direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijziging Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPBUI1512-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens bestemmingsplan

Wijzigingsplan Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent  
Vastgesteld  
 
Inlichtingen: Nardo Rondeel  
Afdeling Omgeving  
Telefoonnummer: 0544 - 393 482  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Er is een verzoek ingediend tot woningsplitsing van de woningen aan de Ruurloseweg 30 en 30a te Zieuwent. De aanwezige aaneengebouwde woningen zijn al formeel gescheiden woningen, maar planologisch nog niet als zodanig aangemerkt. Door middel van dit wijzigingsplan wordt de woningsplitsing formeel planologisch geregeld.

Om te bezien of de gewenste woningsplitsing mogelijk is zal het verzoek getoetst moeten worden aan het (inter-)nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. In deze toelichting wordt hier verder op ingegaan.

2.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent. Het perceel ligt ten noorden van de bebouwde kom van Zieuwent en staat kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie K, nummers 707, 970 en 971. In de directe nabijheid van het perceel zijn hoofdzakelijk burgerwoningen in het buitengebied gelegen met een enkel agrarisch bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1512-VG01_0001.png"

Omgeving Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1512-VG01_0002.png"

Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en het ontwerp-bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' zijn de gronden bestemd voor 'Wonen' met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'. Daarnaast geldt er de gebiedsaanduiding 'Other: natte natuur'.

De bestaande woning op het perceel is gesplitst in twee wooneenheden. Beide woningen hebben hun eigen bijbehorende bouwwerken. Volgens het geldende bestemmingsplan is er sprake van 1 woning op het perceel. In het bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om een woning te kunnen splitsen. Dit kan door middel van een opgenomen wijzigingsbevoegdheid waarvan hier gebruik wordt gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1512-VG01_0003.png"

Bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1512-VG01_0004.png"

Bestemming Wonen uit bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Algemeen

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.

4.2 Internationaal niveau

Er is getoetst aan het relevant Internationaal beleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Internationaal beleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:

  • Vogelrichtlijn;
  • Habitatrichtlijn;
  • Het Verdrag van Valetta (Malta);
  • Kaderrichtlijn water.

4.3 Rijksbeleid

Er is getoetst aan het relevante Rijksbeleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Rijksbeleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte;
  • Besluit ruimtelijke ordening voor met name de 'ladder voor duurzame verstedelijking';
  • Natuurbeleid;
  • Vierde Nota Waterhuishouding;
  • Flora en fauna
  • Nota Belvedere.

4.4 Provinciaal beleid

4.4.1 Omgevingsvisie en -verordening Gelderland

Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 22 december 2015 de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekkening hebben op de fysieke leefomgeving.

In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.

Het plangebied is niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.

4.5 Gemeentelijk beleid

4.5.1 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011'. Dit plan is voor een deel herzien in het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en in het 'ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen'. Op het perceel ligt ook nog de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 1'. Dit geeft aan dat bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2 het verplicht is een archeologisch onderzoek uit te voeren. Tevens geldt nog de gebiedsaanduiding 'Other: natte natuur'. Deze aanduiding geeft aan dat de gronden zijn bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van waterafhankelijke natuurgebieden. Voor activiteiten in of de bodem in dit specifieke gebied is een omgevingsvergunning Wabo (aanlegactiviteit) noodzakelijk.

Wijzigingsbevoegdheid voor woningsplitsing

In artikel 19.6.2 van de bij het bestemmingsplan Buitengebied behorende Reparatieplan en in het ontwerp-bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om een woning te splitsen. Hiervoor gelden in dit geval de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van het te splitsen gebouw (dus zonder vrijstaande stallen, schuren en loodsen e.d.) niet minder bedraagt dan 900 m3;
  • b. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. er sprake is van een landschappelijke inpassing door middel van erfinrichtingsplan; uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
  • d. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond;
  • e. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:
  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. de sociale veiligheid.
  • f. het toevoegen van woningen past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;
  • g. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.

In hoofdstuk 7 'Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid' is de wijzigingsbevoegdheid voor de woningsplitsing getoetst.

4.5.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.

Het plangebied ligt in het landschapsensemble van het kampenlandschap van Zieuwent en Marienvelde. De historische karakteristiek bestaat hier vooral uit het kleinschalige cultuurlandschap dat hier ooit was en uit het watersysteem, dat gekenmerkt werd door periodiek stagnerend water in de lagere delen van het landschap, eveneens kleinschalig tussen de zandruggen in. Dit gebied is bij de ruilverkaveling Zieuwent-Harreveld vrij fors op de schop gegaan ten behoeve van de landbouw, waardoor de kleinschaligheid is verdwenen en het onderscheid met de ontginningslandschappen nauwelijks meer zichtbaar is. Niettemin zijn er toch op veel plaatsen gronden die maar nauwelijks rendabel gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld omdat ze te nat zijn. Zeker als hier een nieuwe wateropgave en een opgave voor de ontwikkeling van natuur bij komt, kan op veel plaatsen een omslagpunt bereikt worden om juist deze moeilijkere gronden af te stoten en de wat hogere, goed ontwaterde gronden te blijven benutten.

Hoofdstuk 5 Onderzoeksresultaten

5.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

Nee
Nee  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Nee
 
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Vanuit het plangebied wordt hemelwater indirect geloosd op het oppervlaktewater. Via de om de woning liggende gronden vloeit het hemelwater langzaam richting de in de nabijheid gelegen sloten. Het hemelwater heeft dan alle tijd om langzaam in de bodem te worden opgenomen. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

5.2 Bodem

De woning is al jaren geleden gesplitst in twee wooneenheden. Planologisch is dit niet geregeld. Nu er sprake is van een al langdurig bestaande splitsing van wooneenheden is onderzoek naar de gesteldheid van de bodem niet meer vereist. Wordt in de gesplitste situatie meer dan 50 m2 extra verblijfsruimte in gebruik genomen dan dient hier wel een onderzoek naar de gesteldheid van de bodem te worden uitgevoerd door middel van een bodemonderzoek.

Een bodemonderzoek is derhalve niet uitgevoerd en gezien de criteria ook niet nodig.

5.3 Flora en Fauna

Bij de woningsplitsing vindt geen aan- en/of verbouw plaats en geen sloopwerkzaamheden. Het verstoren of beschadigen van flora en fauna is hier dus niet aan de orde. Een onderzoek is hier dan ook niet verplicht. Wel telt ten allen tijde de algemene zorgplicht.

Zorgplicht

Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Flora- en faunawet van toepassing: Op basis van de zorgplicht volgens artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

5.4 Cultuurhistorie en archeologie

Het perceel Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent is gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en het ontwerp-bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. Dit wil zeggen dat deze gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Ter bescherming van de eventuele waarden in de bodem is in de regels van deze dubbelbestemming opgenomen dat bij het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte van 100 m2 een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden is vastgelegd.

In onderhavig geval worden geen bodemingrepen verricht. Een onderzoek is hierbij dan ook niet nodig.

5.5 Geluid

Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De te splitsen woning is gelegen in de geluidzone van de Ruurloseweg, een doorgaande weg tussen de bebouwde kom van het kerkdorp Zieuwent en de bebouwde kom Ruurlo. Voor de Ruurloseweg geldt een maximale snelheid van 60 km/uur.

Voor de nieuwe zelfstandige wooneenheid dient op basis van de Wet geluidhinder dus onderzoek gedaan te worden naar de geluidsbelasting op de gevel. Met behulp van de Standaardrekenmethode I van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 is de gevelbelasting op deze woning door het wegverkeer van de Ruurloseweg indicatief berekend.

Voor geluidgevoelige objecten in een wegverkeerszone geldt op basis van artikel 82 van de Wet geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) op de gevel van een woning. Uit de gedane indicatieve berekening, waarbij een aanname is gedaan van het aantal motorvoertuigen per etmaal, blijkt dat op slaapkamerhoogte van 4,5 m de geluidbelasting op de gevel 47,7 dB bedraagt. Op kamerhoogte (1,5 m) bedraagt de geluidbelasting 45,4 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt dus niet overschreden. De berekeningen zijn als bijlage bijgevoegd.

Het wegverkeerslawaai is op basis van deze indicatieve berekening geen belemmering voor de woningsplitsing.

Overig geluid

Bij het toetsen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning is het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre betrokken. In de directe nabijheid zijn geen bedrijven gelegen die geluidsoverlast kunnen veroorzaken. Nu de woning in een woonomgeving is gelegen kan worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmeringen.

5.6 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.

Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit uit kunnen oefenen dan wel toepassen, hetzij:

  • het aannemelijk is gemaakt dat het niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde;
  • het aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
  • het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen;
  • indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 of artikel 5.13 lid 1 van de Wet Milieubeheer vastgesteld programma.

De hierboven aangegeven grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn voor de luchtverontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) en worden in de hieronder staande tabel aangegeven:

Stof   Grenswaarde  
SO2   350 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  125 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
NO2   200 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010  
PM10   40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
  50 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
Lood   0,5 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
CO   10.000 µg/m³ als 8 uursgemiddelde concentratie  
C6H6   10 µg/m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie  

5.6.1 Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)' legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is vóór en na de vaststelling van het NSL dezelfde en voor het grootste gedeelte geregeld in de 'Regeling NIBM' (luchtkwaliteitseisen).

De 'Regeling NIBM' (luchtkwaliteitseisen) geeft voor een aantal categorieën van projecten een, getalsmatige, invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de, getalsmatige, begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 1% of 3% grens en de grenswaarden nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen.

Voor woningbouw is het huidige 1% criterium (interimperiode) 500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 1000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De woningsplitsing van de bestaande woning naar twee wooneenheden aan de Ruurloseweg 30, 30a in Zieuwent maakt wel een extra wooneenheid mogelijk, echter ruim minder woningen dan het hier genoemde criterium, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen.

Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de woningsplitsing naar twee wooneenheden aan de Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent.

5.7 Geur

In de directe nabijheid van het perceel Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent zijn geen agrarische bedrijven of overige bedrijven aanwezig die geuroverlast kunnen veroorzaken op de aanwezige woningen. Het woon- en leefklimaat op deze locatie is hierbij dan ook niet in het geding.

De beoogde woningsplitsing vindt plaats op voldoende afstand van omliggende veehouderijen. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze bedrijven.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

Het perceel Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent is gelegen in de bestemming 'Wonen' binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en het ontwerp-bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. In deze bestemming is woningsplitsing niet mogelijk. Door middel van een opgenomen wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan binnen de bestemming 'Wonen' is het onder voorwaarden mogelijk om woningsplitsing toe te staan. In paragraaf 4.5 zijn de voorwaarden beschreven. Wel dient het perceel nog landschappelijk te worden ingepast.

6.1 Landschappelijk inpassing

Landschappelijke inpassing op perceelsniveau aan de Ruurloseweg 30,30a te Zieuwent zal geen toegevoegde meerwaarde hebben. Het perceel is al landschappelijk ingepast.

 

Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid

De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor woningsplitsing. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen:

Ad a) De inhoud van het te splitsen gebouw (dus zonder vrijstaande stallen, schuren en loodsen e.d.) niet minder bedraagt dan 900 m3; 

De inhoud van de bestaande woning bedraagt 900 m3.

Ad b) Bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd;

Op het perceel staan enkele bijbehorende bouwwerken met een totale oppervlakte van ongeveer 225 m2. Hiervan behoort ongeveer 120 m2 bij het woonhuis nr. 30 en ongeveer 105 m2 bij nr. 30a. Er is dus nog ruimte voor het realiseren van bijbehorende bouwwerken op beide percelen tot 150 m2 per perceel. Het bebouwingspercentage op het achtererfgebied bedraagt ten hoogste 10%.

Ad c) Er sprake is van een landschappelijke inpassing door middel van erfinrichtingsplan; uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;

Landschappelijke inpassing op perceelsniveau aan de Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent zal geen toegevoegde meerwaarde hebben. Het perceel is al landschappelijk ingepast. Dit komt mede door de aanwezigheid van de 'pluktuin'.

Ad d) De wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond;

Landschappelijke waarden en natuurwaarden worden door een woningsplitsing niet aangetast. Onderzoek hierna is dan ook niet nodig.

Ad e) De wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:

  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. de sociale veiligheid.

In hoofdstuk 5 is beschreven of de woningsplitsing gevolgen heeft voor het milieu, omliggende bedrijven en/of percelen, etc. Uit deze onderzoeken komt naar boven dat de genoemde aspecten geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft van de vier genoemde criteria.

Ad f) Het toevoegen van woningen past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;

Woningsplitsing van de woning heeft jaren geleden al plaatsgevonden. De twee woningen zijn als zelfstandige wooneenheden aangemerkt in het BAG, het basisregistratiesysteem voor woningen. Hierdoor is al langere sprake van twee zelfstandige woningen en wordt de woningsplitsing niet beschouwd als een 'nieuwe' woning. De woningsplitsing en de planologisch nieuwe woning past dan ook in het gemeentelijk woningbouwprogramma.

Ad g) Het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de Omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving;

Door de woningsplitsing veranderd er niets in de directe omgeving. De woningsplitsing en planologisch realiseren van twee woningen heeft geen positieve maar ook geen negatieve gevolgen voor het plangebied of omgeving.

Hoofdstuk 8 Juridisch planbeschrijving

8.1 Algemeen

Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP-2008) gepresenteerd. Deze standaard geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de opzet van bestemmingsplannen. Op aan groot aantal punten wijkt deze standaard af van de tot nu toe gebruikelijke vormgeving van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2008 (IMRO-2008) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2008 (PRBP-2008).De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

Bovengenoemd rapport, model en richtlijn zijn in 2012 gewijzigd in SVBP-2012, IMRO-2012 en PRBP-2012. Dit wijzigingsplan is met deze standaarden tot stand gekomen.

8.2 Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan Wijziging Ruurloseweg 30, 30a te Zieuwent is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand NL.IMRO.1586.WPBUI1512- de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard. Indien er verschillen aanwezig mochten zijn tussen de digitale en de analoge verbeelding dan is op grond van artikel 1.2.3 Bro de digitale verbeelding beslissend.

8.3 Regels

De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs-, en slotregels.

Hoofdstuk 9 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

9.1 Haalbaarheid

De woningsplitsing en de bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot uitkering van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst inzake grondexploitatie en planschade afgesloten met verzoeker.

9.2 Exploitatieplan

Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van een gebouw met een wooneenheid als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en Wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderzins verzekerd is. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is opgenomen dat de te maken kosten, waaronder eventuele planschade, voor rekening van verzoeker zijn. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

9.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de wijziging van het bestemmingsplan zal het ontwerpwijzigingsplan voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd (overeenkomstig afdeling 3:4 Algemene Wet bestuursrecht). Binnen deze termijn kan een ieder zijn/haar zienswijze omtrent de wijziging indienen. Dan zal ook duidelijk worden hoe omwonenden tegen het plan aankijken. Ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming. Gedurende de inzagetermijn voor het ontwerpwijzigingsplan zijn geen zienswijzen ingebracht.

9.3.1 Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Geldeland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.

In de ontwerpfase worden de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de inzage termijn zijn er geen zienswijzen en/of op- en/of aanmerkingen ingekomen.