| Plan: | Wijzigingsplan Buitengebied, De Branden |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1681.00BP0074WP02-VG01 |
In het kader van natuurontwikkeling in het Hunzedal is afgelopen 15 jaar de inrichting van verschillende nieuwe deelgebieden voorbereid. De basis hiervoor ligt in de Hunzevisie van 1995 en het provinciale water-, klimaat- en natuurbeleid (Beheerprogramma 2016-2021, Waterbeheer 21e eeuw, Kaderrichtlijn Water en Natuurnetwerk Nederland) dat mede hierop is gebaseerd. Eén van de gebieden die nog niet is ingericht is het gebied De Branden. De Branden is het gebied waarin de twee bovenlopen van de Hunze, het Achterste Diep en het Voorste Diep samenkomen en verder stromen onder naam Hunze. De Hunze stroomt naar het noorden en mondt via het Zuidlaardermeer uit als Drentse Diep in het Winschoterdiep.
Waterschap Hunze en Aa's is voornemens om in het kader van de water-, klimaat- en natuuropgaven voor het gebied tot een breed gedragen inrichtingsplan voor De Branden te komen in samenwerking met Stichting Het Drentse Landschap, Gemeente Borger Odoorn, Prolander en Provincie Drenthe.
Voor het totale gebied, dat omgezet moet worden naar 'natuur', is een gebiedsaanduiding opgenomen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur'. Deze gebiedsaanduiding biedt de mogelijkheid om het aangeduide gebied te wijzigen naar de bestemming 'Natuur - 2', zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. In dit wijzigingsplan wordt deze bestemming omgezet in de bestemming 'Natuur - 2', zodat het plan uitgevoerd kan worden.
Het projectgebied De Branden heeft een oppervlakte van circa 250 hectare en ligt aan de westzijde tegen het Drouwenerzand aan. De oostzijde van het gebied wordt begrensd door de lintbebouwing van Drouwenerveen. Ten noorden wordt het gebied begrensd door de Hambroeksdijk en ten zuiden grotendeels door de Drouwenerstraat. Daarnaast zijn er nog twee wegen aanwezig in het gebied, namelijk de Brandsdijk ten westen van het Voorste Diep en de weg door de Moekmaatsdijk aan de oostkant van het gebied. Een opvallend landschapselement is een restant van de oude spoordijk Emmen-Veendam, die aan de noordwesthoek het projectgebied als een brede beboste kade doorsnijdt. Onderstaande afbeelding geeft het plangebied weer.
Afbeelding 1.1: Afbakening plangebied (binnen zwarte lijn) (Bron Google Earth)
Ter plaatse van het plangebied geldt bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld 29-11-2018). In het plangebied liggen de volgende bestemmingen en gebiedsaanduidingen:
Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur'. Hiervoor is het volgende in de regels opgenomen:
Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied natuur' de bestemming wijzigen in de bestemming 'Natuur - 2', met dien verstande dat:
Na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van de bestemming Natuur - 2 van overeenkomstige toepassing.
In dit wijzigingsplan worden de gronden voor natuurontwikkeling omgezet naar 'Natuur - 2', zodat het inrichtingsplan van 'Wijzigingsplan Buitengebied, De Branden' uitgevoerd kan worden.
Deze toelichting onderbouwt de wijziging naar natuurbestemming. Hiervoor wordt eerst de huidige situatie van het plangebied beschreven in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt het plan getoetst aan het huidige beleid van rijk, provincie en gemeente in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het voorgenomen plan en hoofdstuk 5 gaat in op de milieuaspecten die hiermee gemoeid zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft hoe de planregels van dit wijzigingsplan opgezet zijn en hoofdstuk 7 gaat in op de haalbaarheid van het wijzigingsplan.
Dit hoofdstuk geeft een korte beschrijving van de historie, ruimtelijke structuur en inrichting van het plangebied. Een uitgebreidere beschrijving van de historische ontwikkeling van het beekdal en een beschrijving van het geologie, hydrologie en watersysteem zijn opgenomen in het Inrichtingsplan. Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 1 van de toelichting van voorliggend wijzigingsplan.
Het plangebied ligt in het Hunzedal. Het oerstroomdal van de Hunze ontstond doordat het smeltwater
van het ijspakket een weg naar zee zocht.
In historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) is zichtbaar dat het grootste gedeelte van het
onderzoeksgebied (vanaf de eerste beschikbare kaarten van deze locatie, circa 1850) altijd als agrarisch
gebied in gebruik is geweest. Waarschijnlijk zijn de gronden in De Branden in een eerder stadium
ontgonnen. Rond 1850 wordt het Hunzedal ter hoogte van het Drouwenerzand vrijwel geheel als grasland
aangegeven en is bewoning in het projectgebied geheel afwezig.
De dichtheid aan sloten is het hoogst nabij de Hondsrug, dit heeft alles te maken met het kwelwater afkomstig van de Hondsrug. Op de kaart van 1850 is te zien dat de beken (Voorste en Achterste Diep) door het gebied heen meanderen. Rond 1910 is het landschapsbeeld vrijwel gelijk met het beeld van 1850. Wel is er een spoorbaan aangelegd (deze is in de jaren tachtig komen te vervallen) en zijn er enkele woningen binnen het plangebied verschenen. Ten oosten van de spoorbaan zijn op de kaart van 1910 veenputten herkenbaar.
Op de kaarten vanaf circa 1950 tot heden is duidelijk zichtbaar dat de loop van het Voorste en het Achterste Diep door de jaren heen is verbreed en rechtgetrokken. Ook is te zien dat de aanwezige houtwallen en veengaten zijn verdwenen. Kavels in het beekdal zijn nu niet alleen meer in gebruik als grasland maar ook als akker. De verkaveling in de jaren zestig is duidelijk zichtbaar; de kavels worden groter en het aantal sloten is afgenomen. Door het gebied heen hebben naast de huidige wegen ook verschillende paden gelopen. Dit is bijvoorbeeld goed te zien in figuur 2.2 waar de situatie van het plangebied omtrent 1910 is weergegeven. Hier zijn enkele paden richting de spoorlijn te zien. Ook staan er op deze kaart verschillende voetbruggen door het gebied.
Op onderstaande historische kaarten (figuur 2.1 t/m figuur 2.4) is het verdwijnen en/of verschijnen van de
spoorlijn, sloten, bebouwing, sloten, veengaten, houtwallen, wegen en paden door de jaren heen goed
zichtbaar.
Figuur 2.1: situatie rond 1850 (bron Topotijdreis)
Figuur 2.2: Situatie rond 1910 (bron Topotijdreis)
Figuur 2.3: Situatie rond 1950 (bron Topotijdreis)
Figuur 2.4: situatie 2018 (bron Topotijdreis)
Het gehele plangebied is aangemerkt als NNN (Natuurnetwerk Nederland), maar nog niet ingericht als natuur. In het plangebied is het land nu nog grotendeels in gebruik als landbouwgrond. Aan de randen in het gebied staan enkele woningen.
Het gebied De Branden kenmerkt zich door het brede, weidse dal van de Hunze. Aan de westkant wordt dit dal begrensd door de Hondsrug en aan de oostkant het randveenontginningslandschap. Deze visuele begrenzingen van het dal benadrukken de openheid en de grote schaal ervan. Door het Hunzedal lopen op een aantal plekken dwarsverbindingen zoals de Drouwenerstraat en de Hambroeksdijk. Kenmerkend voor de omgeving van De Branden is het licht slingerende verloop van het randveenontginningslint. De lintbebouwing varieert sterk in dichtheid, bouwstijl en oriëntatie. Vanuit de linten zijn op vele plekken mooie doorzichten over het Hunzedal aan de ene zijde en de veenkoloniën aan de andere kant.
De Branden is uniek doordat er twee bovenlopen van de Hunze samenkomen en er grofweg 3 landschapstypen van elkaar te onderscheiden zijn, namelijk:
In het inrichtingsplan worden de kenmerken en karakteristieken van deze landschapstypen uitgebreid beschreven. Het Inrichtingsplan is toegevoegd aan bijlage 1 van de toelichting van dit wijzigingsplan.
Figuur 2.5: Landschapstypen
De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (uitgezonderd Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone). De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Omgevingskwaliteit is daarmee het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het rijk.
Nationale belangen
Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. De volgende belangen zijn voor het project van belang:
Nationaal belang 14: Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).
De voor 'Waarde - Beekdal' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van het waterbergend vermogen van het beekdal. Het draagt bij aan dit nationaal belang.
Nationaal belang 20: Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
In het 'Wijzigingsplan Buitengebied, De Branden' worden landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten behouden en versterkt, wat bijdraagt aan dit nationale belang. Bijvoorbeeld door het opnieuw laten meanderen van de waterlopen, komt de oude landschappelijke structuur terug.
Nationaal belang 20: Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
Het plangebied van 'Wijzigingsplan Buitengebeid, De Branden' is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Met dit plan wordt invulling gegeven aan de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Daarmee draagt het plan bij aan het nationale netwerk voor natuur.
Prioriteiten
Tevens geeft de NOVI richting met behulp van vier prioriteiten:
Afwegingsprincipes
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond. Zo wordt 'omgevingsinclusief' beleid gevoerd. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Afweging
In dit plangebied wordt natuurontwikkeling met andere functies gecombineerd, namelijk met recreatie, cultuurhistorie en waterberging. Er is dus sprake van een combinatie van functies (afweging 1). In het inrichtingsplan staat het herstellen van landschappelijke en cultuurhistorisch structuren centraal. Hiermee sluit het plan aan op afweging 2. Het plan zal naar verwachting geen negatieve invloed hebben op de mogelijkheden en behoeften van toekomstige generaties, waarmee het plan ook aansluit op afweging 3.
Voorliggend plan geeft invulling aan het ontwikkelen van natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast draagt de natuurontwikkeling in dit wijzigingsplan bij aan waterberging, recreatie en versterking van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Dit past zowel binnen het SVIR als het nieuwe beleid NOVI.
Het ruimtelijk beleid van de provincie is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe 2018. In de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe zijn de beleidsuitgangspunten vertaald in bindende regels.
De missie voor de Omgevingsvisie Drenthe luidt:
"Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend
bij deze kernkwaliteiten."
In de omgevingsvisie zijn zes verschillende kernkwaliteiten genoemd die voor de Drentse ruimtelijke identiteit centraal staan. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.
Daarnaast zijn er ontwikkelingen die van invloed zijn op de robuuste systemen en die Drenthe blijvend veranderen. Dit zijn:
Deze ontwikkelingen vormen de strategische opgaven in de Omgevingsvisie. Deze opgaven vragen om een integrale en zorgvuldige afweging binnen en tussen de verschillende robuuste systemen. Daarbij zoekt de provincie naar toegevoegde waarde en streeft ze naar het behoud, en zo nodig, de ontwikkeling van de Drentse ruimtelijke identiteit. Kortom, het combineren van functies, kwaliteiten en strategische opgaven en dit wordt het combinatiemodel genoemd.
Ambities en belangen
Natuur
Natuur neemt in de Omgevingsvisie een meervoudige rol in. Natuur betreft zowel een aanwezige kwaliteit – af te meten aan de biodiversiteit – als een te ontwikkelen functie (natuurontwikkeling) als een te waarderen (beleven) gebied. De provincie streeft naar beleefbare natuur én naar natuur met een economische waarde, naar variatie in en tussen levensgemeenschappen en naar de voor Drenthe kenmerkende natuur. Daarvoor is bescherming van natuur essentieel. De samenhang tussen biodiversiteit en natuurwaarden (binnen en buiten het NNN) is groot. In de Natuurvisie 2014-2040 (zie ook paragraaf 3.2.2) is uitgewerkt hoe de samenhang versterkt kan worden.
Biodiversiteit
Biodiversiteit is de veelheid aan planten en dieren in samenhang met elkaar en de omgeving, met variaties in genen, soorten en gemeenschappen. De biodiversiteit van het bodemleven is essentieel voor een goed functionerende en gezonde bodem en daarmee voor een toekomstbestendige landbouw. Schoon water en schone lucht zijn randvoorwaarden voor biodiversiteit. Het behouden en versterken van de biodiversiteit in Drenthe is van provinciaal belang en werkt door in meerdere beleidsvelden.
Kernkwaliteiten
De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners zijn de volgende kernkwaliteiten van Drenthe benoemd:
Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten.
Bovengenoemde punten 1, 2 en 4 zijn met name van belang bij dit plan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het landschap teruggegeven aan de natuur. De oorspronkelijke situatie, het natuurlijke verloop van de waterlopen wordt hersteld. Daarnaast betreft het een kleinschalig project. In de paragrafen 5.2, 5.4 en 5.5 is omschreven hoe rekening is gehouden met de kernkwaliteiten archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie en landschap.
Zonering radioastronomie 2
Op kaart 14 "D8. beschermingszone Radioastronomie" van de provinciale omgevingsverordening Drenthe is zichtbaar dat een deel van het plangebied gelegen is binnen de zonering radioastronomie 2 (blauwe arcering). In artikel 2.25 (Radioastronomie) van de provinciale omgevingsverordening staat dat een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
De gebiedsaanduiding 'overige zone - radiotelescoop 2' is opgenomen in de verbeelding van het wijzigingsplan. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot verstoring van radiotelescopen. Bovendien heeft afstemming plaatsgevonden met ASTRON. Hieruit bleek dat deze organisatie geen invloed verwacht op het station als gevolg van de ontwikkeling.
3-1: zonering radioastronomie 2 (kaart 14: D8. beschermingszone Bastronomie)
Provinciale staten (PS) hebben op 2 juli 2014 de Natuurvisie 2040 Drenthe ‘Gastvrije natuur’ vastgesteld. In de visie streven PS naar natuur die tegen een stootje kan, die beleefbaar is voor mensen en die bijdraagt aan de economische ontwikkeling van Drenthe. Beschermen, beleven en benutten zijn de sporen waar invulling aan wordt gegeven. Natuur, landbouw en bebouwing worden waar het kan verweven met elkaar.
Provincies zijn verantwoordelijk voor instandhouding en ontwikkeling van de biodiversiteit. Drenthe heeft een grote biodiversiteit. Ondanks alle inspanningen van de afgelopen jaren, staat de biodiversiteit in Drenthe nog steeds onder druk. Met de Natuurvisie gaat de provincie door met het beleid om de natuur
in Drenthe robuust en vitaal te maken. Natuur, die tegen een stootje kan en waar soorten zich goed kunnen handhaven, met leefgebieden voor (inter-)nationaal beschermde soorten en ruimte voor karakteristieke Drentse soorten en landschappen.
Drenthe is als provincie vanwege de mooie natuur en het landschap in trek bij de toerist. De beleefbaarheid van de Drentse natuur en het landschap moet behouden en versterkt worden. Dat is tevens belangrijk voor de Drentse economie en werkgelegenheid.
Samengevat zijn de ambities voor de natuur in Drenthe:
• Natuur is robuust en vitaal;
• Natuur is beleefbaar en draagt bij.
Natuurnetwerk Nederland
Ook voor Drenthe zijn de gebieden aangewezen die onderdeel van het NNN zijn. Dit zijn voor het overgrote deel natuurgebieden, maar er liggen ook recreatiegebieden, landbouwgronden en woningen in. Een groot deel van het NNN is inmiddels gerealiseerd, maar het is nog niet helemaal klaar. De provincie gaat door met het ontwikkelen van het NNN en de ecologische verbindingen. Hierbij is het van belang dat ook andere kernkwaliteiten zoals landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden en archeologie behouden blijven en worden versterkt.
In dit plan wordt natuurontwikkeling mogelijk gemaakt, waarbij recreatie, landschap en cultuurhistorie ook zijn meegenomen. Dit past in het beleid van de provincie Drenthe om de natuur in de provincie te versterken en beleefbaar te maken. Het gebied maakt al onderdeel uit van de NNN en door de natuurontwikkeling wordt bijgedragen aan de ambitie om het NNN verder te ontwikkelen.
De Structuurvisie Borger-Odoorn verbeeldt en beschrijft de strategische ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het grondgebied van de gemeente Borger-Odoorn voor de periode tot 2030. De structuurvisie is op 9 december 2010 vastgesteld.
De basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Borger-Odoorn wordt gevormd door de kenmerken van het landschap. Het landschap van de gemeente Borger-Odoorn kent een driedeling op basis van ontstaansgeschiedenis: Zand, Veen en Hunze. De Structuurvisie schept de kaders voor de ontwikkeling van het Zand, het Veen en de Hunze en geeft richting aan nieuwe initiatieven. Daarbij wordt de robuuste laag van Borger-Odoorn behouden of versterkt. Per deelgebied zijn verschillende ambities geformuleerd.
Het plangebied hoort bij het deelgebied Hunzedal.
Landschap Hunzedal
De visie voor het Hunzedal zet in op waterrijke natuurontwikkeling die de oorspronkelijke structuur van het beekdal versterkt. De natuurontwikkeling respecteert het bestaande agrarisch gebruik en is een stimulans voor natuurvriendelijke recreatie.
Natuur
In de gemeentelijke Structuurvisie is opgenomen dat binnen het Hunzedal natuurontwikkeling wordt gekoppeld aan de hermeandering van de Hunze, in het gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Natuur en landbouw dienen naast elkaar te kunnen functioneren. Dit vergt een goede afstemming van de waterhuishouding op de functies natuur en landbouw.
Recreatie en toerisme
Borger-Odoorn heeft de toerist veel te bieden; er zijn tal van attracties, evenementen en verblijfsaccommodaties. Ellertshaar en Hunzedal worden aangewezen als recreatieve ontwikkelingsgebieden. Het Hunzedal is gecombineerd met de natuurontwikkelingsopgave geschikt voor recreatie.
Met dit plan wordt natuurontwikkeling mogelijk gemaakt in het Hunzedal. Het Hunzedal is in de structuurvisie Borger-Odoorn aangewezen voor natuurontwikkeling, het herstellen van meanders en recreatie. Deze onderwerpen zijn onderdeel van dit plan, waarmee dit wijzigingsplan invulling geeft aan de gemeentelijke structuurvisie.
Het plangebied is onderdeel van de natuurontwikkeling van 'Wijzigingsplan Buitengebied, De Branden'. Het inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 1 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Dit hoofdstuk gaat in op de natuurontwikkeling en de daarmee samenhangende maatregelen.
Het plan is om tot een gedragen en definitief inrichtingsplan voor De Branden te komen waarin de water- klimaat- en natuurdoelstellingen zijn verwerkt, zonder dat dit conflicteert met andere functies (zoals wonen en landbouw).
Vismigratieknelpunten moeten opgelost worden en paai- en opgroeigebied moeten worden gerealiseerd. Er worden hiervoor diverse werken uitgevoerd. Ondermeer worden vispassages aangelegd, nieuwe meandering van de Hunze gerealiseerd en slenken en natte zones aangelegd. Hierbij hoort de verbetering van de waterkwaliteit en de vispasseerbaarheid op basis van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook wordt de waterbeheersing van circa 500 ha landbouwgrond minder afhankelijk van het waterstandsverloop in de Hunze door waterbuffering en retentie. Het project valt onder het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). Voorafgaand aan het project zijn door het projectteam, doelen, wensen en randvoorwaarden opgesteld voor de inrichting:
Doelen
Wensen
Randvoorwaarden
In onderstaande afbeelding is het ontwerp zichtbaar voor plangebied De Branden. Voor een grote weergave van het ontwerp wordt verwezen naar bijlage 1.
Afbeelding 4.1: Uitsnede ontwerp
Om dit te bereiken worden de volgende maatregelen genomen:
Wet- en regelgeving
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht moet worden verkregen in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico’s voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een gevoelige bestemming in beginsel worden voorkomen. De bodem kan ook geschikt worden gemaakt voor een gebruiksfunctie door middel van het uitvoeren van een bodemsanering.
Onderzoek
Milieuhygiënisch vooronderzoek
Voor het plangebied is een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd (Royal HaskoningDHV, 16 mei 2019). Het Milieuhygiënisch vooronderzoek is toegevoegd aan bijlage 2 van de toelichting van voorliggend wijzigingsplan.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling kan worden gesteld dat er weinig informatie bekend is over bodembedreigende activiteiten dan wel bodemverontreinigingen in het gebied. Over het algemeen kan dan ook gesteld worden dat de bodemkwaliteit naar verwachting geen risico’s met zich mee brengt voor de uitvoering. Grondverzet kan veelal plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaarten en
bodembeheernota. Wel zijn er in relatie tot de beoogde maatregelen enkele aandachtslocaties/-punten die van invloed zouden kunnen zijn op de milieuhygiënische bodemkwaliteit en waar rekening mee gehouden dient te worden gehouden in dit kader, namelijk:
In het rapport wordt geadviseerd dat wanneer er op bovengenoemde aandachtslocaties (graaf)werkzaamheden in het kader van de ontwikkeling van het plangebied plaatsvinden, het noodzakelijk is om hiervan inzicht in de kwaliteit te krijgen middels aanvullend onderzoek.
In onderstaande figuur zijn de locaties van de voormalige sloten, verveningsgaten, dammen en voormalige paden opgenomen zichtbaar. Een grote weergave is bijgevoegd in bijlage 1 van het milieuhygiënisch vooronderzoek.
Figuur 5-1: Kaart aandachtslocaties milieuhygiënisch vooronderzoek
Verkennend bodemonderzoek
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek is een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Royal HaskoningDHV, 19 november 2020). Dit onderzoek is toegevoegd aan bijlage 3 van de toelichting van dit wijzigingsplan. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de milieukundige kwaliteit van de grond ter plaatse van de verdachte locaties. Hierbij zijn alleen de verdachte locaties onderzocht waar grondverzet gaat plaatsvinden. Het onderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd:
Te ontgraven dammen
Vooralsnog niet te ontgraven dammen
Puinhoudende oever
Voormalige paden / wegen
Voormalige watergangen
Aanbevelingen
Bij de te ontgraven dammen is ter plaatse van 1 dam (DD07) sprake van een index > 0,5 (zink: index 0,96). Aangezien mogelijk sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging wordt aanbevolen aanvullend onderzoek uit te voeren om de verontreiniging nader in beeld te brengen.
Daarnaast is bij de vooralsnog niet te ontgraven dammen indicatief onderzoek uitgevoerd. Indien ter plaatse graafwerkzaamheden zijn voorzien wordt aanbevolen deze op basis van de onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek uit te voeren (nu indicatief).
Conclusie:
In het ontwerp ligt de dam (DD07) aan de rand van het gebied dat ontgraven wordt. Het gaat hier om zogenaamde immobiele stoffen. Als de dam met rust gelaten wordt (ook al gaan de grondwaterstanden omhoog), dan zal het geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het wijzigingsplan.
Wet- en regelgeving/beleidskader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de digitale watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze worden afgewogen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.
Provinciaal en regionaal waterbeleid
Het waterbeleid van de provincie Drenthe is vastgelegd in het regionaal waterplan, dat deel uitmaakt van de Omgevingsvisie. Het regionaal waterplan bevat de hoofdlijnen van het Drentse waterbeleid en de ruimtelijke vertaling daarvan.
Van provinciaal belang zijn:
Het plangebied valt onder het beheer van het Waterschap Hunze en Aa's. Binnen het beheergebied van Waterschap Hunze en Aa's is sprake van zes watersystemen. Voor het plangebied is het watersysteem Hunze van toepassing. In het beheerplan voor de periode 2016-2021 is door het waterschap op hoofdlijnen vastgelegd met welke ambities de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende water en schoon en ecologisch gezond water worden opgepakt.
Effecten
Voor het plangebied is een hydrologische toetsing uitwerkt (Royal HaskoningDHV, 16 september 2019). Als onderdeel van de herinrichting van de Branden zijn er verschillende hydrologische berekeningen uitgevoerd om het inrichtingsplan te toetsen op doelen, zoals stroomsnelheid en effecten bovenstrooms van het plangebied. Het eerste schetsontwerp is getoetst met het SOBEK model. SOBEK is onderdeel van het Nationaal Water Model.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' kan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied natuur' de bestemming gewijzigd worden in de bestemming 'Natuur - 2', met dien verstande dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Om dit te toetsen heeft Royal HaskoningDHV een Advies benodigde aanpassingen aan ontwerp opgesteld. Dit document is toegevoegd aan bijlage 4 van het wijzigingsplan.
Niet alle gronden in het plangebied zijn verkregen voor herinrichting naar natuur. In onderstaande figuur is een overzicht gegeven, met in rood het plangebied van de Branden en groen omlijnd de percelen waarop agrarisch gebruik nog mogelijk moet blijven.
Figuur 5-7: Overzicht plangebied de Branden (in rood), met in groen de agrarische percelen waar landbouw mogelijk moet blijven.
Er zijn zowel oppervlakte- als grondwaterberekeningen gemaakt voor de situatie waarin agrarisch gebruik van twee percelen mogelijk moet blijven als voor de situatie waarin dit niet het geval is. Voor beide situaties zijn 2 varianten vastgesteld.
Op basis van de oppervlaktewaterberekeningen wordt de volgende conclusies getrokken:
Op basis van de grondwaterberekening van de inrichting van de Branden, waarbij de percelen in agrarisch gebruik blijven, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Daarnaast vormen twee percelen geen onderdeel van dit wijzigingsplan. Dit betreft een perceel in het oosten en een perceel in het westen van het plangebied. Ook voor deze percelen moet bekeken worden in hoeverre het gebruik wordt geschaad door de omzetting van de aangrenzende percelen naar natuur. Uit bovenstaande blijkt dat binnen het gebied een zekere mate van vernatting zal plaatsvinden. Deze vernatting doet zich met name voor in het middendeel van het wijzigingsgebied, omdat dit deel beduidend lager gelegen is. De eventuele vernatting binnen de twee percelen zal minimaal zijn doordat deze gronden ten opzichte van het middendeel veel hoger zijn gelegen. Vastgesteld kan worden dat hier geen sprake is van beperking of aantasting van deze twee percelen voor het agrarisch gebruik.
Conclusie
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Agrarische gebruik blijft mogelijk voor de twee agrarische percelen.
Betrokkenheid Waterschap Hunze en Aa en conclusie
Bij de ontwikkeling van het project is het Waterschap Hunze en Aa's steeds partij geweest. Het project is in nauw overleg met het Waterschap ontstaan. Het waterschap is akkoord met het gekozen ontwerp. Met dit wijzigingsplan wordt de watertoets doorlopen. Het wijzigingsplan kan met het oog op het aspect water uitvoerbaar worden geacht.
Wet- en regelgeving
In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving. Juridisch en beleidsmatig strekken de planologisch relevante natuur- en landschapsaspecten zich uit over soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is het toetsingskader voor de soorten- en gebiedsbescherming.
Voor de wettelijk beschermde plant- en diersoorten geldt het zogenoemde ‘nee, tenzij’-principe als uitgangspunt. Dit betekent dat werkzaamheden en dergelijke in beginsel niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hier op grond van een vrijstelling of ontheffing worden afgeweken.
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk.
Onderzoek
Het uitvoeren van de natuurontwikkeling wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Voor de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen is het verplicht om de ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor de ontwikkeling is daarom een natuurtoets opgesteld (Royal HaskoningDHV, kenmerk BG3947WATRP1905031411, datum 21 juli 2021). De Natuurtoets is toegevoegd aan bijlage 5 van de toelichting van dit wijzigingsplan. Hierin is het volgende geconcludeerd:
Soortenbescherming
In het plangebied komen (mogelijk) verschillende beschermde zoogdieren voor, waaronder: das, otter, bever, grote bosmuis, boommarter, steenmarter en eekhoorn. Ook komen in het plangebied diverse vleermuissoorten en broedvogels voor.
De das, eekhoorn, steenmarter, boommarter en grote bosmuis hebben mogelijk leefgebied in de
bosstrook in/langs het Drouwenerzand en in de oude spoordijk. Ook kan de steenmarter foeragerend
voorkomen in de weilanden/akkers. Het gebied wordt gebruikt als foerageergebied door de das, gezien de verschillende waargenomen wissels. Er bevinden zich geen burchten in het plangebied. Ook de otter kan foeragerend voorkomen in het Achterste Diep, Voorste Diep en de Hunze. De bever kan (tijdelijk)
migrerend voorkomen.
In het plangebied zijn (mogelijk) vliegroutes, (mogelijke) verblijfplaatsen en foerageergebied aanwezig van vleermuizen. Ook is het gebied geschikt als broedterritorium en leefgebied voor broedvogels. Door het nemen van mitigerende maatregelen kan een overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb voor al deze beschermde soorten worden voorkomen. Deze mitigerende maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol worden vastgelegd. In hoofdstuk 7.3 van de rapportage, bijlage 5 zijn de mitigerende maatregelen weergegeven. Het ecologisch werkprotocol dient nageleefd te worden bij uitvoering. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wnb is dan niet noodzakelijk.
Gebiedsbescherming
Er is geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en het NNN. Er hoeft geen vergunning in het kader van de Wnb te worden aangevraagd. De beoogde maatregelen hebben juist tot doel om invulling te geven aan het NNN. Er hoeven geen vervolgstappen genomen te worden.
Effectbeoordeling stikstof
Het Drouwenerzand is aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen. Op circa 6,5 km afstand ligt het Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied’ welke ook is aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen. Er zal sprake zijn van inzet van groot materieel waardoor zeer waarschijnlijk ook sprake is van extra stikstofdepositie in het Drouwenerzand. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering inwerking getreden. In deze wetgeving is geregeld dat er een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Deze vrijstelling geldt daardoor ook voor de aanlegfase van het natuurontwikkelingsproject de Branden. Er hoeft daarom geen AERIUS-berekening te worden gedaan (voor de aanlegfase).
De gebruiksfase kan, nu het hierbij gaat om een natuurontwikkelingsproject, verder buiten beschouwing worden gelaten.
Natuurnetwerk Nederland
De beoogde maatregelen hebben geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken van het NNN.
Conclusie:
Er dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarbij rekening is gehouden met de benoemde mitigerende maatregelen. Het ecologisch werkprotocol moet bij uitvoering worden nageleefd. Het aspect natuur/ecologie vormt geen belemmering voor het wijzigingsplan.
Wet- en regelgeving
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn de artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
In de wet is geregeld dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de archeologische monumentenzorg. De gemeente moet bij (op)nieuw vast te stellen ruimtelijke plannen rekening houden met in de bodem aanwezige en te verwachten archeologische waarden en dat archeologische resten bij bodemverstoring intact blijven. Deze verplichting volgt ook uit de Wro/Bro, die voorschrijft dat archeologie en cultuurhistorie uitdrukkelijk moeten worden meegewogen bij ruimtelijke plannen. Volgens het provinciaal beleid en het rijksbeleid is integratie van de (archeologische) monumentenzorg in het gemeentelijke ruimtelijk beleid een fundamenteel uitgangspunt. Borging van archeologische waarden wordt gerealiseerd door integratie van archeologie in het proces van de ruimtelijke ordening. Een ruimtelijk plan moet hierdoor naast de inventarisatie van mogelijke archeologische waarden ook, indien nodig (en mogelijk), bescherming bieden voor waardevolle gebieden.
Onderzoek
Archeologisch vooronderzoek: bureauonderzoek
Een Archeologisch vooronderzoek: bureauonderzoek is uitgevoerd voor het plangebied (RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 18 april 2019). Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 6 van de toelichting van de voorliggend wijzigingsplan. Hierin wordt het volgende geconcludeerd.
Binnen het plangebied komen aardkundige waarden voor waar rekening mee dient te worden gehouden
bij inrichting en beheer. In het westen betreft het de flank van de Hondsrug; centraal in het gebied een
daluitspoelingswaaier en het Hunzedal.
In zowel het beekdal als op de flanken ervan komen dekzandkopjes voor. Uit het grote aantal archeologische vondsten blijkt dat het beekdal in de gehele periode van Steentijd t/m Ijzertijd een aantrekkelijk locatie is geweest voor (tijdelijke) vestiging. Naast de landschappelijke eenheden die in het verleden voor jacht, visserij en bewoning geschikt waren en daarmee van archeologisch belang, is er een bijzondere categorie archeologische vindplaatsen/vondsten. Dit zijn de offergaven, visvangstinstallaties, kano’s en prehistorische, doorwaadbare oversteekplaatsen (voordes).
Door het extensieve grondgebruik (grasland) in het merendeel van het plangebied én door de relatief
dikke afdekkende veenlaag zijn archeologische resten waarschijnlijk goed geconserveerd. Op enkele
percelen binnen het plangebied hebben diepere bodemverstoringen plaatsgevonden.
Advies RAAP
Op de gespecificeerde archeologische verwachtingskaarten voor Steentijd-Bronstijd en Ijzertijd-
Nieuwe Tijd (respectievelijk kaartbijlage 2 en 3 in het archeologisch vooronderzoek en afbeeldingen hieronder) zijn archeologische verwachtingszones aangegeven. Per verwachtingszone is een advies gegeven.
Figuur 5-2: Archeologische verwachting steentijd-bronstijd (bron RAAP, 2019)
Figuur 5-3: Archeologische verwachting ijzertijd - nieuwe tijd (bron RAAP, 2019)
Gehele plangebied
Ruim driekwart van de oppervlakte van het plangebied ligt binnen een zone van provinciaal belang. Het
betreft hier het beekdal, zoals weergegeven op de gemeentelijk beleidskaart. Bij ingrepen binnen dit
gebied moet vooraf contact te worden opgenomen met de provinciaal archeoloog.
Hoge en middelhoge verwachtingszones
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de hoge en middelhoge verwachtingszones
van het plangebied archeologische resten bedreigd kunnen worden, afhankelijk van de voorgenomen
bodemingrepen. Er wordt daarom geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dit kan door bodemingrepen alleen binnen lage verwachtingszones uit te voeren.
Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming
de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt, afhankelijk van de voorgenomen
ingrepen, een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. Een
dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of
bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit
bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete
gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten.
Beekdalfenomenen en voordelocaties
In het beekdal worden vindplaatsen/vondsten verwacht die niet zijn op te sporen met het gebruikelijk
archeologisch vooronderzoek, dat in feite is afgestemd op nederzettingsterreinen. Het gaat hier o.a. om
visvangstinstallaties, kano’s en voordelocaties. Geadviseerd wordt om de plannen zodanig aan te
passen dat verstoring hier wordt voorkomen. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen
het advies voor de hoge en middelhoge verwachtingszones te volgen én bij ingrepen archeologisch
onderzoek uit te voeren, doorgaans vindt dit plaats in de vorm van een archeologische begeleiding.
Lage verwachtingszones
In het overige deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen
archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden
onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet
aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q.
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
Aardkundige waarden
Voor de daluitspoelingswaaier in het zuiden van het plangebied wordt geadviseerd de inrichting en het
beheer zo aan te passen dat deze bijdragen aan het herstel van de hydrologie.
Om de samenhang en daarmee beleving tussen de verschillende aardkundige waarden te versterken
wordt geadviseerd de landschappelijke contrasten te behouden en versterken:
Archeologisch vooronderzoek: inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Een Archeologische vooronderzoek: inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) is uitgevoerd voor het plangebied De Branden (RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 26 november 2020). Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 7 van de toelichting van voorliggend wijzigingsplan. Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid, de mate van bodemverstoring en de diepteligging van het verwachte archeologische niveau in het plangebied.
Op basis van de tijdens het veldonderzoek in De Branden vastgestelde bodemprofielen kunnen (nog)
archeologische resten verwacht worden op dekzandkoppen in de Hunzevlakte en in het beekdal en op
de daluitspoelingswaaier in het zuiden van het plangebied. Hier zijn (op enkele plaatsen) restanten van
een podzol aangetoond. Er is daar een kans op de aanwezigheid van resten van (afgetopte)
vuursteenconcentraties uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Hier kunnen tevens grondsporen in
de vorm van haardkuilen, maar eventueel ook kuilen, paalsporen en graven kunnen voorkomen. Op
dekzandkoppen met AC-profielen wordt de kans op de aanwezigheid van gave vuursteenconcentraties
gering geacht. Wel is er een gerede kans op de aanwezigheid van grondsporen.
In de vullingen van voormalige meanders in het beekdal is er een kans op de aanwezigheid van losse
vondsten en/of deposities uit alle perioden.
Elders (in de onderzochte gebieden) wordt de kans op de aanwezigheid en/of de verstoring van gave
archeologische resten klein geacht.
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de onderzochte delen van het plangebied
(mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen.
Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming
de volgende vervolgstappen uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen:
Voor een archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld
waarin de inhoudelijke en operationele eisen en voorwaarden van bevoegd gezag worden vastgelegd.
Het PvE dient door de gemeente Borger-Odoorn (bevoegd gezag) en door de provincie Drenthe
(vanwege provinciaal belang) te worden goedgekeurd.
In het overige deel van de tijdens het hier beschreven onderzoek onderzochte gebiedsdelen wordt in
het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Figuur 5-4: Zones geselecteerd voor vervolgonderzoek (RAAP, 2020)
Conclusie
Bij de inrichting wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de archeologische waarden. Er zijn een aantal zones aangegeven waarbij archeologische begeleiding tijdens de uitvoering noodzakelijk is. Dit wordt contractueel vastgelegd, daardoor wordt voldaan aan de wettelijke eisen. Voor de overige onderzochte gebiedsdelen is geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Wet- en regelgeving
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van artikel 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover sprake is van cultuurhistorie dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota "Cultuurhistorisch Kompas Drenthe". Twee doelstellingen staan hierin centraal.
Daarnaast is ruimtelijk beleid van de provincie opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe 2018. De kaarten behorende bij aardkundige en cultuurhistorische waarden worden hieronder nader toegelicht.
Cultuurhistorie Omgevingsvisie Drenthe 2018
Aardkundige waarden
Het plangebied ligt in het UNESCO geopark De Hondsrug. De provincie Drenthe heeft de ambitie om de
aanwezige kernkwaliteiten (archeologie, landschap en cultuurhistorie) in het geopark in te zetten voor een duurzame economische ontwikkeling van het gebied. Hierbij draagt Hondsrug UNESCO Global Geopark bij aan bewustwording, kennisverbreding en een inspirerend kader van kernkwaliteiten voor nieuwe initiatieven.
In de omgevingsvisie 2018 van de provincie Drenthe is een kaart bijgevoegd met de verschillende beschermingsniveaus aangaande aardkundige waarden. Het onderzoeksgebied heeft grotendeels een "generiek beschermingsniveau aardkundige waarden". In deze gebieden wil de provincie de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren, waarbij verwacht wordt dat gemeenten nagaan welke kenmerkende aardkundige waarden aanwezig zijn en dat zij hieraan bescherming geven via het gemeentelijk bestemmingsplan.
Het zuidelijk deel van het plangebied, in de zone van de uitspoelwaaier, heeft een middelhoog beschermingsniveau. Hier vormen de aardkundige waarden een randvoorwaarde voor ontwikkelingen. Aardkundige waarden geven de richting aan, door het behoud van karakteristieken na te streven, zodat de kenmerken van het aardkundig hoofdlandschap worden behouden. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om vroegtijdig in het planproces inzichtelijk te maken hoe zij de aardkundige kwaliteiten als (ruimtelijke) onderlegger voor nieuwe plannen benutten. Voor een zeer klein gebied in het zuidwesten van het plangebied geld een hoog beschermingsniveau. Hier is het doel om de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid te behouden of te herstellen. In deze gebieden worden enkel ontwikkelingen toegestaan als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden.
De hoogte van de uitspoelwaaier in het zuidelijke deel van het plangebied blijft behouden. Door de hogere ligging zal er ook andere vegetatie (meer schrale en op den duur heideachtige vegetatie) ontwikkelen dan op de lagere delen (moerasachtig en natte graslanden) in het beekdal. Het beekdal heeft een generiek beschermingsniveau. In het beekdal wordt de oude landschappelijke structuur juist hersteld door het opnieuw laten meanderen van de waterlopen en het herstellen van dekzandkopjes.
De dekzandrug aan de noordzijde van het plangebied heeft ook een generiek beschermingsniveau. Deze dekzandrug wordt opgehoogd met zand. Uit de archeologische analyses in de rapporten van RAAP (zie hiervoor ook paragraaf 5.4 en de bijbehorende onderzoeken) blijkt dat de dekzandruggen en -koppen een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben.
Daarnaast worden zichtlijnen vanaf uitzichtpunten op de Hondsrug (aardkundig waardevol Drouwenerzand) versterkt, mede door de aanplant van houtsingels.
Figuur 5-5: Uitsnede kaart 7 'Kernkwaliteit aardkundige waarde' uit Omgevingsvisie Drenthe 2018
Cultuurhistische waarden
In de Omgevingsvisie 2018 van de provincie Drenthe is ook een kaart bijgevoegd met sturingsniveaus voor cultuurhistorische waarden. Deze sturingsniveaus zijn ook zichtbaar op de kaart in het Cultuurhistorische Kompas. Op basis van deze kaart kan worden geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is gelegen, maar binnen de sturingszone 'Respecteren' (groen). Hierbij geldt dat bij ontwikkelingen de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst ligt. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen.
In het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling worden de sloten gedempt en verondiept. De ervaring leert dat in natuurontwikkelingsprojecten die oude slotenpatronen zichtbaar blijven, omdat de bodemstructuur en opbouw in de gedempte sloten anders is en blijft, waardoor er toch eerder water blijft staan en de bodemopbouw verstoord is, waardoor er een andere vegetatie op groeit, met meer pitrus en ruigte, hierdoor blijven de lijnen (deels) zichtbaar. Het dempen van de sloten is noodzakelijk voor de gewenste natuurontwikkeling, om meer kwelwater in het maaiveld te krijgen, zodat er natte graslanden tot ontwikkeling komen. Voor een deel blijven de ontginningsstructuren zichtbaar en voor een deel zal er een moerasachtig landschap ontstaan die voor de ontginning aanwezig was.
Er wordt ingezet op herstel van het natuurlijk landschap, zijnde het beekdal, de dekzandkoppen- en ruggen en de daluitspoelingswaaier. De Moekmansdijk is maar voor een deel een cultuurhistorische ontginningsstructuur. Het noord-zuid gelegen deel van de Moekmansdijk vanaf de Drouwenerstraat is een oude lijn, een ontginningsstructuur centraal over de daluitspoelingswaaier vanaf waar de aangrenzende percelen ontsloten werden. Het oostwestgelegen deel van de Moekmansdijk vanaf de Noorderstraat is geen cultuurhistorische structuur. Het noord-zuid gelegen deel wordt tot achter de woning behouden (het deel wat nog hoog ligt op de dekzandkop). Na de inrichting heeft het terrein geen landbouwkundige functie meer. Een weg ter ontsluiting van de percelen is dan ook niet meer nodig. Het deel tussen de twee beektakken zal ook fors natter worden, hier zal een moerasachtige laagte ontstaan. Er is dus ook geen aanleiding om de volledige Moekmansdijk te handhaven.
Figuur 5-6: Uitsnede kaart 5 'Kernkwaliteit cultuurhistorie' uit Omgevingsvisie Drenthe 2018
Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Borger-Odoorn (2014)
In de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Borger-Odoorn (2014) is de spoorlijn van de NOLS (Noordoosterlocaalspoorweg Maatschappij) als een waardevol cultuurhistorisch landschapselement aangeduid. In het inrichtingsplan staat aangegeven dat over het oude spoorlijn een wandelroute wordt gerealiseerd. Voor behoud vanuit cultuurhistorisch oogpunt van het tracé van de voormalige spoorbaan is een aanduiding op genomen in de verbeelding van dit wijzigingsplan, namelijk "specifieke vorm van recreatie - voormalige spoorweg". Daarnaast is op de Cultuurhistorische Waardenkaart het historisch verloop van de waterlopen Voorste Diep en Groote Diep zichtbaar (blauwe stippellijn).
Figuur 5-7: ligging voormalig spoorweg (rood omcirkeld)
Figuur 5-8: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van gemeente Borger-Odoorn
Conclusie
In het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn de cultuurhistorische waarden uitgebreid beschreven en middels dubbelbestemmingen beschermd. Deze dubbelbestemmingen blijven met dit wijzigingsplan van kracht. De voorgenomen inrichting draagt enerzijds bij aan de landschappelijke structuren en anderzijds aan het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden. Door het opnieuw laten meanderen van de beide waterlopen, komt de oude landschappelijke structuur terug.
Voor een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat burgers beschermd worden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of gevaarlijke omstandigheden. Externe veiligheid gaat daarom om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door:
Met de natuurontwikkeling wordt geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object gerealiseerd in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Door het plan wijzigt de personendichtheid niet. In het plangebied zijn wel buisleidingen aanwezig voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het betreffen vier ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen van de Gasunie. Het tracé is opgenomen als zoektracé/voorkeurstracé in de landelijke structuurvisie buisleidingen 2012-2035. Deze leidingen hebben een beschermingszone. Daarom is op basis van de voorwaarden uit het bestemming Buitengebied overleg gevoerd met de Gasunie om de belangen van de leidingen niet te schaden. De begrenzing van de dubbelbestemming Leiding - Gas is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied.
Royal HaskoningDHV heeft een advies geschreven ten aanzien van de ontgraving op en nabij de gasleidingen ten behoeve van de verbinding tussen de twee te realiseren kwelzone's aan weerszijden van de gasleidingen. Uit de inventarisatie en analyse blijkt dat het mogelijk is om met de gehanteerde uitgangspunten om boven en nabij de gasleidingen de welzone te ontgraven. Het uitvoeren van een veldonderzoek om de dwarsprofielen van N.V. Nederlandse Gasunie Oost te verifiëren wordt wel noodzakelijk geacht.
Conclusie
De werkzaamheden om de dwarsprofielen te verifiëren worden uitgevoerd voorafgaand aan de uitvoering.
Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Onderzoek
Er is een vooronderzoek uitgevoerd om het risico op het aantreffen van conventionele explosieven in te kunnen schatten (Explosive Clearance Group BV (ECG), 25 april 2019). Het Vooronderzoek conventionele explosieven is toegevoegd aan bijlage 8 van de toelichting van voorliggend wijzigingsplan.
Op basis van literatuur- en archiefonderzoek en luchtfoto-interpretatie zijn er binnen het onderzoeksgebied geen indicaties voor de aanwezigheid van conventionele explosieven. Het onderzoeksgebied is daarmee onverdacht op het aantreffen van conventionele explosieven.
Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden:
Er is echter geen sprake van een verdacht gebied dat middels deze bevindingen als onverdacht kan worden aangemerkt.
ECG heeft geadviseerd om de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren en het opsporingsproces niet verder voort te zetten.
Conclusie
Op basis van het onderzoek kan worden vastgesteld dat het onderdeel niet-gesprongen explosieven geen belemmering voor het uitvoeren van dit wijzigingsplan.
In het kader van ruimtelijke plannen dient verschillende omgevingsaspecten meegewogen worden om te zorgen voor een goede woon- en leefomgeving. Vastgesteld kan worden dat In dit wijzigingsplan geen woningen, bedrijven of wegen verwijderd of mogelijk worden gemaakt. Vastgesteld kan worden dat voor wat betreft de volgende omgevingsaspecten er geen consequenties en/of gevolgen heeft, dan wel niet relevant is. De aspecten worden voorzien van een korte toelichting:
De Provincie Drenthe heeft aangegeven dat geen m.e.r.-beoordeling nodig is. Daarvoor zijn twee redenen:
Dit aspect gaat over de afstand tussen woningen en bedrijven. Beide worden niet gerealiseerd met voorgenomen plan.
Er worden geen gevoelige bestemmingen verwijderd of gerealiseerd. De Nederlandse luchtkwaliteitsnormen gelden niet voor natuurfuncties.
Er worden geen grote verkeersaders verwijderd of gerealiseerd.
Er worden geen gevoelige bestemmingen verwijderd of gerealiseerd. De Nederlandse geluidsnormen gelden niet voor natuurfuncties.
Er worden geen gevoelige bestemmingen verwijderd of gerealiseerd. De Nederlandse geurnormen gelden niet voor natuurfuncties.
Dit wijzigingsplan is een wijziging in bestemmingsplan 'Buitengebied' en houdt dezelfde standaard en plansystematiek aan.
Bij het opstellen van bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast.
Het wijzigingsplan kent eenzelfde opzet en indeling als het bestemmingsplan Buitengebied. Artikel 1 kent een opsomming van alle relevante begrippen. Het betreft een afgeslankte versie van de begrippen uit het plan Buitengebied. De wijze van meten in artikel 2 is integraal overgenomen.
De bestemming 'Natuur - 2' (artikel 3), 'Leiding - Gas' (artikel 4), 'Waarde- Archeologie 1' (artikel 5), 'Waarde- Archeologie 2' (artikel 6), 'Waarde- Archeologie 4' (artikel 7), 'Waarde - Beekdal', (artikel 8), 'Waarde - Landschap en cultuurhistorie 1' (artikel 9), 'Waarde - Landschap en cultuurhistorie 2' (artikel 10) en 'Waarde - Nationaal landschap' (artikel 11) zijn eveneens integraal overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied.
De artikelen in hoofdstuk 3, Algemene regels, is beperkt tot die artikelen die van toepassing zijn op dit wijzigingsplan. Binnen artikel 15 zijn de aanduidingen 'milieuzone - hydrologie' en 'overige zone - radiotelescoop 2' opgenomen. Deze aanduidingen blijven gelden voor het plangebied.
De overgangs- en slotregels in hoofdstuk 4 zijn ook 1 op 1 overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied.
Voor een nadere toelichting of achtergrondinformatie wordt verwezen naar de toelichting bij het plan Buitengebied.
Het wijzigingsplan wordt gerealiseerd door het Drents Landschap. De uitvoeringskosten zijn voor rekening van deze organisatie. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsplan en de bijbehorende juridische procedure worden door middel van leges verrekend.
De initiatiefnemer en de gemeente zijn een anterieure overeenkomst aangegaan, waarin de economische uitvoerbaarheid is vastgelegd. De gemeenteraad zal bij vaststelling van het wijzigingsplan ook moeten besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Hiermee wordt het plan uitvoerbaar geacht.
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met instanties, zoals omliggende gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In dit kader zijn 5 reacties ontvangen:
De opmerkingen van de VRD hebben geen invloed op de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. Er wordt rekening gehouden met de opmerkingen bij de verdere uitwerking van het plan.
Zienswijzen
PM - Verwerken zienswijzenprocedure.