direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor u ligt het bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012, dat door de gemeente Wijdemeren is opgesteld.

Onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dienen alle Wro instrumenten digitaal vervaardigd en digitaal beschikbaar gesteld worden. Om de digitale uitwisseling van bestemmingsplannen mogelijk te maken zijn de RO-Standaarden ontwikkeld. Deze standaarden zijn met een ministeriële Regeling gekoppeld aan de Wro.

 

Het thans vigerende bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost is op 29 mei 2008 opgesteld en vastgesteld. Dit plan voldoet technisch echter nog niet aan de geldende RO-standaarden voor digitale raadpleegbaarheid en uitwisselbaarheid. In verband daarmee is besloten het geldende bestemmingsplan te digitaliseren en te standaardiseren. Het voorliggende ontwerp bestemmingsplan is opgesteld volgens de geldende RO-standaarden en daarmee digitaal raadpleegbaar. Het gebied Fort Spion, dat wel deel uitmaakte van in 2008 vastgestelde bestemmingsplan, wordt niet in deze digitale herziening opgenomen. Gezien de ligging is het logischer dit gebied in het nieuwe digitale bestemmingsplan Plassengebied op te nemen.

Door het besluit van Gedeputeerde staten (GS) van Noord-Holland omtrent het vastgestelde bestemmingsplan uit 2008 is aan een aantal plandelen goedkeuring onthouden. Dit is voor de gemeente aanleiding geweest om onderhavig bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost op deze plandelen te repareren.

Op 1 december 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State voorts (ABRvS) uitspraak gedaan over vijf beroepen die waren ingesteld tegen de goedkeuring door GS van het bestemmingsplan Loosdrecht Landelijk gebied noordoost. Een aantal beroepen is daarbij gehonoreerd, waardoor aan enkele onderdelen van het bestemmingsplan alsnog goedkeuring is onthouden. In de uitspraak is aangegeven dat voor een aantal onderdelen een nieuw besluit moet worden genomen. Het onderhavig bestemmingsplan voorziet ook hierin.

Ook is gebleken dat het geldende bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost onvolkomenheden bevat, die, hoewel meestal gering van omvang, toch reparatie behoeven. In het voorliggende bestemmingsplan zijn deze plandelen gerepareerd. Verder is in de regels nieuw gemeentelijk beleid ten aanzien van bed & breakfast en mantelzorg opgenomen, in overeenstemming met andere recent vastgestelde bestemmingsplannen binnen de gemeente Wijdemeren.

Tot slot maakt het voorliggende bestemmingsplan enkele (kleinschalige) ontwikkelingen in het plangebied mogelijk waarmee in het bestemmingsplan uit 2008 nog geen rekening was gehouden.

1.2 Het plangebied

In figuur 1.1 is het plangebied weergegeven.

Karakteristiek en ligging

Het plangebied is onderdeel van het Groene Hart en is ruimtelijk gezien opmerkelijk gaaf van karakter. Ondanks de grote recreatieve (watersport en verblijfsrecreatie) en verstedelijkingsdruk (het Gooi, de Randstad) zijn het waardevolle verkavelingspatroon, de natuurgebieden en de vele monumentale gebouwen in het plangebied goed bewaard gebleven.

Het plangebied beslaat ruwweg het noorden en het oosten van het landelijk gebied van de voormalige gemeente Loosdrecht. Het plangebied is in vier duidelijk herkenbare eenheden te verdelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0001.png"

  • 1. De Vuntus

De Vuntus is de meest noordelijke plas van het Loosdrechtse Plassengebied. Het westelijk deel bestaat uit een open plas met beperkt recreatief gebruik. Verder naar het oosten wisselen land en water elkaar af, en komen verschillende stadia van verlanding voor. Vanwege de hoge aanwezige natuurwaarden is het recreatief medegebruik (kanoën, roeien) gezoneerd. Zowel de westelijk gelegen plas, als het oostelijk deel zijn grotendeels in bezit van de Vereniging Natuurmonumenten.

Het deelgebied wordt begrensd door de Horndijk, de Kromme Rade, de 's-Gravelandsevaart, de Oud Loosdrechtsedijk en de plangrens van het bestemmingsplan "Plassengebied".

  • 2. De Ster

Het centrale deel van het plangebied wordt gevormd door De Ster. De Ster ontleent zijn naam aan het unieke verkavelingspatroon dat dateert uit de tijd van de ontginning van het veenmoeras. Het grondgebruik is hoofdzakelijk weidebouw, afgewisseld met moerasbos. Ook komen twee parkachtige bossen voor, behorend bij kasteel Sypesteyn en landgoed De Negen Linden. Het gebied wordt begrensd door de Oud en Nieuw Loosdrechtsedijk en de plangrens van het bestemmingsplan "Tussen de dijken".

  • 3. Het Noordoosten

Het noordoostelijk deel kent twee karakteristieken. Enerzijds wordt het verkavelingspatroon en het grondgebruik van de Ster voortgezet, met dat verschil dat in dit deelgebied de gronden in agrarisch gebruik zijn. In het meest oostelijke deel zijn diverse (rand)stedelijke functies ondergebracht, zoals een sportpark, wonen, een camping en een tuincentrum. Het gebied heeft een besloten karakter, doordat het sportpark voorzien is van landschappelijke beplanting en de overige functies verscholen gaan in een bosgebied.

  • 4. Het Zuiden

Het zuidelijk gebied is qua grondgebruik vergelijkbaar met De Ster. In het noordoosten van dit deelgebied komt een kwekerij (Nieuw Loosdrechtsedijk 105B) voor. Ook in dit deelgebied wordt de verkavelingsrichting van De Ster voortgezet. Het deelgebied wordt begrensd door de Nieuw Loosdrechtsedijk, de plangrens van Ter Sype, de gemeentegrens, de Weersloot en de plangrens van de bestemmingsplannen "Plassengebied" en "Tussen de dijken".

1.3 Geldende regelingen

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Loosdrecht Landelijk gebied noordoost dat op 29 mei 2008 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Wijdemeren. Bij besluit van 27 januari 2009 hebben Gedeputeerde Staten (GS) het bestemmingsplan (grotendeels) goedgekeurd. Op 1 december 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over een vijftal beroepen die waren ingesteld tegen de goedkeuring van GS. In tabel 1.1 zijn de geldende regelingen in het plangebied genoemd.

Tabel 1.1 Geldende regelingen in het plangebied

regelingen   datum van vaststelling  
Bestemmingsplan Landgoed de Negen Linden   15-07-2011  
Bestemmingsplan Landelijk gebied   30-05-1984  
Bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost   29-05-2008  
Wijzigingsplan Nieuw Loosdrechtsedijk 173   01-11-2011  

Bestemmingsplan Landelijk gebied geldt voor de plandelen van bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost waaraan goedkeuring is onthouden of die zijn vernietigd. Bestemmingsplan de Negen Linden en wijzigingsplan Nieuw Loosdrechtsedijk 173 zijn (postzegel)plannen die ontwikkelingen in het plangebied hebben mogelijk gemaakt.

1.4 Planningsopgaven

In het kader van de digitalisering en standaardisering wordt het bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost technisch aangepast waarbij de regeling intact blijft. Het voorliggende bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012 voldoet hierdoor aan de geldende RO-Standaarden.

De plandelen, waaraan goedkeuring is onthouden door Gedeputeerde staten (GS) of zijn vernietigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zijn in het bestemmingsplan gerepareerd. Het betreft aanpassingen op de verbeelding en van de planregels.

Ook andere onvolkomenheden uit het vorige bestemmingsplan worden gerepareerd. Het betreft aanpassingen op de verbeelding en van de planregels. Daarnaast betreft dit aanpassingen van het plan in algemene zin ten aanzien van enkele sectorale aspecten. De nieuwe regeling strookt hierdoor met de actuele situatie en met geldende wet- en regelgeving en het beleid.

Naar aanleiding van een unaniem aangenomen motie in de raadsvergadering van 8 november is een verruiming van de maximale bouwhoogte nodig in bestemmingsplannen. Dit is vertaald in een maximale goothoogte van 4 meter (in plaats van 3,5 meter) en een maximale bouwhoogte van 9 meter (in plaats van 8,5 meter). Dit is meer in overeenstemming met de maatvoering. Dit betreft een aanpassing in de planregels.

Daarnaast worden in het nieuwe bestemmingsplan enkele nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In deze toelichting zijn de ontwikkelingen getoetst aan het relevante ruimtelijk beleid en de geldende sectorale wet- en regelgeving. Waar nodig is dit toetsingskader (wet- en regelgeving en beleid) geactualiseerd.

1.5 Wijzigingen

Samengevat omvat dit bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012 de volgende belangrijkste wijizgingen ten opzichte van het bestemmingsplan uit 2008:

  • verwerken uitspraak van Raad van State;
  • verwerken besluit van Gedeputeerde Staten;
  • verwerken wijzigingsplan Nieuw Loosdrechtsedijk 173;
  • verwerken bestemmingsplan Landgoed de Negen Linden;
  • enkele beoogde kleinschalige ontwikkelingen binnen het plangebied;
  • technische onvolkomenheden;
  • enkele wijzigingen in het plan ten aanzien van wettelijk verplichte sectorale aspecten.
  • Deelgebied Fort Spion maakt geen onderdeel meer uit van het plangebied.

1.6 Opzet bestemmingsplan en toelichting

Het vorige bestemmingsplan is recent (2008) vastgesteld. Het onderhavige bestemmingsplan is derhalve inhoudelijk niet gewijzigd. Het plan is alleen technisch aangepast zodat het plan voldoet aan de RO standaarden betreffende digitalisering en standaardisering. De aan het vorige bestemmingsplan ontleende rechten zijn niet gewijzigd. De toelichting zal derhalve dan ook een samenvatting van de (de uitgangspunten van) het vorige bestemmingsplan geven (het bestemmingsplan uit 2008) en zal voorts de nieuwe ontwikkelingen, reparaties en overige aanpassingen onderbouwen. Het bestemmingsplan bestaat uit drie delen:

  • de toelichting: hierin worden de overwegingen beschreven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming, evenals een uitleg van de gebruikte bestemmingen. Ook worden reparaties van de planregels en verbeelding beschreven;
  • de regels: hierin wordt per bestemming een omschrijving gegeven van het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de in dit plan begrepen gronden, en;
  • een verbeelding met daarop aangegeven de bestemmingen van alle gronden.

1.7 Leeswijzer

De inhoud van de toelichting is als volgt opgebouwd.

  • In hoofdstuk 2 worden de belangrijkste uitgangspunten uit het bestemmingsplan uit 2008 beschreven. Deze uitgangspunten blijven onverkort van toepassing.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en wordt gemotiveerd op welke wijze hiermee wordt omgegaan.
  • In hoofdstuk 4wordt ingegaan op de onthouding van goedkeuring op plandelen door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland en wordt gemotiveerd op welke wijze hiermee wordt omgegaan.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op ontwikkelingen waarin dit bestemmingsplan voorziet en de wijze waarop deze juridisch-planologisch worden vormgegeven.
  • In hoofdstuk 6 zijn de, voor de beoogde ontwikkelingen, relevante beleidsdocumenten samengevat en wordt vastgesteld in hoeverre de ontwikkelingen passen binnen dit geldende beleid.
  • In hoofdstuk 7 worden de sectorale aspecten beschreven die voor de nieuwe ontwikkelingen relevant zijn. Daarnaast zal in dit hoofdstuk aandacht worden besteed aan ontwikkelingen in sectorale wet- en regelgeving, beleid en achtergrondinformatie ten aanzien van de aspecten die invloed hebben op de regeling/het plan in algemene zin.
  • Hoofdstuk 8 geeft een toelichting op de juridische regeling.
  • Hoofdstuk 9 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid, zoals de inspraak en zienswijzen, van het plan.
  • In hoofdstuk 10 wordt ten slotte ingegaan op de inspraak en de reacties uit het overleg ex artikel 3.1.1 van het Bro.

Hoofdstuk 2 Vorig bestemmingsplan

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het bestemmingsplan Loosdrecht Landelijk gebied (uit 2008) samengevat. Deze uitgangspunten zijn onverkort van toepassing op dit voorliggende bestemmingsplan.

2.2 Sectorale uitgangspunten

De volgende uitgangspunten van de functies of sectoren en sectoren in het plangebied zijn relevant.

Water en bodem

  • Behoud van bodemkundige waarden: voldoende bescherming bieden op plaatsen waar deze waarden thans onvoldoende beschermd zijn.
  • Verbetering van de waterkwaliteit door vergroting van de component van het kwelwater en vermindering van de inlaat van gebied vreemd water en beperking van de nutriëntenbelasting van de Loosdrechtse Plassen vanuit het plangebied.
  • Hanteren van zo hoog mogelijke grondwaterstanden in gebieden met een natuurdoelstelling.
  • In het kader van afstemming van milieubeleid en ruimtelijk beleid worden geen voor verzuring gevoelige gebieden in het bestemmingsplan aangewezen.

Archeologie, landschap en cultuurhistorie

  • Behoud van de landschappelijke gradiënt tussen veen- en zandgronden.
  • Behoud van de onbebouwde open ruimte.
  • Behoud van het slotenpatroon.
  • Behoud van de doorzichten en het overwegende grasland karakter.
  • Behoud en beheer van erfbeplantingen en dorpsgroen.
  • Behoud en beheer van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen.
  • Behoud van het archeologische monument ter plaatse van kasteel Sypesteyn.
  • Indien nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan, moeten deze passen binnen de landschappelijke structuur en tevens landschappelijk worden ingepast.

Ecologie

  • Weren van ingrepen en activiteiten die schadelijke gevolgen voor de aanwezige en potentiële natuurwaarden kunnen hebben.
  • Extensiveren van het (agrarisch) grondgebruik.
  • Verdere verwerving van reservaatgebieden.
  • Beperken van verstoring.
  • Verbeteren van de waterkwaliteit en -kwantiteit ten behoeve van de natuur (inclusief kwelstroom).
  • Naleving van de Vogel- en habitatrichtlijn (vertaald in de Natuurbeschermingswet) en de Flora- en faunawet.

Landbouw

  • Bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheid voor bestaande volwaardige agrarische bedrijven.
  • Bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheid voor verbrede landbouw.
  • Verbeteren van externe productieomstandigheden.

Recreatie

  • Uitbreiding van de recreatieve ontsluiting voor natuur gerichte recreanten.
  • Ontwikkeling van overige recreatievormen afstemmen op de draagkracht van natuur en landschap.
  • Bestemmen van bestaande dag- en verblijfsrecreatieterreinen.
  • Mogelijkheden in het bestemmingsplan openhouden voor seizoensverlengende recreatieactiviteiten.
  • Mogelijkheden bieden in het bestemmingsplan voor vormen van kleinschalig kamperen.
  • Permanente bewoning van recreatieverblijven wordt als ongewenst beschouwd.

Verkeer en overige infrastructuur

  • Wegnemen van oorzaken van ongevallen (Duurzaam Veilig), onder meer door sluipverkeer tegen te gaan.
  • Creëren van voorzieningen voor langzaam verkeer ter bevordering van de verkeersveiligheid.
  • Stimuleren van openbaar vervoer en fietsverkeer.
  • Toetsing van eventuele nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan de normen van de Wet geluidhinder.
  • Adequate bestemming van de betreffende planologisch relevante leidingen.

Overige functies

  • Om te kunnen voortbestaan is enige uitbreidingsruimte voor bedrijven noodzakelijk.
  • Woningen moeten kunnen uitbreiden tot een maat die voldoet aan de eisen van modern wooncomfort.

2.3 Gebiedsindeling en beleid

Naast sectorale uitgangspunten is in het vorige bestemmingsplan een gebiedsindeling opgenomen waaraan beleidsuitgangspunten zijn gekoppeld. Tabel 2.1 geeft deze gebiedsindeling en beleidsuitgangspunten weer. Op figuur 2.1 is de gebiedsindeling van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0002.png"

Tabel 2.1 Gebieden en uitgangspunten

gebieden   beschrijving   beleid  
     
1. (Lint)bebouwing   Lintbebouwing langs Oud- en Nieuw Loosdrechtsedijk en Horndijk, Jagerspaadje en Raaweg   - handhaving van de bestaande bebouwing;
- behoud van monumenten en doorzichten;
- behoud bomenlanen;
- behoud bebossing in de omgeving van het Jagerspaadje en de Raaweg;
- beperkte nieuwbouw op nieuwe locaties;
- beperkte uitbreidingsmogelijkheid;
- vrijkomende agrarische bebouwing wijzigen in woningen en bedrijven tot categorie 2, bouwmassa mag niet toenemen;
- ontkoppelen van regenwater van het
riool en sanering van huishoudelijke
lozingen.  
     
2. Agrarisch gebied met landschapswaarden   Het oostelijk deel van het plangebied, waar het veen over gaat in de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug. Het betreft zowel het gebied ten oosten van de 's-Gravelandsevaartweg, als een klein deel van het agrarisch gebied ten
zuiden van de kern Nieuw Loosdrecht.  
- streven naar landschappelijke openheid
en behoud van het verkavelingspatroon;
- beperkte mate van maïsteelt en sierteelt is mogelijk;
- ingrepen toetsen aan landschappelijke effecten;  
     
3. Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden   Het overige gebied, met uitzondering van de bestaande natuurgebieden.   - streven naar openheid en grasland als grondgebruik;
- behoud verkavelingspatroon;
- ingrepen toetsen aan landschappelijke en ecologische effecten;
- waterbeheer gericht op weidebouw en natuur: vasthouden van kwelwater.  
     
4. Natuurgebieden   Bestaande natuurgebieden (Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen) en reservaatgebieden   - gericht op instandhouding en versterken bestaande natuur- en landschapswaarden;
- voor bestaande natuurgebieden dient
het waterbeheer gericht te zijn op natuurbeheer; dat houdt in vernatting van natuurgebieden door het vasthouden van kwelwater en het zoveel mogelijk aanpassen van peil fluctuaties aan de seizoensinvloeden;
- natuurontwikkeling mogelijk in bestaande
natuurgebieden voor zover
dat past binnen landschappelijke en
cultuurhistorische randvoorwaarden;
- recreatief medegebruik op de Vuntusplas is toegestaan.  
     
5. Sport en recreatie     - behoud bestaande sport- en recreatieve voorzieningen.
- nieuwe recreatiewoningen uitsluitend binnen Bestaand Bebouwd Gebied.  

2.4 Beleidsuitgangspunten

In de navolgende uitwerking van het beleid wordt aangegeven hoe het beleid ingevolge de gebiedsindeling vertaald is in regels. De uitwerking heeft betrekking op de aspecten waterbeheer, landbouw, natuur en landschap, recreatie, wonen en niet-agrarische bedrijven.

Landbouw

Grondgebruik

Op een kwekerij na, komen in het plangebied hoofdzakelijk melkveehouderijbedrijven voor. Deze bedrijfstypen en de bijbehorende gronden worden als zodanig bestemd. Wijziging in andere vormen van agrarisch grondgebruik wordt vooralsnog niet wenselijk geacht.

Het grondgebruik is, op enkele percelen maïs na, in gebruik als grasland. Het streven is gericht op behoud van het open weidegebied. Daarom, en omdat er vanuit agrarische overwegingen geen noodzaak toe bestaat, wordt bouwen buiten de bouwkavels niet toegelaten. Verder wordt, mede gezien het effect op de waterhuishouding, het omzetten van grasland in bouwland in het agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden uitgesloten. Incidentele akkerbouw waaronder maïsteelt is toegestaan, conform het bestaande gebruik.

Verbetering van de productieomstandigheden

Ter verbetering van de externe productieomstandigheden kan aanpassing van de verkaveling, ontsluiting of waterbeheersing wenselijk zijn. Daar staat tegenover dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied hoog zijn. Mede gezien het beleid dat meer op extensivering dan intensivering van het agrarisch grondgebruik is gericht, worden de mogelijkheden voor verbetering van externe productiefactoren beperkt. Met name in natuurgebieden en in het agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden is graven, dempen of afdammen van sloten, aanleg of verharding van kavelpaden en verdere verlaging van het waterpeil door onder bemaling niet gewenst. Deze activiteiten worden afweegbaar gemaakt door ze aan een omgevingsvergunning te koppelen. Indien geen schade aan landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en natuurwaarden wordt aangericht, of afbreuk wordt gedaan aan duurzaam waterbeheer, kan een omgevingsvergunning worden verleend.

Bovendien is het met betrekking tot ingrepen in de waterhuishouding van belang, dat naast de bepalingen in het bestemmingsplan, de Keur van het waterschap van toepassing is.

Agrarische bedrijven

Alleen aan volwaardige agrarische bedrijven is een agrarische bestemming gegeven. Betreffende bedrijven krijgen een agrarisch bouwvlak toegewezen. Enerzijds dient het bouwvlak voldoende van omvang te zijn voor de bedrijfsactiviteiten die gedurende de planperiode te verwachten zijn. Zo worden op het gebied van milieubeleid steeds strengere eisen aan het agrarisch bedrijf gesteld, waarvoor vaak ruimte op het bouwvlak nodig is. Maar ook aan activiteiten die betrekking hebben op verbrede landbouw moet het bouwvlak voldoende ruimte bieden.

Anderzijds dwingen de waarden van natuur en landschap ertoe de omvang van het bouwvlak te beperken. Zo moeten de bouwvlakken aan de Oud- en Nieuw-Loosdrechtsedijk in het beeld van de lintbebouwing passen. Voor alle bouwvlakken geldt dat ze niet te diep in het open landschap moeten steken.

Het bouwvlak vormt het compromis tussen de belangen van de individuele agrariër en de belangen van natuur, landschap en cultuurhistorie. Indien zich gedurende de planperiode echter een onvoorziene omstandigheid voordoet, dat uitbreiding van het bouwvlak toch nodig is, biedt het plan via een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om tot een groter bouwvlak te komen. De wijzigingsbevoegdheid biedt daarmee een nieuwe mogelijkheid om tot een afweging tussen beide belangen te komen. Aan de wijzigingsbevoegdheid worden criteria gekoppeld die een dergelijke afweging nader reguleren.

Het plan biedt geen mogelijkheid voor nieuwe vestiging van agrarische bedrijven. Gezien de landbouwstructuur van het gebied, de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van natuur en het aantal agrarische bedrijven dat in de toekomst vrij zal komen, is een dergelijke mogelijkheid niet aan de orde.

 

Deeltijdlandbouw

Naast volwaardige bedrijven, komt in het plangebied een aantal deeltijd- of nevenbedrijven voor. De bedrijven zijn niet volwaardig in de zin van agrarische bedrijfsomvang; naast de agrarische activiteiten hebben deze bedrijven neveninkomsten. Deze neveninkomsten kunnen zowel binnen het bedrijf (landbouw met verbrede doelstelling) of buiten het bedrijf (deeltijdboeren) worden gevonden.

Betreffende bedrijven hebben wel een agrarische functie en zij vervullen tevens een rol in het beheer van het plangebied. In die zin hebben dergelijke bedrijven behoefte aan ruimte voor agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken. Deze behoefte zal in de toekomst waarschijnlijk toenemen.

Deze agrarische bedrijven krijgen eveneens een agrarische bestemming. Gezien de omvang van deze bedrijven, zal de bouwkavel beperkter van omvang kunnen zijn dan die van volwaardige bedrijven.

Nevenactiviteiten

Het plan moet voldoende mogelijkheden moet bieden voor landbouw met een verbrede doelstelling. Het ontwikkelen van nevenactiviteiten op het agrarisch bedrijf kan extra inkomsten opleveren, wat kan leiden tot een afname van het aantal bedrijfsbeëindigingen en instandhouding van het agrarische karakter van de bedrijfsgebouwen. Tabel 2.2 geeft aan welke mogelijkheden voor nevenactiviteiten op agrarische bedrijven in het bestemmingsplan rechtstreeks, dan wel via een omgevingsvergunning voor afwijken toelaatbaar worden gesteld.

Tabel 2.2 Niet-agrarische nevenactiviteiten ter plaatse van agrarische bouwvlakken

nevenactiviteiten   toelaatbaarheid  
opslag/stalling van goederen behorende tot de categorieën 1 en 2
van de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen bestaande bebouwing  
r  
verkoop streekeigen producten   r  
kinderboerderij   v  
paardrijactiviteiten (paardenstalling, paardenbakken)   r  
kano-, roeiboot- of fietsenverhuur   v  
bezoekerscentrum   v  
expositieruimte/atelier, praktijkuitoefening   v  
kleinschalig kamperen   r  
logies met ontbijt   r  
kampeerboerderij   v  
kantoor zonder baliefunctie   v  
educatief centrum   v  
kleinschalige horeca   v  
boerengolf   v  

r: rechtstreeks toelaatbaar.

v: met omgevingsvergunning afwijken mogelijk.

De activiteiten die in tabel 2.2 zijn genoemd, dienen binnen het bouwvlak plaats te vinden. Het maximaal oppervlak dat in gebruik mag worden genomen ten behoeve van de nevenfunctie bedraagt in de meeste gevallen 300 m². Gezien de aard van de nevenfuncties kantoor zonder baliefunctie, kleinschalig kamperen en boerengolf, is een afwijkend oppervlak toegestaan.

Hobbyboeren

Naast volwaardige en deeltijd bedrijven komt in het plangebied ook hobbymatig agrarisch gebruik voor. Het hobbymatig agrarisch gebruik komt voort uit enerzijds agrariërs die hun bedrijfsactiviteiten hebben beëindigd, anderzijds burgers die een vrijkomend agrarisch bedrijf hebben gekocht als woning en daarbij als hobby wat vee houden. Deze vorm van agrarisch gebruik wordt niet aan een agrarisch bouwvlak gekoppeld maar aan de woonbestemming. De bijgebouwen van het oorspronkelijke agrarische bedrijf bieden voldoende mogelijkheden voor hobbymatig agrarisch gebruik.

Vrijkomende agrarische bedrijven

Het ligt in de verwachting dat in de loop van de planperiode een aantal van de resterende agrarische bedrijven wordt beëindigd. De vrijkomende panden zijn in het plangebied met name in trek voor bewoning, niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, detailhandel en horeca. Deze aantrekkingskracht heeft verschillende oorzaken:

  • relatief goedkope vestigingslocatie (vergeleken met winkelcentra en bedrijventerreinen);
  • ligging in de directe nabijheid van grootstedelijke agglomeraties;
  • situering in een cultuurhistorisch interessante omgeving met de mogelijkheid van landelijk wonen;
  • meer ruimte en minder milieubelemmeringen dan in stedelijke gebieden.

Gevolg is dat veel activiteiten die niet in het plangebied thuishoren, zich hier toch willen vestigen. Rijk en provincie voeren een terughoudend beleid ten aanzien van functies die niet thuishoren in de gebieden buiten de bebouwingscontouren.

Teneinde ongewenste ontwikkelingen te voorkomen, wordt in tabel 2.3 aangegeven welke vervolgfuncties toelaatbaar kunnen worden gesteld na het vrijkomen van agrarische bedrijven.

Tabel 2.3 Vervolgfuncties

  toelaatbaarheid  
wonen   w  
hobbyboer   w  
opslag/stalling van goederen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen bestaande bebouwing   w  
kantoren zonder baliefunctie   w  
expositieruimte/atelier, praktijkuitoefening   w  
vergader- en bezoekerscentrum   w  
kinderboerderij   w  
paardrijactiviteiten   w  
seksinrichting   w  

w: toelaatbaar na planwijziging.

De vervolgfuncties dienen in de bestaande bebouwing plaats te vinden. Er zijn geen nieuwe bouwmogelijkheden, ook niet de gebruikelijke 15% voor bestaande niet-agrarische bedrijven. In geval van sanering van agrarische bedrijfsgebouwen mag de oppervlakte van de terug te bouwen bebouwing ten hoogste 50% van de bestaande bebouwing bedragen, met een maximum van 200 m².

Natuur en landschap

Het plangebied ligt in de ecologische hoofdstructuur en in een Natura 2000-gebied. Op verschillende manieren zijn de natuurdoelstellingen voor het gebied kenbaar gemaakt. Enerzijds via rijks- en provinciaal beleid, dat uiteindelijk heeft geleid tot een natuurgebiedsvisie voor het plangebied, gekoppeld aan natuurdoeltypen. Het is de bedoeling deze natuurdoeltypen de komende jaren te realiseren.

Anderzijds heeft de Vereniging Natuurmonumenten een groot deel van het plangebied reeds verworven en onder beheer. Voor deze gebieden is een beheersvisie opgesteld, waarin eveneens de doelstellingen voor het natuurbeheer in deze gebieden zijn vastgelegd. Daarnaast geeft de Vereniging Natuurmonumenten in de nota "Natuur van het zuiverste water" en het verdrogingsonderzoek van De Ster en omgeving haar visie op herstel en ontwikkeling van de natuur in het plangebied weer, waarbij het waterbeheer een doorslaggevende rol speelt. In de visie van de Vereniging Natuurmonumenten dient de kwelintensiteit te worden hersteld, door de grondwateronttrekking op de Utrechtse Heuvelrug af te bouwen en dient door inrichtingsmaatregelen en een op de natuurwaarden gericht peilbeheer het kwelwater langer in het gebied te worden vastgehouden.

Het beleid is enerzijds gericht op het conserveren van huidige waarden, anderzijds op het ontwikkelen van nieuwe natuur. In het bestemmingsplan worden bestaande natuurgebieden en verworven reservaatsgebieden als natuurgebied bestemd. Binnen deze bestemming worden regels gegeven voor bouwen, gebruik en aanleg om te voorkomen dat de aanwezige waarden door bepaalde activiteiten worden geschaad. Dergelijke regels kunnen echter op gespannen voet staan met ontwikkeling van nieuwe natuur. Om conflicten tussen beide natuurdoelstellingen te voorkomen, wordt hiermee in de regelgeving aldus rekening gehouden.

De natuurbestemming is in eerste instantie conserverend van aard en stelt beperkingen aan activiteiten die de aanwezige natuur- en landschapswaarden kunnen schaden. Op deze regels wordt een uitzondering gemaakt voor die activiteiten die passen binnen de natuurdoelstellingen zoals die zijn vastgelegd in de natuurgebiedsvisie voor het plangebied. De gemeente stelt daarbij wel als voorwaarde dat het unieke verkavelingspatroon van De Ster en het open karakter van het oostelijk deel van het plangebied gehandhaafd blijft.

Graven van petgaten en afdammen van sloten
In de natuurgebiedsvisie wordt gestreefd naar het creëren van verlandingsvegetaties. Tevens wil men ten behoeve van de natuur meer (kwel)water in het gebied vasthouden. Dit kan worden gerealiseerd door het graven van petgaten in het veenweidegebied en het plaatselijk afdammen van sloten. In het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning opgenomen voor afgraven en het afdammen van sloten. De omgevingsvergunning voor het afgraven wordt alleen verleend als het verkavelingspatroon niet wordt aangetast.
De omgevingsvergunning voor afdammen kan worden verleend, indien de activiteiten gericht zijn op het vasthouden van het (kwel)water in het gebied en passen binnen de natuurgebiedsvisie. Naast het verlenen van een omgevingsvergunning in het kader van het bestemmingsplan, dienen de regels van de Keur in acht te worden gehouden.  

De natuur- en landschapswaarden in de agrarische gebieden worden beschermd door het opnemen van regels met betrekking tot bouwen, gebruik en aanleg. In deze paragraaf is bij "Landbouw" onder de kop "Grondgebruik" hier reeds op ingegaan.

In het agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden komen tevens gebieden voor die bestemd zijn als natuur, maar nog niet zijn gerealiseerd. Na realisatie dienen deze gebieden een natuurbestemming te krijgen. Hiervoor is een wijzigingsbevoegdheid in de bestemming Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden opgenomen, waarmee deze kan worden gewijzigd in een natuurbestemming, nadat de betreffende gronden zijn gerealiseerd voor natuurdoeleinden.

De aanwijzing van een groot deel van het plangebied tot speciale beschermingszone (Natura2000, Ecologische hoofdstructuur) betekent dat een aantal handelingen, waarbij (de leefgebieden van) de eerdergenoemde soorten nadelig wordt beïnvloed, moeten worden voorkomen. Dit heeft voor het plangebied de volgende gevolgen:

  • uitsluiten van verstoring van de leefgebieden door:
    • 1. toename van recreatieve druk door waterrecreatie;
    • 2. andere verstorende activiteiten;
  • handhaven of verbeteren van de huidige kwaliteit van de leefgebieden door:
    • 1. het continueren van het huidige grondgebruik of het wijzigen van het grondgebruik ter verbetering van de kwaliteit van de leefgebieden;
    • 2. zeer terughoudend omgaan met slootdemping in De Ster.

Naleving van de uit de Natuurbeschermingswet voortvloeiende beperkingen vergt maatwerk. Elke handeling die mogelijk kan leiden tot een van bovenstaande gevolgen zal moeten worden getoetst op het daadwerkelijke effect.

In de omgevingsvergunning voor afwijken van de regels, afwijken van het bestemmingsplan, alsmede bij de planregels met betrekking tot omgevingsvergunningen die betrekking hebben op (direct of via externe werking) de speciale beschermingszones van de Vogelrichtlijn (vertaald in de Natura2000 regeling), zal deze toets steeds plaats moeten vinden.

Natura 2000 en Vogel- en Habitatrichtlijn

In het plangebied is, ter plaatse van de gebieden die zijn aangegeven als Natura2000 gebied en daardoor als vogelbeschermingszone en in de Habitatrichtlijngebieden voorkomen, de uitbreiding van agrarische bouwvlakken te alle tijde uitgesloten. Het verharden en bebouwen van gronden schaadt de biotopen waarvoor de beschermingszone is ingesteld.

Daarnaast is het niet mogelijk af te wijken voor het aanbrengen van oeverbeschoeiingen en golfbrekers en voor de verhuur van kano's en roeiboten, indien dit een significante verstoring teweeg zal brengen in het leefgebied van de vogelsoorten, die bepalend zijn geweest voor de aanwijzing van de vogelbeschermingszone. Hetzelfde geldt voor planwijziging voor de ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden.

De toetsing ingeval van het aanbrengen van oeverbeschoeiingen en golfbrekers, de verhuur van kano's en roeiboten en de ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden is niet beperkt tot de vogelbeschermingszone zelf. Ook indien de betreffende afwijking of planwijziging plaatsvindt buiten de vogelbeschermingszone, dient op bovengenoemde punten getoetst te worden ("externe werking" van Natura2000 gebieden).

De aanvrager is verantwoordelijk voor het laten verrichten van dit onderzoek. In dit onderzoek dienen niet alleen de effecten van de betreffende afwijking of planwijziging afzonderlijk te worden betrokken, maar ook de mogelijke effecten in combinatie met andere plannen of projecten.

Recreatie

Recreatiewoningen

Verspreid door het plangebied komt een aantal recreatiewoningen voor. Deze situatie is in de loop der jaren ontstaan en wordt in het bestemmingsplan vastgelegd. Uitbreiding van omvang en aantal recreatiewoningen wordt niet toegestaan voor zover gelegen buiten het Bestaand Bebouwd Gebied zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

Kamperen

In het kader van verbrede landbouw, wordt kleinschalig kamperen op agrarische bedrijven als neventak rechtstreeks toegelaten. Kleinschalig kamperen bij woningen wordt na afwijking mogelijk gemaakt. Het aantal kampeermiddelen per bedrijf/woning mag maximaal 20 bedragen.

Recreatief medegebruik

Voor zover de agrarische- en natuurgebieden toegankelijk zijn, is extensief recreatief medegebruik toegestaan. Aanleg van toeristische fiets- of wandelpaden zal telkens moeten worden afgewogen tegen natuur- en landschapswaarden in het betreffende gebied. Om die reden wordt aanleg van wegen en paden in de agrarische- en natuurgebieden aan een omgevingsvergunning gekoppeld.

Bed & Breakfast

Verspreid door het plangebied komt bed & breakfast voor. Uitoefenen van een bed & breakfast of aan-huis-verbonden beroep of bedrijf is toegestaan, mits de woonfunctie blijft prevaleren, geen hinder optreedt voor de woonomgeving en wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 30% van het vloeroppervlak worden benut ten behoeve van de kantoor-, bedrijfs- of praktijkruimte. Detailhandel en horeca wordt geheel uitgesloten in verband met overlast.

Horeca

Verspreid over het plangebied zijn enkele horecagelegenheden aanwezig. Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn de bestaande bedrijven geïnventariseerd en ingeschaald in de categorieën van de Staat van horeca-activiteiten (zie 1 bij de regels). In het plangebied bevinden zich horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1 b.

Niet agrarische bedrijven, detailhandel en wonen

Voortzetting huidige bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten

In het plangebied komt een aantal niet-agrarische bedrijven voor. De meeste bedrijven behoren tot de categorieën 2 en 3.1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voorts bevinden zich in het plangebied verschillende detailhandelsbedrijven. Wat betreft de voortzetting van de bestaande bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten zijn de volgende overwegingen van belang.

De (detailhandels)bedrijven die in het vorige bestemmingsplan positief zijn bestemd of de bedrijven die al gedurende langere tijd in het plangebied zijn gevestigd en waarvoor geen actief saneringsbeleid wordt gevoerd, zullen positief worden bestemd. Binnen de algemene bestemming Bedrijfsdoeleinden worden bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten rechtstreeks toelaatbaar gesteld. De overige bedrijfsactiviteiten worden nader benoemd door een op het bedrijf toegesneden subbestemming.

Bij een positieve bestemming van bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten is bezien in hoeverre uitbreiding van de bebouwing kan worden toegestaan. Op basis van vaste jurisprudentie kan niet zonder meer worden volstaan met het vastleggen van de bestaande bebouwing; met het oog op het toekomstperspectief dient te worden getoetst in hoeverre enige uitbreidingsmogelijkheid kunnen worden geboden. Voor de bebouwing wordt daarbij uitgegaan van ongeveer 15% uitbreidingsruimte, tenzij ingevolge de vorige regeling aanzienlijk ruimere bebouwingsmogelijkheden aanwezig zijn.

Voor het bedrijventerrein de Zodde aan de 's-Gravelandsevaartweg is het volledig bebouwen van het bouwvlak toegestaan.

Bedrijven uit de categorieën 1 en 2 en deels 3.1 zijn hier toelaatbaar. Daarnaast is het beleid erop gericht om bedrijfs- en detailhandelsvestigingen op nieuwe locaties tegen te gaan.

Binnen de bestemming Bedrijfsdoeleinden worden nieuwe bedrijven uit de categorieën 1 en 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten algemeen toelaatbaar geacht. Dit houdt overigens niet in dat de uitoefening van bepaalde activiteiten uit een hogere categorie in alle gevallen onaanvaardbaar is. De Staat van Bedrijfsactiviteiten kent namelijk een vrij grove indeling van de hinderlijkheid van bedrijven. De situatie van een specifiek bedrijf kan daarvan merkbaar afwijken. Met name komt het voor dat een bedrijf door de geringere omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of een milieuvriendelijke werkwijze, minder hinder veroorzaakt dan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt verondersteld. Ter zake is dan ook een afwijkingsregeling opgenomen.

Beoordeling gevestigde bedrijven

Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn de bestaande bedrijven geïnventariseerd en ingeschaald in de categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (zie bijlage 2 bij de regels). Uit het overzicht blijkt dat enkele bedrijven niet geheel in het hierboven beschreven toelatingsbeleid passen. Over de betreffende bedrijven zijn de laatste jaren echter geen klachten bekend. Het is om milieuhygiënische en financiële redenen niet noodzakelijk of gewenst de bedrijven te saneren of te beëindigen. De resterende bedrijven die niet geheel binnen het toelatingsbeleid passen, krijgen daarom een specifiek subbestemming die een afwijking van het algemene toelatingsbeleid mogelijk maakt voor de huidige activiteiten. Bij de bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing kan zich dan alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen het algemene toelatingsbeleid.

In de omgeving van het gasvulstation aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 120 worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt.

Vrijkomende locaties

Het ligt in de verwachting dat een aantal bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten binnen de planperiode zal worden beëindigd en dat de betreffende locatie niet geschikt is voor nieuwe bedrijfs- of detailhandelsactiviteiten. Daarom biedt het bestemmingsplan mogelijkheden voor alternatieve functies ter plaatse. In tabel 2.4 is aangegeven welke functies in het bestemmingsplan toelaatbaar kunnen worden gesteld, hetzij rechtstreeks, hetzij na planwijziging.

Tabel 2.4 Nieuwe functies op vrijkomende percelen met de bestemming Bedrijfsdoeleinden of Bedrijventerrein

functies   B   BT  
wonen   w   x  
opslag/stalling van goederen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen bestaande bebouwing   r   r  
kantoren zonder baliefunctie (bijvoorbeeld accountantskantoor)   w   x  
expositieruimte/atelier   w   x  
vergadercentrum   w   x  
manege   x   x  
seksinrichting   w   x  

r: rechtstreeks toelaatbaar.

w: toelaatbaar na planwijziging.

x: niet toelaatbaar.

Bij functiewijziging van bedrijfsactiviteiten dienen nieuwe functies in principe in de bestaande gebouwen plaats te vinden.

Woningen

De bestemming Wonen zal niet alleen de woning beslaan, maar ook de voortuin, de achtertuin of het achtererf en de achterpaden. In die delen van de woonbestemming waar bebouwing ongewenst is (bijvoorbeeld voor het handhaven van doorzichten), zal daar geen bouwvlak worden opgenomen.

In de planregels is een gedifferentieerde regeling opgenomen voor de maximale oppervlakte van woningen met de bestemming Woondoeleinden. Zo mag het oppervlak van de woningen die voorzien zijn van de bouwaanduidingen 'aaneengebouwd' en 'gestapeld', niet meer bedragen dan respectievelijk 60 m² en 90 m². Voor de overige woningen geldt dat de oppervlakte van de woning afhankelijk is van het bouwperceeloppervlak. Indien dit oppervlak kleiner of gelijk is aan 1.000 m², mag het oppervlak van de woning maximaal 150 m² bedragen. Indien het oppervlak groter is dan 1.000 m², mag het oppervlak van de woning maximaal 190 m² bedragen en onder bepaalde voorwaarden 230 m². Het maximale oppervlak van de woning is inclusief de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.

Omdat wonen geen functie is die specifiek aan het buitengebied is gebonden, is het beleid van de provincie erop gericht om geen nieuwe woningen in het buitengebied toe te staan. Derhalve worden in het bestemmingsplan geen mogelijkheden opgenomen voor nieuwe woningen, ook niet voor tweede bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven of detailhandels- of horecabedrijven.

Wonen in het bos

Langs de Rading komt een aantal voormalige recreatiewoningen voor. Omdat deze recreatiewoningen lange tijd permanent bewoond waren en een handhavingstraject niet haalbaar werd geacht, zijn deze woningen in het bestemmingsplan Jagerspaadje als burgerwoning bestemd. Destijds is bepaald dat de omvang van de voormalige recreatiewoningen niet vergroot mocht worden. Deze regeling is in dit bestemmingsplan overgenomen. Omdat de woningen in een bosrijke omgeving gesitueerd zijn, is hier de bestemming "Wonen - 2" aangegeven.

Woningen met afwijkende oppervlaktes

De ruimtelijke kwaliteit wordt vergroot doordat er minder bebouwing in het lint terug gebouwd wordt en het doorzicht op het bestaande monument beter tot zijn recht komt. Om deze situatie te kunnen bestemmen dient er een aparte bestemmingsregeling voor deze situatie te worden opgenomen. De betreffende woning krijgt een woonbestemming met een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-3', afwijkende oppervlaktes.

Ook op de percelen Oud-Loosdrechtsedijk 33, Nieuw Loosdrechtsedijk 146 en 184 wordt de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' opgenomen.

  • Op het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 146 wordt een woning met een grotere oppervlakte toegestaan om zo geld te genereren voor de exploitatie van het kasteel Ter Sype. De oppervlakte van de woning bedraagt maximaal 175 m².
  • Na sloop van 436 m² aan voormalige bedrijfsopstallen op het perceel Nieuwe Loosdrechtsedijk 184, wordt hiervoor één bijgebouw teruggebouwd van circa 191 m². Dit heeft een aanmerkelijke verbetering van de ruimtelijke situatie tot gevolg. Het doorzicht naar het achtergelegen stergebied verbetert en de sanering van de gebouwen vindt plaats nabij een monument. Dit rechtvaardigt een afwijkende regeling. Een pas gerestaureerde stal en hooimijt blijven staan waardoor het totale oppervlakte aan bijgebouwen op 300 m² komt.
  • In lijn met de regeling voor het perceel Niew Loosdrechtsedijk 184 wordt ook bij de monumentale boerderij aan de Oud Loosdrechtsdijk 33, 300 m² aan bijgebouwen toegestaan in ruil voor de sloop van verouderde opstallen.

Woonschepen

Binnen het plangebied bevinden zich enkele woonschepen. De woonschepen waarvoor niet voorzien wordt in verplaatsing en/of sanering, zijn voorzien van een toepasselijke aanduiding. Gelet op de beleidsdoelstelling om in de Vuntus de natuurfunctie te behouden en zo mogelijk te versterken, dient verplaatsing van woonschepen naar de jachthavens aan de Horndijk zoveel mogelijk te worden voorkomen. Wel kan overwogen worden om woonschepen te verplaatsen naar andere delen van de Loosdrechtse Plassen, waar het beleid meer gericht is op behoud van de mogelijkheden voor watersport. Nieuwe woonschepen zijn in het plangebied niet gewenst. De gemeente heeft een Nota Woonschepen opgesteld. In deze nota is vastgelegd hoe wordt omgegaan met woonschepen in de gemeente en het al dan niet vastleggen van woonschepenligplaatsen in bestemmingsplannen. Voor woonschepen buiten een voor woonschepen bestemde jachthaven gelden de volgende maximale afmetingen:

  • inhoudsmaat van 265 m³;
  • lengte 17 m;
  • breedte 5 m;
  • goothoogte 4 m;
  • bouwhoogte 4,5 m.

Voor woonschepen binnen een voor woonschepen bestemde jachthaven gelden de volgende maximale afmetingen:

  • inhoudsmaat van 400 m³;
  • lengte 20 m;
  • breedte 6 m;
  • goothoogte 4 m;
  • bouwhoogte 4,5 m.

Buitenplaats

In het plangebied komen 2 buitenplaatsen voor die als zodanig zijn bestemd. Het beleid is gericht op instandhouding van de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatsen, alsmede de natuur- en landschapswaarden die verbonden zijn aan de buitenplaatsen. Binnen de bestemming zijn enkele aanduidingen opgenomen om bijzondere functies die binnen de buitenplaats aanwezig zijn, mogelijk te maken.

Een van de twee buitenplaatsen betreft kasteel Sypesteyn. Om het kasteel in stand te houden, is naar functies gezocht die financieel renderen. Zo is in het kasteel een museum ondergebracht (inclusief aan het museum verbonden kleinschalige detailhandel). In het de voormalige horecavoorziening 'De Schutse' worden 4 nieuwe woningen voor mindervalide personen gerealiseerd. Tot slot is, voor verdere financiële ondersteuning van de exploitatie van het kasteel en de daar aan verbonden maatschappelijke betekenis, de naastgelegen vervallen recreatiewoning bij uitzondering bestemd tot woning.

Bij de andere buitenplaats komt een paardrijbaan en tennisbaan voor, die specifiek is bestemd. Ook is de bij de buitenplaats behorende boerderij specifiek bestemd.

De buitenplaats kasteel Sypenstein is tevens aangewezen als archeologisch monument. Voor dit gebied wordt geen aanvullende beschermde regeling opgenomen in de vorm van een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1, aangezien de archeologische waarden worden beschermd in het kader van de Monumentenwet.

Hoofdstuk 3 Uitspraak ABRvS en verwerking

3.1 Inleiding

Bij besluit van 1 december 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het vaststellingsbesluit vernietigd, voor zover het om de volgende plandelen gaat:

  • 1. de plandelen voor het perceel 's-Gravelandsevaartweg 9;
  • 2. de plandelen voor het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 108 en de gronden ten noordwesten daarvan;
  • 3. het plandeel voor het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 13.

3.2 's-Gravelandsevaartweg 9

Aanleiding besluit

Het bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost voorzag in de bouw van maximaal 2 vrijstaande woningen en de aanleg van een volkstuincomplex. De ABRvS is van oordeel dat voor de nieuwbouw van woningen op deze locatie GS ten onrechte het Ruimte-voor-Ruimte beleid buiten toepassing heeft gelaten. Daarnaast werden volkstuinen niet toelaatbaar geacht omdat de noodzaak voor volkstuinen niet is aangetoond, de verkeersaantrekkende werking van de volkstuinen niet is onderzocht en de toegangsweg te smal zou zijn.

Ontwikkeling

De eigenaar van de gronden heeft, na uitspraak van de ABRvS, de gemeente medewerking gevraagd om de 2 vrijstaande woningen alsnog te realiseren. In paragraaf 5.1 wordt de ontwikkeling nader beschreven. Bij deze beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de uitvoering van de Ruimte voor Ruimte regeling. De uitvoering van de Ruimte voor Ruimte regeling dient te voldoen aan de regels (artikel 15) die zijn weergegeven in de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

3.3 Nieuw-Loosdrechtsedijk 106 en 108

Aanleiding besluit

Het bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost voorzag in de bouw van een nieuwe woning achter de woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106 en 108 als compensatie voor de sloop van bedrijfsgebouwen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft deze bouwmogelijkheid geschrapt vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering waarom dit niet leidt tot een aantasting van de bestaande lintbebouwing en niet leidt tot precentwerking. Voor deze woning achter de woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 is de aangegeven stip op de plankaart geschrapt.

Naast het schrappen van deze bouwmogelijkheid is er sprake van nieuwbouw (Nieuw-Loosdrechtsedijk 108) op een plaats waar nu geen woning staat. De ABRvS is van mening dat de goot- en bouwhoogte van deze woning niet in het plan is vastgelegd. De stip op de plankaart voor deze woning is daardoor vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor deze woning aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 108 is de aangegeven stip op de plankaart geschrapt.

Inhoud reparatie

Voor de woning achter de woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 wordt geen nieuwe aanduiding opgenomen.

Nu ook goedkeuring is onthouden aan een van de twee stippen op de locatie Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 is de bestaande woning niet voorzien van een aanduiding. Het plandeel is derhalve door aanpassing van de verbeelding herzien. De reparatie van de verbeelding is aangebracht door middel van het verhogen van het aantal toegestane wooneenheden. De goot- en bouwhoogte is geregeld in de planregels.

3.4 Oud-Loosdrechtsedijk 13

Aanleiding besluit

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op dit perceel twee planonderdelen vernietigd. Een deel van de bestemming 'agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (A)' ten zuidoosten van het bouwvlak op het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 13 is vernietigd, omdat geen rekening gehouden is met de wens van de eigenaar om ter plaatse 10 paardenboxen te bouwen.

Het andere vernietigde plandeel is de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' op een deel van de bestemming 'agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (A)' achter het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 11a, ten behoeve van de aanleg van een paardenbak.

Ontwikkeling

In het voorliggende bestemmingsplan is de bestemming 'agrarisch met natuur- en landschapswaarden' ten zuidoosten van het bouwvlak op het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 13 opnieuw opgenomen. De gemeente wenst niet mee te werken aan de vergroting van het bouwvlak voor 10 paardenboxen. Ter plaatse kan uitsluitend sprake zijn van het hobbymatig houden van paarden. Het opgenomen bouwvlak is daartoe groot genoeg.

In paragraaf 5.1 wordt hierop nader ingegaan.

Achter het perceel aan de Oud-Loosdrechtsedijk 13 is een paardenbak van maximaal 40 x 20 met een hek rondom van maximaal 1.60 m hoog en met de uiterste grens tot maximaal 142 m vanaf de weg beoogd. De gebiedsaanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' ten behoeve van de aanleg van een paardenbak is hiervoor verplaatst (aangeduid met 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1'). In paragraaf 5.1 wordt de ontwikkeling nader beschreven.

Hoofdstuk 4 Goedkeuring onthouden Gedeputeerde Staten

4.1 Inleiding

Bij besluit van 27 januari 2009, kenmerk 2008-72090, heeft het college van Gedeputeerde Staten (GS) beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Enkele onderdelen van het plan zijn daarbij niet goedgekeurd. Deze onderdelen worden in dit bestemmingsplan hersteld. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de onthouding van goedkeuring door Gedeputeerde Staten (GS) en wordt gemotiveerd op welke wijze hiermee wordt omgegaan. Het betreft de volgende onderdelen:

  • 1. de plandelen voor het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 1;
  • 2. de plandelen voor het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 24;
  • 3. de plandelen voor het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 42;
  • 4. de plandelen voor het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 68;
  • 5. de plandelen voor het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 72-74.

4.2 Oud-Loosdrechtsedijk 1

Inhoud reparatie

Op het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 1 is goedkeuring onthouden aan het bouwvlak A(b)(s). Volgens het college van Gedeputeerde Staten (GS) was de bestemde schuur te ver in het Natura2000 gebied gelegen waardoor deze ruimtelijk niet aanvaardbaar was. Het bouwvlak is op de verbeelding verwijderd. De bestemming is daarbij intact gebleven.

4.3 Oud-Loosdrechtsedijk 24

Inhoud reparatie

Voor het perceel aan de Oud-Loosdrechtsedijk 24 is op de verbeelding het bestemmingsvlak Wonen - 1 ten koste van de agrarische bestemming vergroot. Het perceel was in het bestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost niet correct ingetekend. De eigenaar van de gronden had hierdoor minder bouwmogelijkheden op zijn perceel. In het voorliggende bestemmingsplan is de verbeelding conform het besluit van Gedeputeerde Staten (GS) aangepast.

4.4 Nieuw-Loosdrechtsedijk 42

Inhoud reparatie

Voor het perceel aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 42 is het bouwvlak op de verbeelding vergroot. Ook is het oprichten van lichtmasten in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk gemaakt, conform het besluit van Gedeputeerde Staten (GS).

In deze situatie is er sprake is van een professioneel uitgebate paardenhouderij. Het paardenbakkenbeleid van de gemeente Wijdemeren stelt dat lichtmasten mogelijk zijn bij professioneel uitgebate paardenhouderijen. Derhalve is de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt.

4.5 Nieuw-Loosdrechtsedijk 68 en 72-74

Inhoud reparatie

Op de percelen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 68 en Nieuw-Loosdrechtsedijk 72-74 is een zone opgenomen waar geen bebouwing mag worden opgericht. Dit in verband met de aan te houden onderlinge afstand tussen bedrijf en burgerwoning. De verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan is hierop aangepast.

Hoofdstuk 5 Nieuwe ontwikkelingen

5.1 Ontwikkelingslocaties

Het onderhavige bestemmingsplan maakt enkele (kleinschalige) ontwikkelingen in het plangebied mogelijk.

  • 1. Oud-Loosdrechtsedijk 13 (na uitspraak Raad van State, zie paragraaf 3.4)

De initiatiefnemer is voornemens op het perceel paardenboxen te realiseren. Gelet op de aanwezigheid van twee andere agrarische bedrijven in hetzelfde Stergebied waarvan het bouwvak nog (iets) verder het agrarisch gebied insteekt, namelijk Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en Nieuw-Loosdrechtsedijk 149A, hoeft deze uitbreiding niet bezwaarlijk te zijn. Ingevolge de Beleidsregels paardenbakken moet de omvang van de paardenactiviteiten niet meer dan hobbymatig zijn vanwege de afstand tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning van derden. De Beleidsnota paardenbakken hanteert daarvoor afstandeisen waaraan de ontwikkeling dient te voldoen. Om te spreken van paardenactiviteiten met een niet meer dan hobbymatige aard zijn hooguit 5 a 6 paarden toegestaan.

De initiatiefnemer is ook voornemens achter het perceel een paardenbak te realiseren. Een kanttekening is dat de beleidsregels paardenbakken plaatsing van een paardenbak in Natuurbeschermingswetgebieden uitsluiten. De locatie ligt in Vogelrichtlijngebied welke zijn aangewezen als Natura2000-gebied. Artikel 6 van de genoemde beleidsregels paardenbakken maakt het mogelijk van de regels aangaande de situering van een paardenbak af te wijken ten behoeve van niet-agrarische activiteiten bij een volwaardig agrarisch bedrijf. De noodzaak daartoe moet door belanghebbende worden aangetoond. Ook moet worden aangetoond dat de gronden van de gekozen locatie geen natuur- en/of natuurwetenschappelijke waarden bezitten. Onder deze voorwaarden kan dus aan de wens tot uitbreiding van het bouwvlak en de aanleg van een paardenbak worden meegewerkt (wijzigingsbevoegdheid:'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1')

  • 2. Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en 8

In het kader van de 27/4 en 5/5- vieringen vinden er aan Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en 8 jaarlijks festiviteiten plaats. Het gaat om maximaal 14 dagen per jaar waarbij opbouw en afbraak van tenten e.d. mogelijk moet zijn. Het onderhavige bestemmingsplan maakt deze beoogde activiteiten mogelijk.

  • 3. Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150

Aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150 bevinden zich: een kasteel, een koetshuis, een portierswoning en 'De Schutse': horeca met dienstwoning. Er is een vergunning verleend voor een concentratie van 4 woningen op de plek waar nu nog de Schutse staat. De beoogde 4 nieuwe woningen zijn bedoeld voor geestelijk mindervalide mensen die overdag werken op het kasteel(terrein). De woningen zijn opgedeeld in 12 zorgeenheden. De Schutse verliest daarmee zijn horecafunctie. Deze wordt overgenomen door het kasteel, waar men huwelijksvoltrekkingen wil laten plaatsvinden, recepties houden en een terras wil aanleggen. Het onderhavige bestemmingsplan maakt deze beoogde ontwikkelingen en activiteiten mogelijk.

  • 4. Oud-Loosdrechtsedijk 24

Aan de Oud-Loosdrechtsedijk 62 is momenteel zowel een autobedrijf Bosch Car Service Willem Veldhuizen BV als het hier direct aan gelieerde bedrijf Veldhuizen Special Products B.V. gevestigd. Laatstgenoemd bedrijf is gespecialiseerd in high performance race- en motoronderdelen. Deze onderdelen worden grotendeels elders geproduceerd en de verkoop hiervan geschiedt via internet. De bestellingen worden verwerkt op kantoor en vervolgens vanuit de opslag geleverd aan de klant. Veldhuizen Special Products B.V. levert de gekochte producten op het adres van de klanten af. Zij komen de producten dus niet zelf ophalen. De huidige locatie aan de Oud-Loosdrechtsedijk 62 dreigt te klein te worden voor beide genoemde bedrijven. Schaalvergroting is daarom noodzakelijk. De locatie aan de Oud-Loosdrechtsedijk 62 biedt hiertoe geen mogelijkheden. Het perceel aan de Oud-Loosdrechtsedijk 24 ligt in de directe nabijheid van Oud-Loosdrechtsedijk 62 en biedt wel mogelijkheden voor deze schaalvergroting. Andere (reële) alternatieven ontbreken.

Het voornemen is om de locatie aan de Oud-Loosdrechtsedijk 24 te gebruiken voor het stallen van auto's ten behoeve van het autobedrijf. Hiervoor moet de opslag van de onderdelen ten behoeve van Veldhuizen Special Products B.V. verplaatst worden naar de nieuw te bouwen opslagruimte aan de Oud-Loosdrechtsedijk 24. De nieuw te bouwen opslagruimte zal ook beschikken over een kantoorruimte.

Er is voor deze ontwikkeling een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen in bijlage 1. Geconcludeerd wordt dat er geen bezwaren bestaan tegen het bouwen van de nieuwe opslagloods ter vervanging van de bestaande schuur.

  • 5. Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 (na uitspraak Raad van State, zie paragraaf 3.3)

Op het perceel aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 zijn momenteel twee burgerwoningen gelegen. De initiatiefnemer is voornemens de voorste woning, van beide woningen, te splitsen in drie wooneenheden voor alleenstaanden. Het onderhavige bestemmingsplan maakt deze beoogde splitsing mogelijk.

  • 6. 's-Gravelandsevaartweg 9 (na uitspraak Raad van State, zie paragraaf 3.2)

Het voormalige Tomin-terrein aan de 's-Gravelandsevaartweg 9 werd door de Tomin-groep gebruikt als kwekerij en sociale werkplaats. De locatie is echter sinds enige tijd niet meer als zodanig in gebruik. Op deze gronden bevinden zich nu leegstaande bedrijfsgebouwen, tunnelkassen en glaskassen en verwilderde begroeiing. Op de locatie was een ontwikkeling voorzien waarbij aan de tuindersvereniging Trompzicht een nieuwe accommodatie wordt geboden en twee woningen worden gerealiseerd. Deze beoogde volkstuinen werden door de ABRvS ongewenst geacht. Deze zullen dan ook niet als dusdanig worden bestemd.

Naar aanleiding van deze uitspraak van ABRvS is het beoogde plan veranderd. De ontwikkeling gaat nu uit van de realisatie van twee woningen. Voor de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de ruimte-voor-ruimte regeling. De ontwikkeling is ruimtelijk onderbouwd. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 1.

  • 7. Rading 14

Aan de Rading te Loosdrecht ligt een recreatiegebied. De eigenaar van de woning aan de Rading 14 heeft het voornemen om 3 recreatiewoningen te realiseren op het perceel achter zijn woning, welke momenteel gebruikt wordt als tuin. Omdat realisatie op basis van het vorige plan niet mogelijk is heeft de initiatiefnemer een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. De onderbouwing is opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Op basis van deze ruimtelijke onderbouwing worden de drie recreatiewoningen mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

  • 8. Brandweergarage Molenmeent

De brandweergarage aan de Molenmeent wordt naar alle waarschijnlijkheid binnenkort herbouwd. De provincie heeft toestemming gegeven om buiten het bestaand bebouwd gebied te gaan bouwen (zie bijlage 9). Het bouwplan is opgenomen in dit bestemmingsplan.

  • 9. Diverse locaties

Naar aanleiding van zienswijzen zijn nog enkele woningbouwlocaties opgenomen in het plan:

Op het perceel naast Oud-Loosdrechtsedijk 48-50 de bestaande rechten voor de bouw van één woning gewijzigd in de bouw van een twee-onder-een kapwoning waarbij het maximale oppervlak niet wordt vergroot ten opzichte van de enkele woning.

Op het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 133 wordt de bouw van een tweede bedrijfswoning mogelijk gemaakt.

Op het perceel Oud-Loosdrechtsedijk 23 wordt een reeds 40 jaar lang bewoonde landbouwschuur positief bestemd als woning.

Hoofdstuk 6 Beleidskader

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de, voor de beoogde ontwikkelingen, relevante beleidsdocumenten samengevat en wordt vastgesteld in hoeverre de ontwikkelingen passen binnen dat beleid.

6.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. De structuurvisie vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Mobiliteitsaanpak. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte nog meer bij de provincie en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het plangebied zodoende zeer beperkt blijft. Het relevante beleidskader wordt gevormd door provincie en vooral de gemeente.

Conclusie 

De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor het plangebied en de betreffende kleinschalige ontwikkelingen in het plangebied. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader voor deze ontwikkelingen gevormd door de provincie Noord-Holland en de gemeente Wijdemeren.

6.3 Provinciaal en regionaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2009)

Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland hebben op 21 juni 2009 de Structuurvisie 2040 aangenomen. Eind 2009 heeft de Structuurvisie Noord-Holland 2040 ter inzage gelegen. De provincie zet in op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik. In het kader van klimaatbestendigheid dient er ruimte gevonden te worden voor bescherming tegen wateroverlast, voor voldoende schoon drinkwater en voor duurzame energie. De ruimtelijke kwaliteit wordt operationeel gemaakt in het behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit van het landschap. Duurzaam ruimtegebruik wordt nagestreefd door functies slim te combineren en te zorgen dat deze goed bereikbaar zijn. In de Structuurvisie Noord Holland is in het beleid voor bundeling van verstedelijking de term de term ‘Bestaand Bebouwd Gebied’ (BBG) geïntroduceerd. Het beleid betreffende BBG volgt in feiten het rode-contourbeleid’ op. Uitgangspunt is dat verstedelijking alleen binnen BBG plaatsvindt. Buiten BBG is bij uitzondering (ontheffing) mogelijk en alleen dan wanneer de landschappelijke kwaliteiten gewaarborgd blijven. Voor het plangebied zijn ten opzichte van de voorheen geldende structuurvisie geen ingrijpende beleidsveranderingen voorzien voor wat betreft het gewenste gebruik en inrichting van het gebied.

Provinciale Ruimtelijke verordening Structuurvisie (2010)

Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 hebben provincies de bevoegdheid gekregen een ruimtelijke verordening vast te stellen. In deze verordening kan de provincie regels stellen met betrekking tot de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en beheersverordeningen. Bij het stellen van deze regels moeten provinciale belangen in het geding zijn. In een provinciale verordening kunnen regels zijn opgenomen ter bescherming van specifieke waarden (zoals natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden) of ten behoeve van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld vestigingsregels voor intensieve veehouderij of detailhandelsvoorzieningen). De gemeente heeft de plicht bestemmingsplannen aan te passen aan de provinciale verordening. Voor het plangebied zijn hierdoor geen ingrijpende beleidsveranderingen nodig. De Provinciale verordening van Noord-Holland stelt regels voor onder andere de onderstaande onderwerpen (voor zover voor de gemeente Wijdemeren van belang):

• bundeling van verstedelijking en locatiebeleid economische activiteiten;

• rijksbufferzones;

• ecologische hoofdstructuur

• nationale landschappen (inclusief werelderfgoedgebieden Stelling van Amsterdam en de Beemster);

• het regionaal watersysteem.

Provinciaal Ruimtelijke Verordening (2014)

Provinciale Staten hebben op 3 februari 2014 de provinciale ruimtelijke verordening opnieuw vastgesteld. Deze vaststelling betreft een beleidsarme wijziging ten opzichte van de eerder vastgestelde verordening op 21 juni 2010. Dit houdt in dat de verordening geen nieuw beleid bevat.

Ondanks dat het om een beleidsarme wijziging gaat worden agrarische bouwpercelen en kassen niet meer tot het Bestaand Bebouwd Gebied gerekend. Dit heeft tot gevolg dat alle ontwikkelingen op agrarische percelendie nu in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt getoetst moeten worden aan de Ruimtelijke Verordening. In haar zienswijze heeft de provincie hier op gewezen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0003.jpg"

Figuur 6.1 Uitsnede Provinciale verordening

Op de figuur 6.1 behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening is het Bestaand Bebouwd Gebied (BBG) aangegeven. Alle beoogde ontwikkelingen bevinden zich buiten het bestaand bebouwd gebied en binnen het landelijk gebied. De verordening geeft aan dat een bestemmingsplan niet mag voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw in het landelijk gebied. Het gaat echter niet om nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Omdat meerdere ontwikkelingen niet direct, maar via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt kan de toetsing aan de PRV plaatsvinden op het moment dat de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast. Dit geldt voor de volgende wijzigingsbevoegdheden die in het plan zijn opgenomen:

Artikel 3.6.3, 3.6.4, 3.6.6, 4.6.3, 4.6.4, 4.6.8 en 5.5.3.

Voor de ontwikkelingen die direct mogelijk worden gemaakt, Oud Loosdrechtsedijk 24, 's-Gravelandsevaartweg 9 en Rading 14 wordt verwezen naar de daarvoor opgestelde ruimtelijke onderbouwing in bijlage 1, 10 en 14 en de beschrijving in hoofdstuk 5.

Naar aanleiding van de zienswijze van de provincie is de ruimtelijke onderbouwing voor de locatie 's-Gravelandsevaartweg 9 aangevuld ten aanzien van toetsing aan artikel 15 van de PRV en de landschappelijke inpassing. Deze aanvulling is onderstaand weergegeven.

's-Gravelandsevaartweg 9

Artikel 15 PRV

  • 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12, 13, 13a en 14 in het landelijk gebied, voldoet aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (PS d.d. 21 juni 2010) ten aanzien van:
    • a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;
    • b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;
    • c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;
    • d. de historische structuurlijnen;
    • e. cultuurhistorische objecten.
  • 2. De toelichting van een bestemmingsplan geeft aan in welke mate ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde functies rekening is gehouden met:
    • a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap;
    • b. de ordeningsprincipes van het landschap;
    • c. de bebouwingskarakteristieken (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte) ter plaatse;
    • d. de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving (grotere landschapseenheid);
    • e. de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond) als hiervoor bedoeld en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.
  • 3. In het kader van de bestemmingsplanprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies gevraagd over plannen met grote impact.
  • 4. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de uitgangspunten als bedoeld in het eerste lid teneinde te garanderen dat de ruimtelijke kwaliteit toeneemt.

Toetsing aan artikel 15

Lid 1 van artikel 15 bepaalt dat een bestemmingsplan dat in verstedelijking voorziet voldoet aan de uitgangspunten van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

Lid 1 bepaalt aan welke uitgangspunten uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie het plan moet voldoen:

  • a. De ontwikkelingslocatie ligt in het zogenaamde veenlandschap. Kernkwaliteiten worden onder meer gevormd door de zichtbare structuur van veenontginning, de 's-Gravelandsevaart als trekvaart, de openheid en het waterrijke karakter.
  • b. Er is geen sprake van een bestaande dorpsstructuur.
  • c. De openheid van het landschap wordt in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie als open tot zeer open beschreven, maar als matig open gebied en gesloten gebied in gedeelten van het plassengebied.
  • d. Structuurlijnen zijn aanwezig in de vorm van de 's-Gravelandsevaart en de verkavelingsstructuur van het veenontginningslandschap.
  • e. In het betreffende gebied zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig.

Lid 2 bepaalt dat wordt beschreven hoe het plan rekening houdt met de elementen zoals weergegeven in lid 1:

  • a. In de ruimtelijke onderbouwing is in paragraaf 6.11 weergegeven op welke wijze rekening is gehouden met archeologische waarde.
  • b. Op het perceel is geen sprake van een bestaande dorpsstructuur. Wel is in paragraaf 4.3 beschreven hoe de nieuwe bebouwing een zachte overgang creëert tussen het landelijk gebied en de woonwijk Kerkelanden.
  • c. Vanwege de gekozen situering, geclusterd aan de westzijde van het perceel, blijft de oostzijde vrij van bebouwing. De openheid van het landschap komt daarmee beter tot haar recht omdat de bestaande bebouwing in de vorm van kassen wordt verwijderd.
  • d. In de bestaande situatie ligt het perceel haaks ten opzichte van de naastgelegen percelen, waardoor er een onderbreking is ontstaan in de dominante verkavelingsstructuur. Door de woningen zo te situeren dat ze in lijn liggen met de dominante verkavelinsstructuur wordt deze optisch hersteld.
  • e. Dit onderdeel is verder niet van toepassing nu er geen cultuurhistorische objecten aanwezig zijn.

In lid 3 is beschreven dat voor plannen met een grote impact (op het open landschap) advies dient te worden gevraagd aan de ARO. De ontwikkeling is geen plan met een grote impact op het open landschap zodat advies van de ARO niet nodig is. In algemene zin kan worden gesteld dat de openheid van het landschap juist verbetert na realisatie van de woningen.

Lid 4 bepaalt dat gedeputeerde staten nadere regels kunnen stellen waaraan dient te worden getoetst. Van dergelijke regels is geen sprake, zodat op dit punt geen extra toetsing hoeft plaats te vinden.

Conclusie

Het provinciale en regionale beleid staan de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.

6.4 Gemeentelijk beleid

Het speerpunt in het gemeentelijk beleid is gelegen in het versterken van de toeristisch-recreatieve positie van Wijdemeren in het Groene Hart. Dit beleidsuitgangspunt is ingegeven door de beperkingen die door het Rijks- en provinciaal beleid zijn opgelegd vanwege het restrictieve beleid.

Het beleid van de gemeente is gericht op het versterken van de positie van Wijdemeren als toeristisch-recreatieve trekpleister in het Groene Hart. Aan deze beleidsvisie ligt een aantal ontwikkelingen ten grondslag:

  • het restrictieve beleid dat bedreigingen (beperking woningbouw en bedrijvigheid), maar ook kansen en uitdagingen biedt (stedelijke vernieuwing en ontwikkeling recreatie en toerisme);
  • de noodzaak een voldoende gedifferentieerd voorzieningenniveau in stand te houden;
  • de ontwikkelingen in de landbouw (onder andere schaalvergroting) in samenhang met een toename van het recreatief medegebruik van het landelijk gebied en landschapsbeheer.

Aan deze centrale beleidsvisie wordt via meerdere sporen inhoud gegeven. Belangrijk daarbij zijn het toeristisch-recreatief beleid, het voorzieningenbeleid en het beleid inzake natuur en landschap. Voor het ruimtelijk beleid voor het plangebied zijn de volgende beleidsdocumenten van bijzondere betekenis:

  • Nota Openbare Speelruimten (2002);
  • Welstandsnota (2004, herzien in 2009);
  • Woonvisie (2005);
  • Nota woonschepen (2012);
  • Beleidsnotitie Nieuwe Landgoederen (2004);
  • Horecanota (2007);
  • Detailhandelstructuurvisie (2007);
  • Beleidsplan Verkeer Wijdemeren 2011-2020 (2011);
  • Paardenbakken (2006);
  • Structuurvisie (2012);
  • Nota parkeernormen (2015).

Dit ruimtelijke beleid is doorvertaald in het onderhavig bestemmingsplan. Een groot deel van de beleidsnota's zijn voor 2008 vastgesteld waardoor deze ook zijn doorvertaald in bestemmingsplan Loosdrecht Landelijk gebied noordoost uit 2008. Overige recentere beleidsnota's hebben geen inhoudelijke gevolgen voor het bestemmingsplan. Specifiek wordt opgemerkt dat burgemeester en wethouders van Wijdemeren op 23 oktober 2012 de Nota woonschepen hebben vastgesteld. Deze beleidsregels hebben echter geen inhoudelijke gevolgen voor het voorliggende bestemmingsplan. Tot slot wordt opgemerkt dat de meest recente parkeernormen (2015) via de planregels van toepassing zijn op onderhavig plangebied.

Hoofdstuk 7 Sectorale aspecten

7.1 Verkeer en overige infrastructuur

Huidige situatie

Binnen het plangebied bevinden zich wegen met een regionale functie voor het doorgaande verkeer, wegen met een ontsluitende functie voor de kernen en plattelandswegen met een functie ter ontsluiting van bedrijven en woningen.

Ontsluiting autoverkeer

De ontsluitingsstructuur binnen het plangebied wordt met name gekenmerkt door enkele belangrijke gebiedsontsluitingswegen en daarop aansluitende erftoegangswegen. De belangrijkste wegen binnen het plangebied zijn:

  • N403 (Oud-Loosdrechtsedijk), welke Loenen aan de Vecht via Oud-Loosdrecht met Nieuw-Loosdrecht en Hilversum verbindt;
  • Nieuw-Loosdrechtsedijk, welke Nieuw-Loosdrecht met Breukeleveen verbindt;
  • 's-Gravelandsevaartweg, welke Oud-Loosdrecht met de N201 richting 's-Graveland verbindt.

De gemeente Wijdemeren heeft in 2012 een wegcategoriseringsplan opgesteld ('Wegcategoriseringsplan, op weg naar een duurzaam wegennet', gemeente Wijdemeren, 9 februari 2012). In dit plan zijn de wegen binnen de gemeente ingedeeld in de categorieën erftoegangsweg en gebiedsontsluitingsweg, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarbij is het streefbeeld van de ideale en de suboptimale weginrichting weergegeven. De belangrijkste wegen binnen het plangebied zijn de Oud-Loosdrechtsedijk, Nieuw-Loosdrechtsedijk en 's-Gravelandsevaartweg. Deze wegen zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg. De 's-Gravelandsevaartweg is deels binnen en deels buiten de bebouwde kom gelegen en kent een maximumsnelheid van 50 respectievelijk 60 km/h. De gebiedsontsluitingswegen beschikken gedeeltelijk over een vrijliggende fietsvoorziening. Op sommige wegvakken zijn suggestiestroken voor fietsers aanwezig.

De externe ontsluiting van het plangebied wordt in noordelijke en oostelijke richting gefaciliteerd via de 's-Gravelandsevaartweg of de N403 naar de N201 (Haarlem – Hilversum), welke bij Hilversum aansluiting biedt op de autosnelweg A27 (Utrecht – Almere). In westelijke richting verbindt de N403 naar de N402 (Breukelen – Loenen aan de Vecht) en de Nieuw-Loosdrechtsedijk via de Weerbrug naar Tienhoven en Breukelen/Maarssen.

Gezien de ontsluiting van het plangebied door diverse gebiedsontsluitingswegen en de aansluitende structuur van erftoegangswegen is de ontsluiting van het plangebied voor autoverkeer goed.

Ontsluiting langzaam verkeer

Langs de 's-Gravelandsevaartweg en de Nieuw Loosdrechtsedijk (gedeeltelijk) zijn geen afzonderlijke voetgangersvoorzieningen (trottoir) aanwezig.

Conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig is voor fietsverkeer langs de 's-Gravelandsevaartweg, de Horndijk, de Molenmeent, de Oud Loosdrechtsedijk (gedeeltelijk) en de Nieuw Loosdrechtsedijk (gedeeltelijk) afzonderlijke fietspaden aanwezig. Op sommige wegvakken zijn suggestiestroken aanwezig, waardoor het wegprofiel niet volledig voldoet aan de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Op basis van het wegcategoriseringsplan zijn dergelijke wegvakken aangemerkt als 'suboptimaal', waarbij bijvoorbeeld de maximumsnelheid verlaagd kan worden. Gesteld kan worden dat op grond van het wegcategoriseringsplan de verkeersveiligheid voor fietsverkeer in voldoende mate gewaarborgd is. Verder is aan de noordzijde van het plangebied via de Kromme Rade een recreatieve fiets- en wandelverbinding tussen Vreeland en Hilversum beschikbaar. De ontsluiting voor langzaam verkeer is goed.

Ontsluiting openbaar vervoer

Het plangebied wordt ontsloten door een aantal buslijnen die door het plangebied rijden. De buslijnen verbinden Oud Loosdrecht met Utrecht (1x/uur per richting) en Hilversum met Uithoorn (1x/uur per richting). De frequentie van de busdiensten is relatief laag. In de gebieden grenzend aan het plangebied (Nieuw Loosdrecht en Hilversum-Kerkelanden) is de OV-bediening hoger met 2x/uur respectievelijk 4x/uur een busverbinding naar Hilversum. Te Hilversum kan overgestapt worden op het landelijke treinnetwerk. Het plangebied kent een geringe reistijd naar het treinstation in Hilversum per openbaar vervoer. De frequentie van de busdiensten is echter laag. De ontsluiting per openbaar vervoer is matig tot redelijk.

Verkeersgegevens

De verkeersgegevens die ten grondslag liggen aan de milieuonderzoeken staan vermeld in tabel 3.3. De verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op tellingen uit 2013 en zijn verstrekt door de gemeente Wijdemeren. Voor de extrapolatie naar het maatgevende jaar is in overleg met de gemeente uitgegaan van een autonome groei van 1,5% per jaar. In tabel 7.1 is een overzicht weergegeven.

Tabel 7.1 Verkeersintensiteiten (mvt/etmaal en afgerond op 50-tallen)

Straat   2013   2023  
Oud Loosdrechtsedijk:      
- Horndijk – 's-Gravelandsevaartweg   5.350   6.200  
- 's-Gravelandsevaartweg – Molenmeent   7.400   8.550  
Nieuw Loosdrechtsedijk   1.700   1.950  
's-Gravelandsevaartweg   4.400   5.150  
Molenmeent   7.700   8.950  
Horndijk   850   1.000  

De verkeersintensiteit op met name de Oud- en Nieuw Loosdrechtsedijk is sterk afhankelijk van de maand, de dag van de week en de weersomstandigheden vanwege de belangrijke functie voor recreatief verkeer. Dit geldt ook voor de 's-Gravelandsevaartweg en Molenmeent, zij het in mindere mate dan voor de andere twee wegen. Voor milieuonderzoeken dient echter van jaargemiddelde verkeerscijfers uit te worden gaan, waardoor cijfers als representatief worden beschouwd.

De voertuigverdeling voor het verkeer is bepaald aan de hand van de verkeerstellingen op de verschillende wegen. De gehanteerde voertuigverdelingen zijn weergegeven in bijlage 6.

Parkeren

Voor de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen dient aangesloten te worden bij de "Beleidsregels parkeernomen gemeente Wijdemeren". De parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen dient in principe op eigen terrein te worden gefaciliteerd.

Nieuwe ontwikkeling

Binnen het bestemmingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De voor het aspect verkeer relevante ontwikkelingen betreft:

  • Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150, waar 12 zorgeenheden worden gerealiseerd.
  • Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108, waar 1 woning wordt opgesplitst in drie eenheden voor alleenstaanden.

De overige ontwikkelingen, waar het aspect verkeer een rol speelt, zijn apart onderbouwd. Deze onderbouwingen zijn in de bijlagen opgenomen.

De verkeersgeneratie van deze ontwikkelingen is gezien de aard en de omvang relatief beperkten zal niet leiden tot problemen ten aanzien van de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. Ten aanzien van parkeren dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen van de gemeente, vastgelegd in “Beleidsregels parkeernormen gemeente Wijdemeren”. Op basis van de gebiedsindeling in de beleidsregels, liggen de ontwikkelingen in het landelijk gebied. Voor de berekening van de parkeervraag ten behoeve van de woningen voor alleenstaanden aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 is aangesloten bij de parkeernorm voor meergezinswoningen (maximaal twee kamers). Deze norm bedraagt 1,5 parkeerplaatsen per woningen (inclusief parkeren voor bezoekers). Voor de ontwikkeling aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 dienen derhalve 5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd. Voor zorgwoningen bedraagt de parkeernorm 0,6 parkeerplaatsen per woningen. Voor de ontwikkeling aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150 dienen derhalve 8 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd.

7.2 Geluidshinder

Beleid en normstelling

Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg.

De breedte van de geluidszone voor de wegen binnen het plangebied welke buiten de bebouwde kom liggen bedraagt 250 m aan weerszijden van de wegas (buitenstedelijke situatie met 2 rijstroken). Voor wegen binnen de bebouwde kom en 2 rijstroken geldt een geluidszone van 200 m.

Normstelling

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevels. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger.

Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een hogere waarde worden verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe woningen langs bestaande wegen in buitenstedelijk gebied bedraagt 53 dB. De uiterste grenswaarde voor nieuwe agrarische bedrijfswoningen langs bestaande wegen in buitenstedelijk gebied bedraagt 58 dB. Voor nieuwe woningen binnen de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 63 dB.

Aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in deze rapportage genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.

Onderzoek

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Voor de berekeningen is voor de betreffende wegen uitgegaan van de verkeersgegevens zoals beschreven in de paragraaf verkeer. De wegdekverharding op alle wegen bestaat uit fijn asfalt (DAB).

Nieuwe situaties

Ten behoeve van eventueel nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in het plangebied (nieuwe situaties) zijn de geluidscontouren van de wegen in en om het plangebied van belang. Indien een dergelijke nieuwe situatie binnen de geluidszone van een weg ligt, dient te worden voldaan aan de normen die de Wet geluidhinder stelt. Indien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB aan de gevel niet wordt overschreden, is een geluidsgevoelige bestemming, voor wat betreft de Wet geluidhinder, toegestaan. In tabel 7.2 is aangegeven op welke afstand vanuit de wegas dit geluidsniveau wordt bereikt (48 dB-contour). De berekeningen die hieraan ten grondslag liggen zijn opgenomen in Bijlage 7.

Ook zijn in tabel 7.2 contouren vermeld van 48 dB (voorkeursgrenswaarde), 53 dB, 58 dB en 63 dB, zogenaamde uiterste grenswaarde voor respectievelijk nieuwe woningen buitenstedelijk, nieuwe agrarische bedrijfswoningen buitenstedelijk en nieuwe woningen binnenstedelijk. De contouren zijn berekend voor het prognosejaar 2023.

Tabel 7.2  Contouren geluidsbelasting (4,5 m maatgevende hoogte)

wegvak   afstand [m] 48 dB-contour1)   afstand [m] 53 dB-contour1)   afstand [m] 58 dB-contour1)   Afstand [m] 63 dB-contour1)  
Oud Loosdrechtsedijk          
Horndijk – 's-Gravelandsevaartweg   44   20   9   2  
's-Gravelandsevaartweg - Molenmeent   54   25   11   4  
Nieuw Loosdrechtsedijk   22   10   3   *  
's-Gravelandsevaartweg          
gedeelte 60 km/h   52   24   11   4  
gedeelte 50 km/h   46   21   9   2  
Molenmeent   118   55   26   11  
Horndijk   13   5   *   *  

1) Alle waarden met aftrek volgens artikel 110g Wgh.

* contour ligt binnen wegdekverharding

In het gebied, waar de geluidsbelasting aan de gevel tussen de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde ligt, zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien een hogere waarde zal worden verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren. Vaststelling van een dergelijke hogere grenswaarde dient te geschieden voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

Op basis van de geluidscontouren ten gevolge van wegverkeer, zullen eventuele nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in het plangebied aan de normen van de Wet geluidhinder getoetst worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij planwijziging:

  • Ter plaatse van de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 worden nieuwe geluidsgevoelige ontwikkelingen in het bestemmingsplan opgenomen. Het betreft op deze locatie de woonfunctie. De locatie Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Nieuw Loosdrechtsedijk.
  • Ter plaatse van de 's-Gravelandsevaartweg 9 worden nieuwe geluidsgevoelige ontwikkelingen in het bestemmingsplan opgenomen. Het betreft op deze locatie de woonfunctie. De locatie 's-Gravelandsevaartweg 9 ligt binnen de wettelijke geluidszone van de 's-Gravelandsevaartweg en de N209.

Hieronder worden de akoestische onderzoeken voor deze locaties behandeld.

Nieuw Loosdrechtsedijk 106-108

De locatie Nieuw Loosdrechtsedijk 106-108 ligt binnen de formele geluidszone van de Nieuw Loosdrechtsedijk. Deze weg is binnenstedelijk gelegen en heeft een geluidszone van 200 m. De ontwikkeling is mogelijk op respectievelijk 9,5 m uit de wegas. De geluidsbelasting bedraagt op deze locatie 53 dB en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De uiterste grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Er is alleen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aan de voorzijde van het gebouw. Aan de zijgevel ligt de contour van de voorkeursgrenswaarde op circa 10 m uit de wegas, waardoor op grote delen van de zijgevel en de achtergevel geen sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting

Ten gevolge van het verkeer op de Nieuw Loosdrechtsedijk wordt de voorkeursgrenswaarde voor de ontwikkeling op nummer 106-108 overschreden. Bezien dient te worden of met maatregelen de geluidsbelasting gereduceerd kan worden. Hiervoor is een aantal maatregelen denkbaar. Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. Dit is niet mogelijk, aangezien de Nieuw Loosdrechtsedijk onderdeel uitmaakt van de hoofdverkeersstructuur binnen de gemeente. Andere maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen, zoals het toepassen van geluidsreducerend asfalt of geluidsschermen, zijn, gezien de beperkte ontwikkeling, financieel niet doelmatig. Geluidsschermen zijn gezien de binnenstedelijke ligging niet inpasbaar en dienen onderbroken te worden voor de perceelsaansluitingen. Hierdoor zou het geluidsreducerende effect grotendeels teniet gedaan worden.

's-Gravelandsevaartweg 9

De locatie 's-Gravelandsevaartweg 9 ligt binnen de formele geluidszone van de 's-Gravelandsevaartweg en de provinciale weg N209. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing die voor deze ontwikkeling is opgesteld (zij bijlage 10) heeft Adviesbureau Van der Boom akoestisch onderzoek uitgevoerd. Binnen dit onderzoek wordt geconcludeerd dat op één woning de maximale geluidsbelasting 51 dB bedraagt en op één woning 49 dB. Hiermee wordt op beide woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Ten gevolge van wegverkeer op de N209 bedraagt de maximale geluidsbelasting op één woning 51 dB. Op de ander woning bedraagt de maximale geluidsbelasting 48 dB. Zodoende wordt op één woning de voorkeursgrenswaarde overschreden. In geen geval wordt de uiterste grenswaarde van 53 dB overschreden. Tevens blijkt uit het onderzoek dat het treffen van maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting stuit op bezwaren van financiele en landschappelijke aard.

Conclusie

Omdat maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting niet mogelijk of doelmatig zijn, dient het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren voor de in tabel 7.3 opgenomen woningen hogere waarden vast te stellen.

Tabel 7.3 Hogere waarde wegverkeerslawaai

Locatie   Geluidsbron   Hogere waarde   Aantal woningen  
Nieuw Loosdrechtsedijk 106-108   Nieuw Loosdrechtsedijk   54 dB   3  
's-Gravenlandsevaartweg 9 (noordelijke woning)   's-Gravelandsevaartweg   49 dB   1  
's-Gravenlandsevaartweg 9 (noordelijke woning)   N209   51 dB   1  
's-Gravenlandsevaartweg 9 (zuidelijke woning)   's-Gravelandsevaartweg   51 dB   1  

7.3 Geluidszone luchtvaartterrein Hilversum

Buiten het plangebied, ten zuidoosten van de kern Nieuw-Loosdrecht, ligt het luchtvaartterrein Hilversum. Voor de luchthaven Hilversum is het Besluit burgerluchthavens van belang. Dit besluit is opgesteld in het kader van de Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) en vervangt het oude Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart (BGKL). In het Besluit burgerluchthavens is bepaald dat de provincie uiterlijk 1 november 2014 een luchthavenbesluit moet nemen waarin de geluidszones voor deze luchthaven zijn vastgelegd. Voor de luchthaven Hilversum geeft de provincie Noord-Holland geluidscontouren aangegeven (http://gis.noord-holland.nl/structuurvisie2040/). Het voorliggende bestemmingsplan is consoliderend van aard, de ligging van de geluidszone levert derhalve geen beperkingen op bij het opstellen van dit bestemmingsplan.

7.4 Ecologie

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Beoogde ontwikkelingen

In het bestemmingsplan wordt een aantal nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt (zie paragraaf 5.1). In deze paragraaf wordt naast een algemene beschrijving van de ecologische waarden in het plangebied aangegeven welke waarden mogelijk aanwezig zijn op de ontwikkelingslocaties en hoe hiermee om dient te worden gegaan.

Huidige situatie

Gebiedsbescherming

Een groot deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het Oostelijk Vechtplassengebied. Het Oostelijk Vechtplassengebied vormt een van de belangrijkste laagveenmoerassen van Nederland en is derhalve als kerngebied opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast is een deel van het plangebied aangewezen als Natura 2000-gebied. Het is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Dit natuurgebied kwalificeert zich vanwege de volgende kenmerken (*=prioritair):

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0004.png"

Het plangebied vormt een belangrijke schakel in de noord-zuidverbinding van het Oostelijk Vechtplassengebied. Daarnaast is het plangebied gesitueerd op de overgang van stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug (zand) naar het veengebied.

Kader Richtlijn Water

Binnen het plangebied zijn waterlichamen conform de Kader Richtlijn Water (KRW) gelegen. Voor deze waterlichamen zijn ecologische doelen gesteld. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 7.6.

Soortenbescherming

Met betrekking tot ecologie wordt de huidige situatie in het plangebied aan de hand van de meer bijzondere natuurwaarden in de volgende drie gebieden beschreven: de Vuntus, het Weerslootgebied en De Ster, met een gedeelte van de Drecht. In De Ster bevinden zich twee bosgebieden (Landgoed De Negen Linden en Kasteel Sypesteyn), waarvan geen gegevens beschikbaar zijn. De beschikbare gegevens zijn grotendeels afkomstig van Natuurmonumenten.

Vervolgens wordt specifiek op de beschermde soorten op de ontwikkelingslocaties ingegaan.

De Vuntus

De Vuntus bestaat uit open water, graslanden op vaste veengrond, smalle stroken zuur schraalland, rietland, gagelstruweel en elzenbroekbos. Een gedeelte van de graslanden is in agrarisch gebruik.

De floristische waarden van de Vuntus zijn beperkt door de matige waterkwaliteit. Kwelindicatoren ontbreken.

De watervegetaties bestaan overwegend uit witte waterlelie en gele plomp, wat duidt op voedselrijk, stilstaand water. Het grote open water aan de westzijde van de Vuntus is nagenoeg vegetatieloos. De smalle sloten herbergen zeer plaatselijk fonteinkruiden, krabbescheer en kranswieren.

In het oostelijk deel van de Vuntus komen plaatselijk zure schraallanden en (veenmos)rietlanden voor, welke niet volledig ontwikkeld zijn.

De Vuntus bestaat voor een groot deel uit grasland, dat wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van reukgras en gestreepte witbol. Dit duidt op een matige voedselrijkdom van de bodem. Langs de randen van de graslandpercelen worden meer soortenrijke vegetaties gevonden, met bijvoorbeeld echte koekoeksbloem en moerasrolklaver.

Een deel van het grasland is verruigd tot rietland, met soorten als rietgras, oeverzegge en moeraszegge. Deze soorten kunnen dominant aanwezig zijn.

De Ster

De Ster bestaat voornamelijk uit grasland dat in agrarisch gebruik is. Deze graslanden behoren tot de beemdgras/raaigrasweiden en herbergen weinig floristische waarden. De randen van de graslandpercelen zijn vaak soortenrijker met bijvoorbeeld waterkruiskruid, moerasrolklaver, tweerijige zegge en echte koekoeksbloem. Hier en daar zijn in het grasland kleine regenputjes gesitueerd, waarin een fragmentatie ontwikkelde, waardevolle dotterbloemhooilandvegetatie voorkomt, met soorten als waterdrieblad, padderus, veldrus en snavelzegge.

Landgoed De Negen Linden bestaat voor een belangrijk deel uit beuken. Daarnaast zijn diverse aangeplante soorten als rododendron aanwezig.

Weerslootgebied

Het gebied ten noordoosten van de Weersloot wordt gekenmerkt door een kleinschalige afwisseling van graslanden en verlande petgaten met schraallandvegetaties en bos.

In een deel van de sloten komen watervegetaties met onder andere drijvend fonteinkruid, witte waterlelie en gele plomp voor. De wat smallere sloten herbergen zogenaamde ondergedoken watervegetaties, waarbij smalle waterpest soms massaal aanwezig kan zijn. Kwelindicatoren zijn zeer schaars geworden. Slechts op een enkele plaats komt nog waterviolier voor.

De graslanden zijn grotendeels in agrarisch gebruik en hebben een weinig waardevolle, soortenarme samenstelling. Langs de randen van graslandpercelen is plaatselijk een vegetatie aanwezig met waterscheerling, veldrus, echte koekoeksbloem en tweerijige zegge. Deze soorten zijn kenmerkend voor een minder voedselrijke situatie.

De percelen bos behoren grotendeels tot het moerasvaren/elzenbroektype. Hier en daar zijn ook wilgenstruwelen met een onderbegroeiing van riet aanwezig.

Potentiële waarden

Indien de grondwateronttrekking op de Utrechtse Heuvelrug wordt stopgezet, kan de kwelstroom in het plangebied aanzienlijk toenemen, met name op de overgang van zand naar veen (zie ook paragraaf 3.1). Deze kwel biedt geschikte mogelijkheden voor de ontwikkeling van bijzondere, kwelafhankelijke vegetatietypen. Verdere extensivering van het agrarisch grondgebruik zal een extra stimulans betekenen voor de ontwikkeling van deze vegetatietypen.

Samenvattend kan worden gesteld dat de floristische waarden in het plangebied vrij hoog zijn, met name in de gebieden van de Vereniging Natuurmonumenten.

Ook de (agrarische) graslanden, oevers en watergangen herbergen plaatselijk bijzondere plantensoorten. In De Ster is de vegetatie echter niet optimaal ontwikkeld. De aanwezigheid van de fragmentarisch verspreide dotterbloemhooilandjes duidt op grote ecologische potenties van De Ster. Stopzetting van de drinkwaterwinning kan leiden tot een toename in vegetatiekundige waarden.

Vogels

De Vuntus

In 1992 is De Vuntus op broedvogels onderzocht. Opvallend is het voorkomen van de zwarte stern met 12 paren. Deze soort komt tot broeden op drijfvegetaties zoals krabbescheer. Andere in 1992 aanwezige kwetsbare soorten zijn de grote karekiet (2 paar), snor (19 paar), rietzanger (85 paar) en porseleinhoen (1 paar). Het zijn allen soorten van jonge rietlanden en zeggevegetaties. Het porseleinhoen is in 1999 niet meer aangetroffen.

De ruigten, het struweel en de randen van het elzenbroekbos vormen het broedbiotoop voor onder andere de sprinkhaanrietzanger, grasmus en bosrietzanger. In de meer gesloten delen van het elzenbroekbos komen houtsnip, bosuil, havik en wespendief tot broeden.

De Ster

Broedvogelgegevens van dit gebied ontbreken. Naar verwachting zal de broedvogelsamenstelling bestaan uit soorten van agrarisch grasland, zoals kievit, scholekster, grutto en graspieper.

De bosgebieden zullen waarschijnlijk algemene bosvogelsoorten herbergen als grote bonte specht en boomkruiper.

Het Weerslootgebied

In de graslanden komen onder andere grutto en tureluur tot broeden, beide Rode Lijstsoorten. De bospercelen in het Weerslootgebied vormen het broedbiotoop voor onder andere sprinkhaanrietzanger, spotvogel en grasmus. De meer gesloten bosdelen huisvesten buizerd, havik en bosuil.

Overige fauna

Het Loosdrechtse Plassengebied, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, is rijk aan zoogdieren. Het betreft meerdere matig en zwaar beschermde soorten, zoals de waterspitsmuis en de noordse woelmuis. Beide soorten zijn gebonden aan vochtige omstandigheden (oevers, nat grasland, etc.) en zijn mogelijk in het plangebied aanwezig. Andere zoogdiersoorten die hier voorkomen zijn onder andere ree, hermelijn, bunzing, das en 6 soorten vleermuizen.

Naast de algemene soorten amfibieën komt in de Loosdrechtse Plassen de heikikker voor. Ook is de ringslang hier aanwezig.

Daarnaast zijn waarnemingen bekend van diverse soorten libellen, waaronder typische laagveensoorten als smaragdlibel, vroege en groene glazenmaker. De huidige verspreiding van deze soorten in het plangebied is niet bekend.

Potentiële waarden

Verdere extensivering van het agrarisch grondgebruik zal nieuwe mogelijkheden bieden voor verscheidene diersoorten die momenteel niet of nauwelijks in het gebied voorkomen. In combinatie met toename van kwel zullen op de overgang van zand naar veen vele microbiotopen ontstaan waar diverse kleinere diersoorten (zoals insecten en kleine zoogdieren) kunnen leven.

Ontwikkelingslocaties

Alle locaties bieden leefgebied aan de algemeen voorkomende licht beschermde soorten (tabel 1 Ffw) grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vaatplanten.

Oud-Loosdrechtsedijk 13

De locatie van de paardenbak bestaat uit akkerland. Behalve de licht beschermde worden hier geen andere beschermde soorten verwacht. De locatie is wel gelegen in het Natura 2000-gebied, tevens EHS. De aanleg van een paardenbak, zonder verlichting, op het akkerland heeft geen negatieve effecten op de beschermde waarden en het functioneren van deze gebieden. Vanwege de ligging in het Natura 2000-gebied kan het zijn dat een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is. In overleg met de provincie dient daarom te worden bekeken of voor de realisatie van de paardenbak een vergunning noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0005.jpg"

Figuur 7.1 Ontwikkeling paardenbak ten opzichte van natuurgebied

Evenemententerrein Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en 8

In het bestemmingsplan krijgt het reeds in jaren in gebruik zijnde evenemententerrein de bijbehorende bestemming. Behalve de licht beschermde worden hier geen andere beschermde soorten verwacht. Het evenemententerrein ligt in het Natura 2000-gebied, tevens EHS. In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is sprake van bestaand gebruik, aangezien het evenemententerrein reeds in 2004 in gebruik was.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0006.jpg" Figuur 7.2 Ligging evenemententerrein ten opzichte van natuurgebied

Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150

Op deze locatie wordt de bebouwing waarin nu 'De Schutse' is gevestigd gesloopt. Hiervoor in de plaats komen 12 zorgeenheden in vier woningen. Het terrein is grotendeels verhard (parkeerterrein), hier zijn geen beschermde soorten aanwezig. In de te slopen bebouwing zijn mogelijk vaste verblijfplaatsen van broedvogels (huismus, gierzwaluw) en vleermuizen aanwezig. Dit dient nader onderzocht te worden.

De locatie is niet gelegen in de EHS of het Natura 2000-gebied, maar grenst hier wel aan. De bouw van vier woningen is niet van invloed op deze gebieden, aangezien de directe omgeving reeds verstoord is en er slechts een nauwelijks waarneembare toename van de verkeersintensiteit optreedt. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0007.jpg"

Figuur 7.3 Ontwikkeling 'de Schutse' ten opzichte van natuurgebied

Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108

Op het perceel aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 zijn momenteel twee burgerwoningen gelegen. De voorste woning, van beide woning, zal worden gesplitst in drie wooneenheden voor alleenstaanden. Het gaat hier echter alleen om interne wijzigingen binnen de woning. Er is geen sprake van wijziging van de stedenbouwkundige situatie. De locatie is niet gelegen in de EHS of het Natura 2000-gebied, maar grenst hier wel aan. De interne wijziging is niet van invloed op deze gebieden, aangezien de directe omgeving reeds verstoord is en er slechts een nauwelijks waarneembare toename van de verkeersintensiteit optreedt. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

Toetsing

De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).
  • Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze soorten staan vermeld in categorie 1 t/m 4 van de 'Aangepaste lijst van jaarrond beschermde vogelnesten' (Ministerie van LNV, 2009). Deze soorten zijn mogelijk aanwezig op de Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en 8. Dit dient nader onderzocht te worden. Indien de werkzaamheden effect hebben op deze soorten is een ontheffing nodig. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, indien werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden of maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat deze soorten zich vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mag van deze soorten het nest worden verplaatst of verwijderd.
  • Nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen (tabel 3 Bijlage IV HR) op de locatie op de Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 en 8 is noodzakelijk. Indien vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen, primaire foerageergebieden of vaste vliegroutes van vleermuizen aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

7.5 Duurzaam bouwen

De milieueffecten van het bouwen kunnen worden beïnvloed door milieuvriendelijke materialen, bouwmethoden en onderhoudsmethoden. Tevens dient de emissie van uitlogende materialen als PAK, lood, zink en koper te worden tegengegaan. De gemeente Wijdemeren sluit daarom aan bij het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen.

7.6 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Bij het tot stand komen van plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)
  • Nationaal:
  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2010-2015 beschrijft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) haar drie hoofdtaken zorg voor veiligheid achter de dijken, zorg voor voldoende water en zorg voor schoon water. Daarnaast voert AGV in zijn beheersgebied taken uit die de waterschappen aanduiden als maatschappelijke neventaken. Voor AGV zijn dat vaarweg- en nautisch beheer, faciliteren van het recreatief medegebruik van wateren en dijken, zorg voor natuurwaarden en bevordering van cultuurhistorische, landschappelijke, en architectonische waarden. De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Dit waterbeheerplan gaat over de waterschapstaken van AGV, waarbij AGV wel steeds het oog houdt op de samenhang van deze taken met het geheel van waterketen- en watersysteemtaken, ofwel de watercyclus. Tevens geeft dit waterbeheerplan aan de opgaven vanuit de KRW en vanuit het Nationaal Bestuurakkoord Water (NBW-actueel). Uitwerking van het beleid vindt plaats in gebiedsplannen (peilbesluiten, wateradviezen en beheer en onderhoudsplannen).

Kader Richtlijn Water

De KRW is inmiddels geimplementeerd in Nederlands beleid. Bovendien heeft het waterschap een plan gemaakt voor de waterlichamen binnen het beheergebied, het "KRW-deel waterbeheerplan". Voor dit plangebied zijn de doelen en afspraken voor de twee waterlichamen "Loosdrechtste Plassen" en "Ster en Zodden" van belang.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de Loosdrechtse plassen in de gemeente Wijdemeren en bestaat voornamelijk uit polder met bebouwingslinten.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit veengronden Er is sprake van grondwater trap II Dat wil zeggen een gemiddelde laagste grondwaterstand van 0,4 m – NAP en een gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 0,5 en 0,8 m – NAP.

Waterkwantiteit

Het plangebied is ten oossten gelegen van het oppervlaktewater de Loosdrechtse Plassen. De waterhuishouding in het plangebied is flexibel ingesteld. Een groot deel van het gebied staat in directe verbinding met de Loosdrechtse Plassen en/of de Breukeleveense Plas. Het peilbeheer in het Loosdrechtse Plassengebied wordt gevoerd door het Waterschap AGV. In 2008 heft waterschap Amstel, Gooi en Vecht het peilbesluit voor polder Meyeveld, het Loosdrechtse plassengebied, vastgesteld. Het plangebied ligt in de peilvakken: 60-1, 60-2, 60-3 en 60-5. De waterpeilen in de peilvakken 60-3 en 60-5 zijn vastgesteld op 1,05m - NAP. De waterpeilen in de peilvakken 60-1 en 60-2 varieren afhankelijk van het weer van 0.7 m - NAP tot -1.2 m - NAP. Na het uitvoeren van maatregelen is het peilbesluit vanaf 1 oktober 2011 geaseerd ingesteld. De waterhuishouding van het gebied is uitvoerig beschreven in het peilbesluit .

Uit de Bethunepolder wordt water gemalen voor de bereiding van drinkwater. Het water dat niet wordt gebruikt voor drinkwaterbereiding stroomt via het Tienhovensch Kanaal naar de Loosdrechtse Plassen. Voor landbouwkundige doeleinden wordt het noordelijk deel van De Ster apart beheerd. In de zomermaanden wordt in deze polder een waterpeil gehandhaafd van 0,70 m- NAP. Dit wordt bereikt door in het voorjaar zoveel mogelijk regenwater vast te houden en door water te onttrekken aan de Drecht. In de winter wordt hetzelfde peil aangehouden als in de overige polders. In het verleden werd in een deel van De Ster onderbemaling toegepast ten behoeve van landbouwactiviteiten. Sinds de betreffende percelen door de Vereniging Natuurmonumenten zijn aangekocht is de onderbemaling stopgezet.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Binnen het plangebied liggen twee waterlichamen die vallen onder de Kader Richtlijn Water. Het betreffen de Loosdrechtse Plassen en de Ster en Zodden. Het bestemmingsplan heeft geen invloed op de toestand van deze waterlichamen. De KRW-doelen met bijbehorende maatregelen voor wat betreft deze waterlichamen zijn opgenomen in het "Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht (AGV) 2010-2015 Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)".

Op veel plaatsen wordt door de hoge gehalten aan nutriënten niet voldaan aan de MTR-waarden (Maximaal Toegestaan Risico). Omdat in veengebieden de natuurlijke nutriëntenconcentratie relatief hoog is, moet een gebiedsspecifieke MTR worden uitgewerkt. Deze gebiedsspecifieke invulling en toetsing aan die gebiedsspecifieke norm heeft nog niet plaatsgevonden. De verwachting is echter dat voor wat betreft nutriëntenconcentraties niet aan de norm zal worden voldaan. De verontreiniging van het oppervlaktewater met nitraat en fosfaat is in het westelijk deel van het plangebied het grootst. Op deze meest verontreinigde locaties zijn tevens de zuurgraad en het bufferend vermogen zeer laag. De matige waterkwaliteit in het westelijk deel van het plangebied wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door invloed van het water uit de Loosdrechtse Plassen. Dit water bezit (te) hoge nutriëntconcentraties. In het oostelijk deel van het plangebied is de waterkwaliteit beter en zijn de waarden voor zuurgraad en bufferend vermogen en de gehalten aan calcium hoger. Dit wordt veroorzaakt door een positieve invloed van de regionale kwel. Het kwelwater is in het algemeen van goede kwaliteit.

Door de grondwateronttrekking op de Utrechtse Heuvelrug - waardoor er minder kwalitatief goed kwelwater wordt aangevoerd - en de opmaling in De Ster - waardoor nutriëntrijk Loosdrechtse Plassenwater tot ver in het plangebied doordringt - is de waterkwaliteit de afgelopen decennia verslechterd. Sinds er, in perioden met watertekorten, niet langer vervuild Vechtwater maar gedefosfateerd Amsterdam-Rijnkanaalwater wordt ingelaten, is de waterkwaliteit licht verbeterd. De afname aan voedselrijkdom van het oppervlaktewater gaat echter minder snel dan gewenst. Dit lijkt samen te hangen met de nalevering van nutriënten door de vervuilde waterbodems van de Loosdrechtse Plassen en de waterlopen in het plangebied (zie kader).

Het totale oppervlak open water van de Loosdrechtse Plassen bedraagt 1.200 ha, waarmee het als KRW-waterlichaam wordt aangemerkt. Vanuit de Loosdrechtse Plassen treedt een sterke wegzijging van water op naar de Bethunepolder en Horstermeerpolder, om deze reden wordt in droge periodes water ingelaten vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal. Kenmerkend voor de Loosdrechtse Plassen is het slechte doorzicht. Verder bevat het water een hoog gehalte koper, een te laag zuurstofgehalte en is het systeem geëutrofieerd, vooral door de hoge fosforconcentratie. Wat betreft de ecologie van de Loosdrechtse Plassen voldoen macrofauna en vissen niet aan de normen. Als gevolg van het slechte doorzicht kunnen ondergedoken planten zich niet voldoende ontwikkelen en door de harde en steile oevers ontbreekt oevervegetatie. Bovendien hebben de Loosdrechtse Plassen te maken met problematiek met betrekking tot blauwalgen (bron: Globale verkenning ten behoeve van de Europese Kaderrichtlijn Water, 2006).

Veiligheid en waterkeringen

Kern-/beschermingszones

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan zijn enkele overige waterkeringen aanwezig. Binnen de kern- en/of de beschermingszone van deze waterkeringen worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Afvalwaterketen en riolering

Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, een wijziging van de riolering of de afvalwaterketen is geen optie, derhalve blijft de huidige afvalwaterketen en de huidige riolering gehandhaafd.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er wordt een beperkt aantal nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er worden echter geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingengepland. Binnen de bestemmingen bestaat verder de mogelijkheid tot kleinschalige ontwikkelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al of niet bouwvergunningplichtig) of het aanleggen van paden, verhardingen en/of water.

Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak, hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Voor wat betreft de afkoppeling is maatwerk noodzakelijk. Lokaal afkoppelen kan tot problemen leiden, zo heeft afkoppelen naar de Loenderveense plas niet de voorkeur. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, dempingen of het aanbrengen van een stuw. Ook werken zoals steigers, beschoeiingen en boothuizen in op of boven het water zijn vergunningplichtig In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat binnen de beschermingszone niet zonder vergunning van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Water en Waterstaat in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.

Conclusie

In het bestemmingsplan worden slechts beperkt ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De gemeente kan onder voorwaarden bepaalde ontwikkelingen (werken/werkzaamheden) toestaan, voor zover dit raakt aan de waterschapsbelangen zal de gemeente advies inwinnen bij het waterschap waardoor voldoende is en wordt gewaarborgt dat het waterhuishoudkundige systeem niet zal verslechteren.

7.7 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met eventuele milieuhinder van bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied'. Voor overige gebiedstypen kunnen eventueel andere richtafstanden worden gehanteerd. Milieuzonering is alleen van toepassing op nieuwe situaties en beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Nieuwe ontwikkelingen

Binnen het bestemmingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De voor het aspect milieuzonering relevante ontwikkelingen betreffen:

  • Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150 waar 12 zorgeenheden worden gerealiseerd.
  • Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108 waar 1 woning wordt gesplitst in 3 wooneenheden voor alleenstaanden.

Conclusie

In de omgeving van de beoogde ontwikkelingen zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Langs de Nieuw-Loosdrechtsedijk komen afwisselend woonbestemmingen en bedrijfsbestemmingen voor. Deze menging van functies is historisch gegroeid en wordt met het voorliggende bestemmingsplan gecontineerd. Om het ontstaan van nieuwe milieuhinder te voorkomen is ter plaatse van de bedrijfsbestemmingen een algemene toelaatbaarheid opgenomen tot en met categorie 2. Dergelijk bedrijfsactiviteiten zijn binnen een gemengd gebied, zoals het lint van de Nieuw-Loosdrechtsedijk, op korte afstand van woningen aanvaardbaar. Ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ontwikkeling vormt tevens geen beperking voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven. In de huidige situatie zijn reeds woningen op kortere afstand van de bedrijfslocaties aanwezig. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.8 Archeologie, landschap en cultuurhistorie

Cultuurhistorische regioprofielen

De gemeente Wijdemeren, waar het plangebied deel van uitmaakt, is onderdeel van de regio Gooi en Vechtstreek. Deze regio wordt in de nota 'Cultuurhistorische regioprofielen' van de provincie Noord-Holland aangemerkt als 'tuin van Amsterdam', bestaande uit vele buitenplaatsen en villaparken. Het gebied wordt een geringe transformatiecapaciteit toegekend; de nadruk ligt op behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden zoals de oude ontginningsassen en de buitenplaatsen. De buitenplaatsen en het Noorder- en Zuidereinde hebben een hoge cultuurhistorische waarde.

Monumenten

In het plangebied bevinden zich diverse rijksmonumenten, provinciaal monumenten en diverse gemeentelijke monumenten. Deze en de overige monumenten zijn weergegeven in de monumentenlijst in bijlage 1. De gemeente richt zich op behoud en bescherming van individuele objecten. In januari 2004 is de gemeentelijke monumentenverordening vastgesteld. Wat betreft de advisering over monumenten, heeft de gemeente aansluiting gezocht bij de centrale monumentenadviescommissie van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland. In deze commissie zijn alle relevante disciplines op het gebied van monumentenadvisering vertegenwoordigd.

Archeologie

Regelgeving en beleid

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Daarnaast heeft de gemeente Wijdemeren een Beleidskaart Archeologie opgesteld (vastgesteld 29-9-2011) die als uitgangspunt geldt bij alle activiteiten waarbij mogelijke archeologische waarden in het geding zijn. Door middel van regimes geeft het gemeentebestuur aan welk niveau van het archeologiebeleid in een bepaald gebied als redelijk kan worden beschouwd. In het plangebied komen alle zes regimes voor:

  • categorie één: geldt voor het kasteel Sypesteyn (zeer hoge waarde, beschermd).
  • categorie twee: geldt voor molenplaatsen waar poldermolens hebben gestaan of nog aanwezig zijn. In het plangebied is langs de Nieuw-Loosdrechtsedijk een dergelijke molenplaats gelegen.
  • categorie drie: geldt voor de bewoningslinten langs de Nieuw-Loosdrechtsedijk en Oud-Loosdrechtsedijk (archeologische verwachting)
  • categorie vier: Pleistocene zandgronden (sporen van bewoning en ontginning).
  • categorie vijf: Veenpolders (geringe verwachting van archeologische sporen).
  • categorie zes: geldt voor alle gronden zonder archeologische verwachtingswaarde.

De eerste tot en met de vijfde beleidscategorie zijn in de regels van dit bestemmingsplan vertaald in verschillende beschermingsregimes (dubbelbestemming). Voor de zesde categorie is geen dubbelbestemming opgenomen. Deze gronden dienen immers niet beschermd te worden.

Nieuwe ontwikkelingen

Oud-Loosdrechtsedijk 13

De locatie is volgens de beleidskaart van de gemeente Wijdemeren gelegen in een archeologisch waardevol gebied van de vierde categorie. Binnen dit regime is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bouwplannen vanaf 500 m2 en dieper dan 40 cm. Het bestemmingsplan neemt een bouwvlak van 800 m2 op. Voorafgaand aan de realisatie van de paardenbak dient bepaald te worden of daadwerkelijk nader onderzoek nodig is.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0009.png"

Figuur 7.4 Uitsnede archeologische beleidskaart Wijdemeren ontwikkeling Oud-Loosdrechtsedijk 13

Nieuw-Loosdrechtsedijk 6-8

De locatie is volgens de beleidskaart van de gemeente Wijdemeren gelegen in een archeologisch waardevol gebied van de vierde categorie. Binnen dit regime is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bouwplannen vanaf 500 m2 en dieper dan 40 cm. Op deze locatie wordt het gebruik als evenemententerrein geregeld. Er worden geen functies die leiden tot bodemingrepen mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0010.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0011.png"

Figuur 7.5 Uitsnede archeologische beleidskaart Wijdemeren ontwikkeling Nieuw-Loosdrechtsedijk 6-8

Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150

De locatie is volgens de beleidskaart van de gemeente Wijdemeren gelegen in een archeologisch waardevol gebied van de derde categorie. Binnen dit regime is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bouwplannen vanaf 100 m2 en dieper dan 35 cm. De nieuwbouw op deze locatie is groter dan 100 m2. Nader onderzoek is dan ook noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0012.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0013.png"

Figuur 7.6 Uitsnede archeologische beleidskaart Wijdemeren ontwikkeling Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150

Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108

De locatie is volgens de beleidskaart van de gemeente Wijdemeren gelegen in een archeologisch waardevol gebied van de derde categorie. Binnen dit regime is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bouwplannen vanaf 100 m2 en dieper dan 35 cm. Het gaat hier echter alleen om interne wijzigingen binnen de woning. Er is geen sprake van wijziging van de stedenbouwkundige situatie. Er worden geen activiteiten die leiden tot bodemingrepen mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0014.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0015.png"

Figuur 7.7 Uitsnede archeologische beleidskaart Wijdemeren ontwikkeling Nieuw-Loosdrechtsedijk 106-108

Conclusie

Voor de verschillende archeologische beleidscategorieën wordt in het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen. Voorafgaand aan de ontwikkeling dient in ieder geval op de locatie Nieuw-Loosdrechtsedijk 146-150 nader onderzoek plaats te vinden. Mogelijk is ook nader onderzoek nodig voor de Oud-Loosdrechtsedijk 13.

Eventuele vondsten gedaan tijdens werkzaamheden waarvoor geen vooronderzoek nodig is, vallen wel onder de meldingsplicht zoals vastgelegd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

7.9 Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen. De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 7.4  weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Tabel 7.4. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2) 1)   jaargemiddelde concentratie   60 µg / m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg / m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10) 2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg / m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³   vanaf 11 juni 2011  
  • 1. De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval.
  • 2. Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is onder andere het geval in de volgende situaties:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek

Om een indruk te geven van de huidige situatie met betrekking tot luchtkwaliteit, is de monitoringstool van het ministerie van I&M geraadpleegd. Deze monitoringstool hoort bij het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (www.nsl-monitoring.nl). In deze webapplicatie zijn de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs maatgevende wegen weergegeven. Uit de de monitoringstool blijkt dat in de gemeente Wijdemeren langs alle maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof wordt voldaan. Dit geldt zowel voor de situatie in 2011 als in het prognosejaar 2020. Omdat direct langs de wegen aan de grenswaarden wordt voldaan en de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt, zal ook ter plaatse van de overige delen van het plangebied ruimschoots aan de grenswaarden worden voldaan.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wm, onderdeel luchtkwaliteit, staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

7.10 Bodem

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek

In 2002 heeft de gemeente voor het plangebied een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteit in het plangebied is redelijk. Uit de opgestelde bodemkwaliteitskaart blijkt namelijk dat voor de verschillende onderzochte bodemverontreinigende stoffen de mate van verontreiniging tussen de zogenoemde streefwaarde en tussenwaarde ligt. Bodemsanering hoeft pas plaats te vinden indien de interventiewaarde wordt overschreden. Dit geldt ook voor de locaties waar dit bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt. In de vergunningfase wordt beoordeeld of voor een omgevingsvergunningaanvraag een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

7.11 Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties.

Vervoer gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoor

In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt in nieuwe situaties een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.

Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire.

De raad heeft op 3 november 2010 de beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld. Op grond daarvan worden nieuwe risicobronnen niet toegelaten in woongebieden of gemengd bebouwde gebieden. Daarvan is in het plangebied geen sprake.

Onderzoek

Fa van Reenen &Co

Ter plaatse van de bedrijfslocatie van de firma Van Reenen & Co, aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 120, vindt opslag van propaan plaats in een ondergrondse of ingeterpte tank. De tank heeft een waterinhoud van 8.000 liter. Alleen inrichtingen waar meer dan 13 m³ propaan wordt opgeslagen vallen binnen de werkingssfeer van het Bevi. Voor overige opslagen van propaan gelden veiligheidsafstanden op grond van het Activiteitenbesluit. Daarnaast vindt opslag van zuurstof in gasflessen plaats en zijn nog twee opslagtanks voor gassen aanwezig.

In het kader van een veranderingsaanvraag van de huidige omgevingsvergunning is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd (bijlage 15). Hieruit blijkt dat de 10-6 contouren beperkt buiten de inrichtingsgrenzen zijn gelegen. De contouren reiken tot over de aangrenzende bedrijfslocatie aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 122. Dit is echter dusdanig beperkt dat binnen de contouren geen gebouwen aanwezig zijn of geplaatst kunnen worden. Binnen de contouren zijn dan ook geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten en geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten gelegen. Aan de grenswaarde voor het PR wordt dan ook voldaan. Het groepsrisico bevindt zich daarnaast onder de oriëntatiewaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1696.BPlglsdno2012-va01_0016.jpg"

Figuur 7.7 PR 10-6 risicocontouren Fa van Reenen & Co (bron:www.risicokaart.nl)

Overige inrichtingen

Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 200 m van het de grens van het plangebied, is het vloegveld Hilversum aanwezig. Voor deze inrichting gelden geen risicocontouren.

Op een afstand van circa 450 van het plangebied, aan de Prinses Margrietstraat 62, is het zwembd 't van Walderveenbad' gelegen. Ter plaatse is een opslagtank voor cloorbleekloog aanwezig en vindt opslag van zwavelzuur en vlokmiddel in vaten plaats. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 450 m zodat er geen sprake is van risico's die reiken tot in het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Ten noorden van het plangebied vindt op beperkte schaal vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N201. Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de PR 10-6-risicocontour niet buiten de wegas ligt. Het GR is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gelet op de zeer ruimte afstand tot de beoogde woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk is de N201 niet relevant voor het bestemmingsplan.

In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats.

Conclusie

Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Omdat in het plangebied geen sprake is van Bevi-inrichtingen of buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. Voor de N201 geldt dat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de weg zodat een nadere beschouwing van het groepsrisico achterwege blijft. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de vaststelling van het plan niet in de weg staat.

7.12 Kabels en leidingen

In het plangebied komen geen hoofdtransportleidingen en bovengrondse hoogspanningsleidingen voor.

Hoofdstuk 8 Juridische planbeschrijving

Het bestemmingsplan voor de Loosdrecht Landelijk gebied komt qua opzet overeen met de andere bestemmingsplannen in de gemeente Wijdemeren. Net als de bestemmingsplannen Kern Nederhorst den Berg en Kern 's-Graveland en landgoederen, is het bestemmingsplan geschoeid op de Nota Opzet Bestemmingsplannen (2004), die in het kader van de actualisering van de bestemmingsplannen in de gemeente Wijdemeren is opgesteld. Daarmee wordt gestreefd naar een uniformering van de juridisch-planologische regeling die in de bestemmingsplannen voor elk van de kernen in de gemeente wordt gehanteerd. Het bestemmingsplan is opgesteld conform SVBP2012. Hieronder wordt ingegaan op de planvorm, de opbouw van de plankaart en de inhoud van de regels.

8.1 Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

8.2 Planvorm

Het bestemmingsplan zal voor het plangebied in grote mate een beheer- en gebruiksfunctie vervullen. Gezien het feit dat het thans geldend bestemmingsplan recent is vastgesteld, is gekozen voor een hoofdzakelijk gedetailleerde planvorm conform dit bestemmingsplan.

8.3 Regels

8.3.1 Uitgangspunten regeling

Alhoewel het plan in verschillende bestemmingen voorziet, wordt in meerdere artikelen gebruik gemaakt van dezelfde regels en uitgangspunten. Voordat per bestemming en/of artikel een uitleg wordt gegeven, worden deze algemene uitgangspunten eerst uiteengezet.

Bed & breakfast en aan-huis-verbonden beroep of bedrijf

Met betrekking tot de woonfunctie is het uitoefenen van een bed & breakfast of aan-huis-verbonden beroep of bedrijf toegestaan, mits de woonfunctie blijft prevaleren, geen hinder optreedt voor de woonomgeving en wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 30% van het vloeroppervlak worden benut ten behoeve van de kantoor-, bedrijfs- of praktijkruimte. Detailhandel en horeca wordt geheel uitgesloten in verband met overlast. Verder is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een groter percentage van woningen te mogen gebruiken voor bed & breakfast inclusief aan- en uitbouwen en (vrijstaande) bijgebouwen.

Mantelzorg

Mantelzorg is iets wat regelmatig voor komt. Voor een goede mantelzorg kan het noodzakelijk zijn om de hulpbehoefende een woonruimte bij de mantelzorger te bieden. In dit plan is het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor het in gebruik nemen van een bijgebouw als afhankelijk woonruimte. Indien de zorg niet meer noodzakelijk of nodig is kan de omgevingsvergunning weer worden ingetrokken.

Monumenten

In het plangebied bevinden zich diverse rijksmonumenten, provinciaal monumenten en diverse gemeentelijke monumenten. De bescherming voor deze panden is geregeld in de Monumentenwet 1988 en het gemeentelijk monumentenbeleid. In bijlage 2 is een lijst van de diverse Rijksmonumenten opgenomen.

8.3.2 Inleidende regels

Conform SVBP2012 bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

8.3.3 Bestemmingsregels

Bij het bepalen van de bestemmingslegging van de in het plangebied aanwezige functies zijn de bestemmingsregelingen, de bestaande situatie en de visie, zoals weergegeven in hoofdstuk 2 van de toelichting, uitgangspunt.

Het grootste deel van de aanwezige functies in het plangebied is overeenkomstig het huidige gebruik bestemd. Daarnaast worden door de bestemmingslegging enkele nieuwe functies mogelijk gemaakt. De uitgangspunten voor de bestemmingsregeling worden hieronder nader toegelicht.

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

De aanwezige agrarische bedrijfscentra zijn weergegeven door middel van bouwvlakken. Bij specifiek gebruik is dat aangegeven met de functieaanduiding. Binnen deze bouwvlakken dienen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals sleufsilo's, mestsilo's, kuilvoerplaten alsmede de erfverharding te worden gesitueerd. Binnen het agrarische bouwvlak is geen regeling opgenomen voor de totale oppervlakte bebouwing.

Per agrarisch bedrijf is een bedrijfswoning toelaatbaar. Indien al een tweede agrarische bedrijfswoning aanwezig is, is dit op de verbeelding aangegeven. Het oppervlak voor agrarische bedrijfswoningen mag maximaal 190 m² bedragen.

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

De bouw- en gebruiksmogelijkheden voor agrarische bedrijven gelegen in het gebied dat is bestemd als Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden, zijn over het algemeen gelijk aan de mogelijkheden binnen het Agrarisch gebied met landschapswaarden. In de afweging bij afwijken van de bouwregels worden, in tegenstelling tot het agrarisch gebied met landschapswaarden, de natuurwaarden zeer nadrukkelijk meegewogen.

Artikel 5 Bedrijf

De bestemming Bedrijfis gegeven aan alle niet-agrarische bedrijven buiten bedrijventerrein De Zodde. Voor zowel de bestemming Bedrijventerrein als de bestemming Bedrijfis gebruikgemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten (milieucategorieën). Verwezen wordt naar Bijlage 4 van de toelichting. Bestaande bedrijven die niet passen binnen de algemene toelaatbaarheid (milieucategorie) zijn aangeduid met een specifieke aanduiding. Binnen deze aanduiding is aangegeven dat het bestaande bedrijf is toegestaan in afwijking van de maximale algemene toegestande milieucategorie.

Op het bedrijf ter plaatse van Nieuw Loosdrechtsedijk 120 is een opslagtank voor vloeibaar propaan gerealiseerd. Het bedrijf valt niet onder het Besluit externe veiligheid en inrichtingen (Bevi), maar heeft wel plaatsgebonden risicocontouren die vallen buiten de grens van de inrichting. In het kader van externe veiligheid dienen dan ook bepaalde afstanden tot de opslagtank en de opstelplaats voor de tankauto in acht genomen te worden. Om te voorkomen dat de opslagtank en de opstelplaats binnen het bouwvlak worden verplaatst, en daarmee de aan te houden afstanden wijzigen, worden zowel de opslagtank als de opstelplaats met aanduidingen op de verbeelding aangegeven. Uitsluitend ter plaatse van deze aanduidingen ('specifieke vorm van bedrijf - 9' respectivelijk 'specifieke vorm van bedrijf - 10') zijn een opslagtank voor propaan en een opstelplaats voor een tankauto toegestaan.

Artikel 6 Bedrijventerrein

Deze bestemming is gegeven aan het bedrijventerrein De Zodde. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op de mogelijkheden ingevolge het vorige bestemmingsplan. De vestiging van nieuwe risicovolle inrichtingen is in de planregels uitgesloten.

Artikel 7 Detailhandel

De voor Detailhandel aangewezen gronden zijn bestemd voor een tuincentrum met een oppervlak van maximaal 6.500 m². In artikel 7 zijn ten behoeve van het tuincentrum enkele bouwregels opgenomen.

Artikel 8 Gemengd - 1

Deze bestemming is bedoeld voor gemengde doeleinden. Binnen de bestemming is wonen in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is het uitoefenen van detailhandel mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding 'kantoren' zijn uitsluitend kantoren toegestaan.

Artikel 9 Gemengd - 2

Deze bestemming is gegeven aan kasteel Sypesteyn en buitenplaats "De Negen Linden". Bebouwing is alleen toegestaan ter plaatse van het kasteel Sypesteyn (functieaanduiding 'wonen') en ter plaatse van het hoofdgebouw en de bestaande bijgebouwen op "De Negen Linden" (functieaanduiding 'wonen'). Alleen voor een ondergeschikt gebouwtje van maximaal 6 m² is een uitzondering opgenomen. Bij kasteel Sypesteyn is binnen de bestemming Gemengd-2 een kantoor, een museum, inclusief aan het museum verbonden kleinschalige detailhandel) en horeca in de vorm van een restaurant mogelijk gemaakt. De op "De Negen Linden" aanwezige paardrij- en tennisbaan zijn voorzien van een aparte functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1'. Dit om te voorkomen dat deze worden verplaatst of uitgebreid.

Artikel 10 Groen

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groen, groenvoorzieningen, paden, water en speelvoorzieningen. Deze bestemmingslegging is bepaald op basis van het bestaande gebruik.

Artikel 11 Horeca

De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor horecabedrijven. Ter plaatse van een aanduiding is aangegeven tot welke categorie van Bijlage 5 het horecabedrijf is toegestaan. Naast horeca activiteiten is wonen, met aan-huis-verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan.

Artikel 12 t/m 17 met uitzondering van artikel 14 (Kantoor,Maatschappelijk, Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Jacht- en passantenhaven t/m )Recreatie - Verblijfsrecreatie)

In deze artikelen zijn de gronden bestemd overeenkomstig het huidige gebruik (daaronder begrepen voorgenomen gebruik waarvoor concrete, te honoreren plannen bestaan). De functies zijn nader gespecificeerd door middel van bestemmingen en functieaanduidingen.

Voor wat betreft de regeling voor steigers, oeverbeschoeiingen en golfbrekers in Artikel 17, is aangesloten bij de regeling uit het bestemmingsplan Plassengebied. In dit bestemmingsplan worden niet alleen steigers, maar ook oeverbeschoeiingen, golfbrekers en botenhuizen geregeld. Uitgangspunt van de regeling in Artikel 17 is dat de bouw van steigers gekoppeld is aan waterbestemmingen, dus niet aan woonbestemmingen en dergelijke. De breedte van de steigers mag niet meer dan 1,2 m bedragen. Verder mag de bouw van oeverbeschoeiingen niet leiden tot verplaatsing van de oeverlijn. Botenhuizen worden niet toegestaan bij recreatieve woonverblijven en (recreatieve) woonboten.

Artikel 14 Natuur

Deze bestemming is gegeven aan de gronden die zijn aangewezen als beschermd natuurmonument (Natura 2000-gebied en Ecologische hoofdstructuur), in eigendom zijn van terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties en als natuurgebied worden beheerd. Agrarisch gebruik van gronden met de bestemming Natuur met recreatief medegebruik is mogelijk voor zover het gebruik ten dienste staat van natuurbeheer.

In het plan is aan grote delen van het water een natuurbestemming gegeven met de functieaanduiding 'water'.

Binnen de natuurgebieden bevinden zich enkele (recreatie)woningen, een kampeerterrein en een terrein voor incidenteel groepskamperen. Er is nadrukkelijk voor gekozen om deze functies op te nemen binnen de bestemming Natuur en niet op te nemen binnen de betreffende bestemmingen. Bij de (recreatie)woningen gaat het om kleine woningen die in geen enkel opzicht mogen worden uitgebreid en die gelegen zijn te midden van rietkragen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat rondom deze woningen een siertuin wordt aangelegd. Door deze (recreatie)woningen binnen de bestemming Natuur onder te brengen, wordt dit voorkomen.

Artikel 18 Sport

Deze bestemming is gegeven aan alle sportvoorzieningen in het plangebied. Deze bestemmingslegging is conform het feitelijk gebruik van de gronden. De functies zijn nader gespecificeerd door middel van functieaanduidingen.

Artikel 19 Tuin

De gronden met de bestemming Tuin dienen onbebouwd te blijven. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan. Dit heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving te waarborgen.

Artikel 20 Verkeer

De openbare wegen zijn voorzien van de bestemming Verkeer. Een parkeerterrein is voorzien van een functieaanduiding.

Artikel 21 Water

Deze bestemming is gegeven aan de grote wateren en aan de hoofdwatergangen, inclusief de daarbij behorende keurstroken. De bestemming is niet opgenomen voor natuurgebied. Op die manier wordt voorkomen dat de keurstroken zonder nadere afweging bebouwd kunnen worden. Andere in het plangebied aanwezige watergangen zijn niet apart bestemd.

Artikel 22 Wonen - 1

De meeste burgerwoningen en bijbehorende bijgebouwen en tuinen zijn als zodanig bestemd. Het maximale oppervlak van de woning is afhankelijk van de grootte van het bouwperceeloppervlak. Zo mag het bebouwd oppervlak inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bouwperceeloppervlak kleiner dan of gelijk aan 1.000 m² maximaal 150 m² bedragen en voor een bouwperceeloppervlak groter dan 1.000 m² maximaal 190 m². In het plangebied bevinden zich enkele woningen die in geen enkel opzicht mogen worden uitgebreid. Deze woningen zijn op de verbeelding aangeduid met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5' .

Voor aaneengebouwde en gestapelde woningen gelden afwijkende oppervlaktematen en goot- en bouwhoogten.

Woningen gelegen op de grens van of binnen de risicocontour van een risicovolle inrichting mogen niet worden uitgebreid of zodanig worden verplaatst, dat de afstand tot de risicovolle inrichting kleiner wordt. Om die reden is op gronden binnen de risicocontour de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' opgenomen, waardoor woningen en aan- en uitbouwen niet op deze gronden mogen worden gebouwd.

Artikel 23 Wonen - 2

De overige burgerwoningen in een bosachtige omgeving zijn bestemd als Wonen - 2. Op deze gronden zijn woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aanhuis-verbonden beroep of bedrijf toegestaan. Het oppervlak van een woning mag maximaal 50 m² bedragen.

Artikel 24t/m 28 Waarde - Archeologie 1 t/m 5

De aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden beschermd via de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1 t/m 5. Op grond van deze dubbelbestemmingen is het voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk eerst een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan te vragen. Indien is aangetoond dat de te verrichten activiteiten de archeologische waarden niet zullen schaden kan worden gebouwd, dan wel kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden worden verleend.

De gemeente Wijdemeren heeft een archeologische waarden/beleidsadvieskaart opgesteld die als uitgangspunt is gebruikt voor de categorisering van de verschillende archeologisch waardevolle gebieden. Gelet op de verschillende verwachtingswaarden in het plangebied, geldt per dubbelbestemming een apart beschermingsregime. Dit varieert van de noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor elke bouwactiviteit tot bouwactiviteiten die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m², tot 2.500 m².

Artikel 29 Waterstaat - Waterkering

Het bebouwen van de gronden met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering ten behoeve van samenvallende bestemmingen is uitsluitend toegestaan als hiervoor afwijking is verleend door het bevoegd gezag. Bevoegd gezag is verplicht advies in te winnen bij de beheerder van de waterkering, voordat ze beslissen over het verzoek om afwijking. Er dient tevens afwijking van de Keur te worden gevraagd.

8.3.4 Algemene regels

Artikel 30 Antidubbeltelregel

Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).

Artikel 31 Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Artikel 32 lid 1 Bestaande maten:

Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

Artikel 32 lid 2 Rooilijn

Met deze regeling is bepaald dat de rooilijn (van gebouwen) niet bebouwd mag worden met gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De regeling bevat ook een lijst van bouwwerken, geen gebouwen zijnde waarvoor de beperking niet geldt.

Artikel 32 lid 3 Ondergronds bouwen:

In dit lid is geregeld onder welke gebouwen ondergrondse ruimten toelaatbaar zijn, wat de maximale inhoudsmaat is en onder welke voorwaarden voorzieningen voor licht- en luchttoetreding en toegangen toelaatbaar zijn.

Artikel 32 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel is de regeling voor de gebiedsaanduidingen 'wetgevingszone - natura 2000' en de gebiedsaanduiding 'overige zone - prostitutiebedrijf niet toegestaan' beschreven.

Artikel 33 Algemene afwijkingsbepaling

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Dit betreft bijvoorbeeld de omgevingsvergunning ten behoeve van afwijking van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijken is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.

Artikel 34 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen en de Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast bevat het artikel ook een regeling voor het verwijderen van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 t/m 5 indien wordt aangetoond dat de dubbelbestemming niet meer noodzakelijk is.

Artikel 35 Overige regels

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.

Verder is in dit artikel een parkeerregeling opgenomen. Bij nieuwe ontwikkeling dient altijd te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid.

8.3.5 Overgangsrecht en slotregels

Tot slot zijn in hoofdstuk 4 de regels ondergebracht met betrekking tot het overgangsrecht (overgangsregels) en de slotregel.

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid

9.1 Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is bijna in zijn geheel consoliderend. Daarom zijn er voor de gemeente geen financiële risico's. Op grond van deze gegevens oordeelt de gemeente dat het plan uitvoerbaar is. De beoogde ontwikkelingen in het plangebied betreffen particuliere initiatieven. De financiële risico's van een beoogde ontwikkeling worden gedragen door de vergunningaanvrager. Planschade komt voor rekening van initiatiefnemers, hiervoor wordt in voorkomende gevallen een planschadeovereenkomst gesloten.

9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012 heeft in het kader van de inspraakprocedure gedurende meer dan 10 weken ter inzage gelegen vanaf 21 juni 2012 tot en met 31 augustus 2012. Deze periode is bewust langer geweest dan de door de inspraakverordening voorgeschreven 6 weken, omdat deze periode in de zomervakantietijd valt. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft 33 inspraakreacties en 3 overlegreacties in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro opgeleverd. Deze inspraak- en overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota Inspraak en Overleg. Deze nota is opgenomen als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan. Aanpassingen als gevolg van de inspraak- en overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Vervolgens wordt het ontwerpplan gedurende zes weken ter inzage gelegd en wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen daaromtrent in te dienen.

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 5 juni 2014 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen tegen het ontwerpplan bij de raad worden ingediend. Deze termijn is wettelijk bepaald en dient strikt te worden toegepast. Gedurende de termijn zijn 40 zienswijzen ingekomen, die alle ontvankelijk zijn. Ver buiten de termijn is nog een zienswijze ingekomen, die derhalve niet ontvankelijk is. De zienswijzen zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota zienswijzen. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 10 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 3.1.1 Bro zijn de overlegpartners over de inhoud van het voorontwerpbestemmingsplan Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012 geïnformeerd en in staat gesteld hun reacties kenbaar te maken. Er zijn overlegreacties binnengekomen van:

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, postbus 9900, 1201 GM Hilversum;
  • 4. Waternet, postbus 94370, 1090 GJ Amsterdam;
  • 5. Brandweer Gooi en Vechtstreek, Kamerlingh Onnesweg 148, 1223 JN Hilversum.

Deze overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota Inspraak en Overleg. Deze nota is opgenomen als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan. Aanpassingen als gevolg van de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.