakter op Reek-Zuid ter plaatse van de bedrijvigheid aan de zuidkant blijft voldoende geborgd. Daarnaast zijn het beeldkwaliteitsplan regels opgenomen waaraan bouwplannen moeten voldoen.
De ontsluiting van het binnenterrein van het plangebied loopt via de reeds aanwezige ontsluiting met een breedte van 12.00 meter door het plangebied. Deze ontsluitingsstructuur haakt op twee punten aan op de bestaande infrastructuur:
Uitgaande van de 4 reguliere (8 verkeersbewegingen/woning) ten opzichte van 1 woning aan de Mgr. Borretstraat zal er een toename van ca. 25 verkeersbewegingen ten gevolge van de woningen zijn.
Daarnaast zal door het toestaan van een kantoor op de locatie in het zuiden van het plangebied het aantal verkeersbewegingen wel toenemen, maar het aantal zware vrachtwagens zal afnemen. Bij de berekening van de kwaliteit van de luchtkwaliteit is in worst-case rekening gehouden met een toename van het aantal verkeersbewegingen van 150.
In het gebied is reeds een 30 km/uur-regime ingevoerd worden. De straatprofielen van de wegen bieden een smalle rijbaan en aanliggende parkeerplaatsen bij de entree van het plangebied aan de Mgr. Borretstraat. Deze parkeerplaatsen zijn aanvullend op de ruime parkeervoorzieningen die op eigen terrein moeten worden aangelegd.
In onderstaande tabel zijn de geldende parkeernormen voor het Reek-Zuid terrein opgenomen:
Per | Norm | ||
Koop, huis, vrijstaande | woning | 2,3 | |
Koop, huis, twee-onder-een-kap | woning | 2,2 | |
Koop, huis, tussen/hoek | woning | 2 | |
Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) |
100 m2 bvo | 2,35 | |
Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) | 100 m2 bvo | 1,05 |
Binnen Deelgebied 1 'Aan het lint' gelden de normen voor de woningen waarbij minimaal 2 woningen op eigen terrein geparkeerd dienen te worden. Voor het grootste deel betreft dit bestaande woningen met bestaande parkeerplaatsen. De 2 nieuwe hoekwoningen hebben 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de 2 nieuwe rijwoningen worden direct aansluitend aan het woonblokje 4 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Binnen Deelgebied 2 'Aaneengesloten werken met wonen' is in verband met het bedrijfstype waarbij de bedrijfsunits aaneengesloten zijn gebouwd afgeweken van het 'Paraplupan Parkeren'. Op grond van het parapluplan moeten 46 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Hiervan zijn er 33 op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast zullen 13 parkeerplaatsen aan de zuidzijde van de ontsluitingsweg worden aangelegd. Deze zijn opgenomen in het inrichtingsplan van het gebied en zullen in een groene setting worden aangelegd.
Binnen Deelgebied 3 'Woon + werk' dienen per woning minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Daarnaast dienen de benodigde parkeerplaatsen voor het bedrijf worden gerealiseerd op eigen terrein. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen zal hieraan getoetst worden.
Binnen Deelgebied 4 'Werken' dienen de benodigde parkeerplaatsen voor het bedrijf worden gerealiseerd op eigen terrein. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen zal hieraan getoetst worden.
Aan de noordkant, aan de oostzijde en langs de Rijksweg grenst het toekomstige kleinschalige woongebied/ bedrijvenlocatie aan het open landschap. Hier is dan ook ruimte gereserveerd voor een structurele landschappelijke beplanting. De diepte van de groenzone varieert van 5 tot circa 30 meter. Deze maatvoering staat borg voor een goede afscherming en biedt tevens ruimte voor waterberging en een zekere mate van natuurontwikkeling. In de regels is opgenomen dat 50% van de benodigde waterberging van de bedrijven op eigen terrein (of gezamenlijk ter plaatse van de noordelijke woon-werkwoningen) dient te worden gerealiseerd. De reeds aangelegde waterberging ten westen van de bedrijven is voldoende groot om de resterende 50% en berging van het water van de wegen op te vangen (zie ook de waterparagraaf 4.11). De groene randen zijn zodanig gedimensioneerd dat ook binnen deze randen bergingscapaciteit kan worden gerealiseerd.
De wijze waarop de groene randen ingevuld gaan worden staan beschreven in paragraaf 5 van het beeldkwaliteitsplan in bijlage 1. Hieronder is een schematische weergave van de nieuwe beplanting opgenomen.
Het beeldkwaliteitsplan (bijgevoegd in bijlage 1) dient als kader- en toetsingsdocument ten aanzien van welstand. Dit biedt de mogelijkheid om inspirerend en sturend te zijn op het gebied van beeldkwaliteit. Tevens dient dit document als kader voor privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de grondafnemers t.a.v. erfafscheidingen, materialen en bestrating in het openbaar gebied.
Bij het oprichten van een bouwwerk is sprake van invloed van het bouwwerk op de publieke ruimte. Bouwaanvragen worden beoordeeld op de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap en/of stedenbouwkundige context. Algemeen uitgangspunt is dat een bouwwerk zich aanpast aan de karakteristiek van het gebied waarin dit wordt ontwikkeld.
In het beeldkwaliteitsplan zijn per deelgebied de ruimtelijke en architectonische randvoorwaarden voor de gebouwen benoemd. De ruimtelijke eisen zijn ook in de bestemmingsplanregels vastgelegd.
Een belangrijk aspect ten aanzien van het ruimtelijk beeld is de afstanden tot de verschillende perceelsgrenzen. Hierna zijn de overwegingen daarbij kort verwoord.
Daarnaast zijn ook beeldkwaliteitseisen ten aanzien van erfafscheidingen, de openbare ruimte en de landschappelijke inrichting beschreven.
''Een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die tegemoet komt aan de noden van het heden zonder de behoeftevoorziening van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Het gaat daarbij om meer dan alleen de zorg om het milieu. Een ontwikkeling is duurzaam als ook rekening wordt gehouden met economische, menselijke en sociale aspecten. Want niet alleen natuurlijke bronnen zijn schaars, ook een hoogopgeleide en gezonde bevolking, goed werkende sociale netwerken, maatschappelijk vertrouwen, machines en infrastructuur zijn niet onbeperkt aanwezig.''
De ontwikkeling van Reek-Zuid start op het moment dat duidelijk is dat de uitwerking van het klimaatakkoord ertoe leidt dat er een grote opgave ligt in de gebouwde omgeving ten aanzien van de energietransitie. De landelijke opgave voor 2030 bestaat uit 49% reductie van CO2 uitstoot en in 2050 moet de CO2 uitstoot 0 zijn. Dit betekent bij de ontwikkeling van Reek-Zuid dat gebruik van energie en de wijze waarop dit wordt ingevuld een belangrijke positie inneemt omdat er op termijn geen fossiele brandstoffen meer gebruikt zullen worden en er alleen gebruikt wordt gemaakt van hernieuwbare energie. Met ingang van 1 juli 2018 is landelijk een eerste stap gezet en mogen geen nieuwe gasaansluitingen worden gerealiseerd. Bij dit plan is daarom energie neutrale ontwikkeling van deze locatie het uitgangspunt. Voor de nieuwe ontwikkelingen is BENG het uitgangspunt. De energiebehoefte en de wijze waarop de energie lokaal wordt opgewekt dient in een vroeg stadium onderzocht te worden. Waar liggen de kansen voor dit gebied? Liggen er kansen voor collectieve voorzieningen? Hoe kan er in het ontwerp optimaal gebruikt worden gemaakt van de zon?
Omdat hier sprake is van individuele ondernemers en bouwplannen zullen voorgaande zaken deel uit maken van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Met een veranderend klimaat is het Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) van belang. Met toenemende stortbuien neemt de druk op het rioolsysteem toe met grote overlast voor gebouwen en de openbare ruimte tot gevolg. Door het slim toepassen van halfverharding en groene daken kan het hemelwater tijdelijk worden vastgehouden en vertraagd worden afgevoerd. Daarnaast geeft minder verharding minder hittestress bij warme dagen en zorgt het water in de openbare ruimte voor verkoeling.
Vanwege de ligging tegen het stedelijk gebied zijn natuurwaarden niet vanzelfsprekend.
De beoogde groene uitstraling van de openbare ruimte biedt echter kansen om een aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, maar ook voor gebiedseigen planten en dieren te creëren. Door groen met natuurwaarden toe te passen, neemt de biodiversiteit en uitstraling van het groen toe. Daarnaast zorgt meer groen voor een gezondere leefomgeving vanwege de opname van stikstof en CO2, het vast houden van water en het tegengaan van hittestress.
De mobiliteitsvraag is onderhevig aan de toenemende techniek en heeft zijn weerslag op het ontwerp van de openbare ruimte. De toenemende vraag naar elektrische auto's vraagt bijvoorbeeld ook om de juiste voorzieningen. Daarnaast is er een toename van het aantal deelauto's en zijn we met z'n allen steeds meer aan het bestellen. Het ene leidt tot minder parkeerbehoefte, het ander leidt tot meer verkeersbewegingen door bezorgdiensten. Door de juiste voorzieningen te treffen wordt voorzien in de behoefte van de verschillende mobiliteitsvragers. Door ook goede verbindingen voor langzaam verkeer en openbaar vervoer te ontwerpen, wordt het gebruik van de auto ontmoedigt, het geen leidt tot minder fijnstof en druk op de wegen.
In het kader van duurzaam bouwen is ook natuurinclusief bouwen een belangrijk aspect. Onder natuurinclusief bouwen volgen wij de definitie van de gemeente Den Haag: oprichten van bouwwerken en inrichting van de omgeving van gebouwen zodanig dat natuurwaarden er baat bij hebben. De maatregelen kunnen hard zijn (bijv. nestkasten) of zacht (bijv. tuinen). Ze kunnen betrekking hebben op beschermde plant- en diersoorten of op algemene soorten.
De gemeente Landerd wenst de bewoners, ondernemers en ontwikkelaars binnen bedrijventerrein Reek-Zuid te stimuleren natuurinclusief te bouwen. Dit natuurinclusief bouwen kan gebouwgebonden zijn of in de buitenruimte plaatsvinden. Hierbij geldt dat de maatregelen elkaar kunnen versterken.
Voorbeelden van natuurinclusief bouwen zijn:
Gebouwgebonden:
Buitenruimte
Met de ondernemers / ontwikkelaar zal in de koop/realisatie-overeenkomst afspraken gemaakt worden over de wijze waarop natuurinclusief bouwen binnen het plangebied wordt toegepast. Ook zal bij de uitwerking van de openbare ruimte dit aspect meegenomen worden.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is één integrale visie, waarin het duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland tot 2050 staat omschreven. Het uitgangspunt van deze visie is dat ruimtelijke ingrepen niet afzonderlijk van elkaar kunnen plaatsvinden, maar dat ze van elkaar afhankelijk zijn.
De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en inmiddels in werking treden. In de NOVI benoemt het Rijk benoemt 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de maatschappelijke opgaven en de rol van het Rijk in het uitvoeren van deze opgaven. De maatschappelijke opgaven zijn in vier prioriteiten samengevat:
Bovendien is de druk op de fysieke leefomgeving in Nederland groot, waardoor verschillende belangen betreft ruimtelijke ontwikkelingen nu en dan botsen. Hoewel wordt gestreefd het implementeren van de diverse belangen, is dit niet altijd mogelijk. Soms dienen scherpe keuzes gemaakt worden en moeten belangen afgewogen worden. Om dit te bewerkstelligen omvat de NOVI drie afwegingsprincipes:
Voorliggend plan voorziet in een nieuwe indeling binnen de bestaande contouren van het bedrijventerrein Reek Zuid. Door gericht een andere bedrijven toe te laten binnen het plangebied wordt beter aangesloten aan de behoefte en is er sprake van mogelijk maken van economisch groeipotentieel. Het initiatief zal daarnaast onder meer bijdragen aan de energietransitie en de klimaatadaptieve aanpak door in de anterieure overeenkomst afspraken te maken. Door de vestigingsmogelijkheden aan te passen aan de behoefte sluit het aanbod binnen het bestemmingsplan beter aan en sluit het bestemmingsplan aan bij het beleid omtrent 'Sterke en gezonde steden en regio's'.
Conclusie
Het plan geeft invulling aan het beleid, zoals omschreven in de Nationale Omgevingsvisie.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland.
Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Het plangebied ligt niet binnen een van de aanduidingen van het Barro.
Conclusie
Het project vormt geen belemmering voor de nationale belangen die middels het Barro beschermd zijn.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Alvorens te toetsen aan de Ladder dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Bro gedefinieerd als ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Ten aanzien van de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Bro.
Betekenis voor het plangebied
Onderhavig planvoornemen voorziet in de wijziging van het aanbod bedrijfskavels binnen een planologisch (en deels fysiek) bestemd bedrijventerrein. De wijziging van het type bedrijfskavels volgt de vraag die er de afgelopen jaren is ontstaan. Dit betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Wat betreft de toevoeging van reguliere woningen aan de Mgr. Borretstraat geldt het volgende:
Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Zowel de wijziging van de bedrijfskavels als de toevoeging van 3 reguliere woningen (er was reeds 1 woning mogelijk) voldoet daarmee aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze nota's getoetst.
In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:
Analyse
Het planvoornemen leidt tot een functiewijziging voor woon en woon-werkkavels binnen de kern Reek. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
ad 1. | De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen en bedrijven in overleg met de gemeente. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening. |
ad 2. | Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Door, zo mogelijk infiltratie of berging in groene daken van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen/bedrijven en de inrichting van de percelen kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan en in afspraken met de gemeente nader uitgewerkt. |
ad 3. | Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Binnen de kern Reek is sprake van een vraag naar diversiteit in woning/bedijfsaanbod. De concrete vraag naar woon-werkkavels binnen de kern Reek kan hiermee worden ingevuld. |
ad 4. | Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woningen en bedrijven op basis van het beeldkwaliteitsplan wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat. |
Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 juli 2023 in werking zal treden.
De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig project zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):
Het planvoornemen leidt tot een functiewijziging voor woon en woon-werkkavels binnen de kern Reek. Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied 'Landelijke kern'. In beginsel zijn daar conform artikel 3.42 IOV woningen en voorzieningen toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt aan de voorwaarden getoetst.
Artikel 3.42 - duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Ter plaatse van het plangebied geldt het gebiedskenmerk 'Stalderingsgebied'. Het artikel 3.52 IOV stelt regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik, omdat er een functiewijziging plaatsvindt binnen het bestaand stedelijke gebied van Reek waardoor een braakliggend gebied ingevuld kan worden.
De situering van de woningen sluit aan bij de verkavelingsstructuur in directe omgeving. Er wordt zowel aansluiting gezocht bij de omliggende percelen en woningen qua afmeting en inhoud van de bebouwing.
Het planvoornemen leidt tot een functiewijziging voor woon en woon-werkkavels binnen de kern Reek, waarbij de plannen aansluiten bij de doelstellingen geformuleerd in de woonvisie (paragraaf 3.1). Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.
Het plan past binnen het beleid van de Interim Omgevingsverordening.
In de Structuurvisie gemeente Landerd is het ruimtelijk beleid van de gemeente onderverdeeld in beleidsvelden: wonen, economie, voorzieningen, omgeving en eigenheid en mobiliteit.
Wonen
Aantrekkelijk wonen in de gemeente Landerd is een belangrijke kracht. Voor de kwaliteit van het wonen gaat het om veel meer dan alleen de woningen zelf, het gaat ook om voorzieningen, inrichting van openbare ruimte en bijvoorbeeld de bereikbaarheid van werkgelegenheidsgebieden elders. Een goede samenhang tussen deze aspecten is van groot belang. Het is echter niet primair de gemeente die de leefbaarheid in een wijk, een gebied of een dorp maakt. Dat doen de bewoners zelf. De gemeente Landerd wil daarom aanhaken bij de kracht van haar inwoners om de leefbaarheid en de kwaliteit van het wonen te behouden en versterken. De verantwoordelijkheid ligt hoofdzakelijk bij de bewoners zelf. De gemeente Landerd schept de voorwaarden en ondersteunt waar mogelijk.
Samenvattend richt de gemeente de (beleids)inzet op:
Conclusie
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 4 reguliere woningen aan de Mgr. Borretstraat. Aangezien de te realiseren woningen op starters zijn gericht, levert het project een gezonde bijdrage aan het gemeentelijke woningaanbod. Het project geeft hiermee invulling aan de ambities die de structuurvisie verwoordt.
Economie
De economie van Landerd rust op vier pijlers die elk hun eigen dynamiek kennen. De (door) ontwikkeling van bedrijven is in de eerste plaats afhankelijk van de individuele ondernemer.
De gemeente faciliteert en probeert kaders te scheppen waarbinnen ontwikkelingen mogelijk zijn. Duurzame ontwikkeling en kwaliteitsverbetering zijn ook binnen dit thema centrale begrippen.
De economie van Landerd rust op vier pijlers:
Voorliggend bestemmingsplan heeft alleen betrekking op de eerste pijler.
Voor de bedrijventerreinen wordt het in de Structuurvisie Bedrijventerreinen / de Ruimteplanner vastgelegde beleid gecontinueerd. Dit beleid is gericht op:
Bedrijven in de gemeente Landerd worden waar mogelijk ruimtelijk gefaciliteerd om in de gemeente te kunnen blijven ondernemen. Daarbij dient primair gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheden die bestaande bedrijventerreinen binnen de dorpen bieden. Voor de solitaire vestiging van bedrijven wordt steeds gekeken naar mogelijke maatwerkoplossingen, waarbij in de afweging centraal staan:
Conclusie
Juist het faciliteren van bestaande (kleinere) bedrijvigheid door op dit bestaande bedrijventerrein mogelijkheden te scheppen voor meer diversiteit aan de bedrijvigheid past precies binnen het beleid van de structuurvisie.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
In het plangebied is nu al een combinatie van wonen en werken mogelijk. De wijziging betreft het veranderen van de bestemming 'Wonen - Werken - 1' naar 'Bedrijf - 1' in een deel van het plangebied. Op deze kavels zijn dan geen bedrijfswoningen meer toegestaan. Er is dus geen sprake van een wijziging naar gevoeliger gebruik.
Een bodemonderzoek is tijdens de planologische procedure niet noodzakelijk.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen anderzijds milieugevoelige functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten (VNG, Bedrijven en milieuzonering, 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden betreffen een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
De gemeente Landerd stelt zich op het standpunt dat in principe bedrijvigheid behorende tot de categorie 1 goed te mengen is met de functie wonen, dit geldt in de meeste gevallen ook voor de categorie 2-bedrijven. Deze categorie bedrijven wordt inpasbaar geacht in meer gemengde gebieden zoals het te creëren woon-werkgebied en de bestaande Mgr. Borretstraat waar naast woningen ook verschillende andere functies voorkomen zoals (kleinere) bedrijven voorkomen.
In deze ‘gemengde gebieden’ mag een stap terug worden gezet qua aan te houden richtafstanden tussen woonbebouwing en bedrijven. Dit houdt in dat tussen een bedrijf in milieucategorie 2 een afstand van 10 meter (in plaats van 30 meter) aangehouden kan worden. Geclausuleerd kunnen in deze gebieden aan bedrijven (met activiteiten) categorie 3.1 worden toegelaten. Voor deze bedrijven geldt dan een indicatief aan te houden afstand van 30 meter tot 'gevoelige objecten' zoals omliggende woningen (in plaats van 50 meter in een rustige woonwijk).
Met voorliggend bestemmingsplan worden enkele wijzigingen in de verkaveling en de indeling van het bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Aan de zuidzijde van het plangebied zijn in tegenstelling tot het vigerende plan geen bedrijfswoningen meer toegestaan. Met deze wijzigingen wordt echter niet afgeweken van de in het vigerend bestemmingsplan aangegeven milieucategorieën. Daarmee is er geen grotere hinder te verwachten na deze bestemmingswijziging.
Gezien de verkavelingsopzet is ervoor gekozen dat zich op de te ontwikkelen gronden van het plangebied maximaal categorie 2 bedrijven zich zouden kunnen vestigen. De afstand van de bedrijvigheid tot geprojecteerde woningen van derden kunnen hier voldoende groot zijn om deze menging van functies te verantwoorden (>10 m).
Bedrijven in een hogere milieucategorie dienen op grotere afstand van de bestaande woningen worden gerealiseerd. De kavels waar zwaardere bedrijvigheid kan worden gevestigd zijn aangeduid met de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1.
Ook al is op een kavel maximaal een bedrijf in milieucategorie 2 mogelijk, er zal altijd in het kader van de Wet milieubeheer uit een vergunning of melding eventueel moeten blijken of een te vestigen bedrijf voldoet aan de normen voor hinderaspecten (zoals o.a. geluid, geur, veiligheid). Wanneer een bedrijf, dat op grond van de Basiszoneringslijst een categorie 1 of 2 bedrijf is, niet aan deze normen kan voldoen, betekent dit niet dat de bedrijfsactiviteiten zelf niet mogen plaatsvinden op het perceel – dit is immers planologisch verankerd – maar door het bedrijf zullen dan maatregelen getroffen moeten worden om de hinder te beperken.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Risiconormering
In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het
plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een
richtwaarde.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= T). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Bron | Wanneer groepsrisicoverantwoording? |
Inrichtingen (Bevi) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. |
Buisleidingen (Bevb) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
WANNEER GROEPSRISICO VERANTWOORDEN?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Overige Wet- en regelgeving
Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..
Beschouwing risicobronnen
Op onderstaande risicokaart is zichtbaar dat het plangebied in de nabijheid van de Rijksweg N324 is gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
UITSNEDE RISICOKAARt
De Rijksweg N324 ligt op circa 13 meter afstand van het plangebied. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorieën LF1 en LF2 vervoerd. LF1 en LF2 hebben een invloedsgebied 45 meter. Het maatgevende rampscenario voor het transport van LF1 en LF2 is een plasbrand.
Omdat deze weg niet is meegenomen in het huidige bestemmingsplan en het plangebied binnen 200 meter van de transportweg ligt dient er, conform art. 8 Besluit externe veiligheid transport (Bevt), een volledige verantwoording van het groepsrisico afgegeven te worden. De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt.
Uit het onderzoek naar het vervoer van gevaarlijke stoffen van de ODBN (2019) blijkt, dat over dit wegvak van de provinciale weg N324 jaarlijks 580 transporten met LF1 en 780 transporten LF2 plaatsvinden. Er vinden geen transportbewegingen met tankwagens GF3 plaats. Een complete verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Wel moet in het kader van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) aandacht besteed worden aan de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het invloedsgebied van de wegen.
Verantwoording groepsrisico
De verantwoording van het groepsrisico heeft betrekking op de beschreven relevante risicobronnen.
Bevt - Water-, weg- en spoorwegtransport
Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Voor zover mogelijk wordt in deze paragraaf invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. De aanvullende adviezen van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio dient de gemeente mee te wegen in haar besluitvorming.
In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht.
In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd:
Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid
De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland. Binnen het plangebied is een waterberging aanwezig die voor bluswater zou kunnen zorgen en het plangebied is vanaf de Mgr. Borretstraat bereikbaar.
Zorgnorm
De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
Mobiliteit van de aanwezigen
Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die specifiek voor verminderd zelfredzame personen bedoeld zijn. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de aanwezige personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig (of met hulp van overige aanwezigen) in veiligheid kunnen brengen.
Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen
Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.
In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten.
Risicocommunicatie
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario's). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid.
De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen dienen stuk voor stuk te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden en of advisering door de GGD wenselijk is. De uiteindelijke keuze om wel of geen medewerking te verlenen aan een ontwikkeling is een afweging die wordt gemaakt door de gemeente.
Analyse
Stappenplan
Stap 1 Endotoxinen
Op basis van de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (Endotoxine toetsingskader 2.0) kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.
Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen.
Het plan omvat milieugevoelige objecten. In een straal van 1 kilometer rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
Stap 2 Emissies
Er is geen sprake van een ontwikkeling van een veehouderij.
Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader
Dit aspect is beoordeeld in paragraaf 4.5 Geurhinder veehouderijen van deze toelichting. Uit de betreffende paragraaf blijkt dat wordt voldaan aan de wet- en regelgeving voor wat betreft agrarische geur.
Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde
De geurbelasting voldoet voor het hele plangebied aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5,0 ouE/m³.
Stap 4a Binnen een veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden
Er zijn in de omgeving geen bedrijven met meerdere diersoorten aanwezig.
Stap 5a Geitenhouderij
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Het plan omvat milieugevoelige objecten. Volgens de 'Kernregistratie dierverblijven' is op de locatie Haagstraat 19 te Schaijk, op een afstand van ca. 1.400 m, een geitenhouderij aanwezig met meer dan 100 geiten. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren hebben invloed op de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Tussen het plangebied en de betreffende geitenhouderij liggen al bestaande woningen en de afstand is redelijk groot. Omdat binnen het plangebied volgens het vigerende bestemmingsplan al milieugevoelige objecten mogelijk zijn is er maar een zeer beperkte toename van het aantal personen met een verhoogde kans op longontsteking.
Stap 5b Pluimveebedrijven
Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 1 kilometer van twee pluimveebedrijf.
Stap 5c Overige veehouderijen
De planlocatie is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter van meerdere overige veehouderjien.
Stap 6. Is er sprake van mestbe- of verwerking
Niet van toepassing.
Stap 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid
Of in (de omgeving van) het plangebied sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid zou kunnen volgen uit de klachtenregistratie bij de gemeente. Daaruit blijkt dat in ieder geval de afgelopen 5 jaar op dit punt geen klachten zijn ingediend bij de gemeente.
Conclusie stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid
De beperkte toetsing op afstanden leidt tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Betrek bij deze afweging het al dan niet inwinnen van GGD-advies.
Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.
Analyse
Het plan leidt tot een inbreiding binnen de kern Reek. Binnen 50 meter rondom het plangebied zijn geen kwekerijen aanwezig of kunnen kwekerijen worden ontwikkeld. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Analyse
Er wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 7 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. Het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer, beter bekend als het Activiteitenbesluit milieubeheer, bevat vergelijkbare bepalingen voor agrarische bedrijven die vallen onder dat besluit en geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Voor ruimtelijke plannen is deze wet van belang voor het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen (de zogenaamde omgekeerde werking). Daarnaast moet voorkomen worden dat geurgevoelige objecten te dicht bij een veehouderij komen te liggen.
Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. De Wgv maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden waarden voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen) en of ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
Op 11 december 2014 stelde de gemeenteraad de "Verordening geurhinder en veehouderij 2014 gemeente Landerd" en de "Geurgebiedsvisie 2014 gemeente Landerd" vast. Op 12 maart 2015 heeft de gemeenteraad van Landerd de verordening gewijzigd vastgesteld. Het doel van de Gewijzigde verordening geurhinder en veehouderij 2014 is om geurhinder als gevolg van veehouderijen te beperken. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij de normen en uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. De actuele geurkaart dateert van 1 maart 2022.
De gemeente verdeelt het grondgebied van de gemeente in gebieden en hanteert per soort gebied een eigen geurnorm. Dit is weergegeven op een normenkaart. Ook zijn met de geurverordening minimale afstanden vastgesteld voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Uiteindelijk is de meest wenselijke situatie bepaald, waarin zo veel mogelijk geurknelpunten zijn opgelost.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen) en of er ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
Het project omvat een verhoging van het aantal geurgevoelige objecten ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Uit de vorige paragraaf en onderstaande afbeelding blijkt echter dat er geen veehouderijen gevestigd zijn in de directe omgeving van het plangebied.
Belemmering bedrijven
Op iets grotere afstand zijn nog wel enkele veehouderijen gevestigd. De dichtsbijzijnde veehouderij ligt op ca. 330 meter. Dit betreft een schapenhouderij aan de Rijksweg 90m ten zuidoosten van het plangebied. Ten noorden van het plangebied op ca. 560 m afstand liggen aan de Heijtmorgen 3 melkrundveehouderijen. Aan de westzijde van het plangebied liggen op ca. 630 en 850 m een paardenhouderij en melkrundveehouderij. Tussen de veehouderijen en de nieuwe geurgevoelige objecten zijn reeds bestaande geurgevoelige objecten gelegen. De bedrijven worden daardoor door de wijziging van het bestemmingsplan met meer geurgevoelige objecten niet beperkt in hun bedrijfsactiviteiten.
UITSNEDE KAART VEEHOUDERIJEN
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Zoals hiervoor beschreven zijn in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende veehouderijen aanwezig. Op de actuele achtergrondgeurbelasting kaart (maart 2022) is zien dat de achtergrondbelasting van deze bedrijven niet zorgen voor geurhinder binnen het plangebied. Op de kaart is aangegeven dat de kwaliteit van de leefomgeving als zeer goed wordt beoordeeld met 0-3 ouE/m³.
UITSNEDE KAART ACHTERGRONDBELASTING
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan. Het plan zorgt niet voor beperking van de veehouderijen en binnen het plangebied is een zeer goed woonleefklimaat aanwezig.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Omdat aan de Mgr. Borretstraat reguliere woningen gepland staan worden meer geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt en dient middels een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de nieuwe situatie milieutechnisch aanvaardbaar is.
De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de N324. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Burgemeester Wientjensstraat, Mgr. Borretstraat, Mgr. Suijsstraat, Radmakerstraat, Voermanstraat en de Wagenmakerstraat) in het onderzoek betrokken.
Om de akoestische situatie inzichtelijk te maken heeft Econsultancy een akoestisch onderzoek uitgevoerd (22 oktober 2021, 14482.003 D1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.
Econsultancy concludeert hierin dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 48 dB bedraagt . Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 3 woonkavels en de vestiging van 1 kantoor.
Uitgaande van de 4 reguliere (8 verkeersbewegingen/woning) ten opzichte van 1 woning aan de Mgr. Borretstraat zal er een toename van ca. 25 verkeersbewegingen ten gevolge van de woningen zijn.
Daarnaast zal door het toestaan van een kantoor op de locatie in het zuiden van het plangebied het aantal verkeersbewegingen wel toenemen, maar het aantal zware vrachtwagens zal afnemen. Bij de berekening van de kwaliteit van de luchtkwaliteit is in worst-case rekening gehouden met een toename van het aantal verkeersbewegingen van 150.
Zoals in de berekening met de NIBM-tool is te zien wordt een verslechtering van de situatie niet verwacht ten opzichte van de vigerende situatie.
Goed woon- en leefklimaat
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Mgr Borretstraat, Landerd ; 224204'.
categorie | grenswaarde | 2019 | 2020 | 2030 | ||||||
jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 16.9 | 15.9 | 11.3 | ||||||
jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 17.9 | 17.6 | 15.0 | ||||||
jaargemiddelde concentratie PM2.5 | 25 µg/m³ | 10.8 | 10.9 | 8.6 | ||||||
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6.3 | 6.2 | 6,0 |
Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
ArcheoPro uit Eijsden heeft voor het vigerend bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Borretstraat, Reek, Inventariserend Veldonderzoek; bureauonderzoek en karterend booronderzoek" (24 augustus 2009 - rapport nr. 858). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.
Gezien de resultaten van het bureauonderzoek, de ingrijpende verstoring van de bodem binnen het plangebied en het volledig ontbreken van archeologische indicatoren, moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied nog slechts een lage archeologische verwachting geldt voor resten uit alle perioden. De resultaten van het onderzoek geven dan ook geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
Net als in het vigerend bestemmingsplan is geen regeling voor bescherming van mogelijke archeologische vondsten opgenomen. Ondanks een zorgvuldige onderzoek kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
In de provincie Noord-Brabant dienen, in het kader van het behoud van waardevolle
cultuurhistorische elementen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waarden Kaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Op de navolgende afbeelding is de Cultuurhistorische Waarden Kaart weergegeven. Te zien is dat er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarden.
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Gezien de aard en omvang van het plan, in vergelijking tot de huidig toegestane situatie, en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland.
Stikstofdepositie
Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.
Omdat het een nieuwe planologisch regeling betreft dient de hele ontwikkeling meegenomen te worden in de berekening van de stikstofdepositie, ondanks de kleine wijzigingen in gebruik.
Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (16 mei 2023, 20230516-LAD009-RAP-STD-1.1) is als bijlage 7 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot een permanente toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
Soortenbescherming
Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Onderzoeksbureau Bro uit Boxtel heeft in 2011 een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen. Bro heeft destijds geconcludeerd dat er geen belemmering was voor het realiseren van het bedrijventerrein.
Omdat het terrein inmiddels langere tijd braak heeft gelegen is een nieuwe Quickscan Natuurwaarden uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport "Quickscan Wet natuurbescherming Monseigneur Borretstraat (ong) te Reek", (14482.002, 22 november 2021) is opgenomen als bijlage 5.
Hierna zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen:
Aanvullend Ecologisch onderzoek
In navolging op de Quickscan Natuurwaarden is een aanvullend ecologisch onderzoek
uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport "Aanvullend ecologisch onderzoek Monseigneur Borretstraat (ong) te Reek", (14482.004, 19 juli 2022) is opgenomen als bijlage 6.
Econsultancy concludeert het volgende:
Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of andere beschermde functies aangetroffen van roofvogels, ransuil, steenuil, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart op en binnen de verstoringsafstand van de onderzoekslocatie waar nieuwbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd.
Econsultancy verwacht dat juridisch gezien er geen overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming aan de orde is en dat een ontheffing niet noodzakelijk is. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen of andere beschermde functies van roofvogels, ransuil, steenuil, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart worden verstoord. Het nemen van maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels is voldoende om overtreding te voorkomen.
Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.
De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m³/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.
De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
Nationaal Water Programma 2022 - 2027
De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op 18 maart 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan.
Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.
Bestuursakkoord water
Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op:
De doelstellingen van het 'oude' Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.
Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie
De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema's beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaatadaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.
Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Regionaal Water en Bodem programma 2022-2027
Het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen.
Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Het doel van het RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Met de ambitie dat Brabant in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem heeft, dat bestand is tegen extremen.
Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen:
- Voldoende water | niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. |
- Schoon water | schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. |
- Veilig water | veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. |
- Vitale bodem | vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. |
- Klimaatadaptatie | aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid. |
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas.
Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5)
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap Aa en Maas met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)
Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risicofs voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en
rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater:
Brabant Keur
Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) |
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
Wanneer er een ruimtelijk plan wordt gemaakt, dan dient deze een waterparagraaf te bevatten. Het waterschap toetst op acht onderwerpen, de 'uitgangspunten watertoets', om te beoordelen of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterbelangen:
Het gemeentelijk beleid is omschreven in de 'verordening fysieke leefomgeving' en het 'Programma Omgevingswet Water & Riolering 2022-2024' (POW&R 2022-2024).
Verordening fysieke leefomgeving
De verordening fysieke leefomgeving gemeente Maashorst (hoofdstuk II) geeft aan welke regels er gelden omtrent aansluiten op het gemeentelijke rioolstelsel en op mechanische riolering in het buitengebied.
Programma omgevingswet Water en Riolering
Het POW&R 2022-2024 omschrijft het beleid, de regels en de strategie voor water en riolering. Op het gebied van hemelwater is de regel dat er hydrologisch neutraal gebouwd dient te worden. De algemene rekenregel van het waterschap Aa en Maas is van toepassing (wij houden als gemeente dezelfde rekenregel aan):
benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) |
Voormalig grondgebied Landerd hanteert een ondergrens van 500 m2 toename verhard oppervlak (overeenkomstig het beleid van Waterschap Aa en Maas).
Voor aanvullende regels aan de compenserende berging- en infiltratievoorzieningen verwijst het POW&R naar de omschrijving in de keur: hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, de belangrijkste regels zijn:
Daarnaast zijn in het POW&R streefwaarden voor ontwateringsnormen omschreven. De gemeente heeft een inspanningsplicht om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren, maar kan niet verantwoordelijk worden gesteld, omdat er een afhankelijkheid is van externe factoren. We adviseren om de onderstaande streefwaarden voor ontwateringsnormen te hanteren bij ontwikkelingen, om het risico op grondwateroverlast te beperken. Het waterschap past voor deze ontwateringsnormen in vrij afwaterende gebieden (Buitengebied) nota peilbeheer toe.
Samen met het Waterschap geeft gemeente Maashorst invulling aan de waterdoelen om te komen tot een gezond en goed functionerend oppervlaktewatersysteem. Gemeentelijke maatregelen zijn: het ontlasten van de riolering bij intensieve regenbuien en beperken van de vuiluitworp van riolering (o.a. door afkoppelen), het langer vasthouden van water in een gebied, streven naar voldoende ontwateringsdiepte en monitoren van de afvalwaterketen.
In het kader van de stedelijke wateropgave werken de gemeente en het Waterschap / de Provincie eveneens samen om de 'Udense spons' te herstellen en daarmee het bestaande watersysteem beter te benutten en wateroverlast vanuit oppervlaktewater te voorkomen. In de gemeente Maashorst is overwegend sprake van een goed doorlatende bodem en voldoende ontwatering. Vanwege deze gebiedskenmerken hanteert de gemeente het uitgangspunt dat afgekoppeld hemelwater in eerste instantie in de bodem wordt geïnfiltreerd. Nabij breuklijnen en ter plaatse van grondwaterverontreinigingen gelden bijzondere omstandigheden en regels. Bij de toetsing zal de gemeente hierop toezien en in adviseren.
In het kader van het vooroverleg is meerdere malen overleg geweest met het Waterschap. Uit deze overleggen is naar voren gekomen dat er een waterhuishoudkundig plan opgesteld dient te worden om te bezien in welke mate en op welke wijze de huidige waterberging(en) binnen het plangebied uitgebreid moet worden om te kunnen voldoen aan de nieuwe richtlijnen van het Waterschap en het gemeentelijk waterbeleid.
Door Econsultancy is in het voorjaar van 2023 een 'Waterhuishoudkundig plan Reek-Zuid' opgesteld (23 mei 2023, 14482.001 D1). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 toegevoegd
Bij het opstellen van dit plan is gebruik gemaakt van de gegevens uit het in bijlage 9 opgenomen "Infiltratieonderzoek Plangebied Reek-Zuid, Landerd " (16 december 2009, AM09365 ).
De omgevingsaspecten zijn uitvoerig beschreven in de rapportage. Hierna wordt de waterbergingsopgave en op welke wijze hieraan wordt voldaan beschreven.
Op basis van het huidige verkavelingsplan is het toekomstig verhard oppervlak bepaald. Bij de berekening van het toekomstig verhard oppervlak is er vanuit gegaan dat de uitgeefbare percelen 90% verhard worden.
VERKAVELINGSSITUATIE EN (KAVEL)OPPERVLANKTEN REEK-ZUID 2022 EN REEK-ZUID 2012
De berekening van het toekomstig verhard oppervlak is opgenomen in onderstaande tabellen. Bij de berekening van het verhard oppervlak is een onderscheid gemaakt tussen het plandeel Reek-Zuid 2022 en het plandeel Reek-Zuid 2012.
TOEKOMSTIG VERHARD OPPERVLAK REEK-ZUID 2022
TOEKOMSTIG VERHARD OPPERVLAK REEK-ZUID 2012
Bij een ontwikkeling waar sprake is van een toename van (afvoerend)verhard oppervlak kan een versnelde afvoer van hemelwater ontstaan met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Bij dergelijke ontwikkelingen geldt het uitgangspunt dat plannen hydrologisch neutraal uit worden gevoerd. Hydrologisch neutraal betekent dat het plan geen wijziging geeft in de hoeveelheid afvoer van hemelwater. Er is dan netto geen verandering in het op de riolering aangesloten verhard oppervlak.
Het POW&R 2022-2024 van de gemeente Maashorst omschrijft het beleid, de regels en de strategie voor water en riolering. Op het gebied van hemelwater is de regel dat er hydrologisch neutraal gebouwd dient te worden. De algemene rekenregel van het waterschap Aa en Maas is hierbij van toepassing. De gemeente Maashorst houdt dezelfde rekenregel aan.
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Reek-Zuid 2022
Conform het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Maashorst is ten aanzien van de ontwikkelingen binnen het plandeel Reek-Zuid 2022 op basis van het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ca. 1.747 m3 (29.113 m2 x 60 mm / 1.000).
Reek-Zuid 2012
Conform het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Maashorst is ten aanzien van de ontwikkelingen binnen het plandeel Reek-Zuid 2012 op basis van het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ca. 422 m3 (7.035 m2 x 60 mm / 1.000).
Reek-Zuid 2022
In het waterhuishoudkundig plan is uitvoerig beschreven op welke wijze de compenserende berging is berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat in de bestaande waterberging voldoende bergend vermogen aanwezig is om het water uit 'Reek-Zuid 2022' te bergen.
Reek-Zuid 2012
Bij de koopovereenkomst van de uitgeefbare percelen die zijn gelegen binnen het noordelijke plandeel, Reek-Zuid 2012, wordt een verplichting opgenomen dat voor de nog te ontwikkelen percelen voor elke vierkante meter verhard oppervlak moet worden voorzien in een berging op eigen terrein van minimaal 60 mm. In totaal wordt binnen de uitgeefbare percelen daarmee voorzien in een waterberging van ca. 278 m3 (4.635 m2 x 60 mm / 1.000).
De perceeleigenaren zijn in principe vrij in de keus waarop de wateropgave op eigen terrein wordt verwerkt. De nadere uitwerking van de hemelwaterberging zal door de gemeente bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden getoetst.
De waterbergingsopgave voor het openbaar gebied bedraagt ca. 144 m3 (2.400 m2 x 60 mm / 1.000). Om te kunnen voorzien in de benodigde waterberging wordt het hemelwaterriool in de Wagenmakerstraat afgekoppeld van het hemelwaterriool in de Voermanstraat. Hemelwater wordt geborgen door onder de weg een waterbergend fundatiepakket aan te brengen. Hemelwater wordt op conventionele wijze middels kolken ingezameld.
Uitgaande van een dikte van het pakket van 0,4 m en een effectieve berging van 40% van het fundatiemateriaal is ca. 900 m2 benodigd om te kunnen voorzien in een berging van 144 m3.
Op basis van de bodemopbouw, textuur en de resultaten uit het infiltratieonderzoek worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem.
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken
van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) is aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de Mgr. Borretstraat.
In het waterhuishoudkundig plan zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. Deze rapportage vormt de basis voor invulling van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Hiermee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets en is gegarandeerd dat specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt.
Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure van het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. De voorgenomen activiteit komt voor in kolom 1 van de D-lijst (D11.2).
Gezien het feit dat voorliggend initiatief slechts een geringe functiewijziging betreft ten opzichte van de huidige toegestane planologische situatie en tevens geen zware bedrijvigheid mogelijk maakt, is geen MER uitgevoerd. Wel is een MER-aanmeldnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 10.
Mede gelet op wat elders in deze toelichting wordt opgemerkt over de afzonderlijke milieuaspecten, laat de MER-aanmeldnotitie zien dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft in de zin van het Besluit milieueffectrapportage en de Europese richtlijn.
Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente behartigt het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband op de regels en voorschriften van ruimtelijke plannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria:
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien:
In het Handhavingsbeleid fysieke leefomgeving Landerd 2011 - 2014 en het Handhavingsprogramma 2014 gemeente Landerd wordt het concrete belang van handhaving van regels en/of voorschriften van ruimtelijke plannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden.
De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in ruimtelijke plannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving.
Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van ruimtelijke plannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.
De gemeente Landerd voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsbeleidsplan opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt bij voorkeur na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van de probleem- of omgevingsanalyse en de prioritering een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met nieuwe ontwikkelingen en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bouw- en gebruiksvoorschriften van ruimtelijke plannen is een vaste prioriteit in het programma.
De regels van dit ruimtelijke plan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het ruimtelijke plan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.
Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen ten behoeve van de ontwikkeling van Reek Zuid in de kern Reek.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het bestemmingsplan biedt voldoende flexibiliteit om op wijzigende omstandigheden en/of nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid voor de burger wordt geschaad.
In paragraaf 6.3 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.
Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 als uitgangspunt gehanteerd. SVBP2012 staat voor Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven.
Het plangebied kent de bestemmingen 'Bedrijf - 1', Wonen' 'Wonen - Werken 1', 'Wonen -
Werken 2', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' waarbinnen de bouw van bedrijven van categorie 1 en 2 en de bouw van woon-werk-woningen mogelijk is. Tevens kunnen de benodigde infrastructuur en (groen)voorzieningen worden gerealiseerd.
De gronden behorend tot onderhavig bestemmingsplan zijn op de verbeelding begrensd door de plangrens. De bestemming op de verbeelding is in de planregels aangevuld met bouw- en gebruiksregels.
De materiële inhoud van de bestemming is opgenomen in de planregels.
Voor de leesbaarheid zijn op de verbeelding verder aanduidingen opgenomen, zoals straatnamen, bestaande bebouwing, kadastrale gegevens etcetera.
Planregels zijn nodig om het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de bebouwing binnen het plangebied te regelen. De planregels zijn onder te verdelen in:
Inleidende regels
De inleidende regels zijn van algemene aard en betreffen de ‘begrippen' en de 'wijze van meten’.
Begrippen
Hierin worden de in de planregels voorkomende begrippen omschreven en wordt de interpretatie van de diverse begrippen vastgelegd, zodat duidelijk wordt wat onder de begrippen wordt verstaan.
Wijze van meten
Hierin wordt aangegeven hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald.
Bestemmingsregels
Bedrijf-1
De gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf -1’ waar industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten; zijn toegelaten. Daarbij is administratieve dienstverlening mogelijk die ondergeschikt is en ten dienste staat van de bedrijven. Ook is productiegebonden detailhandel die ten dienste staan van en ondergeschikt is aan de bedrijven en bedrijfsactiviteiten tot een maximum van 10% van het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf mogelijk. Daarnaast is een aanduiding 'kantoor' opgenomen waardoor het realiseren van een zelfstandig kantoor op die locatie mogelijk is gemaakt. Ter plaatse van de aanduiding . specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw' is de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw toegestaan.
Groen
De groenstroken aan de zuidzijde, oostzijde en deels op de noordzijde van het plangebied hebben de bestemming ‘Groen’. Het doel is de ontwikkeling en het realiseren van voldoende groen en de mogelijkheid om de strook te gebruiken voor waterberging en landschappelijke inpassing van het plan. Voorkomen wordt dat binnen deze bestemming verhardingen mogen worden aangelegd, bijvoorbeeld voor parkeervoorzieningen.
Verkeer - Verblijfsgebied
De weg in het plangebied richt zich met name op de verblijfsfunctie en in mindere mate op de verkeersfunctie. De inrichting van dit verblijfsgebied is dan ook sterk op verblijf gericht. In feite komt het er op neer dat naast een 30 km/uur-weg, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en ondergeschikte groenvoorzieningen (zoals bermen) zijn toegestaan binnen de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Daarnaast is het mogelijk om kleine voorzieningen van algemeen nut binnen deze bestemming te realiseren.
Wonen
De bestaande en nog te bouwen woningen in het plangebied hebben de bestemming 'Wonen'.
In de regeling voor woningen zijn regels opgenomen voor het woningtype:
Het woningtype is op de verbeelding aangeduid. Een uitwisseling van woningtypes is niet mogelijk.
Tuin- en bouwzones
Op de verbeelding is een aantal zones aangegeven. Per zone is in de regels aangegeven welke bebouwingsbepalingen van toepassing zijn. We onderscheiden de volgende zones: tuin en bouwvlak.
In de op de verbeelding aangeduide tuin mogen in beginsel uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd. Het resterende deel van het woonperceel is nader aangeduid met een bouwvlak.
Binnen dit bouwvlak kunnen hoofdgebouwen (de woning), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd. De zones wijken op de verbeelding in visueel opzicht van elkaar af, waardoor het voor de burger in één oogopslag duidelijk wordt waar wel en waar geen gebouwen mogen worden neergezet.
Woningen dienen te voldoen aan diverse andere maatvoering- en situeringeisen, De te hanteren eisen zijn afhankelijk gesteld van het type woning en (waar mogelijk) opgenomen in een tabel in de regels.
In het bestemmingsplan is een overzichtelijke regeling met betrekking tot bijgebouwen (aan- en uitbouwen, bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen, die inhoudelijk zo veel mogelijk rekening houdt met de reeds bestaande regeling voor bijgebouwen. Ook deze bouwregels zijn zoveel mogelijk in een tabel opgenomen.
De regeling met betrekking tot aan huis gebonden beroepen en bedrijven luidt als volgt:
Het bewonen van aan woningen gebouwde bijgebouwen is mogelijk, mits er geen zelfstandige woning ontstaat. Bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan, aangezien in een dergelijke situatie meer risico bestaat voor het ontstaan een zelfstandige woning.
Wonen - Werken 1
Het grootste deel van de ontwikkeling binnen het plangebied betreft percelen die zijn bedoeld voor een menging van werken en wonen. Het gaat hier om lichte bedrijvigheid (milieucategorie 1 en 2) met daarbij vrijstaande (bedrijfs)woningen.
De bebouwingsregeling is uitgesplitst naar bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen en bijgebouwen en is toegespitst op de verschillende bouwzones op de verbeelding. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij voor zowel bedrijfsgebouwen, woningen als bijgebouwen situeringseisen en maatvoeringseisen zijn opgenomen. Op de verbeelding is een voorste bouwvlakgrens (op 5 meter afstand van de weg) opgenomen. De woning dient in of maximaal 5 meter achter deze voorste bouwvlakgrens te worden gebouwd. De strook buiten het bouwvlak is aangeduid als tuin.
Bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan omdat dit het risico geeft van het ontstaan van een zelfstandige woning.
Wonen – Werken 2
Een klein deel van de ontwikkeling binnen het plangebied betreft percelen die zijn bedoeld voor een menging van werken en wonen, waarbij het bedrijfsgebonden wonen dient te geschieden op de verdieping(en), zogenaamde geschakelde woonwerkcombinaties (projectmatig). Ook hier gaat het om lichte bedrijvigheid (milieucategorie 1 en 2). Gezien het feit dat het gaat om projectmatige woon-werkcombinaties is de bebouwingsregeling niet uitgesplitst naar bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen en bijgebouwen. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak onder bepaalde situeringseisen en maatvoeringseisen. Op de verbeelding is een voorste bouwvlakgrens (op 5 meter afstand van de weg) opgenomen. De woon-werkcombinaties dienen in of maximaal 5 meter achter deze voorste bouwvlakgrens te worden gebouwd. De strook buiten het bouwvlak is aangeduid als tuin.
Bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan omdat dit het risico geeft van het ontstaan van een zelfstandige woning.
Wonen – Werken 3
Het noordelijk deel van de ontwikkeling binnen het plangebied betreft percelen die zijn bedoeld voor een menging van werken en wonen, waarbij het bedrijfsgebonden wonen dient te geschieden op de begane grond, in als regulier woningen ogende woonwerkcombinaties (projectmatig). Ook hier gaat het om lichte bedrijvigheid (milieucategorie 1 en 2). Gezien het feit dat het gaat om projectmatige woon-werkcombinaties is de bebouwingsregeling niet uitgesplitst naar bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen en bijgebouwen. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak onder bepaalde situeringseisen en maatvoeringseisen.
Er dient minimaal 9 m2 aan bedrijfsruimte op de begane grond te worden gerealiseerd. Dit mag binnen het hoofdgebouw aan de voorgevel zijn of in een bijgebouw.
Op de verbeelding is een voorste bouwvlakgrens opgenomen. De woon-werkcombinaties dienen in of maximaal 3 meter achter deze voorste bouwvlakgrens te worden gebouwd.
Bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan omdat dit het risico geeft van het ontstaan van een zelfstandige woning.
Algemene regels.
Hoofdstuk 3 Algemene regels omvat regels en bepalingen die betrekking hebben op het gehele plangebied.
Anti-dubbeltelbepaling
Hierin staat de antidubbeltelbepaling van artikel 3.2.4 van het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen.
Maatvoering parkeerplaats
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om de maatvoeringseisen van parkeerplaatsen te wijzigen.
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen, te weten bepalingen over ondergrondse (bouw)werken en overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen.
Algemene gebruiksregels
Deze bepaling is een rechtstreekse uitwerking van het in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen verbod gronden of bouwwerken te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel in welke gevallen kan worden afgeweken
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om meerdere bestemmingen te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Overige regels
Dit artikel bevat een bepaling omtrent de verhouding tussen de regels van voorliggend bestemmingsplan, en overige wettelijke bepalingen. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen omtrent het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein aanwezig dient te zijn.
Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bevat onder andere de bepalingen die betrekking hebben op:
Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven.
Slotregel
Dit artikel geeft de titel van de planregels aan.
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:
Alle gronden in het plangebied heeft de gemeente in eigendom. Op deze gronden wordt het kostenverhaal geregeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte waarin het kostenverhaal is verdisconteerd. Voor het overgrote deel van het plangebied zijn de kosten in de openbare ruimte al gemaakt. Voor het gedeelte waar extra kosten in de openbare ruimte wordt gemaakt, zullen de kosten aan de ontwikkelaar worden doorgelegd via een koop- en realisatieovereenkomst.
Op 25 mei 2021 is het beeldkwaliteitsplan aan alle belangstellenden gepresenteerd. Naar aanleiding van de presentatie zijn vragen gesteld en opmerkingen gemaakt door de verschillende buurtbewoners.
Vanwege de corona pandemie vond de omgevingsdialoog plaats in digitale vorm. In bijlage 11 is de beantwoording van de vragen en opmerkingen van de omwonenden, belanghebbenden en belangstellenden opgenomen.
Het concept-ontwerpbestemmingsplan voor Reek Zuid wordt in het kader van het vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgelegd aan verschillende vooroverleginstanties. De Provincie Noord-Brabant heeft aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. De reactie heeft geen wijzigingen toch gevolg.
Waterschap Aa en Maas heeft in haar reactie aangegeven dat niet alleen rekening gehouden diende te worden met de planologische toename van het verhard oppervlak maar dat rekening gehouden moet worden met de het totale toekomstig verhard oppervlak. Omdat het totale oppervlak meer dan 10.000 m2 bedraagt diende daarom een waterhuishoudkundig plan opgesteld te worden. Dit waterhuishoudkundig plan is in overleg met het Waterschap opgesteld en beschreven in paragraaf 4.11 en als bijlage 8 opgenomen.
Het ontwerp bestemmingsplan 'Reek-Zuid 2022' heeft vanaf 29 december 2022 voor eenieder gedurende zes weken ter inzage gelegen op het gemeentehuis. Het ontwerp bestemmingsplan met bijbehorende documenten kon ook digitaal worden geraadpleegd via de website 'www.ruimtelijkeplannen.nl'.
Binnen de periode van inzage zijn twee schriftelijke zienswijzen binnengekomen. De beantwoording van deze zienswijzen is opgenomen in de 'Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Reek-Zuid'. Deze is opgenomen als bijlage 12.
Eén van de twee zienswijzen is aanleiding de maximale bouwhoogte- en goothoogte van de 4 woningen aan de Mgr. Borretstraat aan te passen van respectievelijk 11 en 7 meter naar 10 en 5 meter. Ook is de WW-3 bestemming gewijzigd naar een woonbestemming.
Naast de aanpassing naar aanleiding van deze zienswijze zijn ook enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen staan benoemd in de hiervoor benoemde nota. De grootste aanpassing is het verkleinen van het plangebied.
Het bestemmingsplan 'Reek Zuid - 2023' is op xxxxx gewijzigd vastgesteld.