direct naar inhoud van Regels
Plan: De Schakel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1719.4bpDeSchakel-vg01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan 'De Schakel' met identificatienummer NL.IMRO.1719.4bpDeSchakel-vg01 van de gemeente Drimmelen;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 ambachtelijke bedrijvigheid

het geheel of overwegend door middel van handwerk produceren en/of bewerken en/of verwerken van goederen, waarbij uitsluitend bedrijvigheid van milieucategorieën 1 en 2 zoals bedoeld in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) is toegestaan;

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bed & breakfast

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte niet zelfstandige accommodatie, uitsluitend voor logies en ontbijt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.8 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

1.9 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.10 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.11 begane grond

de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;

1.12 bestaand
  • a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
1.13 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.14 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.15 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

1.16 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.17 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.18 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.19 bouwlaag

een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.20 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;

1.21 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

1.22 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.23 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.24 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.25 dagrecreatie

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan;

1.26 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.27 escortbedrijf

de natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of van omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt uitgeoefend;

1.28 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.29 gevellijn

de geometrisch bepaalde lijn en het verlengde daarvan, die bij het bouwen niet mag worden overschreden;

1.30 havengebonden bedrijven

bedrijven gericht op het vervoer van goederen over water, alsmede scheepsbouw-, scheepsafbouw- en scheepsreparatiebedrijven en stalling van schepen;

1.31 haven-/watergerelateerde kantoren

al dan niet zelfstandige kantoren voor havengebonden en/of watergerelateerde dienstverlening, alsmede de aan de haven ten dienste staande kantoren;

1.32 havengerelateerde voorzieningen

overkoepelend begrip voor alle havengebonden bedrijven, alsmede de aan de haven ten dienste staande bedrijven;

1.33 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.34 horecabedrijf

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor verkoop aan het publiek wordt bereidt en verstrekt, al dan niet voor consumptie ter plaatse, en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

1.35 horeca

Horeca 1
een zelfstandig winkelondersteunend daghorecabedrijf, overwegend gebonden aan de openingstijden zoals die gelden voor detailhandel conform de Winkeltijdenwet en de gemeentelijke regelgeving aangaande winkeltijden, dat in hoofdzaak is gericht op het verstrekken van maaltijden, drank, consumptie-ijs aan winkelend publiek voor consumptie ter plaatse (lunchroom, koffie-/theehuis, ijssalon). Bij deze vorm van horeca dient de aard en omvang van de bedrijfsactiviteit te passen binnen een winkelgebied (centrumgebied), en is zij gebonden aan en/of ondersteunend voor de (winkel)functie van dat gebied, daarbij lettend op de aard en de ligging van de andere gebruiksvormen in en het karakter van het gebied;

Horeca 2
een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse (restaurant), met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken;

Horeca 3
een combinatie van horeca 2 (restaurant) en horeca 4 (café);

Horeca 4
een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het ter plaatse verstrekken en consumeren van dranken (café, bar);

Horeca 5
elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die in belangrijke mate is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen en waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, met uitzondering van een seksinrichting (discotheek, bar-dancing, partycentrum);

Horeca 6
een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bereiden en verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet voor consumptie ter plaatse, die snel bereid worden en relatief goedkoop zijn (zoals cafetaria, snackbar, automatiek, fastfoodrestaurant, fastfoodbezorging, fastfoodafhaal, grillroom, shoarma, kebab, pizza-afhaal/-bezorging);

Horeca 7
een bedrijf dat is gericht op het bieden van logies (per nacht) met de daarbij behorende voorzieningen zoals een restaurant en vergader- en congresfaciliteiten (hotel).

1.36 huishouden

een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen, zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree;

1.37 kantoor

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch, of een hiermee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet, of slechts in ondergeschikte mate te woord wordt gestaan en geholpen;

1.38 kelder

een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot maximaal 1 m boven de gemiddelde hoogte van het aan het gebouw aangrenzende terrein;

1.39 kunstwerk

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, tunnels, dijken, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke;

1.40 langzaamverkeer

voetgangers- en (snor/brom)fietsverkeer;

1.41 maatschappelijke voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier;

1.42 maatvoeringsgrens

de grens van een maatvoeringsvlak;

1.43 maatvoeringsvlak

een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt;

1.44 omgevingsvergunning

vergunning als bedoeld in artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

1.45 ondergeschikte kantoren

niet-zelfstandige kantoren, die dienen ter ondersteuning van de op hetzelfde perceel gevestigde hoofdfunctie(s);

1.46 peil
  • voor een gebouw, gebouwencomplex of ander bouwwerk waarvan de voorgevel direct aan de weg grenst: het peil van het hoogst aangrenzende weggedeelte;
  • voor een gebouw, gebouwencomplex of ander bouwwerk waarvan de voorgevel niet direct aan de weg grenst: het peil van het hoogste aangrenzende terreingedeelte;
  • indien het gebouw, gebouwencomplex of bouwwerk is gelegen in geaccidenteerd terrein of tussen twee wegen, geldt het peil van het hoogst aangrenzende terrein- of weggedeelte nabij de voorgevel van het gebouw;
1.47 permanente bewoning

het feitelijk bewonen van een gebouw gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar;

1.48 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.49 recreatiewoning

een woning die uitsluitend wordt gebruikt om te recreëren door personen die ergens anders hun vaste woonplaats hebben;

1.50 seksinrichting

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, waarin bedrijfsmatig handelingen en/of vertoningen plaatsvinden van seksuele, erotische en/of pornografische aard;

1.51 verdieping

de bouwlagen boven de begane grond;

1.52 verblijfsrecreatiebedrijf

het bedrijfsmatig aanbieden van mogelijkheden tot recreatief gebruik van gronden en/of bebouwing voor een aaneengesloten periode langer dan een dag, niet zijnde permanente bewoning;

1.53 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn voor een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen, inlaten, bergings- en infiltratievoorzieningen;

1.54 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, technische installaties, liftschachten, glijbaan- en kabelbaantorens e.d., en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Gemengd - Haven

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – Haven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. havengerelateerde voorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'opslag', uitsluitend voor opslag van materiaal en materieel ten behoeve van onderhouds- en beheerswerkzaamheden aan de haven, inclusief een werkplaats;
  • c. bij de haven behorende havenkaden met laad- en losfaciliteiten;
  • d. watersportgebonden detailhandel en aanverwante dienstverlening;
  • e. maximaal één supermarkt (convenience store) met een maximale bruto vloeroppervlakte van 800 m², detailhandel;
  • f. dag- en watersportrecreatieve doeleinden;
  • g. verblijfsrecreatiebedrijven met maximaal één bedrijfswoning, uitsluitend op de verdieping(en) ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie';
  • h. wellness;
  • i. maatschappelijke voorzieningen;
  • j. ondergeschikte kantoren en haven-/watergerelateerde kantoren;
  • k. horecabedrijven, met uitzondering van horeca in categorie 5;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - ondergeschikte opslag', tevens voor opslag, uitsluitend ten dienste van het aangrenzende bedrijf, met een maximale hoogte van 2 m;
  • m. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals lichtmasten, (ontsluitings)wegen, groen, water, nutsvoorzieningen, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden en overige verhardingen;

een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.4.1.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen (hoofd)gebouwen, één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' en uitsluitend op de verdieping(en), bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
  • b. de gebouwen worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 8 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'opslag' maximaal 3 m mag bedragen;
  • d. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  • e. de bouwhoogte van erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m;
  • f. de bouwhoogte van erfafscheidingen anders dan bedoeld onder e. bedraagt ten hoogste 2 m;
  • g. de bouwhoogte van reclamezuilen bedraagt ten hoogste 8 m;
  • h. de bouwhoogte van kunstwerken en lichtmasten bedraagt ten hoogste 12 m;
  • i. de bouwhoogten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van dag- en watersportrecreatieve doeleinden bedraagt ten hoogste 15 m;
  • j. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.

3.2.2 Representatieve zone

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - representatieve zone' gelden, aanvullend op het bepaalde in lid 3.2.1, de volgende regels:

  • a. de voorgevel van gebouwen dient te zijn georiënteerd op de bestemming 'Verkeer', met dien verstande dat deze eis niet geldt voor zover tussen de gevel van een gebouw en de bestemming 'Verkeer' reeds een ander gebouw aanwezig is;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevel als bedoeld onder a mag niet meer dan 1 m bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Incidentele verhoging bouwhoogte gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder c. voor het toestaan van een hogere bouwhoogte van gebouwen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 11 meter;
  • b. verhoging van de bouwhoogte is noodzakelijk c.q. wenselijk vanuit architectonisch en/of stedenbouwkundig opzicht;
  • c. de verhoging is uit landschappelijk, architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar, hetgeen in ieder geval betekent, dat:
    • 1. geen grootschalige aaneengesloten hogere bouwmassa ontstaat ten gevolge van de verhoging, waarbij de breedte c.q. diepte van de verhoging in ieder geval niet meer dan 8 meter mag bedragen;
    • 2. de oppervlakte van de verhoging niet meer dan 30 m² per gebouw bedraagt;
  • d. er treedt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden, het woon- en leefklimaat van omliggende percelen op;
  • e. er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Nadere detaillering van de bestemming (milieuzonering)

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bebouwing conform het bepaalde in artikel 3.1 geldt aanvullend op het bepaalde in het betreffende artikel dat:

  • a. uitsluitend activiteiten zijn toegestaan, welke zijn opgenomen in milieucategorieën 1 tot en met 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel naar hun aard daarmee vergelijkbaar zijn;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - onderzoeksplicht categorie 3.1' zijn uitsluitend activiteiten zijn toegestaan, welke zijn opgenomen in milieucategorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel naar hun aard daarmee vergelijkbaar zijn;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b., zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - onderzoeksplicht categorie 3.1' tevens activiteiten welke zijn opgenomen in milieucategorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel naar hun aard daarmee vergelijkbaar zijn, toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. dit uitsluitend verblijfsrecreatiebedrijven en/of ambachtelijke bedrijvigheid betreft;
    • 2. vóór ingebruikname middels onderzoek dient te zijn aangetoond dat er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel onevenredige belemmeringen voor in de omgeving aanwezige functies, optreedt;
  • d. voor zover de afstand tussen een gevoelige functie en overige functie(s) conform het bepaalde in artikel 3.1 minder bedraagt dan:
    • 1. 10 meter ten aanzien van activiteiten welke zijn opgenomen in milieucategorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel naar hun aard daarmee vergelijkbaar zijn;
    • 2. 30 meter ten aanzien van zijn opgenomen in milieucategorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel naar hun aard daarmee vergelijkbaar zijn;

vóór ingebruikname van een functie middels onderzoek dient te zijn aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel onevenredige belemmeringen voor in de omgeving aanwezige functies.

3.4.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren

Het in gebruik nemen van de gronden en bebouwing conform het bepaalde in artikel 3.1 onder d tot en met l is alleen dan toegestaan wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' is aangetoond dat de parkeerbehoefte voor de betreffende functie(s) op eigen terrein kan worden opgevangen;
  • b. ten aanzien van het bepalen van de parkeerbehoefte geldt het volgende:
    • 1. er dient per functie te worden voldaan aan de parkeernormen conform de gemeentelijke vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de aanvraag om een omgevingsvergunning;
  • c. de parkeervoorzieningen op eigen terrein dienen na realisatie in stand te worden gehouden;
  • d. naast het bepaalde onder a tot en met c, dienen in het plangebied ten minste 36 (openbare) parkeerplaatsen aanwezig te zijn en in stand te worden gehouden;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - representatieve zone' mogen geen parkeerplaatsen worden gerealiseerd vóór (het verlengde van) de voorgevel(s) van de in lid 3.2.2 bedoelde gebouwen;
  • f. de in dit lid bedoelde parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd in in stand gehouden met inachtneming van het in Bijlage 2 opgenomen Inspiratiekader.

3.4.3 Voorwaardelijke verplichting realisatie groenvoorzieningen

Het in gebruik nemen van de gronden en bebouwing conform het bepaalde in artikel 3.1 onder a tot en met l is alleen dan toegestaan wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. per bouwperceel is minimaal 15% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel ingericht met groenvoorzieningen;
  • b. de onder a bedoelde groenvoorzieningen dienen na realisatie en ingebruikname te worden beheerd en in stand te worden gehouden.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. bijbehorende voorzieningen als verhardingen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 m.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'langzaam verkeer', uitsluitend voorzieningen voor langzaamverkeer zijn toegestaan;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - representatieve zone' geen parkeerplaatsen mogen worden gerealiseerd vóór (het verlengde van) de voorgevel(s) van op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, (ontsluitings)wegen, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudelijke voorzieningen, reclame-uitingen en overige verhardingen.
5.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting, bedraagt niet meer dan 4 m.

Artikel 6 Waarde - Ecologie

6.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor 'Waarde – Ecologie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - tevens bestemd voor het behoud en de ontwikkeling van ecologische waarden.
  • b. De belangen van de dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.
  • c. Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:
    • 1. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering';
    • 2. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Ecologie' en 'Waarde - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie'.
6.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid;
  • d. het bevoegd gezag wordt voorafgaand aan de bouw van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gevraagd medewerking te verlenen.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de volgende omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.

  • a. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • b. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds houtgewassen waren beplant;
  • e. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • g. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen.

6.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 6.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

6.3.3 Toetsing aan aanwezige waarden

De in 6.3.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden.

Artikel 7 Waterstaat - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie

7.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor 'Waterstaat – Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - tevens bestemd voor:
    • 1. de afvoer en berging van oppervlaktewater, sediment en ijs;
    • 2. de waterhuishouding;
    • 3. verkeer te water;
    • 4. aanleg, beheer, onderhoud en verbetering van de hoofdwaterkering;
    • 5. het vergroten van de afvoercapaciteit.
  • b. De belangen van de dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.
  • c. Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:
    • 1. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering';
    • 2. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Ecologie' en 'Waarde - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie'.
7.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van riviergebonden activiteiten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de situering en uitvoering moeten zodanig plaatsvinden dat de waterstandverhoging en de belemmering voor toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn;
  • b. er moet een beschermingsniveau van ten minste 1:2.000 jaar voor potentiële schadegevallen worden gewaarborgd;
  • c. er moet sprake zijn van duurzame compensatie van resterende waterstandverhogende effecten.
7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1 voor het oprichten van gebouwen ten behoeve van de bestemming, waarmee de onderhavige bestemming samenvalt, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang;
  • b. de bouwwerken kunnen redelijkerwijs niet buiten het winterbed worden gerealiseerd;
  • c. de bebouwing vormt op de locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten;
  • d. de situering en uitvoering zijn zodanig, dat de waterstandverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging, zo gering mogelijk zijn;
  • e. er wordt een beschermingsniveau van ten minste 1:2.000 jaar voor potentiële schadegevallen gewaarborgd;
  • f. er is sprake van duurzame compensatie van resterende waterstandverhogende effecten;

met dien verstande dat:

  • g. voor de verlening van de omgevingsvergunning door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat;
  • h. de regels van de betreffende andere bestemmingen van toepassing zijn.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het profiel van de bodem en de dijken;
  • b. het aanleggen van leidingen en andere ondergrondse constructies;
  • c. het graven van sleuven;
  • d. het aanbrengen van houtopstanden.

7.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in lid 7.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden:

  • a. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • b. betreffende het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  • c. waarvoor een onherroepelijke vergunning is verkregen op basis van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken.

7.4.3 Voorwaarden voor de omgevingsvergunning

De in lid 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de situering en uitvoering van de werken en werkzaamheden zijn zodanig dat de waterstandverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging, zo gering mogelijk zijn;
  • b. er wordt een beschermingsniveau van ten minste 1:1.200 jaar voor potentiële schadegevallen gewaarborgd;
  • c. er is sprake van duurzame compensatie;
  • d. om te bepalen of voldaan wordt aan het bepaalde in sub c wordt voor de verlening van de vergunning advies ingewonnen bij Rijkswaterstaat.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering

8.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor 'Waterstaat – Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - tevens bestemd voor de waterkering.
  • b. De belangen van de dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.
  • c. Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:
    • 1. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering';
    • 2. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Ecologie' en 'Waarde - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie'.
8.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid.
  • d. het bevoegd gezag wordt voorafgaand aan de bouw van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gevraagd medewerking te verlenen.
8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Omgevingsvergunning hogere bouwwerken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 sub b. ten behoeve van het bouwen van hogere bouwwerken, met inachtneming van het volgende:

  • a. vergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. vergunning wordt verleend, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van waterkering door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad;
  • c. alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de waterkering.

8.3.2 Afwijken uitbreiding bestaande bebouwing

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 sub c. ten behoeve van het bouwen van bouwwerken, met inachtneming van het volgende:

  • a. vergunning wordt verleend, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bestaande bouwwerken

In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten, van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op de dag van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

10.2 Herbouw

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in lid 10.1 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

10.3 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen het bouwvlak of binnen een bestemmingsvlak worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en reclame-uitingen, buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van het storten van puin en afvalstoffen, tenzij dit ter realiseren en/of handhaving van de bestemming dient;
  • b. het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'opslag';
  • c. het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Milieuzone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen
12.1.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden aangewezen als 'milieuzone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen' zijn mede bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.

12.1.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de overige bestemmingen mag op de gronden zoals bedoeld in lid 12.1.1 niet worden gebouwd.

12.1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Verboden werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag op de in 12.1.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:

  • 1. het vergraven, beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;
  • 2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk;
  • 3. het ophogen van gronden.
b Toegestane werken en werkzaamheden

Het in 12.1.3 onder a gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • 2. werken en werkzaamheden, waarmee op grond van een omgevingsvergunning voor het uitvoerenvan een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding worden van het plan;
  • 3. werken en werkzaamheden, waarmee is begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, indien daarvoor geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist was.
c Toetsingscriterium bij vergunningverlening

Werken en werkzaamheden als bedoeld in 12.1.3 onder a zijn slechts toelaatbaar nadat het bevoegd gezag indien nodig daarover een advies hebben ingewonnen van het waterschap.

12.2 Overige zone - Natuur Netwerk Brabant - Ecologische verbindingszone
12.2.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden aangewezen als 'Overige zone - Natuur Netwerk Brabant - Ecologische verbindingszone' zijn mede bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van een ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant.

12.2.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de overige bestemmingen mag op de gronden zoals bedoeld in lid 12.2.1 niet worden gebouwd.

12.2.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Verboden werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag op de in 12.2.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:

  • 1. het vergraven, beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;
  • 2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk;
  • 3. het ophogen van gronden.
b Toegestane werken en werkzaamheden

Het in 12.2.3 onder a gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • 2. werken en werkzaamheden, waarmee op grond van een omgevingsvergunning voor het uitvoerenvan een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding worden van het plan;
  • 3. werken en werkzaamheden, waarmee is begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, indien daarvoor geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist was.
c Toetsingscriterium bij vergunningverlening

Werken en werkzaamheden als bedoeld in 12.2.3 onder a zijn slechts toelaatbaar nadat het bevoegd gezag indien er geen onevenredig aantasting plaatsvindt van de in 12.2.1 bedoelde waarden.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

13.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de inhoud per gebouw niet meer dan 50 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  • c. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
    • 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 50 m;
    • 3. ten behoeve van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  • d. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

14.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van:

  • a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,50 m;
  • b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5 m toelaatbaar;
  • c. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
14.2 Toepassingsregel

Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in lid 14.1 kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'De Schakel'.