direct naar inhoud van 4.13 Bestemmingsplan en milieu
Plan: Buitengebied Rijssen-Holten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1742.BPB2011000-0401

4.13 Bestemmingsplan en milieu

Hoewel de ruimtelijke ordening en het milieubeleid zich met dezelfde omgeving bezig houden, is de wettelijke basis verschillend. Het belangrijkste kader voor het milieubeleid is de Wet milieubeheer (Wm). Voor de ruimtelijke ordening is dat de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Omdat beide beleidsvelden zich met dezelfde omgeving bezighouden, mag er van wederzijds negeren geen sprake zijn.

Het bestemmingsplan mag geen belemmering zijn voor de uitvoering van milieubeleid. Het bestemmingsplan is daarom afgestemd op milieuwet- en regelgeving. Dubbele regelgeving is zoveel mogelijk voorkomen, omdat anders het bestemmingsplan herzien moet worden wanneer milieuregelgeving wijzigt. Bovendien is de milieuregelgeving de laatste jaren volop in ontwikkeling (denk aan de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij). Ook in de nabije toekomst zullen ontwikkelingen elkaar blijven opvolgen. In het bestemmingsplan is alleen extra regelgeving opgenomen wanneer dit in het belang is van een goede ruimtelijke ordening.

Afstemming op milieuregelgeving vindt plaats doordat in de planregels bij de flexibiliteitsbepalingen is opgenomen dat alleen medewerking wordt verleend als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie en de externe veiligheid. Op grond van deze bepaling dient altijd getoetst te worden aan milieuregelgeving (in brede zin), zoals deze op dat moment van kracht is. Om zoveel mogelijk inzicht te geven in milieuaspecten die bij de beoordeling van aanvragen en initiatieven een rol spelen, worden in deze paragraaf de belangrijkste milieuregelingen die met de ruimtelijke ordening samenhangen, op een rij gezet.

Tot slot kan nog worden opgemerkt dat de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieuregelgeving ook tot stand komt door de coördinatieregeling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling voorziet in een procedurele afstemming tussen de omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor milieuacitiviteiten. Ook zijn enkele waarborgen gegeven voor een inhoudelijke coördinatie.

4.13.1 Externe veiligheid

Algemeen

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang.

Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. 

Ad Inrichtingen

De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen moeten tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld.

Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen moet onderzocht worden:

  • of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

Voor het plangebied zijn de volgende inrichtingen relevant: Shell Tankstation Struik aan de Rijksweg A1, BP Tankstation De Bolder, eveneens aan de Rijksweg A1 en Tankstation De Waardenborg BV aan de Oranjestraat.

Plaatsgebonden risico

In verband met het plaatsgebonden risico en gelet op de doorzet lpg (minder dan 1.000 m3) moeten hier de volgende afstanden tot de (beperkt) kwetsbare objecten in acht worden genomen:

  • 15 meter vanaf de afleverzuil;
  • 25 meter vanaf het ondergrondse reservoir;
  • 35 meter vanaf het vulpunt.

Voor de ligging van de verschillende zones bij de 3 tankstations wordt verwezen naar Bijlage 19 Lpg-zones Shell A1, Bijlage 20 Lpg-zones BP A1 en Bijlage 21 Lpg-zones Oranjestraat.

Hieruit blijkt dat bij geen van de tankstations kwetsbare objecten binnen de contour zijn gelegen.

Wel worden deze zone's op de verbeelding aangegeven met de gebiedsaanduiding "veiligheidszone - lpg".

Groepsrisico

Conform artikel 13 lid 1 Bevi wordt hierna per tankstation ingegaan op de volgende aspecten:

  • a. de aanwezige en op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de risicovolle inrichting;
  • b. het groepsrisico per inrichting op moment vaststelling bestemmingsplan en de bijdrage van de toegelaten (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico;
  • c. indien mogelijk: de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door degene die de inrichting drijft;
  • d. indien mogelijk: de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in het bestemmingsplan zijn opgenomen;
  • e. de voorschriften ter beperking van het groepsrisico die aan de milieuvergunning worden verbonden;
  • f. de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico;
  • g. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;
  • h. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval in de risicovolle inrichting;
  • i. zich in veiligheid te brengen.

I. Shell Tankstation Struik aan de Rijksweg A1

ad a en b.

Voor standaardsituaties kan het groepsrisico bij lpg-tankstations berekend worden met behulp van de berekeningsmodule van www.groepsrisico.nl. Deze rekentool vervangt de tabel met kengetallen voor personendichtheden bij lpg-tankstations, zoals is opgenomen in de "Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico" van augustus 2004 en de update van 2007. Onder standaardsituaties wordt verstaan een lpg-tankstation waarbij het lpg-vulpunt op minder dan 50 meter van de (al dan niet ondergrondse) lpg-voorraadtank is gelegen en in de omgeving (in een straal van 150 meter rondom het tankstation) uitsluitend woningen, woongebouwen, kantoren, scholen en bedrijven zijn gelegen.

In deze situatie is er sprake van een standaardsituatie, maar de rekentool hoeft niet gebruikt te worden, omdat er binnen de straal van 150 meter rond het vulpunt en ook het reservoir zich geen object bevindt waarmee gerekend zou moeten worden. Er is dan ook geen sprake van enig groepsrisico.

ad c.

In het Besluit lpg-tankstations milieubeheer zijn voorschriften opgenomen voor de exploitatie van het tankstation. De exploitant heeft hieraan te voldoen. Verder is van belang dat de lpg-branche thans maatregelen voorbereidt die tot vermindering van het groepsrisico zullen leiden. Het gaat om de volgende maatregelen:

het gebruiken van een verbeterde vulslang. Hierdoor daalt de kans op een lek of breuk en vermindert het aantal knelpunten met het plaatsgebonden risico.

het aanbrengen van hittewerende coating op lpg-tankauto's. Deze coating geeft de brandweer bij een ongeluk meer tijd en meer mogelijkheden om een explosie (een zogenoemde warme 'BLEVE': Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) te voorkomen.

In de onderhavige situatie is het niet direct noodzakelijk om de aflevering overdag te laten plaatsvinden.

ad d.

In het invloedsgebied zijn bestemmingsplannen vigerend. Dit zijn gedetailleerde bestemmingsplannen, die bij recht nauwelijks tot geen ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De personendichtheden zijn daarmee indirect verankerd in het bestemmingsplan.

ad e.

In de milieuvergunning is de lpg-doorzet begrensd tot 1.000 m3 per jaar. De feitelijk verkochte hoeveelheid ligt een stuk onder die hoeveelheid.

ad f.

Ruimte is schaars en de invulling van de ruimte wordt door tal van factoren bepaald. Het groepsrisico als gevolg van een lpg-tankstation is er daar één van. Het gemeentelijke beleid richt zich in beginsel op de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Onder omstandigheden kan een toename onder de oriëntatiewaarde onaanvaardbaar worden gevonden. Dat is in de onderhavige situatie niet het geval, mede gelet op alle andere factoren die de invulling op de onderhavige locatie bepalen, waaronder de stedenbouwkundige inpassing.

ad g en h.

Een belangrijk aspect betreft bestrijdbaarheid. Bestrijding van de direct optredende effecten is in het geval van een BLEVE niet realistisch, omdat een BLEVE zich te snel ontwikkelt. De inzet van de brandweer zal derhalve voornamelijk gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Bronbestrijding ligt -indien mogelijk- in de regel in het blussen van het object dat de lpg-tankauto aanstraalt.

In geval van een dreigende BLEVE kan de brandweer bij tijdige aankomst trachten de lpg-tankwagen te koelen. Zijn ze niet tijdig aanwezig dan gaat de brandweer op afstand staan en wordt de inzet met name op de bescherming van de omgeving gericht. Om te koelen is bluswater nodig en de bluswatervoorziening in de directe omgeving zal daar op afgestemd moeten zijn. Tevens kan een sprinklerinstallatie voor koeling zorgen. Hierdoor wordt drukopbouw in de tank, die tot een BLEVE leidt voorkomen.

ad i.

Een belangrijk aspect in het kader van het groepsrisico dat bestaat ten gevolge van het lpg-tankstation betreffen de mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid van de bevolking. De tijd tussen het begin van een brand en een BLEVE (een explosie van een lpg-tankwagen) varieert tussen circa 10 en 30 minuten. De beschikbare tijd voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen is dus slechts kort. Aangezien het evacueren van de bevolking in zo'n korte tijd organisatorisch naar alle waarschijnlijkheid niet realiseerbaar is, wordt verondersteld dat het merendeel van de aanwezigen in de omgeving zichzelf in veiligheid kan brengen. Het verloop van de wegenstructuur rond het lpg-station is zodanig dat een ieder zich bij een (dreigende) explosie in veiligheid kan brengen (binnen 150 meter is het advies vluchten en schuilen en daarbuiten is het schuilen). In veiligheid brengen is vluchten en dat betekent weg van de brand.

Daarnaast kan de A1 eventueel afgesloten worden voor tegemoetkomend verkeer.

2. BP Tankstation De Bolder aan de Rijksweg A1

ad a en b.

Zoals onder 1 al is aangegeven kan voor standaardsituaties het groepsrisico bij lpg-tankstations berekend worden met behulp van de berekeningsmodule van www.groepsrisico.nl. Maar voor dit tankstation geldt hetzelfde als dat onder 1, namelijk dat er in deze situatie sprake is van een standaardsituatie, en dat de rekentool niet gebruikt hoeft te worden, omdat er binnen de straal van 150 meter rond het vulpunt en ook het reservoir zich geen object bevindt waarmee gerekend zou moeten worden. Er is dan ook geen sprake van enig groepsrisico.

ad c t/m i.

Hiervoor geldt hetzelfde als onder 1 vermeld.

3. Tankstation De Waardenborg BV aan de Oranjestraat

ad a en b.

Bij dit tankstation liggen het vulpunt en het reservoir te ver uit elkaar om van een standaardsituatie te kunnen spreken en kan er dus geen gebruik worden gemaakt van de lpg-rekentool. Hier zal een QRA uitgevoerd moeten worden.

PM

Gelet op het bovenstaande vindt de gemeente Rijssen-Holten de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, acceptabel.

Overige stationaire risicobronnen

In het plangebied komen nog zes bedrijven voor die relevant zijn om te noemen.

  • Aan de Oude Diepenveenseweg is een gasdrukregel en –meetstation gevestigd. Deze valt onder de werkingssfeer van het Besluit Voorzieningen en installaties milieubeheer. Volgens dit besluit moet in dit geval rekening worden gehouden met een veiligheidsafstand van 15 meter tot kwetsbare objecten (zoals woningen) en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten als sporthallen, winkels, bedrijven met meer dan 50 personen et cetera. De veiligheidsafstand valt deels buiten de eigen inrichting en dat deel is op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding "veiligheidszone".
  • Aan de Schapendijk is een bovengrondse propaantank aanwezig van 3.000 liter. De PR-contour is 20 meter en valt binnen de inrichtingsgrens en vormt zodoende geen PR-knelpunt.
  • Op de hoek van de Oosterhofweg en de Elsmaten is een bovengrondse propaantank aanwezig van 3.200 liter. De PR-contour is 40 meter en valt deels buiten de inrichtingsgrens. Dat deel dat buiten de inrichtingsgrens valt is op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding "veiligheidszone".
  • Aan de Enterveenweg is een bovengrondse propaantank aanwezig van 3.000 liter. De PR-contour is 20 meter en valt deels buiten de inrichtingsgrens. Dat deel dat buiten de inrichtingsgrens valt is op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding "veiligheidszone".
  • Aan de Schuppertsweg is een bovengrondse propaantank aanwezig van 8.000 liter. De PR-contour is 50 meter en valt deels buiten de inrichtingsgrens. Dat deel dat buiten de inrichtingsgrens valt is op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding "veiligheidszone".
  • Aan de Molenbelterweg zijn bij Bospark Hoge Haspel 2 tanks van 9000 liter propaan gelegen met een 10-6-contour van respectievelijk 50 en 60 meter. Ze vallen allebei deels buiten de inrichtingsgrens. Dat deel dat buiten de inrichtingsgrens valt is op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding "veiligheidszone".

Met deze punten is in het onderhavige plan rekening gehouden.

Geen van de bovenstaande stationaire risicobronnen vormt op dit moment een knelpunt in verband met het plaatsgebonden of groepsrisico.

Ad Buisleidingen

Op 01-01-2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Besluit regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

In of bij het plangebied zijn vele aardgastransportleidingen van de Gasunie gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het zijn gasleidingen met een uitwendige diameter van 4 tot 48 inches en een werkdruk van 40 tot 66 bar.

In het kader van het nieuwe Besluit is voor alle leidingen een berekening uitgevoerd met behulp van het programma Carola. Gezien de uitgestrektheid van het plangebied en de ligging van de gasleidingen is het onderzoeksgebied gesplitst in een oostelijk en een westelijk deel. Uit de door de Gasunie toegestuurde bestanden voor de berekeningen blijkt overigens dat er meer leidingen liggen dan op de provinciale Risicokaart vermeld staan.

Omdat het onderhavige plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt wordt uitgegaan van de bestaande situatie.

Uit deze berekeningen blijkt, dat de 10-6-contouren voor het overgrote deel op 0 meter liggen van de leidingen en dat de curven zodanig ver nog van de oriëntatiewaarde vandaan blijft dat de gemeente Rijssen-Holten de ligging van de leidingen acceptabel vindt. Slechts op een paar plaatsen ligt de PR-contour buiten de buisleiding. Daar is de gebiedsaanduiding "veiligheidszone - leiding" aangegeven. Zie voor nadere informatie Bijlage 22 Kwantitatieve Risicoanalyse buisleidingen Oost en Bijlage 23 Kwantitatieve Risicoanalyse buisleidingen West.

Volgens het nieuwe Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt in het bestemmingsplan de ligging weergegeven van de aanwezige buisleidingen alsmede de volgens artikel 14 lid 1 Bevb daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van onderhoud van de buisleiding. Deze belemmeringenstrook bedraagt bij 40 bar en meer 5 meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten uit het hart van de leiding. De gronden, die binnen deze strook zijn gelegen krijgen de dubbelbestemming "Leiding – Gas".

Ad Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor

In de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen (2005) wordt een Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen aangekondigd, dat naar verwachting in de loop van 2012 wordt voorzien van een wettelijke basis. In dat kader zijn op 4 december 2008 de ontwerpen voor de Basisnetten Water en Weg, alsmede het conceptontwerp Basisnet Spoor aan de Tweede Kamer aangeboden.

Daarna is op 17 februari 2009 door de Basisnet-werkgroep Weg de eindrapportage "Voorstel Basisnet Weg" gepresenteerd en in oktober 2009 de definitieve eindrapportage. Op 18 februari 2010 is het ontwerp-Basisnet Spoor naar de Tweede Kamer gestuurd en dat is inmiddels op 9 juli 2010 als definitief vastgesteld.

Het Basisnet Spoor is gebaseerd op:

  • De prognoses van ProRail voor 2020 over de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen.
  • Alle (nu bekende) bouwplannen van gemeenten. Gemeenten langs het spoor hebben de kans gekregen hun bouwplannen te overleggen en te bezien of dit knel- of aandachtspunten oplevert.
  • Voor de berekeningen van het risico is gebruik gemaakt van het rekenprogramma RBMII.

Uitwerking

Er zijn nog een aantal punten in dit dossier die uitgewerkt moeten worden. Zoals de oplossing van resterende groepsrisico aandachtspunten bij enkele gemeenten, de locatie van de plasbrand-aandachtsgebieden, de aanvullende maatregelen die gemeenten aan bebouwing kunnen gaan stellen en de uitkomsten van enkele studies. Ook dient er wetgeving, zoals de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen aangepast te worden. Dit zal in de loop van de komende jaren gebeuren, voordat het Basisnet definitief wordt vastgesteld. Het is de bedoeling dat de wetgeving rond het Basisnet medio 2012 van kracht wordt.

Overgangsperiode

Totdat het Basisnet spoor wettelijk van kracht is, geldt dat indien men bouwplannen wil ontwikkelen in de omgeving van spoorlijnen, de externe veiligheid daarvan (zoals tot nu toe gebruikelijk) getoetst moet worden aan de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (2004). Hierbij moet gebruik gemaakt worden van de meest actuele prognose van het vervoer van gevaarlijke stoffen langs de locatie waar zal worden gebouwd. 

In de Basisnetten wordt ook aandacht besteed aan het begrip "Plasbrandaandachtsgebied" (PAG). Onder een PAG wordt verstaan het gebied tot 30 meter van de (water)weg en het spoor waarin, bij realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Een plasbrand is verbranding van een door bijvoorbeeld lekkage ontstane plas van brandbare vloeistof. Een PAG geldt alleen voor nieuw te bouwen kwetsbare objecten. Bestaande objecten binnen de PAG hoeven niet te worden gesaneerd.

Op dit moment wordt het beleidskader dus nog gevormd door de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (circulaire RNVGS, 4 augustus 2004) en de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (nota RNVGS, 1995/96). De circulaire is een operationalisering en verduidelijking van het beleid uit de nota. Op basis van deze beleidsstukken gelden er normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het plaatsgebonden risico geldt ten opzichte van woningen (kwetsbare objecten) een grenswaarde van 10-6 per jaar.

Het groepsrisico is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Wat betreft het groepsrisico is de oriëntatiewaarde bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per transportsegment gemeten per kilometer per jaar:

  • 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers;
  • 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers;
  • 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers;
  • enz.

Weg

Uit het Bijlagenrapport van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de A1 tussen afrit 24 (Deventer-Oost) en afrit 26 (Lochem) een veiligheidszone heeft van 12 meter, gemeten van het midden van de weg, en tussen afrit 26 (Lochem) en afrit 28 (Rijssen) geen veiligheidszone (10-6 plaatsgebonden risicocontour (PR)) heeft.

De weg heeft verder een groepsrisico (GR), dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie beneden de 0,1*oriëntatiewaarde ligt.

Wel moet bij het hele traject van de A1 binnen de grenzen van de gemeente Rijssen-Holten een rekening gehouden te worden met een PAG.

Op de verbeelding krijgt de veiligheidszone van 12 meter de aanduiding "veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen"

Water

Uit het Basisnet Water blijkt dat er binnen de gemeente Rijssen-Holten geen transport van gevaarlijke stoffen over het water plaatsvindt.

Spoor

Volgens het Basisnet Spoor behoort het traject Deventer-Almelo tot categorie 3: er gelden wel vervoersbeperkingen, maar geen ruimtelijke beperkingen. De risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen bij categorie 3 worden begrensd door middel van gebruiksruimtes op basis van de risicobenadering. Naast gebruiksruimtes worden rondom de infrastructuur veiligheidszones gedefinieerd. Het betreft hier corridors rondom infrastructuur waarbinnen restricties gelden voor bebouwing. Voor categorie 3-routes geldt geen veiligheidszone en mag dus het dichtst op de infrastructuur worden gebouwd.

Dit is hier evenwel niet aan de orde.

Uit het voorgaande blijkt dat er in het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten geen knelpunten zijn met betrekking tot de externe veiligheid.

4.13.2 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid.

In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze in het bestemmingsplan omgegaan wordt met wegverkeerslawaai en spoorweglawaai (binnen het plangebied ligt geen zone van een gezoneerd industrieterrein).

Wegverkeerslawaai

Ingevolge artikel 76, lid 1 van de Wet geluidhinder dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen de waarden in acht genomen te worden, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Op basis van het bepaalde in artikel 76, lid 3 geldt lid 1 niet indien op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan de weg reeds aanwezig is of in aanleg is en de woning of andere geluidgevoelige objecten ook reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Aangezien het bestemmingsplan enkel bestaande situaties vastlegt, kan voor dit bestemmingsplan een akoestisch onderzoek achterwege blijven. Ten behoeve van de zeer sporadische mogelijkheden van woningen is in de algemene bouwregels opgenomen dat de toegelaten geluidgevoelige functie uitsluitend mag worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde. Bij de toepassing van dit artikel hanteert de gemeente de gebiedsgerichte geluidsklassen zoals deze vastgelegd zijn in de Nota geluidsbeleid (2008) van de gemeente (zie 2.5.6 Nota geluidsbeleid).

Spoorweglawaai

Ook langs spoorwegen is sprake van een geluidszone waarbinnen een akoestisch onderzoek verplicht is als het gaat om het realiseren van woningen of andere geluidgevoelige objecten. Ook hiervoor geldt dat het bestemmingsplan enkel bestaande situaties vastlegt. Ten behoeve van de zeer sporadische mogelijkheden van woningen is eveneens in de bouwregels opgenomen dat de toegelaten geluidgevoelige functie uitsluitend mag worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Ook als het gaat om spoorweglawaai houdt de gemeente rekening met het gebiedstype en de gebiedsklassen die voor het gebied zijn vastgelegd.

4.13.3 Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is sinds 1 januari 2007 het landsdekkend beoordelingskader voor geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv schrijft voor op welke wijze de geurhinder vanwege dierenverblijven beoordeeld moet worden indien een veehouderij een omgevingsvergunning (voor milieu-activiteiten) aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit wordt ook wel de "omgekeerde werking" genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. De Wgv speelt daarom een rol bij de uitbreiding van veehouderijen en bij het bouwen van nieuwe woningen dan wel het verplaatsen van woningen. Getoetst moet dan worden of voldaan wordt aan de op die plek geldende geurnorm. Binnen geurcontouren is het niet toegestaan nieuwe geurgevoelige objecten te realiseren.

De geurnormen zijn vastgelegd in de Wgv. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij ruimte voor maatwerk. Gemeenten kunnen een lokaal geurbeleid opstellen en binnen randvoorwaarden aangepaste gemeentelijke geurnormen vaststellen (vastgelegd in een verordening). De gemeente Rijssen-Holten heeft voor Dijkerhoek een "Geurvisie Dijkerhoek 2010" vastgesteld. In deze geurverordening is de vaste afstand uit de Wet geurhinder en veehouderij (voor diercategorieën waarvoor geen geurnorm geldt) verkleind van 100 meter naar 50 meter.

Bij toepassing van de flexibiliteitsbepalingen van het bestemmingsplan dient onder andere getoetst te worden aan de Wet geurhinder en veehouderij en de "Geurvisie Dijkerhoek 2010".

4.13.4 Klimaatbeleid

De gemeente Rijssen-Holten heeft klimaatbeleid geformuleerd. Het klimaatbeleid is neergelegd in het rapport "Naar een lange termijn klimaatbeleid" (2010). Bij het klimaatbeleid hoort tevens een uitvoeringsprogramma. In 2.5.5 is het klimaatbeleid van de gemeente in het kort beschreven.

In het kader van het klimaatbeleid is een aantal projecten gepland die kansen bieden voor een lager energiegebruik. Eén van die projecten is de realisatie van een energieloket om burgers te enthousiasmeren en te adviseren bij het verbeteren van de energie-efficiëntie van bestaande woningen. Het bestemmingsplan staat energiebesparende en duurzame maatregelen aan de woning niet in de weg.

Een ander project is een onderzoek naar geschikte locaties voor de plaatsing van windturbines. Dit onderzoek is momenteel nog niet afgerond. In het bestemmingsplan is daarom geen rekening gehouden met (een) mogelijke locatie(s) voor windturbines. Bovendien zal voor een dergelijke ruimtelijke ingreep een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure moeten worden gevolgd alvorens een dergelijk plan meegenomen kan worden in het bestemmingsplan buitengebied.

Een ander project met een ruimtelijke component is de inzet van biomassavergistingsinstallaties. Hiervoor wordt eerst een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. In het bestemmingsplan is daarom geen ontwikkelingsregeling voor dergelijke installaties opgenomen. Op bedrijfsniveau, binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van mestvergistingsinstallaties.

4.13.5 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet Milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer opgenomen grenswaarde, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit "in betekenende mate" als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen. 

Dit bestemmingsplan voor het buitengebied van Rijssen-Holten is een conserverend bestemmingsplan en omvat bovenstaande ontwikkelingen niet. Er mag daarom geconcludeerd worden dat als gevolg van de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, de luchtkwaliteit niet "in betekende mate" zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.

4.13.6 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied is sprake van meerdere aardgastransportleidingen. Deze leidingen hebben in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming "Leiding - Gas" gekregen. De kleinere aardgastranportleidingen zijn, omdat het hier gaat om een bestemmingsplan voor het buitengebied en er daarmee geen sprake is van bebouwd gebied, niet positief bestemd.

In het plangebied zijn verder rioolpersleidingen aanwezig. Voor deze leidingen geldt een zakelijk rechtstrook van 3 meter. Er is voor gekozen de rioolpersleidingen niet op de verbeelding (verbeelding (verbeelding (verbeelding (verbeelding (verbeelding (verbeelding (plankaart))))))) op te nemen. Rioolpersleidingen hebben namelijk geen andere ruimtelijke relevantie dan gewone rioolleidingen, waterleidingen of kabels voor datacommunicatie. In de algemene gebruiksbepalingen van de planregels is opgenomen dat het aanleggen of laten aanleggen van dergelijke kabels en/of leidingen niet strijdig is met de geldende bestemming(en).

4.13.7 Hoogspanningslijnen

Op basis van het voorzorgbeginsel (in verband met gezondheid) adviseerde het ministerie van VROM in 2005 om geen gevoelige bestemmingen (zoals woningen, scholen en creches) toe te laten binnen een bepaalde afstand van hoogspanningslijnen. Voor de hoogspanningslijn kan worden uitgegaan van een indicatieve afstand van 50 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn.

In voorliggend bestemmingsplan worden geen scholen en creches toegestaan. Wel zijn er beperkte mogelijkheden om woningen toe te voegen op basis van een wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" (voor een tweede bedrijfswoning). Daarin is het inachtnemen van het voorzorgbeginsel ten aanzien van hoogspanningslijnen niet apart benoemd. In het afwegingskader is wel genoemd dat de wijzigingsbevoegdheid slechts kan worden toegepast indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. Het beleidsadvies van de minister van VROM kan hieronder worden verstaan. Overigens is het concreet nauwelijks reëel dat binnen de zone een nieuwe woning zou kunnen worden gerealiseerd, gelet op de binnen de zone aanwezige bestemmingen.