direct naar inhoud van Regels
Plan: Herziening bestemmingsplan Blauwestad 2021
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1895.18BP0008-0201

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan Herziening bestemmingsplan Blauwestad 2021 met identificatienummer NL.IMRO.1895.18BP0008-0201 van de gemeente Oldambt;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aan huis verbonden beroep of bedrijf:

een beroep, dat in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten en waarbij de woning de uitstraling van de woonfunctie behoudt; een voorbeeldlijst is opgenomen in Bijlage 1 onder categorie A;

1.6 achtererf:

het gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het hoofdgebouw is gelegen;

1.7 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren;

1.8 agrarisch bouwperceel:

een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan;

1.9 archeologisch deskundige:

een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie;

1.10 archeologisch onderzoek:

onderzoek naar archeologische waarden (bureauonderzoek en/of boren en/of graven en/of begeleiden) verricht door een daartoe bevoegde instantie;

1.11 archeologisch waardevol gebied

een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit de omgeving;

1.12 archeologische verwachtingswaarde

een aan een gebied toegekende waarde die aangeeft dat ter plaatse de trefkans op archeologische vondsten hoog is;

1.13 archeologische waarde:

waarde die aan een gebied is toegekend vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;

1.14 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.15 bebouwingspercentage:

een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een erf aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.16 bed & breakfastvoorziening:

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; een bed & breakfastvoorziening bestaat uit maximaal twee kamers in het hoofdgebouw ten behoeve van maximaal vier gasten en wordt gerund door de eigenaren van de betreffende woning;

1.17 bedrijfsbebouwing:

één of meerdere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan aan de uitoefening van een bedrijf;

1.18 bedrijfsmatige exploitatie:

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/ exploitatie dat in de recreatiewoningen - permanent wisselende - recreatieve (nacht) verblijfsmogelijkheden worden geboden;

1.19 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep c.q. een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.20 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.21 belemmeringenstrook:

een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van de leidingen;

1.22 beperkt kwetsbaar object:

een object als bedoeld in artikel 1, lid 1b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.23 bestaand:

ten aanzien van de bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik:

  • bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan;
1.24 bestaand gebruik:

het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod;

1.25 bestaande staloppervlakte:

gezamenlijke vloeroppervlakte van de stalruimtes waarin dieren worden gehouden, en de hiermee onlosmakelijk verbonden ruimtes waaronder gang- en looppaden, zoals op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is of gerealiseerd kan worden op grond van een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van stalvloeroppervlakte die gerealiseerd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en die in strijd is met het bestemmingsplan, inclusief de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan;

1.26 bestaande situatie (stikstofdepositie):

de activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan op grond van:

  • a. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet Natuurbescherming, of
  • b. een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt, of
  • c. indien een vergunning als bedoeld onder a ontbreekt: het feitelijke en planologisch legale gebruik;
1.27 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.28 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.29 biologische regelgeving:

regelgeving zoals opgenomen in de Landbouwkwaliteitswet, het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en in het bijzonder verordening (EG) 834/2007 en de bijbehorende bepalingen in verordening (EG) 889/2008 en verordening (EG) 1235/2008. Specifieke voor dierlijke productie is tevens de Wet dieren, het Besluit Diervoeders, de Regeling Diervoeders 2012, het Besluit Dierlijke producten en de Regeling Dierlijke producten 2012 van toepassing;

1.30 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functionel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.31 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.32 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.33 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.34 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.35 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.36 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.37 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.38 buitengebied:

gebieden aangegeven op kaart 1 van de Omgevingsverordening van de provincie Groningen;

1.39 café-restaurant:

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken en het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;

1.40 carport/overkapping:

een carport of overkapping, al dan niet aangebouwd aan een ander bouwwerk, bestaand uit een ruimte van lichte constructie, die van boven geheel of gedeeltelijk is afgesloten c.q. afgedekt en die geen eigen wanden heeft en die met ten hoogste twee wanden gebruik maakt van een ander gebouw;

1.41 dagrecreatie:

recreatief gebruik van gronden voor een periode niet langer dan een dag;

1.42 dagrecreatief medegebruik:

een dagrecreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit dagrecreatief gebruik is toegestaan;

1.43 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.44 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.45 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf;

1.46 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

1.47 drijvende woning:

een woning waarvan de drijvende fundering door middel van een sputpaal of andere verbinding vast is verankerd met de waterbodem of de wal en die daardoor niet horizontaal over het water kan worden verplaatst, zodanig dat sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk;

1.48 erf:

een al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover de bestemming deze inrichting niet verbiedt;

1.49 evenement:

een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvinden in de openlucht of in (tijdelijke) onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze, recreatieve en/of sportieve of daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten, festivals, e.d.;

1.50 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.51 gebruiksgerichte paardenhouderij:

paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden en het geven van instructies aan derden;

1.52 geluidzoneringplichtige inrichting:

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.53 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:

een agrarische bedrijfsvoering die niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf;

1.54 haagondersteunende constructie:

perceel- of terreinafscheiding, bestaande uit een gaaswerk aan palen en die bedoeld is om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten;

1.55 hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.56 horecabedrijf:

een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

1.57 horeca categorie 1:

een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms, snackbars, cafetaria's en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;

1.58 horeca categorie 2:

een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden verstrekt en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals cafés en bars;

1.59 horeca categorie 3:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt, zoals discotheken, dancings en nachtclubs;

1.60 huishouden:

één of meerdere personen, die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid gericht op een duurzaam samenzijn;

1.61 intensieve veehouderij:

agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en vleesstieren alsmede pelsdieren, met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving;

1.62 kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.63 kampeerplaats:

een stuk grond van maximaal 100 m² voor het plaatsen van één kampeermiddel met bijzettentjes van maximaal 6 m²;

1.64 kap:

een dak met een zekere helling;

1.65 kas:

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten;

1.66 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:

de in Bijlage 1 onder categorie B genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door haar beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.67 kleinschalige verblijfsrecreatie:

het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste 15 kampeerplaatsen al dan niet in combinatie met bijbehorende ondergeschikte dagrecreatieve voorzieningen, zoals ondergeschikte horeca, ondergeschikte detailhandel en het verhuren van kano's;

1.68 kunstwerk:

bouwkundige voorziening die onderdeel uitmaakt van de (weg-water-spoor) infrastructuur, bruggen, dammen, duikers, dijken en taluds, sluizen en tunnels;

1.69 kwetsbaar object:

een object als bedoeld in artikel 1, sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.70 landschappelijke waarden:

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied en de herkenbaarheid van het historische ontwikkelingsproces;

1.71 logiesverstrekking:

verblijfsrecreatie, die met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal vier personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is;

1.72 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.73 manege:

paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden (inclusief instructie) aan derden, al dan niet in combinatie met stallingsruimte voor paarden van derden en al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het manegebedrijf;

1.74 mast:

verticale paal ter bevestiging of geleiding van voorwerpen op een niveau dat boven grond gelegen is;

1.75 mestsilo:

een constructie van beton, hout of staal bekleed met folie of beton, dan wel een gemetselde constructie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven ten behoeve van de opslag van mest. Onder een mestsilo wordt niet begrepen een mestkelder, zijnde een volledig ondergrondse bak, die is gecombineerd met een gebouw;

1.76 mestvergistingsinstallatie (co-vergisting):

installatie voor het produceren van duurzame energie door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichts-procenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen, inclusief installaties voor opslag en bewerking van het biogas, en voor- tussen- en na opslag van mest;

1.77 mobiel kampeermiddel:

een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze te plaatsen op een kleinschalig kampeerterrein gedurende ten hoogste 3 aansluitende maanden per kampeerseizoen;

1.78 natuurlijke waarden:

de aan een gebied toegekende waarden gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

1.79 nevenactiviteiten:

aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen;

1.80 normaal onderhoud:

onderhoudswerkzaamheden, als het vervangen van bestrating en dergelijke, die niet leiden tot verstoring van de ongeroerde bodem;

1.81 objecten voor minder zelfredzame personen:

objecten zoals basisscholen en scholen voor bijzonder onderwijs, zorginstellingen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, kinderdagopvang, aanleunwoningen bij zorginstellingen of bejaardenhuizen, dagverblijfplaatsen voor minder zelfredzame personen (bijvoorbeeld sociale werkvoorziening), cellencomplexen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen;

1.82 ondergeschikte detailhandel:

detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de volgens het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. De detailhandelsactiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft;

1.83 ondergeschikte horeca:

horeca die uitsluitend gericht is op het verstrekken van dranken en/of etenswaren op een wijze die ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie van een perceel;

1.84 paardenbak:

een door middel van afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

1.85 peil:
  • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst;
      • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • 3. voor water;
      • het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP); tevens de waterstand die zo veel mogelijk wordt gehandhaafd en die wordt vastgelegd in een peilbesluit;
1.86 permanente bewoning:

de bewoning van een recreatiewoning als hoofdverblijf;

1.87 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.88 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.89 recreatiewoning:

een permanent aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of een daarmee gelijk te stellen groep van personen, die het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond;

1.90 risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

1.91 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichtingen wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.92 silo:

een bouwwerk ten behoeve van agrarische opslagdoeleinden;

1.93 stacaravan:

een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als (vast) kampeermiddel valt aan te merken;

1.94 standplaats:

een kavel, bestemd voor het plaatsen van een kampeermiddel;

1.95 steiger:

houten aanlegplaats voor schepen;

1.96 supermarkt:

een detailhandelsbedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het verkopen van voedings- en genotmiddelen en dagelijks levensbenodigdheden in een algemeen assortiment, in de vorm van een zelfbedieningszaak;

1.97 talud:

natuurlijke en kunstmatige glooiing van terreinen en van aardwerken;

1.98 terrein:

door een type landgebruik gekarakteriseerd zichtbaar begrensd stuk grond, niet zijnde weg, spoorbaan of water;

1.99 theetuin:

een kleinschalige horecagelegenheid waar uitsluitend niet-alcoholische dranken en kleine koude gerechten worden geserveerd; de openingstijden van een theetuin zullen tussen 9.00 uur en zonsondergang liggen;

1.100 trekkershut:

een kleinschalig gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor kortdurend recreatief nachtverblijf;

1.101 twee aaneen:

twee woningen (of twee andere gebouwen) die tegen elkaar zijn aan gebouwd of slechts worden gescheiden door een gezamenlijke muur;

1.102 vast kampeermiddel:

een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf op een kampeerterrein, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond (plaatsgebonden) en daardoor als bouwwerk is aan te merken;

1.103 voorgevel:

de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan de weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

1.104 watergebonden bedrijfsactiviteiten:

een activiteit die ter uitoefening van het beroep of bedrijf noodzakelijkerwijs op het water plaatsvindt en met het water een aanwijsbare en vanzelfsprekende binding heeft;

1.105 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit;

1.106 waterstaatswerken:

een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering, alsmede ondersteunende kunstwerken en de bediening daarvan, zoals bruggen, dammen, duikers, dijken en taluds, sluizen en tunnels;

1.107 waterwoning:

een drijvende woning of een woning die is gebouwd in het water en rondom door water wordt omgeven;

1.108 windturbine:

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

1.109 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel een daarmee gelijk te stellen samenhangende groep van personen;

1.110 woongebouw:

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd;

1.111 woonschip:

elk drijvend of anderszins geheel of in hoofdzaak in het water geplaatst voorwerp, dat uitsluitend of in hoofdzaak als woning gebezigd of tot woning bestemd is, ook indien het nog in aanbouw is;

1.112 zorgboerderij:

een activiteit waarbij een agrarisch bedrijf naast het agrarisch beheer van omringende gronden, ruimte biedt aan psychiatrische patiënten, gehandicapten, langdurig zieken of chronisch zieken om daar (eventueel voor langere tijd) te verblijven en eventueel mee te helpen binnen het bedrijf, conform het principe van een zorginstelling.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

de snijlijn van een dakvlak en een evenwijdig aan de noklijn gelegen gevelvlak van een gebouw tot het peil;

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:

de kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel.

2.7 ondergeschikte bouwdelen:

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen ten hoogste 1,50 m bedraagt. Ook dakkapel(len) worden buiten beschouwing gelaten, mits de breedte hiervan totaal niet meer dan 49% van de breedte van het dakvlak bedraagt en de zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak liggen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf: met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met inbegrip van houtteelt;
  • b. de opwekking van elektriciteit door middel van (co-)vergisting ten behoeve van bedrijven genoemd onder a, voor zover:
    • 1. bij de exploitatie van een dergelijke installatie voor ten minste 50% gebruik wordt gemaakt van mest of co-substraten afkomstig uit het eigen bedrijf, dan wel dat het product van de vergisting, waaronder begrepen restproduct, voor minimaal 50% wordt ingezet binnen het eigen agrarische bedrijf;
    • 2. de capaciteit niet meer bedraagt dan 100 ton per dag;
  • c. agrarische cultuurgrond;
  • d. dagrecreatief medegebruik: met de daarbij behorende voorzieningen;
  • e. een parkeerterrein, ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • f. een botenhuis, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - botenhuis';
  • g. tuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuin';
  • h. een voet- en fietsveer, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voetveer';

met de daarbij behorende:

  • i. gebouw:en;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. parkeervoorzieningen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. wegen, straten en paden;
  • o. nutsvoorzieningen;
  • p. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

met dien verstande dat in het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf':

  • q. de inpandige opslag van caravans, boten en daarmee gelijk te stellen goederen is inbegrepen voor zover deze functie ondergeschikt is aan de agrarische bedrijfsvoering;
  • r. paardenbak:ken zijn inbegrepen voor zover deze worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf en met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 800 m²;
    • 2. de afstand tussen de paardenbak en de woning van derden minimaal 30 m bedraagt;
    • 3. de paardenbak achter de achtergevel van de bedrijfswoning dient te worden gerealiseerd;
    • 4. de hoogte van de omheining niet meer dan 2 m bedraagt;
  • s. kleinschalige verblijfsrecreatie: is inbegrepen in de vorm van bed and breakfast met ten hoogste twee kamers, dan wel het bestaande aantal kamers indien dat meer bedraagt;
  • t. kleinschalige aan de agrarische bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel in ambachtelijke, agrarische en/of aan de agrarische sector gelieerde producten is toegestaan op een inpandige vloeroppervlakte van ten hoogste 120 m2.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemene bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek geldt dat de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen moet worden gehandhaafd (zie ook artikel 36.1).

3.2.2 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de omvang van het agrarisch bouwperceel: bedraagt niet meer dan 10.000 m2;
  • b. de gebouwen dienen zoveel mogelijk aaneengesloten te worden gebouwd;
  • c. per agrarisch bouwperceel: is ten hoogste één bedrijf toegestaan;
  • d. het bouwen van gebouwen en overkappingen is uitsluitend toegestaan binnen het agrarisch bouwperceel:, met uitzondering van bestaande solitair gesitueerde bedrijfsbebouwing en schuilstallen voor het niet-bedrijfsmatig houden van vee tot een oppervlakte van ten hoogste 25 m2;
  • e. uitsluitend de bestaande stallen zijn toegestaan;
  • f. een uitzondering op het bepaalde onder e geldt voor het oprichten van nieuwe gebouwen ten behoeve van het houden van vee onder voorwaarde dat dit uitsluitend is toegestaan indien is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf ten opzichte van de bestaande situatie (stikstofdepositie):;
  • g. binnen de bestemming mogen geen kassen en binnenrijbanen worden gebouwd;
  • h. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 6 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • i. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 14 m;
  • j. de dakhelling van een gebouw bedraagt ten minste 20°, dan wel ten minste de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • k. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 6 m.
3.2.3 Bebouwing voor vergister

Voor bebouwing ten behoeve van het gebruik als bedoeld in lid 3.1 sub b (vergisting) gelden de volgende regels:

  • a. de inhoud van bouwwerken ten behoeve van deze functie mag niet meer bedragen dan 2.500 m³, dan wel de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt;
  • b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m exclusief de afdekking.
3.2.4 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. per agrarisch bedrijf: mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' waarvoor geldt dat de bouw van een bedrijfswoning niet is toegestaan;
  • b. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 200 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is;
  • c. het bouwen van een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken is uitsluitend toegestaan binnen het agrarisch bouwperceel:;
  • d. voor zover een niet-inpandige bedrijfswoning wordt gebouwd geldt dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 10 m bedraagt, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 3. de dakhelling ten minste 20° en ten hoogste 60° bedraagt.
3.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m² , dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping ten hoogste 3,5 m mag bedragen.
3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen een agrarisch bouwperceel: worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bestaande solitair gesitueerde voorzieningen voor de opslag van mest- en veevoer;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van mestsilo's inclusief kap bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de bouwhoogte van opslagsilo's bedraagt ten hoogste 13 m;
  • d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • e. het aantal windturbine:s bedraagt niet meer bedraagt dan één per agrarisch bouwperceel:, dan wel niet meer dan het bestaande aantal;
  • f. de ashoogte van windturbine:s bedraagt niet meer dan 15 m;
  • g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m;
  • h. het oprichten van lichtmasten ten behoeve van paardenbakken is niet toegestaan.
3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
3.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.2.2 sub g, voor het oprichten van kassen, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte niet meer bedraagt dan 4,5 m;
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7 m;
    • 3. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 400 m²;
    • 4. uit een erfinrichtingsplan moet blijken op welke wijze de kassen in het omringende landschap worden ingepast; het gebruik van de kassen is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan;
    • 5. maatregelen worden genomen waardoor lichtuitstraling zoveel mogelijk wordt voorkomen;
  • b. lid 3.2.2 sub g, voor het bouwen van een binnenrijbaan, met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.200 m²;
    • 2. de goothoogte en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 4,5 m en 9 m;
    • 3. de noodzaak voor de agrarische bedrijfsvoering wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
    • 4. uit een erfinrichtingsplan moet blijken op welke wijze de binnenrijbaan in het omringende landschap wordt ingepast het gebruik van de binnenrijbaan is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan;
  • c. lid 3.2.5 sub a, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de voorgevelrooilijn de dan wel vóór de voorgevel van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan;
  • d. lid 3.2.6 sub a, voor het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het agrarisch bouwperceel:, mits:
    • 1. objectief wordt aangetoond dat de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk zijn, en;
    • 2. de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer zoveel mogelijk aansluiten op bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel, waarbij een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel niet mag worden overschreden; en
    • 3. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en
    • 4. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en
    • 5. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel, wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning;
  • e. lid 3.2.6 sub h, voor het oprichten van lichtmasten bij paardenbakken, met dien verstande dat:
    • 1. het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan vier;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 6 m bedraagt;
    • 3. de verlichting uitsluitend mag worden gebruikt tussen 7.00 uur en 23.00 uur;
    • 4. de verlichting maximaal 60 LUX/m² mag produceren, gemeten 1 m boven de bodem van de bak;
    • 5. de lichtbundel door afscherming volledig wordt gericht op de bak.
3.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bestaande gebouwen, niet zijnde stallen, voor het houden van vee;
  • b. het gebruik van meer dan één bouwlaag van gebouwen voor het houden van dieren;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van intensieve veehouderij;
  • d. het toepassen van naar buiten uitstralende stalverlichting bij nieuwe ligboxstallen, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
    • 1. de lichtsterkte bedraagt niet meer dan 150 LUX/m²;
    • 2. de onder 1 geldende beperking geldt niet wanneer de stal wordt voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling tussen 20.00 uur en 06.00 uur met ten minste 90% reduceren;
  • e. het opwekken van elektriciteit door middel van (co-)vergisting van mest en andere biomassa met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag;
  • f. het gebruik van een bedrijfswoning als zelfstandige woning;
  • g. het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning voor zelfstandige bewoning;
  • h. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens deze bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • i. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.5 sub a, voor het gebruik van bestaande gebouwen voor het houden van vee, mits is aangetoond dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden als gevolg van ammoniakdepositie.
  • b. lid 3.5 sub i, voor het gebruik van de gronden van het agrarisch bouwperceel: voor nevenactiviteiten: bij het agrarisch bedrijf:, in de vorm van kleinschalige verblijfsrecreatie:, mits:
    • 1. de afstand tussen de perceelgrens van het meest nabijgelegen kampeerterrein of terrein voor kleinschalig kamperen minimaal 500 m bedraagt;
    • 2. de afstand tussen het kleinschalig kampeerterrein en de erfgrens van woningen van derden minimaal 50 m bedraagt ;
    • 3. het kleinschalig kampeerterrein grenst aan de woning/bedrijfsbebouwing van de betreffende beheerder;
    • 4. de oppervlakte van het terrein voor kleinschalig kamperen minimaal 0,5 ha bedraagt;
    • 5. chalets, trekkershutten of stacaravans zijn niet toegestaan;
    • 6. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken maximaal 50 m² bedraagt ;
    • 7. het aantal kampeerplaatsen is beperkt tot 15.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de bestemming, voor zover het betreft vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen met bijbehorende erven bij beëindiging van het agrarisch bedrijf:, wijzigen in de bestemming Bedrijf, Horeca of Wonen,

Aan de wijziging zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • 1. de functie wonen is slechts toegestaan:
      • in het hoofdgebouw;
      • in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw,

mits het toevoegen van nieuwe woningen past binnen de Woonvisie Oldambt 2015-2020 en haar herzieningen, dan wel opvolgende woonvisies;

  • 2. de bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie, waarbij het aantal wooneenheden per voormalig (agrarisch) bedrijf niet meer bedraagt dan één;
  • 3. de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappngen, bedraagt niet meer dan 300 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
  • 4. in afwijking van het vorenstaande mag het aantal wooneenheden per voormalig agrarisch bedrijf: in geval van splitsing niet meer dan twee bedragen, met dien verstande dat de oppervlakte van het hoofdgebouw minimaal 180 m² bedraagt, mits het toevoegen van nieuwe woningen past binnen de Woonvisie Oldambt 2015-2020 en haar herzieningen, dan wel opvolgende woonvisies;
  • 5. het gebruik voor bedrijfsactiviteiten moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing, met dien verstande dat, met uitzondering van opslag, de bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd op het bijbehorende erf;
  • 6. er moet zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. Een verzoek om afwijking dient gepaard te gaan met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing waarbij tevens wordt bezien of de landschappelijk verstorende bebouwing kan worden afgebroken of verplaatst of aangepast;
  • 7. er mag geen afbreuk worden gedaan aan de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen (agrarische) bedrijven;
  • 8. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het milieu, de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater;
  • 9. er mag geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking ontstaan;
  • 10. indien sprake is van detailhandel, dient de bedrijfsvloeroppervlakte voor detailhandel beperkt te blijven tot maximaal 200 m²;
  • 11. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van respectievelijk de bestemming 'Bedrijf', 'Horeca' of 'Wonen' van toepassing.

Artikel 4 Agrarisch - Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. de opwekking van elektriciteit door middel van (co-)vergisting, voor zover:
    • 1. bij de exploitatie van een dergelijke installatie voor ten minste 50% gebruik wordt gemaakt van mest of co-substraten afkomstig uit het eigen bedrijf, dan wel dat het product van de vergisting, waaronder begrepen restproduct, voor minimaal 50% wordt ingezet binnen het eigen agrarische bedrijf;
    • 2. de capaciteit niet meer bedraagt dan 100 ton per dag;
  • a. bedrijfswoningen;
  • b. cultuurgrond;
  • c. bedrijfsgebouwen;
  • d. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • e. tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, straten en paden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. de instandhouding van de bestaande karakteristieke hoofdvorm ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';

met dien verstande dat in het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf':

  • 1. de inpandige opslag van caravans, boten en daarmee gelijk te stellen goederen is inbegrepen voor zover deze functie ondergeschikt is aan de agrarische bedrijfsvoering;
  • 2. paardenbakken zijn inbegrepen voor zover deze worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf en met dien verstande dat:
    • a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 800 m²;
    • b. de afstand tussen de paardenbak en de woning van derden minimaal 30 m bedraagt;
    • c. de paardenbak achter de achtergevel van de bedrijfswoning dient te worden gerealiseerd;
    • d. de hoogte van de omheining niet meer dan 2 m bedraagt;
  • 1. kleinschalige verblijfsrecreatie is inbegrepen in de vorm van:
    • a. minicampings;
    • b. bed and breakfast met ten hoogste twee kamers, dan wel het bestaande aantal kamers indien dat meer bedraagt;
  • 2. kleinschalige aan de agrarische bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel in ambachtelijke, agrarische en/of aan de agrarische sector gelieerde producten op een inpandige vloeroppervlakte van ten hoogste 120 m2,
4.2 Bouwregels
4.2.1 Bebouwing ten dienste van de bedrijfsmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf

  • 1. Ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf is bebouwing toegestaan, met dien verstande dat:
    • a. de omvang van het bouwperceel in landbouwontwikkelingsgebied niet meer mag bedragen dan 15.000 m2 en in verwevingsgebied niet meer dan 10.000 m2; de gebouwen dienen zoveel mogelijk aaneengesloten te worden gebouwd;
    • b. alleen bebouwing binnen het bouwperceel is toegestaan;
    • c. uitsluitend de bestaande stallen zijn toegestaan;
    • d. een uitzondering op het bepaalde onder c geldt voor het oprichten van nieuwe gebouwen ten behoeve van het houden van vee onder de voorwaarde dat dit uitsluitend is toegestaan indien is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf;
    • e. binnen de bestemming geen kassen en binnenrijbanen mogen worden gebouwd;
  • 2. Voor bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels ten aanzien van de maatvoering:
    • a. de goot- en bouwhoogte mogen ten hoogste respectievelijk 5 m en 14 m bedragen, dan wel de bestaande goot- en/of bouwhoogte indien deze meer bedragen;
    • b. de dakhelling moet minimaal 20° bedragen, dan wel ten minste de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt.
  • 3. Voor bebouwing ten behoeve van het gebruik als bedoeld in lid 4.1, sub b (co-vergisting) gelden de volgende regels:
    • a. de inhoud van bouwwerken ten behoeve van deze functie mag niet meer bedragen dan 2.500 m³, dan wel de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt;
    • b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m exclusief de afdekking.
    • c. Binnen de bestemming mag de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 5 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is, met dien verstande dat:
  • 4. de bouwhoogte van opslagsilo’s ten hoogste 12 m mag bedragen;
  • 5. het oprichten van lichtmasten ten behoeve van paardenbakken niet is toegestaan;
  • 6. windmolens mogen worden gebouwd met een askophoogte van ten hoogste 15 m.
4.2.2 Bebouwing ten dienste van bedrijfswoningen

Hoofdgebouwen

  • 1. Per bedrijf is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan, dan wel het bestaande aantal indien dit meer bedraagt.
  • 2. Voor gebouwen ten behoeve van de woonfunctie gelden de volgende regels ten aanzien van de maatvoering:
    • a. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 200 m², dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is;
    • b. de goot- en bouwhoogte van een bedrijfswoning bedragen respectievelijk maximaal 6 m en 10 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
    • c. de dakhelling van een bedrijfswoning moet ten minste 30° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt;
    • d. de totale oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie bedraagt maximaal 70 m², dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
    • e. de goot- en bouwhoogte van aanbouwen en bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie bedragen respectievelijk maximaal 3 m en 6 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
    • f. indien een aanbouw of bijgebouw wordt voorzien van een kap, bedraagt de dakhelling ten minste 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
    • g. de afstand van een vrijstaand bijgebouw tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning bedraagt ten minste 4 m, dan wel de bestaande afstand indien deze kleiner is.


Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  • 1. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    • a. carports zullen op ten minste 1 m achter de gevellijn van het hoofdgebouw worden gebouwd;
    • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen, met dien verstande dat:
    • c. voor erf- en terreinafscheidingen geldt dat de hoogte voor de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning niet meer dan 1 m mag bedragen en daarachter niet meer dan 2 m mag bedragen;
    • d. de hoogte van vlaggenmasten niet meer mag bedragen dan 6 m.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het landschaps- en bebouwingsbeeld;
  • de duisternis;
  • de milieusituatie;
  • het uitzicht van woningen;
  • de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan de plaats van bebouwing, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de architectonische, cultuurhistorische en/of situatieve waarde zoveel mogelijk in stand wordt gehouden.

4.4 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van afwijking van:
    • 1. het bepaalde in artikel 4.2.1 onder 1c en d voor het bouwen van stallen, mits is aangetoond dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden als gevolg van ammoniakdepositie;
    • 2. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 1e voor het oprichten van kassen, met dien verstande dat:
      • de goothoogte niet meer bedraagt dan 4,5 m;
      • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7 m;
      • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 400 m²;
      • uit een erfinrichtingsplan moet blijken op welke wijze de kassen in het omringende landschap worden ingepast; het gebruik van de kassen is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan;
      • maatregelen worden genomen waardoor lichtuitstraling zoveel mogelijk wordt voorkomen;
    • 3. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 1e voor het bouwen van een binnenrijbaan, met dien verstande dat:
      • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.200 m²;
      • de goothoogte en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 4,5 m en 9 m;
      • de noodzaak voor de agrarische bedrijfsvoering wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
      • uit een erfinrichtingsplan moet blijken op welke wijze de binnenrijbaan in het omringende landschap wordt ingepast het gebruik van de binnenrijbaan is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan;
    • 4. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 2a ten behoeve van een hogere goothoogte, met dien verstande dat de goothoogte niet meer dan 6 m mag bedragen;
    • 5. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 2b ten behoeve van een dakhelling kleiner dan 20o;
    • 6. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 5 ten behoeve van het oprichten van lichtmasten bij paardenbakken, met dien verstande dat:
      • het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan vier;
      • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m;
      • de verlichting uitsluitend mag worden gebruikt tussen 7.00 uur en 23.00 uur;
      • de verlichting maximaal 60 LUX/m² mag produceren, gemeten 1 m boven de bodem van de bak;
      • de lichtbundel door afscherming volledig wordt gericht op de bak;
    • 7. het bepaalde in lid 4.2.2, onder 2d ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:
      • de maximaal toegestane oppervlakte met ten hoogste 100 m² mogen worden overschreden;
      • de zorgbehoefte overtuigend dient te zijn aangetoond middels een indicatiestelling door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ);
      • bijgebouwen waarin de mantelzorg wordt ondergebracht qua ligging een ruimtelijke eenheid dienen te vormen met de bedrijfswoning.

  • b. De onder a bedoelde omgevingsvergunningen mogen:
    • 1. voor zover het bestemmingsvlak is gelegen in een gebied dat voor het overige is bestemd voor Agrarisch met waarden geen onevenredige afbreuk doen aan de waarden die voor het betreffende gebied zijn omschreven;
    • 2. geen negatieve invloed hebben op het milieu, de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater;
    • 3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van andere gronden en gebouwen.
4.5 Specifieke gebruiksregels

Onder met dit bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in elk geval begrepen:

  • a. het gebruik van bestaande gebouwen, niet zijnde stallen, voor het houden van vee;
  • b. het opwekken van elektriciteit door middel van (co-)vergisting van mest met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag;
  • c. het toepassen van naar buiten uitstralende stalverlichting tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
    • 1. de lichtsterkte bedraagt niet meer dan 150 LUX/m²;
    • 2. de onder 1 geldende beperking geldt niet wanneer de stal wordt voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling tussen 20.00 uur en 06.00 uur met ten minste 90% reduceren;
  • d. het gebruik van gronden voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van afwijking van het bepaalde in lid 4.1 onder 3a en toestaan dat minicampings worden gevestigd, met dien verstande dat aan het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning de volgende voorwaarden worden gesteld:

  • a. de afstand tussen de perceelgrens van het meest nabijgelegen kampeerterrein of terrein voor kleinschalig kamperen bedraagt minimaal 500 m;
  • b. de afstand tussen het kleinschalig kampeerterrein en de erfgrens van woningen van derden bedraagt minimaal 50 m;
  • c. het kleinschalig kampeerterrein dient te grenzen aan de woning/bedrijfsbebouwing van de betreffende beheerder;
  • d. de oppervlakte van het terrein voor kleinschalig kamperen bedraagt minimaal 0,5 ha;
  • e. chalets, trekkershutten of stacaravans zijn niet toegestaan op kleinschalige kampeerterreinen;
  • f. de oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt maximaal 50 m²;
  • g. het aantal kampeerplaatsen is beperkt tot 15;

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan, voor zover het betreft vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen met bijbehorende erven bij beëindiging van het agrarisch bedrijf, wijzigen:

  • a. ten behoeve van een woonfunctie, mits het aantal wooneenheden per voormalig agrarisch bedrijf niet meer dan twee bedraagt en met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte van het te splitsen hoofdgebouw minimaal 180 m² bedraagt;
    • 2. de splitsing past binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde nieuwbouwruimte;
    • 3. na wijziging de bepalingen van artikel Wonen van overeenkomstige toepassing zijn;
  • b. ten behoeve van sociale, culturele, medische, maatschappelijke en educatieve functies, waaronder begrepen expositieruimten, een kinderboerderij, een kampeerboerderij, dan wel naar de aard en de omvang daarmee gelijk te stellen functies;
  • c. ten behoeve van bedrijven genoemd in de als Bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijven, categorieën 1 en 2 van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering'(2009) van de VNG ofwel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven;

met dien verstande dat:

  • de functies genoemd onder b en c uitsluitend zijn toegestaan in combinatie met de woonfunctie;
  • de functies genoemd onder b en c uitsluitend plaats mogen vinden binnen de bestaande gebouwen, met dien verstande dat bedrijfsactiviteiten (niet zijnde buitenopslag) kunnen worden uitgeoefend op het bijbehorende erf;
  • gebouwen die onderdeel uitmaken van voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen niet mogen worden vergroot, de bestaande verschijningsvorm en maatvoering behouden blijft, er geen nieuwe gebouwen worden opgericht en gebouwen niet geheel of nagenoeg geheel worden veranderd;
  • landschappelijk verstorende bebouwing dient te worden afgebroken;
  • geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen (agrarische) bedrijven en woningen;
  • op basis van een inpassings- en beplantingsplan zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • de genoemde functies met gebruikmaking van een nieuwe wijzigingsprocedure, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, onderling uitwisselbaar zijn;
  • de bestemming ook weer kan worden gewijzigd naar een agrarisch bedrijf.

Toetsingscriterium

Een besluit tot wijziging wordt niet genomen indien de wijziging een negatieve invloed heeft op de ontwikkelings- en/of gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en gebouwen.

 

Artikel 5 Agrarisch - Paardenhouderij

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Paardenhouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een gebruiksgerichte paardenhouderij:, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals binnenrijbaan, paddocks, stapmolen, longeercirkel en paardenbak;
  • b. de uitoefening van een productiegerichte paardenhouderij, ter plaatse van de aanduiding 'paardenfokkerij';

met de daarbij behorende:

  • c. gebouwen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. wegen, straten en paden;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

met dien verstande dat in het doel 'uitoefening van een gebruiksgerichte paardenhouderij':

  • 1. de inpandige opslag van caravans, boten en daarmee gelijk te stellen goederen is inbegrepen;
  • 2. de opwekking van elektriciteit door middel van (co-)vergisting niet is inbegrepen.
  • 3. paardenbakken zijn inbegrepen, met dien verstande dat:
    • a. de afstand tussen de paardenbak en de woning van derden minimaal 50 m bedraagt;
    • b. de paardenbak achter de achtergevel van de bedrijfswoning dient te worden gerealiseerd;
    • c. de hoogte van de omheining niet meer dan 2 m bedraagt;
  • 4. uitsluitend bestaande binnenrijbanen zijn inbegrepen;
  • 5. kleinschalige verblijfsrecreatie is inbegrepen in de vorm van een bed and breakfast met ten hoogste twee kamers, dan wel het bestaande aantal kamers indien dat meer bedraagt.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijf toegestaan;
  • b. het bouwen van gebouwen en overkappingen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak:;
  • c. utsluitend de bestaande stallen zijn toegestaan;
  • d. een uitzondering op het bepaalde onder c geldt voor het oprichten van nieuwe gebouwen ten behoeve van het houden van vee onder voorwaarde dat dit uitsluitend is toegestaan indien is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf ten opzichte van de bestaande situatie (stikstofdepositie):;
  • e. binnen de bestemming zijn één binnenrijbaan en een overdekte paardenbak toegestaan;
  • f. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 5 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • g. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 14 m;
  • h. de dakhelling van een gebouw bedraagt ten minste 20°, dan wel ten minste de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • i. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 5 m.
5.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. per bedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd;
  • b. het bouwen van een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak:;
  • c. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 200 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is;
  • d. de goot- en bouwhoogte van een bedrijfswoning bedragen respectievelijk maximaal 6 m en 10 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
  • e. de dakhelling van een bedrijfswoning bedraagt ten minste 30° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt.
5.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m² , dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping ten hoogste 3,5 m mag bedragen.
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • c. het aantal windturbine:s bedraagt niet meer bedraagt dan één per bouwperceel, dan wel niet meer dan het bestaande aantal;
  • d. de ashoogte van windturbine:s bedraagt niet meer dan 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m;
  • f. het oprichten van lichtmasten ten behoeve van paardenbakken is niet toegestaan.
5.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.

5.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.2.1 sub c, voor het bouwen van stallen, mits is aangetoond dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden als gevolg van ammoniakdepositie;
  • b. lid 5.2.4 sub f, voor het oprichten van lichtmasten bij paardenbakken, met dien verstande dat:
    • 1. het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan vier;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 6 m bedraagt;
    • 3. de verlichting uitsluitend mag worden gebruikt tussen 7.00 uur en 23.00 uur;
    • 4. de verlichting maximaal 60 LUX/m² mag produceren, gemeten 1 m boven de bodem van de bak;
    • 5. de lichtbundel door afscherming volledig wordt gericht op de bak.
5.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bestaande gebouwen, niet zijnde stallen, voor het houden van vee;
  • b. het gebruik van meer dan één bouwlaag van gebouwen voor het houden van dieren;
  • c. het gebruik van een bedrijfswoning als zelfstandige woning;
  • d. het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning voor zelfstandige bewoning;
  • e. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens deze bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • f. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
5.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.5 sub a, voor het gebruik van bestaande gebouwen voor het houden van vee, mits is aangetoond dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden als gevolg van ammoniakdepositie;
  • b. lid 5.5 sub f, voor het gebruik van de gronden voor nevenactiviteiten: bij het bedrijf, in de vorm van kleinschalige verblijfsrecreatie:, mits:
    • 1. de afstand tussen de perceelgrens van het meest nabijgelegen kampeerterrein of terrein voor kleinschalig kamperen minimaal 500 m bedraagt;
    • 2. de afstand tussen het kleinschalig kampeerterrein en de erfgrens van woningen van derden minimaal 50 m bedraagt ;
    • 3. het kleinschalig kampeerterrein grenst aan de woning/bedrijfsbebouwing van de betreffende beheerder;
    • 4. de oppervlakte van het terrein voor kleinschalig kamperen minimaal 0,5 ha bedraagt;
    • 5. chalets, trekkershutten of stacaravans zijn niet toegestaan;
    • 6. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken maximaal 50 m² bedraagt ;
    • 7. het aantal kampeerplaatsen is beperkt tot 15.
5.7 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de bestemming, voor zover het betreft vrijkomende bedrijfsgebouwen met bijbehorende erven bij beëindiging van de paardenhouderij, wijzigen in de bestemming Bedrijf, Horeca of Wonen,

Aan de wijziging zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • 1. de functie wonen is slechts toegestaan:
      • in het hoofdgebouw;
      • in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw,

mits het toevoegen van nieuwe woningen past binnen de Woonvisie Oldambt 2015-2020 en haar herzieningen, dan wel opvolgende woonvisies;

  • 2. de bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie, waarbij het aantal wooneenheden per voormalig bedrijf niet meer bedraagt dan één;
  • 3. de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappngen, bedraagt niet meer dan 300 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
  • 4. in afwijking van het vorenstaande mag het aantal wooneenheden per voormalig bedrijf in geval van splitsing niet meer dan twee bedragen, met dien verstande dat de oppervlakte van het hoofdgebouw minimaal 180 m² bedraagt, mits het toevoegen van nieuwe woningen past binnen de Woonvisie Oldambt 2015-2020 en haar herzieningen, dan wel opvolgende woonvisies;
  • 5. het gebruik voor bedrijfsactiviteiten moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing, met dien verstande dat, met uitzondering van opslag, de bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd op het bijbehorende erf;
  • 6. er moet zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. Een verzoek om afwijking dient gepaard te gaan met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing waarbij tevens wordt bezien of de landschappelijk verstorende bebouwing kan worden afgebroken of verplaatst of aangepast;
  • 7. er mag geen afbreuk worden gedaan aan de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen (agrarische) bedrijven;
  • 8. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het milieu, de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater;
  • 9. er mag geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking ontstaan;
  • 10. indien sprake is van detailhandel, dient de bedrijfsvloeroppervlakte voor detailhandel beperkt te blijven tot maximaal 200 m²;
  • 11. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van respectievelijk de bestemming 'Bedrijf', 'Horeca' of 'Wonen' van toepassing.

Artikel 6 Bedrijf

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in de als Bijlage 2 bij de regels opgenomen Staat van bedrijven onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringplichtige en risicovolle inrichtingen;
  • b. bestaande bedrijven, uitsluitend in de bestaande omvang, voor zover deze niet vallen onder a;
  • c. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen;

met de daarbij behorende:

  • d. gebouwen;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • f. tuinen, erven en terreinen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemene bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek geldt dat de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen moet worden gehandhaafd (zie ook artikel 36.1).

6.2.2 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijf toegestaan;
  • c. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 8,5 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • e. de dakhelling van een gebouw bedraagt ten minste 20° en ten hoogste 60°;
  • f. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte' mag de oppervlakte van de gebouwen met ten hoogste 20% worden uitgebreid ten opzichte van de bestaande oppervlakte.
6.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten', waarvoor geldt dat de bouw van een bedrijfswoning niet is toegestaan;
  • c. voor zover een niet-inpandige bedrijfswoning wordt gebouwd geldt dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 9 m bedraagt, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 3. de dakhelling ten hoogste 60° bedraagt;
    • 4. de inhoud ten hoogste 600 m³ bedraagt.
6.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m² , dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen dan 3,5 m.
6.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
6.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid en parkeerdruk;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving;
  • f. een goede landschappelijke inpassing.
6.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 6.2.2 sub a en lid 6.2.3 sub a voor het gedeeltelijk buiten het bouwvlak bouwen van de gebouwen, mits de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gebouwde gedeelte van het hoofdgebouw niet meer dan 10% van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van het hoofdgebouw bedraagt;
  • b. lid 6.2.4 sub a, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de voorgevelrooilijn, dan wel vóór de voorgevel van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan.
6.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van een bedrijfswoning als zelfstandige woning;
  • b. het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning voor zelfstandige bewoning;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  • d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • e. de vestiging van bars, automatenhallen en discotheken.
6.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 6.1 sub a, voor de vestiging van bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te stellen met bedrijven die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven onder de voor de betreffende gronden toegestane categorieën, dan wel bedrijven die in categorie 3.1 zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, mits het geen geluidzoneringplichtige en/of risicovolle inrichtingen betreft;
  • b. lid 6.5 sub c, voor het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van productiegebonden detailhandel:.

Artikel 7 Bedrijf - Manege

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Manege' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een manege: met bijbehorende voorzieningen;
  • b. paardenbakken;

met de daarbij behorende:

  • c. gebouwen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. wegen, straten en paden;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwperceel is ten hoogste één bedrijf toegestaan;
  • c. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 8,5 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • e. de dakhelling van een gebouw bedraagt ten minste 20° en ten hoogste 60°;
  • f. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte' mag de oppervlakte van de gebouwen met ten hoogste 20% worden uitgebreid ten opzichte van de bestaande oppervlakte.
7.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd;
  • c. voor zover een niet-inpandige bedrijfswoning wordt gebouwd geldt dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 9 m bedraagt, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 3. de dakhelling ten hoogste 60° bedraagt;
    • 4. de inhoud ten hoogste 600 m³ bedraagt.
7.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m² , dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen dan 3,5 m.
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. paardenbakken worden binnen het bouwvlak opgericht;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
7.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
7.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.2.1 sub a en lid 7.2.2 sub a voor het gedeeltelijk buiten het bouwvlak bouwen van de gebouwen, mits de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gebouwde gedeelte van het hoofdgebouw niet meer dan 10% van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van het hoofdgebouw bedraagt;
  • b. lid 7.2.3 sub a, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken op minder dan 1 m achter, dan wel vóór de voorgevel van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan.
7.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van een bedrijfswoning als zelfstandige woning;
  • b. het gebruik van bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor zelfstandige bewoning;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  • d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • e. de vestiging van bars, automatenhallen en discotheken;
  • f. opslag van goederen buiten gebouwen anders dan opgenomen in de bestemmingsomschrijving;

Artikel 8 Bedrijf - Openbaar nut

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Openbaar nut' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. een gasdrukmeet- en regelstation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – gasdrukmeet- en regelstation';

met de daarbij behorende:

  • c. gebouwen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder een affakkelinstallatie;
  • e. erven en terreinen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

In de bestemming zijn geen geluidszoneringplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven en bedrijfswoningen begrepen.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; indien geen bouwvlak aanwezig is, bedraagt de afstand van gebouwen tot de as van de weg ten minste 15 m ;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de bestaande oppervlakte;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation' niet meer bedragen dan 5 m.
  • e. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation' bedraagt de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 3,5 m en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 6 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder een affakkelinstallatie, bedraagt ten hoogste 5 m, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte, indien deze meer bedraagt.
8.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. een goede milieusituatie;
  • d. een goede woonsituatie;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

nadere eisen stellen aan de plaats van bebouwing.

Artikel 9 Bos

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bos;
  • b. het behoud van het areaal van de 'bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland' en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van deze gebieden;
  • c. dagrecreatief medegebruik met de daarbij behorende voorzieningen;
  • d. bestaande voet- ruiter- of fietspaden, picknick- en visplaatsen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

met de daarbij behorende:

  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. parkeervoorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op de gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
9.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanleggen of verharden van voet- ruiter- of fietspaden, picknick- of visplaatsen;
    • 2. het aanleggen van dagrecreatieve parkeervoorzieningen met toeleidende wegen;
    • 3. het aanleggen van speel- en belevingsplekken water/energie;

  • b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing voor zover de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het normale onderhoud en beheer.

  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien de werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 9.1 omschreven doeleinden en de waarden van de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'.

Artikel 10 Gemengd

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een havenkantoor;
  • b. een café-restaurant, met dien verstande dat voor deze functie ten hoogste een oppervlakte van 400 m² mag worden gebruikt;
  • c. een informatiecentrum met de daarbij behorende verkoopruimten, kantoren, vergaderruimten en presentatieruimten;
  • d. een uitkijktoren;

met de daarbij behorende:

  • e. gebouwen;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • g. erven en terreinen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groen- en speelvoorzieningen;
  • j. nutsvoorzieningen;
  • k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.

In de bestemming zijn geen bedrijfswoningen begrepen.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd tot een oppervlakte van ten hoogste het aangegeven maximale bebouwingspercentage ter plaats van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)', met dien verstande dat de oppervlakte van de uitkijktoren niet meer mag bedragen dan 25 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 6 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van de uitkijktoren niet meer dan 15 m mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.
10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

Artikel 11 Groen

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen en bermstroken;
  • b. dagrecreatieve voorzieningen;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;
  • e. een aanlegsteiger en trailerhelling, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - trailerhelling';

met de daarbij behorende:

  • f. gebouwen;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • h. sport- en speelvoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. waterstaatswerken:;

In het openbaar groengebied dat onderdeel is van het Woongebied - Het Park is een fruitboomgaard met een proeverij en verkooppunt begrepen.

In de bestemming zijn gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, gemalen en andere bouwwerken, waaronder andere bouwwerken ten behoeve van waterbeheersing en nutsvoorzieningen, begrepen.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de inhoud van gebouwen bedraagt ten hoogste 45 m³ per gebouw;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.
11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 6 m.
11.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de sociale veiligheid;
  • c. een goede milieusituatie;
  • d. een goede woonsituatie;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving;

nadere eisen stellen aan de plaats van bebouwing.

11.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 12 Horeca

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een bowlingbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bowlingbaan';

met de daarbij behorende:

  • b. gebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • d. tuinen, erven en terreinen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groen- en speelvoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemene bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek geldt dat de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen moet worden gehandhaafd (zie ook artikel 36.1).

12.2.2 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijf toegestaan;
  • c. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 8,5 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • e. de dakhelling van een gebouw bedraagt ten minste 20° en ten hoogste 60°;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte' mag de oppervlakte van de gebouwen met ten hoogste 20% worden uitgebreid ten opzichte van de bestaande oppervlakte.
  • g. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.

12.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, uitsluitend voor zover bestaand;
  • c. voor zover een niet-inpandige bedrijfswoning wordt gebouwd geldt dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 9 m bedraagt, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 3. de dakhelling ten hoogste 60° bedraagt;
    • 4. de inhoud ten hoogste 600 m³ bedraagt.
12.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m² , dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen dan 3,5 m.
12.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
12.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. verschijningsvorm van de gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de milieusituatie; en
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
12.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 12.2.2 sub a en lid 12.2.3 sub a voor het gedeeltelijk buiten het bouwvlak bouwen van de gebouwen, mits de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gebouwde gedeelte van het hoofdgebouw niet meer dan 10% van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van het hoofdgebouw bedraagt;
  • b. lid 12.2.4 sub a, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de voorgevelrooilijn dan wel vóór de voorgevel van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan.
12.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel:;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en.
12.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 12.5 sub a voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van detailhandel: bij een horecabedrijf in de vorm van voedings- en genotmiddelen die ter plaatse worden gebruikt, mits het gaat om hieraan ondergeschikte detailhandel:.

Artikel 13 Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. een reïntegratiebedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - reïntegratiebedrijf', met horeca in de vorm van een brasserie, detailhandel en een naaiatelier ten behoeve van de reïntegratie van in het reïntegratiebedrijf werkzame personen;
  • c. een zorg- en logeerboerderij, ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij', met dien verstande dat het aantal zorg/logeerplaatsen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal;
  • d. negen zorgappartementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - zorgappartementen';

met de daarbij behorende:

  • e. gebouwen;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • g. tuinen, erven en terreinen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. sport- en speelvoorzieningen;
  • k. geluidwerende voorieningen;
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;

met dien verstande dat de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen dient te worden gehandhaafd ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' (zie artikel 36.1).


In de bestemming zijn tevens ondergeschikte horeca en incidentele en periodieke evenementen op sport- en speelterreinen begrepen.

13.2 Bouwregels
13.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 9,5 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 13 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte' mag de oppervlakte van de gebouwen met ten hoogste 20% worden uitgebreid ten opzichte van de bestaande oppervlakte.
13.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bestemmingsvlak mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, uitsluitend voor zover bestaand;
  • c. voor zover een niet-inpandige bedrijfswoning wordt gebouwd geldt dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 9 m bedraagt, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
    • 3. de dakhelling ten hoogste 60° bedraagt;
    • 4. de inhoud ten hoogste 600 m³ bedraagt.
13.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbehorende bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, indien deze minder bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 70 m², dan wel niet meer dan de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken indien deze meer bedraagt;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 5,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van een bestaand bijbehorend bouwwerk indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen dan 3,5 m.
13.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van schoorsteenpijpen bedraagt maximaal de bestaande bouwhoogte;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
13.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. verschijningsvorm van de gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
13.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een zelfstandig horecabedrijf:;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en.
13.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden,

het bestemmingsplan plan wijzigen in die zin dat de gronden tevens worden bestemd voor een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:.

Artikel 14 Natuur

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. beheer, onderhoud en herstel van de ter plaatse aanwezige natuurlijke waarden van water, oeverstroken, moeras en rietland en bosbeplanting;
  • b. dagrecreatief medegebruik met de daarbij behorende voorzieningen, uitsluitend voor zover bestaand;
  • c. bestaande voet- ruiter- enfietspaden, picknick- en visplaatsen;
  • d. een natuurbegraafplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats';
  • e. een brug voor langzaam verkeer, ter plaatse van de aanduiding 'brug';
  • f. een diepe waterplas, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - diepe plassen';
  • g. een natuurtheater, ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natuurtheater';
  • h. een torenpaviljoen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - torenpaviljoen';
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:;
  • j. waterstaatswerken:;

met de daarbij behorende:

  • k. gebouwen;
  • l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • m. nutsvoorzieningen;
  • n. parkeervoorzieningen ten behoeve van dagrecreanten en ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer van dagrecreatie- en parkeervoorzieningen;

Bij de aanleg van voet-, fiets- en ruiterpaden met een recreatieve functie, wordt een afstand van minimaal 50 m van de gronden met de bestemming Woongebied - Het Wold aangehouden.

14.2 Bouwregels
14.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt de volgende regels

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van het torenpaviljoen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - torenpaviljoen' bedraagt ten hoogste 8 m.
14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van de bestaande bouwwerken indien deze meer bedraagt.
14.3 Specifieke gebruiksregels
14.3.1 Toegestaan gebruik

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' is het gebruik als natuurbegraafplaats toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
    • 1. het aantal enkele en/of dubbele graven bedraagt maximaal 3.000; urnen mogen ook worden begraven, maar tellen niet mee in het voornoemde maximale aantal graven;
    • 2. de plaatsing van grafaanduidingen, gedenktekens, grafmonumenten en overige daarmee gelijk te stellen objecten, vindt slechts plaats met gebruikmaking van materialen die van nature in het gebied voorkomen, te weten: zwerfstenen, met een maximale doorsnede van 35 cm en eventueel voorzien van een inscriptie en/of boomstamschijven, met een maximale doorsnede van 35 cm en eventueel voorzien van een inscriptie;
    • 3. ter aanduiding van een graf en/of een locatieaanduiding kunnen ongeprepareerde palen worden gebruikt die eventueel worden voorzien van een metalen nummerplaatje met een maximale grootte van 10 bij 5 cm;
    • 4. de grafkisten of lijkomhulsels, kleding en urnen die bij het begraven worden gebruikt bestaan slechts uit geheel biologisch afbreekbaar materiaal, dat geen metalen of kunststoffen bevat, met uitzondering van bevestigingsmaterialen, deze mogen bestaan uit ijzer;
    • 5. het onder elkaar aanleggen van graven is niet toegestaan.

  • b. Voor het gebruik van een natuurtheater en en torenpaviljoen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van natuur - natuurtheater' en 'specifieke vorm van natuur - torenpaviljoen' gelden de volgende beperkingen:
    • 1. er mag geen gebruik worden gemaakt van elektrische verlichting of gasverlichting noch van elektrische geluidsversterking of andere geluidversterkende middelen;
    • 2. het gebruik van een gesloten geluidssysteem van headsets en koptelefoons wordt van de regel onder 1. uitgezonderd en is toegestaan;
    • 3. het natuurtheater mag slechts tussen zonsopkomst en zonsondergang worden gebruikt;
    • 4. het aantal voorstellingen en evenementen bedraagt jaarlijks gezamenlijk niet meer dan 20;
    • 5. voorstellingen of evenementen dienen vooraf te worden gemeld bij de gemeente Oldambt.
14.3.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het dempen en het geheel en gedeeltelijk verondiepen van de waterplas ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - diepe plassen'.
14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanleggen of verharden van voet- ruiter- of fietspaden, picknick of visplaatsen;
    • 2. het aanleggen van dagrecreatieve parkeervoorzieningen met toeleidende wegen;
    • 3. het aanleggen van speel- en belevingsplekken water/energie.

  • b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing voor zover de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het normale onderhoud en beheer.

  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 14.1 omschreven doeleinden en de doelstellingen die zijn gesteld ter realisering en instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland ter plaatse.

Artikel 15 Recreatie - Dagrecreatie

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dagrecreatie:, waaronder stranden, lig- en speelweiden;
  • b. evenementen, voor zover ondergeschikt aan de dagrecreatie;
  • c. een brug voor langzaam verkeer, ter plaatse van de aanduiding 'brug';
  • d. een horecabedrijf: van horeca categorie 1: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • e. parkeren, ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • f. ondergeschikte horeca: in de vorm van een seizoenstandplaats, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - standplaats';
  • g. camperplaatsen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen', met dien verstande dat het aantal camperplaatsen niet meer bedraagt dan 25;
  • h. volkstuinen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin';
  • i. een zeilschool en bootverhuur;

met de daarbij behorende:

  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • k. erven en terreinen;
  • l. parkeervoorzieningen;
  • m. groenvoorzieningen en aanlegsteigers;
  • n. speel- en belevingsplekken water/energie;
  • o. nutsvoorzieningen;
  • p. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van beheer, onderhoud, schuil- en toiletgelegenheid bedraagt ten hoogste 50 m2 per bestemmingsvlak, dan wel de oppervlakte van de bestaande gebouwen en overkappingen indien deze meer bedraagt;
  • b. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 7 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met c geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een horecapaviljoen ter plaatse van de aanduiding 'horeca' aan de noordrand Oldambtmeer dat:
    • 1. de te bebouwen oppervlakte (inclusief terrrassen) ten hoogste 1.400 m2 bedraagt ;
    • 2. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte (m)' bedraagt;
  • f. in afwijking van het hiervoor bepaalde mogen ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' gebouwen en overkappingen worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 10 m2 per volkstuin en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.
15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
15.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving. 
15.4 Afwijken van de bouwregels

 Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in :

  • a. lid 15.2.1 onder a, voor het verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte met maximaal 15%.
15.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en.
15.6 Afwijken van de gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - afwijkingsbevoegdheid' mag worden afgeweken van het bepaalde voor het gebruik als horecabedrijf (brasserie/lichte horeca), mits het bestaande gebouw wordt aangepast of vervangen door een nieuw gebouw dat voldoet aan de beeldkwaliteitseisen van de gemeente en dat voldoet aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit.

De afwijkingsmogelijkheid vervalt indien binnen 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog geen ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning voor het planologisch afwijken voor het gebruik en het bouwen is ingediend.

Artikel 16 Recreatie - Jachthaven

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Jachthaven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een jachthaven met bijbehorende voorzieningen;
  • b. ondergeschikte horecavoorzieningen;
  • c. het stallen van boten;
  • d. havenkantoor;
  • e. waterrecreatie;
  • f. water, ter plaatse van de aanduiding 'water';
  • g. een werkhaven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vom van bedrijf - werkhaven';
  • h. een horecabedrijf van horeca categorie 1 ter plaatse van de aanduiding 'horeca';

met de daarbij behorende:

  • i. gebouwen;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • k. erven en terreinen;
  • l. parkeervoorzieningen;
  • m. groen- en speelvoorzieningen;
  • n. nutsvoorzieningen;
  • o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.

met dien verstande dat:

  • p. het aantal ligplaatsen per jachthaven niet meer bedraagt dan het bestaande aantal vermeerderd met 10%, dan wel indien een nieuwe haven nog moet worden aangelegd het aantal ligplaatsen niet meer bedraagt dan 99. P.M. aantal ligplaatsen (250) Reiderpark aanduiden.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. er mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen worden gebouwd ten behoeve van beheer en onderhoud en sanitaire voorzieningen;
  • b. de gezamenlijk bebouwde oppervlakte bedraagt ten hoogste 250 m2 per bestemmingsvlak, dan wel de oppervlakte van de bestaande gebouwen en overkappingen indien deze meer bedraagt;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b mogen de gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor de jachthaven uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bebouwd oppervlak (m2), met dien verstande dat de oppervlakte van de bebouwing ten hoogste 10.000 m2 bedraagt; P.M.
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - werkhaven' een onderhoudsloods, inclusief overkappingen, toegestaan met een bedrijfsvloeroppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  • e. uitsluitend de bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan aan de Hoofdstraat 7 en Hoofdstraat 9 Beerta; voor deze bedrijfswoningen gelden de bouwregels van de bestemming 'Wonen';
  • f. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • g. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 7 m, dan wel de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • h. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 4 m.
16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
16.3 Specifieke gebruiksregels

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - werkhaven' mogen uitsluitend worden gebruikt voor het te water laten van boten en materiaal, het stallen van boten en trailers, het uitvoeren van klein onderhoud aan boten en ligplaats van werkboten.

Artikel 17 Recreatie - Verblijfsrecreatie

17.1 Bestemmingsomschrjving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • c. kampeermiddelen, met de daarbij behorende voorzieningen gericht op dienstverlening en beheer;
  • d. bedrijfsmatige geëxploiteerde recreatiewoningen;
  • e. ondergeschikte horeca voorzieningen;
  • f. dag- en vaarrecreatieve voorzieningen;
  • g. strand;
  • h. dijk;

en tevens voor:

  • i. incidentele evenementen;

met de daarbij behorende:

  • j. gebouwen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • l. erven en terreinen;
  • m. parkeervoorzieningen;
  • n. groen- en speelvoorzieningen;
  • o. nutsvoorzieningen;
  • p. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.
17.2 Bouwregels
17.2.1 Gebouwen

a. Algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bouwregels:

  • 1. gebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie -recreatiewoning 1', 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 2', 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 3', 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 4', 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 5' of 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 6';
  • 2. toilet- en beheergebouwen zijn toegestaan tot een maximale oppervlakte van in totaal 200 m2;
  • 3. de goot- en bouwhoogte van toilet- en beheergebouwen bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m;
  • 4. de bouwhoogte van overige gebouwen, geen recreatiewoningen zijnde, bedraagt maximaal 3,5 m;
  • 5. per bouwperceel mag één recreatiewoning worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 100 m2, inclusief bijbehorende bouwwerken en met dien verstande dat:
    • a. het aantal recreatiewoningen ten hoogste 73 mag bedragen;
    • b. het maximale bebouwingspercentage per bouwperceel 30% bedraagt;
    • c. de inhoud ten hoogste 550 m3 bedraagt, inclusief bijbehorende bouwwerken waaronder veranda's en dergelijke;
    • d. de goot- en bouwhoogte respectievelijk maximaal 3,5 m en 9 m bedragen;
    • e. de dakhelling ten hoogste 60°bedraagt;
    • f. de minimale afstand tussen de recreatiewoningen bedraagt 3 m;
    • g. de voorgevellijnen van de recreatiewoningen onderling van elkaar verspringen;
    • h. er geen carports mogen worden gebouwd;
    • i. bijbehorende bouwwerken uitsluitend aan het hoofdgebouw mogen worden gebouwd;

b. Recreatiewoning 1


Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 1' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de afstand van de recreatiewoning tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 10% en 25% van de breedte van het bouwperceel;
  • 2. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag plus een kap;
  • 3. de dakhelling bedraagt minimaal 30°, waarbij de nok haaks op de straat staat;
  • 4. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • 5. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 7,5 meter.


c. Recreatiewoning 2


Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie- recreatiewoning 2' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de afstand van de recreatiewoning tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 10% van de breedte van het bouwperceel;
  • 2. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag plus een kap;
  • 3. de dakhelling bedraagt minimaal 30°, waarbij de nok haaks op de straat staat;
  • 4. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd of als twee onder één kap;
  • 5. de regels met betrekking tot de minimale afstand tot de zijdelingse erfgrens en de afstand tussen de woningen zijn niet van toepassing bij twee onder één kap recreatiewoningen voor zover het de gemeenschappelijke tussengrens betreft;
  • 6. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 6,5 m.


d. Recreatiewoning 3

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 3' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de afstand van de recreatiewoning tot de zijdelingse erfgrens bedraagt minimaal 10% en 25% van de breedte van het bouwperceel;
  • 2. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag plus een kap;
  • 3. de dakhelling bedraagt minimaal 45°, waarbij de nok haaks op de straat staat;
  • 4. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • 5. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 7,5 m.


e. Recreatiewoning 4


Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 4' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag met of zonder kap;
  • 2. de nokrichting van de recreatiewoningen staan parallel of haaks op de straat;
  • 3. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • 4. de recreatiewoningen bestaande uit één bouwlaag moeten worden uitgevoerd met een dakoverstek van 20% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen tussen 0 en 20 m2 en een dakoverstek van 10% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen vanaf 20 m2;
  • 5. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 6,5 m.


f. Recreatiewoning 5


Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 5' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de afstand van de recreatiewoning tot de zijdelingse erfgrens bedraagt minimaal 10% en 25% van de breedte van het bouwperceel;
  • 2. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag met of zonder kap;
  • 3. de nokrichting van de recreatiewoningen staan parallel aan de lengterichting van het bouwperceel;
  • 4. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • 5. de recreatiewoningen bestaande uit één bouwlaag moeten worden uitgevoerd met een dakoverstek van 20% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen tussen 0 en 20 m2 en een dakoverstek van 10% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen vanaf 20 m2;
  • 6. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 6,5 m.


g. Recreatiewoning 6


Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 6' gelden bovendien de volgende bouwregels:

  • 1. de afstand van de recreatiewoning tot de zijdelingse erfgrens bedraagt minimaal 10% van de breedte van het bouwperceel;
  • 2. de recreatiewoning bestaat uit één bouwlaag met of zonder kap;
  • 3. de nokrichting van de recreatiewoningen staan parallel aan de lengterichting van het bouwperceel;
  • 4. de recreatiewoningen worden uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • 5. de recreatiewoningen bestaande uit één bouwlaag moeten worden uitgevoerd met een dakoverstek van 20% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen tussen 0 en 20 m2 en een dakoverstek van 10% vloeroppervlakte bij recreatiewoningen vanaf 20 m2;
  • 6. de maximale breedte van de recreatiewoning bedraagt 7,5 m.

17.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogte 3 m bedragen, met uitzondering van de hoogte van erf- en terreinafscheidingen.
  • b. erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan in de vorm van een haagondersteunende constructie met een maximale hoogte van 1,8 meter op de locaties zoals aangegeven in het beeldkwaliteitsplan BIJVOEGEN.
17.3 Nadere eisen

Burgermeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. het bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan de plaats van sport- en speeltoestellen indien deze een grotere hoogte dan 3 m hebben.

17.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving.

Onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan:

  • a. de permanente bewoning van recreatiewoningen, trekkershutten, chalets en/ of stacaravans;
  • b. het niet bedrijfsmatig exploiteren van de recreatiewoningen.

Artikel 18 Verkeer

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met ten hoogste twee rijstroken, waarbij wordt gestreefd naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer;
  • a. parkeerstroken, picknickplaatsen en groenvoorzieningen;
  • b. sloten, bermen en beplanting;
  • c. andere verkeersvoorzieningen zoals straatmeubilair, viaducten, tunnels en aquaducten;

met de daarbij behorende:


In de bestemming is de aanleg van ten hoogste twee rijstroken met uitzondering van de rijksweg A7, die ten hoogste vier rijstroken mag omvatten, begrepen.

18.2 Bouwregels
18.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde


Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 7 m.
18.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, ten behoeve van de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

18.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het aanleggen van wegen en paden of anderszins inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van de bestaande wegenstructuur.
18.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 18.4, mits hierdoor geen onevenredige verslechtering van de geluidssituatie optreedt.

Artikel 19 Verkeer - Verblijf

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een ontsluitingsfunctie voor de aanliggende erven;

met de daarbij behorende:

19.2 Bouwregels
19.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde


Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 7 m.

Artikel 20 Water

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en oeverstroken, met een natuurfunctie en een functie voor het scheepvaartverkeer en de waterrecreatie;
  • b. een brug ter plaatse van de aanduiding 'brug';
  • c. een horecabedrijf: van horeca categorie 1:, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • d. een voet- en fietsveer, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voetveer';
  • e. een aanlegsteiger en trailerhelling, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - trailerhelling';
  • f. een botenhuis, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - botenhuis';
  • g. een sluizencomplex en een wateruitlaat, ter plaatse van de aanduiding 'waterstaat';
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen:;
  • i. waterstaatswerken:;

met de daarbij behorende:

  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;.
  • k. nutsvoorzieningen.
20.2 Bouwregels
20.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'waterstaat' zijn gebouwen toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 50 m².
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' aan de noordrand Oldambtmeer zijn gebouwen en overkappingen ten behoeve van een horecapaviljoen toegestaan met dien verstande dat:
    • 1. de te bebouwen oppervlakte (inclusief terrrassen) ten hoogste 1.400 m2 bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste de aangegeven bouwhoogte bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte (m)';
    • 3. de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 4 m bedraagt.
20.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die hoogwaterbestendig zijn;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 8 m.
20.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het innemen van ligplaatsen voor woonschepen.

Artikel 21 Wonen

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:
    • 1. een aan huis verbonden beroep of bedrijf: c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:, c.q. andere vormen van bedrijvigheid, zoals genoemd in Bijlage 1onder de categorie A en B, mits wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 21.5.1 onder b;
    • 2. recreatieve dienstverlenende bedrijven, ambachtelijke bedrijvigheid, kunstnijverheidsbedrijven en bezoekerstuinen, die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorie C;
    • 3. een bed & breakfastvoorziening, uitsluitend in het hoofdgebouw van de woning;
    • 4. daghorecabedrijven;
    • 5. productiegebonden detailhandel;
    • 6. evenementen;
  • b. een bed & breakfastvoorziening in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';
  • c. een uitvaartbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalig';
  • d. kleinschalige verblijfsrecreatie:, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping', met dien verstande dat twee trekkershutten zijn toegestaan met een maximum oppervlakte van 40 m2 per trekkershut en en maximale goothoogte van 4 m;
  • e. een kinderopvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - kinderopvang';
  • f. een theetuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - theetuin';
  • g. een zorgopvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zorg';
  • h. zorgboerderij, met inbegrip van slaap- en verblijfsruimten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij';
  • i. recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

  • j. gebouwen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • l. tuinen en erven;
  • m. parkeervoorzieningen;
  • n. groenvoorzieningen;
  • o. nutsvoorzieningen;
  • p. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:.

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

21.2 Bouwregels
21.2.1 Algemene bouwregels
  • a. De gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste:
    • 1. 200 m² bedragen, bij percelen met een kleinere oppervlakte dan 600 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
    • 2. 300 m² bedragen, bij percelen met een grotere oppervlakte dan 600 m² tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek geldt dat de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen moet worden gehandhaafd (zie ook artikel 36.1).
21.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. voor zover een bouwvlak aanwezig is, mogen de gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • c. het aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, met uitzondering van de woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', waarvoor geldt dat maximaal dat aangegeven aantal mag worden gebouwd;
  • d. de woningen worden vrijstaand, twee aaneen, dan wel aaneengesloten gebouwd, uitsluitend overeenkomstig de bestaande situatie, met uitzondering van:
  • e. de afstand tot de weg bedraagt ten minste 20 m, dan wel de bestaande afstand, indien deze afstand minder is;
  • f. de goothoogte bedraagt ten hoogste 6,5 m;
  • g. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 10 m;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder g geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de bouwhoogte ten hoogste de aangegeven bouwhoogte bedraagt;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder f en g geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m); de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • j. de dakhelling bedraagt ten minste 30° en ten hoogste 60°; indien de dakhelling van een bestaand gebouw minder bedraagt dan 30°, mag bij uitbreiding en/of verbouw de bestaande dakhelling als minimum worden aangehouden;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder f, g en i geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' een woning met één bouwlaag met een bouwhoogte van ten hoogste 4 m en een platte afdekking is toegestaan;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' bedraagt de inhoud van de woning niet meer dan is aangegeven;
  • m. de afstand van een hoofdgebouw c.q. een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 m; indien de afstand van het bestaande gebouw tot de erfscheiding minder dan 3 m bedraagt, mag bij uitbreiding en/of verbouw deze afstand als minimum afstand worden aangehouden;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte' bedraagt de oppervlakte van hoofdgebouwen en de bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, niet meer dan 300 m2 per bouwperceel, dan wel de bestaande oppervlakte indien die meer bedraagt;
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'oppervlakte (m2)' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing niet meer dan is aangegeven;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij' geldt dat:
    • 1. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet meer mogen bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), met dien verstande dat de bestaande hoofdvorm gevormd door onder meer dakhelling, nokrichting en situering van het hoofdgebouw, zoveel mogelijk gehandhaafd blijft;
    • 2. de oppervlakte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 381 m2, met dien verstande dat de oppervlakte (op de begane grond) van een zelfstandige woning niet meer dan 130 m2 mag bedragen;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuwbouwlocatie' geldt dat het bepaalde onder a, c, e, f, g, en i onverkort van toepassing is op de nieuwbouwwoningen.

21.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden uitsluitend 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van een woning gebouwd;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m bedraagt;
  • d. ter plaatse van het adres Verlengde Ekamperweg 1 Oostwold geldt in afwijking van het bepaalde in sub b en c dat de goot- en bouwhoogte ten hoogste respectievelijk 3,5 m en 6,5 m bedragen (zie Bijlage 4 Addendum ruimtelijke onderbouwing Verlengde Ekamperweg 1 Oostwold)
  • e. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woning bedraagt niet meer dan 70 m², met inachtneming van het bepaalde in lid 21.2.2 onder n, dan wel niet meer dan de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt,
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij' geldt dat:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van overkappingen, niet meer bedraagt dan 1.985 m2;
    • 2. de overkappingen binnen het bouwvlak worden opgericht tot een oppervlakte van ten hoogste 25 m2 en een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 m;
21.2.4 Overige gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zorg' gelden de volgende regels:

  • a. er mogen maximaal twee gebouwen worden gebouwd;
  • b. de maximale oppervlakte per gebouw bedraagt 55 m2;
  • c. in afwijking van hetgeen bepaald onder b bedraagt de oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zorg' aan de Niesoordlaan 137 ten hoogste 175 m2.
21.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. per bouwperceel is één vlaggenmast toegestaan met een bouwhoogte van ten hoogste 6 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
21.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verschijningsvorm van de gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
21.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 21.2.2, sub f, ten behoeve van een hogere goothoogte van ten hoogste 5,5 m;
  • b. lid 21.2.3 sub a, voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in de voorgevelrooilijn, dan wel voor de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan;
  • c. id 21.2.3, onder d, voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 200 m², mits:
    • 1. de oppervlakte van het betreffende bouwperceel ten minste 1.000 m² bedraagt;
    • 2. het betreffende perceel een landelijke ligging heeft;
    • 3. de vergroting noodzakelijk is ten behoeve van watersport-gerelateerde ontwikkelingen, ruimtevragende hobby's, beroepen aan huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis.
21.5 Specifieke gebruiksregels
21.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze bestemming is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • b. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
  • d. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
  • e. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
  • f. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
    • 1. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 2. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 3. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
  • g. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
  • h. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
21.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf: c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:
    • 1. meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op een bouwperceel;
    • 2. meer bedraagt dan 50 m²;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en;
  • d. het gebruik van de gronden en gebouwen voor horeca-activiteiten.
21.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 21.5.1, voor het realiseren van een paardenbak met een oppervlakte van ten hoogste 1.200 m2; 
  • b. lid 21.5.2 sub d, voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een theetuin:.

Artikel 22 Woongebied - De Wei

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - De Wei' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

met de daarbij behorende:

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

22.2 Bouwregels
22.2.1 Algemene bouwregel
  • a. De gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste:
    • 1. 200 m² bedragen, bij percelen met een kleinere oppervlakte dan 600 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
    • 2. 300 m² bedragen, bij percelen met een grotere oppervlakte dan 600 m² tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
  • b. de dakhelling van de gebouwen bedraagt ten minste 30° en ten hoogste 60°.
22.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. de woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedraagt het aantal woningen niet meer dan is aangegeven en mogen de woningen in afwijking van het bepaalde onder b ook twee-aaneen worden gebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' wordt de voorgevel van de woning in de voorgevellijn of het verlengde daarvan gebouwd;
  • e. de goot- en bouwhoogte bedragen ten hoogste 9 m respectievelijk 12 m;
  • f. in afwijking van het bepaalde in lid 22.2.1 en lid 22.2.2 worden de woningen ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' met een platte afdekking gebouwd, waarbij de bouwhoogte ten hoogste 6,5 m bedraagt;
  • g. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 20% van de breedte van het bouwperceel, dan wel niet minder dan de bestaande afstand, indien deze minder is.
22.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste 4 m respectievelijk 7 m, dan wel de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw indien deze lager zijn;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m;
  • c. bijbehorende bouwwerken worden achter de voorgevel of het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd.
22.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
22.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
22.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 22.2.1 sub b en lid 22.2.2 sub e, voor het bouwen van een platte afdekking tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m;
  • b. lid 22.2.1 sub b, voor een afwijkende dakhelling.
22.5 Specifieke gebruiksregels
22.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze bestemming is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • b. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
  • d. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
  • e. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
  • f. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
    • 1. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 2. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 3. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
  • g. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
  • h. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
22.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en;

Artikel 23 Woongebied - Havenkwartier

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Havenkwartier' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:
  • b. bedrijvigheid die betrekking heeft op watersport, toeristisch-recreatief, ambachtelijk, horeca, kleinschalige detailhandel, maatschappelijke en zakelijke dienstverlening, en atelier, ter plaatse van de aanduiding 'gemengd', met dien verstande dat:
    • 1. deze functies uitsluitend op de begane grond mogelijk zijn;
    • 2. de horecafunctie (grandcafé/restaurant) bij voorkeur op de beide kopse kanten van het gebouw wordt gevestigd;
    • 3. de bedrijfsvloeroppervlakte van alle genoemde functies te hoogste 100 m2 per bedrijf bedraagt;
    • 4. kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is;
  • c. recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

23.2 Bouwregels
23.2.1 Algemene bouwregel

De gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste:

  • a. 200 m² bedragen, bij percelen met een kleinere oppervlakte dan 600 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
  • b. 300 m² bedragen, bij percelen met een grotere oppervlakte dan 600 m² tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
23.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. de woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' ook rijenwoningen en twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a en b is ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' een woongebouw toegestaan met een bouwhoogte van ten hoogste 14 m;
  • d. de goot- en bouwhoogte bedragen ten hoogste 9 m respectievelijk 12 m;
  • e. in afwijking van het bepaalde in lid 22.2.1 en lid 22.2.2 worden de woningen ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' met een platte afdekking gebouwd, waarbij de bouwhoogte ten hoogste 6,5 m bedraagt.
23.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste 4 m respectievelijk 7 m;
  • b. in uitzondering op het gestelde onder a bedraagt de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m.
23.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevel van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
23.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
23.4 Specifieke gebruiksregels
23.4.1 Toegestaan gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is in overeenstemming met deze bestemming, mits:
    • 1. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
    • 2. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
    • 3. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
    • 4. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
    • 5. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
    • 6. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
      • de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
      • behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
      • het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
      • ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
    • 7. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
    • 8. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
23.4.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf: c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:
    • 1. meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op een bouwperceel;
    • 2. meer bedraagt dan 50 m²;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en;
23.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' een kleine supermarkt mag worden gevestigd, mits de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 250 m2.

Artikel 24 Woongebied - Het Park

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Het Park' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

met de daarbij behorende:

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

24.2 Bouwregels
24.2.1 Algemene bouwregel
  • a. De gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste:
    • 1. 200 m² bedragen, bij percelen met een kleinere oppervlakte dan 600 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
    • 2. 300 m² bedragen, bij percelen met een grotere oppervlakte dan 600 m² tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
  • b. De dakhelling van de gebouwen bedraagt ten minste 15° en ten hoogste 60°, met dien verstande dat alle gebouwen op een bouwperceel dezelfde dakhelling hebben.
24.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen de voorgevel van het hoofdgebouw en de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens bedraagt minimaal 8 m en maximaal 10 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' de voorgevel van het hoofdgebouw in of ten hoogste 2 m achter de voorgevellijn wordt gebouwd;
  • c. de voorgevel grenzend aan een hoofdontsluitingsweg wordt in rechte lijn evenwijdig aan de hoofdontsluitingsweg gebouwd;
  • d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 20% van de breedte van het bouwperceel;
  • e. de woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' ook twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan;
  • f. de goothoogte bedraagt ten minste 3 m en de bouwhoogte ten hoogste 8,5 m indien gebouwd wordt in één bouwlaag;
  • g. de goothoogte bedraagt ten minste 6 m en de bouwhoogte ten hoogste 12 m indien gebouwd wordt in twee bouwlagen.
24.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste 4 m respectievelijk 7 m, dan wel de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw indien deze lager zijn;
  • b. in uitzondering op het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m;
  • c. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd; in aanvulling hierop geldt dat op bouwpercelen met twee voorgevellijnen de bijbehorende bouwwerken niet vóór de twee voorgevellijnen mogen worden gebouwd.
24.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
24.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
24.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 24.2.1 sub b, voor een afwijkende dakhelling en voor een dakhelling die niet op alle gebouwen hetzelfde is;
  • b. lid 24.2.3 sub e, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel, mits de oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt.
24.5 Specifieke gebruiksregels
24.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze bestemming is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • b. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
  • d. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
  • e. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
  • f. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
    • 1. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 2. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 3. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
  • g. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
  • h. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
24.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en.

Artikel 25 Woongebied - Het Riet

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Het Riet' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:
  • b. een bed & breakfast in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';

met de daarbij behorende:

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

25.2 Bouwregels
25.2.1 Algemene bouwregel
  • a. De gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste:
    • 1. 200 m² bedragen, bij percelen met een kleinere oppervlakte dan 600 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
    • 2. 300 m² bedragen, bij percelen met een grotere oppervlakte dan 600 m² tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.
  • b. De dakhelling van de gebouwen bedraagt ten minste 20° en ten hoogste 60°, met dien verstande dat alle gebouwen op een bouwperceel dezelfde dakhelling hebben.
25.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. de woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd,
  • c. de goot- en bouwhoogte bedragen ten hoogste 5,5 m respectievelijk 9 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde in lid 24.2.1 sub c en lid 24.2.2 sub b mogen de woningen met een platte afdekking worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte ten hoogste 6,5 m bedraagt en de tweede bouwlaag niet groter is dan 30% van de gemiddelde kavelbreedte;
  • e. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 5 m, met dien verstande dat deze afstand ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - midden' ten minste 4 m bedraagt.
25.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste 4 m respectievelijk 7 m, dan wel de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw indien deze lager zijn;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m;
  • c. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd.
25.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
25.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
25.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 25.2.1 sub b, voor een afwijkende dakhelling.
25.5 Specifieke gebruiksregels
25.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze bestemming is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • b. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
  • d. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
  • e. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
  • f. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
    • 1. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 2. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 3. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
  • g. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
  • h. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
25.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en.

Artikel 26 Woongebied - Het Wold

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Het Wold' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

met de daarbij behorende:

In de bestemming is het innemen van een ligplaats voor woonschepen niet toegestaan.

In de bestemming is voor bouwpercelen die grenzen aan bevaarbaar water het innemen van een vaste ligplaats per bouwperceel ten behoeve van een recreatievaartuig begrepen.

26.2 Bouwregels
26.2.1 Algemene bouwregels

Voor de situering van een hoofdgebouw met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. Een hoofdgebouw met de daarbij behorende bouwwerken worden gebouwd in de bouwzone die ten minste 20 uit de voorste en achterste perceelgrens ligt;
  • b. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 20 m als de zijdelingse perceelgrens grenst aan natuur of water en minimaal 10 m en overwegend 15 m in overige gevallen.
26.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • b. de woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd,
  • c. de bouwhoogte bedraagt 10 m, met dien verstande dat voor een oppervlakte van ten hoogste 25 m2 de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen.
  • d. de inhoud van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 3.000 m3.
26.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedaagt maximaal 50% van de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  • b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 7 m;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van overkappingen ten hoogste 3,5 m;
  • d. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd.
  • e. In afwijking van het bepaalde in lid 26.2.1 geldt dat achter op een bouwperceel bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 40 m2 en een bouwhoogte van ten hoogste 7 m.
26.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
26.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de aansluiting aan de omliggende woningen in de omgeving.
26.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 26.2.2 sub c, voor het bouwen van een platte afdekking tot een bouwhoogte van ten hoogste 9 m.
26.5 Specifieke gebruiksregels
26.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze bestemming is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • b. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
  • d. de aan-huis-verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep of bedrijf uitsluitend inpandig worden verricht;
  • e. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door alleen de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
  • f. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving, hetgeen betekent dat:
    • 1. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 2. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 3. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein dan wel wordt aangetoond dat er voldoende parkeerruimte is in de omgeving;
  • g. de bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met de categorieën 1 en 2 als vermeld in Bijlage 2 Staat van bedrijven, met dien verstande dat een groothandel niet is toegestaan;
  • h. het karakter van de woonomgeving behouden blijft, in die zin dat reclame-uitingen beperkt blijven tot aan de gevel gemonteerde naamborden met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m² en gevel veranderingen ten behoeve van bedrijfsuitoefening niet plaatsvinden.
26.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddel:en;
26.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het kappen en rooien van bomen;

  • b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing voor zover de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het normale onderhoud.

  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 26.1 sub c omschreven doeleinden.

Artikel 27 Leiding - Gas

27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor de instandhouding van ondergrondse hoge druk aardgastransportleidingen, inclusief voorzieningen, met de daarbij behorende belemmeringenstrook:.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

27.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. er zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van bestaande (vergunde) gebouwen;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bedoelde leiding(en) worden gebouwd.
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
27.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 27.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) mits het geen kwetsbaar object: betreft en de belangen van de leiding niet worden geschaad.


Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de betrokken leidingbeheerder.

27.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor kwetsbare objecten, met uitzondering van het bestaande (vergunde) gebruik;
  • b. het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van de inspectie en het onderhoud van de gastransportleiding.
27.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. et indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
27.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod als bedoeld in lid 27.5.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn of vergund zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • b. het normale onderhoud van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
27.5.3 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet schaden.

27.5.4 Adviesprocedure

Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 27.5.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 28 Waarde - Archeologie 1

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

28.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

  • c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld onder b, wordt een archeologisch deskundige: om advies gevraagd.
28.3 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 50 m2;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm;
  • c. het graven of dempen van watergangen;
  • d. het dempen van kolken;
  • e. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 40 cm;
  • f. het graven van sleuven breder dan 50 cm en dieper dan 100 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en/of apparatuur.
28.4.2 Voorwaarden

Een vergunning als bedoeld in lid 28.4.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
28.4.3 Adviesprocedure

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.

28.4.4 Uitzonderingen verguningplicht

De vergunningplicht zoals genoemd in lid 28.4.1, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
28.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 1) te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 1) toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek: blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 29 Waarde - Archeologie 2

29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

29.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

  • c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld onder b, wordt een archeologisch deskundige: om advies gevraagd.
29.3 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 100 m2;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking over een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm;
  • c. het graven of dempen van watergangen;
  • d. het dempen van kolken;
  • e. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 40 cm;
  • f. het graven van sleuven breder dan 50 cm en dieper dan 100 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en/of apparatuur.
29.4.2 Voorwaarden

Een vergunning als bedoeld in lid 29.4.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
29.4.3 Adviesprocedure

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.

29.4.4 Uitzonderingen verguningplicht

De vergunningplicht zoals genoemd in lid 29.4.1, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
29.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorischewaarde (Waarde - Archeologie 2) te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 2) toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek: blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 30 Waarde - Archeologie 3

30.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

30.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

  • c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld onder b, wordt een archeologisch deskundige: om advies gevraagd.
30.3 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200 m2;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking over een oppervlakte groter dan 200 m2 en dieper dan 40 cm;
  • c. het graven of dempen van watergangen;
  • d. het dempen van kolken;
  • e. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 40 cm;
  • f. het graven van sleuven breder dan 50 cm en dieper dan 100 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en/of apparatuur.
30.4.2 Voorwaarden

Een vergunning als bedoeld in lid 30.4.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
30.4.3 Adviesprocedure

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.

30.4.4 Uitzonderingen verguningplicht

De vergunningplicht zoals genoemd in lid 30.4.1, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
30.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorischewaarde (Waarde - Archeologie 3) te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 3) toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek: blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 31 Waarde - Archeologie 4

31.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

31.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

  • c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld onder b, wordt een archeologisch deskundige: om advies gevraagd.
31.3 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan het aanwezige kleipakket;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking over een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan het aanwezige kleipakket;
  • c. het graven of dempen van watergangen;
  • d. het dempen van kolken;
  • e. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 40 cm;
  • f. het graven van sleuven breder dan 50 cm en dieper dan 100 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en/of apparatuur.
31.4.2 Voorwaarden

Een vergunning als bedoeld in lid 31.4.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek: door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
31.4.3 Adviesprocedure

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.

31.4.4 Uitzondering verguningplicht

De vergunningplicht zoals genoemd in lid 31.4.1, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
31.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorischewaarde (Waarde - Archeologie 4) te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek: door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 4) toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek: blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 32 Waarde - Landschap

32.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de opbouw, het behoud en het herstel van de aan de gronden eigen landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van het reliëf en de herkenbaarheid van de glaciale ruggen.

32.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, indien hierdoor kan worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de in lid 32.1 omschreven waarden, nadere eisen stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

32.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de glaciale ruggen;
  • b. nieuwe houtteelt;
  • c. de aanleg van bos en boomgaarden.

Artikel 33 Waarde - Landschap - Groen lint

33.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Landschap - Groen lint' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de opbouw, het behoud en het herstel van de aan de gronden eigen landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van het behoud van de bestaande wegbeplanting en inrichting van de daarmee samenhangende slingertuinen.

33.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, indien hierdoor kan worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de in lid 33.1 omschreven waarden, nadere eisen stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

33.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
33.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen en rooien van bomen, houtgewas en laanbeplanting.
33.3.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod als bedoeld in lid 33.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. op basis van het voorheen geldende plan niet vergunningplichtig waren en die reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds vergunde omgevingsverguning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
33.3.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 33.3.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. de noodzaak voor het kappen c.q. rooien is aangetoond en herplant is gewaarborgd;
  • b. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in lid 33.1 omschreven specifieke ruimtelijke kenmerken en waarden.

Artikel 34 Waterstaat - Waterkering

34.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van een waterkering en waterhuishoudkundige voorzieningen:.

34.2 Bouwregels
34.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel:

  • a. op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
34.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde


Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer dan 2,5 m mag bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is.
34.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 34.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering.

Alvorens te beslissen op en aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.

34.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
34.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en grondbewerkingen, waartoe onder meer wordt gerekend:
    • 1. het vergraven, afgraven, ophogen, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden;
    • 2. het aanleggen, verbreden en dempen van water;
  • b. het aanbrengen van drainage;
  • c. het aanbrengen van kabels en leidingen;
  • d. het verlagen van het waterpeil.
34.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen: betreffen.
34.4.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 34.4.1 wordt alleen verleend indien het behoud de waterkerende functie is gewaarborgd en nadat met de waterbeheerder overleg is gevoerd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 35 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 36 Algemene bouwregels

36.1 Algemene bouwregels
  • a. Het totaal aantal te realiseren woningen en waterwoningen bedraagt maximaal 1.250. Dit aantal betreft het gezamenlijke aantal in de bestemmingen:
      • Woongebied - De Wei
      • Woongebied - Havenkwartier
      • Woongebied - Het Park
      • Woongebied - Het Riet
      • Woongebied - Het Wold
  • b. De bouwhoogte van reclamemasten bedraagt niet meer dan 6 m.
36.2 Omgevingsvergunningplicht voor het slopen van gebouwen

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' (zie ook de als Bijlage 5 opgenomen Lijst karakteristieke objecten overige kernen, december 2019 ) gelden nadere regels voor het behoud van de karakteristieke hoofdvorm van gebouwen:

  • a. de uitwendige hoofdvorm, bestaande uit de oppervlakte, goot- en bouwhoogte, nokrichting en dakhelling van de zodanig aangeduide (delen van) gebouwen mogen niet meer dan 10% afwijken van de bestaande maatvoering;
  • b. het geheel of gedeeltelijk slopen van gebouwen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning is verboden;
  • c. het bepaalde onder b. is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. op basis van het voorheen geldende plan niet vergunningplichtig waren en die reeds in uitvoering waren ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • d. de in lid b genoemde vergunning wordt alleen verleend indien:
    • 1. de bebouwing vanwege ernstige gebreken niet in stand kan worden gehouden of waaraan dermate hoge kosten van herstel zijn verbonden, zonder dat door de overheid een financiële tegemoetkoming kan worden gedaan, dat instandhouding redelijkerwijze niet kan worden gevergd;
    • 2. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld en/of;
    • 3. het delen van het gebouw of bijgebouwen betreft die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt;
  • e. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het in lid 36.1 sub a bepaalde voor een grotere afwijking van de bestaande maatvoering, mits wordt voldaan aan de overige bouwregels die ter plaatse van toepassing zijn; indien in combinatie met de bouwwerkzaamheden ook sloopwerkzaamheden plaatsvinden, dient tevens de onder lid 36.1, sub b genoemde vergunning te zijn verleend.

Artikel 37 Algemene gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting;
  • b. het gebruik van de gronden ten behoeve van ruiterpaden, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - zoekgebied ruiterpad'.

Artikel 38 Algemene aanduidingsregels

38.1 Geluidzone - industrie

De ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrie' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in veband met de nabijheid van gronden en gebouwen die deel uitmaken van een industrieterein waar geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn toegelaten.

38.1.1 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in de basisbestemming geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrie' geen nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige functies mogen worden gebouwd, tenzij wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder of de voorwaarden opgenomen in het Besluit hogere grenswaarden.

38.1.2 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden niet-geluidsgevoelige gebouwen te gebruiken als geluidsgevoelige gebouwen.

38.1.3 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 38.1.2 en toestaan dat niet-geluidsgevoelige gebouwen worden gebruikt als geluidsgevoelig gebouw, mits de geluidsbelasting vanwege de industrie van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.

38.2 Overige zone - zoekgebied ruiterpad
38.2.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  • b. De onder a bedoelde vergunning kan alleen worden verleend indien geen significante aantasting plaatsvindt aan het areaal aan bos/ en natuurgebied en aan de actuele natuurlijke en landschappelijke waarden.
38.3 Veiligheidszone - bedrijven
38.3.1 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, gelden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - bedrijven' de volgende regels:

  • a. er mogen ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone -bedrijf 1' geen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten worden gebouwd;
  • b. er mogen ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - bedrijf 2' geen kwetsbare objecten worden gebouwd.
38.3.2 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen de aanduiding 'Veiligheidszone - bedrijf 1' voor beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen de aanduiding 'Veiligheidszone - bedrijf 2' voor kwetsbare objecten'.

38.3.3 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding 'Veiligheidszone - bedrijven' wordt verwijderd, mits de betreffende activiteiten ter plaatse zijn beëindigd.

38.4 Veiligheidszone - Bevi
38.4.1 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, gelden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - Bevi' de volgende regels:

  • a. er mogen geen kwetsbare objecten worden gebouwd ;
  • b. de bouw van beperkt kwetsbare objecten is toegestaan, mits:
    • 1. er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen;
    • 2. is aangetoond dat er hirdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.
38.4.2 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken voor kwetsbare objecten, met uitzondering van het bestaande gebruik.

38.4.3 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen in die zin dat:

  • a. de aanduiding 'Veiligheidszone - Bevi' wordt verwijderd, indien de risicovolle activiteit ter plaatse is beëindigd;
  • b. de aanduiding 'Veiligheidszone - Bevi' voor een risicovolle inrichting wordt gewijzigd (verkleind), mits door maatregelen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar is gereduceerd.
38.5 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen

De voor 'Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.

38.5.1 Specifieke gebruiksregels
  • a. Gebouwen en/of terreinen mogen niet worden gebruikt als een object voor langdurig verblijf van verminderd zelfredzame personen.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mag bestaand gebruik worden voortgezet.

Artikel 39 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits de geluidbelasting van geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde, dan wel een verkregen hogere waarde;
  • c. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • d. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10 m, met uitzondering van reclamemasten, van welke de hoogte ten hoogste 6 m mag bedragen en met uitzondering van mestsilo's;
  • e. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van antennemasten wordt vergroot tot ten hoogste 40 m, mits:
    • 1. de noodzaak tot de plaatsing van een antennemast wordt aangetoond;
    • 2. bij de plaatsing van een antennemast wordt aangesloten bij bestaande verticale elementen, zoals bestaande masten of anderszins bestaande bouwwerken;

met dien verstande dat bij plaatsing van antennemasten in het Natuurwerk Nederland de bouwhoogte van een antennemast maximaal 5 m mag bedragen;

  • f. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en worden toegestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen wordt vergroot, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    • 2. de hoogte leidt tot een hoogte welke ten hoogste 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw zal bedragen;
  • g. het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:
    • 1. de inhoud per gebouwtje niet meer dan 100 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van reclamemasten niet meer dan 6 m bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 15 m bedraagt;
  • h. het bepaalde in de regels en toestaan dat er in de bestemmingen Woongebied - De Wei, Woongebied - Havenkwartier, Woongebied - Het Park, Woongebied - Het Riet en Woongebied - Het Wold meer woningen worden gebouwd dan in de bouwregels van die bestemmingen is aangegeven, met dien verstande dat het totaal aantal woningen in deze bestemmingen niet meer mag bedragen dan 250;
  • i. het bepaalde in de regels en toestaan dat er in de bestemmingen Woongebied - De Wei, Woongebied - Het Park, Woongebied - Het Riet en Woongebied - Het Wold bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevelrooilijn worden gebouwd als er sprake is van watergericht wonen;
  • j. het bepaalde in de regels en toestaan dat er ten behoeve van de ontwikkeling van de recreatieve infrastructuur kanosteigers worden aangelegd in de bestemmingen Agrarisch, Natuur, Recreatie - Dagrecreatie en Water, mits:
    • 1. de beoogde locatie in overeenstemming is met de Toeristisch Recreatieve Infrastructuur (TRI);
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 0,2 m boven waterpeil;
    • 3. de lengte van de steiger per locatie niet meer bedraagt dan 4 m;
  • k. het bepaalde in de regels en toestaan dat er in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning een bed & breakfastvoorziening wordt gerealiseerd, mits deze ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.

Artikel 40 Algemene wijzigingsregels

40.1 Nutsvoorzieningen

Het bevoegd gezag kan wijzigen ten behoeve een transformatorstation, gasdrukmeet- en regelstation, gemaal en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen en andere bouwwerken van openbaar nut, tot een inhoud van ten hoogste 400 m³ en een bouwhoogte van ten hoogste4 m.

40.2 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de archeologische waarden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingpslan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Natuur', mits:

  • a. de gronden kunnen worden verworven, dan wel beschikbaar zijn voor natuurontwikkeling;
  • b. de omvang van het gebied dat voor natuurontwikkeling beschikbaar is, voldoende is om een beheersbare eenheid te voeren;
  • c. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van de bestemming 'Natuur' van toepassing zijn.
40.3 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2' wordt gewijzigd ten behoeve van de bouw van een bedrijfswoning met schuur voor gebruik als schaapskooi of een aan huis verbonden beroep of bedrijf: c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: c.q. andere vormen van bedrijvigheid, zoals genoemd in Bijlage 1 onder de categorie A, B en C, mits:

  • a. de gezamenlijke grondoppervlakte van een nieuwe bedrijfswoning met bedrijfsgebouwen en overkappingen niet groter is dan 300 m2;
  • b. over de aanvaardbaarheid advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuuur;
  • c. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein worden gerealiseerd.
40.4 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 3

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingpslan wijzigen in die zin dat de bestemming Recreatie - Dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 3' wordt gewijzigd ten behoeve van:

  • a. een havengebouw met een bedrijfsvloeroppervlakte van ten hoogste 325 m2 , met dien verstande dat:
    • 1. het gebruik voor ondergeschikte detailhandel is toegestaan op een bedrijfsvloeroppervlakte van ten hoogste 50 m2 ;
    • 2. het gebruik voor lichte horeca van categorie 1 is toegestaan,
40.5 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 4

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingpslan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 4' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen', al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf: c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: c.q. andere vormen van bedrijvigheid, zoals genoemd in bijlage 2 onder de categorie A, B en C, mits:

  • a. het toevoegen van nieuwe woningen past binnen de Woonvisie Oldambt 2015-2020 en haar herzieningen, dan wel opvolgende woonvisies;
  • b. het aantal nieuwe woningen niet meer bedraagt dan twee;
  • c. de gezamenlijke grondoppervlakte van een nieuwe woning en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, niet groter is dan 300 m2;
  • d. over de aanvaardbaarheid advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuuur;
  • e. er voldoende parkeergelegenheden op eigen terrein worden gerealiseerd;
  • f. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de regels van de bestemming 'Wonen' van toepassing zijn.
40.6 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 5

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingpslan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 5' wordt gewijzigd ten behoeve van kleinschalige watergebonden bedrijvigheid, zoals een werf, watersportwinkel en bedrijfswoning, mits:

  • a. de gezamenlijke grondoppervlakte van een nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen en overkappingen niet groter is dan 300 m2;
  • b. over de aanvaardbaarheid advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuuur;
  • c. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein worden gerealiseerd.
40.7 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 6

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingpslan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 6' wordt gewijzigd ten behoeve van de bouw van maximaal 6 recreatiewoningen, elk met een oppervlakte van ten hoogste 60 m2, ondergeschikte horeca, twee praktijkruimten, elk met een oppervlakte van ten hoogste 12 m2, ten behoeve van loopbaancoaching/gezondheidsadviezen, groepsruimte voor 15-25 personen die ook extern verhuurd kan worden.

40.8 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 7

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Horeca' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 7' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Verkeer'.

40.9 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 8

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 8' wordt gewijzigd om verblijfsrecreatie mogelijk te maken in de vom van de bouw van maximaal drie recreatiewoningen, met als uitgangspunt hoogwaardige architectuur, onder begeleiding door de stedenbouwkundige van de gemeente Oldambt en akkoord in het Bouwteam Blauwestad.

40.10 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 9

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Water' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 9' wordt gewijzigd om de realisatie van waterwoningen/drijvende woningen mogelijk te maken, met als uitgangspunt hoogwaardige architectuur, onder begeleiding door de stedenbouwkundige van de gemeente Oldambt en akkoord in het Bouwteam Blauwestad.

40.11 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 10

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 10' wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van horecabedrijven van horeca categorie 1.

40.12 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 11

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Water' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 11' wordt gewijzigd om de realisatie van drijvende recreatiewoningen mogelijk te maken, met als uitgangspunt hoogwaardige architectuur, onder begeleiding door de stedenbouwkundige van de gemeente Oldambt en akkoord in het Bouwteam Blauwestad.

40.13 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 12

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie,
  • de sociale veiligheid;
  • de verkeersveiligheid,
  • de archeologische waarden ;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Natuur' ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 12' wordt gewijzigd ten behoeve van de bouw en het gebruik van een horecapaviljoen voor de uitoefening van een horecabedrijf van categorie 1, alsmede ondergeschikte detailhandel, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bebouwingsoppervlak bedraagt maximaal 150 m2 ;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m ;
  • c. er is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein ;
  • d. het erf en de bebouwing worden goed landschappelijk ingepast
  • e. de zichtlijn vanaf de Ekamperweg richting de steiger nabij Ekamperweg 1/1a wordt behouden.

Artikel 41 Overige regels

41.1 Nadere eisen beeldkwaliteitsplannen

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen nadere eisen stellen aan de bouw van bouwwerken zodat deze in overeenstemming zijn met het door de gemeenteraad vastgestelde beeldkwaliteitskader voor de woongebieden De Wei, Havenkwartier, het Park, het Riet en het Wold.

41.2 Parkeernormen
  • a. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen of voor een gebruiksverandering moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen van de CROW-publicatie 317. Indien deze normen gedurende de planperiode wordt gewijzigd moet deze wijziging in acht worden genomen.
  • b. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
  • c. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld onder a en b dienen na de realisatie in stand te worden gehouden.
  • d. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde onder a en b:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 42 Overgangsrecht

42.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
42.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 43 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Herziening bestemmingsplan Blauwestad 2021'.