Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Bestemmingsplan Eijsden
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1903.BPKOM10000EIJ-VA01

Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  2. teeltondersteunende voorzieningen, waaronder boogkassen;
  3. detailhandel, ondergeschikt en in samenhang met de ter plaatse uitgeoefende agrarische bedrijfsfunctie, ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’;
  4. wonen, daaronder mede begrepen mantelzorg en huisvesting van de rustende boer, mits mantelzorg en huisvesting van de rustende boer niet leiden tot het ontstaan van een nieuwe zelfstandige woning.
  5. de instandhouding en/of het herstel van aanwezige rijksmonumenten, mede gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  6. waterhuishoudkundige voorzieningen;
    en de overige bij deze bestemming behorende voorzieningen.
3.1.2 Verhouding met overige bestemmingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de dubbelbestemmingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 46.3.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in 3.1.1 toegestane gebruik;
  2. bouwwerken ten behoeve van het in 3.1.1 genoemde gebruik zoals regenkappen, mestopslagplaatsen en ondergrondse en/of bovengrondse voorzieningen ten behoeve van de opvang en buffering van regenwater;
  3. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van Agrarisch - 2de bedrijfswoning’ 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan en uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ’bedrijfswoning uitgesloten’ waar geen bedrijfwoning is toegestaan;
    en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmeting bij deze bestemming passen.
3.2.2 Regels met betrekking tot het bouwvlak
Met betrekking tot het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:
  1. gebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en mestopslagplaatsen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd, waarbij het bepaalde onder i. in acht moet worden genomen;
  3. in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens zal worden gebouwd;
  4. de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde en met uitzondering van boogkassen, mag ten hoogste 4,50 m bedragen;
  5. de dakhelling mag ten hoogste 60° bedragen;
  6. de inhoud van een bedrijfswoning mag ten hoogste 900 m3 bedragen;
  7. de bedrijfswoning moet voor het overige voldoen aan het bepaalde in artikel 22.2.2. onder d. t/m f. van deze regels;
  8. de inhoud van de bovengrondse mestopslagplaatsen mag in totaal 2.500 m3 bedragen;
  9. het oppervlak aan boogkassen mag ten hoogste 2.500 m² bedragen;
  10. de bouwhoogte van boogkassen mag ten hoogste 3,50 m bedragen.
3.2.3 Overige regels met betrekking tot bebouwing
De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 8 m bedragen, met uitzondering van:
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen, die ten hoogste 2,50 m mag bedragen;
  2. de bouwhoogte van voedersilo's, die ten hoogste 12 m mag bedragen.
  3. het oprichten van lichtmasten ten behoeve een paardenbak is niet toegestaan.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. de situering, de oppervlakte, de goot- en of bouwhoogte van bebouwing;
  2. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
    een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) en met inachtneming van de regels zoals deze gesteld zijn in de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering.
3.3.2 Voorwaarden nadere eisen
De in 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
  1. indien die noodzakelijk zijn voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  3. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Bouwgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het overschrijden van de bouwgrenzen, mits de overschrijding om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is, met dien verstande dat de overschrijding ten hoogste 200 m² mag bedragen.
3.4.2 Goothoogte bedrijfsgebouwen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van de bouw van fruit-, aardappelopslag- en machineloodsen met een goothoogte groter dan 4,50 m, mits:
  1. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  2. landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind;
    met dien verstande dat de goothoogte ten hoogste 6,50 m mag bedragen.
3.4.3 Inhoud bedrijfswoning
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van de bedrijfswoning ten behoeve van de huisvesting van de rustende boer, mits dit niet leidt tot een zelfstandige extra woning, met dien verstande dat de inhoud ten hoogste 1.000 m3 mag bedragen.
3.4.4 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de maximale bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, mits:
  1. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  2. landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind;
met dien verstande dat de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen.
3.4.5 Teeltondersteunende voorzieningen en boogkassen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen en/of boogkassen buiten het bouwvlak, waarbij het gezamenlijk oppervlak van deze bouwwerken per bestemmingsvlak niet meer dan 2.500 m2 mag bedragen.
3.4.6 Inhoud mestopslagplaatsen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van mestopslagplaatsen, mits:
  1. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  2. landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind;
met dien verstande dat de inhoud ten hoogste 5.000 m3 mag bedragen.
3.4.7 Paardenbak
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van de oprichting van een paardenbak, met dien verstande dat:
  1. de afstand tussen de rand van de paardenbak en de woningen van derden minimaal 50 m bedraagt;
  2. de afmetingen van een paardenbak exclusief de omheining ten hoogste 40 bij 20 m mag bedragen;
  3. de hoogte van bouwwerken, waaronder omheiningen en springtoestellen, ten hoogste 1.50 m mag bedragen;
  4. door de realisatie van de paardenbak geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden ontstaan;
  5. door de realisatie van de paardenbak geen onevenredige nadelige gevolgen voor landschappelijke en natuurlijke waarden ontstaan;
  6. door de realisatie van de paardenbak geen aangrenzende landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, waaronder de kern kwaliteiten van het Nationaal landschap onevenredig worden aangetast.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Gebruik van de grond
Onder verboden gebruik wordt ten minste verstaan het gebruik van de gronden voor en/of als:
  1. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  2. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  3. nieuwvestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf;
  4. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  5. recreatieve doeleinden, anders dan toegelaten krachtens het plan;
  6. horeca;
  7. agrarische hulp- en nevenbedrijfsdoeleinden;
  8. opslag, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik tot een hoogte van ten hoogste 2,60 m.
3.5.2 Gebruik van opstallen
Onder verboden gebruik wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:
  1. woondoeleinden, anders dan in een bedrijfswoning;
  2. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  3. recreatieve doeleinden, anders dan toegelaten krachtens het plan;
  4. horeca;
  5. agrarische hulp- en nevenbedrijfsdoeleinden;
  6. opslagdoeleinden, ten behoeve van normaal bij de bestemming behorend gebruik.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels

 
3.6.1 Boerderijverkoop en/of bewerking van agrarische producten
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van boerderijverkoop, bewerking van agrarische producten en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten, mits:
  1. de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  2. de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
  3. de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  4. de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  5. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  6. boerderijverkoop onderdeel uitmaakt van een functionerend agrarisch bedrijf en wordt beëindigd bij beëindiging van het agrarisch bedrijf;
  7. uitsluitend boerderijverkoop plaats vindt van in hoofdzaak op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde of bewerkte agrarische producten;
  8. bewerking van agrarische producten uitsluitend de bewerking van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde producten betreft;
 met dien verstande dat: het vloeroppervlak voor boerderijverkoop ten hoogste 200 m² mag bedragen.
3.6.2 Zorg, dagrecreatie en culturele activiteiten
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van:
  1. het bieden van werk en verzorging aan hulpbehoevende mensen;
  2. dagrecreatie in de vorm van het bieden van dagarrangementen, excursies en bezichtigingen van (sier)tuinen, alsmede ondergeschikte horeca;
  3. culturele activiteiten zoals natuurcursussen en exposities;
    en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten, mits:
    1. de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
    2. de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
    3. de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven en/of woningen;
    4. de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
    5. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
    6. de dagrecreatieve en ondergeschikte horeca-activiteiten kleinschalig zijn en ten dienste staan van extensieve recreatie in de kern c.q. ondersteunend zijn aan wandel- en fietsroutes.
3.6.3 Kamperen op de boerderij
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van kamperen op de boerderij en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten, mits:
  1. de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  2. de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven en/of woningen;
  3. de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  4. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  5. kamperen alleen plaatsvindt tijdens het kampeerseizoen;
  6. buiten het kampeerseizoen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn;
  7. in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf';
  8. de afstand tot bestaande kampeerterreinen ten minste 500 m bedraagt;
  9. de afstand tot de erfgrens van naastgelegen woningen tenminste 50 m bedraagt;
  10. het kampeerterrein landschappelijk wordt ingepast in de omgeving, overeenkomstig de op de directe omgeving van toepassing zijnde landschapskarakteristiek;
  11. bij beëindiging van het agrarisch bedrijf het kamperen op de boerderij wordt beëindigd, uitgezonderd de situatie dat de kinderen van degenen, die het agrarisch bedrijf laatstelijk uitoefenden, het kamperen op de boerderij mogen voortzetten;
met dien verstande, dat:
  1. bij de afwijking het voor het kamperen op de boerderij te gebruiken deel van de bouwkavel wordt vastgelegd;
  2. maximaal 15 standplaatsen per locatie aanwezig mogen zijn; op de standplaatsen mogen geen chalets, trekkershutten of stacaravans worden geplaatst;
  3. sanitaire voorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht.
3.6.4 Bed & breakfast
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het exploiteren van een bed and breakfastgelegenheid, met dien verstande dat:
  1. wonen als hoofdfunctie van de betreffende (bedrijfs)woning gehandhaafd dient te worden;
  2. de bed and breakfastgelegenheid binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd moet kunnen worden;
  3. de bed and breakfastgelegenheid door de stedenbouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan gaan functioneren als een zelfstandige woning. Een aparte kookgelegenheid bij de voorziening is niet toegestaan;
  4. het maximum aantal gasten dat gelijktijdig gebruik mag maken van de bed and breakfastgelegenheid het aantal van acht niet mag overschrijden;
  5. de parkeerbalans in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloedt.
3.6.5 Vakantieappartementen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het exploiteren van vakantieappartementen en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten, mits:
  1. de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  2. het betreft karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, respectievelijk handhaving van de bestaande bebouwing noodzakelijk is voor of ondersteunend is aan handhaving van de stedenbouwkundige structuur;
  3. de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
  4. de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  5. de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  6. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  7. de vakantieappartementen kunnen worden ingepast binnen de bestaande monumentale en/of karakteristieke bebouwing;
met dien verstande, dat:
  1. het oppervlak van een vakantieappartement ten minste 50 m2 zal en ten hoogste 100 m2 mag bedragen;
  2. ten hoogste 5 vakantieappartementen per agrarisch bedrijf mogen worden gerealiseerd.
3.6.6 Stallen van kampeermiddelen en/of opslag van materialen
Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het toestaan van het stallen van kampeermiddelen tot een maximum van 50 onderkomens dan wel ten behoeve van de opslag van materialen, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik, mits:
  1. stalling en/of opslag plaatsvindt in bestaande gesloten gebouwen;
  2. de onderkomens en/of opgeslagen materialen aan het zicht onttrokken zijn;
  3. ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  4. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen', mits:
  1. de agrarische functie geheel is komen te vervallen;
  2. er door de bedrijfsbeëindiging in het plangebied geen nieuw agrarisch bedrijf bijkomt;
  3. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  4. de aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast;
  5. de woningbouw past binnen de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het regionaal volkshuisvestingsbeleid qua aantal en fasering;
  6. het te wijzigen bestemmingsvlak binnen de rode contour, ingevolge de Contourenatlas Zuid Limburg (vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 11 mei 2010), is gelegen;
  7. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;
  8. wordt aangetoond dat sprake is van een goed (akoestisch) leefklimaat in de woning;
  9. de woonbestemming infrastructureel goed inpasbaar is en niet tot onevenredige verkeersoverlast leidt;
    met dien verstande, dat:
    1. de bouwmassa niet mag toenemen, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;
    2. per agrarisch bedrijfscomplex binnen de hoofdbebouwing, zijnde dat deel van de bebouwing waarin ook reeds de bestaande bedrijfswoning is gelegen, maximaal 2 woningen mogen worden gerealiseerd (inclusief de bestaande bedrijfswoning);
    3. indien meerdere woningen worden gerealiseerd, voorafgaand aan de realisatie, het oppervlak aan bijgebouwen teruggebracht is tot ten hoogste 100 m² per woning, uitgezonderd bijgebouwen met landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden met een groter oppervlak, welke geheel behouden mogen worden;
    4. sprake is van straatgericht wonen, waarbij de voorgevel van de woning in de voorgevelrooilijn moet zijn gelegen;
    5. bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22, waarbij artikel 22.2.2 sub c. niet van toepassing is.